EEN VERHAAL UIT DE BERKELSTREEK
Reading edition
DOOR
H. J. KREBBERS
SCHRIJVER VAN "TOON BEVERS", ENZ.

UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ "C. MISSET" DOETINCHEM.
INHOUD
Hoofdstuk Bladz.
I. Waarin men een straattooneeltje bijwoont en kennis maakt met de familie De Laat 1
II. De kennismaking wordt voortgezet 12
III. Het Speenvarkentje 21
IV. Op visite bij De Laat 25
V. Hoe de kleine Steven zijn Speelmakker verloor 45
VI. Een ongewenschte ontmoeting 51
VII. Een aanranding 56
VIII. De kleine Steven bezoekt het kasteel Heiterloo en raakt leelijk in de klem 64
IX. Hoe dronken Teunis uit visschen ging en wat hij thuis bracht 76
X. Op de Dorpskermis 84
XI. De Beer 96
XII. Een vervelende dag en een pleizierige avond 100
XIII. De mislukte Vischvangst 104
XIV. Een vader, op weg om zijn zoon te zoeken 113
XV. Moeder en zoon. 126
XVI. Het einde van een verwoest leven. 132
XVII. Op stroopen uit 144
XVIII. Een Paardenspel 152
XIX. Een crisis 160
XX. Besluit 164
Illustraties
Tegenover blz.
"We gaan nog niet naar huis. (Pag. 3). 6
Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die rustelooze loovers der populieren! (Pag. 74). 78
... en blijft nu en dan staan luisteren ... (Pag. 113). 110
Steven bleef een wijle ... staan staren op het lijk van zijn makker ... (Pag. 141). 142
I.
Waarin men een straattooneeltje bijwoont en kennis maakt met de familie De Laat.
't Was een koude, heldere avond in 't laatst van October. Steven de Laat, een ventje van zeven jaar, had op de dorpsstraat met zijn makkers gespeeld en wilde juist het huis binnen gaan, toen 't op den hoek, bij de tapperij van Klaas Brouwer, bijzonder rumoerig werd. Een bekende dronkaard, Teunis Vlak, kwam met een uitsporigen zwaai de kroeg uit en de straat op loopen en schreeuwde uit alle macht, terwijl hij op een allergekste manier met armen en bovenlijf zwaaide: "Wij gaan nog niet naar huis!" enz. Daar er in 't stil, landelijk dorpje, dat we maar Veldwijk zullen noemen, slechts zelden iets bijzonders gebeurde, trok de luidruchtige dronken man buitengewoon veel belangstelling. Hij bracht weer eens wat leven in de brouwerij, zooals men zegt.
"Dronken Teunis is weer aan den gang!" riepen de bewoners, die nieuwsgierig uit hun huizen kwamen loopen, elkander toe en lachten en schaterden om de komieke manier, waarop hij over de straat laveerde.
Teunis scheen te meenen, dat hij zich door zoo mal te doen jegens 't belangstellend publiek buitengewoon verdienstelijk maakte. Althans: hij grijnslachte allerleelijkst en zong steeds weer van voren af aan, dat hij nog niet naar huis ging.
"Ha, ha! — die is goed!" lachte een spotvogel onder de toeschouwers. "Hij heeft geen huis en hoe zou hij er dan naar toe gaan? Zijn hut kan men toch geen huis noemen. De getuinde wanden zijn met leem dichtgesmeerd; het dak is van half vergaan stroo, dat hier en daar met mos en huislook begroeid is. Het ondereinde van een eiken stam is de tafel; een wrakke stoel is schier 't eenige meubel. De vent kan evengoed in 't arrestantenlokaal zitten."
"Misschien is 't wel zijn toeleg, om door de politie opgepakt te worden!" zei bakker Joosten. "Hij komt dan voor niet een heelen nacht onder dak. Morgen vroeg wordt hij weer vrij gelaten en kan dan van nieuws beginnen. Ze hadden hem al lang naar de Schans moeten sturen en hem noodzaken om met werken zijn brood te verdienen."
"'t Is een gevaarlijke kerel!" sprak nu boer Scholte, die met paard en wagen in 't dorp was en daar een vaatje boter en een honderdtal eieren bij den kruidenier afleverde en daarvoor waren terug nam. "Je kunt je hier in 't dorp haast niet voorstellen, wat een last wij buitenmenschen van dat brutale bedelvolk hebben. Als de vrouwen alleen thuis zijn, dwingen en dreigen ze, om te krijgen wat er van hun gading is. Ze zijn een ernstig, blijvend gevaar voor oppassende, werkzame menschen." Hij groette, klom op zijn wagen en reed met het schokkende, ratelende voertuig over den met keien geplaveiden straatweg, terwijl hij 't paard in draf zette.
De nieuwsgierige dorpelingen, die nog altijd naar het dwaze doen van den vagebond bleven kijken, zagen nu eensklaps veldwachter Van Braam om den hoek heen komen en met haastige stappen naderen. De ondergaande zon schitterde op de kleine koperen knoopjes, aan weerskanten van zijn sjako-achtig hoofddeksel en de heel groote knoopen van 't zelfde metaal, waarmee de voorzijde van zijn kaal afgesleten lakensche jas versierd was.
Hij was een lang man met een deftige houding. Een dikken stok droeg hij onder den arm en aan zijn linkerzijde hing de geduchte sabel.
"Wat is hier te doen?" vroeg hij barsch.
"De Bierton is weer dronken!" galmde de straatjeugd, die den landlooper op de hielen volgde en een groot vermaak schepte in zijn heen en weer zwaaien en zijn dronkemansgezang.
De veldwachter stapte kordaat op den vagebond toe, greep hem bij den kraag van zijn ruigen pijekker, die hem, in verband met zijn vuile pelsmuts, het voorkomen gaf van een ruigen beer en zei forsch: "Wel, wel, Teunis, is 't weer zoo laat met je! Kom mee: 'k zal je wel even onder dak brengen!"
Maar Teunis vond dit aanbod niet naar zijn zin. Hij zette zich terdege schrap en zong of liever schreeuwde weer uit alle macht, dat hij nog niet naar huis ging.
De straatjeugd en ook sommige volwassen lieden vonden dit zulk een kluchtig tooneel, dat ze 't uitschaterden en staan bleven om te zien, hoe 't zou afloopen. Zij zagen, hoe de veldwachter vooruit en Teunis achteruit trok, hoe die twee struikelden over een straatkei, in de goot vielen en in 't vuile water lagen te ploeteren en ze barstten uit in een schaterlach.
Gelukkig kwam de nachtwacht nu te hulp schieten en met hun beiden brachten ze den druipnatten landlooper in 't arrestantenlokaal. Men kon hem echter ook toen hooren zingen, dat hij nog niet naar huis ging.
"Vader! Moeder! De Glimworm kwam er aan en greep de Bierton, die zong, bij den kraag. Maar de Bierton wou niet mee en trok aldoor achteruit en de Glimworm trok vooruit en toen vielen ze allebei in de goot en lagen er in 't vuile water te ploeteren ... och zoo grappig!"
Met dit nieuws kwam de zevenjarige Steven de Laat het woonvertrek binnenloopen. Hij had een kleur als bloed van den haast, dien hij gemaakt had om 't groote nieuws aan vader en moeder te vertellen en beefde van opgewondenheid en groote pret.
Zijn vader zat erg vermoeid in den leunstoel in 't warme hoekje van den haard. Zoo pas nog was hij van een verre, hoogst bezwaarlijke voetreis weer thuis gekomen.
De verkeersmiddelen van tegenwoordig, zooals spoor- en tramwegen, waren toen in dit gedeelte des lands nog onbekende zaken, want wat we nu beginnen te vertellen, is ongeveer een halve eeuw geleden voorgevallen.
October had den goeden man bij 't scheiden als in boozen luim zijn kille hagelbuien in 't gezicht geblazen of wel hem begroet met een sneeuwjacht, waardoor niet enkel de streek als wit gepoeierd werd, maar ook hij zelf in een sneeuwman veranderd scheen, die, voor de afwisseling, zijn vaste standplaats verlaten had, om een uitstapje te doen in de buurt en er een praatje te maken met een anderen sneeuwman.
De landwegen, die hij had moeten passeeren, verkeerden in een slechten staat; op sommige plaatsen waren 't modderpoelen en de reis had geduurd van Maandag tot Zaterdag. Hij was dan ook zeer vermoeid, zooals we reeds zeiden, en zat te knikkebollen tegen 't hoog opvlammend haardvuur, alsof hij dit door middel van gebaren een hoogst belangrijk geheim wilde mededeelen. Op dit oogenblik kwam zijn zoontje met het voor dezen zoo gewichtig nieuws binnen stormen en deed hem opschrikken uit zijn sluimer.
Verwonderd keek De Laat eerst zijn jongen aan en richtte vervolgens de oogen op zijn vrouw, die juist bezig was om den avondmaaltijd gereed te maken.
"Wat praat de jongen toch van de Bierton en den Glimworm?" vroeg hij verbaasd. "Wat meent hij daarmee?"
"Och," antwoordde zijn echtgenoote lachend, "de jongens noemen Teunis Vlak, omdat hij zoo dik is, de Bierton. En als de veldwachter hem, wanneer hij dronken over de straat laveert, in 't arrestantenlokaal wil opsluiten, scheldt Teunis hem om de glimmende knoopen van zijn uniform voor "leelijke glimworm" en de jongens hebben ook dien scheldnaam overgenomen."
De Laat schudde bedenkelijk het hoofd. "'t Bevalt me niet," zeide hij ernstig, "dat de jongen zoo laat nog op straat loopt en allerlei dingen ziet gebeuren, waarvan hij zoo lang mogelijk onkundig moest blijven en er de lui scheldnamen leert geven. Waar is hij nu weer zoo gauw gebleven? Zeker weer de straat op."
"Misschien wel," antwoordde zijn vrouw, ze opende de voordeur en riep haar zoontje. Toen ze 't woonvertrek weer binnentrad, zei ze: "'t Begint al aardig te vriezen. 't Zal een koude nacht worden."
Steven volgde haar op den voet en zijn vader liet zijn plan varen om hem te berispen. Hij kon later immers evengoed zijn jongen waarschuwen.
Spoedig stond nu de maaltijd gereed en zaten ze recht gezellig aan tafel. Helder brandde de lamp en 't haardvuur verspreidde een aangename warmte.
't Genot van spijs en drank deed den man weer heelemaal opleven. Hij vertelde van 't geen hij op zijn reis alzoo gezien had.
"Ze zijn op 't Wolvenveld met een spoorbaan aan 't leggen," dus begon hij. "Een troep polderwerkers is daar op een verwonderlijke manier in den taaien leemgrond aan 't bolwerken. 'k Heb nog van mijn leven zulk werken niet gezien. De één graaft en delft; de ander duwt den zwaarbeladen kruiwagen tegen een smalle plank op en stort den inhoud uit in een grooten wagen, die op ijzeren richels staat. Dat alles geschiedt met een vlugheid en handigheid, alsof 't hun volstrekt geen inspanning kostte. Als die wagens gevuld zijn, worden er een dozijn of nog meer aanéén gehaakt. Dan komt er een locomotief, zooals ze 't ding noemen, rookend, sissend en fluitend over die richels aanrollen. Ze maken daarachter de wagens vast en blazend, puffend en hijgend trekt hij ze voort, veel sneller dan een paard loopen kan."
"Hoeveel paarden zijn daar dan wel voorgespannen, vader?" vroeg Steven.
"Er loopen heelemaal geen paarden voor, mijn jongen!" was het antwoord. "De voorste wagen, die locomotief heet, is gevuld met kokend water en de damp van dat heete water brengt al die wagens in beweging en doet ze loopen zoo snel als een vogel vliegen kan."
Steven vond dit verhaal veel verwonderlijker, dan dat van Klein Duimpje of Asschepoester en haast te wonderlijk om het te gelooven.
"Ja," zei De Laat, "'t is een verwonderlijke uitvinding. Een paar weken geleden stond ik vrij laat in den avond in een eenzame streek aan een overweg van de spoorbaan en moest wachten, tot de laatste personentrein gepasseerd was. 't Was donker; de lucht was bewolkt en dreigde met regen; droomerig suisde de wind in de kale boomen en ontlokte aan de telegraafdraden boven mijn hoofd allervreemdste geluiden.
Op de plaats, waar ik stond, maakte de weg een bocht. Ratelend kwam de trein aanstoomen. De twee groote lantaarns voor aan den locomotief leken wel de vlammende oogen te zijn van een vreeselijk monster uit de voorwereld. Daar was het vuurspuwend gedrocht vlak tegen mij! 't Scheen zich van de spoorstaven te willen loswringen, om op mij te komen aanstormen en me te vermorselen! 't Was een gekletter van wielen en stangen, van ijzer op ijzer, alsof alles kort en klein moest. Maar het vuurspuwend monster met zijn langen, vurigen staart van helder verlichte wagens holde voorbij en liet een ijselijk gegil hooren, dat mijlen ver over de streek weerklonk en door de echo's herhaald werd.
Vermoeid van de lange reis leunde ik over den afsluitboom en dacht, hoe mijn vader, die toch een moedig man was, geschrikt zou zijn, als hij in zijn tijd dezen trein had zien voorbij-daveren en den vurigen gloed had gezien, die er uit opsteeg en onheilspellend afstak tegen de donkere lucht.
{Illustratie: "We gaan nog niet naar huis". (Pag. 3).}

De goede man ware de gevolgen van den doorgestanen schrik misschien nooit weer te boven gekomen.
Maar zie! terwijl ik zoo dacht, kwam plotseling de boom, waarop ik leunde, in beweging. Van 't verwijderde wachthuis werd hij omhoog getrokken om den weg weer vrij te maken en ik ging mee de hoogte in. Verschrikt liet ik me vallen en kwam vrij onzacht op den natten grond terecht."
"Foei!" zei zijn vrouw huiverend. "Je zou armen en beenen hebben kunnen breken! Maar," dus ging ze voort, "die spoorwegen maken 't verkeer toch zeer gemakkelijk en goedkoop. Levensmiddelen en andere zaken worden in weinig tijd naar de meest afgelegen plaatsen vervoerd, zoodat er in gewone omstandigheden weinig of geen gevaar meer bestaat voor hongersnood. Vroeger ging dit vervoer uiterst langzaam per as en vaak over ongebaande en met tollen bezwaarde wegen. 't is maar gelukkig, dat we binnen kort hier in de streek ook zoo'n spoorweg zullen krijgen."
"Ja," zei De Laat, "die veranderingen met stoom en telegraaf zijn ongetwijfeld verbeteringen. En wie weet, welke veranderingen we mettertijd nog te wachten hebben. Sinds we kinderen waren, is er op verschillend gebied al zooveel vooruitgang waar te nemen. Het heugt me nog als de dag van gisteren, dat Teunis, de marskramer, hier de eerste lucifers bracht. Wat hadden onze moeders vroeger een moeite om 's morgens 't vuur aan te maken, als de gloeiende turfkool, die ze den avond te voren onder de asch in den haard hadden begraven, was uitgedoofd, wat nog al eens gebeurde. Vader moest dan met staal, vuursteen en tonderdoos te werk, of wij moesten bij buurvrouw een kool vuur gaan halen.
Nog zie ik in gedachten Teunis hier in 't hoekje zitten met de bemodderde schoenen op de vuurplaat en de mars met kruidenierswaren achter zich. Hij zag er dien keer heel gewichtig uit. Vrouw Stoffel was juist een buurpraatje komen maken. Moeder bood haar een kop koffie met een klontje aan en Teunis kreeg ook een kopje. Hij dronk het met langzame teugen leeg en zei: 'Hé! daarvan frischt een mensch weer heelemaal op!"
Hij zette een heel ernstig gezicht. Toen diepte hij uit zijn broekzak een doosje op en zei: "U is altijd zoo vriendelijk om mij een plaatsje te gunnen aan uw warmen haard en me nog bovendien op een kop heerlijke koffie te trakteeren; nu heb ik ook iets meegebracht, dat u in de huishouding kan te pas komen. Ziehier dit doosje! 't Zit vol kleine houtjes met een rooden kop. Die zijn allemaal voor u. Als u er zuinig mee te werk gaat, kunt u er wel een maand mee toe."
"Maar wat moet ik met die houtjes uitvoeren?" vroeg moeder nieuwsgierig.
"Neem er eens zoo'n stokje uit," antwoordde hij, "strijk het met den ronden kop over den ruwen kant van 't doosje en je zult wat wonders zien gebeuren."
Nu, moeder deed zoo en nu hoorden we een zwakken plof, we roken een sterke zwavellucht en zagen het houtje branden. We schrikten er van en meenden, dat er tooverij onder stak. En tegenwoordig denken we niet meer om 't vreemde van 't geval. Zoo wordt alles tot een gewoonte."
Toen De Laat tot hier met zijn verhaal van de vroegere toestanden gevorderd was, keek hij verwonderd naar zijn zoontje, dat met open mond zat te luisteren.
"Heb je muizen in jou zak, mijn jongen?" vroeg hij.
"Neen, vader," verzekerde Steven. "'k Zag van morgen wel een muis. Toen ik wakker werd, zat er een op mijn bed. 't Beestje keek me met zijn schitterende oogjes heel verwonderd aan. Toen sprong het weg. Waar 't is heengeloopen, weet ik niet, maar in mijn zak is het niet gekropen: 't liep een heel anderen kant uit."
"Maar ik hoorde toch ook een gepiep," zei de moeder. "Kom, trek je buisje eens uit: 't is toch bedtijd."
Steven gehoorzaamde, want de slaap werd hem de baas. Zijn moeder voelde eens in den binnenzak van zijn jas. Doch ze trok de hand weer snel terug. "Hu!" riep ze, "er zit een groote rat in. Die had me leelijk kunnen bijten."
"O neen!" zei Steven. "'t Is een van onze kuikentjes. 't Lag van avond koud en stijf op den hardbevroren grond. Toen heb ik 't in mijn zak gestoken en nu is 't weer warm en levend geworden. Kijk maar!" riep hij vroolijk, terwijl hij 't jonge kopje, dat angstig piepte, springlevend uit den zak te voorschijn haalde.
De ouders prezen hem om zijn zorgzaamheid voor 't kleine schepseltje en moeder gaf hem verlof om nog zoolang op de stoof in 't hoekje van den haard tegenover zijn vader te blijven zitten, totdat zij de koe gemolken had. Hij kon dan, vóór hij ging slapen, nog een kopje lekkere melk drinken.
Zij spoedde zich nu met een emmer naar de deel en nam 't kuikentje en ook de lamp mee.
De huisvader schoof een paar houtblokken op den haard, waarboven nog de waterketel hing te zingen en te stoomen. De oplaaiende vlammen verlichtten de naaste omgeving en bij dit wisselend schijnsel kwam 't hem voor, dat het gezicht van zijn zoontje buitengewoon bleek was. "Hoe is 't? Ben je een beetje ziek, mijn jongen?" vroeg hij bezorgd.
"Neen, vader!" verzekerde Steven.
Hij bleef droomerig in 't vuur kijken.
De knaap verbeeldde zich, dat hem uit den gloed vreemde gezichten aanstaarden, die zeer geheimzinnig knipoogden, maar al ras met een vlies van witte asch overtogen werden en weer door andere gezichten werden vervangen.
De vader hoorde op eens, tot zijn schrik, een geluid dat veel op 't knorren van een varkentje geleek.
"Foei, jongen, wat heb je een akeligen hoest!" zei hij. Steven bleef met opmerkzaamheid de gezichten in den haard beschouwen en lette niet op wat zijn vader zei.
Eenige minuten later, juist toen de vlammen verstoppertje speelden en 't vertrek in 't duister lieten, herhaalde zich hetzelfde knorrende geluid.
"Hoor eens, mijn jongen!" riep nu de verschrikte vader, "dien hoest van jou bevalt me volstrekt niet. Morgen ga je mee naar den dokter, hoor! Heb je 't erg benauwd, mijn ventje?"
"Neen, vader!" antwoordde Steven in gedachten.
Maar daar hoorde men 't zelfde geluid weer.
De vader sprong verschrikt op van zijn stoel. Hij wilde naar de deel snellen om zijn vrouw te vertellen welk een leelijken hoest hun zoontje toch had, doch ging weer zitten, toen hij bedacht dat het goede mensch met het melken gedaan moest hebben, eer ze komen kon. En hij wilde haar niet noodeloos doen schrikken.
Welhaast kwam ze dan ook met een emmer vol schuimende melk van de deel. Steven kreeg daarvan een kopje vol en dronk dit vlug leeg.
Toen vulde ze een bakje met melk en ging daarmee eveneens naar den hoek waar haar jongen zat. Naast dezen stond een groote mand, die met een leegen hennepzak was toegedekt en zij diepte daaruit een spierwit speenvarkentje op. Terwijl ze 't met den linkerarm omvat hield, stak ze het den voorvinger van de linkerhand in den bek en duwde toen 't snuitje van den kleinen hongerhals in de melk. 't Aardig diertje begon op den vinger te zuigen en kreeg meteen een goede portie melk binnen. "Hoe kom je aan dat varkentje?" vroeg haar man, wien nu op eens het heele geval duidelijk werd.
"Och ja, 'k vergat dit nog te zeggen," antwoordde ze. "Boer Hulzebos heeft het ons van middag gebracht. Zijn zeug heeft dertien biggen gekregen en ze kon er maar twaalf zoogen: het ééne moest daarom worden opgefokt en omdat hun dit teveel tijd kostte, bracht hij 't ons maar."
"Dat is dan alzoo een buitenkansje," zei De Laat. "Melk hebben we genoeg, meel kunnen we koopen en zoo zal 't beestje wel vet worden."
Toen 't varkentje genoeg gedronken had, zette de vrouw het weer in de mand en dekte er den zak weer overheen.
En weldra was Steven nu ook te bed gebracht en lag hij gerust te slapen.
"'t Bevalt me van onzen jongen, dat hij zoo'n dierenvriend is," zei De Laat, toen zijn vrouw naast hem was komen zitten. "Hoe aardig van hem, om dat kuikentje in zijn zak te warmen!"
"O ja," zei de moeder met trots. "Hij is vrij wat vlugger en verstandiger dan andere kinderen van zijn leeftijd."
De glimlach die, toen ze dit zeide, haar gelaat verhelderde, verhoogde haar schoonheid zoo zeer, dat haar man er zich over verwonderen moest en zich gelukkig achtte dat hij uit de donkerheid, de guurheid, de drukkende eenzaamheid en de onveiligheid daar buiten, na een afwezigheid van zooveel moeilijke dagen, in den zoo vriendelijken huiselijken kring was teruggekeerd.
II.
De kennismaking wordt voortgezet.
Steven de Laat, — de vader, — was handelaar in tuinzaden. Hij was een goedaardig, in zichzelf gekeerd man, middelmatig groot en gezet van postuur.
Zijn kennissen zeiden schertsend van hem, dat hij op een grooten voet leefde. Zij hadden geen ongelijk, in zoover zijn voeten buitengewoon groot waren, even alsof hij ze door 't vele loopen uiteen getrapt had en ze daardoor langzamerhand zoo breed geworden waren.
Door de vele voetreizen en 't geregelde verkeer in de buitenlucht was hij tegen wind en weder gehard.
Alle wegen en paden daar in de streek kende hij en kon hij zelfs bij duisteren nacht passeeren, zonder gevaar van te verdwalen. Overal voelde hij zich thuis en op zijn gemak.
Gelijk veel menschen, die vaak alleen zijn, was hij gewoon om nu en dan half luid in zichzelf te spreken, of wel hardop te loopen denken, zooals men zegt.
Steunend op een dikken, eikenhouten stok met een looden knop, welk wapen hem nog daarenboven diende om er zich de kwaadaardige wachthonden op de eenzaam gelegen boerenhoeven mee van 't lijf te houden, en met een groenen reiszak op den rug, zagen de lieden die nevens den weg woonden hem op vaste tijden voorbijkomen.
Hij was een voor zijn tijd vrij ontwikkeld man en deed alle werk met overleg.
De grond in zijn woonplaats was bijzonder geschikt om er groenten op te verbouwen en zaden te telen. De laatste behoefde hij voor zijn handel. Hij kocht ze bij hoeveelheden van de boeren en verkocht ze met groote winst weer in 't klein.
Vrouw De Laat leek, voor zoover haar kleeding en spraak betrof, vrijwel op de boerinnen daar in de streek. Doch heur hagelwitte neepjesmuts was mooier en van een kostbaarder stof; de gebloemde borstdoek, het jak en de rok van donkere kleur en de blauwe boezelaar met gebloemden rand kleedden haar bijzonder goed. Ze was een wakkere vrouw, een voorbeeld van rustige werkzaamheid, met een vriendelijk open gelaat, groote, sprekende oogen en een zachte, aangename stem.
Beleefd en vriendelijk was ze ook jegens de armsten en zoo kreeg ze daardoor zelden andere dan vriendelijke gezichten te zien. In dit opzicht gelijkt de wereld een spiegel, die 't gelaat te zien geeft, dat men hem toekeert. Iedereen komt onder de bekoring van een vriendelijke verschijning.
Steven, het zoontje, was hun éénig kind. Hij was gezond, vlug en vrij schrander. Maar, — zooals dit vooral toentertijd bij tal van jongeluitjes op 't platteland het geval was, — hij speelde veel liever buiten met zijn makkers of met de met hem bevriende huisdieren dan naar school te gaan, te leeren en
"Te zitten op die harde banken; Te kijken naar die zwarte planken En zoet te zijn als domme Jool."
Zijn vader meende, dat hij geregeld de school bezocht. De goede man was in de week maar zelden thuis. Zijn vrouw wist echter wel, dat haar zoontje, van wien ze zulke groote verwachtingen had, een sterken afkeer had van 't schoolgaan en ze had hem zelf herhaalde malen gebracht naar 't onoogelijk gebouw, bezijden de kerk, dat voor school dienst deed, maar veel meer geschikt ware geweest voor pakhuis. Voor een levenslustig ventje als Steven was 't werkelijk een erge straf, om daarin dag op dag vijf uur achtereen opgesloten te zitten, terwijl daar buiten de vogels lustig floten, de bloemen fleurden en geurden en de dieren in veld en weide zich in hun vrijheid verlustigden.
Op eens scheen de knaap echter zijn tegenzin in 't naar school gaan overwonnen te hebben. Hij klaagde 's morgens niet meer als vroeger over hoofdpijn of buikpijn, maar verliet tijdig de ouderlijke woning en ging gewillig heen. De moeder verwonderde zich over dit veranderde gedrag van haar jongen en toen hij op een morgen weer heel parmantig de deur uitging, volgde zij hem ongemerkt. Ze zag hem het huisje van een buurman binnengaan en volgde hem. De oude moeder Teunissen zat ijverig te spinnen, maar Steven was niet te zien.
"Zeg eens, buurvrouw, waar is onze jongen?" vroeg ze.
't Oude mensch hield bijzonder veel van Steven en daar ze zelf lezen noch schrijven kon, begreep zij ook volstrekt niet, welk belang er iemand bij hebben kon, om zich zoo jong al in die nuttige kunsten te oefenen. Ze beantwoordde de vraag dan ook vrij bits met de wedervraag: "Hoe kan ik dat weten?"
"Wel, ik zag hem zoo pas hier binnengaan. De jongen moet hier zijn en voor den dag komen ook."
"Dan moet je maar zoeken, tot je hem vindt!" zei de oude vrouw. "Je wilt hem zeker weer naar die nare school sturen."
"Wel wis en zeker!" was 't antwoord. "De jongen moet en zal leeren! Wat zou er anders van hem terecht komen?"
"Je plaagt jou jongen met dat naar school gaan en dat leeren! En 't is toch zoo'n aardig kereltje! 'k Begrijp heusch niet, hoe je 't over je hart kunt verkrijgen om hem heele dagen in zoo'n akelige gevangenis op te sluiten! En al dat leeren dient nergens voor. Gingen de boerenmenschen vroeger ook naar school? De meesten dachten er niet aan, het te doen. En ze zijn er ook buitendien wel gekomen, hoor!"
Zoo ging 't oude, goedhartige moedertje voort haar buurvrouw te bekijven. Deze keek intusschen het heele vertrek rond. De kleine, in lood gevatte ruitjes van 't éénige raam verlichtten maar flauw het armoedig woonvertrek en lieten de hoeken in een schemerig donker.
Het haardvuur, van wat turf en schadelen opgebouwd, gloeide in den ijzeren pot zonder ooren, die, tot aan den rand in den grond gegraven, voor stookplaats diende. Een gedeukte, met een dikke roetkorst bedekte waterketel hing er boven aan den berookten "haolketting" en zong zulke eentonige, vreemde deunen, dat men er droefgeestig van worden moest.
Over den vloer, bestaande uit vierkante vakken van keisteentjes, door een band van op den kant gezette roode metselsteenen omlijst, dribbelde taterend een bedrijvige kip rond en zocht er naar broodkruimels. Maar van Steven was geen spoor te ontdekken.
"Waar zou de jongen toch zitten?" dacht de moeder.
Daar zag ze opeens achter de rokken der oude vrouw heen een kinderklomp te voorschijn komen. Steven, die zijn moeder had zien aankomen, had daarachter een schuilplaats gezocht. Nu was hij ontdekt en werd, ondanks het gekijf van vrouw Teunissen, door zijn zorgzame moeder aan school afgeleverd. "'t is mijn jongen en ik ben voor hem aansprakelijk!" zeide ze.
Ook na dien tijd werd Steven nog herhaalde malen in school gemist. Maar op Vrijdagnamiddag zag men hem toch geregeld in de lange bank naast zijn makkers plaats nemen. En 't liedje, dat dan bij 't begin wel eens werd aangeheven, zong hij uit volle borst mee:
"Komt, makkers, 't schooluur heeft geslagen, Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt." enz.
Hij hield dan ook veel van zingen en had een goede stem. Maar de grootste aantrekkelijkheid voor de jeugd hadden dan toch de vertellingen van den onderwijzer, waarin men reizen maakte te land en ter zee. De kale muren van 't somber en donker schoolvertrek, waarbinnen vaak een onaangename lucht heerschte, schenen dan plotseling voor de verbeelding der eenvoudige landjeugd te verdwijnen. Men bezocht in gedachten vreemde landen en nog vreemder menschen en leefde in vollen ernst met hen mede.
Ja, die Vrijdag-namiddagen waren ook toentertijd in die oude, ondoelmatig ingerichte plattelandsscholen wel eens bij uitstek vormend voor verstand en hart. Ook de leesboeken, schoon lang niet zoo doelmatig als die tegenwoordig gebruikt worden, bevatten tal van verhalen, welke spraken tot gevoel en verbeelding. Daaraan vooral was het toe te schrijven dat Steven, toen hij eindelijk die boeken kon lezen en begrijpen, er toe werd aangezet om de lessen meer geregeld bij te wonen.
Vader De Laat had gelijk, toen hij zeide dat zijn zoontje een echt dierenvriend was. De honden uit de buurt kwamen kwispelstaartend naar hem toe. Hij deelde wel eens zijn boterham met hen en ze waren hem daarvoor op hun wijze erkentelijk.
Onder den maaltijd zat de groote, zwartbonte poes gewoonlijk op een stoel naast hem te spinnen en telde hem, zoo te zeggen, de brokken in den mond. Van tijd tot tijd tikte ze hem met haar poot op den arm, om hem een stukje af te bedelen. En ze bereikte daarmee gewoonlijk haar doel. En als dit niet spoedig genoeg 't geval was, begon ze heel vlijtig te spinnen, als wilde ze zich op die manier voor de huishouding verdienstelijk maken.
Daar zijn vader maar zelden thuis was, hechtte de knaap zich meer aan zijn moeder. Deze vond in zijn gezelschap een zeer gewenschte afwisseling in haar overigens vrij eentonig leven. Ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en zijn spelen met de huisdieren. Vooral het speenvarkentje speelde een belangrijke rol in de kleine huishouding. Steven rolde met het zindelijk diertje gedurende de donkere winterdagen om en om in 't hooi, dat Bles stond te verorberen. Het groot, goedaardig beest zag de twee luidruchtige worstelaars, van wie de één door geschater en de ander door geknor zijn pret te kennen gaf, zwijgend aan met een gezicht, als wou ze zeggen: "Ja, ja, spelen jelui maar! Je weet er nog niemendal van, wat er al zoo in de wereld te koop is, maar zult het spoedig genoeg leeren!"
Als de jongen naar school was, vond de moeder 't erg leeg en stil in huis. De hangklok aan den wand, waarvan de wijzerplaat met roode rozen beschilderd was, tikte dan buitengewoon hard, vond ze; de waterketel boven 't vuur zong dan zulke zwaarmoedige deunen, dat ze wel eens de deur uit ging, om zich wat te verzetten. En als de school uitging, stond zij haar jongen aan de straat op te wachten; ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en vond, dat hij al bijzonder verstandig praten kon, haast net als een groot mensch. Ze vertelde op een keer aan buurvrouw Teunissen, hoe knap haar jongen al was en hoe wijs hij praten kon, maar de goede oude schudde bezorgd het hoofd. "'t Ventje wordt niet oud!" zei ze treurig. "Dat stil zitten in school en dat gestadig leeren deugt volstrekt niet voor hem."
"Gekheid!" antwoordde de moeder. "Andere kinderen leeren immers ook en blijven toch gezond en in leven; waarom zou onze jongen juist daarvan ziek worden?"
Maar toch bleef die herhaalde verzekering van 't oude mensch haar onaangenaam stemmen. Ze vond het noodzakelijk, dat Steven geregeld onderwijs kreeg en wilde toch voor de heele wereld niet, dat zijn gezondheid schade leed. Zij gaf hem daarom aan tafel de lekkerste beetjes en kocht hem allerlei speelgoed. Bovendien stond ze toe, dat hij zijn halven spaarpot in een mooi beursje in den zak had, om er gekleurde griffels of andere benoodigdheden voor aan te schaffen. En daar hij de waarde van 't geld niet kende en niet bij ondervinding wist, hoeveel moeite 't vaak kost om enkele stuivers te verdienen, was hij er ook volstrekt niet zuinig op.
Hij was goedhartig en mededeelzaam, zoodat zijn makkers veel van hem hielden.
Op een morgen kwam Tonia, het dochtertje van den nachtwacht Jansen, schreiend naar school.
Steven hield veel van 't aardige meisje. Hij staakte daarom zijn spel, ging op haar toe en vroeg wat haar scheelde.
"'k Heb mijn schoolgeld verloren en moeder heeft ook geen centen meer in huis, dat weet ik wel," zei ze snikkend.
"O, is 't anders niet!" sprak hij geruststellend. "Hier heb je vijf centen, geef die maar aan meester." Tonia stond een oogenblik verbaasd te kijken. Vijf centen, waren voor 't arme kind een heele schat. Haar mooie kijkers werden verwonderlijk groot. Ze staarde naar de toegestoken hand met de centen er in, als wilde ze vragen: "Voor mij?" Ze draalde met het aannemen van den zoo bereidwillig geboden schat, uit vrees dat de jongen gekscheerde en de hand met het geld lachend zou terugtrekken, als zij die wilde aannemen.
"Wil je ze niet hebben?" vroeg Steven verwonderd.
"O, heel gaarne," zei ze, terwijl zij ze aannam. "Ik denk, dat ik ze Maandag wel weer kan teruggeven."
"Dat hoeft niet!" verzekerde de knaap. "'k Heb nog centen genoeg in mijn spaarpot en daar komen er iedere week nog wat bij. Vertel maar niet in huis, dat je 't geld verloren hebt, want dan zou je nog knorren krijgen."
"Wat ben je toch goed! Dank je!" zei het meisje en spitst de lippen, alsof ze hem een zoen wou geven, maar niet durfde. Haar schoone, donkere oogen schitterden van dankbaarheid en vreugde tevens, omdat ze nu uit die groote moeilijkheid gered was. Met haar blauw boezelaartje droogde ze haar tranen en ging met de anderen opgeruimd het schoolgebouw binnen.
Steven zag haar na en onwillekeurig richtten zijn blikken zich naar de plaats, waar zij zat, toen ook hij zijn plaats op de schoolbank had ingenomen.
Hoe vriendelijk werd ze door den meester toegesproken! En hoe deed ze haar best met leeren!
"Ik moet ook mijn best doen!" dacht de knaap. En hij was dien morgen met leeren al zijn makkers de baas.
* * *
Het huis, waarin De Laat met vrouw en kind woonde, verschilde weinig van een gewoon boerenhuis daar in de streek. Evenals deze stond het ook met de achterzijde naar de straat gekeerd. Het ruime achterhuis met den leemen dorschvloer had hier grootendeels gemist kunnen worden. In den grooten stal, die eertijds een viertal koeien tot verblijf had gestrekt, stond nu alleen Bles en 't ruime varkenshok herbergde nu 't speenvarkentje.
Door de tusschendeur kwam men in de keuken, die ook hier tot woon- en tevens tot slaapvertrek diende. Twee paar groene gordijnen aan weerszijden van den haard verborgen de hooge, met ganzeveeren gevulde bedden in de ruime slaapsteden.
Aan den Zuidkant leidde een trap over den keldermond naar de zoogenaamde opkamer.
Het raam dezer laatste bood een heerlijk uitzicht over de schoone streek met haar graan- en aardappelvelden, weiden, kreupelbosschen en boomen. Op den achtergrond verhief zich 't bosch van het kasteel Heiterloo.
Op menigen zonnigen winterdag, als de boomen kaal stonden, kon men de vergulde windvaan op den toren van 't kasteel zien glinsteren en blinken. De kleine Steven kon er soms lang naar zitten staren en als hij zoo vertrouwelijk zat te keuvelen met zijn vriendin Tonia van den nachtwacht, was dat geheimzinnige schitterende vaantje vaak het onderwerp hunner gesprekken. Het kasteel zelf hadden ze ook al eens uit de verte gezien. Het was zoo groot, zoo hoog en zoo mooi, dat het naar hun meening niet ter woning strekte aan gewone menschen, maar tot verblijf moest dienen van hooger wezens.
III.
Het Speenvarkentje.
Het speenvarkentje groeide als kool. 't Bracht heel wat gezellige drukte in 't kleine huishouden. In weinig dagen leerde het al, de hem aangeboden melk zelf uit het bakje te drinken. In 't eerst was het erg kouwelijk en moest bij den haard in de overdekte mand blijven huizen. Doch dit werd gaandeweg beter en iederen volgenden dag mocht het een poosje langer blijven voortscharrelen over de kleine steentjes in 't woonvertrek. Onder een vroolijk geknor snuffelde 't nieuwsgierig in alle hoeken en maakte telkens weer de grappigste sprongen, zoodat Steven 't uitschaterde van plezier. En 't leukste was wel, dat het al druk begon mee te praten over alles en nog wat. Vooral als de moeder 't woord tot een der anderen richtte, begon 't aardig diertje terstond heel ernstig met vriendelijk geknor te antwoorden en stak dan tevens heel gewichtig de ooren op, alsof 't wou zeggen: "Ja, mijn lieve mensch, als ik met mijn groot verstand er niet was, zou 't er slecht voor jelui uitzien!"
De winter naderde met rassche schreden. 's Morgens was daarbuiten vaak alles met rijp overdekt. De doornhaag, die het tuintje omsloot, was wel zijn bladertooi kwijt, maar ieder takje, met ontelbare ijskristalletjes bezet, fonkelde allerheerlijkst in 't zonlicht. De boomen waren even sierlijk getooid. Maar 't mooist waren toch de dennenbosschen daar in de buurt. Als met zilveren webben waren ze overspannen en de ontelbare dauwdroppels, die er aan hingen, schitterden als juweelen. Iederen morgen bracht iets nieuws en moois voor de streek. Nu eens baadden velden en bosschen in den zonneschijn, dan weer was alles als met een zilveren nevel omwikkeld. Het speenvarkentje lette daarop echter in 't minst niet. Het sprong en dartelde met Steven om de woning rond en als het moe was, werd het weer in zijn mand bij den haard getild en kroop heelemaal weg in zijn strooleger. Aan zijn moeder, van wie hij zoo vroeg al gescheiden was, dacht het nooit meer.
Het was een paar maand later.
Toen Steven op een morgen ontwaakte en tusschen de bedgordijnen door in 't woonvertrek gluurde, zag hij daar zijn zorgzame moeder al ijverig bezig met den vloer aan te vegen.
En op den haard brandde 't vuur zoo lustig, als wou 't het groote vertrek geheel een zomersche warmte meedeelen en nog bovendien 't water in den ketel, die er boven hing, aan den kook brengen. Het water zong nu zoo droefgeestig, alsof het er een voorgevoel van had, dat het welhaast als thee zou verhuizen naar een menschenmaag. Een gedeelte er van wist nog bijtijds in den vorm van stoom door de tuit te ontsnappen en zich zoo in vrijheid te stellen. Het vuur bleef intusschen lustig door branden en deed de tinnen en koperen borden en schotels, welke langs de wanden achter houten richels waren te pronk gezet, blinken met een verwonderlijken gloed.
Steven vond het er nu zoo gezellig, dat hij aanstalten maakte om op te staan. Zijn moeder, die dit merkte, zei echter: "Blijf nog maar wat in bed, mijn jongen! Je ligt er zoo lekker warm en 't is buiten koud. Ook hier in de keuken is 't nog ver van warm."
"Neen, 'k moet nu opstaan," antwoordde Steven.
"Waarvoor zoo vroeg al?" vraagde de moeder.
"'k Moet naar mijn speenvarkentje!" antwoordde hij. "'t Ligt in zijn hok zoo erg alleen. 'k Zal 't in de keuken bij 't vuur brengen en eten geven. Gisteravond heb ik nog een grooten bos stroo in zijn hok gebracht. O, hij was er zoo blij mee! Hij gilde 't uit van pleizier, maakte een groot gat en kroop er met prettig geknor heelemaal in. Maar als 't nu 's nachts zoo bitter koud wordt, was 't misschien beter dat ik 't maar bij mij in bed nam. Wat dunkt u er van, moeder?"
"Gekheid!" zei deze. "Een varkentje hoort te slapen in een bed van stroo; dat is voor 't beestje warm genoeg, hoor!"
"U moet niet meenen, dat hij onzindelijk is," — pleitte Steven. "Als hij iets doen moet, wat zijn leger vuil zou maken, gaat hij altijd naar dezelfde plaats in den hoek."
"'k Weet het," antwoordde de moeder. "Als de hokken maar goed droog worden gehouden, zijn de varkentjes gewoonlijk heel zindelijk. Maar we kunnen ze daarom nog niet bij ons in 't bed nemen."
Bles deed juist haar morgenmaal met geurig hooi. En toen ze nu moeder en zoon in 't woonvertrek zoo gezellig hoorde keuvelen, wilde ze blijkbaar ook een duit in 't zakje gooien, want ze begon zoo echt goedaardig te brommen: "Hammm! hmmm!" Want klinkers gebruikte Bles alleen, als ze heel hard moest roepen. Dan zei ze: "Boe!" en de heele buurt kon 't hooren.
"Bles roept mij al," zei Steven. "'t Is hoog tijd, dat ik er uit kom."
Vrouw De Laat hield haar jongen niet langer tegen en welhaast was hij 't bed uit en in de kleeren. En 't eerste wat hij deed, was, zoo vlug mogelijk naar de deel te loopen en de koe, die hem in blijde verrassing brommend en snuivend een goeden morgen wenschte, bij den gehoornden kop te pakken en er zijn gezicht tegen aan te drukken. Het goede dier likte hem met haar stekelige tong, wat voor Steven alles behalve een genot moest zijn, maar hij was niet kleinzeerig en wist, dat de bedoeling goed was.
Toch kon hij soms onmogelijk een pijnlijken gil onderdrukken. Daardoor werd in 't aangrenzende hok het speenvarkentje gewekt. Blij gillend kroop het uit den bos stroo, die hem tot nachtleger gediend had en sprong driftig knorrend en gillend tegen de deur op. 't Was duidelijk, dat hij daarmee zeggen wou: "'k Wil er uit! Laat mij er uit! 'k Wil ook van de partij zijn!" Steven, aldus op de aanwezigheid van zijn speelmakker opmerkzaam gemaakt, — hoe had hij hem, al stoeiend met Bles, kunnen vergeten? — haastte zich, de deur te openen. Het beestje liep hem knorrend en gillend zoo uitgelaten mogelijk om de beenen en bewoog blij zijn sierlijken krulstaart heen en weer. Steven pakte 't beet en ging er mee aan 't rollen en wentelen in 't hooi, dat Bles tot morgenmaal diende. 't Goedaardig beest lekte de twee pretmakers, waar ze die maar kon vatten en nam ondertusschen zoo nu en dan een hap hooi, ze zette daarbij zoo'n vriendelijk, ernstig gezicht, als ware ze de eigen moeder van 't stoeiende tweetal en moest ze dit onder haar bescherming nemen. Doch opeens uitte de jongen een smartkreet, die 't varkentje hevig deed schrikken. Bles had met een plok hooi ook een bosje van zijn hoofdhaar gepakt. Op zijn kreet liet ze oogenblikkelijk den heelen hap vallen en pakte een anderen van een meer verwijderde plaats. Daarbij schudde ze nadenkend haar ruigen kop, als wou ze zeggen: "Ja, ja! voor wie met dat jonge goedje moet omgaan, is oppassen de boodschap. Maar met dat al is 't hier toch een recht gezellig huishouden."
IV.
Op visite bij De Laat.
De Laat en zijn vrouw werden door de boeren, die de tuinzaden leveren en, ondanks de schaarschte van 't geld in dien tijd, toch steeds in klinkende munt betaald werden, zoo nu en dan op visite genoodigd.
De Laat zelf bewees men daardoor geen dienst. Aangezien hij vaak 't grootste gedeelte van de week op reis was, zou hij, eenmaal thuis zijnde, er ook liever in den kring van zijn gezin zijn gebleven. Dat hij niettemin geregeld aan die uitnoodigingen voldeed, geschiedde alleen ter wille van zijn vrouw, die anders maar zeer weinig afwisseling had in haar leven.
Maar wie ter visite gaat, moet op zijn beurt ook weer gasten ontvangen. En zoo had onze zaadhandelaar op zekeren avond in Januari de met hem bevriende boeren en hun vrouwen ten zijnent genoodigd. En hij was wel zeker, dat niemand hunner buiten noodzaak zou wegblijven, omdat hij bij zulk een gelegenheid elk der gasten betaalde, wat ze voor de door hen geleverde zaden te vorderen hadden.
Het was een sombere, donkere avond. De lindeboomen, die bij wijze van zonnescherm voor de gevels van sommige huizen waren heengeleid, de vruchtboomen op de erven en de kastanjeboomen langs de straat, ze stonden daar alle recht spokerig, terwijl hun knoestige takken dropen van water. Geen tochtje bewoog ze en zoo stonden ze daar als dood.
De lucht was dik bewolkt en op de dorpsstraat, die nog door geen enkele lantaren verlicht werd, heerschte een drukkende stilte, alsof het heele dorp was uitgestorven.
Op eens verbrak de oude torenklok het algemeen zwijgen door zes brommende slagen, die nog eenige oogenblikken erg vreemd in de donkere ruimte nagalmden. Die klokslagen schenen op de omgeving een tooverachtige uitwerking te hebben uitgeoefend want in 't volgend oogenblik hieven de wachthonden op de naburige erven een echt nijdig, schor geblaf aan en op de modderige landwegen bij het dorp werd een plassend gedruisch vernomen. Spoedig daarop klonk er een geratel van belang op de straatkeien en verschillende huisdeuren werden in groote haast geopend, terwijl tal van gezichten nieuwsgierig naar buiten gluurden en tal van stemmen vroegen: "Wat is er toch te doen?"
De nieuwsgierigen merkten al ras, dat die opschudding werd veroorzaakt door een zestal boeren-kleedwagens, die achter elkaar het dorp kwamen inratelen. In elk daarvan zaten een boer en zijn vrouw.
Spoedig waren de paarden in den ruimen schuurstal der voornaamste dorpsherberg tegenover de kerk onder dak gebracht en de boeren en boerinnen begroetten elkaar op de gewone, luidruchtige manier van menschen, die meestal in de buitenlucht verkeeren en hun stemmen moeten uitzetten om met elkander of tegen hun paarden te praten.
De Laat stond in de deur zijner woning hen op te wachten en heette hen hartelijk welkom.
Een weldadigen indruk maakte het door een petroleumlamp helder verlichte, ruime woonvertrek op de bezoekers. Het haardvuur brandde zoo lustig en in 't vertrek heerschte zulk een aangename warmte. 't Was hier vrij wat genoegelijker dan in de nauwe, schokkende wagens, waarin ze een geruimen tijd in 't kille duister door modder en slijk waren voortgetrokken, telkens gevaar loopend om door de hevige schokken in de "knijpgaten" uit het voertuig te worden geslingerd.
Na den gastheer en zijn vrouw als oude kennissen gulhartig te hebben begroet, namen de boeren plaats bij den haard en de vrouwen om de ronde tafel, waar de stoelen voor hen waren gereed gezet. De boerinnen waren ieder nog voorzien van een warme stoof.
De gastheer had zijn gewone plaats in 't hoekje van den haard ingenomen en zat daar recht genoegelijk zijn pijp te rooken. Hij liet zijn goed voorziene zilveren tabaksdoos de rondte doen en welhaast zaten de mannelijke leden van 't gezelschap te dampen, dat het een aard had.
De vrouwen hadden daarvan geen hinder, omdat de rook door den schoorsteen ontsnapte.
't Was er recht gezellig.
De koperen-, tinnen- en porseleinen schotels en borden, langs de wanden overeind gezet, blonken verwonderlijk mooi en de bijbelsche tafereelen, die met bonte kleuren op de witte haardtegels geschilderd stonden, schenen door 't hoog opvlammend vuur als bezield.
En hoe gezellig tikte de groote, staande klok in den hoek, die niet alleen den stand der maan, maar tevens den naam van maand en dag op de sierlijk beschilderde wijzerplaat te zien gaf.
De stil heen en weer spoedende, altoos bedrijvige huismoeder had de koffie al gezet en was nu bezig die in te schenken. Ze legde bovendien in ieder schoteltje een stuk kandij, anders gezegd een klontje.
Gezelliger dan hier kon 't wel nergens zijn. En dit alles was nog maar 't begin van 't feestelijk onthaal.
Allen verkeerden dan ook in een opgeruimde stemming.
De vrouwen begonnen den gezelligen kout. Gewoonlijk waren ze over dag druk met de huishouding en avond op avond ijverig met het spinnen van vlas in de weer, om 't benoodigde garen voor een goeden voorraad "eigengereid" linnen te bekomen, zoodat er dan geen tijd tot praten overbleef. Nu toonden ze al dadelijk, door tegelijk te spreken, een geducht pak nieuws op 't hart te hebben en zielsblij te wezen, dat ze hun gemoed eens konden ontlasten. Ze vertelden allerlei merkwaardigs van haar kinderen, haar huishouding en haar buren.
Vrouw De Laat, die nu ook in den kring had plaats genomen, verhaalde allerlei merkwaardigs van haar Steven. Gelukkig dat deze zelf in de naburige bedstede rustig lag te slapen en alzoo van de loftuitingen zijner moeder niets hoorde.
De tongen van de boeren raakten nu ook los. En ook zij begonnen allemaal tegelijk te praten. De gastheer alleen zat zwijgend, met een glimlach op 't gelaat toe te luisteren.
De anderen begrepen echter al gauw, dat men wel allen tegelijk het woord kan voeren, maar dan ook geen de minste kans heeft om verstaan of begrepen te worden. Daardoor kwam er een oogenblik stilte, waarvan De Laat gebruik maakte om zelf het woord te nemen.
"Oost, West, thuis best!" dus begon hij. "Maar met altijd thuis te blijven, komt men niet ver. Als er één te voet verre tochten gedaan heeft, dan was 't wel mijn vader, dien sommigen van jelui nog wel gekend hebben, want het zal met Februari a.s. juist twintig jaar geleden zijn, dat hij, tachtig jaar oud zijnde, gestorven is.
Als die van zijn ontmoetingen op zijn vele, verre tochten te voet vertelde, luisterden we met mond en ooren en als dan de geschiedenis uit was, waren we soms te bang om naar bed te gaan. Zoo vertelde hij op een avond het volgende:
"'t Was de 13de October 1830, een mooie, zonnige dag, uitstekend weer om een verre wandeling te doen, zonder last te hebben van vermoeienis. 't Was heerlijk buiten. De spurrie stond te bloeien en te geuren op de landen nevens de akkers met frisch knolgroen. Langs wegen en paden bloeiden de gele en blauwe wildebloemen, die 't najaar kenmerken, echt lieve bloemen, schoon door haar eenvoud. Ook het heidekruid prijkte nog met tal van bloemtrossen en daar tusschen wiegden de klokjes gentiaan. De dennen, hier verspreid en daar dicht bijeen gegroept, waren mooi groen en daar tusschen verhieven zich de witte, met donkere vlekken bezette berkenstammen, wier sierlijke loofslingers al begonnen te gelen.
De boomgaarden bij de verspreid liggende boerenhoeven waren echter 't allermooist. Haast iedere appelboom leek een reusachtig groote bloemruiker, waarvan de rijpe appels met hun gele en roode wangen de bloemen vormden. De zon deed ze glanzen als de paarlen in het tooverslot van Aladin uit het bekende Arabische wondersprookje.
Verwonderlijk stil was 't in de bosschen, waar de herfsttinten glansden en de zilveren herfstdraden zweefden.
Toen mijn vader over de hem zoo welbekende paden en wegen voortstapte, maakten zijn schreden in 't dorre loof zulk een groot gerucht, dat hazen en konijnen er door werden opgejaagd en wegvluchtten, dieper het hout in. Eekhorens wipten kwetterend rond door toppen en takken en zochten in de struiken en boomen naar hazelnooten of beukenoten.
Maar geen vogel zong er. De plechtige stilte van den "Kranenzomer" heerschte alom, slechts nu en dan afgebroken door 't geroep van groote zwermen trekvogels, die hoog in 't blauwe ruim voortspoedden naar 't warme Zuiden.
Mijn vader wisselde van tijd tot tijd een groet met een landman, die op een akker nevens den weg, of een vrouw of meisje, die voor haar huisdeur aan 't werk was. Intusschen stapte hij, zonder zich op te houden, doch ook zonder zich te haasten, geregeld voort, zooals menschen doen, die gewoon zijn om te voet groote afstanden af te leggen.
Het dorp Markelo, dat tusschen een kring van hoogten als verstoppertje speelt, had hij een kwartier geleden verlaten en op den straatweg over Holten naar Deventer het punt bereikt, waar die weg meer dan een half uur gaans pijlrecht door de heidevelden voortloopt, met op eenigen afstand links de lage broekweiden.
't Was ongeveer drie uur in den namiddag. Hij zag nu vóór zich uit een vijftal wagens, ieder met één paard bespannen, zonder zijplanken of ladders, met vrij groote tusschenruimten achter elkander stapvoets voortrijden. Op 't voorstel zat de voerman en op 't achterstel waren gevulde zakken vastgebonden, die hooi of haver voor de paarden schenen te bevatten.
Een reizend koopman in zeisen, zichten, scharen en messen, zekere Jozeph Kersting uit Pruisen, een goede kennis van mijn vader, daar ze elkander op hun reizen meermalen ontmoetten, was dezen een paar honderd meter vooruit. Hij steunde zwaar op zijn stok en liep gebogen onder zijn vracht, maar repte zich toch zooveel mogelijk, om den achtersten wagen in te halen, in de hoop van te mogen meerijden.
Dit gelukte hem dan ook. De wagen hield stil en de koopman zette zich neer op één der zakken op 't achterstel.
Toen reed men weer verder.
Mijn vader was intusschen vlug doorgestapt. Hij hoopte, ook te mogen meerijden en verlangde eveneens naar 't gezelschap van de menschen, met wie hij een praatje zou kunnen maken. Nu zag hij hoe de koopman, vermoeid van de reis, zich eens recht op zijn gemak had gezet en zijn tabakspijp uit den zak haalde, om wat te rooken. Na die pijp gestopt te hebben, kreeg hij staal, vuursteen en tonderdoos en begon al "ketsende" vuur te slaan. De voerman keek verschrikt naar hem om.
Men denke zich vaders ontzetting!
Al ketsende sloeg de koopman uit den steen een vonk, die omlaag schoot; de vonk werd een oplaaiende vlam; het dampte, siste, bruiste; een allerverschrikkelijkste slag volgde, die den grond deed schudden, zoodat vader als dronken heen en weer waggelde. Toen rook en smook weer waren opgetrokken, waren het voertuig en de twee menschen, die er op gezeten hadden, als spoorloos verdwenen. Het paard lag er nog, met afgeschroeid haar en manen, dood. De hoepels, zeisen en zichten van den koopman vond men op een afstand; ze waren als kurketrekkers ineen gedraaid; de wagen en de twee menschen waren in stukken weggeslingerd; een groot, diep gat was in de straat geslagen.
De zakken waren gevuld met buskruit, dat gesmokkeld werd; het kruit had vuur gevat en zoo was alles in de lucht gevlogen.
De vier andere wagens, vermoedelijk ook met buskruit geladen, draafden daarop terstond het wijde veld in naar de Holter-Borkelt, waar zij ontkwamen."
"Als dat ongeluk in 't dorp zelf gebeurd was, zou er misschien geen enkel huis zijn blijven staan," zei nu boer Scholte. "Hier was dus ook weer een geluk bij een ongeluk."
"Ja," — dus begon daarop boer Jansen, "een mensch kan rare ontmoetingen hebben. Als ik bij onzen baron de pacht kom betalen en de mevrouw of één van de jonkers bevindt zich in dezelfde kamer als wij, dan praten ze Fransch tegen elkaar, zoodat ik er geen woord van verstaan kan. Ik vind, dat dit niet te pas komt, want het heeft dan den schijn, of ik niet weten mag wat ze zeggen. Ik kan er evenwel niets aan doen. Maar een ander geval overkwam me verleden Woensdag in de stad. Ik kocht er in de apotheek voor een kwartje koortspillen, want mijn vrouw heeft ieder voor- en najaar van die koortsachtige aandoeningen, zal ik maar zeggen.
Den apotheker Jochems telde ik twee dubbeltjes en vijf centen op de toonbank neer. Hij streek ze in de lade. En wat denk je, dat die vent tegen me zei? — "Merci!" zei hij tegen me. Ik ging boos de straat op en bromde zoo in me zelf: Merci! Merci! Wat is dat? Merci?"
"Hoe loop je daar zoo in je zelf te mompelen en te brommen, Jansen?" vroeg nu de boekhandelaar Pietersen, die op de stoep voor zijn winkel stond. — "Wel," antwoordde ik, "dat verwaande heerschap daar uit de apotheek zei zoo even "Merci" tegen me." — "Te drommel," zei nu meneer Pietersen, "durft die vent dat tegen een eerlijk man als u te zeggen? Je weet zeker wel, wat dat woord beteekent?" — "Neen," zeg ik, "dat weet ik niet, maar veel goeds zal 't wel niet wezen!"
"Merci is het Fransche woord voor Gauwdief!" zei hij. Toen werd ik voorgoed kwaad. Ik liep dadelijk naar de apotheek terug en riep achter de deur heen, zoodat allen in huis het wel hooren konden: "Zeg er eens, heerschap, weet je wel wat jij bent?"
"Apotheker," zei hij en hij keek heel verwonderd naar me. "Neen, heerschap!" schreeuwde ik hem toe, "jij bent merci; jou vader is merci, jou moeder is merci en jou heele familie is merci!" En nadat ik deze verzekeringen had uitgebruld, ging ik heel wat opgelucht de straat op.
Baas Pietersen was in zijn schik, dat ik me zoo kordaat had gedragen. Toen ik zijn winkel weer voorbij ging, zei hij lachend: "Zie zoo! daar kan de kwast het voor dezen keer wel mee doen!"
"Dat dunkt me toch ook!" zei ik. "Maar er zijn ook lui, die onverbeterlijk zijn!"
De gasten gaven luide hun instemming te kennen met de kordate wijze, waarop Jansen dien stadschen heerschap den mond had gesnoerd en vrouw Scholte was zelfs van oordeel, dat hij hem wegens laster bij 't gerecht had moeten aanklagen, waarop vrouw Jansen aanmerkte, dat haar man dit ook stellig zou gedaan hebben, als hij maar twee getuigen had gehad.
De gastheer glimlachte echter veelbeteekenend en scheen iets te willen in 't midden brengen, doch daar de gasten weer allemaal tegelijk het woord voerden, deed hij er 't zwijgen toe. Na nog eenig over en weer praten kwam 't gesprek op de paarden.
"Geen verstandiger beest is er te vinden!" zei boer Huisman. "Van mijn jeugd af heb ik met paarden omgegaan en ik kan er derhalve ook over meespreken. Geen dier hecht zich meer aan zijn meester, als deze 't met zachtmoedigheid en geduld weet te leiden en te leveren. Maar een harde behandeling, vooral in de jeugd, maakt het zenuwachtig, koppig en onhandelbaar. In dat geval moet men zich voor zoo'n creatuur terdege in acht nemen. Daar heb je b.v. dien bonk van den vrachtrijder Roggeveld, — die sloeg den smid, die hem beslaan wilde, zoo hevig voor 't hoofd, dat hij dood neerviel, en een paar jaar later heeft hij den veearts Hofman doodgeslagen, toen die zich bij 't kwade dier in den stal waagde. Ik verzeker je, dat wie met zulk een paard uit is zijn vijand tot reisgezel heeft en zijn leven geen minuut zeker is."
Hij besloot deze verzekering, waarmee allen blijkbaar instemden, door een dikke rookwolk uit zijn zwakpijp te trekken en die in krullen en spiralen in de lucht te blazen.
Vervolgens kwamen nog de prijzen van 't vee en van de landbouwproducten aan de beurt, tot eindelijk de gastheer, na met zijn vrouw blikken van verstandhouding te hebben gewisseld, aan 't gezelschap voorstelde om zich eens te vertreden en de koe in den stal te gaan zien.
Dit voorstel had aller instemming en voorgelicht door een lantaarn, waarin een vetkaars ontstoken was, begaf men zich naar de deel, uitgezonderd de gastvrouw, die ondertusschen den maaltijd wou opdisschen.
't Was daar in 't achterhuis donker en stil. De koe lag op haar zindelijk bed van stroo te herkauwen. Maar bij 't zien van al die menschen zette ze groote oogen op; ze opende zeer wijd de neusgaten en snoof zeer sterk. Steunend verhief ze 't logge lichaam en kwam, zich schuddend, op de pooten, om op alle gebeurlijkheden te zijn voorbereid.
"Een pracht van een koe!" zei boer Scholte en hij klopte haar vriendschappelijk op de breede schoft.
"'t Is een bovenstbeste melkgeefster, want ze heeft fijne horens en heldere kringen om de oogen," sprak vrouw Verlaar.
"Mensch, wat een dikke melkaders heeft ze!" riep boer Jansen uit den stal.
"Stil! Luister eens even!" verzocht nu De Laat half fluisterend. "'k Meende in gindschen hoek gerucht te hooren." Hij wees op den tegenovergestelden hoek, waar achter zich de bergplaats voor hout en turf bevond.
Men luisterde. Maar alles was en bleef stil. En ook het onderzoek, dat men vervolgens instelde, bracht niets bijzonders aan 't licht.
"Er zullen eenige turven van den hoop gevallen zijn. Een rat heeft misschien daarover de vlucht genomen en ze zóó los gemaakt van den hoop," gaf boer Reinders in overweging.
"Ja, maar hier vind ik toch een paar turven, die stuk getrapt zijn," zei boer Scholte. "Er moet hier dus iemand geweest zijn."
"Nu ja," sprak zijn vrouw, "als men hier in 't donker turf vandaan moet halen, worden er allicht eenige stuk getrapt, als ze iemand voor de voeten liggen."
De anderen vonden ook, dat zoo iets gemakkelijk kon plaats hebben. Boer Horstman wees nu echter op een opening in den getuinden, met leem bepleisterden buitenwand.
"Hoor eens, De Laat!" sprak hij op vermanenden toon, "dit kippengat hier is veel te groot. Bij ons is die opening juist groot genoeg, om één kip tegelijk door te laten. Maar door deze opening kan een volwassen manspersoon zonder veel moeite naar binnen komen."
Men kon echter niets verdachts bespeuren.
't Was kil en donker en ongezellig daar in 't achterhuis. De lantaarn verlichtte er slechts de naaste omgeving en tooverde vreemde schaduwen op vloer en wanden.
Wie, als deze menschen, pas uit een warm, helder verlicht, recht gezellig vertrek kwam, voelde hier onwillekeurig een huivering door de leden gaan.
Daar hoorde men plotseling op den open hooizolder een zwaren bons, onmiddellijk gevolgd door een erbarmelijk geschreeuw.
Algemeene ontsteltenis.
De vrouwen slaakten uitroepingen van schrik. De koe sprong in botte verbijstering hoog op. Het speenvarkentje, dat nu al vrij groot was, kwam met een angstig gegil uit zijn warm strooleger opspringen en holde als bezeten door zijn hok heen en weer.
"Die verwenschte katten zouden iemand een doodschrik op 't lijf jagen!" zei de gastheer lachend. "Ze hebben al vroeg het voorjaar in 't hoofd!"
"Ze vinden zeker, dat er bij ons feest ook muziek moet wezen! Hoor ze toch eens te keer gaan!" sprak de vroolijke vrouw Scholte en ze schaterde 't uit van lachen.
"Mensch, mensch! Is me dat schrikken!" riep de ziekelijke vrouw Jansen, hevig ontsteld. Ze was zeer bleek en vouwde de handen voor de borst, om 't klappen van 't hart wat te doen bedaren.
Maar 't katten-concert werd met kleine tusschenpoozen van diepe stilte voortgezet. 't Klonk nu eens heel hoog en dan weer in brommende bastonen.
"Komt, nu moeten jelui ons speenvarkentje toch ook eens gaan zien. Mijn vrouw heeft het opgefokt en 't is haar prachtig gelukt," sprak nu De Laat.
Ze begaven zich daarop allen naar de verblijfplaats van 't aardig dier, dat op 't gerucht van al die voetstappen verschrikt bleef zitten en bij 't zien van zooveel menschen de ooren verwonderd overeind stak. Het slaakte een zacht geknor, alsof het verschrikt vroeg: "Wat is er toch aan de hand?"
"Och, wat een mooi, zindelijk dier is dat!" riep vrouw Scholten.
"Wat is het vet!" riep vrouw Jansen. "'k Wil wedden, dat het al meer dan anderhalf honderd pond weegt!"
De Laat vertelde nu, welk een schrander, vriendelijk dier het was en hoe aardig zijn zoontje er mee spelen kon. "Denk eens!" zeide hij, "ze zijn bij mooi weer buiten en bij ongunstig weer hier op de deel en stoeien en spelen, dat het een wonder is. In 't eerst was de jongen 't sterkst, maar hij liet het al worstelend om den anderen keer 't varkentje winnen, zoodat het op zijn beurt boven kwam te liggen. En nu 't beest het in kracht van den jongen wint, laat het hem ook op zijn beurt baas blijven. Steven beproeft wel eens uit de grap tweemaal achtereen de bovenhand te hebben, maar dat wil 't varkentje volstrekt niet toelaten; het knort en gilt dan, alsof het zeggen wou: "Neen, dat mag niet! Zoo is het geen eerlijk spel!"
't Mooiste van de zaak is, dat het den jongen van de straat houdt, want daar leeren de kinderen vooral bij avond maar weinig goeds."
Onder die bedrijven hadden ze al 't merkwaardige in 't achterhuis bezichtigd tot de antieke kleerenkist in den hoek toe, die nu diende tot berging van tuinzaden. Ze was van eikenhout gemaakt, aan den voorkant en de zijden met kunstig snijwerk versierd en gemerkt met het jaartal 1713.
"'t Is een familie-erfstuk," zei De Laat. "Jammer, dat we haar geen betere plaats kunnen geven. Maar komaan!" vervolgde hij, "laten we eens gaan zien, of 't moeder de vrouw gelegen komt om ons weer te ontvangen."
Met deze woorden ging hij 't gezelschap weer voor naar 't woonvertrek. "Jelui komen alsof je geroepen waart!" zei vrouw De Laat. "Komt nu allemaal hier om de tafel zitten!"
Er lag wel geen helder wit kleed over de tafel. Dat was toen en is ook nu nog geen gewoonte bij de boeren in deze streken. Maar menige keurig gedekte tafel heeft niet zulk een overvloed van heerlijke, voedzame spijzen.
Hier stond opgedischt een schaal, opgehoopt met groote sneden "eigen gebakken wegge" (wittebrood, waarvan 't beslag door de huisvrouw zelf gemaakt was en met zoete melk was aangemengd).
Een tweede schaal was opgehoopt met groote sneden heerlijk krentenbrood.
Daarnevens stond een bord vol met dikke schijven metworst, een tweede gevuld met rookvleesch en een derde met dikke sneden zoetemelksche kaas. En hoe geurig was de koffie, die daarbij geschonken werd! Daaraan konden de bezoekers naar hartelust te gast gaan. En ze lieten zich dan ook niet nooden. Het spreekwoord: "Als de katten muizen, mauwen ze niet," was ook toepasselijk op dit gezelschap; van een geregeld gesprek was er ook bij hen gedurende den maaltijd geen sprake.
Na afloop daarvan was het al bij tienen.
De dorpsbewoners waren al ter rust gegaan.
Droomerig suisde de avondwind in de kale boomen op 't ruime kerkplein.
Welhaast klonken uit den hoogen, slanken toren tien galmende slagen.
Daarop hoorde men 't geratel van den nachtwacht, gevolgd door zijn schor geroep:
"Tien uren heeft de klok! De klok heeft tien!"
't Werd voor de bezoekers langzaam aan tijd, om naar huis te keeren.
De gastheer verzocht daarom de boeren, hem even te volgen naar de "opkamer", dat is de zijkamer, waarnaar de trap boven den keldermond toegang verleende.
De vrouwen bleven zoolang in 't huishoudvertrek onder gezelligen kout bijeen en dronken er nog een laatste kop koffie, een zoogenaamd "neugeköpken".
Toen de boeren in de opkamer om de tafel hadden plaats genomen, ontsloot de gastheer een fraaie, ouderwetsche kast, die voor een goed deel gevuld was met "eigengereid" linnen van zijn vrouw. Met een tweeden sleutel opende hij vervolgens een smal deurtje, links in den stijl aangebracht, in welken stijl nu van onder naar boven een rij lange, smalle laden zichtbaar werden. Uit één van die laden haalde hij een grooten zak, gevuld met klinkende munt, te voorschijn. Papieren geld was in den tijd van ons verhaal nog lang niet zoo algemeen in omloop als tegenwoordig en op 't platteland ontving men het over 't geheel enkel in een noodzakelijk geval: velen trokken de waarde er van in twijfel.
Juist was De Laat bezig met aan ieder de verschuldigde som toe te stellen, toen één der boeren de opmerking maakte, dat hij "zoo'n nare brandlucht" rook.
In 't volgend oogenblik klonken er haastige voetstappen op de trap en werd de deur snel geopend door de verschrikte vrouwen, die verzekerden, dat er in de keuken zoo'n rook was en ze vreesden, dat er brand was in 't achterhuis. Allen kwamen nu schielijk op de been.
De Laat behield echter zijn kalmte. Hij legde de hand op den schouder van zijn vriend Scholte en zei bedaard:
"Ik vertrouw die zaak niet. 'k Meende vóór een uur, toen we op de deel waren, schuifelende voetstappen te hooren, maar er was toen te veel gepraat. Blijf jij hier, om op 't geld te passen."
"'t Zal gebeuren!" zei deze. En hij bleef alleen achter, terwijl de rook door de open deur naar binnen drong.
De anderen spoedden zich intusschen onder uitroepingen van verbazing en schrik naar 't achterhuis.
Boer Scholte deed de deur weer dicht en ging weer aan tafel zitten in afwachting van wat er verder zou gebeuren. 't Was drukkend stil om hem heen.
Het flauwe licht der lantaarn, die midden op tafel stond, deed de geldstukken glinsteren en blinken.
Slechts nu en dan hoorde hij een roep der anderen, die blijkbaar zich afsloofden om den brand te blusschen.
Was niet misschien 't vernielend vuur reeds tot de verste hoeken van 't groote, holle gebouw doorgedrongen?
Een huivering liep hem door de leden. Die hoopjes zilver, daar voor hem, oefenden een zonderlinge aantrekkingskracht op hem uit. Zijn blikken bleven er onophoudelijk door geboeid. Terwijl hij er al starend naar bleef kijken, scheen het edel metaal door een spookachtig licht omgeven. Het kostte hem moeite, er de oogen af te wenden. Maar hij vermande zich en keek spiedend rond, en nu zag hij aan den wand, tusschen andere voorwerpen, een pistool hangen.
Zou ze geladen zijn?
In dat geval ware 't een geducht wapen in de hand van wie een schat moest bewaken, en misschien in 't volgend oogenblik goed en leven tegen een stoutmoedigen vagebond zou moeten verdedigen.
't Was zelfs niet onmogelijk, dat er meer dan één schelm in de nabijheid rondsloop, die 't geschiktst oogenblik afwachtte om hem van achteren te bespringen en zoo te overmannen.
Hij luisterde scherp toe en meende nu in 't woonvertrek sluipende voetstappen te hooren.
Wat moest hij doen?
Om hulp roepen?
Maar als 't gevaar nu eens alleen in zijn verbeelding bestond, zou hij zich, dus doende, toch zeer belachelijk aanstellen en 't reddingswerk vertragen, zoo niet verijdelen!
Sluipend ging hij naar de plaats waar 't pistool hing, omvatte dit wapen, spande den haan en richtte 't op de deur. Het was nog juist bijtijds.
Eenige oogenblikken later toch werd zacht de kruk van de deur omgedraaid en deze zacht open geduwd en op den drempel vertoonde zich een breede, plompe kerel met een zwart gemaakt gezicht. Zijn loerende oogen keken spiedend rond.
Boer Scholte stond nu nevens de tafel den hem toevertrouwden schat te bewaken. Op het zien van den vagebond beheerschte hem een killen schrik.
Maar ook de roover ontstelde blijkbaar zeer hevig, toen hij de kans om zich onbespied van 't geld meester te maken, verijdeld zag. Hij bleef onbewegelijk staren naar den boer, een flink gebouwd persoon van buitengewone lengte, die daar in een gebiedende houding uitdagend op slechts eenige schreden afstands hem met groote oogen bleef aanzien en, — wat het ergste was, — 't pistool op hem richtte.
Hij uitte een half gesmoorden vloek, keerde zich toen ijlings om en vluchtte als een bloode haas weg.
De eenzame wachter loosde een zucht van verademing.
Maar, — dus vroeg hij zich met bezorgdheid af, — zou de schelm niet spoedig terugkeeren met eenige kameraden?
Onmogelijk was dit niet.
Ook maakte hij zich steeds meer ongerust over 't lot der anderen, onder wie zijn eigen innig geliefde vrouw, de zorgzame moeder zijner kinderen. De rook daar binnen werd steeds dikker. Dat voorspelde weinig goeds.
Eensklaps hoorde hij nu 't gerucht van voetstappen, vermengd met een luid gepraat. En voor hij er op bedacht was, kwam zijn bezorgde echtgenoote op hem toesnellen. Zij omhelsde en kuste hem en sprak bewogen: "De brand is gebluscht, maar ik miste u. Eerst nu hoorde ik van De Laat, dat je hier alleen waart achter gebleven, om 't geld te bewaken."
De anderen kwamen nu ook binnen en toen ze 't gebeurde vernamen, zei De Laat: "Er is geen twijfel aan: de brand is opzettelijk aangestoken, om van de daardoor ontstane verwarring gebruik te kunnen maken om 't geld te stelen. De boef had in een hoek, waar dit vooreerst weinig gevaar voor brand kon opleveren, een paar hennepzakken en wat vochtige dennentakken op een hoop gegooid en die door een stevig gebonden brandenden bos stroo aan 't smeulen gehouden, zoodat ze een verstikkenden rook verwekten. De schurk dacht natuurlijk hier zijn slag te kunnen slaan, terwijl wij druk waren met het blusschen van den brand, maar dit is hem tegengevallen.
Hoe zag de vent er uit?"
Deze vraag was tot boer Scholte gericht.
"Nu," antwoordde hij, "'t was een logge, plompe gast met een gezicht zoo zwart als roet. Hij had, naar ik meen, een ruwen pijekker aan en een ruige muts op. 't Zou me niet verwonderen, zoo 't "Dronken Hannes" geweest is."
Allen waren van meening, dat deze best tot zoo'n schelmstuk in staat was, maar omdat men volstrekt geen bewijzen had en bang was, dat hij, zoo men er 't gerecht mee in kennis stelde, zich op de eene of andere wijze op hen zou wreken, besloot men om aan 't geval geen ruchtbaarheid te geven.
De brand was nu wel gebluscht, maar het huis was nog vol scherpen rook, die het ademhalen zeer moeilijk maakte. Men zette daarom deuren en vensters wijd open en nu rolde en zweefde de rook in breede golven naar buiten, terwijl de frissche lucht binnendrong. De vochtige nachtwind verspreidde die golven over de streek.
Bij tusschenpoozen keek de maan tusschen de donkere wolken door en verlichtte met haar bleek schijnsel huizen en boomen, bosschen en velden en deed in de naburige beek het water blinken, dat nu hoog tegen de oevers stond en met onstuimige vaart voortspoedde naar de verwijderde rivier en vervolgens naar de oneindige waterwereld, de zee.
Overigens was alles in diepe rust.
Over de stille dorpsstraat kwam nu baas Teunissen, de nachtwacht, aanstappen, om de gewone rondte te doen.
Hij draaide zijn ratel en maakte met schor geroep bekend, dat het elf uur was.
Op eens bleef hij ontsteld staan.
Hij zag den dikken rook uit De Laat's woning in breede golven naar buiten dringen.
"Lieve deugd, daar is brand!" riep hij verschrikt. "En dat hier midden in 't dorp en op dit late uur, nu allen in hun eersten slaap liggen!"
In botte verbijstering liet hij zijn ratel vallen. En wijl er vóór de herberg daar schuin tegenover eenige emmers vol water gereed gezet waren, om de paarden te drenken, greep hij in iedere hand één emmer en wierp den inhoud door 't openstaande raam van De Laat's woning naar binnen, om zoo den brand te blusschen.
Die vloed van water kwam plassend neer op een tafeltje, dat er voor 't raam stond en waarop een kostbaar servies van oud porselein was te pronk gezet. Dit spoelde weg en viel op den vloer aan scherven.
Daarop sprong de gedienstige man zelf met een bewonderenswaardige vlugheid over 't vensterkozijn heen naar binnen en snelde onder 't herhaald geroep van "Brand!" naar de bedstede, waarin Steven gerust lag te slapen. "De jongen heeft mijn kind uit het water gered: ik zal hem uit het vuur redden!" zei hij in zich zelf.
De Laat en zijn vrouw, alsmede de gasten, hadden zich in een hoek buiten den tocht neergezet. Zij verkeerden nog onder den indruk van wat er dien avond was voorgevallen en zagen dit nieuw tooneel van verwarring aan, sprakeloos van schrik.
Zij meenden in den nachtwacht een brutaal indringer te zien, misschien was 't wel dezelfde persoon, die den brand gesticht had en nu, na eerst het kostbaar servies vernield en den vloer in een plas verkeerd te hebben, met haar éénig kind wegsnelde.
't Was de moeder, die bij dien gewaanden kinderroof plotseling overeind vloog, den roover naijlde, hem bij den uitgang inhaalde, met ongewone heftigheid bij den schouder vastpakte en met een schorre stem riep:
"Je kunt hier alles in brand steken of stuk smijten of onder water zetten, maar van ons kind zul je afblijven! Laat los, zeg ik je, of 'k bega aan jou een ongeluk!"
Intusschen was ook haar man komen toeschieten. Hij greep den verbluften nachtwacht bij den anderen schouder en ontrukte hem 't slapende jongske, dat, door al dat getob en gewurm wakker geschrikt, het op een huilen zette en angstig om moeder riep.
Niemand was echter, door dezen samenloop van omstandigheden, meer verbluft, dan de nachtwacht zelf, die, door de boeren en boerinnen eensklaps als in een tooverkring besloten, zich niet keeren of wenden kon.
"Och, mijn lieve menschen!" riep hij in wanhoop uit, "zie je dan niet dat het heele huis hier in brand staat? Je moet hier toch, zou 'k zoo zeggen, haast stikken van den rook en de afschuwelijke brandlucht. En 'k was bang voor jou Steven, dat die stikken of verbranden zou, want voor eenigen tijd redde hij mijn dochtertje Tonia, toen die op de Bleek door 't ijs zakte, van een wissen dood. Hij heeft haar op den kant van de sloot weten te werken en weer thuis gebracht. En, zie je ..."
"Je houdt er een mooie manier op na om een brand te blusschen, die al gebluscht is!" zei De Laat. "Zie toch eens, hoe je hier den boel hebt opgeknapt! 't Is waarlijk meer dan erg! Doch daaraan is nu niets meer te veranderen. Je kunt gaan!"
"Ongevraagde diensten worden maar zelden op prijs gesteld!" mompelde de arme man verdrietig, toen hij weer op straat stond en de moede beenen opnieuw in beweging bracht, om de rondte door 't dorp te doen.
Den dag te voren had hij boer Teeuwsen helpen mestrijden. Nu moest hij een groot deel van den nacht al wandelend op straat doorbrengen, terwijl zijn medemenschen rustig sliepen.
Zijn lot was waarlijk niet te benijden.
Het gezelschap in De Laat's woning bleef nog eenige oogenblikken druk pratend bij elkander. Men vroeg zich af, of soms de nachtwacht de brandstichter had kunnen zijn en nu nogmaals beproefd had om verwarring te stichten en zóó een kans te hebben tot stelen.
"Die menschen hebben altijd voor eerlijk bekend gestaan," zei De Laat.
"Ze hebben misschien in moeilijke omstandigheden verkeerd," merkte vrouw Scholte aan. "Nood breekt wet!"
Intusschen was de rook uit het huis nu verwijderd. Deuren en vensters werden weer gesloten en de bezoekers namen met gemengde gevoelens afscheid.
Met groot gerammel en geratel, schuddend en schokkend, reden ze in hun kleedwagens zonder veeren over de erg ongelijke straatkeien, zoodat de lieden in 't dorp van 't gerucht wakker schrikten.
Toen men het dorp uit was, ging 't weer over de landwegen in verschillende richtingen als in slakkengang verder.
Bij 't licht der volle maan teekenden de witte, bolstaande kleeden der voertuigen zich scherp af tegen 't grauw der omgeving, als waren 't vreemde, witte wezens uit een Droomenland of wel schepen met gespannen, blanke zeilen, stevenend over een in nacht gehulde zee naar een onbekende kust.
V.
Hoe de kleine Steven zijn speelmakker verloor.
"Morgen samen!"
Met dezen groet trad op zekeren morgen een bejaard persoon, klein, maar stevig gebouwd, het woonvertrek der familie De Laat binnen.
Zijn breed, stroef, gerimpeld gezicht, zijn kleine oogen en scherpe stem gaven hem een merk van ongevoeligheid, ja zelfs van wreedheid. Een roode das was als een wrong om zijn hals geknoopt en de mouwen van zijn buis en de pijpen van zijn broek, — de laatste vooral op de knieën, — glommen van vet.
"Morgen allemaal!"
Dus luidde de groet van een jongmensch van even achttien jaar, die hem op de hielen volgde en in houding en voorkomen een sprekende gelijkenis met den eerste vertoonde. Ook in hun kleeding was dezelfde overeenkomst op te merken.
Het waren de slager Pelleman en zijn zoon. Beide hadden om hun middel een breeden gordelriem en daaraan hingen in een lederen koker een paar geduchte messen. Naast dien koker hing een lang rond staal, om daarop de messen te scherpen.
Gedurende 't grootste deel van 't jaar hielden deze menschen zich uitsluitend met het landbouwbedrijf bezig. Maar in den slachttijd bezochten ze de boeren, om voor een kleine, geldelijke belooning het slachtvee onder den pekel te brengen.
Toen ze 't woonvertrek binnentraden, zat Steven op zijn kinderstoeltje in 't hoekje van den haard. Zijn moeder had hem opgedragen om de afgebrande houtblokken op het vuur telkens wat aan te schuiven en zoo het water, dat er in een grooten ketel boven hing, aan de kook te brengen.
Hoe schrikte de goede jongen toen deze twee menschen zoo plotseling voor hem stonden! Hij kende ze wel en had ze altijd met zekere vrees, ja met afschrik beschouwd, daar hij, de dierenvriend, het werk, waarvoor ze door de boeren geroepen werden, allerakeligst vond.
Daar stonden ze dan in 't anders zoo vreedzaam en gezellig woonvertrek en bij iedere beweging, die ze maakten, ratelden de messen in hun koker en nu begon Steven met ontzetting te begrijpen, waarom zijn ouders den grooten koperen ketel van buurman geleend en dien vol water boven 't vuur te kook hadden gehangen.
"Heb je alles klaar?" vroeg de slager.
"Ja, 't water kookt," antwoordde de moeder. "Maar ga even zitten en drink eerst een kop koffie. Je bent van morgen zeker al vroeg met het werk begonnen?"
"'t Slachten is haast gedaan. 't Weer wordt te warm," zeide hij met een schorre stem.
"We hebben zoo even bij boer Huisman nog een koe geslacht," zei nu de zoon, die zich verplicht achtte om ook een duit in 't zakje te gooien. "'t Is maar te hopen, dat het met het inzouten niet misloopt!"
De slager knikte toestemmend en wierp een goedkeurenden blik op zijn jongen, die zoo verstandig redeneeren kon.
"Daar hebben we ook al koffie gedronken en we zullen 't best doen niet maar terstond te beginnen," sprak hij.
Steven huiverde bij die woorden.
Roerloos zat hij daar, want met ontzetting begreep hij, dat zijn viervoetige vriend zou geslacht worden.
Ongemerkt, juist zoo of zijn eigen leven op 't spel stond, sloop hij door de tusschendeur weg naar 't achterhuis en boog zich over den rand van 't varkenshok heen, om een laatsten groet te wisselen met zijn speelmakker, zijn vriend.
Deze, die rustig had liggen slapen, werd op eens klaar wakker, toen hij de hem zoo welbekende voetstappen hoorde. Hij hief den kop omhoog uit zijn strooleger, stak nieuwsgierig de lange ooren overeind en liet, bij wijze van morgengroet, een vriendelijk geknor hooren. 't Scheen of hij vragen wou: "Hoe kom je zoo vroeg al?"
Op dit oogenblik werd de tusschendeur opnieuw geopend. De slager en zijn zoon, voorafgegaan door den huisvader, traden op het varkenshok toe.
't Was er vrij donker op de deel, want de buitendeuren waren nog gesloten en zoo viel het den knaap niet moeilijk, om ongemerkt door een zijdeurtje naar buiten te komen.
Alsof de dood hem op de hielen zat, vluchtte hij weg en verschool zich in 't kleine schuurtje, zóó dat hij door een reet in den wand kon zien wat er op de plaats voor 't achterhuis gebeurde.
En toen zag hij iets vreeselijks geschieden, iets wat hij zich jaren naderhand nog met droefheid herinnerde en dat allicht op zijn gedrag in later tijd niet zonder invloed is geweest.
Hij, de dierenvriend, was aan zijn speenvarkentje zeer gehecht. Het goede dier was dan ook altijd zoo blij geweest met zijn gezelschap, dat het, zoodra 't hem maar van ver zag aankomen, van pure blijdschap een paar allerkoddigste luchtsprongen maakte.
Nog gisteren hadden ze op de deel allerpleizierigst samen gestoeid en geworsteld en had hij, Steven, 't nog telkens uitgegierd van pret, als zijn pogen om tweemaal achtereen baas te blijven, door 't verstandig beest, blijkens zijn knorren, heel kwalijk werd genomen. Het had nooit anders dan eerlijk spel willen dulden.
Ook nu was het, zonder eenig onheil te duchten, uit zijn hok komen loopen en met vriendelijk geknor naar buiten gehuppeld. Hij had zich zonder verzet een touw om de achterpooten laten vastmaken. Men stelle zich eens voor, wat er in den knaap moest omgaan, toen hij zag hoe zijn eigen vader, tot wien hij altijd met eerbied en ontzag had opgezien, het arme dier door middel van dat touw neertrok, zoodat het spartelend op den grond kwam te liggen. Het sloeg met de pooten, gilde van angst en pijn en worstelde om te ontkomen, maar te vergeefs. Weldra lag het daar stil en dood, terwijl zijn bloed den grond kleurde.
Steven had meermalen bij de buren een varken zien slachten en dit altijd recht akelig gevonden, maar nu zijn eigen varkentje op dezelfde wijze gekeeld werd, vond hij 't verschrikkelijk.
Droevig schreiend liep hij naar de oude buurvrouw, zijn vriendin en vertelde haar snikkend, wat er gebeurd was en hoe zijn vader zelf aan dat bloedig werk geholpen had.
Deze kon hem echter geen anderen troost geven, dan dat de varkens nu eenmaal vetgemest worden, om ze dan te kunnen slachten en opeten.
Wanneer menschen op zekeren leeftijd een droevig verlies betreuren, troost hen de gedachte aan 't vele goede, dat ze nog mochten behouden en de hoop op een beteren tijd. Hun wereld is zoo groot en zoo ruim en bij ondervinding weten ze, dat het leven van ieder zijn lusten en lasten, zijn vreugde en kommer heeft.
De wereld van een kind daarentegen is klein. Het heeft nog zoo weinig, waaraan 't hechten kan en 't hecht zich daarom ook aan dat weinige met groote innigheid. Hoop op de toekomst is het nog vreemd.
De oude vrouw had het te druk, om veel op zijn verdriet te letten. Ze zat bij de wieg van haar kleinkind, — het jongste, dat naar haar genoemd was. De kleine schreide heel luid, alsof het ziek was en erge pijn leed. Met bevende stem zong zij een wiegedeuntje en deed ondertusschen de wieg vervaarlijk heen en weer schommelen. Dat was zoo de ouderwetsche manier om kinderen te sussen.
Zoo vond de arme jongen dan ook hier geen troost.
Een poosje bleef hij snikkend kijken naar zijn oude vriendin, die echter al haar opmerkzaamheid aan haar kleinkind bleef wijden. Toen sloop hij weer de deur uit en ging den kleinen moestuin door en over 't pad, dat achter de huizen en tuinen heen naar de einden van de dorpsstraat voerde en waarmee de hoofdpaden der verschillende tuinen in verbinding stonden.
Achter 't smalle tuintje van den nachtwacht gekomen, hoorde hij er de lieve, welluidende stem van zijn vriendinnetje Tonia klinken, die de kippen bijeen riep om ze met het overschot van den morgenmaaltijd te voederen.
Hij ging het tuinpad op, om haar deelgenote van zijn droefheid te maken. Gedeelde smart is maar halve smart. Zoodra ze hem zag aankomen, zette ze 't voederbakje neer en kwam blij op hem toe. Maar toen ze zijn verdriet bemerkte, kreeg ook haar gezicht terstond een ernstige plooi. Deelnemend vatte ze hem bij de hand en vroeg wat hem scheelde. Schreiend vertelde hij 't haar. Ze troostte hem op haar kinderlijke manier en droogde met haar zakdoek zijn mild vloeiende tranen. Ze liet hem de kippen met den haan zien, liet ze uit haar hand eten en praatte tegen hen en ze gaven haar taterend antwoord. De koddige vragen van 't meisje en 't strakke gezicht en de groote oogen waarmee de kippen toeluisterden, maakten, dat Steven onwillekeurig moest lachen.
"Je moet mijn vrouw worden, Tonia," zei hij, zijn verdriet vergetend.
De haan, die den knaap met wantrouwende oogen bekeek, stak nu den kop omhoog, schudde zoo nadrukkelijk van "Neen!", dat zijn vuurroede kam als een wimpel wapperde en kraaide toen zoo luid, alsof hij de heele buurt wou toeroepen: "Er kan niets van komen, hoor! We willen Tonia niet missen!"
Toen hij op die wijze zijn gemoed lucht gegeven had, zette hij bedaard weer zijn maaltijd voort.
Een kind vergeet licht zijn zorgen en verdriet. Dat schelle gekraai op dit oogenblik deed Tonia in den lach schieten en Steven lachte eveneens.
Het aardig kind was als een moedertje voor den knaap. Ze praatte heel wijs over wat ze mettertijd doen zouden, als ze beiden groot zouden geworden zijn en op die wijze opende zich voor Steven een schoon verschiet, zoodat hij er heelemaal van opfleurde. Ten slotte verzekerde ze hem, dat ze zijn vrouw wilde worden en zoo kreeg hij weer lust in 't leven.
VI.
Een ongewenschte ontmoeting.
Het Voorjaar is gekomen!
Daar buiten gaat het zonnetje op!
Daar vouwen alle boomen
De blaadjes uit hun knop!
Daar woelt het jonge leven
En vlecht er zijn loofhutten ent
En 't juicht in veld en dreven:
"Ontwaak! ontwaak! 't is Lent'!"
J. J. L. TEN KATE.
't Was een mooie morgen in 't begin van Mei.
De lucht was heerlijk blauw.
Aan den horizont zweefde een blauwachtigen nevel, terwijl millioenen schitterende dauwdroppels als paarlen langs de randen der bladeren van boomen en grassen als gerist zaten.
De vogels zongen.
Het water der beek, echt landelijk in 't loover verscholen, ruischte kabbelend tusschen met bloemen getooide oevers voorbij.
De vruchtboomen op de boerenerven aan weerszijden van den landweg stonden in vollen bloei. Bosch-anemonen bloeiden onder 't hout; slooten en plassen waren bedekt met wateranemonen.
De popels, berken en beukeboomen prijkten met lichtgroene loovers.
Een frissche koelte blies uit het Zuiden.
In zijn blauwen kiel gedost, met zijn gevulden groenen reiszak op den rug en steunend op zijn dikken eikenhouten stok met looden knop, stapte De Laat bedaard voort als iemand, die zich nooit overhaast en niettemin steeds op tijd komt, waar hij wezen moet.
Even buiten 't dorp voerde 't pad hem over een hoogen kamp land, die voor 't grootste deel was bezet met groene rogge. Hier poosde hij even en wierp een terugblik op het dorpje met zijn lage huizen, die als wegschuilden achter bloeiende vruchtboomen en naar de kerk met haar slanken toren. De vergulde haan op de spits fonkelde in de zon.
Uit de meeste schoorsteenen, ook uit dien van zijn eigen woning, steeg de rook zoo recht gezellig omhoog en vervloeide in 't zonnig blauw der lucht. Daar zaten zijn lieve vrouw en zijn zoontje nu hun morgenmaal te gebruiken.
't Kostte hem blijkbaar moeite om zijn weg te vervolgen, die hem gedurig verder van zijn geliefden verwijderen zou.
Maar welhaast spoedde hij weer voort.
Na eenige minuten te zijn doorgestapt lag de groote heide voor hem. Meeuwen vlogen heen en weer tusschen de beek en een naburigen plas, groot en diep, aan den kant met biezen begroeid en die daarom "de Biezenkolk" heet.
Al voortgaande over den met wagensporen doorgroefden en verder met heidekruit bezetten weg, scheerden op eenigen afstand de kieviten angstig roepend in wijde kringen rond.
Onze eenzame wandelaar, gewoon om het natuurleven op te merken, verwonderde zich over de drukte van die vogels en over hun angstig geroep, waarvan hij de reden niet begreep. Toen hij echter een dicht boschje van jonge dennen nevens den weg bereikt had, werd hem eensklaps het geval duidelijk. Tegen den rand van de droge sloot toch zat de hem zoo welbekende beruchte strooper Teunis Vlak. Zijn zwarte haardos hing in slordige wissen om zijn hoofd en zijn stoppelbaard, die in de laatste week niet geschoren was, maakte zijn bol gezicht vooral niet aantrekkelijker. Zijn glurende oogen keken spiedend rond. Hij had zijn rustplaats zóó genomen, dat hij den weg aan weerszijden tot op een grooten afstand kon overzien.
Toen de zaadhandelaar tegenover hem voorbijging, vertrok zijn gelaat zich tot een leelijken grijns en wenschte hij hem met schorre stem een goeden morgen.
Naast hem lag zijn ruwe pelsmuts, half gevuld met kievitseiers, die hij gevonden had en in 't dorp voor een goeden prijs kon verkoopen. De Laat groette beleefd terug en vergrootte zijn regelmatige passen, om zoo gauw mogelijk uit de nabijheid van den strooper weg te komen. Het zien van dezen alleen reeds had hem zijn voorjaarsstemming doen verliezen. "Wat is hij toch een ongelukkig mensch!" dacht De Laat onder 't voortgaan. "Niemand houdt van hem; de menschen schuwen hem. Zijn hut is haast onbewoonbaar en hij huist er geheel alleen. Geen wonder, dat hij de nachten vaak doorbrengt in een schuur, een hooi- of zaadberg of iets van dien aard, waar hij tegen wind en weer beschut is. 't Is een beklagenswaardig mensch. En in dien toestand is hij geraakt, doordien zijn moeder, toen hij nog een kind was, van armoede en verdriet is gestorven. Zijn vader was een ergerlijk dronkaard, die hem meestal aan zijn lot overliet, ja hem in zijn vlagen van woede, als hij beschonken thuis kwam, wel eens bont en blauw sloeg. Met bedelen en stelen moest hij gewoonlijk zijn kostje opscharrelen. Schoolgaan deed hij niet, werken leerde hij evenmin. En nadat zijn vader op een avond in den Molenkolk verdronk, is de zoon, op zijn voorbeeld, aan 't zwerven en stroopen geraakt en 't zou me niet verwonderen of hij heeft ook de diefstallen gepleegd, waarvan de dader onbekend gebleven is, want nadat er zulk een diefstal had plaats gehad, was hij de daarop volgende dagen dronken en had hij geld op zak."
Terwijl De Laat, zoo denkende, zijn weg vervolgde, werd hij door den vagebond in de sloot nagegluurd. Deze mompelde:
"Dat heerschap laat de boeren ook maar zwoegen. Hij heeft ook, evenals ik, aan 't werken een broertje dood: daarin zijn wij tweeën precies gelijk. Maar overigens: wat een verschil! Hij heeft een echt gezellig thuis, een aardige vrouw en een flinken jongen. Hij zal ook zoo nu en dan wel een bom duiten thuis brengen, want hij drijft handel, zooals ze dat soort van leegloopen believen te noemen. En als ik doodmoe in mijn rooknest van een hut terugkom, is de haard koud en alles is er koud en doodsch. 'k Ben ook daar, evenals overal, geheel alleen. Die leeglooper daar, met zijn groenen zak op den rug, wordt door ieder geacht. lk word door iedereen geschuwd. Hij is overal welkom, maar als ze mij ergens zien aankomen, hitsen ze den wachthond op mij aan.
Mij loopt ook alles tegen.
Toen ik op dien avond, dat ze visite hadden, brand stichtte op de deel en van de verwarring wilde gebruik maken om 't geld, dat hij den boeren moest betalen, stilletjes in te palmen en zóó uit de zorgen te raken, stond er een stevige boer met een geladen pistool mij op te wachten.
Nu is hij zeker op weg naar de voorjaarsmarkt te D. Die wordt overmorgen gehouden en daar kan hij zijn zaden voor een goeden prijs verkoopen. Dan begint hij allicht nog denzelfden middag de terugreis. 't Wordt wel middernacht, eer hij thuis is. De vent is niet bang, want de weg, dien hij bij donkeren avond over moet, is erg eenzaam en gevaarlijk ook, vooral voor een man alleen, die hem met een gevulden buidel passeeren moet.
'k Heb daar in de buurt nog een paar "gezworen kameraden", met wie 'k vroeger al voordeelige zaken gedaan heb. De Laat, — zegt men, — is een man van zaken. Welnu: ik heb grooten lust, om ook eens zaken met hem te doen. Maar alleen gaat het niet, want hij is stellig niet voor een klein gerucht vervaard. Doch met ons drieën zou 't wel gaan! Ja, ja, 't zou wel gaan!"
Vlugger dan men dit van zulk een log persoon zou gedacht hebben, sprong hij nu overeind, vatte voorzichtig de muts met de eieren met beide handen vast, werkte zich behoedzaam tegen den slootkant omhoog en stapte toen haastig den weg op naar 't dorp.
VII.
Een aanranding.
"Je kunt van avond niet verder gaan, vriend: het is al laat; 't loopt naar elf uur; 't is buitengewoon donker en de weg is zeer eenzaam; over een afstand van een uur gaans ongeveer staat er geen enkel huis in de buurt — en 't is er in den laatsten tijd onveiliger dan ooit. Al een paar avonden achtereen heb ik hier in de omgeving personen zien rondspoken, die 'k vooral in den laten avond liever niet tot reisgezel hebben zou."
Zoo sprak de dikke, verstandige waard uit de herberg "De Zonnebloem", welke herberg als een welkome pleisterplaats op een eenzaam punt stond aan den straatweg van D. naar G. en verder naar de Duitsche grens. Over dien weg had destijds een druk verkeer plaats. De postbode van H. sprong daarover met één stijf en één gezond been voort naar 't vier uur gaans verwijderde D. en keerde nog dienzelfden namiddag en avond naar H. terug, beladen met brieven en pakken en niet zelden ook met geldswaarden. Zoo deed hij alle dagen.
Lange rijen zwaar beladen vrachtwagens werden er op vaste dagen en avonden iedere week soms laat in den avond over voortgetrokken door groote, bonkige paarden, met rinkelende bellen aan de tuigen. Onder die wagens liepen groote, nijdige wachthonden, die een kwaadaardig gebrom lieten hooren, zoo vaak er iemand voorbij kwam. De voerlieden, meestal ruwe, gebaarde mannen, met een door wind en weder gebruind gelaat, waren van wapens voorzien om in geval van nood de brutale roovers weerstand te kunnen bieden, welke laatste zich in de donkere bosschen aan weerszijden van den weg schuil hielden van wie er sommige zelfs niet voor een moord terugdeinsden.
Onze tijd schiep ook in dit opzicht betere toestanden. Nu loopt de spoortrein door de streek en brengt in weinig tijd personen en goederen veilig naar de plaats van bestemming. De vrachtwagens zijn grootendeels verdwenen, het verkeer over den straatweg heeft weinig meer te beteekenen en de roovers moesten derhalve uitzien naar een ander middel van bestaan.