← Table of contents
Lord Lister No. 0045

Twee tanden.

Reading edition

De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen politie-inspecteur Baxter, vergezeld door zijn secretaris, den dikken Marholm, langs het Strand wandelde, om den avond in het Lyceumtheater door te brengen.

„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef.

„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een scheeven blik aanziende.

„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken niets van onzen vriend John Raffles hebben gehoord.”

Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet.

Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef stilstaan:

„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel genoeglijk, denkt aan geen onaangename dingen en slechts aan „die lustige Witwe”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —”

Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste avondbladen op het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de inspecteur van politie zijn zin niet kon voltooien.

„Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!” klonk het.

Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens verdrongen; het was hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig spook voor hem opdook en met zijn ironisch glimlachje om de lippen hem strak aankeek.

„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.”

„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit.

De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den neus.

„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!”

„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd je flauwe grappen voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat je Raffles werkelijk hadt gezien.”

De Vloo lachte luidkeels en riep:

„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik zwijgen en wel om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen kosten.”

„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen! Gevangen nemen!”

„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem niet!”

„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel eens zal krijgen!”

De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het krantenbericht, terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te lezen.

Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit, evenals veel andere voorbijgangers, die het stuk lazen.

Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst voorhoofd aankeek.

„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo kinderachtig!”

„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens even—die Raffles!— —O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —”

„Houd op met dien vervloekten Raffles!”

„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste streken!— —Ik kan werkelijk niet— —ik— —”

Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij verder sprak:

„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!”

„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt gij toch voor nonsens!”

Marholm hield zijn buik vast.

„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!”

Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere wandelaars, die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in de krant iets grappigs stond omtrent hem, den inspecteur van politie, en Raffles.

Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de dichtstbijzijnde lantaarn eveneens het artikel te lezen.

Met woedende blikken las hij het volgende:

„Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten bericht, waarvan wij de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks afzender zeer zeker het volle vertrouwen van onze lezers bezit:

Raffles deelt ons mede— — —”

En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het recept van den Ierschen kapitein.

Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen, kende den drilstok der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring.

Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn kamer met zijn kameraden die menschen-bestrijding vervloekt.

Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en sprak:

„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den grooten onbekende is, die mij uitstekend bevallen!”

„Ik maak u mijn compliment,” lachte de Vloo, „ik zie, dat mijn hoop mij niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig aanhanger worden van Lord Lister.”

Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den ambtelijken plooi.

„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik heb geen lust, de „Lustige Witwe” te verzuimen.”

„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze Raffles! Ik geloof zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren— —een geniale kerel!”

„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past geen detective van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de gevaarlijkste misdadiger, die zich ooit in Old England ophield.”

„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde de Vloo, „maar dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen aan den dag mijn jas aan den kapstok, als ik met hem kon ruilen”.—

Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden, zat Raffles in de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het Hydepark gelegen villa, die hij ongeveer een half jaar geleden had gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch katoenhandelaar.

Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne bestraffing van den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche garde bedreven beulswerk.

Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in de kamer aanwezig was en bezig was, de courantenberichten uit te knippen en deze te plakken in het door hem aangelegde archief over Raffles’ daden.

„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme, kleine meisje willen bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul, en het bij een nette familie onderdak brengen.”

„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees en mag volgens de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet verlaten. Zou ze het nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen en naar den ouden dienst terugbrengen”.

„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is het verblijf van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik van plan ben het verborgen te houden!— —Maak je daarover niet ongerust, beste Charly!”

„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het toch altijd nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen. Vrijwillig zal ze in geen geval meegaan, daar ze zeer zeker de voorschriften zal kennen.”

„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang verschaffen tot het huis van den kapitein en het arme kind, desnoods met geweld, in betere omstandigheden brengen.”

Charly Brand haalde de schouders op en hernam:

„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets voorneemt, je het ook ten uitvoer brengt.”

„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard ook ken ik niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet eens noodig acht, een plan voor de uitvoering te overwegen.— — —

„Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we opbreken.”—

Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want er scheen een onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op den Hamilton Road begaf.

Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens iemand wakker was.

Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles:

„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik ontdekte, dat zich op den zolder een dakvenster bevindt, liever hierdoor naar binnen gaan.

„Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit het huis kom.”

De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch één-familie-huis en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde door een schutting was afgesloten.

John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn vriend als een donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde verdween.

Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de poort was aangebracht en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die hem boven op het huis zou brengen.

Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het dak met pannen bedekt en tamelijk schuin was.

Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis maakte het voor Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen zien.

Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de aandacht te trekken.

Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het midden van het huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de trap kon bereiken.— — —

Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde!

Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet bemerkt en viel hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een houvast te vinden en maakte opnieuw een buiteling, waardoor hij met een doffen slag neerviel. Daarna rolde hij langs de treden naar beneden en bleef onder aan de trap bewusteloos liggen.

Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en beiden keken angstig naar de gesloten deur van de slaapkamer.

De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat oogenblik hun pijnen vergaten.

„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan haar man, die sidderend van angst overeind in bed zat.

„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de bliksem is ingeslagen. Er is buiten een hevig onweer.”

„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is eerst in aantocht; ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen moet zijn gevallen. Bewijs nu je dapperheid als Engelsch officier. Neem je revolver en ga naar de gang.”

Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten.

„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust te stellen, „hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat is een onmogelijkheid, of heb je soms vergeten, de huisdeur te sluiten?”

De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden:

„Ik heb alles gesloten, Harry, maar … nu weet ik het!—Ik vergat het dakvenster op zolder dicht te maken!… Harry, sta op! Door het dakvenster moet een inbreker naar binnen zijn geklommen!”

Maar de kapitein wilde niet.

Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— —

Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje geleek, rees in de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van haar heer en gebieder het angstzweet stond.

„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw hem toe, haar echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend.

„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om je te verdedigen?— —

„O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard!

„En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland, die eindelijk het gehate Duitschland zou overwinnen!

„Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den inbreker dat je een held bent!”

„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met zwakke stem te antwoorden.

Nu begon zij te krijschen:

„Wat?… Wat?… Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd met twaalf misdadigers en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen man te hebben! O! O!”

Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de revolver, die op het nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar de deur, rillende van koude, ondanks het warme weer.

Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een waterkaraf.

Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog voordat de kapitein het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur.

Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit.

Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht wederkeerig steun bij haar.

Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen.

Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John Raffles in een bloedplas op den steenen vloer liggen.

„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend.

„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem.

Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine dienstmeisje ook naderbij gekomen.

Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind van de gang.

Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep:

„Groote hemel, die arme man is dood!”

Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en vroeg:

„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat scheelt u?”

Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed.

Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar steunende. Maar nauwelijks hadden zij zijn gelaat gezien of zij sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten in woest geschreeuw los.

„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een waanzinnige zijn vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug, wierp de deur achter zich dicht en grendelde deze drie keer.

Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met stoelen, tafels en andere meubelstukken.

Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was, stond een oogenblik sprakeloos.

Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg ter redding en een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken.

In den hoek onder de trap hing een waschlijn.

Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen Raffles tot een pakje samen te binden.

Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur en schreeuwde:

„Doe open! Doe open!”

„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij! Spaar mijn leven!”

„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers! Kom er uit, Harry, de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem met de waschlijn vastgebonden!”

„Is dat werkelijk waar?”

„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu de politie roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.”

„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?”

„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een bijl en sla ze stuk!”

„Heeft hij je geen kwaad gedaan?”

„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos neer. Kom hier, Harry! Kom hier!”

Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat hij een revolver in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk.

Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid had gesproken.

Nu kwam zijn moed terug.

Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep:

„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer ben je aan het verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je neer!”

Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor.

Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één enkelen blik de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— — —hij dacht een oogenblik na, maar de toestand was wanhopig.

Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren en verzocht, daar zijn mond bebloed was, een beetje water.

„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem gericht houdende, „eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!”

En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen, schoot de kapitein zijn revolver op hem af.

Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein:

„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!”

„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers, dat ik mij niet verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een ongeluk mee kunnen begaan, want schieten kunt gij niet!”

„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal ik hem eens anders toonen!”

In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde vuren, toen het kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar geheimzinnigen vriend had herkend, de revolver van den kapitein op zij sloeg, zoodat het schot krakend in den muur terecht kwam.

„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein, terwijl zij met een bezem haar man te hulp kwam.

Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon doen dan zich bedaard te houden.

„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!”

Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie.

„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?”

Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en wijsvinger en hield het in de hoogte:

„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den gevaarlijken strijd met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de vuistslag, dien ik hem gaf en die hem neervelde, kostte hem twee tanden!”

„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg mevrouw verbaasd.

„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon.

„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een, toen wij de deur van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet gezien?”

„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn oogen. Heb jij hem werkelijk neergeslagen?”

„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik heb hem neergeveld! Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die beroemde bokserslag is. Dat is de slag, dien men in het Iersche regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd is, dat niemand het waagt zich met mij te meten.

„Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste plek had getroffen, had hij in plaats van deze twee tanden, zijn geheele gebit verloren.

„Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn liefde voor jou, Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — —

„Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij sluimert, want dan sta ik niet voor mij zelf in.”

Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen.

„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste roofdier. Je beenderen zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd rukken en er zou niets van je overblijven dan een grafsteen met den naam: Eulalia!”

Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein rillend en bevend naar haar man.

Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand de bloedige tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson.

Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg:

„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?”

„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van zijn tijgerjachten in Indië van elk neergeschoten beest een tand in goud laten zetten, welke hij nu aan zijn horlogeketting draagt.

„Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen en jou de andere aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een herinnering aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!—

„Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die souvenirs benijden.— —

„Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn revolvers bewaak en roep de politie.”

Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het dienstmeisje den Grooten Onbekende water te drinken had gegeven, terwijl Raffles haar toefluisterde:

„Maak de huisdeur open!”

Hij had zich niet in het meisje vergist.

In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel van dankbaarheid voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had gegeven.

Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar de huisdeur en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het naaste politiebureau waarschuwde.

John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak bij hem staanden kapitein op Japansche boksersmanier zulk een geweldigen stomp in den buik, dat deze als een bal op den grond rolde.

In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly Brand afgesproken fluitsignaal hooren.

Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de overzijde op den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde met een paar reuzensprongen naar den ingang van het huis.

Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand.

„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds opgebeld! En daar het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is, hebben wij de jachthonden over eenige minuten op ons dak!”

Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den grond lag en geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende knieën bij de telefoon stond, haalde Charly Brand een vlijmscherp Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de waschlijn door, waarmede Raffles gebonden was.

Dit alles speelde zich af in een paar seconden.

Eindelijk was de Groote Onbekende vrij.

Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje bij den arm en sprak:

„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik neem je mee!”

„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op de straat een politie-patrouille aankomen. Vooruit!”

Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide vreemde heeren met haar voorhadden.

„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit slechte handen redden.”

Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten.

Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe:

„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag leeren kennen, dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig creatuur!”

Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend, het stoepje naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker, terwijl het geschreeuw om hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot achterna zond.

Nu naderde ook reeds de politie.

„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de manschappen aanvoerde.

„Raffles was hier!” schreeuwde McGovern.

„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee tanden verloren. Kijk, hier heb ik ze!”

Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen buit te bekijken.

„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige oogenblikken, „maar de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons niets, die kunnen wij niet achter de tralies zetten.

„Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?”

„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw.

„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten toon, „wij komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze schuld zijn, dat Raffles ontvlucht is!”

„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als altijd te laat gekomen!”

„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten wil niet! Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!”

„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de huisdeur opengaat en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een revolver onder den neus duwt?”

„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem bevrijd!”

„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik met een waschlijn had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem gevlucht.

„En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het ongelooflijkste! De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— — —”

Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden hun ooren niet gelooven!

„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van u gestolen?”

„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon, „een vies, vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als een ekster!”

„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij blij zijn, dat gij dat schepsel kwijt zijt!”

„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder.

„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder dienstmeisje beginnen? Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man? En wie moet boodschappen voor mij doen? O, ik wil niet eens aan al die narigheid denken!”

„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de sergeant. „Mijn vrouw doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!”

Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn.

Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd.

Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den sergeant van politie en schreeuwde in de grootste opgewondenheid, terwijl haar stem oversloeg:

„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw vergelijken! Weet gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein Eulalia Mac Govern! Mijn man is kapitein van de Iersche koninklijke garde in den Tower!

„Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn hemel! Wie zal morgen de laarzen van mijn man poetsen!

„Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond zich zelden meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was alles onecht) dan het dienstmeisje.”

De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die op den achtergrond stond, merkte op:

„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het tafelzilver en de beurs van den kapitein.”

„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft 200 pond sterling gekost!”

„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel niet. Hij heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de eenige parel, die hier te vinden was.

„Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer gevangen hebt, den inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan even handig met hem omgaan als gij!”

„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te vervelen.

Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende verslaggevers, die per auto waren aangekomen en schreeuwden:

„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”

Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een toestel voor magnesiumlicht.

Het was een verslaggever van de Times, die op het bericht van Raffles’ gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid was, hierheen was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen.

De tweede heer was een nieuwtjesjager van de Daily News en op hem volgden verscheiden andere.

Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers uitgezonden.

De sergeant van politie lachte spottend en sprak:

„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang vandoor!”

„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de Times.

„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten.

De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het eerst waren geweest.

„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van onschatbare waarde! Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en wie weet wat nog meer, maar Raffles heeft haar toch gestolen!

„Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die twee tanden roemrijk in den slag heeft veroverd.”

Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar hun bureau terug.

Kapitein McGovern echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn woorden stenografeerden, van zijn vreeselijk gevecht met John Raffles, wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde met de woorden:

„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht nog graag wil missen, den bokserslag toe te brengen!”

Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met hun auto’s, die in een lange rij voor het huis stonden, naar hun redacties, om het nieuwste sensatiebericht van Raffles: twee verloren tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein Mac Govern en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te krijgen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings