Charly’s ontdekking in een elegante heerenwoning.
Reading edition
Toen Lord Lister op vriendschappelijke wijze bij de deur van het reederskantoor afscheid had genomen van dr. Warrens, kwam tot zijn verbazing Charly op hem toe, nu in de vermomming van een Amerikaan.
„Hier staat onze auto, oom!” sprak hij gevat.
Nauwelijks hadden zij plaats genomen in de zachte kussens van het onmiddellijk wegsnellende voertuig, of Charly vertelde den uitslag van zijn navorschingen.
„Zonder de deur uit het oog te verliezen, heb ik deze auto genomen, en vanuit het raampje naar den ingang gekeken. Ik beloofde den chauffeur den dubbelen prijs en een groote fooi, als hij ongemerkt twee heeren zou volgen, die weldra uit het kantoor zouden komen, waar de inbraak had plaats gehad.
„Daar ik als kruier was gekleed, betaalde ik de gewone vracht vooruit.
„Wij letten dus nauwkeurig op en het duurde niet lang of de beide heeren kwamen uit de huisdeur naar buiten.
„Ik had natuurlijk niet de voorste auto genomen, maar de derde. De beide heeren namen de eerste en reden weg.
„Ik volgde in dolle vaart. In een der deftigste straten in het Westeinde lieten zij halt houden en stapten beiden uit.
„Zij gingen een eind te voet, nadat zij hun auto hadden weggezonden en ik sloop hen na aan de andere zijde der straat.
„Toen ik hen een deftig huis zag binnengaan, waarvan de deur door den jongen heer werd opengesloten, bleef ik voor een kunsthandel aan den overkant staan en wachtte of er iets te zien zou zijn, dan wel of zij er weer uit zouden komen.
„Misschien wilde de oude heer gaan uitrusten of zich verkleeden. Ik stak juist mijn tabakspijp aan, toen ik zag, dat op de tweede verdieping plotseling twee vensters werden verlicht. Voordat de jalouzieën neergelaten werden, meende ik, den slanken jongen heer Apsley aan het raam te hebben herkend.
„Het duurde echter niet lang of deze kwam er weer uit, riep een leeg rijtuig aan en noemde bij het instappen de Heerenclub.
„Daar ik dit adres kende en veronderstelde, dat hij er vrij lang zou blijven, volgde ik hem niet, maar wachtte, of misschien de oude heer ook nog niet zou gaan.”
„Uitstekend!” sprak de Lord. „En werd je geduld beloond?”
„Zeker! Er waren nauwelijks tien minuten verloopen, toen ik de deur weer open zag gaan en, met een zeer elegante overjas en cylinder, een fijne havanna in den mond, kwam de oude heer naar buiten. Hij zag er nu veel jonger en zeer vergenoegd uit.
„Hij begaf zich met veerkrachtigen tred, als een jonge man, naar de Square, waar bij het kruispunt van de Nelson en Campbellstreet een aantal auto’s van de Daimler-Company gestationeerd zijn. Maar ik hoorde helaas niet, welk adres hij zijn chauffeur opgaf.”
„En waarheen rijden wij nu?” vroeg Lister glimlachend.
„Nu, ik dacht, dat gij misschien de woning in de Campbellstreet, waarheen de heeren Apsley zich begaven, wel eens wildet zien.”
„Je hebt mijn bedoeling uitstekend geraden, lieve neef Robert. Maar ik word niet gedreven door gewone nieuwsgierigheid.
„In de eerste plaats kost die inbraakgeschiedenis, die zoo ongehoord brutaal is, mij veel hoofdbreken. Ik kan er nog niet achter komen, wie hier de hand in het spel heeft.
„Misschien vind ik in het logies van den reeder, die mij niet betrouwbaar voorkomt, de een of andere vingerwijzing, misschien ook niet!
„Verder is een brave jonge man, de ingenieur der firma, die zijn chef gewichtige ontwerpen ter veilige bewaring in diens brandkast heeft toevertrouwd, bij deze zaak betrokken, misschien voor zijn verdere leven ongelukkig gemaakt.
„Ik vermoed dat Mr. Apsley, die met zijn ervaring op het gebied der scheepbouwkunde, de genialiteit van dit ontwerp heeft ingezien, het stuk heeft verduisterd en dat deze inbraak hem in zooverre zeer gelegen kwam, omdat hem nu de mogelijkheid werd geopend, de verduistering van het ontwerp te maskeeren!”
„Zoo’n schurk!” riep Charly vol eerlijke verontwaardiging. „En ik had nogal zoo’n medelijden met hem wegens zijn groot verlies en verbaasde er mij daarom over, dat hij zoo welgemoed uit het huis kwam.”
„Nu, het is voorloopig ook alleen een vermoeden van mij. Ik kan mij vergissen en zou niet gaarne iemand onrecht willen aandoen.”
„Als het ontwerp ook juist nu is verdwenen, dan komt mij dat zeer verdacht voor. Je zult wel gelijk hebben met je veronderstelling. Dat was de reden van zijn goede luim!”
„Het zou prachtig zijn, als wij het ontwerp vonden. Morgen moeten de stukken namelijk zijn ingediend. Wat des middags om 12 uur niet aanwezig is, blijft buiten mededinging.
„De hoop van den jongen man om een prijs te behalen, is niet zonder grond. Dit ontwerp moet geheel nieuwe ideeën bevatten.
„Burton is verloofd en zou gelukkig worden als hij zegeviert, waaraan niet te twijfelen viel! Juist het verdwijnen van het ontwerp sterkt mij in mijn overtuiging, dat het een voortreffelijk stuk werk is.
„Het is echter mogelijk, dat wij Mr. Apsley groot onrecht doen. Ik heb al gedacht, of hier niet een concurrent, die eveneens mededingt naar den prijs en die Burton’s genie vreest, op deze wijze Burton heeft buitengesloten.
„Maar die zou zich niet vergrepen hebben aan het geld van de firma Apsley, al is het ook waar, dat de gelegenheid den dief maakt.
„Ook kan het een concurreerende firma van Mr. Apsley zijn geweest, welke vreesde, dat de firma Apsley, als chef van den ingenieur Burton, wanneer deze laatste den prijs behaalde, ook in de eerste plaats in aanmerking zou komen om uitvoering te geven aan de plannen van den uitvinder.
„Men kon het ontwerp laten verdwijnen en maakte meteen de firma tijdelijk onschadelijk, door de 50.000 pond te verduisteren.
„Misschien komt Mr. Burton’s ontwerp weer te voorschijn als het werk van een ander. Ik zie de zaak nog niet duidelijk in. Er zijn hier veel verklaringen te geven!”
Onder het uiten van deze veronderstellingen waren de beide vrienden in de Campbellstreet aangekomen en lieten de auto stilhouden. Charly betaalde het overeengekomen bedrag en liet den chauffeur met het voertuig wegrijden, daar in de nabijheid wel weer een auto te krijgen was.
Charly had het huisnummer goed genoteerd en met den looper van den Grooten Onbekende opende deze geruischloos de zware huisdeur.
Zij klommen de met rijke loopers belegde, prachtige trappen op naar de tweede verdieping en Charly, die nauwkeurig had opgelet, wees op een hooge deur, die zich bevond tusschen de ingangen naar twee huurwoningen. Die deur gaf toegang naar de kamer met de beide vensters aan de voorzijde, die hij verlicht had gezien.
Met verbazing las Lister op een visitekaartje boven een brievenbus: „Mr. John Morris”.
„In elk geval zullen wij de kamer onderzoeken. De naam doet er eigenlijk niets toe!” meende Charly, terwijl hij aan het sleutelgat luisterde.
„Daar binnen is niemand”, sprak hij daarop.
„Laat ons dan beginnen”, vond Lister. Zijn steeksleutel paste ook hier en voorzichtig opende hij de deur.
Alles was donker.
Charly streek waslucifers aan en ontdekte het draaiknopje van het electrische licht. Hij ontstak een der gloeilampjes aan de kroon en keek om zich heen.
Op hetzelfde oogenblik riep Lister met halfluide stem:
„Hoera! Het klopt! De naam Morris is slechts een aangenomen naam. Een der beide heeren Apsley, en wel naar ik vermoed de oudste, bedient zich van deze vrijgezellenkamer onder een valschen naam.
„Daar ligt namelijk de vernielde jas op den stoel en op tafel het gescheurde boordje, de das en de slappe vilthoed, dien Mr. Apsley droeg, toen hij het kantoor verliet.”
Bij het doorsnuffelen van de jaszakken vielen Charly ten overvloede nog eenige brieven in handen aan het adres van Mr. Apsley Senior, zoodat nu geen twijfel meer mogelijk was.
In de elegante woonkamer werden alle laden en kasten, vooral de inhoud van het cylinderbureau, nauwkeurig onderzocht. Ook hierbij deed weer Lister’s overal passende sleutel uitstekend dienst.
Alle moeite was echter vergeefs.
Lister onderzocht zelfs de hooge rugleuning van de sofa, de muren en het buffet, maar geen geheime schuilplaats werd gevonden.
„Nu naar de slaapkamer”, sprak Lister, over den drempel stappend.
Ook hier werd een der electrische lampen opgedraaid en tegelijkertijd deed Charly het licht in de woonkamer uit.
Doch ook hier in de tamelijk leege kleerkast, in de laden van de waschtafel, zelfs in het nachtkastje, ja, onder de bedden en kussens werd niets gevonden.
Plotseling bleef hij voor een tafel met een toiletspiegel staan. Hij zette den spiegel eraf en voelde over de moiré-achtige, roode bekleeding, waarop zich op gelijke afstanden bladornamenten bevonden.
Hij had zich niet vergist.
Het blad, waarover zijn vinger onderzoekend was heengegleden, bevond zich op eenigen afstand van den vloer en was beweegbaar. Toen hij het op zij schoof, kwam een sleutelgat te voorschijn.
„Charly!” riep Lister met gesmoorde stem, „de schuilplaats!”
Charly kwam op de teenen toegesneld.
„Drommels, jij weet alles te vinden!” fluisterde hij vol bewondering.
Lister had zijn looper reeds in het sleutelgat gestoken en de zoo zorgvuldig verborgen deur van een muurkast bewoog zich geruischloos in haar scharnieren.
Toen de kast zich voor hun oogen had geopend, stonden Lister en Charly stom van verbazing!
Het was wel niet het ontwerp van den ingenieur dat zij voor zich zagen, maar voor hen lag de som geld, die door Raffles zou zijn gestolen, de 50,000 pond sterling, meer dan een half millioen aan Hollandsch geld, in zakken, rollen, banknoten en credietbrieven.
Zooals een nader onderzoek, dat Lord Lister later instelde, bewees, was het volle bedrag nog bij elkaar.
Raffles keek vol verbazing Charly aan, die sprakeloos naast hem stond. Daarop sprak Lister hoofdschuddend:
„Op deze toch zoo voor de hand liggende mogelijkheid was ik—waarschijnlijk uit achting voor het menschelijk karakter—niet gekomen!
„Dwaas die ik ben, de gewurgde man heeft het mij, toen hij een oogenblik tot bewustzijn kwam, duidelijk gemaakt!
„Hij bedoelde met het woordje „zelf”, dat zelfs de dokter niet, maar ik wel heb verstaan, niet zichzelf, maar hemzelf, den ouden reeder, zijn lastgever en—moordenaar!
„De vijftigduizend pond waren hier reeds in veiligheid, toen de inbreker van beroep, om de zaak geloofwaardig te maken, de brandkast moest opensmelten met het moderne knalgas-blaastoestel.
„Om den man onschadelijk te maken, misschien ook om den inbraak geloofwaardiger te doen schijnen, hebben de beide heeren Apsley te zamen den inbreker met het daartoe gereedliggende koord gewurgd.
„De voorname, rijke heer, waarvan Bob heeft gesproken, was de reeder. Het eerlijke werk was de opdracht van den eigenaar, om de brandkast te openen. Wie weet, welke redenen men hem daarvoor had opgegeven.
„Daarvoor had Apsley beloofd, hem doorloopend werk te geven. In zekeren zin, maar op afschuwelijke wijze, heeft hij die belofte ook gehouden!”
Lister rilde en Charly was bleek geworden, toen hem de groote verdorvenheid van dezen rijkaard uit Lister’s woorden duidelijk werd.
„Deze man, van wien men alles kan verwachten, heeft ook het ontwerp van den ingenieur in zijn bezit. Daaraan valt in ’t geheel niet te twijfelen. Maar hij draagt het, omdat het zoo kostbaar is, misschien bij zich!
„En nu geloof ik stellig, dat die geheele gefingeerde inbraak, ja, zelfs de koelbloedige moord op dien beklagenswaardigen Bob, die juist bezig was, zich weer aan eerlijken arbeid te wijden, enkel en alleen het middel was om het verdwijnen van het ontwerp voor het bouwen van een onderzeesche boot geloofwaardig te maken!
„Wij moeten ook dat ontwerp nog vinden, al zou ik het dezen onmensch ook met geweld moeten afhandig maken!”
Lister knarste met de tanden en zijn oogen fonkelden van toorn en verontwaardiging.
„Ik wil hem straffen met de straf, die hem het hardst zal treffen.
„De rijke man zal tot bedelaar worden! Ik wil zien, of hij het zal dragen met de kracht en waardigheid, waarmede mijn vader het droeg, waarmede ik het heb gedragen, toen verdorven bloedverwanten ons erfdeel roofden!
„Ik, Raffles, veroordeel u, beide heeren Apsley, onwaardige schurken, om voortaan tot de bedelaars te behooren! Maar niet tot die, welke met een rein geweten en vroolijke blijmoedigheid hun eerlijke armoede dragen, neen, tot de bedelaars, die geen rust kunnen vinden, omdat hun hartstochten en hun geweten, omdat de gedachte aan alle schatten, die zij hebben verloren, hun geen rust gunt!
„Bedelaars—bedelaars, opdat gij in al uw ellende en minderwaardigheid bekend zult worden!”
Lord Lister streek zich met een zucht over het bleeke gelaat, waarop diepe ontroering te lezen stond.
„Ik begrijp niet wat mij opeens zoo overweldigde! Maar deze slechtheid grenst ook aan het ongelooflijke.
„En nu aan het werk, Charly! Luister naar hetgeen je moet doen! Neem een auto aan de Square, betaal drie- of vierdubbele vracht, maar vlieg, opdat je terug bent, voordat de schurken terug komen.
„Rijd naar onze villa en haal in de tasch de valsche banknoten hier!
„Zoo snel als je kunt! Ik blijf hier. Zij zullen niet zoo gauw komen!
„De jonge Apsley kan niet zoo gauw afscheid nemen van het spel in de Club en als de oude onmensch komt, terwijl ik hier ben, dan zal hij een onaangenaam kwartiertje beleven!”
Charly nam vol geestdrift zijn bevelen in ontvangst en snelde heen.
Lord Lister nam op de sofa plaats, legde zijn kleine revolver voor zich op tafel en stak, om zichzelf eenigszins te kalmeeren, een sigaret aan.
In diepe gedachten zat hij daar en was zeer verbaasd, toen Charly reeds binnen zeer korten tijd met de groote tasch terug kwam.
Dezen keer echter was zij vol en zwaar, want zij bevatte alle banknoten, die den schilder waren ontnomen.
Lister stak zijn revolver in den zak en stond op.
„Je auto moet wel haast gevlogen hebben”, sprak hij.
„Dat geloof ik bij driedubbelen prijs!” antwoordde Charly.
Na een vluchtige schets te hebben gemaakt van de indeeling der kast, waarbij hij noteerde, welke geld- en bankpapiersoorten elk vak bevatte, nam nu Lister met behulp van Charly de valsche banknoten uit de reistasch en legde ze, naar de waarde verdeeld, op de toilettafel.
Daarop eerst nam hij de zakken en rollen goudstukken en de verschillende stapels bankpapier uit den schuilhoek en borg alles in de tasch: 50,000 pond sterling!
Nu verdeelde Lister de valsche bankbiljetten in de vakjes van de kast ongeveer zoo, als het echte geld daarin had gelegen.
Overal waar zooeven nog het geld had gelegen, bevonden zich nu de daarmee in waarde overeenkomende valsche banknoten.
Een nauwkeurig onderzoek kon deze verandering natuurlijk niet doorstaan, des te minder, omdat de zakken en rollen ontbraken, maar bij oppervlakkige beschouwing zou men de verwisseling van het geld in het geheel niet hebben waargenomen.
Hierna sloot Lister voorzichtig de kastdeur en schoof het blad weer voor het slot.
Ook den toiletspiegel zette hij precies weer op de oude plaats.
Hij draaide het electrische licht uit en beiden gingen de woonkamer binnen.
Alles was daar nog zooals zij het hadden aangetroffen en zij overtuigden zich ervan, dat zij niets hadden achter gelaten, wat hun aanwezigheid zou kunnen verraden.
Zij gingen nu zoo zacht mogelijk de kamer uit en begaven zich naar het trappenhuis. Daar heerschte duisternis en stilte.
Onhoorbaar sloot Lord Lister de deur achter zich af.
Hij had juist het handvat van de tasch mee beetgepakt, om Charly bij het dragen van het zware voorwerp behulpzaam te zijn, toen hij staan bleef. Zijn scherpe ooren hadden het geluid gehoord van een huissleutel, die in het slot werd gestoken.
„Halt, Charly,” fluisterde hij. „Het is mogelijk, dat de persoon, die daar komt, in een der andere woningen moet zijn.”
Maar de schreden naderden de trap en tegelijkertijd werden ook twee stemmen vernomen, een zwaardere mannenstem en een vrouwelijke.
„Zij komen naar boven,” fluisterde Charly, die zich voorzichtig voorovergebogen had. „Hij strijkt een lucifer aan. Het is de oude Apsley!”
„Dan voorzichtig een trap hooger gegaan, Charly,” sprak Lister zacht en met groote kalmte.
Zij namen onhoorbaar de tasch op en slopen op de teenen naar de volgende trap. Een paar treden in de hoogte zetten zij de tasch neer en luisterden.
En zij hoorden het volgende stichtelijke gesprek:
„Hoeveel geef je mij, oudje, zeg eens?”
„Daar zullen wij binnen over spreken, bij sherry en gebak.”
„Nu, ook goed! Ik heb zoo’n afschuwelijken honger, oudje. Krijg ik een sovereign? Nietwaar? Je bent een nobele jongen, ik krijg er een?”
De reeder lachte.
„Als je je eischen niet hooger stelt, met genoegen! En als je heel lief bent, misschien zelfs wel twee!”
„O, mijn lieve ouwetje! Daarvoor heb ik je hartstochtelijk lief!”
Zij moest hem wel omhelsd en gekust hebben, want de heer Apsley sprak lachend:
„Mijn hemel, wat een liefdesvuur voor twee sovereigns! Laat mij ten minste de deur eerst opensluiten, vleistertje!”
En hij opende de deur, zoodat de weer dichtvallende deur den beiden luisteraars belette, nog iets van het gesprek te hooren. Zij hoorden alleen nog, hoe de respectabele oude heer zich met de straatdame, die hij ergens had opgepikt, in de kamer opsloot.
Toen Lister en Charly de straat hadden bereikt, namen zij op de dichtstbijzijnde standplaats een auto, waarin Charly met de tasch plaats nam, terwijl Raffles zich naar de Heerenclub liet rijden.