← Table of contents
Langs de kust van Afrika

LANGS DE KUST VAN AFRIKA.

Reading edition

De kanonneerboot de Conleuvrine.
De kanonneerboot de Conleuvrine.

De kanonneerboot de Conleuvrine.

I.

“Ik houd u omvat Afrika!” Het was met deze woorden, dat de groote veldheer der oudheid, Caesar, het slechte voorteeken trachtte af te wenden voor zijne bijgeloovige romeinsche soldaten, toen hij ter aarde stortte bij zijn eerste betreden der afrikaansche kust; en het is als of die uitroep ons uit alle tijden te gemoet klinkt. Alle eeuwen, van lang voor onze jaartelling tot heden, hebben het hare er toe bij gedragen, of er althans naar getracht, om een slip op te lichten van den sluier, die daar lag uitgespreid over het groote land ten zuiden der Middellandsche zee. “Ik omvat u Afrika”:—reeds in den geest heeft een Hanno het geuit, toen hij zijn kustvaart aan gene zijde der zuilen van Herkules volbracht; en de groote ontdekker dezer eeuw Dr. Livingstone heeft, met een grenzenlooze, heilige dorst naar wetenschap bezield, gepoogd dit woord waar te maken, toen hij zich ten levenstaak stelde door te dringen in te voren nooit bekende streken. En toch hebben die meer dan vijf-en-twintig eeuwen, die er tusschen deze twee ontdekkers verloopen zijn, nog niet geheel dat grootsche doel dat men zich voor oogen stelde bereikt; toch blijft nog altijd het gezegde van Aristoteles waarheid bevatten: “Afrika brengt ons telkens wat nieuws!” Nog zijn er streken, die nooit zijn bezocht; wouden waar nog nooit de tred des Europeërs heeft weerklonken of zijne stem een echo heeft gewekt.

Aan ernstige, onvermoeide pogingen tot navorsching van deze geheimzinnige wereld, aan nieuwe ontdekkingen, aan belangrijken vooruitgang op het gebied der kennis van Afrika,—heeft het echter in onze eeuw minder dan ooit te voren ontbroken; met volle recht komt haar in dit opzicht de eerepalm toe. Moge er ook nog wel niemand geweest zijn, die het gezegde van den romeinschen imperator in dien zin heeft waar gemaakt, dat hij Afrika heeft doorkruist van Kaap Bon tot aan de Kaap de Goede Hoop, of van den Atlantischen tot den Indischen oceaan; toch kan onze eeuw er zich op beroemen dat zij de wetenschap met onschatbare gegevens over Afrika heeft verrijkt. Het hier volgende reisverhaal van den franschen vice-admiraal Fleuriot de Langle moge het zijne er toe bijdragen iets van die nieuwe ontdekkingen en waarnemingen ter kennisse onzer lezers te brengen, daar genoemde reiziger zich niet uitsluitend tot het varen langs de kust heeft bepaald, maar mede de aldaar opgedane indrukken, zoowel op ethnographisch als linguistisch gebied, te boek heeft gesteld.—Na eerst eenige algemeene opmerkingen ten beste te hebben gegeven over de kust van Afrika, de vroegere ontdekkingsreizen, en den slavenhandel, verplaatst hij ons aan boord van zijn fregat “de Zenobia”, en voert ons naar de westkust van Afrika. Wij willen thans hem zelven aan het woord laten.

II.

Reeds sedert de oudste tijden is Afrika een geheimzinnig land geweest, waar de meest uiteenloopende rassen met elkander in aanraking zijn gekomen. De egyptologen verhalen ons dat Sesostris eene overwinning behaalde over een blauwoogig menschenras met lange, blonde lokken, dat het kustland der Middellandsche zee bewoonde.

Na de stichting van Carthago, dankte deze tyreensche volkplanting haren bloei slechts aan den handel; de zeevaart had op dat tijdstip grootsche afmetingen aangenomen, en de volkplantingen van Carthago strekten zich uit tot op de westkust van Afrika, waarvan deze staat den vorm en de uitgestrektheid nauwkeurig wilde leeren. Het verhaal van een dezer tochten, bekend onder den naam van “Omvaart van Hanno”, is tot ons gekomen; en hoe verminkt het ook moge zijn, schijnt het toch boven allen twijfel verheven, dat Hanno ten minste den Senegal en de Gambia heeft bezocht.

Na de punische oorlogen, waarin Carthago het onderspit delfde, gingen de romeinsche landvoogden voort met den binnenlandschen handel te begunstigen. Een hedendaagsch reiziger, Duveyrier, meent dat het vervoer toen plaats had door middel van met ossen bespannen wagens; hij beweert zelfs dat de sporen van den destijds gevolgden weg nog zichtbaar zouden zijn. Men kan zich licht voorstellen hoe langzaam een dergelijke handel in zijn werk ging. Door de Arabieren werd de kameel in Afrika overgebracht; zij hadden die dieren in hun legertrein; en daar de kameel zich met schamel voedsel tevreden stelt, werd hij hier gemakkelijk inheemsch. De groote afrikaansche handel begint eerst na de verkondiging van den Islam: de ijver van een vurige bekeeringszucht, gevoegd bij de dorst naar winstbejag, den Arabier eigen, kwam alle moeiten te boven; in de karavanen trof men voortaan kameelen in plaats van wagens aan; zij waagden het nu zelfs de woestijn door te trekken. Eenige berichten, omtrent die reizen ingewonnen, zijn door verschillende arabische schrijvers te boek gesteld, en het schemerachtige licht, dat deze verhalen deden opgaan over geheel vreemde volken, prikkelde de weetgierigheid der reizigers, wier taak nog bij lange niet geëindigd is.

Sedert de studiën over Afrika in den smaak gekomen zijn, hebben de historie-schrijvers een ijverig onderzoek ingesteld, welke toch wel de eerste vlag moge geweest zijn, die in de nieuwere tijden, op de afrikaansche kust heeft gewapperd. De Portugees, trotsch op zijnen Infant Hendrik, aan wien hij de vlucht zijner marine dankt, duldde geen mededinger nevens zich, totdat onvermoeide navorschers er in geslaagd zijn aan te toonen, dat aan Frankrijk hier de voorrang toekomt. Bij onderzoek der archieven van Dieppe, is men tot de overtuiging gekomen, dat de bewoners van Normandië bereids vroeg in de middeleeuwen verre zeetochten ondernamen; en met zekerheid kan men vaststellen, dat er reeds in 1364 nederzettingen der Normandiërs op de afrikaansche kust werden gevonden, terwijl de oudste documenten, die de Portugeezen in dezen vermogen aan te wijzen, slechts tot 1418 opklimmen. Zoo is dan deze wetenschappelijke strijd in dien zin beslecht, dat een halve eeuw voor de komst der Portugeezen, reeds de fransche vlag op de afrikaansche kust wapperde.

De Portugeezen, die krijg hadden gevoerd met de Mooren, waren vijandig gezind tegen de deels mohammedaansche, deels heidensche volken van Afrika, die door hen werden uitgeplunderd en mishandeld naar welgevallen: zoodat hunne tochten dan ook voor hen zeer gevaarlijk werden, wegens den tegenstand dien zij ondervonden.

De fransche burger- en godsdienstoorlogen der vijftiende eeuw deden de tochten der bewoners van Dieppe uit het oog verliezen, en verzekerden de overwinning aan de portugeesche vlag. Uit de benamingen, die men zelfs heden nog aantreft in Afrika, blijkt echter, dat de bewoners van Dieppe hier de baanbrekers zijn geweest. De naam van la Mine op de Goudkust, eene nederzetting gesticht om zich den rijken goudhandel te verzekeren, bewijst dat. Ter zelfder plaatse stichtten de Portugeezen in 1481 een kasteel, dat het middelpunt en de sleutel hunner bezittingen op de Goudkust werd; en men wil dat men in de kapel van Elmina nog het fransche wapen heeft gebeiteld gevonden.

De handel dien de Portugezen aan den Senegal dreven, was altijd zeer onzeker; in 1591 was er in die streken nog slechts één Portugees te vinden; de inboorlingen van de kust van Guinea, eindelijk hunne wreedheden moede, hadden hen overal verjaagd en de Hollanders hadden hunne plaats ingenomen. Ook de Engelschen vertoonden er zich, en hielden zich bezig met ruilhandel te drijven, gelijk trouwens de eerste Europeanen, die op de kust van Afrika vasten voet kregen, over het algemeen deden.

Niet lang echter zou deze handel zijn onschuldig karakter blijven behouden; na de ontdekking en kolonisatie van Amerika, en de aankweeking van aldaar deels inheemsche, deels derwaarts overgebrachte en voor den handel belangrijke gewassen, kwamen er andere elementen in den afrikaanschen handel: men zag er weldra slavenmarkten, die bestemd waren hare koopwaar voor Amerika af te leveren. Tal van sterkten verrezen op de kust van Afrika, en met een te voren ongekende hardnekkigheid betwistte men elkander het bezit van de meest verwijderde en ongezondste streken.

In 1637 nam Frankrijk bezit van Saint-Louis. Deze haven bleef sedert de sleutel der fransche bezittingen op de Westkust van Afrika. Evenwel was men niet geneigd aan Frankrijk het bezit dezer haven en van dat gedeelte der kust, dat tusschen kaap Blanc en Sierra-Leona ligt, onbetwist te gunnen, en de hachelijke oorlogskans noopte het hof van Versailles een- en andermaal om zijne afrikaansche bezittingen af te staan aan meer gelukkige mededingers. De zeventiende en achttiende eeuw was getuige van hardnekkige worstelingen; doch sedert 1815 scheen men een ander inzicht gekregen te hebben in de wederzijdsche aanspraken en verhoudingen der mogendheden; van toen af kon er aan gedacht worden een zekerder regeling voor de toekomst vast te stellen. Meer dan eenig andere heeft dus de afrikaansche bevolking voordeel gehad bij den stroom van verlichte ideën, die onze eeuw met kwistige hand heeft uitgegoten.

Thans het een en ander over den slavenhandel: eene kwestie, die reeds vele ernstige gemoederen heeft bezig gehouden, en waarvan het dus overwaardig is, de verschillende ontwikkelings-phasen tot aan haar algeheele oplossing na te gaan. Van het begin af heeft men het noodig geacht den slavenhandel een masker voor te binden; de voorstanders beweerden dat het hun voornamelijk te doen was om de verwezenlijking der grootsche ideën: vrijheid voor de verdrukte Indianen, beschaving en Christendom voor de Afrikanen. Dit programma, wij behoeven het niet te zeggen, werd in geen enkel opzicht vervuld. De Indianen werden in de amerikaansche volkplantingen uitgeroeid; men stelde negers voor hen in de plaats; doch ook bij dezen stond het cijfer der geboorten in geenerlei verhouding tot dat der sterfgevallen, en ook zij slonken op hunne beurt weg. Steeds kwam er uit Amerika dringender aanvraag om nieuwe slaven, waarvan meestal de helft stierf alvorens de plaats hunner inscheping te bereiken, terwijl van de overgeblevenen zeer velen op de zeereis omkwamen.

Sedert 1792 begonnen er zich in het engelsche Parlement stemmen te verheffen tegen dit menschonteerend bedrijf. Men schatte destijds het cijfer der Afrikanen, die jaarlijks naar Amerika vervoerd werden, op tachtigduizend; maar dit cijfer bleek ver beneden de werkelijkheid: alleen St Domingo en de engelsche Antillen eischten zoo veel slaven, om hunne plantages aan den gang te houden. In de fransche en engelsche koloniën bevonden zich een millioen vijfmaal honderd-duizend slaven; in de spaansche koloniën vond men er twee millioen; niet minder waren er in Brazilië.

Naar eene stellig niet overdreven berekening, mag men veilig aannemen, dat jaarlijks niet minder dan tweehonderd-duizend negers uit Afrika naar Amerika werden vervoerd. Het kwaad was zoo hoog gestegen, dat eene reactie niet kon uitblijven. Het vervoer van deze tweemaal honderd-duizend slaven vorderde eene groote koopvaardijvloot, die jaarlijks aan verschillende artikelen, een waarde, gelijkstaande met deze menschelijke koopwaar, naar Afrika terugbracht. Frankrijk en Portugal deden zelven hun aankoopen van slaven en vervoerden ze. De groote winsten van dien handel wekten Engelands naijver op, dat zich weldra het leeuwenaandeel wist te verzekeren. Niet alleen toch voorzag het zijne eigen koloniën van slaven, maar het wist ook van Spanje het monopolie te verwerven van den slaveninvoer in zijne overzeesche bezittingen.

Tot aan den vrede van Aken 1748, werden de spaansche koloniën, ten gevolge van dit octrooi (asiento), door Engeland van slaven voorzien. Tegen een schadevergoeding van een half millioen francs, was Engeland toen geneigd, het systeem van vrijen handel in dezen te herstellen. Aan Engeland de schande, eenerzijds, dat het den handel op ongekend groote schaal heeft gedreven; maar aan Engeland ook, anderzijds, de eer, het eerst dezen onmenschelijken tak van handel te hebben gefnuikt. Bij het begin dezer eeuw, op het Weener congres, besloten, op een door Engeland daartoe genomen initiatief, de afgevaardigden der verschillende mogendheden den slaveninvoer in al hunne bezittingen af te schaffen. Het Weener congres legde de kiem tot die beweging, die de slavernij zelve wilde vernietigen, en welker geschiedenis wij kortelijk willen verhalen.

Na den vrede van 1815 herleefde alom de handel, na een langdurigen tijdperk van stilstand en achteruitgang. Ook de slavenhandel begon op nieuw, en nam thans, geprikkeld door den hoogen prijs der negers op de koloniale markten, een ongekende vlucht. In 1792 bedroeg het getal der uitgevoerde slaven tweemaal honderd-duizend: thans overtrof het dat cijfer nog. Strenge wetsbepalingen werden er in Frankrijk en elders tegen den slavenhandel uitgevaardigd: eindelijk werd die handel met zeeroof op ééne lijn gesteld. Frankrijk en Engeland zonden ook schepen naar de afrikaansche kust om aldaar te kruisen, en de misbruiken tegen te gaan, die er onder hunne vlag werden bedreven. Op tallooze manieren wisten echter de slavenhandelaars aan de kruisers te ontsnappen: zij hadden zulke lichte schepen, dat zij den snelsten zeiler konden ontkomen; en had men hen ook al eens met stil weder of in een baai verschalkt, dan werden de kruisende schepen nog om den tuin geleid door het hijschen eener valsche vlag of het toonen van valsche scheepspapieren, die de slavenhalers steeds in voorraad hadden. Engeland stelde ten laatste aan zijne bondgenooten voor, om aan deze schandelijke praktijken een einde te maken door aan de kruisers wederzijds het recht toe te kennen, zich te vergewissen omtrent de identiteit van de vlag der schepen, die zij ontmoetten in de wateren, welke door de slavenhandelaars werden bezocht. Dit recht werd, ten aanzien van Frankrijk en andere mogendheden, geregeld bij de conventiën van 1832 en 1833, welke echter Spanje, Portugal en Brazilië weigerden te onderteekenen, daar zij haar als strijdig met hun belang beschouwden. Met een som gelds werd echter de spaansche kroon tot medewerking overgehaald; en bij het snuffelen in hare oude archieven, kwam de britsche regeering tot de verrassende ontdekking, dat zij reeds het recht had, de portugeesche en braziliaansche schepen te onderzoeken: een recht, waarvan zij nu ruimschoots gebruik maakte. Gemengde commissiën zetelden op verschillende punten der afrikaansche kust, om, in twijfelachtige gevallen, de geldigheid van het aanhouden der slavenschepen door engelsche kruisers uit te maken. De admiraliteit van Sierra-Leona was zonder ophouden werkzaam; echter kon het overgroote aantal veroordeelingen, welke dit lichaam uitsprak tegen spaansche, portugeesche en braziliaansche schepen, die bleken slavenhalers te zijn, dien handel niet fnuiken, die juist door den tegenstand al winstgevender werd.

In de koloniën was de prijs der slaven verdubbeld; de fransche handel was weldra de brutale engelsche kruisers moede, en de klachten werden eindelijk zoo dringend en heftig, dat Frankrijk besloot in 1845 de conventiën van 1832 en 1833 op te zeggen, en zelf het opzicht over zijn vlag wederom uit te oefenen. Voor Engeland deed dit alles een ander licht opgaan: men begon in te zien, dat men, om den slavenhandel in de kiem te onderdrukken, beginnen moest om de slaven in Amerika vrij te verklaren; in de koloniën der britsche Kroon geschiedde dit reeds in 1838. Frankrijk volgde in 1848, en tegenwoordig vindt men geen slaven meer dan in Brazilië en in de spaansche bezittingen. Sedert het groote feit, dat een einde gemaakt heeft aan den amerikaanschen burgeroorlog, is ook dezen staten niets anders overgebleven, dan eveneens, wat vroeger of later, aan hunne negers de vrijheid te schenken.

Op het dek van de Zenobia.
Op het dek van de Zenobia.

Op het dek van de Zenobia.

Het Weener congres heeft alzoo het doel, dat het zich voorstelde, bereikt: de eigenlijke slavenhandel wordt tegenwoordig niet meer dan op zeer geringe schaal gedreven; slechts onder portugeesche vlag worden er nog slaven vervoerd. De gevolgen der neger-emancipatie in de amerikaansche koloniën zijn voor ’t minst twijfelachtig; maar ’t valt niet te ontkennen, dat de opheffing van den slavenhandel zeer gunstig heeft gewerkt op de inboorlingen van Afrika zelf.

Maar ook op den handel is die gunstige invloed merkbaar geweest. Tijdens de slavenhandel bloeide, werden alleen die koopwaren ingevoerd, waarmede de prijs der slaven werd betaald; na de opheffing daarvan werden de oude stapelplaatsen, door de eischen van den menschenhandel in het leven geroepen, niet alleen niet gesloten, maar zelfs nieuwe wegen voor den wettigen handel geopend. Verfstoffen en oliehoudende zaden zijn in zoo kwistigen overvloed in Afrika verspreid, dat zij voor den koophandel eene bijna onuitputtelijke mijn openen. In Senegambië begon men de arachide (een peulvrucht) met goed gevolg aan te kweeken, en men bevond dat de grond en het klimaat er zeer geschikt voor waren. De oliepalm of guineesche olijfboom (Elaïs Guineënsis) vormt dichte onafzienbare wouden, die zich van Sierra-Leona tot aan Angola uitstrekken.

Eene inlandsche familie te Saint-Louis.
Eene inlandsche familie te Saint-Louis.

Eene inlandsche familie te Saint-Louis.

Een nieuw tijdperk licht aan voor Afrika; werden er vroeger eskaders uitgerust ter bescherming van weerlooze bevolkingen tegen de gruwelijke misbruiken van menschenroof en slavenhandel: thans worden de afrikaansche kusten alleen door koopvaarders bezocht, die de schatten van den rijken bodem komen halen en ze inruilen voor de voortbrengselen der moderne nijverheid.

III.

De Zenobia, een oud fregat van vijftig stukken en met eene machine van tweehonderd paardenkrachten voorzien, verliet den 27sten December 1865 de haven van Toulon. De vice-admiraal, burggraaf Fleuriot de Langle, die zich aan boord bevond, moest het opperbevel overnemen over het eskader, dat ter bescherming dient van de fransche nederzettingen op de Goudkust.

Met prachtig weder verliet de Zenobia de kust van Provence, en weldra stevende zij door de golf van Lyon: een water, waar de zeelieden het in den winter niet op begrepen hebben. Allengs doemden op en zonken weg de hooglanden van Catalonië en van Valencia, en de spitse, kale kruinen der Balearische eilanden. Die spaansche kust.... welke herinneringen wekt zij niet al op! Waar nu Valencia ligt, lag eens de vermaarde stad Saguntum, de twistappel tusschen Rome en Carthago; en bij Cabrera denkt men onwillekeurig aan den hongerdood der fransche krijgsgevangenen, die aldaar van 1808–1814, tijdens den spaanschen oorlog, hebben moeten boeten voor de heerschzucht van hunnen Keizer.

Verder stevende de Zenobia. Murcia zinkt reeds achter de kimmen; kaap Palos, Alicante, Carthagena, gaan achtervolgens voorbij. Na kaap Palos uit het gezicht verloren te hebben, stak er een flinke bries uit het westen op, straks in een storm overgaande, dien echter de Zenobia moedig trotseerde.

Gibraltar lag weldra voor ons; en op den 1sten Januari 1866 wierpen wij het anker uit bij het kolenmagazijn, dat nieuwen voorraad leveren moest voor de machine, daar de voorraad, uit Toulon medegebracht, reeds verbruikt was.

Wie te Gibraltar komt, denkt misschien allereerst aan de oude legenden en mythen der zuilen van Herkules, maar zeker aan de verovering van Spanje door de Muzelmannen; aan het schitterende tijdperk van hun bloei; aan de eeuwen lange worsteling tusschen het Kruis en de halve maan; aan de eindelijke zegepraal van Ferdinand en Isabella: aan, ja ook aan de verovering van Gibraltar door Engeland, dat er zich sedert ruim een eeuw gehandhaafd heeft.

Weldra kliefde de Zenobia hetzelfde water, dat de Karthager Hanno, eenige eeuwen voor onze jaartelling, met zijne schepen doorkruist had; zij stevende naar het gebied der uit Spanje verdreven moorsche stammen, er verder naar de landen, door de echt afrikaansche rassen bewoond.—Na geworsteld te hebben met een orkaan, die ook de europeesche kusten teisterde, bereikten wij den Senegal, en bezochten de aldaar gelegene factorijen. Onze verdere zeereis zullen wij niet in alle bijzonderheden beschrijven: werpen wij liever een blik op het land en zijne bewoners.

IV.

Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals is buigzaam en sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.

De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.

Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.

De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.

In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid van volkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.

Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbare achtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbare voorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.

Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.

De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunne koperkleurige huid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.

Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28en tot den 33en graad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.

De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië en Groot-Bassam bewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. De Kroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.

Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate men zich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.

Een spahi van den Senegal.
Een spahi van den Senegal.

Een spahi van den Senegal.

Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.

De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, de Kroumanen en de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken. De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.

Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.

Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.

Negers van Gorea.
Negers van Gorea.

Negers van Gorea.

Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.

V.

Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaal midden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.

De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam van tafellanden hebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.

Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woord woestijn steeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.

De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid van Mogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.

Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.

De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.

De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.

Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingen moeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.

De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam van tyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.

De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.

Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver, sbat genaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.

De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam van sebkha bekend staan.—De meest bekende sebkha ligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.

De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko, betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de fransche regeering te stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.

Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.

Het land El-Gada, ten zuiden van Oued-Noun gelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.

Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.

De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.

Een Peul (herder).
Een Peul (herder).

Een Peul (herder).

Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.

Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord der Malouine naar de Canarische eilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.

Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.

Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.

Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht de Lévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.

Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meer onder de matrozen van den Senegal.

Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van de Medusa eene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.

Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.
Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.

Een inlandsch opperhoofd uit Senegambië.

In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguin een fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.

Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.

De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijn alleen de sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.

Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.

Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeelieden sama, bosi-negro, brecka en poulvina genoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.

De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.

VI.

Als wij de verschillende natiën van Afrika beschouwen, zullen wij dikwijls gelegenheid vinden, de ingewikkelde vraag van hunnen oorsprong te bespreken.

Alvorens over den Senegal te spreken, wiens oevers de grensscheiding uitmaken tusschen de berbersche en de ethiopische rassen, moeten wij eerst eene algemeene klassificatie beproeven, die tot beter begrip der volgende schetsen zal dienen.

Door onafgebroken onderzoek is de nieuwere wetenschap tot de onderzoeking gekomen, dat de wet, welke de vorming en ontwikkeling der talen beheerscht, zich steeds laat gelden; dat, welke ontwikkeling de oorspronkelijke taal ook ondergaan moge hebben, zij toch op onmiskenbare wijze het zegel harer afkomst behouden heeft; zoodat het mogelijk is, langen tijd na hare scheiding, tusschen reeds ver uiteenloopende taalgroepen eene vaste betrekking aan te wijzen; daardoor heeft men volken, die thans door onmetelijke afstanden gescheiden zijn, tot eenen gemeenschappelijken grondtype kunnen terugbrengen.

Het is de taalstudie dus, die in de eerste plaats onze gids moet zijn in den doolhof, dien de ethnographie van Afrika voor ons opent.

De analyse heeft ons veroorloofd de talen in kenmerkende groepen te scheiden: eenlettergrepig bij den aanvang, worden zij door eene zeer langzame vervorming meerlettergrepig. De eigenaardige gesteldheid en ligging van Afrika, dat met andere werelddeelen slechts door een nauwe landengte is verbonden, maakt de taalstudiën voor dit werelddeel gemakkelijk, omdat de afzondering, waarin de verschillende afrikaansche volken geleefd hebben, hen heeft verhinderd, vreemde elementen in zich op te nemen, zoodat zij de taal hunner vaderen onvermengd hebben bewaard. Deze onverandelijkheid van hun taaleigen stelt ons in staat, vrij nauwkeurig de aardrijkskundige grenzen van elke groep te bepalen en hare verhuizingen te kunnen nagaan.

De vormen der afrikaansche talen, die over het algemeen meerlettergrepig zijn, duiden eene zeer oude beschaving aan; deze talen hebben aan het spreken meer vlugheid bijgezet, door dat men de zelfstandige naamwoorden heeft vervangen door voornaamwoorden, die van denzelfden wortel worden afgeleid; het kleine aantal dezer partikels, en de regelmatige wijze waarop zij bij het zelfstandig naamwoord zijn geplaatst, doen hen gemakkelijk herkennen; deze voornaamwoorden zijn derhalve een gemakkelijk middel geworden, om de talen, waarin zij voorkomen, à priori in klassen te verdeelen.

Het schijnt dat het vernuft der volken alle mogelijke combinatiën, wat het gebruik dezer wortelwoorden betreft, heeft uitgeput. Bij sommige groepen gaan de voornaamwoorden aan het zelfstandig naamwoord vooraf, onder den vorm van voorvoegsels; bij andere daarentegen volgen zij als achtervoegsels; in sommige gevallen kunnen zij nog verbogen worden, en wijzen door hunne veranderingen het geslacht van den persoon, van wien men spreekt, of tot wien er gesproken wordt, aan; bij andere groepen zijn zij onverbuigbaar. Eindelijk worden er ook nog zulke aangetroffen, die afzonderlijke naamvallen hebben om enkel- en meervoud aan te duiden.

Voorzeker zoude het eene lastige zaak zijn, de voor- en achtervoegsels te leeren kennen, indien hun getal onbepaald ware; doch de taalkenners zijn tot de overtuiging gekomen, dat zij op zijn hoogst niet meer dan zestien verschillende vormen kunnen aannemen. Sommige taalgroepen hebben er slechts een kleiner aantal van behouden, waarvan sommigen gebruikt worden om enkel- en meervoud, anderen om onbepaalde naamvallen aan te duiden.

De talen, die een wortel-voornaamwoord van het zelfstandig naamwoord doen voorafgaan, zullen wij het eerst onderzoeken; de studie die men van deze groep gemaakt heeft, is nog niet zoo ver gevorderd, dat men de overeenkomst van het voorvoegsel kan constateeren; de naamvallen worden er aangeduid door bijzondere vormen, die aan enkel- en meervoud eigen zijn.

Dit algemeene karakter vertoont zich bij groepen, wier wortels ver genoeg uiteen loopen, om de taalgeleerden te nopen de afrikaansche dialekten met onverbuigbare voorvoegsels in twee groepen te verdeelen, welke gescheiden worden door den equator.

De eerste groep, die bepaaldelijk in Noord-Afrika te huis behoort, heeft den naam van gor ontvangen; het gor wordt op zijne beurt weder verdeeld in verschillende groepen, waarvan het jolof, het foulah, het oumali, dat in Darfoer gesproken wordt, en het gah, dat op de Goudkust, in het gebied Accrah te huis behoort, de voornaamste zijn. Deze talen beslaan eene breedte van 10 à 11 graden, van de Libysche woestijn en de Sahara tot aan het Nigerdal, waar de veroveringen der Foulahs haar gebracht hebben; in de lengte strekken zij zich, met een boog van 40 graden, van Darfoer tot den Atlantischen Oceaan uit.

De tweede groep van talen met voorvoegsels is inheemsch in Zuid-Afrika, en wel in negen tiende gedeelten daarvan; haar naam van bantou dankt zij aan de Kaffers, die hare dialekten voornamelijk spreken. De kaffertalen zijn ontwikkeld genoeg, om hare wortels, die standvastig zijn, te kunnen onderkennen. Talen van deze vorming vinden wij van de kust van Zanzibar tot aan kaap Palmas; zij omspannen derhalve Zuid-Afrika als met een net: op het souheli, dat gesproken wordt op de kust van Zanzibar en op de Comoren, in de Indische zee, volgen de dialekten van den Zambeze en van de Zoulous van Natal. De Betsjuanen en Bassoutos spreken het zuiverste bantou, eene taal, die men in het binnenland tot aan het N’gami-meer aantreft.

De Hottentotten en Boschjesmannen, die de westelijke kusten van Afrika bewonen tot aan de Oranjerivier, spreken talen met achtervoegsels. Te beginnen bij de Cimbebas, vinden wij wederom talen met onverbuigbare voorvoegsels. De bewoners van Benguela spreken het herero of otiherero. De bonda- of fiotes-talen worden gesproken van St. Paul de Loanda tot aan Loango. De stammen van Gabon en van de streken langs de omliggende rivieren bedienen zich eveneens van talen met voorvoegsels: het pongwé, het bakalai, het fan, het ashira, het benga, zijn er de voornaamste dialekten van. Ook behoort daartoe het dualla en isobo, dat gesproken wordt door de stammen, die de landstreek tot aan den berg Camerones bewonen. De Bouvis, bewoners van Fernando-Po, spreken het batélé, dat geen groot verschil oplevert met de talen der kust.

Wij komen dus weder aan den equator, waar wij evenzeer talen met voorvoegsels vinden onder de volken, die aan de monden van den Niger wonen. Deze verschillende dialekten dragen verschillende namen; te Oud-Kalaban heet de taal effick; te Bonni, istoloma; te Yarriba en Lagos, nago; waarop het wéghé of crépé volgt; deze taal wordt gesproken door de Dahomans en de volken die van Badagri tot aan de Rio-Volta wonen. Daarna komen wij aan de Goudkust, waar wij dialekten vinden, die van het kass of agni zijn afgeleid, dat de moedertaal van het fanti en ashanti schijnt te zijn; het kass en agni worden gesproken in de moerassen van Groot-Bassam en Assinië, waar er eenige vreemde elementen bijkomen; zij strekken zich noordwaarts uit tot aan het Kong-gebergte.

De volken, die de streek tusschen St. Andreas en Kaap Monte bewonen, zijn over het algemeen bekend onder den naam van Kroumanen; men verdeelt hen in drie hoofd-stammen: de Grebos, op hunne beurt weder eene vereeniging van vele kleinere stammen, wonen van St. Andreas tot aan Kaap Palmas; de Mena, de Dey, de Diolas en de Wey aan de Peper- of Malequetta-kust, waar de Noord-Amerikanen eene kolonie van vrijgelatenen gesticht hebben onder den naam van Liberia.

De ména-talen hebben eene afzonderlijke groep uitgemaakt; daarop vinden wij de bantou-talen, die in zwang zijn van kaap Monte tot aan de Scarcies, rivieren die ten noorden van Sierra-Leone loopen. De dialekten der Bullom, der Timanies, die aan de Boven-Rokelle en hare monding wonen, behooren hiertoe, evenals de dialekten van Sherbro.

De talen van Afrika, in welke de wortels achter het zelfstandig naamwoord gehecht zijn, worden in twee groote groepen verdeeld: in de eerste is het achtervoegsel verbuigbaar, in de tweede onverbuigbaar.

De talen met verbuigbare voorvoegsels worden in Noord-Afrika vertegenwoordigd door de galla-, somala-, tibou-, en haoussa-talen, waarvan de verwantschap met het berbersch of arabisch misschien alleen bestaat in het gebruik maken der achtervoegsels; het koptisch heeft echter eene nauwe verwantschap met het hottentotsch.

Deze talen strekken zich ook over eene groote landstreek uit, begrepen tusschen de Atlantische, Middellandsche, Roode en Indische Zeeën; ook hebben zij zich een weg gebaand op de oostelijke kusten tot aan den zesden graad noorderbreedte, terwijl aan de Atlantische Zee de zestiende graad de grens van hun gebied is; zij snijden den meridiaan onder eenen hoek van ongeveer 20 graden, en scheiden de talen met voorvoegsels in twee ongelijke groepen, waarvan de voornaamste westelijk gelegen is.

In de talen, waarvan de Hottentotten en Boschjesmannen zich bedienen, hervindt men het gebruik van het buigbare achtervoegsel in al zijne zuiverheid terug; wij kunnen op dit oogenblik niet verklaren, waaraan deze overeenkomst van wortels en taalvormen is toe te schrijven, tusschen volken, die schier door een geheel werelddeel van elkander zijn gescheiden.

Een Peul (herder).
Een Peul (herder).

Een Peul (herder).

Als wij nogmaals talen met onbuigbare achtervoegsels willen vinden, moeten wij naar Noord-Afrika terug: deze vorm is wederom eigen aan het mandingo-ras. Deze dialekten worden aangeduid met den naam van mandé-téda; zij worden gesproken van den Boven-Senegal tot over het Kong-gebergte; het soninké en het malinké zijn er de voornaamste dialekten van. De rivieren, zooals de Gambia, de Kajamanja, de Rio Geba, de Rio Nunez, die Senegambië besproeien, volgende, banen zij zich een weg tot aan den Atlantischen Oceaan. Langs deze rivieren hebben de Mandingo nederzettingen gevormd.

In Midden-Afrika vindt men, als vertegenwoordigster dier talen, het kanouri, dat in Bornou gesproken wordt.

De Berberen schijnen de afstammelingen te zijn van de oorspronkelijke bevolking van Noord-Afrika. Zorgvuldig heeft men de betrekking nagegaan, die er bestond tusschen het berbersch en het ouralische dialekt. Eenigen hebben gemeend daaruit te mogen besluiten, dat Azië het uitgangspunt van dit ras is geweest, aan hetwelk zij ook de groote steenen gedenkteekenen toeschrijven, die in Europa en Afrika hunnen tocht zouden hebben gekenmerkt.

Deze theorie schijnt nog niet genoeg door bewijzen gestaafd, om zonder voorbehoud te kunnen worden aangenomen. Het kan niet twijfelachtig zijn, of de invloed van het berbersch is zeer sterk geweest, en heeft zich zeer lang doen gevoelen; in den ouden tijd was het toch algemeen de gewoonte, dat de overwonnen volken in het bezit hunner eigene taal en zeden werden gelaten; het is slechts aan de woeste geloofsleer der Arabieren, die Afrika aan de noord- en oostzijde zijn binnengedrongen, te wijten, dat er zulk eene vreeselijke verwarring ontstaan is, die oorzaak is geweest dat de afrikaansche volken, na de verkondiging van den Islam, andere woonplaatsen zijn gaan opzoeken.

De overlevering, die wij nog bij de Jolofs vinden, leert ons dat zij van het oosten zijn gekomen en zich langs de rivier den Senegal hebben gevestigd, wier linkeroever hun nu nog tot woonplaats strekt. Omtrent het vermoedelijke tijdstip dezer verhuizing kan niets worden gemeld.

Kordofan, waar wij eene zwarte bevolking vinden, wier taal eenige overeenkomst met die der Jolofs verraadt, zou wel het uitgangspunt van dit ras geweest kunnen zijn. Ook de Gangaris, meer bekend onder den naam van Sarrokolets of Soninkés, zijn uit het oosten gekomen; in de vroegste oudheid stichtten zij ten noorden van Masina een rijk, welks hoofdstad Oualata was. Tegenwoordig hebben zij hunne onafhankelijkheid alleen behouden in het land Galam, ook Gangara genaamd. Zij hebben een kaste van krijgslieden, de bakiris, en een priesterkaste, de saybolis, die den grooten volksraad uitmaken.

De Mandingos of Malinkés verlieten in het begin der middeleeuwen hunne woonplaatsen, vernietigden het rijk der Gangari, wierpen de andere zwarte rassen naar het westen terug, en stichtten een rijk, waarvan de aardrijkskundige Leo de Afrikaan melding maakt onder den naam van Mali. De Malinkés zijn krijgslieden. De heerschende kaste heet bij hen Courbari; zij vereeren de Kabiren.

Later zien wij de Bambarras, aan de Malinkés verwant, het rijk van Mali vernietigen, en aan de oevers van den Jolibaa of Niger, twee machtige rijken stichtten, waarvan het eene Djenné, het andere Sego tot hoofdstad had; tot Kaarta en Kasson voerden zij hunne zegevierende wapenen. Hun rijk is in den laatsten tijd vernietigd door den Foulah Hadji-Omar, die zich ook van hunne hoofdstad Sego heeft meester gemaakt. Een hevige strijd, waarvan de uitslag nog niet te voorzien is, wordt tegenwoordig door zijnen zoon Hamdou gevoerd tegen de verschillende elementen, die eenmaal dat rijk vormden.

Terwijl de Gangaris en de Bambarras van het oosten naar het westen getrokken zijn, hebben de Gallas of Oromos, van het meer Tchad komende, reeds in voorhistorische tijden, zich noordoostelijk gewend en zich op Abessinië geworpen, dat zij voor een deel hebben vermeesterd. De oostkust van Afrika is dikwijls de prooi geweest van geduchte veroveraars, die men aldaar nog onder den naam van Wasimba kent. Men meent dat deze nomaden tot het galla-ras behoorden.

De bewoners van het Nigerdal, even als de Foulahs en Jolofs, zijn van het oosten naar het westen getrokken. Ook hier meent men dat de uitbreiding van den Islam deze volken uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen heeft verdreven. Bij de Ashantis vindt men nog eenige overleveringen, die er op schijnen te wijzen, dat zij betrekkingen hebben gehad met het oude Egypte; hunne vestiging op de oostelijke helling van het Kong-gebergte is eene gebeurtenis van betrekkelijk jongen datum, die zeker niet vroeger dan de twaalfde eeuw heeft plaats gegrepen.

Het zoo uitgestrekte net van rivieren dat Zuid-Afrika overdekt, maakt er het verkeer veel gemakkelijker dan in het noordelijk deel. Evenwel vinden wij geenerlei aanwijzing aangaande de verhuizingen van de hier wonende horden; de reden hiervan ligt in de omstandigheid, dat deze streken verschoond zijn gebleven van de bezoeken der Arabieren, aan wie wij de weinige zekere berichten, die wij aangaande Soedan bezitten, te danken hebben. De volkomen afzondering der Hottentotten, die eene taal spreken met buigbare achtervoegsels, blijkbaar aan de koptische taal verwant, is zeer moeilijk te verklaren. Op welk tijdstip hebben zij Noord-Afrika verlaten? Hebben de Kaffers hen naar het zuiden teruggedrongen? Ziedaar onoplosbare vragen.

VII.

De machtigste stam der Mooren van den Senegal draagt den naam van Trarzas of Abencezarzas; eenige taalgeleerden willen in hen de afstammelingen der Abencerragen zien. De stamverwanten of schatplichtigen van de Trarzas strekken zich van Tiris, waar zij met de Ouled-Delim vermengd zijn, tot aan den Senegal-oever uit; hunne handelsplaatsen liggen tegenover Dagana.

Een Peul van den Boven-Senegal.
Een Peul van den Boven-Senegal.

Een Peul van den Boven-Senegal.

In den oorlog draagt de Moor een vuursteen-geweer met twee loopen: een gevaarlijk wapen, omdat hij altijd een schot bewaart voor het geval dat de vervolgende vijand in zijne onmiddellijke nabijheid is; in den kleinen of tirailleurs-oorlog munt de Moor vooral uit; van de minste oneffenheden van het terrein weet hij tot zijn voordeel gebruik te maken; in het open veld maakt hij allerlei bewegingen en sprongen om te verhinderen dat hij als mikpunt gekozen wordt; een dolk, doorgaans van goede bewerking, maar slecht gehard, voltooit zijne wapenrusting. De Moor van den Senegal heeft een goed ontwikkeld hoofd, een bolrond voorhoofd, eenigszins uitpuilende oogen, een arendsneus, een grooten mond met dunne lippen, en sterke, scherpe tanden; zijn hoofd draagt hij fier rechtop, zelfs eenigermate in den nek geworpen; doorgaans gaat hij blootshoofds, zelfs als hij zijne golvende haren heeft verloren, hetgeen hem vroegtijdig overkomt.

Zijne kleeding bestaat uit een lange tuniek of koussab, een kleedingstuk dat hem tot op de hielen hangt; daaronder draagt hij een wijden, geplooiden onderbroek, die hem slechts tot aan de knieën reikt. Wasschen doet hij zijne kleederen nooit, en zich zelven maar zeer zelden: geen wonder dus dat de lucht die hij verspreidt nog onverdragelijker is dan die der negers; in den oorlog of op marsch, bindt hij zijn koussab op en gaat met bloote beenen en voeten.

De moorsche vrouwen paren aan eene groote sierlijkheid van vormen, fijnheid en bevalligheid; de vorming der handen en voeten laat niets te wenschen over. Jammer echter is het dat deze natuurlijke bevalligheden weldra verdwijnen onder een buitengewone vetlaag, want logheid is in de oogen dezer Oosterlingen het ideaal van schoonheid.

De stam der Trarzas wordt thans geregeerd door Ouled Mahomet el Habib; de voornaamste geslachten zijn: de Rhaclas, de Bouiedas, de Azounas en hunne schatplichtigen; de marabouts zijn gemeenlijk Zenajas-Berberen.

Het voedsel der Mooren bestaat uit kouskous: een soort van gierstepap of brij; voorts uit gierst, melk en schapenvleesch; zelden slachten zij ossen of kameelen; gestoofd schapenvleesch is eene lekkernij voor hen; deze geliefkoosde spijs verschaffen zij zich door gaten in den grond te graven, welke zij vullen met houtskool, en waarin zij het schaap leggen, na het van de ingewanden te hebben ontdaan; wil de lekkernij volkomen zijn, dan moet de huid er aan blijven.

Het voornaamste, en wij kunnen wel zeggen het eenige ruilmiddel dat de Moor bezit, is de gom, die uit de stammen van zekere acacia-boomen, welke men in grooten getale in de woestijn aantreft, druipt; de vereck levert witte, de neboued roode gom.

De bosschen van gomboomen bevinden zich in den Sahel (de kuststreek), twintig mijlen ten oosten van Portendick gelegen, en te Dubar, op vijf en twintig mijlen afstands van kaap Mirick; nog een derde woud, El Fata, levert, even als Tagant, eveneens eene groote hoeveelheid gom; het zijn vooral de Douaichs, die deze wouden exploiteeren.

Als de slaven de gom verzameld hebben, wordt zij in lederen zakken gepakt, en de stam begeeft zich op weg naar de oevers van den Senegal, waar men het met de handelaars over den prijs tracht eens te worden; de blauwe guinje geldt in den handel als eenheidsprijs. De kudden maken den voornaamsten rijkdom uit van de Mooren van den Senegal; deze kudden bestaan uit kameelen, ossen en schapen, welke men, al naarmate het jaargetijde zulks medebrengt, van de eene weideplaats naar de andere voert.

De bevolking van Senegambië bestaat uit drie hoofdrassen: de Joloffen, de Mandingos en de Foulahs. De Joloffen hadden een tamelijk machtigen staat gesticht, die uit vier provinciën bestond: Ouallo, Guiolofe, Cayor, Sin en Saloum, waar de Joloffen vermengd waren met de Serreren, die eene andere afstamming hebben. De hoofden dier provinciën droegen verschillende namen; Guiolofe werd bestuurd door een bourba, die de opperheerscher was; Ouallo door een brack; Cayor door een damel; Sin en Saloum door teigns.

Een kaste van edelen stelde zich dikwijls tusschen het opperhoofd en het volk: dit was de kaste der tiédos in Cayor; hunne plundertochten brachten het land aan den rand des ondergangs. De opvolging had bij deze volken plaats in de zijlinie: de zoon van des opperhoofds oudste zuster volgde hem op.

De Jolofs hebben vier kasten: de edelen, de tugs of smeden, de oudaï of leerlooiers, de mouls of visschers; een groot gedeelte der jolofsche natie belijdt het mohammedaansche geloof; de griots of ganteurs zijn pariaas: zij zijn afgodendienaars even als een deel der Serreren. De Jolofs hebben eene schoone lichaamsgestalte, een bolrond voorhoofd, een arendsneus, eene donker zwarte huid en kroeshaar; het bovenste gedeelte van het lichaam is zeer goed gevormd; de mannen hebben magere beenen en over het algemeen platte voeten; hunne kleedij bestaat uit een lang overkleed, over hetwelk zij een schort dragen, om de lendenen dichtgeknoopt; aan hunne voeten dragen zij sandalen, en op hun hoofd een muts, meestal voorzien van een soort van kam.

De Foulahs van den Senegal zijn een mengeling van onderscheidene rassen; drie familiën of onderrassen zijn scherp van elkander onderscheiden; de Torodos, die eene zeer donkere huidkleur hebben, schijnen de oorspronkelijke bewoners van de Senegal-oevers te zijn; de Peuls zijn zonder twijfel vreemdelingen, die de Jolofs en Torodos op hunne zwerftochten zijn gevolgd; zij zijn kenbaar aan eene rood-bruine kleur, een breed en rond voorhoofd, een smallen puntigen neus, en minder kroesig haar dan de overige negers, dat zij in kleine vlechten dragen; voegt men hierbij dunne lippen, een ovaal gezicht en vooruitstekende tanden, dan kan men zich een denkbeeld van hun voorkomen vormen. Zij leven als nomaden in tenten, en zijn over het algemeen herders; hun taal is buigzaam, met wortels die aan het maleisch zijn ontleend. Het derde ras is dat der Toucouleurs, die donkerder dan de Peuls, doch lichter dan de Torodos zijn, en die wel uit de kruising dezer beide rassen kunnen ontstaan zijn.

Foutah werd oorspronkelijk geregeerd door krijgshoofden, siraticks genaamd; doch sedert ongeveer eene eeuw wordt het opperhoofd gekozen; de regeering berust in handen van een marabout, die den naam van almamy heeft aangenomen: het godsdienstige element heeft er dus over het militaire gezegevierd. Iets dergelijks vinden wij in Indië, waar de brahmanen de macht der kshatryas of krijgslieden in handen gekregen hebben.

De verkiezing van den almamy geschiedt door de navolgende geslachten of stammen: Islabéi, Bosséyabé, Diophané, Eleyabéi en Delianté; de twee eerstgenoemde geslachten oefenen er den meesten invloed op uit. Nadat elke stam een kandidaat heeft gekozen, wijst een raad van vijf leden den kandidaat aan, die naar zijn gevoelen in de eerste plaats in aanmerking verdient te komen. Deze raad kan den almamy afzetten, wanneer hij meent dat deze de belangen der natie niet behartigt.

Na langen tijd zwervende herders geweest te zijn, hebben de Foulahs een groot rijk in Midden-Afrika gesticht. De Foulahs van Foutah-Diallon schijnen tot hetzelfde ras te behooren, als die van den Senegal. Zij hebben eveneens eenen theocratischen regeeringsvorm met een gekozen opperhoofd; ook hun vorst voert den titel van almamy. De hoofden dezer natie voegen voor hunnen naam den titel van ardo, hetgeen een kenmerk is dat zij tot den adel behooren.

De bewoners van Senegambië belijden bijna allen den Islam; de Jolofs zijn geen dweepers; de Toucouleurs hebben met geestdrift de mohammedaansche godsdienst omhelsd. Uit hun midden gaan die rondreizende marabouts uit, die de Senegal-bewoners willen bekeeren, en niet zelden hen tot opstand drijven. Demba-Golock, die in 1829 te Embilor gevangen genomen en ter dood gebracht werd; El-Hadj-Omar, die het bambarasche rijk van Sego heeft vernietigd, en te Hamdou-Allah is gesneuveld; Maba, die Cayor, Saloum en de streken langs de Gambia in opschudding heeft gebracht: zij allen waren Toucouleurs.

De stad Saint-Louis dankt hare stichting aan verschillende bevoorrechte compagniën, die elkander van 1626 tot 1785 zijn opgevolgd, en krachtdadige pogingen in het werk gesteld hebben, om den binnen- en buitenlandschen handel aan den Senegal te doen bloeien. Achtereenvolgens stichtten zij het fort Saint-Joseph te Makana in 1713; in 1715 het fort Saint-Pierre aan de Falehmé; in 1717 geraakten zij in het bezit van Portendick; en in 1724 in dat van Arguin. Het oude fort Saint-Louis, op het eiland van dien naam gelegen, dat heden tot kazerne en magazijn dient, was de oorspronkelijke kern der stad.

De woning van den gouverneur, die aan het fort grenst, eischt tegenwoordig dringend herstel. De straten der stad zijn rechtlijnig gebouwd, zooveel mogelijk langs de oevers der rivier; de grond was zoo laag, dat de stad in den tijd der overstroomingen onder water stond. In de laatste jaren is de toestand te Saint-Louis veel verbeterd; het eiland is door een steenen kaai omgeven, en de straten zijn opgehoogd, ten einde haar tegen overstrooming te beveiligen.

Groote magazijnen, met koopwaren gevuld, zijn langs de kaaien verrezen; de koopvaardijschepen, die voor deze magazijnen hunne ligplaats hebben, kunnen derhalve zeer gemakkelijk lossen en laden. Twee bruggen vormen de gemeenschap van Saint-Louis met de aangrenzende streken. De brug van Guet-N’dar is een vaste brug. De andere, in 1865 over den grooten rivierarm gebouwd, rust op beweegbare vaartuigen, hetgeen de schepen in staat stelt de rivier op te varen.

De rivier de Senegal stort zich in zee door eene monding, welke de stroom zich heeft gebaand door eene landtong, de punt van Barbarije genaamd. Deze zandbank verplaatst zich na het kenteren van het tij; men kan haar uit zee niet licht onderscheiden; een post van ervaren loodsen bevindt zich altijd bij de ondiepte, die dagelijks gepeild moet worden. De schepen, die op den Senegal handel willen drijven, moeten niet meer dan vier el diepgang hebben.

De bevolking van Saint-Louis biedt ons nagenoeg alle typen aan, welke men langs de rivier vindt; de meest karakteristieke wellicht is die der prauw- of schuitenvoerders, die tegenover het eiland Saint-Louis een dorp, Guet-N’dar genaamd, bewonen. Deze bewoners van Guet-N’dar zijn visschers van vader op zoon; zij weten met eene buitengewone vaardigheid hunne prauwen door de branding langs de kust heen te sturen. Deze prauwen zijn aan de beide uiteinden voorzien van scherpe punten; de vier mannen die er zich in bevinden, staan rechtop en bewegen het vaartuig met hunne lange pagaaien; door telkens van plaats te veranderen, vormen zij een tegenwicht tegen de beweging der golven, en weten zich zoo met hun vaartuig in evenwicht te houden op de kruin der baren, wier deining zij volgen met duizelingwekkende snelheid, als zij hunne vangst naar land komen brengen.

De laptot of matroos der rivier is een niet minder merkwaardige type dan de prauwenvoerder, maar hij houdt niet van het golfgeklots: hij is meer gesteld op stiller water; hij houdt van lange riviertochten, van het gerucht van moorsche kampen of negerdorpen. De tweehonderd mijlen, die Saint-Louis van Bakel scheiden, legt hij af zonder een spier te vertrekken, zich van het zeil bedienende als de wind hem gunstig is, zich voor de lijn spannende, of wel boegseerende, wanneer de steile kanten der rivier te zeer met boomen en houtgewas bezet zijn om zijn vaartuig aan de lijn te kunnen voorttrekken.

De bemanning van een handelsvaartuig zou niet voltallig zijn zonder eene vrouw om de kouskous te bereiden, en een griot, die op een tamboerijn moet slaan om de maat gedurende den tocht aan te geven.

Als de laptot de kunst van sparen verstaat, wordt hij mettertijd eigenaar van het vaartuig, dat hij hielp voorttrekken; hij treedt dan als koopman op, en ontvangt de noodige voorschotten om handel te drijven van de te Saint-Louis gevestigde kooplui, met wie hij, na de terugkomst van zijne reis, afrekent. Een eenvoudige mat, een strooien dak beveiligen den handelaar tegen zonneschijn en regen; de koopwaren worden somtijds in kisten en koffers geborgen, soms weggesloten in het scheepsruim; in dit laatste geval is het vaartuig van een dek voorzien.

Uit de vermenging van Europeanen met inboorlingen is eene eigenaardige bevolking van kleurlingen ontstaan, die zorgvuldig de levenswijze van hunne vaders in stand houden; de mulattinnen voeren den portugeeschen titel van signares (dames); zij zijn er zeer op gesteld, dat haar huishouding op behoorlijken voet zij ingericht. De kleurlingen in Senegambië zijn over het algemeen de blanken zeer genegen, van wie zij niet alleen afstammen, maar aan wie zij ook hun rijkdom en hunne opvoeding te danken hebben.

De gezeten Jolofs bebouwden enkele gierstvelden in de dorpen rondom Saint-Louis; wanneer de gouverneurs der kolonie oorlog moeten voeren met de langs de rivier wonende stammen, leveren zij een aantal vrijwilligers; meermalen bedraagt hun kontingent vijftien-honderd tot twee-duizend man. De vrijwilligers van Saint-Louis zijn in den regel trouw aan de vlag en dapper in het veld; maar de rekruten uit de aangrenzende provinciën missen die goede eigenschappen; onder hen zijn er velen, die steeds naar eene gunstige gelegenheid uitzien om te gaan plunderen.

Men heeft aan den Senegal achtervolgens verschillende handelssystemen in praktijk gebracht. Tot in 1790 was de handel uitsluitend in handen van geoctroyeerde en geprivilegieerde maatschappijen. Na 1817, toen Frankrijk weder in het bezit van deze kolonie werd gesteld, nam de regeering de proef met eigen cultuur; maar deze proef, in 1822 begonnen, leverde geen ernstige resultaten op. De proefneming rustte op het geven van premiën, en toen men na 1830 met de betaling van die premiën ophield, gingen ook de cultures te gronde. Het katoen en de indigo, die hier gekweekt werden, waren van goede kwaliteit; alleen heeft men het stelsel van cultuur verkeerd toegepast.

Vrouwen uit Senegambië.
Vrouwen uit Senegambië.

Vrouwen uit Senegambië.

Na de mislukking van deze proef, meende men te moeten terugkeeren tot het stelsel van geprivilegieerde maatschappijen voor het drijven van handel op den Senegal. De eerste maatschappij van Galom werd in 1828 opgericht. Haar octrooi verzekerde haar het monopolie van den handel in de bovenlanden gedurende den lagen waterstand. Bij hoog water, had zij te strijden met vreemde concurrentie. In 1821 had de regeering het fort Baker doen herbouwen, om den handel te beschermen, en den kooplieden, die hunne waren voor de roofzucht der zwarten wilden beveiligen, eene zekere bergplaats te bezorgen. Het monopolie van deze maatschappij, dat reeds herhaaldelijk aan allerlei aanvallen had blootgestaan, werd in 1848 afgeschaft. Op dezen maatregel volgde de openstelling der haven van Saint-Louis voor vreemde schepen, die er handel mogen drijven. De handel op de rivier zelve is echter uitsluitend aan de Franschen verbleven. Het besluit van 1848 heeft de oprichting van onderscheidene forten langs de oevers der rivier noodzakelijk gemaakt, ten einde de ontwikkeling van den handel te beschermen.

Vrouwen van den Boven-Senegal.
Vrouwen van den Boven-Senegal.

Vrouwen van den Boven-Senegal.

Wij kunnen natuurlijk hier geen overzicht geven van de verschillende oorlogen, die de gouverneurs van den Senegal hebben moeten voeren tegen de inlandsche bevolking om de Mooren in bedwang te houden, die telkens strooptochten ondernamen in het gebied der negers, dat zij bereikten door de rivier te doorwaden.

De gouverneurs van den Senegal hebben bij deze kolonie onderscheidene landstreken ingelijfd, in de nabijheid van Saint-Louis, Ouallo en Dimar gelegen.

In 1858 werd met de Mooren een traktaat gesloten, waarbij zij de nieuwe grenzen der kolonie erkenden. Sedert hebben dan ook de Trarzas, de Bracknas en de Douaichs geen invallen op den linkeroever van den Senegal meer gedaan.

Aanvankelijk betaalde de handel zekere rechten, coutumes geheeten,—naar het engelsche woord custom, tol,—aan de moorsche opperhoofden, op wier gebied handelskantoren waren gevestigd. Die coutumes, die eigenlijk niet anders waren dan vrijwillige giften, werden gaandeweg door de hoofden als een soort van belasting beschouwd, hetgeen aanleiding gaf tot eindeloos gehaspel en ernstige moeilijkheden. Sedert is de betaling dezer rechten behoorlijk geregeld; van wege den gouverneur worden tegenwoordig aan de hoofden, wier aanspraken erkend zijn, vaste, bij traktaat bepaalde sommen uitgekeerd.

Slavinnen uit Senegambië.
Slavinnen uit Senegambië.

Slavinnen uit Senegambië.

Zoodra het gevaar van den kant der Mooren geweken was, heeft de koloniale regeering al hare aandacht moeten wijden aan de streken langs den Boven-Senegal, waar de krachtige en dappere stammen der Foulahs zich met al hunne macht tegen de uitbreiding van het fransche gezag verzetten. Om den tegenstand van het rijk van Foutah te breken, waren er niet minder dan drie veldtochten noodig: eindelijk werd het overwonnen en onder verschillende onafhankelijke hoofden verdeeld. Dimar, Tongo en Damga, die het eigenlijke Foutah aan alle zijden omgeven, werden onder fransch protectoraat gesteld.

Het middelpunt van de hoofdmacht der Foulahs is het Morfil-eiland, dat de rivier in twee armen verdeelt: Podor, aan den voornaamsten tak gelegen, beheerscht de noordelijke geul, die het eiland van het moorsche gebied scheidt; Saldé, aan de oostpunt, vervult daar dezelfde bestemming als Podor. Om de scheepvaart en den binnenlandschen handel te beschermen, heeft de koloniale regeering, aan den zuidelijken rivierarm, tegenover Saldé, het fort Aéré doen bouwen. Saldé is een groot dorp, door Torodos bewoond, die hier in deze streken te huis behooren.

Gedurende het droge jaargetijde, schijnt de landstreek, door den Senegal besproeid, eene dorre wildernis: men ziet er niets anders dan hoog en spichtig gras en eenige armelijke, dwergachtige struiken en heesters. Als de wateren wassen, treedt de rivier buiten hare oevers en overstroomt het omliggende lage land. Na den afloop van het water, is iedere holte, iedere verdieping in den grond, in een plas herschapen, die somwijlen den omvang heeft van een klein meer; langs de oevers dier meeren en plassen ontwikkelt zich welhaast een weelderige plantengroei.

Bij haren uitloop verdeelt de rivier zich in een aantal takken, die een menigte eilanden vormen. Echter vereenigen zich al die takken weder bij de eigenlijke monding, waardoor de machtige stroom de gansche massa zijner wateren in zee uitstort. Ter bescherming en verdediging van dezen delta moet het fort Lampsar dienen. De koloniale regeering heeft bij Lampsar een soort van stuw aangelegd, waardoor de wateren van het meer Guier of Paniéfoul worden opgehouden; dit geschiedde met het doel om dit water, door middel van een kanaal, naar Saint-Louis te voeren, dat geen bruikbaar drinkwater heeft. Men heeft evenwel daarvan moeten afzien, omdat het opgehouden water uit het meer brak werd.

Richard Toll of de Tuin van Richard, is de naam van een etablissement, dat door den tuinman en botanicus Richard gesticht werd, om tot acclimatatietuin te dienen. In 1840 werd de gansche aanleg vernield, onder voorwendsel, dat de vijand daar een veilige schuilplaats zou kunnen vinden. Tegenwoordig verkeert de tuin weer in goeden staat. De ligging van Richard Toll is zeer gunstig, nabij het kanaal van Taouay, dat de gemeenschap vormt tusschen de rivier en het meer Guier; de gouverneurs hebben hier een paviljoen doen bouwen, dat hun tot zomerverblijf dient. Eenige particulieren hebben in den omtrek van Richard Toll katoenplantages aangelegd; en wanneer die plantages goed behandeld en vooral van het noodige water voorzien worden, is er alleszins grond voor de verwachting, dat zij den ondernemers eene voldoende rente zullen opleveren.

Zoodra het brakke water door het zoete vervangen wordt, worden ook de oevers der rivier levendiger, en neemt de plantengroei een ander, grooter, weelderiger karakter aan. Tegenover Podor op het eiland Morfil, licht de markt der Bracknas. Hier heeft zich bereids eene kleine stad gevormd, met aardige wandelingen en huizen met platte daken. Dit ziende, durft men zich bijna met de hoop vleien, dat de beschaving zich langzamerhand een weg langs de rivier zal banen.

In den winter of regentijd is het gansche land langs de rivier beneden Podor overstroomd: ge ziet niets dan een onmetelijk meer. De Mooren, wier land door heuvelen doorsneden wordt, trekken zich dan terug naar de zijde van Tagant en Sahel. Sommige heuvelen tegenover Podor gelegen, dragen den naam van Shamanah; in den regentijd moet men deze keten van Shamanah volgen, om het binnenland te bereiken. De Bracknas zijn, even als de Trarzas, dweepzieke Mohammedanen; ook hunne zoogenaamde staatsregeling is dezelfde.

Dagana wordt vooral druk bezocht door de Douaichs, wier naam gevangenen beteekent. Een hunner opperhoofden heeft ze bevrijd van het juk, waaronder zij vroeger zuchtten. Zij zijn Berbers van den stam Azenagh; maar hunne macht, die anders niet verwerpelijk zou zijn, wordt gebroken door de erfelijke veeten tusschen hunne vorstelijke geslachten. De Douaichs en de Tichits hebben een breeder en platter aangezicht dan de Mooren. Ondanks het eenigszins bolle voorhoofd, is het hoofd toch fraai gevormd; de neus is fraai; de oogen puilen een weinig uit; zij deden mij denken aan de Bedouienen, die ik in Marokko gezien heb.

Inlandsche woningen.
Inlandsche woningen.

Inlandsche woningen.

VIII.

Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.

Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.

Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.

Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigd over het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.

Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.

Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.

Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. “Ik ben Samba: geef mij een leger!”—“Wees welkom, balling,” antwoordt de moorsche koning.

De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.

Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.

Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt den bous (lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.

Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.

Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.

En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: “Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!” En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem der krijgslieden van het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.

Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.

Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.

De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.

De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.

De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.

Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.

“Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!”—Hij is vertrokken, Samba!

De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het leven van Samba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.

De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!

De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om den tata des konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zusters volgen zijn spoor. “Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!”

Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.

De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: “Hij is vertrokken, Samba!”—“Vertrek!” zegt El-Kebir.

Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: “O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!”—en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.—“Hij is vertrokken, Samba!”—-“In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?”—Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: “Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!”—De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.

Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. “Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!”

De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.

In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.

Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.

Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!

Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.

IX.

Van kaap Blanc tot aan de monden van den Senegal is het voorkomen der kust uiterst vervelend: niets dan eentonige duinen, hier en daar bedekt met een armelijken plantengroei, door het zand der woestijn vuil grauw gekleurd.

De eerste boomen, die eindelijk de blikken van den zeevaarder, van het staren op dit zand vermoeid, komen verkwikken, zijn die van kaap Vert, welke ver vooruitstekende kaap ten noorden in twee vrij hooge heuvelen uitloopt. Deze heuvelen zijn van vulkanischen oorsprong; hunne hellingen zijn bedekt met reusachtige baobabs, die zich alleen in den zomer met hun prachtig loof tooien. Gedurende den winter is het alsof de woestijn weder onbetwist hare heerschappij heeft herwonnen. Van den voet dezer heuvelen loopt eene eenigszins hellende vlakte tot aan de baai van Goeree.

Het voorgebergte van kaap Vert dekt aan de noordzijde het naakte rotseiland Goeree, dat zijne prachtige reede, waar de schepen ten allen tijde eene veilige ligplaats vinden, overziet. Op den top der rots verrijst een fort, dat kazernen en waterbakken bevat. Langs den oever zijn kaaien of houten steigers aangelegd, ten behoeve der booten, die hier voortdurend af en aan varen: want de stad, aan den voet der rots gebouwd, moet al hare benoodigdheden van den vasten wal ontvangen.

De bevolking van Goeree is zeer talrijk; de signaren of mestiezen-vrouwen onderscheiden zich zoowel door de zuiverheid harer zeden als door haar schoonheid en haar hoogmoed. De laptots, onverschrokken zeelieden, zijn beroemd wegens hun moed en hunne bekwaamheid; met hunne goeletten bezoeken zij alle wateren en riviermondingen tusschen den Senegal en Sierra-Leone, en drijven een zeer levendigen handel. Het huis van de signare is voor den laptot het begin en het einde, het punt van waar hij uitgaat en waartoe hij wederkeert; hij is er geboren, en hij zal er sterven; zijne moeder, zijne zusters, zijne vrouw leven daar. Hoewel de slavernij sedert twintig jaren is afgeschaft, koestert hij nog voor zijne meesteresse een eerbied, die somwijlen zoo ver gaat, dat hij haar een deel van zijne winsten afstaat.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings