Het gerucht onder den grond.
Reading edition
Het was ongeveer twee uur in den middag toen twee heeren den grooten tuin overstaken, die zich bevindt achter een der grootste huizen van de Regent-Street, niet ver van Pall Mall.
Het huis behoorde toe aan Lord William Aberdeen, den bekenden Londenschen philantroop.
De grootste van de beide heeren, die daar door den tuin liepen en hun schreden richtten naar een groot tuinhuis, was Lord Aberdeen zelf, maar de jonge man die bij hem was, Charly Brand geheeten, kende hem als John Raffles, den Grooten Onbekende.
Zij hadden nu het tuinhuis bereikt, en gingen binnen.
Indien wellicht een buurman, ondanks het dichte geboomte de beide heeren daar had zien binnentreden, dan zou hij zich toch niet verbaasd hebben, want hij kon weten, dat Zijne Lordschap een zeer ontwikkeld man was, die zich met zijn secretaris druk bezig hield met het nemen van proeven op het gebied der chemie.
Maar wat hij niet wist of kon weten, dat was, dat men het voornaamste gedeelte van het tuinhuis niet boven, maar onder den grond moest zoeken.
Maar daar bevond zich de geheime werkplaats, daar was ook het laboratorium, waar de Groote Onbekende eenige zijner meest verrassende uitvindingen had gedaan, daar was het plan voor de electrische vliegmachine ontstaan, welke zich met een snelheid van 500 kilometer per uur door de lucht kon bewegen. Daar was ook het aanschijn gegeven aan de plannen van de wonderbare duikboot, kleiner dan de kleinste oorlogsduikboot, maar zeker drie maal zoo snel.
Het tuinhuis bevatte twee vertrekken, het eigenlijke chemische laboratorium waar de beide onafscheidelijke vrienden ook zeer vaak werkten, en een soort rookkamer, die tevens een kleine wetenschappelijke boekerij bevatte.
En in deze rookkamer, ter hoogte van den monumentalen schoorsteen, bevond zich de ingang naar de onderaardsche werkplaats.
Door het verdraaien van een der kleine krullen in de gebeeldhouwde lijst van den spiegel, schoof een stuk van den schoorsteen terzijde en men bevond zich dan in een zeer smallen gang, nauwelijks vier decimeter breed, en waarin een zeer zwaarlijvig man zich zelfs niet had kunnen bewegen.
De beide heeren waren zoo juist het vertrek binnengetreden, en nu begon Raffles:
„Nu zal ik je eens zeggen, waarom ik je eigenlijk hier heb gebracht.”
„Ik ben er nieuwsgierig naar.”
„Je weet dat eergisteren in een winkel in de Grosvenor-Street een allerhevigste ontploffing heeft plaats gehad.”
Charly Brand keek Raffles verbluft aan en zeide:
„Ja, ik meen zoo iets gelezen te hebben. Tot op een half uur gaans waren de ruiten van de huizen gesprongen, en er zijn drie personen zwaar gewond. Ik kan mij alleen met den besten wil van de wereld niet voorstellen, op welke wijze dit in verband kan staan met je verzoek om hier heen te gaan!”
„Maar wij blijven hier niet, wij gaan verder naar beneden!”
„Maar om wat te doen dan toch?”
„Heb je het nog niet begrepen? Luister dan. De onderaardsche tunnel van dit huis naar mijn huis in de Victoria-Street loopt op slechts weinige schreden afstands van de Grosvenor-Street en de gasontploffing heeft plaats gehad in een grooten kelder. Het is dus niet onmogelijk, dat die ontploffing schade aan onze tunnel heeft toegebracht, en ofschoon wij haar in geruimen tijd niet gebruikt hebben, moeten wij haar toch steeds in goeden staat houden, men kan nooit weten, hoe zij ons nog eens kan dienen! Je weet, dat ik eenige jaren geleden het bestaan van dien onderaardschen gang bij toeval ontdekte, en mij toen gehaast heb, haar te verbeteren, en over een tiental meters door te trekken, totdat zij uitliep op onze onderaardsche werkplaats.”
„Nu begrijp ik het!” riep Charly uit. „Je wilt dus een kleine inspectie-reis ondernemen.”
„Zoo is het! Ik wil mij overtuigen, of de tunnel ergens is ingestort, om nu maar dadelijk het grootste ongeluk te noemen, en dat de spoorstaaf niet verbogen is, waarover ons twee wielig, electrisch wagentje rijdt. Het is verder niet buitengesloten, dat de electrische geleidingsdraad door den schok is gebroken, dat alles wil ik onderzoeken.”
„Nu ik ben tot je dienst.”
Raffles trad nu op den spiegel toe, draaide aan de krul en geruischloos schoof een stuk van den schoorsteen zoover terzijde, dat er een opening ontstond bijna anderhalven meter hoog en omstreeks een halven meter breed.
De beide mannen gingen er achtereenvolgens door, en door aan een kleinen hefboom te trekken, liet Raffles den schoorsteen weder op zijn plaats terug gaan.
De twee vrienden liepen een tiental passen door den smallen gang die niet anders was dan de ruimte tusschen den buitenmuur van het tuinhuis en den loozen muur van het vertrek en bereikten zoo een smalle ijzeren trap, die naar het binnenste van de aarde scheen af te dalen.
Het werd spoedig zeer donker, en de beide vrienden ontstaken hun electrische zaklantaarn.
De trap had dertig treden en eindigde in een soort kelderruimte.
Met een eigenaardig gevormden sleutel opende Raffles een stalen deur en nu stonden de mannen in het laboratorium.
Raffles draaide een schakelaar van het licht om, en nu baadde het vertrek in een zee van licht, uitgestraald door een viertal groote booglampen.
Hier bevond zich een volmaakte inrichting voor het doen van proeven op allerlei gebied, die menig professor of leeraar aan de Universiteit Raffles zou hebben benijd.
Een tweede deur gaf toegang tot een ander vertrek, bijna even groot, waar een paar werkbanken stonden, een kleine smidse, een electrische smeltoven, een machine voor houtbewerking, waar Raffles zelf zijn modellen vervaardigde, en een groot rek met de beste en fijnste gereedschappen.
En hier ook begon de ingang van de tunnel, welke Raffles bij toeval ontdekt had, en die waarschijnlijk dateerde uit de middeleeuwen, toen Londen letterlijk onder den grond een doolhof van gangen en geheime plaatsen had voor bijeenkomsten van verschillende secten, die toen achtereenvolgens aan vervolging bloot stonden.
Op den vloer glinsterde iets, dat was de stalen spoorstaaf, waarover een klein wagentje kon glijden, dat plaats bood voor drie personen, die op een soort zadel konden gaan zitten.
Maar het wagentje was op het oogenblik aan het ander uiteinde van de tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.
Raffles haalde een stang over, die dicht naast den ingang aan de tunnel aan den muur bevestigd was en de beide mannen wachtten.
Maar zij wachtten vruchteloos, er verscheen niets.
„Ik heb het wel gevreesd, er is iets niet in orde,” mompelde Raffles. „Als de automatisch-electrische inrichting nog werkte, dan had het wagentje reeds lang hier moeten zijn. Er is niets aan te doen, Charly, wij zullen er te voet op uit moeten.”
De beide mannen hadden reeds hun grijze werkjassen over hun kleederen aangetrokken en hingen nu hun krachtige electrische lantaarns aan een haak voor hun borst.
Want het was gebleken, dat ook de electrische lichtleiding verbroken was.
Het schijnsel van de beide lantaarns verlichtte nu het begin van de tunnel.
Zij had bijna overal een zuiver ronde doorsnede, maar de vloer was vlak gemaakt, om er des te steviger de enkele spoorstaaf op te kunnen bevestigen, waarover het electrische gedreven wagentje liep, dat met een snelheid van ruim honderd kilometer per uur door deze onderaardsche gang snelde.
Naast deze spoorstaaf bevond zich een smal plankier, die juist ruimte genoeg bood aan twee personen, om naast elkander voort te loopen.
De tunnel was bijna twee meter hoog en Raffles kon er met gemak rechtop in loopen, zonder gevaar voor een ongewenschte aanraking met de electrische draden, die langs den bovenkant van de tunnel liepen.
Na ongeveer een half uur te hebben voortgeloopen, stond Raffles, die zijn blikken onafgewend op de electrische draden gevestigd had gehouden, eensklaps stil.
Hij had een plek bereikt, waar de geleidingsdraad door den hevigen schok der ontploffing was afgebroken.
Het uiteinde van den draad lag op den vloer van de tunnel.
De twee mannen hingen nu hun lantaarns aan een der steunijzers voor den geleidingsdraad en ontpakten hun gereedschapstasch, teneinde den draad aanstonds te herstellen.
Binnen een half uur waren zij hiermede gereed.
Maar het bleek, dat hier niet de eenige plaats was, waar de draad was vernield.
Want toen Raffles een van de schakelaars omdraaide, waarvan er ook in de tunnel een aantal te vinden waren, bleef het nog altijd duister, met uitzondering van het licht der beide zaklantaarns.
Niet ver van de Grosvenor-Street vonden zij de tweede breuk.
Ook deze herstelden zij, en toen Raffles opnieuw een schakelaar omzette, straalden een groot aantal gloeilampjes hun licht uit, die op geregelde afstanden langs de bovenzijde van de tunnel waren aangebracht.
Hier en daar was de kalk uit de voegen tusschen de eeuwen oude steenen gevallen, en het smalle plankier was op enkele plaatsen ontzet.
Maar de stalen spoorstaaf was gelukkig in het minst niet verbogen, alle bouten en moeren, waarmede zij op het plankier bevestigd was, bevonden zich nog in den besten staat.
Maar ook de draad was gebroken, die aan beide zijde van de tunnel uitliep op een klein toestel, hetwelk weder in verbinding stond met den electromotor van het wagentje.
Wanneer men aan het eene uiteinde van de onderaardsche gang op een knop drukte, of een kleinen hefboom overhaalde, dan werd de electrische stroom gesloten, een kernspoel werd magnetisch en trok een weekijzeren anker tot zich, waardoor een nok losschoot, welke den hefboom in bedwang hield, die den motor en tevens de giroscoop van het electrische wagentje in gang zette, hetwelk zich dan met groote snelheid in beweging zette.
Ook deze verbindingsdraad was spoedig gelascht, en nu zetten de beide mannen hun weg voort naar het andere einde van de tunnel.
Na nog bijna een uur loopens kwamen zij aan een plek, waar de tunnel eensklaps veel breeder werd.
Het licht van de gloeilampjes weerkaatste op het staal en het koper van een eigenaardig gevormd wagentje, niet veel grooter dan een groote kruiwagen, voorzien van drie achter elkander geplaatste zadels, en van een ondiepen bak, waarin men van alles kon mede nemen.
In het midden, beschermd door een metalen kap, bevond zich het zware vliegwiel van de giroscoop, dat tijdens den rit uiterst snel ronddraaide, als een tol werkte, en dus het wagentje op zijn twee achter elkander loopende wielen even goed in evenwicht hield, alsof het er vier had bezeten.
Onder ieder zadel waren een paar pedalen zichtbaar, zooals bij een gewoon rijwiel, die ten doel hadden, het wagentje met menschelijke spierkracht toch nog te kunnen voortbewegen, ingeval door een of ander ongeluk de motor mocht weigeren.
Raffles en Charly traden op het wagentje toe, en onderzochten het nauwkeurig.
Alles was in de beste orde, en het zou desnoods dadelijk gebruikt kunnen worden.
„Wij zullen nu weder terug loopen, om ons te overtuigen, dat alles in orde is en wij niets hebben overgeslagen, en dan aan den anderen kant eens beproeven, of de startinrichting nu werkt!” zeide Raffles.
En zoo ondernamen de beide vrienden weder den terugweg door de tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.
Zij hadden reeds weder de plek bereikt, waar de herstelling had plaats gehad, toen Raffles eensklaps stilstond, en met een gebaar Charly dwong, hetzelfde te doen.
„Wat is er?” vroeg de jonge man verwonderd.
„Luister eens, hoor je niets?”
Charly luisterde ingespannen, en keek toen Raffles vragend aan.
„Wat zou dat zijn?” kwam hij toen. „Wat is dat voor een zonderling gerucht?”
„Ik wilde je juist hetzelfde vragen!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik heb de tunnel reeds lang in gebruik, maar het is voor het eerst, dat ik er ooit eenig gerucht in vernam, dat weet ik zeker.”
De twee mannen stonden onbewegelijk en luisterden.
Een dof, zoemend, snorrend geluid drong tot hen door, sterk gedempt door de dikke muren van de tunnel, maar toch duidelijk verneembaar.
Het klonk als het gonzen van een sterken motor, of van een stoommachine.
Ook leek het, of de grond zeer snel trilde alsof er dichtbij een exprestrein voorbij reed.
Wel een kwartier bleven Raffles en Charly in de zelfde houding staan, zonder een woord te wisselen.
Toen richtte Raffles zich weder op, en zeide:
„Ik kan mij den aard van het geluid niet goed begrijpen. Nu eens zou ik zeggen dat het eenigszins gelijkt op het geluid van een steenboor, die met geweld door harde aarde wordt gedreven, dan weder doet het mij denken aan een automobielmotor, die op den bok loopt, teneinde op proef te draaien.”
„Waar zijn wij hier ergens?”
„Ik zou zeggen ter hoogte van de Grosvenor-Street, maar je weet, dat ik een zeer nauwkeurig plan heb van alle straten, waaronder de tunnel heenloopt, en ik kan dus de plek zeer nauwkeurig vaststellen, waar wij het zonderlinge gonzen nu hooren en dat ben ik ook van plan, want een man in mijn positie moet niets ondoorzocht laten!”