Het geluid komt nader.
Reading edition
Haastig gingen de beide vrienden terug naar de onderaardsche werkplaats, en een half uur later stonden zij weder aan het uiteinde van de tunnel.
Gedreven door een gevoel van achterdocht waaraan hij nog geen naam wist te geven, zag Raffles er van af, het starttoestel te beproeven.
Hij wilde geen gerucht in de tunnel veroorzaken, al was het ook niet luider dan dat hetwelk veroorzaakt werd door het rijden van het electrische wagentje.
Raffles en Charly beklommen opnieuw de geheime trap, en traden door het gat naast den schoorsteen weder in het paviljoen.
Door den tuin bereikten zij het huis en dadelijk begaven zij zich naar de bibliotheek, waar Raffles uit een geheim vak van de groote boekenkast een portefeuille nam, welke hij geopend voor zich op tafel legde.
Hij zocht eenigen tijd tusschen de papieren, die er zich in bevonden, nam er tenslotte een teekening uit, een soort plattegrond, met strepen, namen en cijfers bedekt, en zeide:
„Op deze schets kunnen wij van meter tot meter nagaan, waar wij ons ergens bevinden, als wij in de tunnel zijn afgedaald. De plek waar wij het vreemde gerucht hoorden, moet zich bevinden omtrent den hoek van de Grosvenor-Street en de Baker-Street. Nog heden zullen wij daar eens een kijkje gaan nemen, want om je de waarheid te zeggen, bevalt mij dat ondergrondsche geluid niet!”
„Zou de Gemeente misschien ergens bezig zijn met het leggen van buizen?”
„Ik ontken het niet! Maar dan houdt de Gemeente er tegenwoordig eigenaardige methodes op na. Tot dusverre werd eenvoudig een soort loopgraaf gedelfd nadat men het asphalt had opgebroken en in dien kuil werd de buis neder gelaten. Voor zoo ver ik weet, gaat het overal ter wereld zoo toe!”
„Er wordt toch nergens een nieuwe lijn van de Underground aangelegd?”
„Niet bij mijn weten, maar het is niet geheel onmogelijk, en daarom zullen wij het maar eens dadelijk gaan onderzoeken!”
Hij borg het papier weder in de map, schoof haar in het geheime vak, en wendde zich weder tot Charly met de opmerking:
„Mij dunkt, dat wij, als er werkelijk een nieuwe tunnel werd geboord, ten behoeve van den ondergrondschen spoorweg, de uiterlijke kenteekenen daarvan hadden moeten zien want wij zijn in de laatste dagen dien kant nog al eens uit gekomen. Wij zullen het echter spoedig weten.”
Raffles nam de huistelefoon ter hand en stelde zich in verbinding met Henderson, den chauffeur, die op de hoogte was van menige onderneming van zijn meester en aan tal van gevaarlijke avonturen een levendig aandeel had genomen.
Vijf minuten later stond de groote, blauw gelakte auto van Zijne Lordschap William Aberdeen voor de deur.
Raffles en Charly verlieten het huis en de eerste wendde zich tot Henderson, een man van reusachtigen lichaamsbouw:
„Rijdt ons eens naar de Baker-Street, Henderson, maar vooral geen spoed, als ik je verzoeken mag, het is ons er ditmaal eens niet om te doen een wedstrijd met een sneltrein te houden!”
Henderson trok een bedrukt gezicht, want langzaam rijden met een auto, die makkelijk honderd kilometer per uur kon halen, dat leek hem het toppunt van dwaasheid.
Maar Mylord had het gezegd, en dat was voldoende.
Ongeveer een kwartier later reed de auto met een kalm gangetje door de oude Baker-Street, na den hoek van de Grosvenor-Street te zijn omgeslagen.
Maar nergens viel ook maar iets te bespeuren van den aanleg van een zoo geweldig werk als de bouw van een tunnel voor den ondergrondschen spoorweg is.
Het asphalt was overal ongeschonden en nergens viel een kuil te ontwaren, zoo groot als een knikkerkuiltje!
Voor alle zekerheid reden de beide mannen nog door een aantal andere straten in deze wijk, maar hun onderzoek was vruchteloos.
Toen zij weder terug reden, het was bijna halfzes, begon Raffles, die eenigen tijd in gedachten tegen de kussens van de auto had geleund:
„Het wordt er aldus niet duidelijker op. Het gerucht bestond toch niet alleen in onze verbeelding?”
„Aardschokken komen in Engeland wel niet veel voor, maar toch zijn zij wel eens voorgekomen,” merkte Charly op. „Acht je het volkomen ondenkbaar, dat hier van zulk een natuurverschijnsel sprake kan zijn?”
„Het zou mogelijk zijn, als het slechts honderd maal korter had geduurd, mijn waarde! Aardschokken van een kwartier achter een zijn nog nergens ter wereld voorgekomen, en zeker wel het allerminst in ons land! Bovendien is de aard van zulk een schok een geheel andere. Het is een bepaalde schok, geen trilling”
„Dan moet ik het opgeven!” riep Charly uit. „Tenzij er misschien vlak boven ons hoofd een afdeeling zeer zware artillerie is voorbijgetrokken!”
„Die uitlegging is althans heel wat aannemelijker!” kwam Raffles. „Ik kan mij voorstellen, dat het dreunen van een groot aantal zware kanonnen zich op groote diepte doet gevoelen. Maar toch, ik ben door deze oplossing niet tevreden, en ik wil eens zien, of ik geen betere kan vinden! Maar voor vandaag zullen wij ons maar niet langer met deze aangelegenheid bezig houden, het wordt tijd voor het diner, en daarna zouden wij naar de opera gaan, als ik mij niet vergis!”
En zoo spraken de beide vrienden dien avond geen woord meer over de vreemde geluiden in de tunnel, die van het onderaardsche laboratorium naar het huis in de Victoria-Street leidde.
Maar den volgenden morgen, toen Charly de kleine eetkamer binnentrad, vond hij daar Raffles reeds zitten, met een zorglijke uitdrukking op het gelaat.
De jonge man stak hem de hand toe en vroeg:
„Zoo vroeg reeds opgestaan? Een onaangename tijding gehad?”
„Geen onaangename tijding, maar een onaangename ontdekking, beste Charly!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik ben zooeven in de tunnel geweest, op de plek, waar wij gisteren het gerucht hoorden.”
„Welnu?” vroeg Charly vol spanning.
„Welnu, het geluid is sterker geworden sedert gisteren!”
„Wat!” riep Charly verwonderd uit. „Het duurde dus nog altijd voort?”
„Ja, en daarmede vervalt natuurlijk jou theorie van de voorbijrijdende afdeeling zwaar geschut!”
„Ik moet erkennen dat die nu niet langer houdbaar is!” hernam Charly. „Dus, het zonderlinge gerucht nadert onze tunnel?”
„Ja, en de aard laat zich nu ook reeds duidelijker en met meer beslistheid vaststellen, het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een electrisch gedreven grondboor. Men gebruikt dergelijke toestellen wel om den harden rotsgrond, dien men op vele punten onder de stad Londen aantreft, aan te tasten en te vergruizelen alvorens hem met het houweel en de spade verder te verwijderen.”
„Maar wat kan dit dan te beteekenen hebben?” riep Charly vol verbazing uit.
„Dat is juist wat ik gaarne zou willen weten!” antwoordde Raffles lakonisch. „Het staat nu wel vast, dat men een tunnel graaft, hier in de buurt, en dat die tunnel gegraven wordt in een richting, die volkomen of bijna rechtstandig op die van onze tunnel staat. De gevolgen zal je zelf wel kunnen voorstellen, zonder dat ik je daar in het bijzonder op wijs!”
„Natuurlijk! Op een goeden dag boren zij den wand van onze tunnel door en vinden zij den weg naar je huis in de Victoria-Street zoowel als hierheen! Het zou hoogst onaangenaam zijn!”
„Het verheugt mij dat je geen krasse termen gebruikt!” hernam Raffles droogjes. „Inderdaad zou het buitengewoon onaangenaam zijn, zoo onaangenaam, dat ik het in geen geval mag toestaan!”
„Maar hoe wil je het verhinderen?” kwam Charly, die nu ook begon in te zien, dat de zaak ernstiger was dan hij oorspronkelijk vermoed had.
„Ik kan het niet verhinderen, of ik moet eerst volkomen zeker zijn van de richting van de nieuwe tunnel, wie weet met welk doel gegraven, en vooral van haar beginpunt!”
„Laten wij dat dan dadelijk grondig gaan onderzoeken!” riep Charly uit.
„Ik hoor uit den toon van je stem, dat je nu ook begint in te zien, dat ons werkelijk een groot gevaar dreigt! Zeker, ik zou nu aanstonds het eindpunt van onze tunnel kunnen vernielen, maar ten eerste zou ik aldus een vol jaar arbeids te niet doen, en bovendien zou dat wel eens niet voldoende kunnen zijn voor lieden die bijzonder nieuwsgierig zijn uitgevallen! Zij zouden misschien er in slagen, het puin weg te ruimen door de vernieling in de tunnel opgehoopt, en dan zouden zij op een voor ons zeer noodlottigen dag toch wel eens in het tuinhuis, en verder kunnen doordringen!”
„En je zoudt bezwaarlijk kunnen volhouden niets van het bestaan van dien onderaardschen gang af te weten, vooral wanneer het vast stond, dat jij zelf het begin er van verwoest had, teneinde ontdekking te voorkomen!”
„Zeer juist geredeneerd en daarom is mij er zoo veel aan gelegen, dat ik de plannen ken van die vreemde tunnelgravers, en voor alles het punt, waar zij begonnen zijn.”
„Heb je eenig denkbeeld omtrent den aard van de menschen, die daar nu in onze richting onder den grond aan het wroeten zijn?” vroeg Charly, terwijl hij zich aan tafel zette en zich een kop thee inschonk.
„Ik wil mij niet knapper voordoen dan ik ben, ik weet er niets van en ik vermoed ook niets, ik begrijp het alleen maar niet!”
„Op onze tunnel kan het toch onmogelijk gemunt zijn!”
„Dat lijkt mij het minst waarschijnlijk! Aan de tunnel zijn maar twee uitgangen. Die van de Victoria-Street kan men niet binnengaan, zonder dat een alarm in mijn slaapkamer uitkomend mij waarschuwt, en dat men het andere einde onder den grond van onzen tuin zou hebben ontdekt dat is volkomen buitengesloten.”
„Zou het kunnen dat een fabriek, die zich gaat uitbreiden, tusschen haar kelders een gemeenschap wil maken?”
„Dan zouden die kelders door mijn tunnel van elkander gescheiden moeten zijn, mijn waarde, en dat acht ik niet bijzonder aannemelijk!”
„Dan weet ik het ook niet!” riep Charly uit.
„Ontbijt maar spoedig, want ik wil geen tijd verliezen!” hernam Raffles. „Die ganggravers maken nog al haast, zij zijn sedert gisteren zeker wel een paar meters vooruit gekomen! In ieder geval werken zij dus met geperfectioneerde graafwerktuigen.”
Charly repte zich zooveel hij kon, en daarop trokken de beide vrienden hun overjassen aan en verlieten het huis, maar ditmaal zonder van de diensten van Henderson gebruik te maken.
Te voet zouden zij wellicht iets meer kunnen ontdekken.
Zij reden per motorbus tot den hoek van Grosvenor-Street en Baker-Street en begonnen daar hun onderzoekingstocht.
Zij liepen langzaam de straat teneinde, keerden op hun schreden terug, stonden voor de meeste huizen, winkels en fabrieken even stil en luisterden ingespannen.
En toch wisten zij wel, dat dit verloren moeite was, het straatrumoer was hier zoo groot, dat het alle geluid onder den grond moest dempen, en dat zeker als de avond nog lang niet gevallen was.
Zij doorliepen een aantal zijstraten en stegen, en daarop keerden zij onverrichter zake, na een wandeling van bijna vier uur, weder naar het groote huis in de Regent-Street terug.
Raffles was in een sombere stemming, want hij gevoelde, dat het gevaar dreigend was.
Wie die geheimzinnige tunnelgravers ook mochten zijn, als zij den wand van zijn eigen onderaardschen gang doorboorden, dan kwam een kostbaar en tevens een gevaarlijk geheim van John Raffles alias Lord William Aberdeen aan het licht!
Tot iederen prijs moest hij dit trachten te voorkomen!
De twee onafscheidelijke vrienden gebruikten de lunch in de kleine eetzaal en al dien tijd spraken zij over weinig anders dan over het vreemde graafwerk, zoo dicht in hunne nabijheid.
„Als ik maar zeer nauwkeurig de richting kende, waarin die nieuwe tunnel op de mijne staat,” bromde Raffles, „dan zou ik ongeveer kunnen nagaan, waarop die gravers het voorzien hebben, wat hun doel is en wie zij zijn! Maar ik weet alleen, dat zij nader komen!”
Zoodra zij geluncht hadden, daalden de beide vrienden weder in de tunnel af en begaven zich naar de plek, waar zij voor de eerste maal het zonderlinge gerucht vernomen hadden.
En er kon niet aan getwijfeld worden, het geraas was veel duidelijker verneembaar dan den vorigen dag.
Het was nu ook niet langer een onafgebroken dof gegrom, als van een reusachtig spinnende kat, maar het werd telkens afgebroken door hortende stooten alsof er met geweld een hard voorwerp in den grond werd gedreven, ongeveer als bij het inheien van palen.
Wel bijna een half uur stonden de twee mannen zwijgend te luisteren.
Toen zeide Charly op zachten toon alsof hij vreesde dat men hem zou kunnen hooren:
„Het is mij niet goed duidelijk, hoe het komt, dat men elders dit gerucht ook niet gehoord heeft, bijvoorbeeld in de kelders van de huizen, waaronder die vreemde tunnelgravers hun gang aanleggen!”
„Dat is heel eenvoudig, Charly! Onze eigen tunnel ligt op een diepte van bijna twintig meters onder den grond, en geen enkele kelder in geheel Londen ligt dieper dan hoogstens vijf meter.”
„Misschien bestaat er nog wel kans, dat zij boven of onder onze tunnel doorgraven!”
„Ik hoop het, maar ik verwacht het niet! En daarenboven, als zij dat werkelijk deden, dan moest de afstand tusschen de twee tunnels ook groot zijn, anders zou onze vloer of dak of de hunne bezwijken! Als er niet minstens twee meters aarde tusschen onze beide gangen is, dan vrees ik het ergste!”
„Het is, als of zij hier recht op af komen!” kwam Charly, die zijn oor tegen den wand had gedrukt.
„Ja, dien indruk heb ik ook gekregen. Misschien kan het nog een week duren, maar misschien ook niet langer dan een dag! Men bedriegt zich gemakkelijk over den afstand onder den grond.”
„En dat wij niet weten, waar die tunnel begint!” barstte Charly uit. „Die lieden hebben natuurlijk weinig goeds in den zin en wij zouden het volste recht hebben, hun de politie op het dak te zenden, die dan maar eens moet nazien, waartoe die tunnel kan dienen!”
„Ik zou zeker geen seconde aarzelen, Charly!” gaf Raffles te kennen. „Als ik wist, in welk huis of liever onder welk gebouw de nieuwe tunnel een aanvang nam, dan waarschuwde ik één minuut later Scotland-Yard!”
„Maar zou die de tunnel niet verder doorgraven, om te zien, waar zij heen leidt?”
„Dan zou zij volkomen overbodig werk doen. Dat kan iedere ingenieur zien, als hij maar een maal de richting weet van de tunnel. Hij trekt dan een lijn door, en die lijn zou wel blijken een groot bankgebouw te snijden! Dat is waar ook!” zoo viel Raffles zichzelf eensklaps in de rede. „Weet je wel, dat het gebouw van de Midland-Bank zich in de Baker-Street bevindt?”
„Dat is waar! Dat was mij ontschoten!” riep Charly uit. „Dus je acht het mogelijk, dat de tunnel daar heen voert?”
„Het is in ieder geval niet buitengesloten. Als wij het zeker wisten, zou het terrein van onze nasporingen wederom aanzienlijk beperkt worden. Want wij zouden dan kunnen volstaan, van dit punt uit een lijn van de plek over het bankgebouw te trekken en die te verlengen. Dan zouden wij in de buurt van die lijn moeten zoeken.”
„Maar laten wij dat dan aanstonds doen!” hernam Charly. „Ik heb het gevoel, alsof zij zoo dicht bij zijn, dat zij onze stemmen kunnen hooren!”
„Nu, zoover zal het nog wel niet zijn,” kwam Raffles. „Maar in ieder geval zullen wij nog eens zien, hoever wij komen, als wij te werk gaan volgens het plannetje, dat ik je zooeven uiteenzette.”
„Maar kunnen wij de tunnel nu wel geheel onbewaakt laten?”
„Neen, dat gaat niet. Wij zullen Henderson van alles op de hoogte brengen, en hij moet hier zoo lang op post gaan staan, tot dat wij zekerheid hebben.”
Raffles en Charly aanvaardden den terugweg, maar nog lang hoorden zij het knarsende, stootende, borende geluid.
Zoodra zij het tuinhuis verlaten hadden, begaven zij zich naar de groote garage, die tegen een zijmuur van den tuin was aangebouwd, en in welks bovenverdieping Henderson zijn kamer had.
De reus was op dit oogenblik bezig met het schoonmaken van een zwaar motorrijwiel, waarbij hij een vroolijk liedje neuriede.
Hij had de mouwen van zijn werkkiel opgestroopt en zijn geweldige armen, met spieren als scheepskabels waren ontbloot.
Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide ernstig:
„Luister eens, Henderson. Er valt op het oogenblik een onaangenaam werkje voor je te doen, maar het is noodzakelijk!”
En nu deelde hij den reus mede in korte woorden, wat hij en Charly Brand dien dag en den vorigen in de tunnel ontdekt hadden.
Henderson behoorde niet tot de domsten, en ook hij begreep aanstonds, welk gevaar hier school.
Hij vertrok dan ook geen spier van zijn gelaat, toen hem de opdracht werd gegeven, in de tunnel de wacht te houden, ofschoon men deze taak waarlijk niet onder de aangename kon rangschikken.
En de reus daalde naar de tunnel af, gewapend met zijn onverstoorbaar goed humeur, en met twee stevige knuisten, in staat om een ijzeren staaf van een duim dik door midden te breken.