← Table of contents
Lord Lister No. 0045

Het gestolen dienstmeisje.

Reading edition

Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab genomen en was naar zijn villa in het Hydepark gereden.

Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon van angst en verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen, welke Lord Lister tot haar richtte.

Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen.

Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare inrichting van het huis en waagde het niet plaats te nemen op den met rood damast bekleeden stoel, dien John Raffles haar aanbood.

„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik herhaal je, dat ik alleen het beste voor jou wil en dat je morgenochtend reeds verzorgd zult worden door een familie buiten de stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere menschen leeren kennen dan tot dusverre.

„Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?”

„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar, toen mijn moeder stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis.

„Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het bestuur van het weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen.

„O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden dienst verlost zou worden.

„Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het zwaarste werk verrichten!”

„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger schepseltje als jij bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen. Waarom heeft het bestuur van het weeshuis je niet een vak laten leeren? Heb je soms slecht geleerd op school?”

„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind. Hij haatte mij!”

„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man daartoe?”

Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek bedeesd voor zich.

Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met den weesvader.

Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar schouder en vroeg:

„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?”

„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje.

„Een nette kerel!” lachte Charly Brand.

„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles.

„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met hen altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—”

Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos bedekt.

„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de vreeselijke dingen, die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat zulk een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?”

„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den weesvader te beklagen. Wij zouden verschrikkelijk geslagen en opgesloten zijn!”

„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de weesvader je?”

Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken.

„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende vriendelijk en hij streelde zacht het blonde haar van het meisje.

Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en antwoordde:

„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—”

„Nu, en toen?”

„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem terug. Toen begon hij vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen zou nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij had het zoo goed met mij gemeend!

„Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!”

Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg:

„Heb je geen familie in Londen?”

„Niemand, sir!”

„En hoe heette je vader?”

„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje.

„En je moeder?”

„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de City.”

„Sprak zij nooit over je vader?”

„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij die zien. Mijn vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel voorname familie was.”

John Raffles floot zachtjes.

Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken.

„Waar zijn die portretten gebleven?”

„In het weeshuis.”

„Weet je dat zeker?”

„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een klein verzegeld pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de politie er mij bracht.

„De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien jaar zou zijn. Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!”

„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?”

„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den naam niet wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.”

„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe zijn en zal ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den nacht bij die menschen doorbrengen.

„Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.”

Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige inlichtingen te hebben gegeven, de zorg voor het meisje op.

Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een nieuwe sigaret aan en liep peinzend eenige keeren op en neer.

„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen en weer loopen van zijn vriend keek.

„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe ontzettend veel ellende de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en weet niet, op welke wijze men de zwakken zal helpen.

„Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te keeren, die elk oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt.

„Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen schurk, die nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient dan die Iersche kapitein.

„Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen. Heb je lust, met mij mee te gaan?”

„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van den kapitein en je val hebben je krachten uitgeput.”

„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een bad had genomen.”

Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis, dat midden in de City lag, naderden.

„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in het gebouw wilt doen.”

„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl hij aan de bel trok om den portier te wekken.

Er verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een onvriendelijke stem riep:

„Wie is daar?”

„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader dadelijk spreken voor een dringende aangelegenheid!”

Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een oude man met grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen.

Hij hield een lantaarn in de hand.

„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den portier eenige shillingstukken in de hand drukte.

De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het gelaat van den ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach sprak hij:

„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons zal gelukken, den weesvader wakker te krijgen”.

En op vertrouwelijken toon fluisterde hij:

„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner thuis gekomen en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!”

Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange, met tegels geplaveide gang naar de woning van den weesvader.

De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in een net ingerichte vestibule.

Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te nemen.

Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan.

Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van een man, die zich in de aangrenzende kamer moest bevinden.

Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam Lord Lister naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur.

Dit scheen te helpen.

Een slaapdronken stem in de kamer vroeg:

„Wat is er?”

„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!”

„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden.

„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?”

Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon:

„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!”

Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe iemand zijn bed uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken.

Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader stond met lijkbleek gelaat op den drempel.

„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen.

Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had.

„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles, „het handelt hier om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in dienst is gekomen bij kapitein McGovern”.

„Wat is er met het meisje?”

Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader, toen hij hoorde, dat het niet om hem te doen was.

„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en hebben, om haar identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende akten noodig”.

„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?”

„Ja”, antwoordde Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die documenten, wij zullen ook zoo vrij zijn, u mee te nemen”.

De weesvader ging een stap achteruit.

„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?”

„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor, nadat gij u hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke toebehooren aan Anna Marie Thomson”.

Angstig vroeg de weesvader:

„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?”

Raffles haalde de schouders op.

Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon:

„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!”

Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde de Groote Onbekende hem toe:

„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!”

De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde:

„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet uitgaan!”

„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet meer weesvader, gij zijt mijn gevangene!”

De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en Raffles hem moesten steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar uit een kast de akten en het door Raffles gewenschte, verzegelde pakket met de brieven en portretten te halen.

Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak, terwijl hij Charly Brand de documenten gaf.

Daarop sprak hij tot den weesvader:

„Vooruit! Er is haast bij!”

„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden.

„Dat behoeft niet in den nacht.”

„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens kousen.”

„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en opdat gij geen poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels maar afnemen.”

Voordat de beambte een afwerende beweging kon maken, had Raffles zijn bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen zijn afzakkende pantalon vasthouden.

Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht.

Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen, door te vragen:

„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?”

„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je brandewijn. En nu vooruit! Kom mee!”

Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de huisdeur open te sluiten en nam den arrestant mee naar buiten.

Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen als John Raffles en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe een flinken slag met de bretels en sprak op aanmoedigenden toon:

„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een beetje flink, anders zal ik je een handje helpen!”

Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en hij zuchtte:

„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten sleept midden in den nacht!”

Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep:

„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik geef je alleen maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een geringere straf krijgt, anders verzeker ik je, dat je tot levenslange tuchthuisstraf wordt veroordeeld!

„En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het politiebureau!”

De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen de arrestant werd binnengebracht.

Lord Lister groette kortaf.

Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde hij onmiddellijk de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als: detective Johnson van Scotland Yard.

De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende bewijs voor de identiteit van den detective, voor handigheid en bekwaamheid.

„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk protocol op te maken van het verhoor.”

„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar Scotland Yard?” vroeg de officier van politie.

„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een tweede arrestatie uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis.

„Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de bekentenis van den weesvader, die hij hier zal uitspreken, dadelijk op papier te brengen!”

„Allright” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn secretaris binnen.

„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon, terwijl hij hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den goeden raad, dien ik u heb gegeven. Als gij nu uw misdaden bekent, zult gij een zachte straf krijgen.”

De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met de rechtermouw,—want hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn gelaat.

Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles overvallen en dus op niets voorbereid geweest.

Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven, bekende hij, dat hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had gehad met verscheiden weesmeisjes en er een bijzonder vermaak in had gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen.

Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes werden vastgebonden om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te worden.

De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en sprak tot Raffles:

„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den kerel onmiddellijk onder veilig geleide naar Scotland Yard laten transporteeren!”

„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van mij mee te geven aan inspecteur Baxter.”

De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een dienstcouvert en schreef daarop:

„Aan den heer Inspecteur Baxter,

Scotland Yard.”

Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op en sloot het in het couvert.

Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen.

Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem:

„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval is, maak ik alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!”

„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles.

„Allright!”

Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar Charly Brand, die op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid heen en weer liep.

Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in Hydepark.

Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn studeerkamer stond.

Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op zijn schrijftafel en sprak:

„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een afgezakte pantalon laten loopen.

„Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten bekijken om te weten te komen, wie de vader van het door mij geroofde dienstmeisje is.”

Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks had hij een blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij sprong verbaasd op en riep:

„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar zijn!”

Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn schrijftafel, nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak photographieën te voorschijn.

Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een portret in cabinetformaat.

„Lees eens Charly, wat hier staat.”

„Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het Schotsche regiment lanciers. Ter herinnering aan onze gezamenlijke campagne in Afrika.

In trouwe vriendschap

Lord Cramesford.”

Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven:

„Gevallen in den slag bij Ladysmith”.

Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem een tweede photographie en wel die uit het pakket van het dienstmeisje overhandigde.

Vol verbazing riep Charly uit.

„Dat is hetzelfde portret!”

Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven, stond hierop:

„Aan mijn lieve, dierbare Anny,

van haar trouwen Lord Robert Cramesford”.

„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen.

„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het werktuig ben van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer te brengen. Ik kan geen andere verklaring geven omtrent zooveel vreemde dingen, waartoe ik gebracht word.

„Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de slavernij van schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend uit mijn jeugd.

„Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het dikwijls verwenscht, dat wij in Engelschen dienst een dergelijken smadelijken veldtocht mee moesten maken.

„Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde voor de kogels der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval een van ons beiden op het slagveld mocht blijven, de ander diens zaken zou ordenen.

„Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld.

„Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond uit den ouden Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de universeele erfgenaam is geworden.

„Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde.

„Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die blijkbaar doelde op een hartsgeheim, te vervullen.

„Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste inlichting verstrekken. Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn dood zonder menschelijke dwalingen of verwikkelingen te zijn voorbijgegaan.

„Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben uitgesproken. Ik wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou misschien nooit meer aan die gelofte hebben gedacht, als het huidige geval er mij niet levendig aan had herinnerd.”

„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand. „Ik zou werkelijk ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je leiden. Als de tanden van een raderwerk passen de gevolgen van onze wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein moest door jou gestraft worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen en het arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen met een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren! Eigenlijk is— — —”

John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn schrijftafel plaats genomen en begon de brieven van zijn overleden vriend te lezen, die deze aan zijn beminde, de moeder van het door Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven.

De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in den laatsten brief, die een dag voor den dood van den afzender was geschreven, hoopte deze op een spoedig wederzien en op een gelukkig huwelijk.

Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen, om afstand te doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het geliefde meisje te kunnen huwen.

Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en uit allen sprak zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten, kussen en vragen naar het welzijn van de kleine Anna Marie, dat men uit elken regel las, hoe diep de liefde zich had genesteld in het hart van den jongen edelman.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings