EEN VERHAAL UIT DE BERKELSTREEK (continued 2)
Reading edition
"De weg is zeker eenzaam en op verschillende plaatsen zijn er aan weerskanten groote bosschen, waarin roovers zich heel gemakkelijk kunnen verschuilen, maar hetzelfde kan men zeggen van de meeste wegen hier in de streek," antwoordde De Laat, — want hij was het, tot wien de waard zijn waarschuwing richtte.
"En" — dus ging hij voort, — "de onveiligheid op de wegen is ook zoo groot niet meer, als men wel beweert. Geschiedenissen als die van Hutten Klaas behooren voor goed tot het verleden.
Ik, die op alle uren van den avond en soms in den nacht onder weg ben, heb tot nog toe altijd mijn reis kunnen vervolgen, zonder door iemand gehinderd te worden. Waarom zou ik dan van avond juist gevaar te duchten hebben?"
"Je sprak daar van Hutten Klaas," zei nu de kastelein nieuwsgierig. "Dien naam heb ik meer gehoord. Wie was dat ook?"
"'k Zal u in 't kort vertellen, wat ik van hem weet," antwoordde de zaadhandelaar.
"Omstreeks 1775 woonde in de Wienersteeg tusschen Delden en Goor de zeventigjarige Klaas Annink, die men gewoonlijk Hutten Klaas noemde. Zijn vrouw Aarne Aarnink was toen vier en vijftig jaar, hun zoon Jannes was een en twintig en hun jongste, Gerrit, dertien jaar oud.
Klaas werd door de heele buurt en ver daar buiten gevreesd en geschuwd. Men was te bang voor hem, om hem aan te klagen, zoodat hij zijn schelmstukken ongestraft kon uitvoeren. Hij en zijn huisgenooten stalen ganzen, eenden, kippen, boomvruchten, gevulde bijenkorven enz.
Zekere Pompen Herman, zooals men hem noemde, een neef van Klaas' vrouw, kwam dikwijls bij hen aan huis en maakte dan telkens weer aanmerkingen op hun gedrag. "Als de politie er achter komt, wachten jelui de vreeselijkste straffen," waarschuwde hij dan.
Ze werden bang, dat hij hen verraden zou en toen hij eens weer bij hun haard zat, zonder eenig kwaad vermoeden te hebben, sloegen zij hem dood. Zoo kon hij hen niet meer verklappen.
Op een keer traden twee slagers, de gebroeders De Leeuw, de onzalige woning binnen om hun pijp aan te steken en te zien, of ze er misschien ook een stuk vee zouden kunnen koopen.
Klaas merkte wel, dat ze een aardig sommetje geld bij zich hadden. "Ik moet geld hebben om den hooikoop op Langenhorst te betalen," riep hij met schorre stem en liep ijlings naar de deel.
De twee bezoekers vreesden, dat hij vandaar het een of ander moordtuig wilde gaan halen en vluchtten weg.
Zooals je weet, komen er nog telkens kooplieden, afkomstig uit het Oldenburgsche, naar Drente, Twente en de Graafschap, om er allerlei wollen goed: kousen, sokken, wanten enz. te verkoopen. Hun waar dragen zij in een mars op den rug; ze bieden die te koop aan de huizen en eveneens op jaarmarkten en kermissen.
Zulk een "Hozzenkramer" was ook zekere Willem Stint, die, wanneer hij de markten te Goor en te Delden bezocht, telkens bij Hutten Klaas zijn intrek nam. Dit deed hij ook, toen hij in 1775 van de Goorsche wintermarkt huiswaarts keerde. Hij had een aardige som geld bij zich. Het kamertje, waar hij logeerde, was naast de keuken. Toen hij zich ter rust wilde begeven, hoorde hij een onheilspellend gemompel tusschen Klaas en zijn vrouw. Hij kreeg daardoor argwaan en bleef gekleed en met zijn stevige stok in de vuist geklemd afwachten wat er gebeuren zou. En toen nu Klaas de deur opende om hem in den slaap het leven te benemen, werd hij door Stins overmand. Maar door 't gerucht en geschreeuw, dat hierdoor ontstond, werden de beide zoons gewekt en de oudste kwam zijn vader te hulp, terwijl de vrouw die twee aanhitste. Eenige oogenblikken later was nu de ongelukkige kramer een lijk.
De vader van dezen maakte er zich ongerust over, dat zijn zoon, die altijd gewoon was om met Kerstmis thuis te zijn, zelfs midden-Januari nog niet was teruggekeerd. Hij begaf zich derhalve op reis om hem te zoeken. Op een Zondagmiddag kwam hij in Delden, juist toen de kerk uitging. Tot zijn verbazing zag hij onder de kerkgangers een persoon, die een broek aan had juist gelijk aan die van zijn vermisten zoon.
Het was Hutten Klaas.
Hij deelde die ontdekking mede aan 't gerecht en dit gaf bevel om Klaas en de zijnen te arresteeren. De vrees voor deze onmenschen was echter zoo groot, dat niemand er zich toe leenen wilde om hen in hun eigen huis te vatten.
Daar Klaas een trouw kerkganger was, werd de volgende Zondag afgewacht. Toen posteerden zich zes stevige boschjagers aan de kerkdeur en namen Klaas en Jannes gevangen.
Ook Aarne en Gerrit werden daarop in huis in verzekerde bewaring genomen. De gevangenen werden van elkaar gescheiden, om geen afspraken te kunnen houden. Zoo gelukte het, hen allen tot een volledige bekentenis te brengen. Ze werden naar Oldenzaal gevoerd en daar gekerkerd. In de Oudheidkamer aldaar bevindt zich nog de stoel, waarop Klaas werd vastgezet. 't Is een houten leuningstoel, — een lomp meubel, — met wijd uitstaande pooten om hem meer stevigheid te geven. Aan de leuningen en de pooten zijn ijzeren banden bevestigd, waarmee de moordenaar werd vastgezet. Klaas en Jannes werden geradbraakt en Aarne aan een paal geworgd. De jongste, Gerrit, werd met een schip den Oceaan opgestuurd, een middel dat eertijds veel werd aangewend bij jeugdige personen, van wie men voor de toekomst weinig goeds verwachtte."
"Nu, dat waren dan toch echte schurken!" zei de goedhartige waard huiverend. "Maar als je meent, dat de rooverstroep, die hier bij avond en ontijd gezien wordt, veel beter is, dan heb je het toch mis. Ik verzeker je, dat je 't niet in je hoofd zoudt krijgen om van avond de reis te vervolgen, als je hun boeventronies gezien hadt. Die kerels staan nergens voor en zouden ook niet voor een moord terugdeinzen.
En de politie staat tegenover die bandieten vrijwel machteloos. 't Moet al een groote plaats zijn, waar men meer dan één veldwachter heeft en die blijft natuurlijk, als hij eenigszins kan, bij avond en nacht in 't dorp waar hij thuis hoort, wat hem ook niet kwalijk te nemen is. Ik zou in zijn geval niet anders handelen: het hemd is nader dan de rok. Buiten de bewoonde plaatsen is 't niet veilig. Nog de vorige week is de slager Simons een goede tien minuten gaans van hier staande gehouden door een persoon, die hem op een brutalen toon vroeg, hoe laat het was. Maar Simons is een reus van een vent. Hij zwaaide den aanrander met zijn geducht slagersmes vlak voor 't gezicht heen en riep dreigend: "Zoo laat is 't!" en de boef uitte een kreet van ontzetting en vluchtte als een bloode haas het hout in."
"'t Zou al een stoere vent moeten zijn, die mij den baas werd!" sprak de zaadhandelaar bedaard en hij toonde zijn dikken stok met looden knop. "En als 't op een snijpartij mocht uitloopen," hervatte hij, "dan kan ik ook wel mijn man staan!"
Dit zeggende haalde hij uit een broekzak een vervaarlijk schedemes te voorschijn. "Je ziet, ik ben op een nachtelijke ontmoeting met dat rooversgespuis voorbereid en zal 't er maar op wagen. 'k Zou morgen gaarne bijtijds weer in huis terug zijn om er de zaken te regelen."
Hij betaalde de vertering en nam afscheid.
De waard sloot de deur achter hem dicht en blies het licht uit.
Zoo stond hij dan geheel alleen te midden van een oneindige, in nachtelijk donker gehulde ruimte.
't Was er angstwekkend stil. Geen vogel zong.
Alleen 't schor geblaf van een wachthond op een verwijderd boerenerf verbrak bij poozen 't algemeen zwijgen.
Zoo stil en snel mogelijk poogde hij voort te gaan, maar tot zijn spijt kwam 't hem voor, of zijn voetstappen op de steenen nu veel meer gerucht maakten dan anders.
Toch achtte hij 't veiliger het midden van de straat te houden, dan er nevens te gaan over den graszoom, waar hij door iemand, die in 't hout verborgen op hem loerde, onverhoeds kon worden overvallen.
Hij stapte een goede tien minuten vlug voort en lette onderwijl scherp op alles, wat er om hem heen bespeurd werd. Zoo bereikte hij 't punt, waar de weg tusschen dichte dennenbosschen voortloopt. Hier was 't erg donker, maar de oogen van De Laat waren daaraan gewoon geraakt. Een eenzamer plek was er echter moeilijk te bedenken. Niet alleen zijn voetstappen maar zelfs zijn kleeren maakten nu, naar hij zich verbeeldde, een verwonderlijk groot gerucht.
Nog niet lang was hij zoo voortgegaan, toen hij eensklaps ter zijde van den weg eenig gerucht hoorde, dat hem uiterst verdacht voorkwam. Starend keek hij in die richting en zag nu uit het hout een persoon te voorschijn treden en regelrecht op hem aankomen. "Goeien avond!" zeide hij barsch.
"Ook goeien avond!" zei De Laat zoo mogelijk nog barscher en stapte voort.
Doch de ander trad hem op zijde en vroeg: "Waar gaat dat zoo laat in den avond nog naar toe, vriend?"
"Naar huis, man! — Waarom vraag je dat zoo?"
"Ja, zie je, 'k moet je in dat geval waarschuwen! 't Is hier in de streek verschrikkelijk onveilig. En je hebt, als ik me niet vergis, een aardig sommetje geld bij je. Geef mij dat zoolang in bewaring: ik ken hier den weg en zal zorgen, dat het me niet afhandig gemaakt wordt!"
"Maak je maar niet ongerust: ik kan er zelf wel voor zorgen en 'k zal het doen ook, wees daar zeker van!"
"Dat kunt ge niet!" verzekerde de ander.
"Probeeren is 't naaste!" zei De Laat met een forsche stem. "Hier is mijn geld! We willen er om vechten!"
Hij wierp den zak, gevuld met rinkelende geldstukken, vóór zich op straat.
De ander bukte om dien te grijpen en er zich dan snel mee uit de voeten te maken, doch De Laat zwaaide nu zijn geduchten stok, zoodat die gonsde door de lucht en met een doffen slag op 't hoofd van den aanrander neerkwam. Deze zakte in de knieën en viel daarop kreunend met een smak op de straatsteenen.
De Laat greep weer zijn zak met geld en snelde terug, overtuigd dat zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte.
In ijlende vaart voorthollend, hoorde hij van verschillende kanten een doordringend gefluit, dat hem weinig goeds voorspelde. Gelukkig bereikte hij weer de uitspanning, die hij kort geleden verlaten had. Hij klopte er aan en riep dringend: "Doe in 's hemels naam vlug open!"
De waard was blijkbaar op dezen afloop bedacht geweest. Oogenblikkelijk opende hij de deur en sloot die terstond weer achter hem dicht.
"We steken geen licht aan; we blijven hier in 't duister bij elkaar zitten, in afwachting van wat er verder gebeuren zal," zeide hij.
Nog nauwelijks waren ze gezeten, of ze hoorden daar buiten een geloop en gedraaf als van een troep jonge veulens.
Er volgde een bonzend kloppen op de deur en toen riep er één met een grove stem op een kommandotoon:
"Kastelein, doe gauw open! We moeten er in!"
"Hei daar! — Wie maakt daar in 't holle van den nacht zoo'n helsch leven?" riep de waard met een stem, alsof hij geducht boos was, omdat men hem uit zijn eersten slaap had doen opschrikken.
"Goed volk! Doe maar gauw open!" riep de stem van buiten terug.
"Jelui hadden maar vroeg moeten komen. Bij nacht laat ik niemand binnen: ik heb ook tijd om te slapen noodig."
"Kom, maak maar geen uitvluchten: je herbergt een koopman en dien moeten we noodzakelijk spreken!"
"Jelui hebben abuis. Een drie kwartier geleden is hier wel een koopman geweest, maar die is, na 't noodige gebruikt te hebben, weer verder gereisd. 'k Heb toen terstond het licht uitgebluscht en ben onder de dekens gekropen en ben ook niet van plan voor morgenvroeg weer op te staan. 't Is voor mij en mijn huisgenooten vandaag zwaar werken geweest!"
Er volgde een gemompel van dreigende stemmen, met nu en dan een ruwen vloek of een ijselijke verwensching er tusschen.
Maar welhaast dropen ze af, om in de buurt naar den vluchteling te zoeken.
VIII.
De kleine Steven bezoekt het kasteel Heiterloo en raakt leelijk in de klem.
Nu 't speenvarkentje er niet meer was om hem den tijd te korten en Bles het grootste gedeelte van den dag in de weide liep te grazen, vond Steven het in 't groote huis erg eenzaam en stil. Moeder had het meestal te druk met allerlei huiswerk om zich veel met hem bezig te houden en als ze daarmee gereed was, ging ze voor 't spinnewiel zitten en spon soms nog tot laat in den avond. 't Gesnor van 't wiel en 't eentonig getik der oude huisklok waren juist geen aangename muziek.
De knaap liep dan ook, als er geen school was, meestal het huis uit en speelde met zijn makkers op straat, of zag toe bij den arbeid der handwerkslieden. Soms dwaalde hij verder af naar de boerenhoeven in de streek en bewonderde er de paarden, koeien, schapen, varkens en kippen.
Tegen etenstijd zorgde hij echter weer thuis te zijn, want hij had een grage maag.
Maar 's avonds kwam hij wel eens na zonsondergang weer terug. Het zwervende leven, dat zijn vader leidde, scheen ook hij recht aangenaam te vinden.
Kleidorp is betrekkelijk laag gelegen. Ofschoon de Berkel met haar zijtak de Bolksbeek op vrij grooten afstand er van voortstroomt, toch heeft het water van deze laatste eertijds gespoeld tot aan den zoom der geringe verheffing, waarop het plaatsje gelegen is en er aan die zijde een laag klei gevormd, die de voormalige moerasgronden in uitmuntende weiden herschiep.
Op een schoonen voorjaarsnamiddag ging Steven door 't eenzaam, maar mooi, houtrijk landschap. De witte bloemschermen der lijsterbessenboschjes tusschen 't frisch-groen kreupelhout verspreidden hun sterken, zoeten geur en op verschillende plaatsen waren de kanten van den weg getooid met bloeiende bremstruiken. Leeuweriken zweefden kwinkeleerend boven zijn hoofd, zóó hoog, als wilden ze opstijgen naar de zon, die als een groote, stralende bol aan 't blauwe ruim stond te flonkeren. Ze verdwenen ten slotte geheel uit het gezicht, maar ook dan nog was hun liefelijk gezang te hooren.
Hier en daar zong nog een nachtegaal in 't frischgroen gebladerte. De lijsters beproefden hem zijn slag na te doen, doch 't was een vruchteloos pogen.
Het mooie weer en de schoone natuur lokten Steven al verder van huis, in de richting van 't kasteel Heiterloo, dat hem een slot geleek uit een verrukkelijk tooversprookje.
Nergens werd er een tochtje bespeurd. Toch waren de bladeren der populieren langs de breede slooten, die heel mooi in 't zonlicht blonken, voortdurend in een schommelende beweging en ze ritselden onophoudelijk.
De knaap vond het hier een vreemde wereld. In de weiden liepen groote troepen ganzen te grazen. Ze kwamen brutaal, met geheven vleugels, op hem af, alsof ze hem zóó wilden aanvliegen. Hun schril geroep was tot op grooten afstand te hooren.
De boeren in lage streken hielden eertijds groote troepen ganzen om 't voordeel, dat ze gaven. De groote slagpennen werden vrij algemeen als schrijfpennen gebruikt; stalen pennen waren nog zeldzaam. De fijne veeren werden ieder jaar uit de huid van deze vogels geplukt; ze dienden voor dons in kussens en bedden en waren zeer kostbaar.
Groote troepen ganzen werden er naar de naburige markten gedreven en er voor goed geld verkocht om geslacht te worden.
Steven keek op naar 't hoog, oud-vaderlijk kasteel op eenigen afstand, te midden van eeuwenoude, statige eiken, die er trotsche lanen vormden.
De vergulde windvaan op de spits fonkelde in de zon, als ware hij van 't fijnste goud.
Hoe klein was de afstand, die hem nu scheidde van dit tooveroord. Sinds lang reeds had deze plaats hem aangetrokken en rijke stof geleverd voor zijn kinderlijke droomen.
De ganzen staken de koppen met gerekte halzen naar hem uit en 't scheen den knaap toe, dat ze die halzen zoo lang konden maken als ze zelf wilden; de vleugels bewogen ze aldoor op en neer en ze keken hem zoo brutaal aan, alsof ze vragen wilden: "Wat kom je hier doen?"
Steven geleek intusschen in moed op zijn vader. Rustig bleef hij leunen over 't getuinde hek, dat den toegang afsloot en naar de hem nog onbekende dieren zien. Deze begonnen dan ook, toen ze den hun vreemden knaap nauwkeurig beschouwd en niets bijzonders aan hem opgemerkt hadden, weer ijverig te grazen en dat was ook 't verstandigste, dat ze doen konden.
In een naburige sloot klonk nu 't gejoel en gelach van eenige opgeschoten jongens, — schoolmakkers van Steven.
"Wat zouden die daar uitvoeren?" dacht hij.
"Dat moet ik toch eens zien!"
Hij poogde 't getuinde hek, dat den toegang tot de weide afsloot, te openen, doch 't was te zwaar. Gelukkig zaten op één plaats de stokken, waaruit het gevlochten was, zoover van elkaar, dat hij er doorheen kon kruipen. Dit deed hij ook en zoo kwam hij bij zijn schoolmakkers, — kinderen van behoeftige daglooners, — die met bloote beenen in de sloot rondspringen en 't water troebel maakten.
"Kom je ook bloedzuigers vangen?" vroegen ze.
"Wat zijn dat voor beesten?" vroeg Steven.
"Hu!" riep nu één der knapen, "daar voel ik er één!"
Hij tilde 't been uit het water op, pakte 't diertje, dat er zich aan vastgezogen had, beet en deed het in een flesch met water, die op den kant lag.
"'k Heb er ook één!" riep nu een andere knaap, die wat verder de sloot troebel maakte. En toen ook hij het been uit het water trok, zat er eveneens een bloedzuiger aan vast gezogen. "Och," zei hij toen teleurgesteld, "die deugt niet!" Toen wierp hij hem weer in 't water.
"Waarom is die niet goed?" vroeg Steven verwonderd.
"Dat weet ik ook niet," zei de ander, "maar de dokter wil alleen bloedzuigers koopen, die drie roode strepen over den rug hebben; voor deze geeft hij een dubbeltje per stuk."
"Wat doet de dokter met die diertjes?" vroeg Steven weer.
"Menschen, die teveel of onzuiver bloed hebben, wordt wel eens wat bloed afgetapt," antwoordde de jongen heel wijs. "Daarvoor moet men hun een ader openen. Maar onze dokter vindt het gemakkelijker en beter om bloedzuigers te zetten. Die zuigen 't bloed op en als men ze weg neemt, is 't werkje afgeloopen."
Steven nam de flesch met water, waarin de gevangen beestjes rondkropen. Hij bekeek ze een poosje en zei: "Rare dieren! Ze lijken vrij veel op jonge kikvorschen maar hebben niet zoo'n dikken kop. 'k Zou niet graag hebben, dat de dokter er één op mijn armen of beenen zette, om daaruit bloed te zuigen."
"Pijn doet het niet: je voelt er maar weinig van," verzekerde een der knapen en ging daarop weer, evenals zijn makkers, ploeteren in 't troebele water, zoodat het hoog opspatte.
Toen hij weer op de plaats kwam, waar Steven op den kant stond toe te zien, hield hij nog even op om te vragen: "Zeg, heb je verleden Zondag mijn nieuwe pet wel gezien?"
"Die met dien kwast er boven aan?" vroeg Steven.
"Juist."
"Jawel! 't Is een heele mooie!"
"Nu, die kocht ik voor 't geld, dat ik met het vangen van bloedzuigers verdiend heb. Als er van 't najaar veel eikels zijn, ga ik die zoeken onder de boomen bij 't kasteel en verkoop ze aan de boeren. Zoo verdien ik alweer wat. "Alle beetjes helpen!" zegt vader."
't Verwonderde Steven, dat kinderen van behoeftige menschen zooveel moeite moesten doen om eenige stuivers te verdienen. Hij vroeg daarom: "En hoeveel verdient je vader wel, als hij de boeren een dag helpt arbeiden?"
"'s Winters een paar dubbeltjes en 's zomers dertig cent. En aardappels en boonen verbouwen we zelf genoeg op onzen akker," antwoordde de knaap en ging weer ijverig voort met zijn werk.
"Hoe weinig verdienen die menschen toch met hard werken!" dacht Steven en hij liet de dubbeltjes en de centen, die hij zoo maar los in zijn broekzak bewaarde, door de hand glijden. Hij versnoepte in één dag wel eens evenveel, als zoo'n daglooner in denzelfden tijd verdiende. Was zijn toestand zooveel gunstiger dan die van velen zijner makkers?
Dit vond hij niet onwaarschijnlijk.
't Was drukkend warm. Geen tochtje bracht verkoeling aan. Niettemin bleven de ganzen, al voortwaggelend, ijverig 't gras afbijten.
De koeien in de naburige weiden hadden echter de schaduw der populieren en wilgen en van 't elzen kreupelhout langs de slootkanten opgezocht en lagen er rustig te herkauwen.
Hoe mooi groen waren nu die rijk met bloemen getooide weiden, waarover de bonte vlinders rondvlogen. En ze strekten zich te ééner zijde zoover uit, als kwam er nooit een eind aan. Naar 't Noorden reikten ze tot bij 't bosch van 't kasteel Heiterloo.
Verleidelijk blonken de leien van 't hooge dak en den slanken toren hem tegen. En de fonkelende windvaan op de spits scheen hem verlokkend toe te wenken.
Steven was er nu zoo dicht in de buurt gekomen, dat hij den lust geen weerstand kon bieden om er heen te gaan en 't eens van nabij te bezien. Haastig stapte hij voort over 't zoogenaamde kerkpad, dat door de weiden voerde en, daar 't over den moerasgrond liep, op sommige plaatsen onder zijn voeten borrelde en ruischte.
Hoe verbazend warm was het op 't onbeschaduwde pad. Het zweet liep hem met stralen van 't gezicht. Maar welhaast bereikte hij 't smal bruggetje over de beek, dat hem de gelegenheid bood om den overkant te bereiken en eenige minuten later stond hij onder 't lommer der statige laan, die om den grooten bloemen-, groenten- en vruchtentuin en om 't kasteel zelf voerde.
Hoe netjes waren de randen der paden met een scherpe spade afgestoken! De paden zelf waren keurig geharkt en nog geen enkele voetstap stond er in de fijne, regelmatige strepen afgeteekend. Doch hazen en konijnen hadden er hier en daar hun sporen achtergelaten.
't Was hier ongewoon rustig en heerlijk koel. Lijsters en nachtegalen zongen als om strijd en ook de andere vogels taterden en snaterden lieflijk en luid.
Hoeveel netter was 't hier dan in 't dorp met de mestvaalten en vuile riolen aan weerszijden van de straat en de bouwvallige huizen daar achter, voor 't meerendeel grauw en verweerd!
Hij hoorde in den tuin vroolijke kinderstemmen. Maar deze was door een breede, diepe gracht omringd en er achter verhief zich een hooge houten schutting, zoodat de knaap niet zien kon, hoe 't er daar binnen uitzag en wat er voorviel.
Een poos stond hij schier ademloos te luisteren. Zijn hart klopte hoorbaar. Hoe vrijmoedig hij anders ook was, toch vreesde hij hier, zoo ver van huis en in een vreemde streek, zich op verboden terrein te bevinden. Dit was echter niet het geval. Als de menschen, die er in de streek woonden, naar het drie kwartier gaans verwijderde dorp moesten, passeerden ze deze laan en kozen verder denzelfden weg, dien Steven gegaan was om hier te komen. Dicht in de buurt, ter linkerzijde, lag een boerderij, tevens uitspanning en tolhuis. Er was namelijk door den eigenaar van 't kasteel een harde weg aangelegd, waarover men den grooten rijksweg kon bereiken. Wanneer de boeren van dezen kunstweg gebruik wilden maken, moesten ze voor paard en wagen een halven stuiver tolgeld betalen. Die halve stuiver had toentertijd ongeveer de waarde, die thans een dubbeltje heeft. Kochten de lui echter een borrel van vijf centen, dan werd hun het tolgeld geschonken.
Steven mocht ook al huiverig zijn om hier lang te vertoeven, toch was bij hem de nieuwsgierigheid sterker dan de vrees.
Hij keek omhoog langs de dikke boomstammen.
"Als ik in zoo'n boom zat," dacht hij, "dan zou ik alles kunnen zien."
Hij beproefde de boomen te omvademen, maar kon dit niet. Toen ging hij een weinig dieper de laan in en zag nu een dikken, knoestigen stam, waarlangs hij zonder veel moeite opklom. Eenige oogenblikken later zat hij schrijlings op één der dikke, benedenste takken en had nu een vrij uitzicht op den tuin en ook op 't kasteel.
Dat was eerst een prachtige tuin; een echt Wonderland! Aan zijn opgetogen blikken vertoonden zich groote perken met mooie, kleurige bloemen. Op andere perken stonden sierstruiken, die nog haast mooier waren.
Doch 't heerlijkst van al vond hij de perken met bessenstruiken, die vol rijpe trossen zaten, en de breede randen met aardbeiplanten, vol groote, rijpe vruchten, langs de wandelpaden en de boomen vol rijpe kersen. Vlak bij 't kasteel waren groote broeikassen, waaruit hem ook al rijpe vruchten tegenblonken.
Die tuin was een waar Luilekkerland.
En hoe hoog waren die met klimplanten begroeide muren van 't kasteel, loodrecht oprijzend uit de gracht. Druivenboompjes omslingerden met hun frisch groen de vensters en den ronden boog der deur.
De ramen waren met de warmte opengeschoven en voor een dezer zat een dame te lezen uit een fraai gebonden boek, verguld op de snede. Ze was geheel in 't wit gekleed. Vroolijke kinderen, eveneens in witte kleederen, speelden op 't groote, frischgroene grasperk. Ze schenen den knaap wezens toe uit een andere, betere wereld, die met de boerenkinderen uit zijn omgeving, — zijn schoolmakkers, — maar zeer weinig gemeen hadden en deze in schoonheid onbeschrijfelijk ver te boven gingen.
Hoe wenschte hij, deel te mogen nemen aan hun spelen en steeds met hen te mogen verkeeren. Maar hij begreep tot zijn groote droefheid, dat hij veel beter voegde bij de boerenkinderen, dan bij hen, om zijn kleeding, zijn spraak, zijn manieren en levenswijs.
Terwijl hij daar zoo zat te peinzen, hoorde hij eensklaps een geluid, alsof er heel in de verte een kanonschot gelost werd. En toen hij naar dien kant uitkeek, zag hij de dalende zon achter een donkere wolk schuil gaan.
Een killen schrik ging hem door de leden.
Hij begreep nu eerst recht het verlatene van zijn toestand. De avond viel, er kwam een dreigend onweer opzetten en hij was alleen en zoo ver van huis.
Er kwam al beweging in de hooge boomtoppen; kikvorschen begonnen in de slooten te kwaken en met het schuilgaan der zon kwam er een schemering over het kort te voren nog zoo licht en zonnig landschap. Overigens heerschte overal nog een diepe stilte, slechts nu en dan afgebroken door 't dof gerommel van 't naderend onweer uit de verte.
Er was iets vreemds, iets sombers gekomen over de laan, waarin hij zich bevond, die hem kort te voren nog zoo mooi, zoo heerlijk had toegeschenen en waar hij zulk een uitnemende beschutting had gevonden voor de felle zonnestralen.
't Leek hem toe, dat het plotseling avond geworden was en hij groot gevaar liep om den nacht buiten in 't donker te moeten doorbrengen.
Er was iets vreemds, iets onbeschrijfelijk sombers gekomen over de groene velden met ruischend graan; over de bloeiende weiden en de zoo even nog glanzende boomen van de streek, die hij uit zijn verheven zitplaats overzien kon.
Drukkender dan ooit was intusschen de warmte, angstwekkend de stilte. Door die stilte heen meende hij een onheilspellend ruischen te hooren, heel ver verwijderd, ja, maar dat aldoor duidelijker werd, onrustbarend snel naderde en de geheele ruimte vulde.
Ook in 't kasteel had men de naderende bui bespeurd.
De schoone dame toch riep de stoeiende jongeluitjes toe, dat ze binnen moesten, komen, want dat er een geducht onweer kwam opzetten.
Eenige oogenblikken later waren nu allen in 't groote kasteel verdwenen; de ramen werden er dicht geschoven; alles werd er stil en eenzaam en Steven bevond zich daar onder die hooge boomen en te midden van die vreemde, oneindige wereld moederziel alleen. De arme jongen wist niet, dat hier dicht in de buurt de hoeve was van boer Jansen, een vriend zijner ouders, dien ook hij zeer goed kende, omdat hij haast iederen Zondag, na kerktijd, bij moeder De Laat een kop koffie kwam drinken. In tien minuten zou Steven die gastvrije woning hebben kunnen bereiken. De boer, of anders een zijner huisgenooten, zou hem, als 't onweer geëindigd was, met genoegen weer hebben thuis gebracht.
Doch Steven wist dit niet. Hij snelde daarom de laan uit, die hem nu in hooge mate angstwekkend toescheen en verwijderde zich zoo snel mogelijk van deze voor hem geheimzinnige plaats. Hij holde 't bruggetje over, waaronder het water van de beek traag voortvloeide naar de rivier en met deze langs drukke steden, vroolijke dorpen, donkere bosschen, bloeiende heiden, korenlanden en weiden naar de groote zee in 't verschiet.
Steven vroeg zich niet af, vanwaar dit water op zijn rusteloozen tocht door de ruimte kwam en waarheen het nu ging. Hij lette evenmin op de visschen, die met de warmte aan de oppervlakte stonden en hem met hun groote oogen als verwonderd aanstaarden. Hij liep voort, alsof zijn leven afhing van den spoed, dien hij maakte. Angstig zag hij telkens weer om naar de bui, die met verbazende snelheid kwam aanzetten.
Een onweer, zooals slechts enkele stokoude ingezetenen er ooit een hadden bijgewoond, brak boven 't kasteel en den omtrek los. Wolken, angstwekkend donker en dreigend, met helkleurige banen als doorstreept, naderden in ijzingwekkende vaart en bedekten alras naar drie zijden de gansche lucht. De saamgepakte wolkgevaarten rolden en buitelden over elkaar, joegen in woeste vaart in kringen rond en ze dreven niet, maar vlogen, als voortgegeeseld door een wervelstorm. Bliksemflitsen schoten door die donkere wolkenbergen heen met oogenverblindende schittering; krakende donderslagen deden telkens weer den grond dreunen en sloegen den anders zoo moedigen knaap in zijn verlaten toestand met een killen schrik. Groote, donkere stukken werden daar omhoog door den storm van de groote wolk afgescheurd en aan flarden uiteen gerukt. Toch was de bui nog niet boven hem.
Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die rustelooze loovers der populieren!
Daar stak eensklaps ook waar de knaap zich bevond de wind op. Hij loeide en gierde; de boomen bruisten; 't was een gerucht, dat hooren en zien deed vergaan en een luchtpersing die den doodelijk vermoeiden knaap, al loopende, schier den adem benam.
Daar werd zijn vaart eensklaps gestuit door het getuinde hek, dat den ingang afsloot. Ook nu poogde hij, door de opening te kruipen, die hem ruim een uur geleden een doorgang had verschaft. De spoed, dien hij maakte, was echter oorzaak dat hij er in beklemd raakte. Zij kin zat vast tegen zijn knie gedrukt en hoe hij zich ook inspande, hij kon voor- noch achteruit, evenmin als een boef, die in de boeien is kromgesloten.
En daar barstte nu vlak boven hem de bui met ongekende hevigheid los.
De bliksem schitterde; de donder ratelde met korte tusschenpoozen. Stukken ijs ter grootte van een duivenei of nog grooter vielen bij stroomen al kletterend naar beneden. Ze kwamen met zulk een kracht tegen den grond, dat ze herhaaldelijk weer hoog opsprongen en een wilden dans uitvoerden. En die stukken waren niet rond, zooals gewone hagelkorrels, maar zeer onregelmatig van vorm, met scherpe hoeken, alsof er door een vreeselijke kracht een zware ijsbank boven in de lucht was in stukken gebeukt.
De koeien, door de pijn als dol, galoppeerden in de naburige weide met geheven staarten woest heen en weer. De ganzen staken de koppen in de veeren. Steven moest dien kouden zilveren stroom maar op zich laten neerkomen, evenals de gierigaard uit het sprookje, die den wenschring geroofd had en honderdduizend rijksdaalders wenschte te hebben. Die werd jammerlijk gedood door den stroom van op hem neêrvallende geldstukken.
De angst van den armen knaap was onbeschrijfelijk. Hij huilde, hij kermde, hij riep om vader en moeder, maar zijn stem werd door 't gebulder van den storm, 't geklater van den ijsstroom en 't ontzaglijk geratel van den donder geheel verdoofd. En hoe meer pogingen hij deed om zich los te werken, hoe vaster hij tusschen de stokken van 't hek beklemd raakte.
De bui trok eindelijk af en toen lagen de veldvruchten in de streek, waar ze gewoed had, vernield tegen den grond.
Vogels, die een uur te voren nog lustig gezongen hadden, lagen nu dood onder de boomen, tusschen het stuk gehagelde, afgewaaide loover, dat overal de wegen bedekte.
De wagensporen en andere lage plaatsen waren opgevuld met groote brokken ijs, en ofschoon 't in den zomer was, lagen zij er den anderen dag nog.
De zon was intusschen ondergegaan. Het werd avond en Steven zat nog steeds gevangen en zijn angstgeschrei en zijn geroep om hulp bleven maar altijd vruchteloos.
Zou hij hier den heelen nacht zoo moeten blijven zitten?
IX.
Hoe Dronken Teunis uit visschen ging en wat hij thuis bracht.
Teunis Vlak, gewoonlijk dronken Teunis genoemd, zat op den drukkend-warmen namiddag, in 't vorige hoofdstuk vermeld, in zijn hut voor 't klein, vierkant raampje en keek belangstellend uit naar 't bed met bloeiende Duizendschoonen, die hij met veel zorg had gekweekt op een perkje in 't midden van 't stukje grasgrond vóór zijn deur.
Een dagloonersvrouw uit de buurt, moeder Bremer, die medelijden had met den eenzamen man, had hem zaad gegeven en uit dankbaarheid had hij dezen morgen een hoekje grond voor haar omgespit. "Je bent menschen, die ook moet tobben en sloven om van den eenen dag tot den anderen te komen en voor wat hoort wat," had hij gezegd.
Maar met zijn dik, log lichaam en bij die groote warmte was hem dit ongewoon werk uiterst moeilijk gevallen, temeer daar hij zijn pijekker niet had kunnen uittrekken om den haveloozen, vervuilden toestand zijner overige plunje.
Hij was zeer blij geweest, toen tegen den middag het werk was afgeloopen. De vrouw had hem op een maal aardappelen en een stukje spek vergast en daaraan had hij zich recht tegoed gedaan. En nu zat hij in zijn hut van de vermoeienis wat uit te rusten en van 't vriendelijk uitzicht te genieten.
De oude stoel, — de éénige die hij rijk was, — kraakte onder zijn gewicht, zoo vaak hij zich maar even bewoog. Zijn beenen lagen gestrekt over 't worteleinde van een afgezaagden eikenstam, die hem voor tafel diende.
"'t Lijkt wel niet heel netjes, zoo met de beenen op tafel te zitten," zeide hij bij zich zelf. "'k Doe juist zoo als de boer, wiens dochter als keukenmeid bij een groot heer diende en die hem bij zijn bezoek op lekkere kluifjes onthaalde. "Leg de beenen maar op tafel, vader!" zei de dienstmaagd en de man, die moe was van 't loopen, strekte ook zijn beslijkte beenen over de tafel uit; hahaha!"
Hij lachte zoo, dat zijn dikke buik er van schudde. De vergissing van dien boer vond hij erg komiek.
"Ik zit hier toch wel gemakkelijk," — dus ging hij, in zich zelf sprekende, voort. "'k Zit hier juist zoo, of 'k van mijn renten leef! Voor rentenier heb ik werkelijk heel veel aanleg. Hoe jammer toch dat vader Adam, toen hij nog in 't Paradijs en derhalve in goeden doen was, vergeten heeft om één gulden voor mij op de spaarbank te beleggen, rente op rente! Als hij dit gedaan had, zou ik nu wijd en breed millionair zijn geweest. Nu is 't voor mij: "Adam, gij moet werken!" En aan werken heb ik een broertje dood. 'k Begrijp niet, hoe de menschen 't bij zoo'n hitte een heelen dag volhouden! Toch zal ik op de eene of andere wijze moeten pogen om wat te verdienen. Van 't leegloopen kan de schoorsteen niet rooken. Haha!" lachte hij weer, "al had ik ook volop te koken, te bakken en te braden, toch zou er een zware wijs opgaan om mijn schoorsteen, die er niet is, aan 't rooken te krijgen. 't Is hier een naar, duf hol; erg vervelend om er alleen te wonen. Maar als ik hier een vrouw en een half dozijn schreeuwende kleuters om mij heen had, zou er toch rijkelijk veel leven in de brouwerij zijn, dunkt me zoo. Maar 'k zit me hier anders erg te versuffen. Die grauwe leemen wanden, die zoldering van stroo, die vloer van zand, waarin de stoel telkens wegzakt, zijn allesbehalve geschikt om iemands leven te veraangenamen. 'k Heb al heel wat buitelingen gemaakt met dien stoel en vrees nog eens mijn nek er mee te zullen breken.
Maar hoe ik mijn toestand zou kunnen verbeteren, weet ik niet. Voor straat- of struikroover mis ik de noodige vereischten. Die kerels zouden zich niet ontzien om een moord te plegen. Ze wilden me dwingen om te zeggen wie hun kameraad een groot gat in 't hoofd had geslagen, natuurlijk om hem later te dooden, want de schelmen staan voor niets. Doch ik hield mij onnoozel. 'k Zei maar, dat ik in een droge sloot achter 't elzen hakhout had verborgen gezeten, toen er twee personen waren voorbij gekomen, van wie de één den ander verteld had, dat hij naar D. ging en met een aardige som geld in den buidel hoopte terug te komen.
Neen, met dat boevengespuis wil ik in 't vervolg niets meer te maken hebben. Maar de gebraden duiven vliegen me hier ook niet in den mond, dat is zeker! 't Best zal zijn, dat ik met den hengel wat ga visschen. Welbezien is het toch alles maar begonnen om de hap-hap-hap en de snap-snap-snap. Jan Blom zei laatst: hij nam 't zijn vader erg kwalijk, dat die hem het eten geleerd had, omdat hij nu van den morgen tot den avond moest sloven en zwoegen om een schraal kostje te winnen. 't Is een oolijke grappenmaker, die Jan, doch dat aldoor werken in 't land zou mij toch op den duur niet bevallen. 't Is vrij wat gemakkelijker om, zooals ik, met visschen en wildstroopen, of, als 't niet anders kan, met bedelen aan den kost te komen. Maar komaan! Laat ik den tijd en de gelegenheid te baat nemen en geen gras laten groeien over 't plan om te gaan visschen. 'k Denk haast, dat de visch met dit warme weer wel zal willen bijten."
Met een vlugge beweging poogde hij op te staan. Ongelukkig kwam zijn log lichaam nu grootendeels op de ééne zijde van den wrakken stoel te rusten. De poot brak en onze Teunis werd zandruiter.
{Illustratie: Hoe onheilspellend ruischten en klaterden echter die rustelooze loovers der populieren! (Pag. 74).}

"Daar heb je 't al," bromde hij, terwijl hij steunend en kreunend overeind scharrelde. "'t Is hier toch allemaal terdege goed spul van 't jaar nul. 't Ergste is, dat ik nu geen stoel meer heb: in 't vervolg zal ik op de tafel moeten zitten."
Hij sloeg met de vlakke hand het zand van zijn pijekker, ging toen naar een hoek van 't vertrek, nam een bierflesch met wormen om tot aas voor de visschen te dienen en stak die in den zak. Vervolgens stak hij een paar angels bij zich en stapte heel deftig naar buiten. De wrakke deur trok hij achter zich toe, terwijl hij bromde:
"Waar niets is, heeft zelfs de keizer zijn recht verloren. 't Is daarom ook geheel onnoodig, mijn deur te sluiten."
Daarop spoedde hij zich langs zijwegen en paden naar de lage streek, ten Westen van 't dorp, waar de meeste slooten waren en er derhalve de meeste kans was om wat te vangen.
Op de plaats gekomen, waar hij zijn geluk wilde beproeven, wischte hij zich met de mouw het zweet van 't gelaat en sneed toen een buigzamen tak van een knotwilg, maakte daaraan de lijn met den angel vast en zei: "Ziezoo, klaar is Kees!"
De flesch met de wormen legde hij naast zich neer. Achter 't elzen hakhout vond hij een schaduwrijk plekje en 't malsche gras bedekte er, als een mollig tapijt, den bodem. 't Was een heerlijk plekje, veel beter geschikt om er na de vermoeienissen van dezen dag eens goed uit te rusten, dan zijn duffe, vunzige hut.
De vogels zongen lustig; heerlijk geurden de bloemen; overal daar buiten was het licht en vroolijk.
Hij kon dan ook den lust niet weerstaan, om hier een middagdutje te doen. "'t Is toch gemakkelijk, als je overal thuis bent!" zeide hij.
Languit ging hij in 't gras liggen en weldra sliep hij zoo vast als een beer.
Toen tegen den avond het onweer kwam opzetten, lag hij nog in een diepen slaap gedompeld. Hij hoorde niet steeds heviger en dreigender het rommelen van den donder en zag evenmin 't aldoor feller schitteren van de bliksemstralen.
Men verbeeldde zich dus zijn ontsteltenis, toen hem plotseling een stroom van scherpe ijsstukken met kracht op hoofd en aangezicht vielen en daarop hun rondedans dansten. In 't eerst meende hij in zijn botte verbijstering, dat de kwajongens, die hem op straat wel eens honend naschreeuwden, met striemende zweepslagen zijn gezicht bewerkten. Woedend sprong hij op, stiet een rauwen vloek uit en balde de vuisten om de denkbeeldige vijanden te lijf te gaan. Doch al ras begreep hij, wat er eigenlijk gaande was en dat het de neerkletterende ijsstroom was, die hem pijnigde.
Ten einde raad wierp hij zich plat op zijn buik, trok zijn pijekker over 't hoofd en bleef zoo liggen, tot de bui had uitgewoed. Doch ook toen hij zoo lag ontlokte de pijn hem nog telkens smartelijke kreten. 't Leek hem bij 't afgrijselijk gerucht, dat de bui maakte, dat de wereld vergaan moest.
De bui trok af, even snel als ze was opgekomen. De natuur kwam weer tot bedaren, maar geen vogel hoorde men meer zingen. Een doodsche stilte had het wilde gerucht van zoo even vervangen.
Teunis haalde diep adem. Om zich heen vertoonden zich overal de teekenen der verwoesting. Weiden en velden glinsterden, maar 't was de kille glans van 't ijs, dat overal den bodem bedekte en hier en daar zelfs lag opgehoopt. De hoop van den landman op een goeden oogst was over een groote streek vernietigd.
Onder den naasten populier lag tusschen de ijsstukken een doode lijster. Teunis nam den vogel in de hand, bekeek hem een poosje en zei toen meewarig: "Arm dier! Kort geleden hoorde ik je nog zoo lustig zingen en nu al dood! Maar je einde is snel en je doodspijn niet groot geweest. Koude en hitte, honger en dorst, storm en onweer kunnen je niet meer deren!"
Zacht legde hij den vogel neer onder 't elzenloof. "Mijn mooie bloemen zullen ook wel duchtig geleden hebben," mompelde hij, terwijl hij in gedachten voortging.
Het vreeselijk natuurtooneel had een diepen indruk op hem gemaakt.
Juist wilde hij een zijweg inslaan, die voorbij het dorp naar zijn hut leidde, toen hij op eenigen afstand het angstgeschrei en 't geroep om hulp van een knaap hoorde. Hij liep vlug dien kant uit en vond er Steven in de klem zitten.
"Hoe kom jij hier zoo verzeild, jongen?" vroeg hij verbaasd. En toen de knaap maar aldoor bleef om hulp schreeuwen, poogde hij hem uit zijn moeilijken toestand te verlossen. "Je hebt het zwaar te verduren gehad, mijn baasje!" zei Teunis. "Je bloedt! Wist ik maar, hoe 'k je helpen kan!"
Na eenig wikken en wegen begon hij de stokken van boven af in de hoogte te werken en zoo de ruimte, waarin Steven bekneld zat, te vergrooten en op die manier gelukte 't hem den knaap te verlossen.
Hij vatte hem vriendelijk bij de hand.
Steven, die zich nu weer vrij voelde, kwam ook welhaast tot bedaren. Hij klaagde echter dat gezicht, hoofd, nek en handen hem zoo'n pijn deden.
"Geen wonder!" zei Teunis. "Je hebt de bui ongedekt moeten doorstaan. Maar vertel me toch eens, hoe je zoo ver van huis bent weggedraaid!"
"Moeder was druk met de wasch en vader was ook niet thuis," antwoordde de knaap. "Ik verveelde me en ben maar wat gaan wandelen. 'k Ben heelemaal bij 't kasteel geweest en kon, toen de bui opkwam, niet weer zoo gauw terug loopen."
"'t Is niet goed van je, om heel alleen zoo ver weg te loopen," zei Teunis, die hem wel een aardige jongen vond. "Als je wandelen wilt, doe je beter door den anderen kant uit te gaan, waar niet zulke diepe modderslooten zijn. Hier zou de bullebak je wel eens kunnen te pakken krijgen en dan was 't met je gedaan."
Zoo pratende, waren ze 't dorp genaderd en gekomen op de plek, waar een zijpad leidde naar de buurt waar Teunis woonde. En daar deze om begrijpelijke redenen De Laat en zijn vrouw liever niet wilde ontmoeten, zeide hij: "Ziezoo, mijn jongen! nu kun je 't huis gemakkelijk zelf vinden, is 't niet? Kijk, daar staat de kerk met den hoogen toren en er vlak bij is je huis."
"O ja," antwoordde Steven. "Wel bedankt!"
Toen liep hij wat hij loopen kon voort en de eerste, die hij op straat ontmoette, was zijn vriendinnetje Tonia, die hem vertelde, dat men in 't dorp overal naar hem zocht.
Teunis ging in gedachten verdiept zijns weegs. Hij dacht na over allerlei dingen en o.a. ook daarover, hoe 't hem, die geen werken geleerd had, mogelijk zou zijn om in 't vervolg op een fatsoenlijke manier te leven en den kost te winnen.
't Was ook voor hem geen geschikte tijd, om ergens in 't dorp bezoeken af te leggen.
In verschillende huizen was geen ruit heel gebleven. De bewoners, die zich, toen de bui losbrak, buiten de deur gewaagd hadden, met het voornemen om de blinden te sluiten, waren genoodzaakt geweest om in allerijl weer naar binnen te vluchten, zonder hun doel bereikt te hebben.
De dorpsstraat was dik bedekt met stukken ijs; de riolen waren er mee opgevuld. Veld- en tuinvruchten waren vernield. Droefheid en ontsteltenis heerschten algemeen.
Toen Steven thuis kwam, vond hij er zijn vader en moeder niet: ze waren in den grootsten angst naar hem aan 't zoeken. Hij ging derhalve weer de straat op, om te ontdekken waar ze waren. Welhaast vonden ze elkaar weder. Toen de ouders hoorden, waar hun jongen geweest was en wie hem uit zijn moeilijken toestand verlost en weder thuis gebracht had, kende hun verbazing geen grenzen. 't Kwam hun voor, dat ze Teunis wel eens verkeerd hadden beoordeeld en ze waren voortaan vriendelijk jegens hem.
X.
Op de Dorpskermis.
"Het gras was gehooid en het koren was binnen.
De najaarszon gloorde met feestlijken glans.
't Was kermis in 't dorp en de blonde boerinnen
Verzelden de juichende boeren ten dans."
J. VAN BEERS.
Een half dozijn jaren is er verloopen, sinds de voorvallen, in de voorgaande bladzijden beschreven, plaats hadden.
't Is 's morgens tegen tien uur en een mooie, zonnige dag in den na-zomer.
Het dorpje, anders zoo stil, is nu vol leven en beweging. Een bonte menigte van boeren en boerinnen, knapen en meisjes, verdringt zich op straat voor de kramen en spellen.
Uit de herbergen klinkt ons een opwekkende dansmuziek tegen.
't Is kermis.
Die kramen en spellen staan op 't kerkplein, een grasveld, waarop men overal platte paaltjes vindt met letters er van boven ingesneden. 't Zijn de voorletters der namen van wie daar begraven liggen.
Evenals op de meeste andere plaatsen toch, was vroeger ook hier het kerkplein tevens kerkhof. Rijke menschen werden zelfs in de kerk begraven en in veel kerken bestaat de vloer nog in onzen tijd, gedeeltelijk uit grafsteenen, terwijl men in niet weinige mooie praalgraven aantreft. Het sierlijk monument op 't graf van M. A. de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam is van algemeene bekendheid.
't Is erg druk op de kermis, dat moet gezegd worden. Geen wonder ook!
De buitenmenschen hebben weinig afwisseling in hun leven. 't Is daarom wel te begrijpen, dat ze van deze gelegenheid tot ontspanning, zoo mogelijk, gebruik maken.
Steven de Laat bevindt zich ook onder de feestgenooten. Men ziet hem gewoonlijk op plaatsen, waar drukte heerscht en 't vroolijk toegaat. Hij is, om een bekende spreekwijze te gebruiken, op alle markten en kermissen thuis.
Zorgen en verdriet zijn hem zoo goed als onbekend. Alleen vindt hij 't erg onpleizierig, dat zijn goede moeder in den laatsten tijd niet meer zoo gezond is als vroeger. 't Gebeurt soms dat hij, als hij van een uitstapje in de buurt thuis komt, haar vindt te bed liggen. Doch als hij dan voorstelt om den dokter te halen, zegt ze geruststellend: "Welneen, 'k heb alleen maar een beetje pijn in de borst en moet erg hoesten: 't is een zware verkoudheid. Morgen ben ik allicht weer heelemaal beter. 'k Heb me misschien wat overspannen."
Ja, zij overspant zich wel eens met werken en zorgen: ze begint zich steeds ernstiger bezorgd te maken over de toekomst van haar éénigen zoon, van wien ze zulke groote verwachtingen koesterde.
Geen wonder ook: zijn vroegere speelmakkers zijn allen reeds op de eene of andere wijze nuttig werkzaam: de een is dag op dag druk in de weer om een handwerk te leeren, de ander helpt zijn ouders in den landbouw en de veeteelt; bakker Antoon is 's morgens voor dag en dauw al in de bakkerij bezig en Jan van den ontvanger bereidt zich voor op 't examen van veearts.
Doch als men hem, Steven, vraagt wat hij worden wil, is gewoonlijk 't bescheid: "Vraag me iets, dat ik weet en niet iets, dat ik niet weet!" De buren, die 't goed met hem meenen, schudden wel eens ernstig het hoofd, terwijl ze de opmerking maken, dat het dan toch hoog tijd wordt, om daarover te denken.
Steven schijnt echter te meenen, dat hij nog tijd genoeg heeft om met geregelde werkzaamheden te beginnen. "Er gaat niets boven de vrijheid," dus redeneert hij en staat, als er niets bijzonders te zien is, nu eens bij de timmerlui, dan bij de metselaars, een anderen keer bij de schilders naar hun werk te kijken. Zoo brengt hij vaak heele dagen zoek. 's Avonds, als 't overal en ook op straat donker is, omdat de straatverlichting hier nog altijd op zich laat wachten, neemt hij gewoonlijk zijn toevlucht tot de smederij van 't dorp. Hij vindt er genoegen in om den smid den zwaren hamer te zien zwaaien, zoodat de vonken om hem rond spatten. Maar om zelf den hamer eens ter hand te nemen, den bezigen man het werk te verlichten en te zien of ook hij geen lust in dit vak krijgen kan, dat komt niet in hem op.
Alleen 's Zaterdagsavonds helpt hij zijn vader bij 't houden van 't boek en ziet dan gewoonlijk, dat deze een voordeeligen handel gedreven heeft. Hij begrijpt zeer goed, dat dit ook voor hem van groot belang is en de vader, die hem dan zoo ijverig bezig ziet om zich met alles op de hoogte te stellen, zegt dan wel eens tot zijn bezorgde vrouw:
"Wees maar gerust! Met onze jongen zal alles wel op zijn best uitloopen: hij heeft een uitmuntend verstand, is goedaardig, vlug en vriendelijk jegens iedereen."
En intusschen gaat De Laat zelf geregeld voort zijn zaadhandel te drijven, die hem, al reizend, een gewenschte afwisseling verschaft en bovendien een goed bestaan verzekert.
Dat de gezondheid zijner goede vrouw er in den laatsten tijd niet beter op geworden is, schijnt hij niet te merken. Wel is hij een belangstellend huisvader, maar toch in de eerste plaats een man van zaken. Daardoor is 't hem juist mogelijk geweest om hier in dit afgelegen hoekje van de wereld een zaak te stichten, die in de heele Graafschap en Twente gunstig bekend is en hem en zijn klein gezin een onbezorgd bestaan verzekert.
Maar 't was ons voornemen om een dorpskermis bij te wonen in een tijd, die ongeveer veertig jaar achter ons ligt.
Daar staan we dan in gedachten op 't kerkplein en komen er juist op tijd om de schutters te zien uittrekken naar 't grasveld in de buurt, waar ze een schietwedstrijd willen houden. De beste schutter zal straks schutterskoning zijn en op één na de beste koningsknecht. De eerste kiest zich dan uit de aanwezige meisjes een koningin en de ander een koningsmeid. Ook de gekozen meisjes bekomen ieder een prijs. Ze achten 't bovendien een groote eer, uit zoovelen gekozen te worden tot koninginnen van 't feest.
De schutters staan reeds in rijen van vieren aangetreden, ieder met zijn eigen of wel met een geleend geweer op schouder, niet zooals dat bij de militairen 't gebruik is, met de kolven omlaag en de trompen omhoog, neen, ieder draagt ze, zooals hem dat het best uitkomt.
Jan Vreeman, een timmerman van zijn ambacht, die soldaat is geweest en bij de infanterie was ingedeeld, is kommandant van den troep. Zijn vrouw heeft hem een paar breede strooken, — korporaalsstrepen, — op de mouwen van zijn kapotjas genaaid. Zijn houding is zoo heldhaftig als die van den kranigsten officier; zijn kommandostem is welluidend en krachtig. Jammer genoeg mist zijn troep de noodige vaardigheid in 't uitvoeren der handgrepen en hij zelf mist het noodig gezag over de jongelui, in wier huizen hij onder gewone omstandigheden op daghuur gaat werken.
De meesten toch, zich hun onbedrevenheid bewust en bang om voor de toeschouwers, onder wie zich ook hun tegenwoordige of toekomstige vrijsters bevinden, een mal figuur te maken en uitgelachen te worden, nemen bij voorbaat reeds een houding aan die den anderen toonen moet dat hun dit oorlogszuchtig gedoe niemendal schelen kan en ze 't als een laffe komedie beschouwen. Anderen daarentegen wekken den lachlust der toeschouwers op door hun overdreven krijgshaftige houding.
De troep wordt voorafgegaan door een paar allerverschrikkelijkste bielemans. Ze hebben zich 't gezicht zoo zwart gemaakt, als een echte neger zich zijn huid maar kan wenschen en springen als bezetenen nu naar rechts, dan naar links, terwijl ze in alles hakken, wat hun in den weg komt, zelfs in de keien aan den hoek van 't smalle kerkstraatje. Ze zwaaien zoo woest met hun botte bijlen, als moest de heele burger- en boerenbevolking op echt-ouderwetsche wijze in de pan gehakt worden.
Vooral op de jeugdige schoonen hadden ze 't gemunt. Deze springen dan ook bij hun onverhoedsche aanvallen verschrikt, onder allerlei uitroepen van verbazing en schrik, uit den weg.
Maar wie van de schutters zich ook al plomp en onbeholpen moge aanstellen, of 't belang dezer openbare vertooning schijne te minachten, niet alzoo de vaandrig. Hij toch zwaait de vaderlandsche driekleur in sierlijke kringen om zijn hoofd, om zijn middel, onder 't één en 't ander been door met een hoogernstig gezicht en een gezwindheid, die van ernstige vooroefeningen getuigt.
En de trommen der beide tamboers mogen ook al erg oude instrumenten zijn, — ze zijn zoo netjes opgepoetst, dat ze blinken in de zon.
Daar klinkt het bevel van den kommandant: "Geeft acht!"
Veel manschappen verkeeren blijkbaar geheel in 't onzekere, waarop zij acht moeten geven en nemen derhalve een afwachtende houding aan. Ze zien een gescharrel met voeten en geweren en volgen dit voorbeeld hunner kameraden. De verwarring is vrijwel algemeen.
Om daaraan en einde te maken, roept de aanvoerder: "Tamboers!"
Een roffel klinkt en maakt blijkbaar een diepen indruk op de aanwezigen. 't Geroezemoes van stemmen houdt op, evenals 't gescharrel met de voeten en zelfs de onhandigsten en de onverschilligsten onder de schutters laten hun achtelooze houding varen.
Van de ontstane stilte maakt de aanvoerder op een verstandige wijze gebruik. Zijn bevel klinkt: "Voorwaarts, marsch!"
De tamboers roeren weer de trommen en op de maat daarvan zet zich de heele bonte stoet in beweging. Allen, tot zelfs de meisjes die nog de zwarte kap met veeren dragen, doen hun best om in den pas te blijven.
Welhaast was men nu in de weide gekomen, waar de schijf stond opgericht.
"Waar zou 't veiligst wezen om te staan, Barend?" vroeg een spotvogel aan den boer nevens hem.
"Vlak achter de schijf," antwoordde deze lachend.
Ten einde ongelukken te voorkomen had men twee van de beste geweren uitgekozen, om er mee naar de schijf te schieten.
De deelnemers aan den wedstrijd moesten, om te beginnen, een nummer trekken, dat hun beurt om te schieten aanwees.
Steven de Laat, die bij geen openbare vermakelijkheid van eenige beteekenis gemist werd, behoorde ook tot de schutters. Hij had echter nog nooit te voren een geweer in handen gehad, zoodat zijn kans om een prijs te winnen uiterst gering was. Er bevonden zich namelijk onder de schutters ettelijke wildstroopers, die maar zelden 't doel misten. Bovendien had Steven nog te nauwernood den vereischten leeftijd bereikt om aan den schietwedstrijd deel te nemen.
Maar hij voelde behoefte aan afwisseling en verstrooiing. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij gekweld werd door een drukkende verveling.
Dit was onder zijn omstandigheden ook zeer natuurlijk. Het leven is als een stroom. Het water midden in de rivier vloeit helder en lustig voort en weerspiegelt nu eens de voorbij zwevende wolken en dan weer den blauwen hemel met zijn miriaden van schitterende lichten. Aan de oevers daarentegen, waar riet en biezen groeien of waar de stroom een bocht maakt, staat het water stil of draait er in kleine kringen rond. Het wordt troebel en door verschillende rottende stoffen verontreinigd.
Zoo ook is er voor een mensch niets gevaarlijker dan lediggang.
Wie, als Steven, zich geen werkplaats in de samenleving wist te veroveren, voelt zich daarin ook niet thuis.
Voor den werkzame daarentegen is iederen gelukkig volbrachten arbeid een overwinning, die hem kracht en moed geeft tot moeilijker, meer loonenden arbeid.
Niemand weet, waartoe hij in staat is, zoo hij 't niet ernstig beproefd heeft en evenmin hoever hij 't door vlijt en volharding brengen kan.
* * *
Men staat gereed om den wedstrijd te beginnen. De nachtwacht, die bij de schijf geplaatst is, om de geschoten punten door 't wuiven met een vlaggetje aan de anderen kenbaar te maken, is in de diepte neergedaald, die hem tot schuilplaats moet dienen en met dit doel in den grond is uitgegraven.
Toen de eerste schutter 't geweer op de schijf richtte, werd het plotseling stil onder de toeschouwers. Vooral de huwbare meisjes wachtten met spanning op den uitslag van dezen wedstrijd. Als haar vrijer een prijs verwierf, zouden zij immers deelen in zijn eer en nog bovendien ook een mooien prijs bekomen.
Daar knalde het schot.
In gespannen verwachting zag men den nachtwacht uit zijn veilige schuilplaats te voorschijn kruipen, de schijf bezien en met het vlaggetje eenige malen op en neer wuiven, om zoo aan de anderen 't geschoten aantal punten kenbaar te maken.
Daarop verdween hij weer in zijn onderaardsch verblijf en de volgende schutter was aan de beurt.
Op die wijze ging het geregeld voort.
Er werd niet best geschoten.
De wildstroopers hadden waarschijnlijk reeds te veel "spraakwater" gebruikt, om met de vereischte juistheid te kunnen richten, want voor iemand, wiens oogen schemerden, was de schijf op een te grooten afstand geplaatst.
Antoon van den bakker had echter 't geluk om de schijf dicht nevens de roos te treffen.
Steven de Laat, die toevallig het hoogste nummer getrokken had, kwam dus het laatst aan de beurt.
"Die had ook beter gedaan door maar thuis te blijven," zei boer Verlaar. "Dat jonge mensch kan, geloof ik, niets anders dan leegloopen en 't geld van zijn ouders verteren."
"Ja," zei boer Scholte, die naast hem stond, "ik vrees, dat zijn vader en moeder heel wat verdriet aan hem zullen beleven. Hij is anders een goede jongen, maar als de meeste éénige kinderen, verwend. Zoo heeft hij een afkeer van werken gekregen en ledigheid is des duivels oorkussen. — Ik denk intusschen, dat de wedstrijd hier niet vóór den middag zal afloopen en dan wordt het vervelend," dus ging hij voort; "in 't dorp begint de muziek van den mallemolen al te spelen, hoor maar! En als de paar jongelui, die nog een beurt moeten hebben, de roos niet raken, zullen de schutters dichter bij de schijf geplaatst worden en een tweede beurt moeten hebben."
Zij, die de leiding van den wedstrijd hadden, begrepen blijkbaar ook, dat er haast diende te worden gemaakt. Toen de voorlaatste man aan de beurt kwam, duwde een der lieden, die met de lading der geweren belast waren, aan Steven dit wapen in de handen, met den raad:
"Maak je alvast ree!"
Deze voldeed aan dit verzoek. Hij voelde zich volstrekt niet op zijn gemak, te minder omdat hij de opmerkingen der anderen omtrent zijn persoon gehoord had. Toen de voorman zijn schot gelost had, nam hij oogenblikkelijk diens plaats in, legde 't geweer aan en ...
"Doe den vinger voor 't huisje en niet voor den trekker!" waarschuwde er een.
De raad was te laat gekomen. Op 't zelfde oogenblik knalde 't schot, dat door de omgeving drievoudig herhaald werd.
Uitroepen van verbazing en schrik volgden.
Geen wonder! De nachtwacht stond nog vlak nevens de schijf de punten van den voorman te tellen, toen het schot viel.
Daar zag men hem zoo snel mogelijk het weiveld inloopen. Maar, o schrik! na een dozijn stappen gedaan te hebben, plofte hij languit tegen den grond.
Een smartelijke kreet verhief zich uit de bonte schaar van toeschouwers.
"Ach hemel!" jammerde Tonia, "hij schoot mijn vader dood!" Zij wrong radeloos de handen en haar geklaag en droef geween sneed de anderen door de ziel. Zij wilde hem ter hulp snellen, toen opeens: daar kwam de doodgewaande weer overeind, zette 't opnieuw op een loopen, maar stortte welhaast weer op het bed van gras neêr.
Wie beschrijft den toestand van den ongelukkigen Steven? Eerst verkeerde hij in 't onzekere, of hij waakte of droomde. Bleek en bevend stond hij daar, aan de onvriendelijke blikken der anderen en hun toornige uitroepen blootgesteld.
Het droef geween en de jammerklachten zijner vriendin sneden hem door de ziel en 't zien van haar vader, die daar roerloos op 't grastapijt neêrlag, ontstelde hem dermate, dat hij geen grond onder de voeten voelde.
"Arme stakker! 't Is met hem gedaan!" hoorde men van verschillende kanten roepen.
Met ongeloofelijke snelheid kwam nu zijn doodelijk verschrikte dochter op hem toesnellen, aldoor roepend: "Vader! Lieve vader! Ik kom!"
Deze verzekering van zijn geliefd, éénig kind scheen een wonderbaarlijke uitwerking te hebben op den armen nachtwacht. Nogmaals zag men hem overeind komen en weer zijn vlucht voor den Dood vervolgen en eenige minuten later had zijn dochter hem met haar armen omvangen en aan haar liefhebbend hart gesloten.
"Dat is eerst een flink meisje!" riep men en snelde toe, om, zoo mogelijk, te helpen.
"Waar ergens ben je geraakt?" was de algemeene vraag. En 't antwoord, dat de doodelijk verschrikte man stotterend uitbracht, luidde:
"Geraakt ben ik eigenlijk niet, — de kogel floot vlak voorbij mijn oor, maar 'k wachtte elk oogenblik een tweede schot, want 'k meende dat het op mijn leven gemunt was."
"Maar hoe kwam het, dat je tweemaal gevallen bent?" vroeg men nieuwsgierig.
"'k Struikelde beide keeren over een molshoop," sprak de man, terwijl hij hijgde om weer wat op adem te komen.
Steven was geheel alleen en als versuft met het geweer in de hand blijven staan, waar hij stond toen hij 't schot loste. Hij kwam eerst weer tot zich zelf, toen Tonia met haar vader langs hem heen voorbijging, zonder naar hem om te zien. Hij wilde op hen toesnellen en hun om vergiffenis vragen voor den schrik dien hij hun onwillens had veroorzaakt, toen hij eensklaps weer hevig onstelde door 't geroep van een paar schutters, die naar de schijf waren gaan zien. De anderen snelden nu ook daarheen. Ze schenen zeer verbaasd te zijn, althans hij hoorde verschillende uitroepingen als: "Je zou zeggen!" — "Hoe is 't mogelijk!" en dergelijke. Maar wie schetst de ontsteltenis van onzen Steven, toen ze allemaal over 't weiveld heen regelrecht op hem kwamen aandraven. Hij wilde vluchten, maar kon het niet: de schrik was hem in de beenen geslagen.
Eenige oogenblikken later stonden allen in een kring om hem heen geschaard, zoodat er aan ontvluchten niet meer te denken viel. Hij sidderde.
Groote droppels angszweet parelden hem op 't gezicht.
Daar zag hij den kommandant heel deftig op hem toekomen, hem een groote ster van goudpapier op de borst spelden en hem vervolgens den prijs, voor den schutterskoning bestemd, overhandigen.
Hij had, heel toevallig, de roos getroffen.
"Wie zal koningin zijn?" vroeg de kommandant.
In botte verbijstering zag Steven om naar zijn vriendin Tonia. Maar ach! het goede meisje verdween juist met haar vader om den hoek. Ten einde raad, ging hij vervolgens toe op de bonte rij van meisjes en zag nu de knappe Mientje Laak, de vriendelijke dochter van een behoeftig daglooner, vóór zich staan. Hij verzocht deze, hem als koningin te vergezellen.
Het meisje bloosde zeer sterk. Ze was reeds verloofd en stond op 't punt om 't vereerend aanzoek van de hand te wijzen. Haar vrijer, een hupsch jong gezel, trad echter op haar toe, glimlachte en zei: "Kom, Mientje, help Steven eens uit den brand! Gedurende den optocht naar 't dorp is hij dan gered en dan kun je in dit geval afscheid van hem nemen."
Zoo werd onder 't zwaaien van de vlag, de trommelmuziek en 't potsierlijk gedans van de bielemans, de terugreis aanvaard en op die wijze de schutters-wedstrijd besloten.
XI.
De Beer.
Toen de feestelijke stoet onder 't geklapper der vrij uitwaaiende driekleur, 't gebom der trommen en de woeste grimassen en sprongen der bielemans, het kerkplein met de kermisvermakelijkheden weer bereikte, mocht ze zich niet, zooals gewoonlijk, in de algemeene opmerkzaamheid en belangstelling verheugen.
Er heerschte daar namelijk een ijselijke opschudding.
Telkens hoorde men een angstwekkend gebrul, oogenblikkelijk gevolgd door een geschreeuw en getier, dat hooren en zien deed vergaan.
Dat gebrul werd veroorzaakt door een grooten, bruinen beer, dien men voor een dubbeltje kon te zien krijgen. Maar 't beest hield niet van die kermisdrukte. Eerst was hij erg leelijk gaan kijken, toen nog leelijker gaan brommen en eindelijk woedend tegen de traliën van zijn kooi opgestoven. Hij schudde en rukte er aan met zijn klauwen, dat ze rinkelden, terwijl hij allerverschrikkelijkst brulde.
De toeschouwers liepen in de grootste ontsteltenis de tent uit en deelden hun schrik ook aan de lieden op het plein mede.
"Wat is er toch te doen?" hoorde men nu veldwachter Van Braam met een forsche stem vragen.
"De beer is uit zijn kooi losgebroken," riepen sommigen.
Zelfs waren er, die meenden gehoord te hebben, dat hij al een vrouw te pakken had en bezig was het arme mensch tot ontbijt te gebruiken, zonder dat iemand hem dit durfde beletten.
De veldwachter verschrikte bij 't hooren van deze Jobstijding evenzeer als de anderen. Gelukkig kwam één der jongens door de toeschouwers heendringen en vertelde, dat onze Isegrim nog wel in zijn kooi zat opgesloten, doch alle krachten inspande om los te komen.
't Was intusschen een reden tot geruststelling, dat de veldwachter met zijn scherp wapentuig aanwezig was om in geval van nood het bloeddorstige monster te bedwingen.
Hij drong dan ook tusschen de kermisgasten heen tot bij de kooi en wendde zich tot den berenleider met de forsche vraag: "Wat is er hier gaande?"
"Hoe-oe-oe!" brulde de beer met een allerijselijkst basgeluid, alsof hij zeggen wou: "Zoo je dat nog niet weten mocht, heerschap, dan zal ik 't jou wel aan 't verstand brengen!" Daarop vloog hij weer tegen de tralies op en schudde die met zijn klauwen, dat ze rinkelden en zelfs begonnen door te buigen.
De veldwachter sprong, evenals de anderen, verschrikt achteruit.
Men bleef van een eerbiedigen afstand naar 't razende monster kijken. 't Heele dorp raakte in rep en roer.
De herbergen liepen leeg. In den mallemolen en voor de kramen en spellen was er niemand te zien. De beer had aller belangstelling op zich gevestigd.
"De kwajongens hebben 't kreatuur getergd!" riep de eigenaar van den beer, ten einde raad.
"Daar is niets van aan!" schreeuwden de jongens.
"Moet zoo'n leelijk beest ons hier de heele kermispret bederven?" vroeg een boerin nijdig.
"Men moet hem een ring door den neus doen, dan zal hij wel tot bedaren komen," zei boer Scholte. "Wat dunkt u daarvan, smid?"
"Voor mijn part, moog je je gang gaan," antwoordde deze. "Ik ben mijn leven nog niet moe."
"Doe 't beest een touw onder den buik door!" ried de veldwachter. "Als hij de voorpooten niet op den grond kan krijgen, is zijn kracht gebroken."
Allen vonden dit een goeden raad.
De smid wipte even zijn werkplaats binnen en kwam welhaast met een lang, dik touw en een haak terug:
"Laten we beginnen met den barren sinjeur een touw om den snuit te doen," ried boer Scholte, "we kunnen dien snuit tusschen de traliën doortrekken en de smid kan er dan op zijn gemak een ring door maken! Is 't eenmaal zoover, dan zal hij wel tot bedaren komen!"
Men vond dit een verstandigen raad en na veel vergeefsche pogingen gelukte 't eindelijk, het touw om den snuit van den beer te bevestigen.
Een dozijn kermisgasten, onder wie ook de veldwachter, trokken nu uit alle macht aan het touw.
Maar op eens ging er een kreet van verbazing en schrik op onder de toeschouwers. Door 't hevig rukken en trekken toch was de strik van den ruigen snuit gegleden en pof! daar sloegen onze wakkere maats tegen den grond en zwaaiden met de beenen in de lucht.
Men dacht in 't eerste oogenblik natuurlijk, dat de beer schuld had aan hun plotselinge verdwijning.
Toen de eerste ontsteltenis bedaard was, zei de veldwachter: "Neen, zoo gaat het niet. 't Is beter, dat we den lastigen sinjeur het touw om den nek doen!"
De berenleider opperde eenige bezwaren tegen dit plan, maar niemand luisterde naar hem.
Werkelijk gelukte het, den raad van den veldwachter op te volgen.
Men trok weer uit alle macht aan de beide einden van het touw.
De beer spartelde in 't begin nog geducht tegen, maar welhaast liet hij een akelig geluid hooren; hij werd zoo gedwee als een lam en dus kon de smid hem zonder gevaar een ring door den neus maken.
Toen men na dezen welgeslaagden arbeid het touw losliet, zakte 't monsterdier op den bodem der kooi en gaf geen enkel teeken van leven meer.
Hij was geworgd.
Zijn meester bleef hem eerst als versuft aanstaren, hief toen ontsteld de handen in de hoogte en riep op droevigen toon: "Nu hebben jelui 't arme schepsel vermoord! Och, och! wat moet ik nu in 't vervolg aanvangen? Nu ben ik mijn middel van bestaan kwijt!"
"Beter een doode beer, dan een razende beer, want die zou van ons allemaal koud vleesch maken!" zei de veldwachter.
De anderen vonden dit verstandig gesproken en welhaast waren de herbergen weer overvol en ook de mallemolen was weer druk bezet. De berenleider stond met zijn viervoetigen reisgenoot alleen. Hij wrong de handen en zei op klagenden toon:
"Och, mijn arme Bruin, mijn kameraad en broodwinner al sinds jaren, hoe kon je toch zoo raar doen? Verongelukt is jou leven en het mijne meteen! Och, och, mijn goede Bruin, wat zal jou baas toch in 't vervolg zonder jou beginnen?"
Maar zoo de beer zich vroeger ook al over een en ander mocht bekommerd hebben, nu deed hij dit niet meer.
De vennootschap, die hem verplichtte om voor Jan en alleman kunsten te maken, terwijl zijn reisgenoot de centen opstreek, was voorgoed ontbonden.
XII.
Een vervelende dag en een pleizierige avond.
Steven de Laat was alzoo door toevallige omstandigheden Schutterskoning geworden, een eer, die hem echter al heel weinig genoegen verschafte. De opschudding toch, die de beer veroorzaakte, toen de schutters weer 't kermisplein kwamen opmarcheeren, maakte dat de overige kermisgasten zoo goed als geen opmerkzaamheid wijdden aan dezen feestelijken intocht.
Zijn koningin had hem terstond bij de aankomst in 't dorp weer verlaten en toen hij evenals de anderen naar den beer ging kijken, wekte 't de verontwaardiging en ergernis van onzen dierenvriend, dat het arme beest mishandeld, ja geworgd werd.
Maar na al 't gebeurde waagde hij het niet, daarop aanmerkingen te maken.
Daarbij kwam, dat zijn vader niet thuis was en zijn moeder door een hevige hoofdpijn gekweld werd. Tonia liet zich ook niet weer zien en zoo gevoelde hij zich te midden van de kermisdrukte zeer alleen. Niemand toonde in 't minst belang te stellen in 't door hem behaalde succes en terwijl hij tusschen die feestvierenden heen en weer ging, zag hij sommigen hem lachend nakijken en hoorde hij hen spottende aanmerkingen maken op zijn koningschap.
Mismoedig verwijderde hij zich uit deze omgeving en sloeg het pad in, dat achter de tuinen om liep. Herhaaldelijk ging hij daarover heen en weer en keek telkens, of hij zijn vriendin niet kon te zien krijgen, doch ze kwam niet te voorschijn en haar vader evenmin. En na den schrik, dien hij hen onwillekeurig veroorzaakt had, durfde bij hen ook geen bezoek brengen.
Ach, hoe miste hij 't goede meisje, dat gewoon was in zijn lust en leed te deelen!
De kermis, waarvan hij zich zooveel genoegen had voorgesteld, bracht hem nu enkel verveling.
De dag viel Steven ijselijk lang en hij was blij, dat eindelijk de avond viel.
De kermis was echter nog in vollen gang.
De bejaarde lieden waren naar huis terug gekeerd, maar de jongelui hadden hen vervangen.
De mallemolen was nu schitterend verlicht. De kramen en spellen waren 't evenzoo. Daardoor had het kerkplein een recht druk, licht, gezellig aanzien gekregen, dat te beter uitkwam, naarmate de omgeving meer in 't duister werd gehuld.
Steven, die nog maar altijd doelloos ronddwaalde, hoorde, toen hij op den hoek de herberg van Klaas Brouwer voorbijging, een vreemd brommen, gevolgd door een schaterend lachen. Nieuwsgierig om te zien, wat er daar gaande was, stapte hij naar binnen.
De groote petroleumlamp, die midden in 't vertrek aan den zolder hing, gaf een flauw, roodachtig schijnsel.
Dikke wolken tabaksrook vulden de ruimte.
Deze, vermengd met een warme, benauwende dranklucht, golfden hem in de deuropening tegen en benamen hem schier den adem.
Bij 't flauwe licht zag hij een bonte groep kermisgasten als een donkere massa de ruimte vullen. 't Was een duwen en dringen van geweld.
Steven bleef verwonderd bij den ingang staan, om te vernemen wat er gaande was, en merkte al spoedig, dat Dronken Hannes deze lieden met zijn praten en zijn plompe kunsten vermaakte. Met schorre stem riep hij:
"Jelui meenen, dat de beer dood is, maar dat heb je toch mis! Hier staat hij in levenden lijve voor je!"
Met zijn log lichaam, gehuld in den ruigen pijekker en zijn ordeloozen haarbos, gedekt met een ruwe muts, leek hij ook vrij wel op een beer, die op zijn achterpooten stond.
Nu ging hij plat op den rug op den vloer liggen en riep: "Ziezoo, daar ligt nou de beer! Wie een dubbeltje geeft, mag op zijn buik staan. De beer zal hem er afgooien, zonder gebruik te maken van zijn klauwen of tanden!"
"Hier is een dubbeltje!" zei een jonge boer en reikte hem zulk een geldstukje toe. "Als je mij niet kunt afwerpen, krijg ik mijn geld weerom, is 't niet zoo?"
"Zonder twijfel!" bromde Hannes met zijn diepe basstem, en allen schoten om de vreemdheid van 't geval in den lach.
De boer trok zijn schoenen uit en plaatste zich boven op hem. "Van de plank gewiepst!" zei deze.
Door een plotselinge intrekking en weer uitzetting der buikspieren wierp hij nu werkelijk den boer van zich en wel met een kracht, die hem midden onder de tafel deed belanden. Deze werd uitgelachen, Hannes daarentegen door allen luide toegejuicht.
Steven vond het geval zoo komiek, dat zijn schaterlach boven de anderen uit klonk. "'t Is toch heel gevaarlijk," zeide hij, "om zoo'n Isegrim te laten losloopen, zonder een berenleider die hem in geval van nood in bedwang kan houden."
"Die berenleider moet jij wezen!" riepen allen. "De schutterskoning is het best in staat om zoo'n vervaarlijk, ruig beest te temmen."
"Ja," riep Hannes nu, "Steven moet mijn meester zijn en niemand anders!"
Men bracht nu een touw en knoopte het den beer om zijn middel. Hannes maakte zotte sprongen en bromde haast precies zoo, als hij 't den beer had hooren doen en Steven was berenleider. Hij gaf hem een blaaspijp bij wijze van geweer in handen en liet hem exerceeren en na iederen toer ging hij bij "'t geachte publiek" rond om in zijn pet centen voor zijn beer in te zamelen.
Hannes verdiende dien avond met zijn toeren goed geld en Steven had nog nooit zulk een pleizierigen avond gehad als dezen.
XIII.
De mislukte Vischvangst.
Het voorjaar slingerde zijn saprijke, groene, met bloemen omwoelde guirlandes over heiden en weiden, bosschen en velden, zelfs over 't rustig voortkabbelende water van de beek.
Lijsters en nachtegalen zongen hun hoogste lied.
Vader De Laat was de heele week in huis bezig geweest met het in orde brengen der boeken. Steven had hem daarbij geholpen, maar zoo vaak hij daartoe kans had gezien, was hij naar buiten geloopen. Dat in huis zitten bij zulk mooi weer was voor hem een ware straf. De avonden sleet hij gewoonlijk in 't huis van den nachtwaker, bij zijn vriendin Tonia.
Ook zijn vader was dat zittend leven erg zuur gevallen. 's Avonds ging hij geregeld voor de achterdeur aan de straat frissche lucht scheppen en maakte dan een praatje met zijn buurman, den smid Verhoeven.
Zoo kwam de Zaterdagavond.
Hij was in een opgewekte stemming, vooral ook omdat zijn goede vrouw zich veel beter voelde, dan ze in den laatsten tijd gedaan had.
"Wat een mooie avond, buurman!" Met deze woorden nam hij nevens zijn vriend, den smid, plaats op de bank voor 't huis.
"Dat zeg je wel!" antwoordde deze. Hij deed een fermen haal aan de zwakpijp en blies den rook in krullen en spiralen de lucht in.
"Van Steven hoorde ik heden middag, dat er in den kolk, daar, waar vroeger een watermolen gestaan heeft, een boel mooie visch zit," hervatte De Laat. "Mijn vrouw houdt heel veel van visch, maar ze is hier in de streek gewoonlijk voor geld en goede woorden niet te bekomen."
De smid verzekerde, dat ook hij zeer gaarne visch lustte, liefst mooi bruin gebakken.
Zacht suisde de avondwind in 't jonge loof der linde- en kastanjeboomen langs de straat. In 't naburig elzenboschje zat een nachtegaal te zingen. De menschen, die allen voor de deuren hunner huizen kwamen zitten of staan, roemden als om strijd den schoonen zomeravond, zoo lieflijk en mild.
"Notaris Verlaar heeft een vischnet, dat nog zoo goed als nieuw is," hervatte na eenige oogenblikken de smid.
"De notaris is niet thuis, naar ik gehoord heb," sprak De Laat.
"Des te beter," hernam de ander lachend, "dat net heeft hij opgeborgen in zijn schuur en ik heb een sleutel, die op 't slot ervan past."
"'t Zou inbraak plegen zijn!" hervatte zijn vriend en trok een zeer bedenkelijk gezicht.
"Neen, zoo moet je 't niet noemen," viel de smid hierop in. "De notaris komt ook bij mij nu dit en dan weer dat leenen. Voor een goede veertien dagen kwam zijn keukenmeid nog de koekepan leenen van mijn vrouw. Dat gaat over en weer en 't hoort ook zoo. Als twee handen elkander wasschen, worden ze beide schoon."
"Dat is allemaal goed en wel," sprak weer De Laat, "maar we hebben geen acte en mogen daarom ook niet met een net visschen."
"Ja, er mag zooveel niet, dat toch gebeurt!"
"Maar als de veldwachter ons betrapt, zijn we 't net kwijt en moeten nog bovendien boete betalen."
"De veldwachter is stellig ook blij, als hij 's avonds rustig bij vrouw en kinderen thuis kan zitten," oordeelde de smid.
De vrienden wachtten tot het donker geworden was en begaven zich toen ter vischvangst. De Laat, aan een regelmatigen, bedaarden stap gewoon, moest zich terdege reppen om zijn langen buurman op zijde te kunnen blijven. Ze spoedden zich zwijgend voort door den tuin van dezen, waar ze door een hooge beukenhaag aan 't gezicht der anderen waren onttrokken. Een smal voetpad leidde hen verder 't kreupelbosch in, dat uit hoog opgeschoten eiken- en elzenhakhout bestond.
De bodem hier was dik bedekt met dorre bladers van vorige jaren, die ruischten en ritselden onder hun schreden.
"Loop toch wat zachter: men zou ons licht kunnen hooren!" vermaande de smid.
"Ik loop zoo zacht mogelijk!" bromde zijn vriend. "Jij maakt met de voeten vrij wat meer gerucht dan ik."
Om bij de beek te komen, moesten ze een sloot over die wel niet breed was en waarin ook geen water stond, maar daarentegen veel modder en er overheen een dek van dorre bladers.
Nu en dan raakten ze verward in de dorens en ze maakten onder die omstandigheden vrij wat meer gerucht, dan wel dienstig was. De vrienden voelden zich hoe langer hoe minder op hun gemak.
"Hier moet er gesprongen worden!" zei de smid fluisterend. "Daar ga 'k je vóór!"
Hij zette zich schrap en deed den sprong. Hij zweefde boven de sloot en zou er wel overheen gezweefd zijn, als hij niet aan 't ééne been op den overkant ware vastgehouden. Plotseling werd hij toch in zijn vaart gestuit en in 't volgend oogenblik hing hij met het hoofd omlaag in de sloot.
"Help! Help!" riep hij in de grootste ontsteltenis uit en dat vrij wat luider, dan in de gegeven omstandigheden raadzaam was.
De Laat, die 't net droeg, bleef verbluft staan. "Wat zijn dat nu voor kunsten?" vroeg hij verbaasd.
"Help toch! O, help! O, mijn been! 't Is, of mijn voet wordt afgeklemd!" jammerde hij. En ondertusschen scharrelde hij met de handen op den bodem der sloot in 't dorre loof en den modder, als meende hij daar een vetten paling te pakken te krijgen.
"Hoe kom je daar toch zoo komiek aan je ééne been te hangen?" vroeg De Laat, wien 't moeite kostte om niet hardop te lachen.
"Moest ik dan bijgeval aan mijn beide beenen hangen?" vroeg zijn vriend boos. "In plaats van daar op den kant, te staan grinniken, deed je beter met mij weer uit den strik te helpen waarin mijn voet is bekneld geraakt."
Hij wist echter al tastend een over de sloot hangenden twijg te vatten en 't gelukte hem zich met behulp daarvan tegen den glooienden kant omhoog te werken, vóór zijn vriend nog een middel had weten te bedenken om hem te hulp te komen.
Maar de wildstrik, die zijn been boven den enkel omknelde, was eerst met moeite weer los te krijgen.
De vrienden stonden juist gereed om de sloot over te springen, toen de Laat den wijsvinger vlak vóór 't gezicht van zijn makker ophief en fluisterend zei: "Stil! Hoor je niets?"
"Neen," zei de ander, eveneens fluisterend. "Maar nadat ik in den strik heb gehangen, heb ik zoo'n sterk geruisch in mijn ooren."
"'k Meende, hier dicht bij een zacht gegrinnik te hooren."
"Allemaal verbeelding!" fluisterde de smid. "Laten we liever wat voortmaken!"
Zoo kwamen ze welhaast op de plaats waar ze wezen wilden.
De vischvangst kon alzoo beginnen.
"Mijnentwege visschen we den heelen nacht door!" fluisterde De Laat. "'t Is zoo'n mooie avond."
"Neen, dan zou de slaap me te pakken krijgen! 'k Heb den heelen dag voor een heet vuur staan kloppen en hameren. 't Been doet me ook pijn."
De eerste trekken met het net waren vruchteloos.
"Alle begin is moeilijk," fluisterde hijgend en zweetend de zaadhandelaar, terwijl hij een paar vischjes ter dikte van een duim uit het net opdiepte en ze zóó voorzichtig op den kant legde, alsof ze licht konden breken.
"Sssst!" fluisterde hij weer. "Was daar geen geritsel?"
Ze luisterden schier ademloos, want ze voelden zich hier alles behalve op hun gemak.
"'t Zal de wind wezen!" zei de smid. "Dat lastig geruisch in mijn ooren blijft maar aanhouden."
Weer hanteerden ze 't net zoo wakker, dat het zweet hun van 't hoofd gutste. Vooral De Laat vond het erg warm. 't Bleef dan ook zeer drukkend in de lucht.
Hun ijver werd met den besten uitslag bekroond. Ze haalden een half dozijn groote snoeken op en wilden met hun buit huiswaarts keeren, toen ze op eens hevig schrikten van een ruwe bulderstem, die hen onder 't uiten van allerlei verwenschingen met het gerecht dreigde.
De twee vrienden lieten 't net en de visschen in den steek en vluchtten weg zoo snel als ze konden.
Ook Dronken Hannes, — want zoo zullen we hem maar blijven noemen, — had het dien dag geducht warm gehad.
Hij was weer den boer op geweest en had vrij veel bijeen gebracht, dat hem kon te pas komen. Derhalve was hij in een goeden luim. Als hij bij de lui aan huis was gekomen, had hij grappen verteld en terwijl hij zich die onder 't voortgaan weer herinnerde, moest hij overluid grinniken. 't Grappigst vond hij 't geval bij den daglooner Verhorst. De vrouw was er alleen thuis geweest met het jongste kind, dat nog in de wieg lag. Achter den rug der moeder had hij allerlei leelijke gezichten tegen den kleine getrokken, zoodat deze onbedaarlijk was beginnen te huilen. Want hij kon bijzonder goed voor bullebak spelen. Men vertelde van hem, dat hij zelfs gevaarlijke wachthonden, door ze strak aan te kijken, zóó angstig kon maken, dat ze jankend, met den staart tusschen de beenen, achterwaarts in hun hok terugkropen, waaruit ze een minuut te voren woedend kwamen te voorschijn vliegen.
Wanneer hij ergens dronken aan den kant van den weg lag, — en dat gebeurde nog al eens, — dan zou hij toch nooit nalaten om, als hij er maar even kans toe zag, lieden die daar voorbij kwamen en hem niet opmerkten, een streek te spelen. Menigeen, die anders voor geen klein gerucht vervaard was, ging als een bloode haas op den loop, wanneer hij bij avond op een eenzamen weg en in een boschrijke streek rustig voortstappend, onverwachts van uit het kreupelhout aan den kant de vreemdste en akeligste geluiden hoorde.
Paarden, die wat zenuwachtig waren, kon men bij avond onmogelijk voorbij een plaats krijgen, waar zijn nabootsingen van kattengemauw, ekstergeschreeuw of berengebrom gehoord werden, of de voerman moest van den wagen stappen en hen bij den toom voortleiden.
Bijgeloovige lieden beweerden bij kris en kras, dat het in de buurt, waar iets dergelijks was voorgevallen, heel erg spookte.
De landlooper had alzoo, — daarvan hield hij zich overtuigd, — den dag bijzonder nuttig besteed.
Hij naderde nu het dorp, maar besloot de plaats te vermijden en 't pad te gaan, dat langs de beek voerde en waarlangs hij eenige minuten vroeger zijn woning bereiken kon.
Met zijn gewonen sluipenden tred als dien van een beer op sokken, de oogen spiedend rond slaande, ging hij 't bruggetje over en vervolgde langzaam zijn weg, want hij was erg moe.
Eensklaps stond hij paalstil. Hoorde hij daar aan de overzijde der beek achter 't hooge hakhout geen leven?
Er was geen twijfel aan.
Maar wat kon dat zoo laat nog zijn?
Voorzichtig als een speurhond sloop hij nader bij en zag nu de twee vrienden druk met het net in de weer. Oogenblikkelijk herkende hij ze en hij begreep ook wel, dat ze zich daar aan wetsovertreding schuldig maakten. Bovendien zag hij, hoe bij iederen trek met het net het aantal visschen vermeerderde. Grijnslachend mompelde hij:
"Gaan jelui je gang maar, hoor! Ik zal hier intusschen een poosje zitten uitblazen."
Eerst toen hij bespeurde, dat onze twee visschers gingen eindigen, begon hij te roepen:
"O jij schurken! Onbeschaamde vischdieven! Wacht maar een oogenblik! Wacht! zeg ik je. 'k Beveel het je, overeenkomstig artikel zóó en zóóveel van de Wet!"
De Laat en zijn vriend, in de meening dat veldwachter Van Braam of de jachtopziener van 't kasteel Heiterloo die bedreigingen uitte, namen In allerijl de vlucht. Dronken Hannes pakte de visschen met het net mede en, ofschoon hij zwaar bevracht was, daar hij den gebedelden voorraad ook nog te dragen had, toch moest hij telkens stil staan en om de kostelijke grap grinniken.
Hijgend als een stoompaard bereikten onze twee visschers het dorp. Erg ontdaan kropen zij onder de dekens, wat te gemakkelijker viel, omdat hun overige huisgenooten al sinds geruimen tijd in diepe rust waren. Ze konden echter den slaap niet vatten.
{Illustratie: ... en blijft nu en dan staan luisteren ... (Pag. 113).}

Van achteren speet het hun, dat ze zich door den
mooien avond en de gunstige gelegenheid hadden laten verlokken om uit visschen te gaan.
De smid vroeg zich bezorgd af, wat daarvan wel 't gevolg zou zijn. De mogelijkheid bestond toch, dat niet alleen de heer van Heiterloo, maar ook al de boeren die pachters van dezen grondeigenaar waren, in 't vervolg zijn smidse zouden vermijden. In dat geval zou jaar op jaar de schade aanmerkelijk wezen. Zonder last en onaangenaamheden zou 't stellig niet afloopen, meende hij. De jachtopziener Vervoort was een algemeen gehaat en gevreesd heerschap, die 't in hem gestelde vertrouwen meer dan eens op een schandelijke wijze misbruikt had, door onschuldige lieden achter slot en grendel te helpen. Hij zou ook deze zaak stellig niet maar blauw-blauw laten.
Ruim een kwartier zou Verhoeven aldus hebben liggen peinzen, toen hij eensklaps tot zijn groote ontsteltenis een luid kloppen op 't venster van zijn slaapvertrek hoorde, 't welk hem deed opschrikken.
Hij hield den adem in en bleef ingespannen in 't bed zitten luisteren.
Spoedig werd het kloppen herhaald.
Toen vermande hij zich en vroeg luid:
"Wie is daar?"
Een grove stem van buiten antwoordde:
"'t Spijt me baas, maar 'k heb onaangenaam nieuws voor je: 'k moet namelijk rapport van je maken!"
"'t Was de eerste maal en 't zal ook de laatste maal zijn," verzekerde deemoedig de smid, die intusschen opgestaan en naar 't raam toegekomen was.
"Zóó waarlijk! Dan ben je er al dadelijk leelijk ingeloopen! Weet je wat? Schuif vlug het raam op en geef me een rijksdaalder. In dat geval zal ik zorgen, dat de zaak geheim blijft."
De smid haastte zich om aan dit bevel te voldoen en legde zich toen weer ter rust, blij dat de zaak voor hem zulk een gunstige wending genomen had. Maar 't was toch een dure pret voor hem geweest.
Hannes streek den rijksdaalder op, gaf brommend den raad dat zoo iets nooit weer gebeuren moest en spoedde zich toen naar de woning van De Laat, waar hij met het gewenschte gevolg dezelfde comedie speelde.
De twee vrienden moesten nu een nieuw net koopen en ze waren nog bovendien ieder een rijksdaalder kwijt.
De vagebond wist het gekaapte net in een naburig stadje voordeelig van de hand te doen.
Toen had hij geld.
De gelegenheid was gunstig.
Het weder was uitlokkend.
Hij nam derhalve den dikken knuppel, die hem voor wandelstaf diende, ter hand, snoof de lucht op als een beer die zijn prooi ruikt, draaide zich op zijn breede, plompe voeten, die in vuile, erg havelooze schoenen staken en vrij veel overeenkomst vertoonden met de klauwen van een beer, naar 't Oosten, naar 't Westen en naar 't Zuiden en stapte toen in de beste stemming voort waarheen de omstandigheden hem voeren zouden, zóó kordaat als ware hij van plan geweest een reis om de wereld te ondernemen.
XIV.
Een vader, op weg om zijn zoon te zoeken.
Eenige jaren zijn er weer verloopen.
't Is een sombere herfstavond.
In gedachten bevinden we ons in een nauwe, donkere straat van één onzer kleine steden, waar aan weerszijden de hooge huizen zich spookachtig afteekenen tegen de donkere lucht.
De straat is bevloerd met groote keien, waarover men slechts moeilijk kan voortgaan, omdat ze bij iederen stap de voeten knellen en pijnigen.
Slechts hier en daar flikkert een lantaarn, die de naaste omgeving maar gebrekkig verlicht.
De bejaarde man, die daar gebogen en hijgend voor ons uit gaat, stoot zich tengevolge van zijn sloffenden gang telkens weer aan de ruwe steenen.
Hij leunt zwaar op zijn stok. Blijkbaar is hij zeer vermoeid. En dat is ook waarlijk geen wonder. Hij heeft toch al een lange, bezwaarlijke reis achter den rug.
't ls onze oude kennis, de zaadhandelaar De Laat.
Wat heeft hij, zoo laat, nog in deze nauwe, donkere straat te doen?
Schuw kijkt hij telkens om zich heen.
Spiedend neemt hij de huizenrijen aan weerskanten in oogenschouw en blijft nu en dan staan luisteren naar 't gerucht, dat daar binnen gehoord wordt.
Enkele huizen zien er vrij wat deftiger uit dan al de overige. Voor de breede ramen hangen kleurige gordijnen en er binnen hoort men een luidruchtige dansmuziek. Door de openstaande deuren werpt hij spiedende blikken in de helder verlichte gang. Maar als de portier hem beleefd doch dringend uitnoodigt om binnen te komen, verwijdert hij zich snel en met teekenen van schrik en afschuw.
De arme man zoekt zijn zoon, zijn Steven, die vóór eenige dagen de ouderlijke woning verliet en van wien men sedert niets meer vernam.
En tegelijk met hem is ook Dronken Hannes verdwenen.
In den laatsten tijd gebeurde 't, helaas! wel meer, dat hij een heelen nacht buitenshuis doorbracht, maar zóó lang als nu is hij toch nog nooit weggebleven.
Zijn moeder is al sinds weken ziek en tobt aldoor over 't lot van haar éénigen zoon. Als hij niet thuis is, heeft ze rust noch duur.
Sinds den vroegen morgen is De Laat al op 't pad. Nu is hij koud en doodmoe. Zijn schoenen zijn erg bemodderd. Geen zonnestraal heeft zijn weg vervroolijkt. De lucht was donker bewolkt en dreigde met regen. Er woei een koude, vochtige wind.
Het water in de slooten en beken stond buitengewoon hoog en was op sommige plaatsen buiten de oevers gevloeid, het had de lage weiden en heidevelden en hier en daar zelfs de wegen overstroomd.
Aldoor verder ging de reis.
Hij heeft den moed niet, om zonder zijn jongen in huis terug te komen, overtuigd als hij is, dat zijn vrouw dan doodelijk ongerust worden zou.
Maar hoe zou hij hem vinden?
Voor wie iets of iemand zoekt, is de wereld zoo verbazend groot en zijn er zooveel wegen, waarvan telkens weer nieuwe wegen uitloopen. Onder deze omstandigheden wordt het zoeken haast een hopeloos werk.
De Laat kende al de wegen uit den omtrek. In alle wind en weer was hij er over voortgespoed. Plassen had hij doorwaad, koude en hitte moedig doorstaan, want hem kwelden zorgen noch verdriet en hij had hoop op vertrouwen in de toekomst.
Zijn handel ging zeer voordeelig en de som, die hij en zijn vrouw konden besparen, werd met ieder jaar grooter.
Hoe schoon, hoe licht en blij had toen hem en zijn brave vrouw de toekomst geschenen!
En nu was alles zoo geheel anders geworden.
De zoon, op wien hun hoop gebouwd was, had de ouderlijke woning verlaten, om in gezelschap van een gewoon vagebond de wereld in te gaan, misschien wel om met dezen in 't vervolg als een straatslijper rond te zwerven. En dat, terwijl hij zijn hulp in de zaak telkens meer behoefde, want met het klimmen zijner jaren viel 't reizen hem steeds moeilijker. En in plaats dat de zoon nu voor de zaak, die ook dezen in staat stelde om in betrekkelijke welvaart te leven, op reis zal gaan, moet de vader zijn huis verlaten om hem te zoeken en zijn zieke vrouw aan de zorg van Tonia toevertrouwen.
Nu, het bedaarde, schrandere, werkzame meisje is dat vertrouwen wel waardig.
Als de arme moeder zich bezorgd toonde over de toekomst van haar zoon, — en dat was telkens weer 't geval, — dan wist ze haar beter dan iemand anders gerust te stellen en de goede verwachtingen weer in haar te wekken, die ze vroeger van haar kind had gekoesterd.
Moeder De Laat werd steeds meer aan haar verstandig en vriendelijk buurmeisje gehecht en ze verlangde iederen dag naar het uur, waarop ze gewoonlijk kwam opdagen.
De weg naar hier was vader De Laat erg lang gevallen. Zoo vreemd, zoo treurig eenzaam hadden hem de vroeger zoo vriendelijke wegen en paden geschenen.
Wanneer hij op zijn handelsreizen daar voorbijkwam, groette hem iedereen en wisselde hij met de meesten eenige vriendelijke woorden.
Nu poogde hij geheel alleen en onopgemerkt zijn reis te vervolgen. Dat was niet gemakkelijk.
Op schier iederen akker waren nu de lieden met den aardappelenoogst bezig.