EEN VERHAAL UIT DE BERKELSTREEK (continued 3)
Reading edition
Uit de huizen, waar hij voorbijging, kwamen bekende vrouwen naar buiten; sommige om water te putten, andere om de wasch te verzorgen of eenig ander werk te verrichten.
Als hij ze zag, die bekende gezichten, en bedacht hoe vriendelijk ze hem altijd hadden welkom geheeten, schaamde hij zich diep, hen nu zonder groeten voorbij te moeten gaan.
Want hij was overtuigd dat ze, zoodra ze hem zagen, hem zouden uitnoodigen om binnen te komen, wat uit te rusten en, — evenals vroeger, — een kop koffie met een boterham te nuttigen. En hij was verzekerd, dat dan haar eerste vraag wezen zou: "Hoe komt u zoo hier? — We hebben u in zoo langen tijd niet in deze buurt gezien." En verder zouden ze vragen naar den welstand van vrouw en zoon en wat de laatste zou worden: of hij ook voor den zaadhandel, dan wel voor een handwerk of eenig vak van studie werd opgeleid.
De zielsbedroefde vader poogde zich dan achter 't kreupelhout ter zijde van den weg te verbergen en zoo dit niet mogelijk was, sloop hij voorbij, de oogen ten gronde gericht en zonder te groeten, in de hoop van niet opgemerkt, in ieder geval niet herkend te worden.
Sommige merkten hem niettemin op en wanneer er dan twee of meer bij elkander waren, hoorde hij haar zacht tegen elkaar zeggen:
"Lieve deugd, wat is die hupsche, vroolijke man treurig veranderd! Wat is hij erg geouderd! Men zou hem haast niet weerom kennen."
Op verschillende plaatsen passeerde hij jongens en meisjes, die hun koe langs de wegen hoedden. Ze kenden echter niet den bejaarden, vermoeiden man, die daar sloffend kwam voorbijgaan en die hen geregeld vroeg:
"Is je hier vandaag of gisteren of eergisteren niet een jongmensch gepasseerd in gezelschap van een bejaard persoon, die zoo'n ruigen pijekker aan had?"
Op die wijze had hij eenige uren na den middag 't geluk, zijn jongen op 't spoor te komen.
"Eergisterenmorgen zijn hier twee zulke lui voorbij gekomen," verzekerde hem een kleine koeherder. "Ze gingen gearmd en zwaaiden van links naar rechts, precies of ze dronken waren."
"Dom toch, dat ik daaraan niet eer gedacht heb!" mompelde de vader en haastte zich, den weg naar de stad in te slaan, die intusschen nog uren ver verwijderd was.
En gelijk we bij 't begin van dit hoofdstuk reeds mededeelden, — hij bereikte eerst vrij laat in den avond het doel van zijn treurigen tocht, een tocht die hem zou blijven heugen, al werd hij ook honderd jaar oud.
Zoo had vader de Laat dan nu de stad bereikt. Maar voor iemand, die er een geliefd kind moest opsporen, is zelfs een kleine stad verbazend groot.
Intusschen begreep hij dat zijn jongen, nu hij Dronken Hannes tot kameraad had, in geen geval in een zoogenaamde fatsoenlijke buurt moest gezocht worden.
Hij wendde zich derhalve terstond tot de achterbuurt, waar we hem zooeven ontmoetten en waarin hij tot dusver nog nooit een voet gezet had.
Eindelijk bleef hij poozen voor een herberg, die met de voorzijde naar een grootere straat gekeerd stond.
Hij luisterde ademloos toe.
Daar binnen klonk een luidruchtig gepraat en gelach.
De stem van zijn zoon meende hij luid boven die der anderen uit te hooren.
Terwijl hij nog in beraad stond, of hij hier al of niet zoo te zeggen met de deur zou komen in huis vallen, trad er een eenvoudig, doch zindelijk gekleede vrouw met een knap, vriendelijk gezicht naar buiten.
Ze bleef op de stoep staan.
"Hè!" zei ze, zich tot De Laat wendend, "'t is daar binnen bij die dranklucht en dien tabakswalm op den duur niet om uit te houden!"
De Laat begreep, dat het de waardin was. Hij zei derhalve met een toonlooze stem:
"'t Schijnt er in uw herberg druk te wezen vanavond, juffrouw!"
En terwijl hij dit zeide, beefde hij alsof hij de koorts had. Geen wonder.
Hij herkende nu heel duidelijk de stem van zijn zoon, die op een kommandotoon iets scheen te gebieden.
Daarop volgde een dof gebrom als van een beer, toen een herhaald gebons op de planken vloer en eindelijk een daverend gejuich en handgeklap.
"O ja!" antwoordde de waardin, "'t gaat er nu een paar avonden al zeer luidruchtig toe. Gisteravond kwam hier zoo'n ruwe kerel met een harigen pijekker aan en een ruwe muts op, zijn intrek nemen en hij had een jongmensch van een goede achttien jaar bij zich, die, naar zijn kleeding en zijn voorkomen te oordeelen, in 't geheel niet bij hem past. En die twee maken daar binnen nu de poppen aan 't dansen. Kent u dat jonge mensch bijgeval?"
"Ja! Is u de waardin hier?"
"Precies geraden! Hoe vraagt u dat zoo?"
"Dan begrijp ik waarlijk niet, hoe u er toe komen kunt om zulke brooddronken lieden in uw herberg te laten den baas spelen. Als ik in uw plaats ware, liet ik dat soort lui zonder omwegen buiten de deur zetten."
"Van den baas spelen is hier in 't minst geen spraak," antwoordde de kasteleines fier. "Die oude, dien je daar zoo leelijk hoort brommen, loopt nu op handen en voeten door de gelagkamer en speelt voor beer. En dat doet hij zóó natuurlijk, dat men om zijn potsen lachen moet, of men wil of niet. Het jonge mensch speelt voor berenleider. Hij houdt zijn ruigen kameraad vast aan een dik touw en laat hem dansen. Gisteravond ging de oude languit op den rug op den vloer liggen en liet één der gasten op zijn buik staan. En toen 't hem begon te vervelen, deed hij dezen door een gezwinde intrekking en uitzetting der buikspieren een buiteling maken, zoodat hij onder de biljarttafel terecht kwam en in den eersten opslag van toeten noch blazen wist. "Die is van de plank gewiepst!" riep hij zegevierend. Er kwam geen einde aan de toejuichingen der gasten, terwijl 't jonge mensch, dat met moeite van onder 't biljart kwam te voorschijn kruipen, door de anderen werd in 't ootje genomen.
Dit spelletje wordt nu ook weer vertoond en de gasten vermaken er zich kostelijk mee. Als het is afgeloopen, heft de beer zich weder log en plomp overeind en 't jonge mensch, dat hem gezelschap houdt, roept:
"Het eerste bedrijf is af. De kunst moet beloond worden! Als ieder een kleinigheid bijdraagt, zijn ze alle twee geholpen: de berenleider en de beer!"
En de bezoekers tasten in hun beurzen en de rojaalsten onthalen de beide potsenmakers nog bovendien op een borrel of een glas bier.
Dan begint het tweede bedrijf.
Het jonge mensch loopt op handen en voeten zoo verbazend vlug door de gelagkamer heen en weer, dat het verwonderlijk is om te zien. Wie gewoon op zijn voeten loopt, kan hem nog haast niet bijhouden. Dan buitelt hij verscheidene malen achtereen over zijn hoofd. Vervolgens gaat hij op 't hoofd staan, — eerst op den vloer. En de hond dien ze bij zich hebben, — een oud, leelijk mormel, ze noemen hem Fannie, — nu, die hond dan wipt op kommando heel netjes tusschen de in de lucht geheven beenen van 't jonge mensch door. 'k Geloof haast, dat ze nu juist tot daar toe met hun voorstelling gevorderd zijn. Hoor maar, hoe ze 't uitschateren! Hoor ze eens in de handen klappen! Maar 't spel zal nog vrij wat komieker worden. 't Jonge mensch klimt vervolgens op een tafel en gaat ook daarop op zijn hoofd staan, zoodat zijn beenen hoog in de lucht staan. En ofschoon dit zooveel moeilijker te doen is, toch springt ook nu de hond er op kommando flink weg door heen. En als dit eenige malen geschied is, roept de oude, die voor beer gespeeld heeft:
"Het tweede bedrijf is afgeloopen. Gedenk de arme kunstenaars! Ieder moet wat verdienen: ook wij kunnen onmogelijk van den wind leven, ofschoon we 't al vaak genoeg geprobeerd hebben. Wees daarom voor dezen keer een beetje rojaal, mijn lieve menschen en bedenk wel, dat het zaliger is te geven, dan te ontvangen!"
Op die manier pratende gaat hij met zijn ruige muts rond en ontvangt centen, stuivertjes en zelfs enkele dubbeltjes.
Dan komt het derde bedrijf.
Het jonge mensch leent van een der gasten een fiets en maakt daarop allerlei kunsten. Hij rijdt er op rondom de biljarttafel, om gewone tafels en stoelen heen; om kort te gaan: ook in dit opzicht volbrengt hij verbazende toeren. Hij is een echte waaghals en 't zou me volstrekt niet verwonderen, zoo hij op die manier nog eens een ongeluk kreeg."
Wie beschrijft de gewaarwordingen van den armen vader, die eens zulke groote verwachtingen koesterde van zijn zoon en nog steeds was blijven hopen, dat hij eens de steun van zijn ouderdom wezen zou, nu hij van deze vrouw moest vernemen dat zijn Steven in gezelschap van Dronken Hannes haast net als een gewone bedelaar giften inzamelde bij 't meest alledaagsche herbergpubliek.
Sprakeloos van droefheid bleef hij daar als aan den grond geboeid staan.
De spraakzame kasteleines verwonderde zich over den indruk, dien haar verhaal op den vreemdeling gemaakt had. En daar deze bleef zwijgen, vervolgde zij:
"U meent misschien, dat we een goed werk zouden doen, als we voor dit soort menschen onze herberg gesloten hielden.
Toch is juist het tegendeel 't geval.
Zoolang de klanten enkel pleizier maken, is 't voor alle partijen beter, dat we ze laten begaan.
Door zooveel mogelijk den teugel te vieren, voorkomt men opstootjes. Het ongeluk van veel jongelieden, ja zelfs van bejaarde menschen is, dat ze geen gezellig, ja soms in 't geheel geen thuis hebben. En zoo we hen hier de deur wijzen, loopen ze gevaar van in gelegenheden te belanden, waar ze nog vrij wat erger middelen van tijdpasseering en verstrooiing zullen vinden en gevaar loopen om met hun beurs tevens hun gezondheid kwijt te raken."
"Hebt u zelf ook kinderen?" vroeg hierop De Laat met een toonlooze stem.
"Ja we hebben een jongen en een meisje!" antwoordde ze, terwijl een glans van geluk haar gelaat verhelderde.
"Zijn die op 't oogenblik ook daar in de gelagkamer?"
"Welneen! Ze hebben een afkeer van zulke ruwe tooneelen. Onze zoon is op een handelskantoor werkzaam. Hij past goed op, verdient al negen gulden in de week en zijn chef heeft hem beloofd, binnen kort zijn loon te zullen verhoogen. Ons meisje helpt mij in de huishouding en ofschoon ze nog pas veertien jaar is, kan ze al zoo handig met de naald omgaan als ik zelf het nooit geleerd heb."
"Hoe is 't mogelijk, dat uw kinderen onder zulke omstandigheden toch zoo braaf en oppassend gebleven zijn?" vroeg De Laat met blijkbare verbazing.
"Wel," antwoordde de vrouw, "mijn man en ik hebben ons uiterste best gedaan, om hun een gezellig thuis te verzekeren en ze steeds nuttige bezigheid te verschaffen, zoodat ze lust in 't werken kregen. Ook zorgden we, dat ze niet meer dan 't hoog noodige zakgeld hadden en dat hun kameraden eenvoudige, flinke, werkzame jongeluitjes waren. Verder zorgden we zooveel mogelijk voor goed voedsel, een doelmatige kleeding, goede boeken en tevens voor de noodige leermiddelen. Daarbij gaven we er nauwlettend acht op, dat de taak die ze te doen kregen, voor hun leeftijd en krachten was berekend en dat er op de inspanning steeds de noodige uitspanning en rust volgde. Maar boven alles zorgden wij er voor, dat er in ons gezin altijd een vriendelijke geest bleef heerschen, zoodat de kinderen een prettig thuis hadden en niet uren achtereen op straat bleven rondzwerven. Hebt u ook kinderen?" dus besloot de waardin op zachten toon te vragen.
"Ach ja!" klonk het bedroefd antwoord. "'k Heb een zoon."
"Och zoo!" zei de goede vrouw meewarig. "'t Komt me voor, dat die zoon u juist niet veel reden tot vreugde geeft."
"Neen, precies het tegendeel. Hij is den breeden weg opgegaan, zooals men zegt," antwoordde de ongelukkige vader met een zucht.
"Arme man!" zei de vrouw op deelnemenden toon. "Ik ben waarlijk met uw lot begaan. En leeft zijn moeder nog?"
"Ze leeft nog, ja! Maar ze is eenigszins zwak van gestel en 't verdriet, dat ze van haar zoon gehad heeft, maakte haar onvatbaar voor vreugde en geluk. In den laatsten tijd is ze meestal bedlegerig."
"Hoe oud is uw zoon?" vroeg de vrouw weder met een zachte, medelijdende stem.
De vermoeide vader, verteerd door kommer en hartzeer, bleef zwijgen. Zijn lippen bewogen zich krampachtig; het was hem echter niet mogelijk, om een woord uit te brengen. Tranen verduisterden zijn oogen.
Door het diepst medelijden bewogen, vatte de waardin hem bij de hand.
"Je bent doodmoe en moet wat uitrusten, aleer ge uw reis vervolgt," zei ze. "Kom mee!"
Hij volgde haar werktuigelijk. Ze traden een klein, net vertrek, dat grensde aan de gelagkamer, binnen. En eenige oogenblikken later stond er voor onzen eenzamen reiziger al een warm kop thee en een flinke boterham op tafel.
Hij dronk de thee in eens uit. "Hé, daar frischt een mensch weer heelemaal van op!" zei hij. "Mag ik nog een kop thee, als 't u blieft?"
Dit zeggende haalde hij zijn beurs te voorschijn, om te toonen dat hij niet arm was en 't geen hij gebruikte wenschte te betalen.
Doch de vrouw maakte met de hand een afwerend gebaar.
"Neen, laat dat blijven!" sprak ze, "wat de klanten bestellen moeten ze natuurlijk betalen, maar u is van avond mijn gast. Het komt me zoo voor, dat ge zijt uitgegaan om uw zoon te zoeken; anders zoudt ge wel bij uw zieke vrouw zijn thuis gebleven. In gedachten stel ik me in uw plaats, mijn goede man! Geen onzer weet, wat hem nog boven 't hoofd hangt. Onze zoon heeft een schat van mooie boeken. Sommige staan vol verzen en één van deze boeken is van Tollens. Verleden Zondag las ik deze regels, die me sinds altijd door 't hoofd spelen:
"'k Heb zoovele struikelaren, Vrienden, op mijn weg ontmoet, Die den ééns geglipten voet Langer niet meer meester waren, Wien zoo licht een tweede pas En zoo zwaar het keeren was."
Het medelijden, dat deze eenvoudige vrouw hem betoonde, deed haar geheel het vertrouwen van vader De Laat verwerven.
Hij vertelde haar nu, wie de berenleider en kunstenmaker was en verzocht haar tevens hem te willen zeggen, hoe hij naar haar meening in deze omstandigheden diende te handelen.
"Van avond kunt ge onmogelijk weer thuis komen," zei ze na eenig beraad. "Bovendien zou 't ook niet verstandig wezen om nu uw zoon onder de oogen te komen en hem in 't bijzijn van al die anderen te bevelen om met u mee te gaan. Terwijl hij zich reeds aangewend heeft om in alles zijn eigen hoofd te volgen, zou 't zeer de vraag zijn of hij u, terwijl de anderen hem om 't zeerst toejuichen, zou gehoorzamen. 't Best zal wezen, dat u van nacht hier blijft. De twee vrienden hebben den vorigen nacht in onze schuur in 't hooi geslapen en dit zullen ze ongetwijfeld van nacht weer wenschen te doen. Ik zal zorgen, dat ze een goed avondmaal krijgen en ieder een paar dekens om in te slapen. Als dan de schuur zorgvuldig gesloten wordt, zijn we zeker dat ze ons niet ontsnappen. Morgen vroeg ga ik uw zoon alleen te spreken vragen en breng hem dan bij u. Terwijl gij hem tracht te overreden om u naar huis te volgen, praat ik met zijn kameraad en dreig hem met de politie, omdat hij een minderjarige buiten voorkennis van zijn ouders en zelfs tegen hun wil heeft meegenomen. Van hem zul je dan in den eersten tijd geen last meer hebben en zonder hem kan uw zoon vooreerst ook weinig uitvoeren. Dronken Hannes is vroeger wel meer hier geweest en als ik dan maar even van de politie repte, kroop hij dadelijk in zijn schulp. En ik vermoed, dat hij daarvoor wel zijn goede redenen zal hebben."
Zóó werd dan ook besloten.
XV.
Moeder en zoon.
"Kind, kind, wat doe je jou vader en mij een verdriet aan, door zóó maar weg te loopen!" zei moeder De Laat den volgenden avond diep treurig tot haar zoon, die stil voor haar bed zat en niet zonder aandoening het bleek en vermagerd gelaat der goede vrouw beschouwde.
"Maar vader en moeder doen mij nog een grooter verdriet aan," sprak hij met zacht verwijt, "door me te noodzaken om weer thuis te komen, juist als ik goed op weg ben om het tot iets meer dan een leeglooper te brengen. Wat toch moet ik in huis uitvoeren? Er is hier volstrekt niets voor me te doen, dan mij zelf en anderen in den weg zijn."
"Och, och! dat ik nog moest beleven dat het zoover kwam!" zuchtte de goede vrouw. "Arme, arme jongen! In gedachten zie 'k je later, als je vader en ik reeds gestorven zijn, bij duisteren avond nog eens terugkomen en om 't oude huis zwerven en aan ons en aan den goeden ouden tijd terug denken, toen we hier samen nog zoo blij en gelukkig bij elkander waren. Vreemde menschen zul je dan op onze oude plaatsen zien zitten en voor jou, mijn kind, zullen ze dan geen enkel plaatsje hebben open gelaten.
Je zult in je ouderlijk huis niet meer thuis zijn en misschien daarin zelfs niet meer geduld worden.
Van nacht, in den droom, zag ik je hier om 't huis rondzwerven, koud, doodmoe en hongerig, met gescheurde kleeren en doorgesleten schoenen, terwijl 't binnen zoo warm, zoo licht en gezellig was en de bewoners om de welvoorziene tafel zaten. 't Was avond en door de reten van de vensterluiken gluurde je naar binnen. Je steunde 't vermoeide hoofd tegen 't vensterkozijn; ik hoorde je zacht schreien en 't ging me door de ziel. Een kleine hond daar binnen merkte je op; hij begon te keffen en toen maakte jij je snel uit de voeten. En toen de deur openging en 't licht zoo recht vriendelijk naar buiten straalde, was je al achter 't kreupelhout op den dijk verdwenen.
Ik wilde je troosten, maar ik greep in de ijle lucht. Toen werd ik wakker en riep je luid bij je, naam en Tonia van den nachtwacht kwam uit het bed hiernaast stappen, zette zich neêr waar jij nu op 't oogenblik zit en toen ik haar vroeg: "Waar is Steven? en waar is mijn man? Zijn die nog al niet thuis gekomen?" zag ze mij medelijdend aan. "Stel je gerust en beproef wat te slapen, buurvrouw!" zei ze. "Morgen zullen ze wel al terug zijn." De goede ziel schudde 't bed wat op en legde de kussens terecht en toen ik me verder stil hield, ging ook zij weer slapen.
En nu ben je terug gekomen," zeide ze zacht en teeder. "En alles is vergeven en vergeten. Ik ben blij, dat ik je dit nog zelf zeggen kan. Want ik heb er een voorgevoel van, dat ik niet lang meer bij u en uw vader zal kunnen blijven. Je moeder zegent je, mijn arme goede jongen en ze is verzekerd, dat alles zich nog eens ten beste zal schikken."
Ze strekte de vermagerde hand naar hem uit.
Hij vatte die, zichtbaar bewogen en hield ze in de zijne gesloten. Er welden tranen in zijn oogen.
Die magere hand en arm; dat smal, vermagerd gelaat; die diepliggende oogen, welke hem, ondanks al wat er gebeurd was, nog vol liefde tegenschitterden zooals andere oogen, ook de vriendelijkste, dit nooit deden, — ze zeiden hem duidelijker dan woorden dit kunnen doen, dat weldra die hand en die arm, door doodskou verstijfd, die oogen al ras voor immer zouden gesloten zijn; dat de tijd aanstaande was, waarin haar vriendelijke stem hem nooit meer zou kunnen spreken van vergeven en vergeten en haar ooren niet meer zouden kunnen vernemen zijn verzekering van diep berouw en zijn bede om vergeving.
Hij boog zich snikkend over de goede vrouw heen en omarmde en kuste haar, als in vroeger, gelukkiger tijden.
Op dit oogenblik kwam er een groote, ruige hond op de bedsponde springen, zoodat de zieke er van ontstelde.
Het beest lekte de handen en 't gezicht van den zoon en trachtte hem blijkbaar op die wijze te troosten en op te beuren.
"Hoe komt die hond zoo op eens hier?" vroeg de moeder verwonderd.
Steven klopte 't vriendelijk dier goedkeurend op zijn ruigen kop en streelde hem met de vlakke hand over nek en rug.
"Een veertien dagen geleden wilden de jongens het arme beest verdrinken, moeder!" zei hij. "Ze hadden een touw met een zwaren steen er onderaan om den hals gestrikt. Maar 't verschrikte beest huiverde en jankte en zag me zóó smeekend aan, dat ik medelijden met hem kreeg en zei: "Geef mij dien hond maar!"
Sinds is hij altijd bij me gebleven.
En, o! je moest eens gezien hebben, moeder! welke sterke toeren hij deed, toen we in die stadsherberg, waar vader me vond, onze voorstellingen gaven. De zaal daverde van de toejuichingen!"
"Goed, goed mijn jongen!" zei de moeder met een afwerend handgebaar, "zwijgen we verder daarover! Je vader zou 't erg verdrietig vinden, als hij je daarvan hoorde vertellen, bedenk dit wel! En laat voortaan ook voor hem alles vergeven en vergeten zijn! Hij is een goed man en wel waard om liefde te ontvangen van wie hem 't liefst zijn op de wereld."
De stem der moeder stierf weg in een zacht gefluister.
Zij sloot de vermoeide oogen.
Een diepe stilte heerschte nu in 't vertrek. Slechts het getik der oude huisklok werd gehoord.
Steven voelde een huivering door de leden gaan; 't was hem, of hij zoo plotseling uit het volle, rijke leven in een zonderlinge droomwereld was verplaatst.
De zoo bekende ruimte, waarin hij nu leefde en ademde, door zooveel zelfopofferende liefde van zijn goede ouders gewijd, had iets heel vreemds en geheimzinnigs voor hem. Hij voelde de vervlogen tijden met hun herinneringen als geesten hem omzweven. En zijn arme, goede moeder, die daar nu zoo mat en bleek lag te sluimeren, scheen ook reeds uit het leven te zijn gescheiden en tot het stille geestenrijk te behooren.
De stralen der avondzon, die juist van achter een donkere wolk heen naar binnen vielen, verleenden 't gelaat der zieke een hooge bekoorlijkheid, als wilden ze de scheidende Moeder, die ondanks haar gebreken toch groot was in liefde, tooien met de kroon der onsterfelijkheid.
Het was de laatste maal, dat moeder en zoon zoo rustig, zoo vertrouwelijk samen waren.
Eenige weken later was de bleeke, lijdende vrouw reeds voor goed te rusten gelegd op de algemeene begraafplaats in den hoek onder den treurbeuk en op 't paaltje aan 't hoofdeinde van haar graf waren de voorletters van haar naam geschilderd.
Ze hadden haar in stillen ernst begraven. Op den wagen van boer Reinders was de zwarte kist weggereden. Een viertal vrouwen uit de familie zaten in rouwkleeren en met zwarte doeken om 't hoofd voor en achter de kist op den geïmproviseerden lijkwagen en de mannen liepen met zwarte kleeren en hooge hoeden op, er tegen en er achter. En 't dichtst achter den wagen schreden stil De Laat en Steven voort; de vader als één die de hoop en den steun van zijn leven verloren heeft en nu geduldig wacht op den tijd, dat alle zorg en kommer, alle droefheid en rouw zullen verdwenen zijn; de zoon, aangedaan, snikkend van hartstochtelijke droefheid.
De torenklok werd geluid en heur sombere galmen klonken wijd heen over de streek.
De begraafplaats was in weinig minuten bereikt. Er werden bij 't graf eenige hartelijke woorden gesproken van de Liefde, die eeuwig is en hoe wie haar bezitten de onsterfelijkheid deelachtig zijn. En toen werd de kist in de groeve neergelaten en met aarde bedekt; de klok hield op te luiden; de menschen keerden terug en de plechtigheid was afgeloopen.
Daar ze een stille, huiselijke vrouw was geweest, werd er slechts kort over haar gesproken.
Maar in huis meende men ze nog altijd te vernemen. Al was ook haar stoel bij de tafel ledig, ze zou spoedig terugkomen. Als De Laat 's avonds in de schemering in 't woonvertrek rondzag, meende hij haar in 't naaste vertrek te hooren. Hij meende zelfs te hooren hoe zij ademde en kuchte en eerst langzamerhand scheen 't hem recht duidelijk te worden, dat ze werkelijk uit het huis verdwenen was en daarin nooit meer zou terugkeeren. De herfstwind blies en de dorre bladers stoven.
Ook de treurbeuk liet zijn loover vallen, bruin en geel en overdekte haar graf, zoo eenzaam en stil, met een warme, kleurige sprei.
Later kwam de sneeuw het heele landschap in een lijkwade hullen. De wind joeg ze als golvende lakens voor zich heen en wischte de sporen uit van den eenzamen man, die telkens een bezoek kwam brengen aan 't graf onder den treurbeuk.
En de sneeuw bleef aldoor neerdwarrelen uit een donkere lucht. De boomtakken kraakten en bezweken onder dien schitterenden last, die in sierlijke golvingen, als verbazend groote donzen kussens van den donkeren mantel der dennenbosschen naar omlaag hing.
Maar de wolken dreven weg. De lucht was helder blauw. De zon scheen op de sneeuw en herschiep het landschap als in een schitterende tooverwereld.
Overal heerschte een diepe rust, een door niets gestoorde stilte.
Nu was 't eerst in waarheid Zondag.
XVI.
Het einde van een verwoest leven.
't Is midden-October en omstreeks vier uur in den morgen, of, juister gezegd, in den nacht.
Overal is 't nog duister, kil en stil.
Alle voorwerpen op eenigen afstand zijn gehuld in een grijzen nevel.
De dorpsklok steekt zoo donker af tegen de lucht en de omtrekken van dit reuzengevaarte zijn voor 't oog zóó onbestemd, dat een vluchtige beschouwing ons doet huiveren. Wie nu hier omdwaalt tusschen die lage huizen, waarvan sommige er zoo grauw en verweerd uitzien, alsof ze steeds dieper in den modder en 't slijk van den bodem wegzonken, voelt zich vrij zeker in een onbehagelijke stemming. Die in nevel gehulde, verstrooid liggende huizen schijnen grafheuvels of zonderlinge monumenten uit vervlogen tijden.
Het leven, 't Iicht, de warmte en de bezieling van den dag ontbreken nu.
Zoo we 't niet uit ervaring wisten, zou niemand zich kunnen voorstellen hoe hier den dag en avond te voren alles nog vol leven en beweging was; hoe er door iedere ruit vroolijke of wel door droefheid benevelde oogen naar buiten staarden; hoe op iederen haard het vuur helder en vroolijk opvlamde en uit iederen schoorsteen de rook vriendelijk naar boven steeg; hoe over de dorpsstraat wagens en karren aldoor voortratelden; hoe er paarden brieschten, koeien bulkten, hoenders kakelden en groote en kleine menschen rusteloos bezig waren.
Nog tot laat in den avond loeide de blaasbalg van den smid zoo luidruchtig mogelijk in den vuurgloed. De jongen, die hem trok, floot een lustig deuntje en de smid en zijn knecht hamerden op een bonk gloeiend ijzer, dat de vonken om hen rond spatten en voor ieder, die hier den gloed als een paaschvuur zag gloren, de kilheid van den avondnevel als wegtooverde. En uit iedere woning zag men door reten en spleten 't licht vriendelijk naar buiten stralen.
De kuiper Verhagen en zijn zoon Frederik, van denzelfden leeftijd als Steven De Laat, — die twee dan klopten en hamerden op de vaten, dat het een heel eind buiten 't dorp te hooren was. 't Scheen als waren ze overtuigd dat het hun laatste werkdag was en ze zich om die reden zooveel mogelijk moesten reppen, om eerst nog alle inwoners voor een langen tijd van net en stevig vaatwerk te voorzien. Ze werden bij hun werk voorgelicht door een groote tuitlamp, die een vlam gaf zóó groot en zóó rood als ware ze een flambouw en een vurigen weerschijn over de straat wierp.
Hoe schaafden en hamerden die timmerman Joosten, zijn knecht en zijn zoon in hun werkplaats, waaruit al mede 't licht vriendelijk naar buiten straalde!
Arend, de linnenwever, daar schuin tegenover, deed nog tot laat in den avond het weefgetouw kletteren dat het een aard had.
Niet minder lustig hamerde de schoenmaker Pothof op de zool van den schoen, waaraan hij juist de laatste hand legde. En ondertusschen zong zijn jonge vrouw met een zachte, welluidende stem een wiegedeuntje. Ze deed heel zacht, zonder schokken, de wieg schommelen, om zoo haar tweede kind, een allerliefst meisje, te doen inslapen.
In den vooravond speelden de dorpskinderen tusschen de huizen en in de donkere hoeken van 't kerkgebouw verstoppertje en telkens weer gierden ze 't uit van pret.
Welk een verschil tusschen dat druk, licht en levendig dorp, — verscholen tusschen 't kleurig najaarsloover, — van den vorigen dag en avond en datzelfde dorp nu, in den nanacht, terwijl
"alles zwijgt en sluimert en rust, Alles, behalve de menschen, Droef wakende onder den prikkel des noods, Der smart of der ijdele wenschen."
Wat ligt het huis van De Laat daar nu akelig somber en stil in den mist. Alles daarbuiten, voor zoover 't bij het nachtelijk duister is waar te nemen, verkeert in een treurigen staat van verval. Blijkbaar ontbreekt hier een zorgende, wakende hand. Gras groeit er op verschillende plaatsen tusschen de steenen van 't straatje, dat naar de voordeur leidt en veel meer nog op de tuinpaden. Die tuin zelf, vroeger zoo keurig in orde, verkeert nu in een treurigen toestand. De vruchtboomen zijn er ongesnoeid; de perken onbezoomd en 't onkruid verdringt er steeds meer de bloemen. De wingerd langs den muur ten Zuiden is op verschillende plaatsen naar beneden gestort. Alles heeft er een haveloos en vervallen aanzien, niet het minst geldt dit van de woning.
Achter het huis om verschijnt plotseling een persoon, die sluipend voortgaat, alsof hij iets kwaads in den zin heeft. Het is Steven, die heimelijk door de achterdeur de woning verlaten heeft en zoo vlug mogelijk voortspoedt. Maar een dief, die op 't punt staat om ergens inbraak te plegen, kan niet vaker 't hoofd naar links en naar rechts wenden en over de schouders heen met spiedende oogen naar alle zijden uitzien. Ook zijn gang is zoo zacht en sluipend als een volleerde dief maar zou kunnen wenschen. Zijn kleeding is vrij slordig en haveloos. Bij de kerk sluipt hij langs den ouden muur, doch staat plotseling verrast stil. Hoort hij daar in den toren niet een zwaar, bonzend geluid? Zonder twijfel.
Angstig vraagt hij zich af, wat dit zijn kan?
Och ja! hoe kan hij ook zoo dwaas wezen om daarvoor te schrikken? 't Is immers de torenklok, wier slinger bonzend heen en weer gaat.
Vooruit dus weer!
Opnieuw rept hij zich voort.
Doch plotseling houdt hij weer stil en luistert opnieuw. Begint die klok daar boven in den toren alarm te luiden? Welneen: ze slaat vier uur.
De vierde slag galmt lang na en dan wordt het weer stil.
"Ik dacht dat er brand was en dat de klok geluid werd om de spuitgasten te wekken," mompelde hij.
"Waarom is er ook nooit brand bij nacht? 't Zou nog eens wat afwisseling geven en bovendien aan belanghebbenden een mooie kans bieden om een goeden slag te slaan. Maar wat drommel is dat daar nu weer?"
Aan de andere zijde der kerk en alzoo vlak bij geeft de nachtwacht vier stooten op zijn horen en roept dan zóó luid, dat de echo 't hem nabauwt: "Vier uren heeft de klok! De klok heeft vier!"
Steven sluipt angstig weg achter een hoek van 't groote holle gebouw en dringt zich zoo dicht mogelijk tegen den muur aan, om niet te worden opgemerkt. De nachtwacht komt met onregelmatige passen nader, want door den langen dienst heeft hij een stijf been gekregen. Daar hij zoo pas eerst zijn verlicht woonvertrek heeft verlaten, moet hij nu wegens de duisternis op den tast voortgaan en merkt Steven volstrekt niet. Deze vervolgt daarop al spoedig zijn nachtelijken tocht. Een zucht van verlichting ontsnapt hem, omdat hij onopgemerkt is gebleven.
"Zoo'n nachtwacht heeft toch voor de veiligheid der ingezetenen weinig te beteekenen," mompelt hij onder 't voortgaan, terwijl een glimlach zijn strakke trekken even ontspant. "Teunissen moest een hond hebben, zooals Fannie er een is. Die zou me hier stellig ontdekt hebben en niet alleen mij, maar ieder ander. Doch de man wordt veel te karig bezoldigd. 't Is bij hem 't heele jaar door armoe troef. Er nog bovendien een hond op na te houden, gaat dus niet. En zoo is 't derhalve ook hier weer de zuinigheid, die de wijsheid bedriegt.
Eigenlijk had ik Fannie moeten meenemen. 'k Zou dan veiliger geweest zijn. Hoe jammer, dat vader me verleden jaar naar huis haalde! Met hem zou ik geld verdiend hebben van belang. 't Lijdt geen twijfel, of ik zou heel beroemd zijn geworden. Hier is volstrekt niets te beginnen. 't Is er de dood in den pot!"
Dus denkende ging hij zacht, doch zoo snel mogelijk voort.
Maar 't nachtelijk donker heeft iets geheimzinnigs; iets dat huiveren doet. Het oog wordt dan niet afgeleid door kleuren; het oor niet door tonen. Men voelt zich zoo alleen in dien zwijgenden nacht, welke ons als in een reusachtig graf besloten houdt. Doch in dat graf zuchten of loeien de winden; het nachtelijk roofgedierte loert en snuffelt er om ons heen en onze ontstelde verbeelding omringt ons overal met vreeswekkende schimmen.
Vooral een nacht in 't midden van October bij mistig weder, gelijk nu, als er nog geen strenge nachtvorsten geweest zijn en de boomen derhalve nog grootendeels hun bladertooi behouden hebben, — zulk een nacht kan erg donker wezen. En nu was het buitengewoon donker.
Eerst had Steven nog aan weerszijden de bouwlanden van den zoogenaamden Esch, die, van hun oogst ontbloot, een uitgestrekte vlakte vormden.
Doch welhaast naderde hij het bosch, dat zich als een zwarte, ontzaglijk hooge massa steil uit de vlakte verhief. De ingang leek een hooge, donkere poort, die scheen te voeren naar een zwarten, ijzingwekkenden afgrond.
Daar gekomen vervolgde hij op den tast huiverend zijn weg, terwijl hij den knuppel, dien hij in de rechtervuist geklemd hield, bestendig voor zich uit zwaaide, om te vermijden dat hij met iemand of iets in botsing kwam.
Na op die wijze een kwartier gaans te hebben afgelegd, bereikte hij een breeden landweg, met aan weerszijden een dennenbosch.
Weinig minuten later hield aan de rechterzijde 't bosch op en maakte plaats voor een weide, die hier en daar bezet was met boschjes van berkenhakhout. Hier baande hij zich voorzichtig een weg door de droge sloot.
In den hoek der weide, half achter de kreupelbosschen verscholen, stond een lang, laag gebouwtje. 't Was het hok, waarin de eigenaar van de weide zijn kippen hield. Steven bleef nu een oogenblik pal staan en bootste 't gekraai van een haan zeer natuurlijk na.
Terstond daarop vernam hij een zacht geritsel in de struiken. Een donkere gedaante kwam sluipend nader. Een schorre stem voegde hem knorrig toe:
"Zóó! Ben je daar dan toch eindelijk! Nog een paar uur en 't zal weer volle dag zijn. 'k Heb hier al langer dan een uur op je gewacht!"
Het was zijn oude reismakker Dronken Hannes, die aldus sprak.
"'k Heb me verslapen!" antwoordde Steven met gedempte stem.
"Verslapen!" 't Is wat moois!" bromde de ander met een vloek. "Als er wat te verdienen valt, blijf je in bed liggen! Je hebt toch een klok in huis!"
"Mijn oude heeft vergeten, die op te winden en zoo is ze blijven staan. Je kunt je niet voorstellen, hoe vergeetachtig en suf hij na den dood van moeder geworden is."
"Hij vergeet ten minste om op te stappen!" bromde Hannes weer en zijn met bloed beloopen oogen keken kwaadaardig in den mist, alsof hij daar een vijand zag naderen. "Als hij dood was, zou je jou eigen meester wezen en we zouden weer de wijde wereld kunnen ingaan en samen ons geluk beproeven. We waren toen al zoo goed op dreef."
"Hij wordt erg oud en suf," mompelde Steven. "'t Wordt in huis hoe langer hoe onpleizieriger. Tonia brengt ons nu al sinds eenigen tijd 's middags een maal warm eten; voor 't overige moeten we ons met wat melk en brood behelpen. 't Is een nare boel. Tonia ruimt ook eenmaal per dag het huis wat op, terwijl mijn oude zwijgend in den hoek zit toe te zien. Zoolang zij bij ons thuis is, schijnt hij weer heelemaal op te leven. Onder 't werken vertelt ze hem van allerlei zaken, om hem zoo wat afleiding te bezorgen en moed in te spreken. Wil je wel gelooven, dat ik zelf haar bij 't beredderen van de huishouding behulpzaam ben en dat ik, als ze altijd bij ons in huis was, alle kans had om een werkzaam mensch te worden."
"Als ik in jou plaats was, gaf ik er den brui van om me zóó te behelpen," bromde de ander gemelijk. "Waarom ga je niet naar de herberg en laat er je voor rekening van jouw vader het noodige opdisschen?"
"Zonder geld gaat dat niet," zuchtte Steven.
"Misschien houdt hij zich maar arm, om je op die wijze met niemendal te kunnen afschepen. Maar we hebben later wel tijd om daarover te praten: nu moeten we hoe eer hoe beter aan 't werk."
Hij had zijn gezegden met eenige verwenschingen en vloeken kracht pogen bij te zetten en vervolgde nu, ook fluisterend:
"Ga jij eens zien, of er aan dien kant ook wild in de strikken zit, dan zal ik dezen kant voor mijn rekening nemen. Ziehier al twee hazen. 't Zijn een paar bovenstebeste: ze wegen ieder wel acht pond!"
"Te drommel, ja!" zei Steven aangenaam verrast. "Die twee maken ons den morgen al goed."
"Het blijft met dat al een onaangenaam en gevaarlijk werk!" bromde zijn kameraad, die er nu bijzonder zenuwachtig en gejaagd uitzag, terwijl hij schuw om zich heen keek. "Ze loeren al lang op ons. Maar wie me te dicht nadert, schiet ik neer en zeg dan met Van Speyk: "Berg je jongen!"
"Je zult toch om zoo'n kleinigheid als een veertien dagen "brommen" geen moord willen doen?" vroeg Steven verschrikt.
"Veertien dagen!" fluisterde Hannes. "Dat kun je begrijpen! Neen, als ze mij eenmaal te pakken krijgen, zullen ze me, vrees ik, heel wat langer opbergen. Die heeren van 't gerecht zijn haatdragende lui en aldoor geneigd om oude koeien uit de sloot te halen. — Maar mijn hemel, wie is dat daar?" viel hij zich zelf halfluid en angstig in de rede.
"Ik zie niets! Jij wel?" zei Steven, blijkbaar ook alles behalve op zijn gemak.
"Daar tusschen die twee eiken!" antwoordde Hannes. Zijn wijd geopende oogen staarden angstig voor zich uit. Hij deinsde een paar passen terug. Zijn spraak was onduidelijk, als die van een dronken persoon.
"'t Is jou moeder, die daar aankomt," dus ging hij verschrikt voort, als in zich zelf sprekend. "Een wit kleed reikt haar van 't hoofd tot de voeten. Ze komt naar ons toe, zie maar! En ze doet 't zoo stil, alsof haar voeten volstrekt niet aan den grond raakten, maar of ze op den mist kwam aandrijven. Wat staan haar oogen wijd open en wat kijkt ze mij al door strak aan! Precies zóó staarde ze mij vroeger ook aan, als ik bij jelui thuis kwam. Wat zou ze willen?"
Hij stond als aan de plaats geboeid en beefde zóó, dat hem de tanden op elkander klapperden.
"Je bent krankzinnig of stomdronken!" zei Steven met een schorre stem, terwijl hij zich met afschuw eenige passen van hem verwijderde. "Je weet even goed als ik, dat moeder al een vol jaar dood en begraven is. Waarom wacht je niet met drinken, tot het werk gedaan is?"
"Ik zweer je, dat ik van morgen nog geen druppel geproefd heb!" verzekerde de vagebond met een vloek.
"Wat jij daar ginds ziet, zie ik ook wel," hervatte Steven. "'t Is de nevel, die overal de open plekken vult."
Met de vuile mouw van zijn ruigen pijekker veegde de ander zich nu over voorhoofd en oogen, staarde weer voor zich uit en zei toen huiverend: "Ja ik geloof dat je gelijk hebt. 't Zal verbeelding van me geweest zijn! Kom, we zullen samen de strikken gaan nazien!"
"Om alle twee tegelijk gesnapt te worden!" sprak hierop Steven, die zich in gezelschap van zulk een gevaarlijken kameraad en op zulk een eenzame plaats alles behalve op zijn gemak voelde.
"Stel je gerust!" antwoordde Hannes. "Ik zal 't werk wel doen. Wie de strikken niet aanraakt, is ook niet strafbaar."
Stil verdwenen ze nu alle twee in 't hooge kreupelhout.
Een geruimen tijd later kwamen ze op de plek, vanwaar zij uitgegaan waren, terug.
Ofschoon het nu al vrij licht werd, was de mist nog niet geheel opgetrokken.
Ze hadden nog één haas, twee konijnen en één fazant buitgemaakt, die zich hadden vastgewerkt in de strikken.
"Nu Is 't ook mooi genoeg voor één dag!" zei Steven fluisterend. "En jij hebt rust noodig: je ziet er vreeselijk naar uit en beeft alsof je de koorts hadt."
"We zijn nu toch hier en 't zou erg dom zijn, zoo we niet nog even dit boschje gingen afjagen!" was het antwoord, op schorren toon gegeven. "Zou Fannie in 't vervolg het wild niet voor ons kunnen opjagen? 't Is zoo'n schrander beest!"
"'t Is te beproeven," mompelde Steven en hij verwonderde zich, dat hem dit niet reeds vroeger in de gedachte gekomen was. Met Fannie bij zich had hij ook van zijn kameraad, die er hoe langer hoe gevaarlijker begon uit te zien, niets te duchten. Hij keek den vagebond aan met oogen, waarin vrees en afschuw te lezen stonden en zorgde er voor, onder 't bereik van zijn ruwe, morsige handen vandaan te blijven.
Wat hing hem de ruige, rossige haarbos slordig om voorhoofd en wangen! Wat stonden zijn met bloed beloopen oogen strak en akelig en hoe angstig staarden ze in de richting van de twee eiken, waar de mist nog als een blauwachtig-wit gordijn was blijven hangen! Zelfs toen hij zich bukte om onder 't kreupelhout heen het oude geweer, dat hij daar den vorigen avond had verborgen en waarvan 't slot met een ijzerdraad was vastgemaakt, bij den loop te voorschijn te halen, bleef hij toch onafgewend op die plek staren, als vreesde hij, vandaar uit onverhoeds overvallen te worden.
"Als 't geweer geladen is, zou ik er een beetje voorzichtiger mee omgaan!" waarschuwde Steven.
Maar pas had hij dit gezegd, toen hij uit den mond van 't geweer een rookwolkje zag stijgen, terwijl hij onmiddellijk daarop den knal van 't schot hoorde.
In 't volgend oogenblik zag hij zijn kameraad met de armen een zwaai in de lucht maken en hem toen met een zwaren plof achterover vallen.
Roerloos bleef hij liggen.
't Volle schot was hem in de borst gedrongen en had hem oogenblikkelijk gedood.
Steven bleef een wijle, door schrik als verlamd, staan staren op het lijk van zijn makker, die nu zijn makker niet meer was en 't ook nooit meer wezen zou.
Hij zag die door ontzetting ijselijk gewrongen trekken; die wijd geopende, angstige oogen, zoo akelig strak naar boven gericht; hij zag den eveneens als tot een noodkreet opengesperden mond en waande te droomen.
Geen antwoord! Geen enkel teeken van leven!
Hij riep hem dringend bij zijn naam.
De door den storm gevelde dennenboom daar aan den rand der sloot, die hen zoo vaak voor zitbank gediend had, kon nu evenveel hulp en vriendschap verleenen als Dronken Hannes. Radeloos keek Steven rond door de stille ruimte. De morgenwind vaagde juist, als met een onzichtbare hand, tusschen de twee eeuwenoude boomen den laatsten sluier van nevelen weg.
De lucht was nu geheel opgeklaard.
De groene, gele en roode bladeren van eiken, accasia's en beuken glansden in 't licht van de rijzende zon.
De gansche streek baadde in een vriendelijk licht.
Miljoenen dauwdroppels schitterden op het gras, het heidekruid, het kreupelhout en 't met fijne webben overspannen dennenbosch.
Het stille, plechtige landschap straalde en schitterde in onbeschrijfelijke pracht. In grootschen eenvoud welfde zich daarboven het diep-blauwe uitspansel.
En te midden van al dat schoon lag daar die doode, met akelig verwrongen trekken, de starende oogen met een afdrukking van ontzetting strak omhoog gericht.
"Ze zullen denken dat ik hem heb doodgeschoten!" mompelde Steven.
Een killen schrik beving hem.
Zonder recht te weten, wat hem onder deze bedenkelijke omstandigheden te doen stond, ja zelfs zonder te weten wat hij deed sloeg hij op de vlucht.
{Illustratie: Steven bleef een wijle ... staan staren op het lijk van zijn makker ... (Pag. 141).}

Hij vlood, over slooten springend en door hagen dringend, als een bloode haas of een gejaagde ree.
Zoo bereikte hij al hollend den ingang van 't dorp, waar een groep spelende kinderen verschrikt door zijn akelig uitzicht, voor hem uit den weg stoven.
XVII.
Op stroopen uit.
't Is in 't begin van Februari en in den na-nacht.
In gedachten bevinden we ons in de buurt van den huize Heiterloo en wel op den landweg, vóór den donkeren ingang van 't bosch, dat het kasteel aan drie zijden over een groote uitgestrektheid omgeeft.
Voor ons uit zien we iets wemelen en nu we naderbij komen, blijkt het de gedaante te zijn van een man. Ook hooren we, gedempt, zijn voetstappen in 't dorre loof.
Wat zou die persoon hier zoo vroeg al willen uitvoeren?
Haast schijnt hij volstrekt niet te hebben, want hij nadert slechts langzaam.
Een dikken stok heeft hij onder den arm.
Op 't oogenblik, dat hij den donkeren ingang van 't bosch wil binnentreden, slaat juist de klok in den toren van 't kasteel drie uur.
Hoe lang, hoe vreemd, — we zouden haast zeggen hoe spookachtig galmt de laatste slag na in den zwijgenden nacht!
Een uil is er blijkbaar door wakker geschrikt: hij laat een paar maal zijn droefgeestig geroep hooren. Dan wordt het weer overal stil.
Zelfs de stappen van den nachtwandelaar zijn slechts even te hooren. Zóó voorzichtig sluipt hij verder, dat enkel een zacht ritselen van 't dorre loof nu en dan zijn tegenwoordigheid verraadt.
't Is overal zoo stil, dat we onze ademhaling kunnen hooren. En toch: als we goed luisteren, hooren we bovendien nu hier, dan daar een geritsel, alsof we door levende wezens omringd zijn, die kringen om ons heen te beschrijven, zooals eertijds de tooverpoeder die beschreef om den bekenden dokter Faust. Hier, in 't hooge mastbosch, is 't nog stiller en donkerder dan ergens elders.
We volgen in gedachten dien eenzamen man op zijn schreden. Maar 't is een onaangename wandeling voor ons, die nog zoo pas door 't vriendelijkst licht en de gezellige drukte van ons bekende menschen omringd waren. 't Is of plotseling alles, wat ons lief was en vreugde gaf, voor immer verdwenen is en we in 't vervolg door een altijd durenden nacht zullen omringd zijn. En telkens hooren we nu hier en dan weder daar dat suizen, zoo vreemd, in de donkere dennen hoog boven ons, als 't gezucht van sombere reuzen; dat geritsel in 't dorre loof om ons heen, als van een sluipend en gluipend ondier, dat ons naar 't leven staat. We hebben juist een gevoel of de nacht leeft; of we van alle zijden door glinsterende oogen aangestaard worden; of we als omspannen zijn door een onzichtbaar weefsel.
Een huivering gaat ons door de leden.
Een soortgelijk angstig gevoel moet in den morgen der geschiedenis den eersten, half wilden Germaan beheerscht hebben, die hier in de onmetelijke wouden en wildernissen verdoold geraakt, den eersten nacht sleet in de forsche kroon van een eeuwenoude eik en in zijn ontstelde verbeelding overal uit die woeste, wilde wereld dood en verderf meende te zien en te hooren naderen.
Gelukkig voor den eenzamen nachtwandelaar, die nu als een spookgedaante in de duisternis voor ons uit treedt, zijn hier in den loop der eeuwen de beren, wolven, wilde zwijnen, ja zelfs op weinig uitzondering na de sluipende, giftige adders verdwenen, welke dien eersten mensch overal dreigend omringden.
Een luid, snorrend gerucht doet op eens den eenzamen man verrast stilstaan.
Daar komt eenige oogenblikken later een ruigharig schepsel uit het hout op den weg springen, loopt op den man, die blijkbaar zijn meester is, toe, blijft kwispelstaartend voor hem staan en laat een zacht, schor gebrom hooren.
"Koest, Fannie!" luidt het fluisterend bevel. En Steven De Laat, — want deze is 't, — volgt nu sluipend den trouwen hond, die zoo pas een troep fazanten opjoeg.
Twee dezer dieren hebben zich, misschien door voor den hond te vluchten, vastgewerkt in de strikken, die zijn meester daar geplaatst heeft en worden nu door dezen voor goeden prijs verklaard.
In plaats van, — evenals andere menschen, — door ijverig werken in zijn onderhoud te voorzien, beproeft hij weer, evenals toen Dronken Hannes nog leefde, met wild stroopen wat te verdienen. Want het moet gezegd worden: er zit "durf" in dit jonge mensch. Bovendien is hij vlug en schrander en Fannie, hoe oud ook, is dit eveneens.
Geen nacht gaat er in den laatsten tijd voorbij, waarop niet eenige boschwachters of jachtopzieners op hem loeren. Maar Fannie komt deze lieden door zijn reuk telkens op 't spoor. En zoodra merkt hij niet, dat er iemand in de buurt waar zijn meesters strikken staan, op den loer ligt, of hij waarschuwt dezen oogenblikkelijk. Steven Iaat dan daar ter plaatse 't wild in de strikken onaangeroerd en 't wild, dat hij reeds buit maakte, verbergt hij snel op een plaats, waar hij 't gemakkelijk kan terugvinden.
Het geld, dat hij voor 't gestroopte wild krijgt, moet hem tot zakgeld dienen. Hij verteert het gewoonlijk in één der talrijke gelegenheden, welke daarvoor in de naburige grootere plaatsen worden aangetroffen. Want een afstand van eenige uren gaans telt hij niet.
Het bosch van den huize Heiterloo biedt een uitmuntende gelegenheid aan voor wildstroopers. In de omgeving van 't kasteel doorkruisen 't breede wandelpaden, terwijl verderop landwegen en paden voor voetgangers naar 't dorp of de naburige landerijen en weiden voeren. Deze laatste vindt men niet alleen in de naaste omgeving van 't bosch, maar op sommige plaatsen voeren ze er midden door.
Nu stond het graan te groenen op de akkers. 't Had nog niets van de nachtvorsten te lijden gehad, want het was een zachte winter geweest met veel sneeuw. Het wild uit heel de streek ging er aan te gast. De hazen namen hun weg over zeer goed zichtbare paadjes, die in verloop van tijd door hun stappen waren ontstaan.
Op die paden nu had Steven zijn strikken geplaatst. Als heer Lepel zich dan terdege repte om den akker te bereiken, raakte hij in zoo'n strik bekneld en iedere poging om zich los te rukken was oorzaak dat die vaster om zijn keel sloot, zoodat hij door verstikking den dood vond.
Steven was gewoon om den hond tegen den wind in te doen loopen, opdat deze de jachtopzieners, die op hem loerden, vroeg genoeg onder den reuk zou krijgen om hem nog tijdig te kunnen waarschuwen.
Doch in een bosch als dit, waarin paden en paadjes op de meest grillige wijze in alle richtingen doorheen slingerden, ging daar niettemin een zware wijs op.
Onze strooper was slechts weinige oogenblikken op 't voetspoor van den hond in het duister van 't hout verdwenen, of hij kwam weer op 't pad terug met de twee fazanten onder zijn jas verborgen. Vervolgens sloop hij weer een geruimen tijd voort over een publiek pad, uitsluitend voor voetgangers bestemd en kerkpad geheeten.
Dergelijke paden loopen meestal zoo recht mogelijk uit ver schillende richtingen op één plaats aan. In vroeger tijd dienden ze, — en ze doen dit nog, — om langs den kortsten weg de kerk te bereiken; vandaar de naam: kerkpaden. Ze doorsnijden heidevelden, weiden en bouwlanden, loopen over de boerenerven soms tusschen 't huis en de schuur door en storen zich aan geen gemaakte begrenzingen. De boer ploegt ieder jaar gemakshalve die paden om, welke vaak zijn akker diagonaalswijze in tweeën splitsen en hij zaait er zijn koren op uit. Maar reeds den volgenden dag hebben de schoolgaande kinderen of lieden, die de naburige plaats willen bezoeken, waaronder vooral kerkgangers, de aarde weer plat getrapt en 't pad opnieuw gebaand.
Slechts weinig wegen en paden herinneren zóó sterk aan 't grijs verleden, toen er kapellen en kerken werden gebouwd en bij die kerken scholen.
Daar vonden groot en klein een vereenigingspunt en ze rustten er uit van de moeiten en zorgen des levens en er omheen, onder de groene zoden, sliepen de betreurde vrienden en verwanten hun laatsten slaap. Vijanden verbroederden zich met elkander binnen deze stille muren, waar eeuw aan eeuw geleerd werd dat de Liefde de meester is.
Het streven naar orde, reinheid en een betere toekomst; de drang des harten om lief te hebben en goed te doen, werd zoo gemeenschappelijk goed.
Menigeen is in den loop der eeuwen over zoo'n kerkpad voortgegaan met vluggen, vroolijken tred, in zijn beste pak, met een bloem of veer op den hoed, als ging hij ten feest; menig ander schreed er over voort in rouwkleederen, langzaam, zielsbedroefd of ongeneeslijk ziek.
Als ze hun geschiedenissen konden vertellen, die eeuwenoude paden en gebouwen, zou het overwaard zijn er naar te luisteren.
Maar die zijn weggewaaid met den wind. Slechts de zon, de maan en de sterren kunnen ze weten, want die hebben alle geslachten voorgelicht op de levensreis, zoo te nacht als bij dag. Doch keeren we terug tot de geschiedenis van Steven de Laat.
Steven ging nog een geruimen tijd op zijn sluipende manier voort. Het was duidelijk, dat hij zich hier op deze eenzame plek alles behalve veilig achtte. Hij begreep dat een enkel schot voldoende was om zijn hond te dooden en dan zou hij niet alleen hier, doch op al zijn verdere tochten alleen staan. En de jachtopziener van Heiterloo was in de heele streek bekend als een ruw persoon, die voor geen klein gerucht vervaard was. Vroeger was hij een gevreesd wildstrooper geweest en dus met de kunstgrepen van dit vak uitstekend op de hoogte. Juist om die reden had men hem voor deze betrekking gekozen.
Terwijl Steven over een en ander liep te peinzen, schrikte hij eensklaps op. Fannie toch kwam plotseling uit het hout loopen en sprong tegen hem op, terwijl hij een kwaadaardig gebrom liet hooren.
De strooper wierp nu snel de twee gevangen fazanten onder de dichte takken van een paar dwergdennen en vervolgde toen schijnbaar bedaard zijn wandeling, terwijl hij zacht zeide: "Hier blijven, Fannie!"
De hond bleef nu vlak achter hem loopen.
Dicht bij werden nu plotseling de takken als door een sterken rukwind bewogen. Een stoere kerel sprong onverhoeds uit het donker bosch te voorschijn. "Ha!" riep hij, "snap ik jou daar dan toch eindelijk!" En hij vatte Steven vrij onzacht bij den schouder.
Maar op 't zelfde oogenblik vloog Fannie hem als een wolf naar de keel.
"Help! help! ik word vermoord!" kermde de jachtopziener, — want deze was het.
"Fannie, hier!" gebood Steven.
Het trouwe dier gehoorzaamde terstond. Het ging voor zijn meester staan en bleef den aanrander nijdig grommend met een kwaadaardig geknipoog aanzien.
"Blijf daar staan, als je leven je lief is en houd vooral jouw handen thuis," vermaande Steven. "En," — dus ging hij voort, "vertel mij eens, waarom je mij hier op dit publiek pad, waar iedereen op elk uur van den dag of in den nacht vrij mag loopen, zoo hardhandig hebt bij den schouder gepakt?"
"Heb je nu je hond vast?" vroeg de jachtopziener bevend.
"Welneen, maar dat is ook niet noodig."
"Ben je daar wel zoo heel zeker van?"
"Ja."
"Maar hij bromt toch zoo nijdig."
"Ja, hij houdt jou in de gaten! Maar zeg: waarom heb je mij zoo brutaal aangerand?"
"Dat is mijn plicht. Je weet drommels goed, dat je hier geen strikken mag zetten!"
"Doe ik dat dan?"
"Je weet zelf wel, dat je dat doet en 't ook al lang gedaan hebt. Geef af het wild, dat je vannacht weer gevangen hebt!"
"Houd je bedaard!" zei Steven weer. "En zorg er voor, dat je geen hand naar mij uitsteekt!"
De jachtopziener zag angstig naar 't ruige beest. Het lette scherp op al zijn bewegingen en stond blijkbaar gereed om zich bij de minste aanleiding weer op hem te werpen. 't Scheen hem in de donkerheid veel grooter en gevaarlijker dan 't in werkelijkheid was. Hoe gaarne hij ook door overmacht of dreigementen Steven tot een bekentenis zou hebben gedwongen, iets wat hem bij andere wildstroopers meer dan eens gelukt was, hij begreep nu maar al te goed dat dit jonge mensch door middel van zijn hond hem volkomen in de macht had.
"We zullen voor deze keer de zaak "blauw-blauw" laten, maar neem jou in 't vervolg in acht!" zei hij schor, wendde zich om en haastte zich weg.
Ook Steven vervolgde nu zijn tocht, maar stuurde oogenblikkelijk den hond weer 't hout in.
Hij keek nog eens achter zich om en zag nu, dat de ander 't zelfde deed en zijn geweer tot schieten gereed hield.
"Ha zoo! wou je den hond doodschieten?" mompelde Steven. "Dat zal je dezen keer eens niet lukken: in 't hout kun je hem niet onder schot krijgen!"
Schijnbaar was hij heel kalm. Maar in werkelijkheid had het voorgevallene hem geducht doen ontstellen.
Toen dan ook de jachtopziener voor goed uit het gezicht was, riep hij Fannie weer tot zich en liet hem verder weer achter zich aan loopen.
XVIII.
Een Paardenspel.
De komst van een paardenspel op zulk een klein plaatsje was in dien tijd nog een veel grooter bijzonderheid, dan dit in onze dagen 't geval zou zijn.
Een landbouwer stelt over 't algemeen 't grootste belang in paarden.
En in 't circus, dat er verwacht werd, zouden die dieren optreden en hoogst zeldzame toeren verrichten.
Op verschillende plaatsen waren verbazend groote programma's aangeplakt, helgeel, met kolossale zware letters bedrukt.
Dat programma was een heel merkwaardig stuk. Het vermeldde, dat er kunstrijders en rijdsters van den eersten rang nooit geziene, allerwonderbaarlijkste blijken zouden geven van hun vaardigheid in de hoogere rijkunst; proeven, die hun de gunst verzekerd hadden van de machtigste potentaten en van alle mogelijke volken der aarde en hun den titel hadden doen verwerven van "Professeur in de aller-opperste rijkunst" of iets dergelijks.
En de dieren zouden in 't minst niet voor die wondermenschen onderdoen, maar allermerkwaardigste proeven van verstand en kunstvaardigheid geven.
't Was haast ongeloofelijk!
De tent, waarin deze verwonderlijke voorstellingen zouden gegeven worden, werd opgeslagen op een stuk tuingrond, achter de schuur van de dorpsherberg.
Twee avonden achtereen zou de voorstelling plaats hebben.
Dat bouwen van 't circus was op zich zelf al een feest voor de dorpsjeugd. Zelfs de kruidenier Verbeek en nog eenige andere burgers, die overvloed van leegen tijd hadden en voor wie een weinig afwisseling hoogst welkom was, stonden belangstellend toe te zien.
De jongeluitjes hielpen wakker mee. Op die wijze verrees als door een tooverslag de reusachtige tent, met grijs doek overspannen, ter plaatse waar 't vorig jaar de mangelwortels van den herbergier hadden staan groeien en dat over weinig dagen zou worden omgespit, om er dusgenaamde snij- of staakboonen op te verbouwen.
Welk een wisseling van tooneel!
En dat in zoo'n korten tijd!
Het Ninivé der Ouden, die groote, prachtige wereldstad, de zetel der machtige koningen van Assyrië, was voorbestemd om in den loop der eeuwen te veranderen in "een woning der draken".
En de zonen en dochteren van 't "aloude Volk" trekken reeds sinds verscheiden eeuwen ter bedevaart naar 't Oosten, om te treuren op de bouwvallen van 't onvergetelijk Jeruzalem.
De jeugd leest er van, maar begrijpt de diepe beteekenis er van niet. Eenige minuten zijn al voldoende, om hun dit alles te doen vergeten voor tol, hoepel en springtouw.
Maar hier was 't een gansch andere zaak. Hier verrees voor aller oog op een stuk gewonen tuingrond een tempel, aan de kunst gewijd.
Aan den opbouw er van werkten ze naar hun vermogen mee. Als ze dien over eenige dagen weer even snel zien sloopen en de spade van den daglooner Teunissen zelfs de laatste sporen van zijn bestaan zal doen verdwijnen, wordt het ons jong, levenslustig volkje voor een wijl bang om 't hart en ze leeren plotseling den diepen zin verstaan van de versregels:
"Ieder woelt hier om verand'ring En betreurt ze dag aan dag; Hunkert naar hetgeen hij zien zal; Wenscht terug 't geen hij eens zag."
Maar zoover is het nu nog niet gekomen.
De daglooner moet zijn tijd afwachten.
De tent staat daar nu opgericht; ze is wijd en zijd te zien en neemt door haar reusachtigen omvang den halven groentetuin in beslag.
Zoo iets is hier nog nooit vertoond.
Zie! Nauwelijks is de avond gevallen, of het stille dorp weergalmt van een schetterende muziek en bij den donkerrooden gloed van flambouwen doen nu de feestelijk opgesmukte of liever bont opgetakelde kunstrijders en rijdsters, gezeten op feestelijk versierde paarden, een optocht over het dorpsplein en een kunstenmaker, — op 't programma heet hij clown, — met afzichtelijk beschilderd gelaat, houdt met schorre stem een toespraak, waarin Hollandsch en Duitsch allerkomiekst zijn dooreen gemengd. Maar niettemin heeft onze redenaar een aandachtig gehoor, want de wonderen, waarvan hij gewaagt, zullen zoo straks werkelijk aan "'t geachte publiek" vertoond worden, iets wat bij verreweg de meeste wonderverhalen niet het geval is.
Zoo begaf zich de stoet, voorafgegaan door een open rijtuig, waarin de muzikanten zaten, in feestelijken optocht door 't dorp.
En de muzikanten bliezen, als wilden ze hun wangen te bersten blazen en de tamboer sloeg op een verbazend groote turksche trom, dat het zoo'n aard had en de jongeluitjes zongen, dat hun gezicht er rood en hun keel er schor van werd.
En de optocht werd hoe langer hoe grooter en luidruchtiger, naarmate hij verder kwam, want van alle kanten, over alle wegen en paden kwamen in bonte groepen de bewoners der streek en zelfs die van naburige plaatsen vlug naderen. Ze waren in hun beste pak uitgedost en hun vroolijk gepraat en gelach was op een afstand te hooren.
Toen de stoet weer bij 't circus aankwam, was hij door een dichte menigte omstuwd.
Hier werd halt gehouden.
Hij, die "de baas van 't spul" was, nam nu in hoogst eigen-persoonlijkheid het woord.
Zijn houding was echt-koninklijk.
Zijn gebaren waren breed en indrukwekkend.
Jammer was 't daarom, dat ook hij erg schor was en er een taal op zijn eigen hand op nahield.
Niettemin was de toejuiching, die op zijn toespraak volgde, uitbundig.
Geen wonder ook: hij verzekerde "'t geachte publiek", dat de voorstelling precies om zeven uur beginnen zou en dat ze alle voorstellingen van dien aard, die ooit gegeven waren, in alle opzichten zeer ver zou overtreffen.
Toen werden de paarden weer in den stal der schuur van 't dorpslogement gebracht en de lieden, die van buiten gekomen waren, verdrongen zich in de gelagkamer en vulden zelfs de naburige vertrekken, om zich door 't gebruik van "een hartsterking" voor te bereiden op de dingen, die komen zouden.
Het was kwartier voor zeven, toen één der dames van "'t spul", zeer licht gekleed, met een kleurigen mantel los om 't slanke lichaam geslagen, met vlugge hand het tentdoek bij den ingang opende en gelegenheid gaf om een kaart te koopen en binnen te gaan.
De wachtende schare stond in 't donker en zij stond in 't volle licht, dat door één der lampen werd uitgestraald. Zóó leek ze den eenvoudigen landbewoners een hoogst bekoorlijk wezen. Wie nog weifelden tusschen 't Circus, de Spaarbank of iets anders, werden door haar verschijning oogenblikkelijk tot het koopen van een kaartje gedrongen.
En zoo raakte in weinig tijd de ruimte daar binnen met toeschouwers opgevuld. Die helder verlichte ruimte vol feestelijk opgetooide menschengroepen leverde voor allen een zeer ongewoon en bij uitstek feestelijk schouwspel op.
Buiten was 't nu donker en vrij koud; hier daarentegen was het licht, warm en uiterst gezellig.
Jongens en meisjes, mannen en vrouwen, voelden zich hier in elkanders gezelschap zoo tevreden en gelukkig: ze waanden zich in een tooverwereld verplaatst.
De bodem van 't circus was met zaagsel en wit zand dik bestrooid.
Pas had de klok zeven geslagen, of daar had men 't lieve leven gaande! De trom begon te roffelen; de muzikanten deden weer hun horens schallen en een paar kunstenmakers kwamen, op de gewone manier uitgedost, met komieke deftigheid elk van een tegenovergestelden kant het circus met een echten pauwentred binnen stappen. Ze schenen elkaar niet op te merken, buitelden eenige malen over 't hoofd, keken toen, aldoor achteruit loopend, naar de toeschouwers en toonden zich over de aanwezigheid van zulk een menigte menschen uiterst verrast en verbaasd. Op die wijze kwamen ze, steeds achteruit loopend, zoo hevig met elkander in botsing, dat ze met een plof neervielen, op hun rug heen en weer rolden en allererbarmelijkst schreeuwden en huilden, alsof ze zich heel erg bezeerd hadden. De toeschouwers, groot en klein, moesten 't uitschateren, omdat twee zulke groote kerels zich zoo kinderachtig aanstelden. 't Geval werd nog grappiger toen de twee hansworsten, na met huilend gebrul te zijn overeind gekrabbeld, plotseling als dol op elkander toevlogen en elkaar op een half dozijn luid klinkende oorvegen trakteerden, waarna ze 't hoofd met beide handen omvatten en weer in een allerjammerlijkst gehuil uitbarstten.
't Uitbundig geschater, dat hiervan 't gevolg was, verstomde echter oogenblikkelijk, want één der kunstrijders, slank en lenig, kwam op een schimmel 't circus binnendraven. Eerst reed hij stapvoets den kring rond en beantwoordde de toejuichingen, waarmee hij verwelkomd werd, door heel deftig naar alle kanten buigend, het "geëerde publiek" te groeten. Toen reed hij in galop en vervolgens in een wilden ren rond, en ondertusschen stond hij heel bedaard op den rug van zijn schimmel gymnastische toeren te maken, over zijn hoofd te buitelen, door hoepels te springen en dergelijke meer. Boer Reinders, een liefhebber van paarden, verzekerde zijn vrouw dan ook, dat hij zoo iets nooit te voren gezien had en boer Scholte, die ook voor deze gelegenheid was overgekomen, was een en al verbazing. Hij knikte herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd en mompelde telkens weer: "Je zou zeggen: hoe is zoo iets nu mogelijk!"
Ook Steven bevond zich onder de toeschouwers.
Hij was een en al bewondering.
Dat was eerst een bekoorlijk leven!
Aldoor reizen en trekken; de bewondering van allen inoogsten en veel geld verdienen op den koop toe!
Hoe benijdde hij die "clowns"!
Immers: kon hij niet, even goed als zij, verscheidene malen achtereen over zijn hoofd buitelen?
Konden hij en Fannie geen kunsten vertoonen, die veel aardiger waren dan alles, wat die twee beschilderde grappenmakers ten beste gaven?
Zelfs in de stad was hij immers bewonderd en toegejuicht! Maar Fannie begon geducht oud en stijf te worden: dat was erg jammer!
"Toch lijdt het geen twijfel," dacht Steven verder, "of ik zou even goed, zoo niet beter, voor clown geschikt zijn dan de twee, die daar telkens zoo uitbundig worden toegejuicht."
De kunstrijder poosde even en één der clowns nam nu de gelegenheid waar om met dit heerschap een gesprek te beginnen. Met zijn schorre, huilerige stem riep hij:
"Mijnheer de directeur, mag ik ook eens rijden?"
Maar deze antwoordde uit de hoogte:
"Och, clown, wat is dat nu voor gekheid? Je kunt immers heelemaal niet rijden!"
De potsenmaker liet zich echter zóó maar niet afschepen; hij verzocht dringend:
"Och toe, meneer de directeur, laat me 't maar eens probeeren!"
"Je zult armen en beenen breken, clown!" waarschuwde de kunstrijder.
"Dat is voor mijn verantwoording, mijnheer de directeur!"
"In dat geval kun je mijnentwege jou gang gaan!"
De ruiter wipte van 't paard en reikte den clown de leidsels over.
"Och toe, help me even een handje!" verzocht deze. "'t Is zoo'n toer om er alleen op te komen!"
"Kom aan! Opgepast dan! Huup-la!" zei de ruiter. Hij gaf daarop zijn makker een duw, zoodat deze over 't paard heenvloog en met een smak aan den anderen kant neerplofte.
Het paard bleef onder die bedrijven tot aller verwondering staan als een paal.
De toeschouwers hieven een schaterlach aan; maar het luidst lachte Steven. Het bleek nu immers duidelijk, dat zoo'n potsenmaker niets anders kon doen, dan 't publiek door zijn zotte kluchten vermaken.
De clown gaf het echter niet op. En zie! een volgende poging om 't makke ros te bestijgen, gelukte boven verwachting.
Ja, daar zat hij er op! Maar hoe? Met zijn rug naar den kop van 't paard gekeerd! Dat scheen hij echter volstrekt niet te merken; althans: hij trok het geduldige beest aan den staart en riep: "Maar directeur, dat paard heeft in 't geheel geen kop! Hoe gek toch!"
Algemeen geschater en gejuich van "'t geachte publiek", waaronder vooral van Steven.
Niets was voorzeker gemakkelijker, dan voor clown te spelen.
Doch zie! daar doet eensklaps onze potsenmaker een stouten sprong en zit in eens behoorlijk op 't paard, dat nu met hem voortdraaft. Hij buitelt op den rug van 't dier over zijn hoofd, alsof dit dagelijksch werk voor hem ware en verricht minstens even sterke toeren, als "meneer de directeur" zelf.
Nu begon Steven tot zijn groote teleurstelling te begrijpen, dat een clown op zijn beurt ook kunstrijder is en dat hij, Steven, daartoe niet alleen de vereischte bekwaamheden mist, maar bovendien te ongeoefend en te oud is, om 't ooit zoover te kunnen brengen.
En och! hij had zoo gehoopt, zich bij deze menschen te kunnen aansluiten en bij hen niet alleen een werkkring maar zelfs een prachtige toekomst te zullen vinden.
Nu begonnen ook bij afwisseling "de dames van 't spul" blijken van hun kunstvaardigheid te geven.
Vlug, lenig en slank, veel meer dan de gewone boerenvrouwen en meisjes, in een zwevend gewaad, dat armen en beenen volkomen vrij liet en schitterde, als 't ware met flonkerende diamanten bezaaid, zweefden ze op het paard voorbij als lichte, bovennatuurlijke wezens uit het een of ander tooversprookje. Ze sprongen door hoog opgehouden hoepels, zoo licht en bevallig alsof haar lichaam geen het minste gewicht had. Dus beschreven ze als 't ware schitterende tooverkringen, terwijl de muziek lustige danswijzen speelde en de toeschouwers telkens weer losbarsten in daverende toejuichingen en handgeklap.
Op die manier vloog de avond om. Een tweede avond volgde en toen — was 't uit.
XIX.
Een crisis.
Toen Steven eenige dagen later tegen den avond nog eens de plaats bezocht; waar de tent gestaan had, was de daglooner Teunissen al bezig met er den grond om te spitten en in gereedheid te brengen voor 't poten van de staak- of snijboonen.
Mismoedig keerde hij terug naar de straat, waar de dorpsjeugd zich vermaakte met eenige bonte lappen en kleurige linten, welke door de kunstenaars waren achtergelaten.
Steven doolde dien avond nog laat door 't dorp en den omtrek rond. Hij had rust noch duur. Het leven, dat hem vroeger zoo bekoorlijk had geschenen, had nu alle aantrekkelijkheid voor hem verloren.
Toen hij voorbij de woning van den nachtwacht ging, herinnerde hij zich zijn laatste gesprek met zijn vriendin Tonia. Evenals gewoonlijk was ze ook nu vriendelijk jegens hem geweest, maar hij had een droeven trek op haar lief gelaat bespeurd en ze had hem zeer ernstig onder 't oog gebracht, dat hij den kostbaren tijd met straatslijpen verkwistte, terwijl zijn goede vader zijn hulp zoozeer behoefde.
Uit haar geheele gedrag jegens hem was hem duidelijk gebleken, dat ze in de toekomst al heel weinig van hem hoopte. Dit had hem te meer gegriefd, daar hij wist dat de zoon van den smid, een algemeen geacht, werkzaam jongmensch, haar tot vrouw wenschte.
Beter dan ooit te voren begreep hij nu, dat zijn leven op mislukking zou uitloopen.
Al voortgaande over de stille, donkere straat, raakte hij ten laatste erg vermoeid. Hij huiverde en rilde en voelde zich doodziek. Zijn hoofd gloeide en klopte.
Zoo bereikte hij weer het ouderlijk huis. Hij drukte 't hoofd tegen de koude steenen om 't zoo te verkoelen. Toen werd hij zóó duizelig, dat hij met de hand tastte naar eenig voorwerp om zich aan vast te houden. Doch hij vond geen houvast en viel schavend langs den muur. Daar lag hij, als dood.
Zijn verhit brein was intusschen werkzamer dan ooit.
In zijn koortsachtige droomen werd het verleden weer heden. Hij bevond zich weer in de vriendelijke, gezellige, ouderlijke woning. Zijn moeder was er weer, vroolijk, vol hoop en goeden moed. Het speenvarkentje en Bles, ja alles was er weer, zooals het geweest was in vroeger, gelukkiger tijden. Zelfs de oude moeder Teunissen, die hem achter haar rokken verborgen had, als hij niet naar school wilde, was in 't vertrek aanwezig. Ofschoon ze al jaren geleden gestorven en 't kleinkind, dat ze zoo vaak in slaap gewiegd en gezongen had, nu al bezig was om een handwerk te leeren, — ze was er weer en wiegde ouder gewoonte datzelfde kleinkind, terwijl ze zong, gelijk ze vroeger deed:
"Suja, suja kindjen! Hoe ben je dan zoo stout? Heb je pijn in 't buikjen, Of zijn je voetjes koud? Prikt je hier of daar een speld? Is er een bandje, dat je knelt? We zullen een vuurtje stoken; We zullen een papje koken. 't Wiegjen dat gaat: tik-tak! Voor den kleinen dikzak."
Steven gevoelde zich, ondanks zijn doodelijke matheid, gelukkig.
In zijn droomen toch genoot hij weer al de zelfopofferende liefde van zijn vervlogen jeugd. Nachtegalen zongen hem weer in slaap, als in zijn prille jeugd; de lucht was verkwikkend warm en bezwangerd met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de vlier, den meidoorn en de kamperfoelie. Velden, weiden, boomen en bosschen waren mooi groen; ze waren met dauwdroppels overdekt, die schitterden in 't avondlicht als fonkelende juweelen. De boschduiven koerden en de koekoek riep.
Hij vond zich opgenomen in den kring der schoone gelukkige kinderen van 't kasteel Heiterloo; ze beminden hem als een broeder, speelden met hem in den mooien tuin en genoten naar hartelust van de heerlijke vruchten en zijn ouders stonden glimlachend, innig blij toe te zien; ze verheugden zich in 't geluk van hun kind.
Wat later bevond hij zich in 't circus, onder de kunstrijders. Hij deed ongeloofelijke toeren en werd door 't verbaasde publiek uitbundig toegejuicht.
Maar een volgende maal spookten wilde droomen door zijn ontsteld brein. In verbeelding bevond hij zich weer op 't schuttersveld en schoot bij ongeluk den vader der arme Tonia dood. Hij hoorde haar klagen en jammeren; hij zag hoe ze radeloos de handen wrong en hij wenschte, dat de grond zich onder hem opende en zich weer boven hem toesloot. Zijn vrienden stonden op eenigen afstand verrast en verschrikt toe te zien; ze meden en schuwden hem en de veldwachter trad op hem toe, deed hem de boeien aan en leidde hem weg om hem in verzekerde bewaring te brengen.
Ook de avontuurlijke tochten met Dronken Hannes doorleefde hij in verbeelding weer.
Eens verscheen hem in zijn koortsige droomen zijn goede vader, gebogen onder een zwaar pak, waarmee hij de klanten wilde bezoeken.
Hoe vermoeid en lusteloos zag die vroeger zoo krasse, moedige man er nu uit!
Hoe langzaam vorderde hij en wat leunde hij zwaar op zijn stok!
Steven kon het niet aanzien, dat hij zich zoo moest inspannen en poogde op te staan, bij hem te komen en 't pak van hem over te nemen, doch dit was hem geheel onmogelijk. Het was hem juist zoo, of hij door sterke armen werd vastgehouden.
Hij was plotseling zwaar ziek geworden en toen hij aan den hoek der ouderlijke woning was neergestort, hadden zijn vader en Tonia, die er 't huiswerk verrichtte, dit gehoord; ze waren ijlings toegeschoten en hadden hem te bed gebracht.
Dag en nacht moest er bij hem gewaakt worden. Zijn toestand was uiterst bedenkelijk en 't stond te vreezen, dat hij er nooit weer van zou opkomen.
XX.
Besluit.
Al stonden alle klokken in de wereld stil, toch bleef de tijd ongestoord zijn gang gaan; zoowel op 't kleinste dorpje als in de grootste wereldstad; zoowel in de poolstreken als onder den evenaar.
Alles ontwikkelt zich langzaam en geleidelijk tot zijn volle kracht en schoonheid. Dan gaat het weer kwijnen en sterven en plaats maken voor iets anders.
Alles werkt.
De poolrivier, tot op de bodem toe bevroren, moge ook al onbewegelijk schijnen, inderdaad wordt ze door de persing der hooger gelegen ijsmassa's en eigen zwaarte langs de hellende bedding voortgestuwd en in zee gedrongen, waar ze in den vorm van ijsbergen haar reis in de wereld vervolgt.
Over 't verleden heeft niemand macht. Alleen het heden levert ons een sport in de ladder, waarlangs we, al klimmend, vaak met veel moeite, onze bestemming bereiken.
Hoe geheimzinnig eenzaam verheft zich daar in de stille streek, met het groote, wildrijke bosch tot achtergrond het kasteel Heiterloo.
De paden die om 't kasteel en door 't bosch slingeren, zijn weer netjes geharkt, evenals in vervlogen tijden, toen daarover de schoone, levenslustige kinderen der adelijke bewoners in witte of wel kleurige sierlijke kleedjes, "als door feeënhand geknipt", zweefden en streefden.
Als die schoone, vroolijke jeugd hier nu verscheen, welk een eigenaardig contrast zou ze vormen met de twee jongelieden in hun eenvoudige kleederdracht, die hier zoo vertrouwelijk hand in hand voortgaan.
Toch is ook hun Zondagspak heel netjes; 't getuigt van een goeden smaak en zit hun als aan 't lijf gegoten.
't Zijn onze bekenden, Steven de Laat en Tonia van den nachtwacht.
Steven is van zijn gevaarlijke ziekte gelukkig hersteld. Hij heeft nu al gedurende twee jaren zijn vader in de nog steeds bloeiende zaak bijgestaan en in den laatsten tijd het reizen daarvoor geheel op zich genomen. Dat reizen gaat ook veel vlugger en gemakkelijker, dan in zijn vaders jongen tijd; de meeste plaatsen kan hij per trein of tram bereiken. Bovendien zijn tengevolge der nieuwe verkeersmiddelen, in verband met de uitbreiding der politiemacht, de wegen overal in ieder uur van den nacht te passeeren, zonder door roovers te worden bemoeilijkt.
Sinds eenige weken zijn Steven en Tonia getrouwd. Nu doen ze samen een uitstapje naar 't kasteel Heiterloo, dat voor Steven steeds zulk een groote aantrekkingskracht heeft bezeten. De adelijke familie vertoeft nog in 't buitenland en de tuinman, aan wien hij jaarlijks zaden levert, gaf hem gaarne toestemming, om met zijn jonge vrouw het schoone park te bezichtigen. Dat park, zoo keurig onderhouden, is dan ook een bezoek overwaard. Een aantal groote goudkarpers zwemmen troepsgewijs in de heldere vijvers. Waterleliën van verschillende kleuren vertoonen zich boven de oppervlakte, waarin perken met mooie zeldzame bloemen en sierheesters zich spiegelen.
Tonia, die nooit iets dergelijks zag, is één en al bewondering. Aan 't einde van één der vijvers, tusschen zeldzame struiken, welks kleurig loover blinkt in den zonneschijn, zijn twee groote ruiten aangebracht, de eene van rood en de andere van blauw glas.
De jonge vrouw staart door de eerste ruit en ziet nu alles in rooden schijn: het water, de bloemen, de struiken en boomen, de blauwe lucht en de vluchtige wolkjes, die er hier en daar langs zweven. Van verbazing slaat ze de handen samen. "Och, hoe verwonderlijk mooi is hier alles!" zegt ze.
"Kijk nu eens door 't blauwe glas!" zegt haar man, blijde dat zijn lieve vrouw zoo buitengewoon veel genot smaakt bij dit uitstapje.
Zij doet het en nu is alles mooi blauw.
Daar dicht bij op een hoogte staat een koepel, tot boven toe als omlijst met bloeiende rozen. De lucht is vervuld van de geuren der bloemen. In 't hoog geboomte daar achter zingen de vogels als om strijd.
In dien koepel zetten ze zich op de bank neder en genieten van 't bekoorlijk uitzicht. Dan gaan ze weer bewonderend voort over de breede, kronkelende wandelpaden, door hooge sierheesters aan 't gezicht onttrokken en na een bruggetje, over de gracht die de vijvers verbindt, te zijn gepasseerd, opent zich rechts een lange wandeling, met aan weerskanten een dichte haag van bloeiende rozen, die boven hun hoofden een sierlijk gewelf van geurige bloemen vormen.
"Och, hoe heerlijk!" zegt de jonge vrouw.
"Het mooiste komt nog!" zegt haar man. "Kom, gaan we den rozendoolhof eens zien!"
Ze treden er binnen en gaan bewonderend voort over de kronkelende paden, die een kunstig geheel, een doolhof vormen, waarin 't niet gemakkelijk is den weg te vinden. Maar hoe genoegelijk is 't hier, om te dolen! De paden zijn er aan weerszijden ingesloten door een dicht net van hooge rozenstruiken, die van onder tot boven vol bloemen zitten. 't Is er een bloemenwereld, die men meenen zou alleen in 't warm en zonnig Oosten te zullen vinden.
Na eenig zoeken bereiken ze 't midden, waar, tusschen zeldzame gewassen, rotswerken en leuke beeldengroepen te zien zijn. Aardige dwergen staan er gereed om ter jacht te gaan; ze blazen op horens, zijn met een of ander handwerk bezig of zitten rustig een pijp te rooken. Een vos speelt er voor barbier en staat er heel deftig met een ernstig gezicht een haas te scheren. Jonge hazen zitten er om rond en kijken nieuwsgierig toe. Men vindt er konijnen, kippen met een haan aan 't hoofd, kikvorschen en zoo al meer, alles in natuurlijke grootte.
Op een bank zetten zij zich neer, arm in arm, gelukkig in elkanders bezit.
De bloemen keeren hun kleurige kelken naar de zon; ze drinken als 't ware het reine licht en de koesterende warmte met volle teugen in. De lucht is geheel vervuld met haar zoete geuren. 't Is, als ademde men hier in een droomwereld.
Toen ons jeugdig paartje weer huiswaarts ging door de schoone, stille streek, zoo gelukkig als menschen maar wezen kunnen, breidde zich ook daarbuiten de wereld om hen heen uit in heerlijken zonneschijn. De vogels zongen hun mooiste lied; bonte vlinders zweefden rond en puurden geurigen nectar uit de bloemen, die als met kwistige hand voor hun voeten waren gestrooid.
Nog eens zien ze om naar het eeuwenoud gebouw.
De windvaan op den toren wijst naar 't zoele Zuiden en schittert hen tegen, als ware ze van een edel metaal gesmeed, "waar, goudener dan goud, het goud geen proef bij houdt."
EINDE.
Transcriber's Notes:
Het papieren boek accentueert sommige woorden met uitgebreidere letterafstand ("expanded letter-spacing"). In de 'platte-tekst'-versie wordt dit met underscores aangegeven:
_gespatieerde tekst_ → gespatieerde tekst
Bladzijdenummers zijn in de 'platte-tekst'-versie weggelaten. In de HTML-versie zijn ze wel zichtbaar, maar virtueel, wat het voordeel heeft dat u kunt zoeken op tekst-fragmenten zonder dat de bladzijde-nummers het zoeken hinderen.
Als u de weergave van de bladzijde-nummers wilt aanpassen, kijk dan met een tekstverwerker in het <style> blok naar de CSS-klassen [.pagenum] (voor bladzijde-nummers) en [.hyphen] voor afbreekstreepjes
Voor het gemak van de lezer is een lijst van illustraties toegevoegd na de inhoudsopgave (alleen in de "HTML"-versie).
Voor de hand liggende interpunctie fouten zijn gecorrigeerd maar worden hier verder niet genoemd.
Dit boek bevat een aantal zetfouten.
De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:
[sprak vrouw Verlaat.]
→ [sprak vrouw Verlaar.]
Ook al komt de achternaam "Verlaat" 1x voor, uit de context is op te maken dat dit "Verlaar" moet zijn.
[kleine tuschenpoozen]
→ [kleine tusschenpoozen]
[Hoe de kleine Steven zijn speelmaker verloor.]
→
[Hoe de kleine Steven zijn speelmakker verloor.] Staat in de inhoudsopgave goed, maar fout verderop in het boek.
[maar zelf zijn kleeren]
→ [maar zelfs zijn kleeren]
[toe ze den hun]
→ [toen ze den hun]
[hadden beooordeeld en ze]
→ [hadden beoordeeld en ze]
[bakkers Antoon is]
→ [bakker Antoon is]
"bakkers" is meervoud van "bakker" terwijl het hier maar één persoon betreft. Bovendien is verderop in de tekst sprake van "Antoon van den bakker" en ook is er een "bakker Joosten" waarin ook geen meervoud is gebruikt.
[was op somige plaatsen]
→ [was op sommige plaatsen]
[tevens vor de]
→ [tevens voor de]
[overal de opene plekken]
→ [overal de open plekken]
[die blijk-blijkbaar zijn]
→ [die blijkbaar zijn]
[stappen waren onstaan.]
→ [stappen waren ontstaan.]
[dat de Liefde de meeste is.]
→ [dat de Liefde de meester is.]
[XX. esluit.]
→ [XX. Besluit.]
Staat in de inhoudsopgave goed, maar fout verderop in het boek.
[is 't, hier om te]
→ [is 't hier, om te]
Mogelijke zetfouten die niet gecorrigeerd zijn:
[lekte de twee]
Deze schrijfwijze, "lekte", komt 2x voor, terwijl de hedendaagse schrijfwijze "likte" ook 1x voor komt. Dit is niet gecorrigeerd.
[Stins] / [Stint]
Beiden zijn achternamen voor dezelfde persoon en beiden komen 1x voor. Welke juist is, blijft onduidelijk, en daarom is dit niet gecorrigeerd.
[rojaal] en [rojaalsten]
Of deze spelling in 1916 gangbaar was, kon niet worden achterhaald.