← Table of contents
Langs de kust van Afrika

LANGS DE KUST VAN AFRIKA. (continued 2)

Reading edition

Door de vrijverklaring harer vroegere slaven is de bevolking van dit eiland in een zeer onzekeren, ongunstigen toestand gebracht; matig en ondernemend, tracht zij door den handel in hare dagelijksche behoeften te voorzien; de huizen, die zij van het voorgeslacht geërfd heeft, veroorloven haar bovendien op zekeren voet van welvaart en onbekrompenheid te blijven leven; maar de gouden ringen en juweelen, waarop vroeger de vrouwelijke dienstboden zoo trotsch waren, zijn sinds lang in den smeltkroes verdwenen, en het doodsche voorkomen der stad herinnert niet meer aan de vroolijke botaïs (bals) van den vroegeren tijd.

Kroumanen.
Kroumanen.

Kroumanen.

In 1859 wist admiraal Protet het fransche gouvernement te bewegen, om het schiereiland van kaap Vert te bezetten. De militaire genie ontwierp aan de baai van Dakar het plan der toekomstige stad; er werden twee dammen gebouwd om de geweldige golven te breken, die, door de zuid-oostenwinden opgezweept, in den regentijd met vreeselijke kracht aanrolden en de kust volkomen ongenaakbaar maakten. Deze werken worden door batterijen verdedigd, die haar vuur kruisen met dat van het fort, hetwelk, sedert het jaar 1840, den top van het eiland Goeree kroont. Tevens is de toegang tot deze haven zeer veel verbeterd door het plaatsen van eenige lichten. Achter de dammen kunnen de stoombooten der Messageries eene veilige en alleszins voldoende ligplaats vinden; ook is er voor gezorgd, dat zij zich in zeer korten tijd van de noodige steenkolen kunnen voorzien. Voor de berging der kolen zijn ruime loodsen opgeslagen; de werkplaatsen der artillerie naderen hare voltooiing, en weldra zal Dakar een maritiem arsenaal in het klein zijn geworden.

Typen van de westkust van Afrika.
Typen van de westkust van Afrika.

Typen van de westkust van Afrika.

De bevolking van Dakar bestaat uit Jolofs, die voor verreweg het grootste gedeelte de mohammedaansche godsdienst belijden, en hunne godsdienstplichten zeer ijverig waarnemen. Zoo ge u des morgens vóór zonsopgang aan land laat zetten, zult gij de negers, bij het opgaan der zon, hunne gebeden zien verrichten; keer des avonds naar het dorp terug, en, op het oogenblik als de zon aan de kim gaat verdwijnen, richten zij zwijgend hunne schreden naar de hoogst eenvoudige ommuurde bidplaatsen, waaraan zij den naam van moskeeën geven, om daar, met tallooze kniebuigingen, Allah te vereeren. De priesters en marabouts behooren bijna zonder uitzondering tot de Foulahs en de Toucouleurs. De aanzienlijke familiën houden er doorgaans zulk een marabout op na, die gedurende een deel van den nacht verzen uit den Koran moet opzeggen.

Hoewel de Jolofs sedert onheugelijke tijden met de Europeanen in aanraking zijn geweest, hebben zij nog hunne aartsvaderlijke zeden en instellingen tot heden behouden. De regeering berust voornamelijk bij de oudsten des volks; het opperhoofd wordt gekozen; die keuze is beperkt tot zekere patricische familiën; bij de opvolging gaat de vrouwelijke lijn voor de mannelijke. De grond is gemeenschappelijk bezit van de dorpen; partikulieren bezitten in den regel geen andere dan roerende goederen.

De bebouwbare gronden worden telken jare door het dorpshoofd, in overleg met den raad der oudsten, verdeeld, waarbij op de talrijkheid van het gezin, bij de bepaling van ieders aandeel, gelet wordt. Langzamerhand breidt zich echter het partikulier bezit, dat altijd bestaan heeft en ontzien werd, meer en meer uit; verscheidene aanzienlijke Jolofs zijn grondbezitters geworden, en besteden aan de bebouwing en verbetering van hun land eene zorg, die zij zeker voor een tijdelijk aandeel niet over zouden hebben.

De veelwijverij is te Dakar in zwang: het getal wettige vrouwen, dat een Muzelman er op mag nahouden, bedraagt, zoo als men weet, vier. Ieder, die zich als hoofd van een gezin wil vestigen, zorgt voor eene omheinde ruimte, die hij omringt met palen en vlechtwerk van stroo, en waarbinnen de verschillende woningen voor de leden des gezins worden opgeslagen. De woning van den heer onderscheidt zich door haar rechthoekige gedaante van die der vrouwen; voorts ziet men nog binnen die ruimte, die ge, zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, welstaanshalve niet moogt betreden, de woningen der slaven, de keukens en de stallen.

Bij de Jolofs bestaat ook de slavernij, maar in zeer zachten vorm. De zeden van dit volk zijn volstrekt niet ruw: de toestand van den slaaf verschilt niet veel van dien der vrijen. Sedert de invoering van den Islam, zijn er een groot aantal vrijgelatenen, die nog altijd onder de bescherming van hun vroegeren meester blijven leven; zij kunnen zich nooit vermengen met de familiën der vrijen, die altijd in stand boven hen verheven zijn. De kinderen, die uit huwelijken van vrije mannen met slavinnen geboren worden, vormen eene soort van ondergeschikte kaste, waarvan de leden geen deel kunnen nemen aan de regeering. Bij de verdeeling der landerijen ontvangt ook de slaaf zijn aandeel: maar hij moet zijn oogst bergen in de schuur van zijn meester, die zich, in geval van nood, die opbrengst van den arbeid zijner slaven mag toeëigenen.

De marabouts, die geregeld Dakar bezoeken, houden met alle macht de kinderen van beiderlei kunne terug van het bezoek der europeesche scholen; zij richten zelven in elk dorp scholen op, die vooral bezocht worden door kleine jongens, aan wie zij arabisch lezen en schrijven leeren; verder moeten zij eenige verzen uit den Koran van buiten leeren: daartoe bepaalt zich in den regel het geheele onderwijs. De meisjes ontvangen, behoudens enkele, zeer zeldzame uitzonderingen, in geheel het mohammedaansche Afrika, in het geheel geen onderricht. Hoofdzakelijk met het doel om de kinderen aan den invloed der marabouts te onttrekken, heeft Mgr. Kobès, in Baol, midden in een afgodisch land, zijn etablissement van Joal gesticht.

De Serreres, die op de Jolofs volgen, zijn nog altijd fetish aanbidders. Zij vereeren voornamelijk twee groote goden, Takhar en Tiourack; de eerste is de rechter en wreker; de andere is een barmhartig en medelijdend god, van wien alle goede gaven afkomstig zijn. Sommige familiën zijn bepaaldelijk voor de dienst dier goden uitverkoren. De priesters nemen kennis van alle zaken, die met diefstal of tooverij in betrekking staan, en spreken daarin vonnis; niemand mag ongestraft den heiligen boom naderen, waaronder de aarde wordt nedergelegd, door den beschuldigde betreden; of ook den steen, dien de priester op zijn hoofd moet leggen, om tot ontdekking der waarheid te komen. De vuurproef of die met vergiftigd water, waaraan de toovenaars onderworpen worden, eindigen doorgaans voor de aangeklaagden op noodlottige wijze.

Van 1817, toen de kolonie van den Senegal weder in het bezit van Frankrijk kwam, tot 1858, is de handel op de naburige kust van Goeree weinig toegenomen, niettegenstaande dat eiland in het bezit van een vrijhaven is. Na 1858 heeft de regeering maatregelen genomen om de kolonisten te beschermen tegen de knevelarijen en plunderingen der inlandsche opperhoofden, die de onbeschaamdheid zoover dreven, dat zij de traktaten openlijk schonden of het bestaan daarvan loochenden. De stichting van Dakar heeft onze macht op steviger grondslagen gevestigd.

De noodzakelijkheid eener vaste en geregelde verbinding tusschen Saint-Louis en Goeree heeft tot den aanleg van een telegraaflijn doen besluiten, die langs het strand loopt, en in 1861 voltooid werd. De karavanen, die de koopwaren uit het binnenland naar de baai van Goeree voerden, werden dikwijls door de lieden van Cayor overvallen en uitgeplunderd. Daar de traktaten van vriendschap en handel even spoedig geschonden als bezworen werden, heeft de koloniale regeering zich verplicht gezien, in Cayor eenige vaste punten te bezetten, waardoor de Europeanen meesters van het land zijn geworden.

De kantoren van Rufisque, van Joal en Koalah moeten den handel met het binnenland aan zich trekken. Zoodra de onlusten in Cayor gestild zullen zijn, zal Rufisque, in het land Baol gelegen, eene schoone toekomst tegemoet gaan. Joal ligt in Sin, dat, even als Baol, door Serreres en door Jolofs bewoond wordt; het is de hoofdplaats geworden van eene landbouwkolonie, die hare stichting dankt aan Mgr. Kobès, apostolisch vicaris van Senegambië. Verschillende aanzienlijke personen hadden, in de nabijheid der missie, gronden in pacht gevraagd en verkregen; men heeft er katoen geplant, maar de uitkomst heeft niet aan de verwachtingen beantwoord. De plantages zijn door de droogte of door sprinkhanen vernield. Men had zich met een beteren uitslag gevleid.

Veertig mijlen van Goeree, zes mijlen ten noorden van Joal, bevindt zich het etablissement van Saint-Joseph, aan den oever eener baai, waarin zich de rivier de Fasene uitstort. Schepen van zekeren diepgang kunnen ongehinderd de kust naderen; de kustvaarders vinden in de rivier, die zij gemakkelijk kunnen invaren, eene zeer geschikte aanlegplaats.

Gambia behoort aan Engeland. Ten einde de uitgaven te verminderen, voor de verschillende nederzettingen langs de westkust van Afrika gevorderd, heeft de engelsche regeering het bevel over al de afzonderlijke posten opgedragen aan den gouverneur-generaal van Sierra-Leone, en tegelijk de garnizoenen dier buitenbezittingen aanzienlijk verminderd. Ook te Gambia heeft die vermindering plaats gehad; en de toestand van deze kolonie, die herhaaldelijk in oorlog is gewikkeld met hare machtige naburen, de koningen van Barre en Combo, is er door dien maatregel niet op verbeterd. De moeilijkheid om tijdig hulp te bekomen van Sierra-Leone, dat onder den wind ligt, heeft meermalen den gouverneur van Gambia gedwongen, de hulp in te roepen van den gouverneur van den Senegal, wiens tusschenkomst meer dan eens de engelsche kolonie heeft gered.

Sainte-Marie of Bathurst, de hoofdplaats dezer engelsche kolonie, werd in 1815 op den linkeroever van de Gambia gesticht; de stad ligt op een laag en ongezond terrein, dat door een smalle kreek van het vaste land gescheiden is. De woningen en kantoren bevinden zich langs de oevers der rivier; het strand is zeer vlak; de koopvaardijschepen werpen het anker uit tegenover de stad, en hebben door middel van houten steigers gemeenschap met den wal. Eene onbeteekenende batterij is het eenige verdedigingsmiddel van Bathurst.

Stoomschepen van zekeren diepgang kunnen de rivier opvaren tot honderd-zes-en-dertig mijlen voorbij Bathurst; zij ankeren voor het dorp Capang. Het eiland Macarthy ligt nog vijf-en-twintig mijlen verder; de reis daarheen moet men met booten doen.

Macarthy was onder de koloniale troepen zeer bekend door zijn spook. Het verhaal liep, dat een sergeant, die zich in een aanval van ijlende koorts van het leven beroofd had, geregeld, bij iedere garnizoens verandering, in de kamer van den bevelvoerenden officier verscheen en daar aan het rangschikken der stukken ging.

Om over de bergketen te komen, die het stroomgebied van den Boven-Senegal van dat van de Gambia scheidt, hebben de karavanen achttien tot twintig dagen noodig. De handelskantoren langs de Boven-Gambia zijn geheel aan zich zelven overgelaten; meermalen gebeurt het ook dat de karavanen door de inlandsche opperhoofden aangevallen en geplunderd worden. De handelsrelatiën in deze streek zijn dan ook zeer onzeker en aan allerlei gevaar en belemmeringen onderhevig.

X.

De Europeanen, die door hun ambt of door handelsbelang naar de westkust van Afrika gevoerd worden, moeten met al hunne gewoonten breken en eene geheel andere levenswijze aannemen; de jacht is bijna het eenige vermaak, dat zij zich verschaffen kunnen; maar de jacht heeft hier voor sommige gemoederen, voor allen die op avonturen gesteld zijn, eene dubbele aantrekkelijkheid: zij is moeilijk en gevaarlijk.

De bodem der vlakten van Senegambië is in den zomer gewoonlijk droog en dor; hij komt dan, door zijne rosse en vale tinten sterk uit tegen den hemel, en maakt dan juist door zijn bruine eentonige kleur het onderscheiden van het wild, dat hier schuilplaatsen in overvloed vindt, zeer moeilijk.

Ten noorden van de rivier zijn de boomen schaars; in de streken langs de oevers van den Senegal vertoonen zich de boomgroepen als eilandjes van groen, te midden van eene onafzienbare vlakte, deels met geel zand, deels met kort verbrand gras bedekt, en waarover de blik heendwaalt tot den schemerenden horizon, half wegduikende achter een witten nevel. Hem, die zich in deze woestijnen durft wagen, wacht een zonderling grootsch schouwspel, dat onvergetelijke indrukken achterlaat. Het zintuig van het gehoor wordt steeds meer gescherpt: allerlei onbekende en onnaspeurlijke geluiden treffen u, zonder dat ge weet van waar zij komen of wat zij beteekenen: dat zijn de stemmen der woestijn; want ook de woestijn heeft hare stemmen, als de steden, maar veel ernstiger en aangrijpender. De mensch gevoelt zich eenzaam en verlaten te midden van deze vreemde ontzaglijke natuur, met haar zonderlinge vormen en kleuren, waar bij iederen voetstap het gevaar dreigt: de moordenaar kan hem, uit zijne onzichtbare schuilplaats, onverwachts treffen; de wilde dieren, die in deze jungles wonen, kunnen hem overvallen en verscheuren; hij heeft van geen enkel menschelijk wezen hulp of redding te wachten; de oneindigheid breidt zich rondom hem uit, van voren, van achteren, ter zijde;—zijne stem zou zich hier verliezen in de zwijgende eenzaamheid. Die dit nooit gezien heeft, kan zich geen denkbeeld vormen van den machtigen, overweldigenden indruk, door de natuur der woestijn op het gemoed gemaakt; zoo kan ook alleen hij, die Syrië en Afrika gezien heeft, de waarheid der bijbelsche tafereelen en voorstellingen ten volle gevoelen.

Aan het hoofd der afrikaansche vogels staat de struisvogel; deze vogels leven bij troepen en worden gemakkelijk tam gemaakt. De Mooren van Oued Noun en van de zuidelijke provinciën van Marokko maken te paard jacht op de struisvogels. Voor deze jacht houden de liefhebbers er zeer fraaie kostbare merriën op na. Eenige personen vereenigen zich om op gemeenschappelijke kosten zulk een dier te koopen en te onderhouden, hetgeen voor een enkel te duur zou zijn. De opbrengst der jacht wordt onderling verdeeld naar gelang van het aandeel, dat ieder in de kosten van aankoop en onderhoud van het paard gedragen heeft.

De afrikaansche jagers wachten doorgaans tot de zon haar volle kracht heeft bereikt, eer zij ter jacht tijgen. Achter de paarden volgen de kameelen, die het wild, dat geveld wordt, moeten dragen. Deze paarden worden, zoo lang de jachttijd duurt, uitsluitend gevoed met kameelmelk, gerstemeel en dadelen.

Op de struisvogels volgen de trapganzen. De groote trapgans vindt men gewoonlijk in de vlakten, die door de Mooren worden bezocht; maar de kleine trapgans komt ook voor in de vlakten, die aan Goeree grenzen. Men jaagt haar te paard en met honden. Zij is iets grooter dan een gewone fazant; zij heeft hooge pooten, een korten staart en groote breede vleugels; de vederen onder de vleugels zijn rozerood. De trapganzen kunnen niet gemakkelijk vliegen; zij zijn spoedig vermoeid, en gij kunt ze schieten, zonder van het paard te stijgen.

Een marabout.
Een marabout.

Een marabout.

In de afrikaansche vlakten vindt men talrijke troepen antilopen, die bij voorkeur de plaatsen opzoeken, waar water gevonden wordt. De jager legt zich hier des morgens en des avonds op de loer. Het is moeilijk de dieren te naderen, tenzij dan bij verrassing, want wanneer de kudde in een vlakte weidt, houden eenige oude mannetjes, scherp van oog en van oor, de wacht; en zoodra zij het teeken geven dat eenig gevaar dreigt, is de gansche kudde in een oogwenk verdwenen. Doorgaans worden de antilopen van nabij gevolgd door een of meer leeuwen, die van deze dieren hun voornaamste voedsel maken. Evenwel versmaadt de leeuw ook de parelhoenders niet; hij weet zeer goed het spoor dezer vogels, die zelden vliegen, in het hooge gras te volgen, en velt er met een enkelen slag van zijn poot een aantal tegelijk neder.

Een officier, die het bevel voerde over een der in de rivier gestationeerde stoombooten, was een hartstochtelijk minnaar van de jacht op parelhoenders. Deze vogel is zeer schuw, en weet zich met groote vlugheid uit de voeten te maken; maar zelden slaagt de jager er in hem dicht genoeg te naderen. Op zekeren dag gelukte het onzen officier, met veel moeite, een troep parelhoenders te verrassen, en twee daarvan te schieten, juist op het oogenblik toen zij weg wilden vliegen. Hij maakte zich gereed de vogels op te rapen, toen eensklaps uit de struiken, waartegen de hoenders gevallen waren, twee groote rosse klauwen te voorschijn kwamen, die den buit voor zijn oogen weghaalden. Onnoodig te zeggen, dat de officier zelfs geen poging waagde, om zijne vangst aan den koning der woestijnen te betwisten. Al achteruit loopende, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk, voorzichtigheidshalve zijn geweer met kogels ladende. Maar de leeuw, waarschijnlijk in zijn schik over de prompte bediening, vertoonde zich zelfs niet.

De leeuw leeft eenzaam en is niet gevaarlijk, wanneer men hem niet aanvalt. Naar men zegt, houdt de marabout of afrikaansche reiger, bekend wegens zijne fraaie vederen, zich veelal in de nabijheid van den leeuw op, om zich te voeden met het overschot van zijne maaltijden; want de leeuw voedt zich uitsluitend met levende beesten.

De oncas en andere kleine dieren van het kattengeslacht, die in de streken nabij den Senegal gevonden worden, zijn hoegenaamd niet te vreezen; zelfs de panther en de luipaard nemen, niet getergd of gewond zijnde, voor den mensch de vlucht. Ik heb zelfs meermalen op luipaarden geschoten, zonder dat zij zich te weer stelden.

De jakhals volgt den leeuw en spoort, naar men zegt, somwijlen voor hem het voedsel op. Des avonds komen deze dieren uit hunne holen en schuilhoeken te voorschijn; dan hoort ge van verre hun akelig gejank, dat somwijlen op het schreien van een kind gelijkt.

De zoogenaamde goudwolf is iets grooter dan de jakhals, met wien hij overigens veel gemeen heeft.

Ook de hyena is voor den mensch niet gevaarlijk. Dit dier komt overdag zelden te voorschijn; hij wordt vooral aangelokt door de reuk van rottende lichamen en zwerft voortdurend rondom de begraafplaatsen. Men moet de graven met steenen omringen en met scherpe dorens bedekken, om de lijken te beveiligen tegen de onverzadelijke vraatzucht der gluipende hyenaas.

De jacht op en langs de rivier is in elk jaargetijde zeer uitlokkend. Gedurende den zoogenaamden winter is zij minder bezwaarlijk dan in het droge jaargetijde; daar de lage landen dan onder water staan, schoolt het wild samen op de uitstekende, droog gebleven punten, en het is niet zeldzaam, leeuwen, wilde zwijnen en andere dieren op dezelfde plek bij elkander te vinden.

Krijgslieden.
Krijgslieden.

Krijgslieden.

De geduchtste bewoner van de wateren van Senegambië is de krokodil, door wiens harde huid alleen puntkogels kunnen dringen: gewone geweerkogels schaden hem niet. De negers houden veel van krokodillenvleesch, waarvan de sterke muskuslucht den Europeaan tegenstaat.

Naar hetgeen men van hem verhaalt, zou het schijnen dat het instinkt van den krokodil een aanmerkelijken graad van ontwikkeling heeft bereikt. Zoo zegt men, dat hij zijne prooi, na die in het water te hebben gesmoord, in holen en gaten onder water verbergt en gezamenlijk met zijne makkers verteert.

Meermalen gebeurt het, dat negers door deze dieren worden weggevoerd. Sommige negervrouwen hebben bewijzen van onverschrokken moed gegeven, als het er op aan kwam haar kinderen te redden, en daarvoor zelfs een of ander lichaamslid opgeofferd. Volgens de overlevering, moet men, om den krokodil te noodzaken zijne prooi los te laten, hem de vingers in de oogen steken. Zeldzaam gebeurt het, dat de kudden bij het oversteken van de rivier, door de krokodillen worden aangetast; maar wee den os, die zich alleen, van de kudde afgedwaald, aan den oever waagt: menigmalen wordt hij onverwachts door de geweldige kaken van het monster aangegrepen, en naar de diepte gesleurd. De inlandsche herders oefenen eene bijna ongeloofelijke macht over hunne kudden uit. Wanneer zij voor overvallen, hetzij van roovers, hetzij van wilde dieren, beducht zijn, weten zij de runderen, alleen door de eigenaardige buiging hunner stem, uit een te doen gaan of te verzamelen.

De hippopotamussen zijn in den Senegal zeer talrijk. In alle plassen en meertjes, die met de rivier in gemeenschap staan, ontdekt men de sporen hunner aanwezigheid. De jager wacht hen doorgaans af als zij aan land komen, en doodt ze dan uit zijn schuilhoek.

Olifanten daarentegen zijn zeldzaam; zij vertoonen zich niet langs de rivier, dan wanneer zij verdreven worden uit de groote bosschen van het binnenland, waarin zij zich gewoonlijk ophouden. Enkele malen heeft men olifanten gezien te Sor, bij den ingang der rivier. De negers zijn zeer bevreesd voor dit dier, omdat hij hunne akkers en plantages verwoest; zoodra het bekend wordt, dat zich een olifant in den omtrek ophoudt, trekken uit de omliggende dorpen alle mannen op om hem te vervolgen. De Jolofs vooral onderscheiden zich door hunne bekwaamheid bij deze jacht, waarvan zij groote liefhebbers zijn.

Tegen het einde van den herfst vertoonen zich de apen in grooten getale langs de oevers van den Senegal en op de landen rondom Cayor; de apen, die men langs de beneden-rivier aantreft zijn klein en zeer leelijk. Zij springen van boom tot boom langs de dichtbewassen oevers, en maken allerlei wonderlijke sprongen en bewegingen. De groote apen van Galam verlaten de hoogere gronden langs den Boven-Senegal niet; naar men zegt, vernielen zij daar meermalen den oogst der negers. Men onderscheidt drie of vier verschillende soorten van deze bavianen, allen kenbaar door het gemis van een staart en door den vorm van hun kop, op dien van een hond gelijkende; zij zijn zeer slim en worden gemakkelijk tam gemaakt, maar zeer dikwijls zijn zij kwaadaardig, bijten of werpen met steenen. Men vangt de apen, door het een of ander aas in een kalebas te leggen; zij steken daar dan de hand in, en kunnen die niet weder uithalen.

Tijdens ons verblijf op de reede van Goeree, togen wij meermalen met ons achten of tienen uit, om in de vlakte van Dakar te gaan jagen. De gidsen en de dragers, die voor drijvers dienden, waren altijd aan het strand en wachtten op onze komst; dan trokken wij het binnenland in, in de schemering der bosschen, terwijl het morgenlicht den hemel kleurde. De gids ging natuurlijk vooraan, en een van ons diende voor wegwijzer; de anderen volgden op een rij achter elkander.

Onervaren, met de streek onbekende jagers kunnen soms zonderlinge vergissingen en ontmoetingen hebben. In 1832 was ik te Goeree, op het fregat Hermione. Ten vier uur in den morgen zette een boot ons aan wal. De gids houdt mij staande, en zegt op fluisterenden toon: “Kijk daar.” Boven een der doornenhagen, waarmede de negers hunne longhans, bezaaide akkers, omringen, zie ik een zwaren en hairigen kop uitsteken. Ik geef het bepaalde teeken; de kolonne schaart zich in slagorde en houdt hare wapenen gereed. Ik ga op het dier af, dat niet op de vlucht gaat, en ook geen poging doet om mij aan te vallen. Weldra zag ik dat ik den kameel van den koerier van Saint-Louis voor mij had, die heel bedaard lag uit te rusten van zijn driedaagschen marsch.

In den vroegen morgen ontmoet ge dikwijls, op de stille woudpaden, lange rijen van negers, met witte of blauwe schorten bekleed; eer dat de hitte van den dag begint, begeven zij zich naar de naburige dorpen, om hunne zaken af te doen, of zij gaan naar het land om te arbeiden. Ernstig zwijgend treden zij voort; zij zijn gewapend met een scherp geslepen sagaai of met een klein houweel, dat zij gebruiken om de aarde om te spitten. Bij het opgaan der zon, knielen zij neder, met het aangezicht naar het oosten gewend, en buigen hun aangezicht in het stof. De Afrikanen zijn zeer godsdienstig.—De zon is boven de kimmen gerezen, de jacht begint; zij moet om tien uren afgeloopen zijn, want anders zou de onvoorzichtige Europeaan, die zich in het open veld aan de stralen der zon blootstelde, al zeer spoedig door een zonnesteek getroffen worden.

Duizenderlei kreten en geluiden treffen op deze tochten uw oor; in de verte weerklinkt het laatste gebrul van den leeuw; het geloei der kudden roept andere beelden voor uwen geest, en zou u bijna doen vermoeden, dat ge verre zijt van de woestijn; de patrijzen, die schuw ineen gedoken tusschen de struiken voortsluipen, herinneren aan de vaderlandsche heidevelden; de koekoeks roepen luide aan alle zijden; de parelhoenders kakelen; de neushoornvogels maken zich zoo snel mogelijk uit de voeten. Deze vogel is zoo groot als een kalkoen, en draagt op zijn ver uitstekenden bek een hoornigen uitwas, waaraan hij zijn naam ontleent; zijn schelle stem gelijkt op het geluid van een trompet. Kleine grijze fazanten en toucans met hun lange snavels fladderen tusschen de takken, waarop ook de afrikaansche patrijzen somwijlen een schuilplaats zoeken, wanneer zij door de honden vervolgd worden. Duizende vogels, met schitterend gekleurde, bont geschakeerde vederen, zwerven door de lucht en zoeken hun voedsel in bosch of veld.

Enkele hazen, trage achterblijvers, vertoonen zich hier en daar, zich haastende om te ontsnappen, maar vinden dikwijls eene plaats in den weitasch van den drijver. De souimanga, de afrikaansche colibri, fladdert om de bloemkelken, waaruit hij met zijn langen gekromden snavel de insecten te voorschijn haalt, die hem tot voedsel dienen.

Hann is een dorp aan de baai van Goeree; in het zand zijn putten gegraven, waar de waterschuiten hun voorraad drinkwater kwamen halen, voordat de bronnen van Dakar tot een vijver waren vereenigd. Rondom die putten waren eenige huizen gebouwd en tuinen aangelegd, waarin de groenten van Europa werden verbouwd nevens de voortbrengselen der heete luchtstreek. Het kostte echter veel moeite en voortdurende zorgen om die tuinen in stand te houden; met name mocht het begieten nooit achterwege worden gelaten.

Hann was het algemeene vereenigingspunt der jagers, die des morgens in de vlakte hadden gejaagd. De korven en manden met het noodige voor het ontbijt waren er vooruit heen gebracht; de bootslieden hadden inmiddels hunne netten uitgeworpen in die baai, die zoo uitnemend rijk is aan visch, dat ik meermalen de netten heb zien scheuren, als men ze aan land optrok.

Het vuur was spoedig aangelegd; het ontbijt, bestaande uit voortreffelijke visch en pas gevangen wild, smaakte kostelijk.

Op korten afstand van Hann bevindt zich een palmbosch. Daarin gaande, zal het uwe aandacht trekken dat in al de boomen, nabij de bladerkroon, vierkante gaten zijn gesneden, en dat onder die gaten kalebassen zijn opgehangen, door middel van palmbladen, die tevens tot buizen dienen.

Weldra zult ge zien, hoe de negers, handig en vlug als clowns, zich een hoepel, die den stam des palmbooms omvat, om het lijf slaan, en vervolgens, zich met handen en voeten omhoog werkende, met hetzelfde gemak als waarmede gij of ik een trap zoudt bestijgen, naar boven klauteren, en de kalebassen wegnemen, die geheel gevuld zijn met het gedurende den nacht uitgelekte sap, dat onder den naam van palmwijn algemeen bekend is. Als deze drank niet meer dan even gegist is, is de smaak, hoewel altijd eenigszins scherp, niet onaangenaam. Men moet evenwel zorgvuldig oppassen, dien wijn niet te drinken, zonder hem vooraf door een zeef te gieten of op andere wijze te filtreeren; want hij bevat eene groote menigte larven, die hoewel pas éénen nacht oud, reeds groot en sterk zijn.

De regen- of wintertijd, die in Senegambië in Juni begint, maakt een einde aan het jachtvermaak. Ook de signaren, die gedurende het schoone jaargetijde hare landhuizen betrekken, verlaten nu den vasten wal om naar Goeree terug te keeren. Zij ontvlieden de verpestende uitdampingen, die het gevolg zijn van de tropische regenbuien op een grond, die gedurende eenige maanden is blootgesteld geweest aan de verdrogende werking van de heete oostenwinden en de brandende zonnestralen.

Dan is het de tijd voor het zaaien. De negers zaaien gierst, die zoo snel opschiet, dat reeds in Augustus de halmen hoog genoeg zijn, dat een man te paard zich daartusschen verbergen kan. De baobabs tooien zich met hun koninklijken mantel van groen; de mimosas en bloemen, die zich langs de reuzenstammen slingeren, staan in vollen bloei; welriekende geuren vervullen de lucht. In dezen tijd des jaars verdient het schiereiland ten volle den naam van kaap Vert.

In December is de gierst binnen gehaald, en zijn de bladeren van den baobab afgeplukt, om te dienen voor het bereiden van de couscous. Ook de peulen van den baobab, in melk geweekt, worden gegeten.

Het klimaat van tropisch Afrika verdeelt zich in twee jaargetijden: het droge en het natte jaargetijde of de regentijd. Het droge jaargetijde begint, in de streek tusschen den equator en den noorderkeerkring, met December: de heerschende wind is dan de noordoostelijke. Langs de kust waait dan somwijlen dagen achtereen een droge en heete landwind, die hier den naam van harmattan draagt; meermalen gebeurt het, dat de vogels door dien wind naar de open zee worden gevoerd, zoodat zij een schuilplaats komen zoeken op de masten der schepen, in de nabijheid der kust.

Een roodachtig stof bedekt dan de zeilen en de tuigage der schepen, die langs de kusten der Sahara varen; de bast der boomen splijt; het houtwerk aan woningen, bruggen enz. barst; de inzameling der gom is overvloediger, naarmate de harmattan langer aanhoudt en sterker waait.

De regentijd begint in Juni. In dezen tijd des jaars is de lucht zeer dikwijls met dampen en nevels bezwaard, en in hooge mate met elektriciteit vervuld. De zwarte donderwolken stijgen langzaam naar het oosten op; weldra vormen zij een soort van boog, waarvan de onderrand scherp is afgeteekend; duizende elektrische vonken doorkruisen dien boog in alle richtingen. Zoodra de wolkmassa tot vijfenveertig graden boven den horizon is gestegen, barst de wind met groot geweld los; hij begint in het noordoosten en loopt om naar het zuidoosten. Is de bui naar het westen gedreven, dan is het op nieuw goed weer.

In den regentijd vertoont de natuur zich in al hare pracht. Als ge in de groote wouden doordringt, vormen de boomen diepe en hooge loofgewelven, waardoor het zonnelicht zich met moeite een weg baant, en waaronder eene weldadige, geheimvolle schemering heerscht, door wonderlijke spelingen van licht en schaduw afgewisseld. Tallooze orchideeën, oneindig verscheiden in kleur en tint, hangen in guirlandes langs de stammen der eeuwenoude boomen; het gegons der insecten, de sterkende welriekende geuren der bloeiende aarde, verkwikken het hart.

De afrikaansche koorts ontstaat gewoonlijk na de wisseling der saizoenen, zonder dat men met juistheid weet waaraan hare verschijning is toe te schrijven. Somwijlen heerscht zij epidemisch en richt dan groote verwoestingen aan. De inboorlingen gebruiken afdrijvende en zweetmiddelen om de koorts te genezen, waaraan zij bijkans evenzeer onderhevig zijn als de Europeanen. Ook branden zij des nachts vuur in hunne woningen, om de miasmen te verdrijven en de lucht zuiver te houden.

XI.

De reiziger, die Sierra-Leone bezoekt, kan niet nalaten getroffen te worden door de sterke tegenstelling tusschen de beide oevers der rivier.

De noordelijke oever is effen en vlak; kleine moerassige riviertjes banen zich traag een weg door het lage land; hare uitmondingen schuilen bijkans onzichtbaar tusschen het hoog geboomte; het Luipaardeneiland is het eenige punt, dat een weinig uitsteekt en u eenigermate doet vermoeden, dat ge hier eene groote ruime baai, meer dan twee mijlen breed, voor u hebt. De kust is hier met zandbanken omzoomd, die de nadering moeilijk maken, en den ingang van den stroom aanmerkelijk vernauwen.

De zuidelijke oever daarentegen vormt een bijna bergachtig schiereiland. De hoogste toppen van deze berggroep, die in kaap Skilling uitloopt, bereiken eene hoogte van vijftien- tot achttienhonderd el; bij helder weder zijn zij op een afstand van vijftien of zestien mijlen zichtbaar. Meermalen zijn deze toppen in wolken gehuld. De kust is steil en vol inhammen en baaien. Vóór kaap Skilling, verrijzen de Bananeneilanden uit zee, en sluiten den horizon naar het zuiden af. De rijk geschakeerde, afgebroken kustlijn is omgeven met een gordel van blank schuim, door de hevige branding veroorzaakt.

Een fetishboom.
Een fetishboom.

Een fetishboom.

Dank zij den vuurtoren, kunnen de schepen, zoowel bij nacht als bij dag, in alle veiligheid, de haven van Sierra-Leone binnenloopen. De oostersche bouwstijl van dezen toren, die aan de moorsche marabouts herinnert, doet een uitnemend effect te midden van dit fraaie landschap. De schoone bergachtige omgeving, het prettig, feestelijk voorkomen der stad—ze zouden u niet doen vermoeden, dat ge u op eene plek bevindt, die, en niet zonder goede reden, den naam heeft van een der ongezondste oorden van de gansche wereld te zijn.

Weldra zijn wij den vuurtoren voorbij; langs de berghellingen en op de kruinen is het eene opeenvolging van smaakvolle, lachende villas, soms half in het lommer verscholen.

Freetown, de hoofdstad der kolonie, ligt aan een inham, die vroeger den naam droeg van de Franschen-baai. De houthakkers zijn hier zoo ijverig aan den arbeid geweest, dat de bergen, die veertig jaar geleden van den voet tot den top met bosch waren bedekt, tegenwoordig kaal zijn; ter nauwernood vindt ge nog enkele groepen boomen in de smalle valleien, die zich tusschen deze bergen slingeren. Hier en daar zijn ook op de toppen nog enkele boomen staande gebleven, wanneer de eigenaar der villa ze niet wilde laten omhakken. De witte muren dier villas vormen eene scherpe tegenstelling met de donkerkleurige hutten der vrijgelatenen en van de Kroumanen, die te Sierra-Leone komen, om zich te verhuren op de schepen, die langs de kust handel drijven.

Bedevaartgangers.
Bedevaartgangers.

Bedevaartgangers.

Nauwelijks is het anker gevallen, of het schip wordt aan alle zijden door schuiten omringd; de inlanders hebben nauwelijks zoo lang geduld, tot de gezondheids-commissie haar onderzoek heeft geëindigd. Het is inderdaad opmerkelijk, de kalmte te zien, waarmede die commissie hare taak verricht. Toch schijnt ze wel een overtollig artikel van weelde in deze afrikaansche hoofdstad, waar de kiemen der doodelijkste ziekten zich eensklaps, zonder eenige aanleiding van buiten, ontwikkelen. De stad ligt juist aan de grens van het gebied der passaatwinden, en is dus blootgesteld aan de periodieke windstilte, die de verandering der windstreek voorafgaat en volgt, en die voor de ontwikkeling der geduchtste epidemiën zoo bij uitnemendheid gunstig is.

Nauwelijks is van wal het teeken gegeven, dat het vrije verkeer met het schip geoorloofd is, of de wonderlijk gemengde bevolking der schuiten klautert aan alle zijden aan boord; verwonder u niet, zoo ge, naar uwe hut afdalende, die ingenomen vindt door eene dikke negerin: het is de waschvrouw, die u hare diensten komt aanbieden.

Meen echter niet, dat deze zwarte schepsels in het minst gelijken op de sierlijke, bevallige dochters der Antillen: deze negerinnen geven u niets te aanschouwen dan zeer ongelukkige, mislukte nabootsingen van gindsche origineelen. De bonte doek past slecht op die ronde hoofden, waar de dikste wol de plaats vervangt van het golvende en zorgvuldig opgemaakte hair der mulattinnen. Niettemin hebben zij zelfs den wijden japon en de crinoline of queue van hare west-indische zusters overgenomen. Maar, o hemel! welke japonnen en welke crinolines! Onder dien smakeloozen toestel komen groote, lompe voeten te voorschijn; en de groote geelachtige zweetdroppels, die langs de vooruitstekende wangbeenderen der waschvrouw biggelen, bewijzen overtuigend, dat de natuur haar bestemd heeft om een kostuum te dragen, dat beter met haar ras en haar klimaat overeenstemt.

De hofmeesters en bedienden der handelshuizen, die doorgaans de gewone leveranciën op zich nemen, verschijnen met hun opschrijfboekje in de hand, en met het bezige voorkomen van lieden, die zich niet voor eene kleinigheid willen verplaatsen of vermoeien. De verstandige kapitein doet wel, indien hij zich niet met deze al te ongeduldige lieden inlaat; straks verschijnen de Kroumanen, met hun eerlijk gezicht en hun zwaren, eenigszins slependen gang. Zij zijn bereid, hunne diensten te verhuren, hetzij per dag, hetzij voor een maand, voor een jaar, of ook wel voor eene bepaalde corvée; zij zijn de naïeve, breedgeschouderde, krachtige zonen der kust van Krou. Hunne certificaten zijn zorgvuldig opgevouwen en in een punt van een doek geknoopt; de beschaafdsten hebben een doos, waarin het kostbaar dokument wordt bewaard: dat is hun paspoort, dat zij u toonen als bewijs van hun goed gedrag en hunne bekwaamheid.

Na ons een weg te hebben gebaand door kisten en balen en wagens, komen wij aan eene geplaveide glooiing, die midden in de hoofdstraat uitkomt, welke ter wederzijde door fraaie en regelmatige huizen is omzoomd. Van binnen zijn die huizen van overdekte galerijen voorzien. Het schuin afloopende, met balken gedekte dak bewijst dat men er op bedacht is geweest, maatregelen te nemen tegen de geweldige regenvloeden, die gedurende negen maanden van het jaar dezen grond doorweeken; eenige gemetselde riolen geven aan het water gelegenheid naar zee af te vloeien, zonder de straten, die niet geplaveid zijn, in poelen te herscheppen.

Het gouvernementshôtel, midden in het oude fort gelegen, beheerscht de stad en verrijst vlak tegenover de landingsplaats; eenige dwergachtige boomen bieden hun, die zich te voet naar het hôtel moeten begeven, een sobere schaduw. Zijne Excellencie drijft de beleefdheid zoo ver, dat hij zijn rijtuig ter beschikking stelt van de aanzienlijke vreemdelingen, die hem komen bezoeken; hij bespaart hun zoodoende den vermoeienden tocht langs dezen steilen weg. Men moet inderdaad stevige beenen en uitmuntende longen hebben, om naar de kazernen omhoog te klauteren: ruim en luchtig gebouwd, verheffen zij zich op den top van een steilen heuvel, driehonderd-zestig voet boven de zee; zij beheerschen de gansche stad, waarvan zij tevens het fraaiste sieraad zijn. Het panorama, dat zich hier voor onze blikken ontrolt, en het vriendelijk onthaal, dat wij hier vinden, stellen ons schadeloos voor de inspanning van dezen tocht. De officieren wonen te midden der soldaten. Een schermzaal, een billardzaal, een leeszaal—ge vindt hier alles bijeen, wat maar eenigszins strekken kan om de ontberingen en ellenden te verzoeten van eene ballingschap, die dikwijls nog verzwaard wordt door de martelingen der kwaadaardige koorts. De eetzaal is zeer fraai. De officieren houden hier hun mess, met al de traditioneele weelde, waaraan men bij de engelsche regimenten gewoon geraakt is.

In de voorsteden, rondom de eigenlijke stad verspreid, wonen de vrijgelaten slaven; hunne vierkante hutten zijn uit losse steenen opgetrokken, en bestaan uit eene enkele benedenverdieping; een eerste verdieping is uiterst zeldzaam. Het dak is belegd met eene dikke laag droog gras; een kleine tuin, door een hekwerk of eene haag afgesloten, omringt de nederige woning. Onder een soort van afdak huist het gevogelte en de zwijnen, die de eenige huisdieren dezer negers zijn.

In den tuin worden ettelijke groenten en vruchten gekweekt; met genoegen herkende ik daaronder den broodboom, die zijne breede uitgetande bladeren boven de omrastering ontplooit. Hij heeft in zijn nieuw vaderland geen enkele van zijne goede hoedanigheden verloren: zijn gebladerte is nog altijd even fraai groen; zijne goudkleurige vruchten schitteren zoo vroolijk in de zon, dat ze u onwillekeurig tot plukken uitnoodigen. Iets verder ziet gij den mangoboom, even als de broodboom een geschenk der Europeanen aan Afrika. Ook de mangoboom is hier geheel inheemsch geworden; zijne rijk gekleurde trossen verliezen zich in het dichte gebladerte, onder welks lommer ge onbevreesd de felste zonnestralen tarten kunt.

Neem u in acht, dat ge u niet op eenigerlei wijze het ongenoegen op den hals haalt van de zwarte burgers dezer stad: de vrijheid, die men hun geschonken heeft, is hun naar het hoofd geslagen; en al bestond uwe schuld alleen in hunne verbeelding, toch zouden zij u aanstonds bij den rechter verklagen. En meen ook niet, dat uwe hoedanigheid van vreemdeling u in deze van eenig nut zou kunnen zijn; de jury bestaat uit vrijgelatenen; allen zijn door dezelfde gevoelens van naijver en wangunst en verborgen haat bezield. Hoe rechtvaardig uwe zaak, hoe bekwaam uw advokaat ook mocht zijn, ze zouden u onfeilbaar veroordeelen, omdat gij een blanke zijt. Dat zij den grond, waarop zij wonen, de welvaart, die zij genieten, de vrijheid zelve, waarvan zij zoo schromelijk misbruik maken, uitsluitend aan de Europeanen te danken hebben,—daaraan denken zij natuurlijk geen oogenblik.

In vroeger tijd, toen er nog paarden waren te Sierra-Leone, toen Hamburg nog eene vrije stad was, fier op haar bondgenootschap met Frankrijk, in dien tijd dongen hare rijkste en voornaamste kooplieden naar de eer, om onze vlag voor hunne woning te mogen doen wapperen, ten teeken dat zij den rang hadden van consulaire agenten van Frankrijk. Toen ook vonden wij steeds bij deze kooplieden de onbekrompenste en voorkomendste gastvrijheid, waarvan ik de aangenaamste herinneringen heb behouden.

De wegen, die Sierra-Leone met de omliggende dorpen verbinden, loopen in slingeringen langs de hellingen der bergen, en leveren voor den toerist de aangenaamste afwisseling van schilderachtige vergezichten op.

Vreemdelingen, die zich een denkbeeld willen maken van den overstelpenden rijkdom der tropische natuur, moeten niet verzuimen eene wandeling te maken naar het dorp der Missiën, in Regent-Valley gelegen.

Hier zijn de tuinen vol van de schoonste bloemen: geraniums, rozen en duizende anderen wedijveren als om strijd in het ten toon spreiden der schitterendste kleurenpracht, nog te meer uitkomende door het met kunstige hand smaakvol aangebrachte groen. Nevens de schrale bamboesstengels, heen en weder golvende met alle winden, en onder het wiegelen een eigenaardig geluid makende, dat bijna op kermen gelijkt; nevens de slanke bamboes ziet ge het dichte, massieve gebladerte van den banaanboom, wiens zware hangende trossen den stam doen buigen; terwijl de palmboom, hoog in de lucht, zijn bladerkroon uitspreidt over de gouden vruchten, die zijn ranken stam versieren.

De achtergrond van deze schoone schilderij wordt gevormd door een achttienhonderd voet hoogen kegel, het Suikerbrood genaamd; een prachtige waterval verbreekt alleen met zijn ruischend geklater de diepe ernstige stilte van deze rustige plek, zoo uitnemend voor studie en overpeinzing geschikt.

Een andere weg, naar het westen gericht, loopt even als de zooeven genoemde, om en langs de bergen heen, en voert naar den signaaltoren, van waar men een heerlijk uitzicht heeft over de eindelooze zee, die zich verre, verre, tot aan den schemerenden horizon uitstrekt. Van deze hoogte gezien, schijnen de sterkste golven nauwelijks het vlak des waters te doen rimpelen, en de grootste schepen zijn niet meer dan notedoppen, waarmede een kind aan den vijverrand speelt.

XII.

Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.

De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijn onvermoeid in het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.

Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.

De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.

In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.

De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht der Foulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.

De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.

De fransche factory van Groot-Bassam.
De fransche factory van Groot-Bassam.

De fransche factory van Groot-Bassam.

Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.

Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

XIII.

Het is eene dwaling te meenen, dat de Afrikanen zonder wet leven en slechts hun luim en hartstocht volgen. Voor hen heeft de overlevering een onbeperkt gezag; aanzienlijken en geringen moeten zich schikken naar de gewoonten en gebruiken, waaraan zij sedert eeuwen haar zegel gehecht heeft; in den regel is deze overlevering van godsdienstigen aard, en geeft zij aan hare geboden en inzettingen eene godsdienstige wijding.

De volksstammen van westelijk Afrika zijn of Mohammedanen of fetishaanbidders; het Christendom heeft, buiten de nederzettingen der Europeanen, geen ingang onder hen gevonden en geen enkelen bekeerling gemaakt. Bij de Timanies is de besnijdenis in zwang, maar zij zijn fetishaanbidders gebleven, hetgeen eene klove te meer is tusschen hen en hunne naburen, de Foulahs en de Mandingos, die voor het meerendeel Mohammedanen zijn.

Op den bodem van het fetishsisme ligt een soort van deïsme: de negers gelooven over het algemeen aan een Opperwezen, schepper en onderhouder der wereld, die hij, door tusschenkomst van ondergeschikte geesten, demonen, regeert, zonder evenwel de macht te kunnen breken van de booze geesten, wier gunst het mitsdien noodig is te winnen. Om hun toorn te verzoenen en de rampen, die zij beschikken kunnen, af te weren, brengt de neger voornamelijk aan deze booze geesten zijne offers en bewijst hun de hulde der aanbidding. Op eenige honderde ellen afstands van de dorpen verrijzen kleine tempels, waarin ex-voto’s zijn opgehangen, ter eere der donkere, boosaardige godheden. Somwijlen worden deze godheden afgebeeld in menschelijke gedaante, meestal echter in de gestalte van een dier; de hoogere wezens, die in beesten wonen en eene dierlijke gestalte aannemen, kiezen daartoe, bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, tijgers, slangen en hagedissen:—de dieren alzoo, die in deze streek voor den mensch het meest te vreezen zijn. Wellicht gaat met deze beschouwing een zeker geloof aan de zielsverhuizing gepaard, of was dit geloof oorspronkelijk de aanleiding tot de schijnbaar zoo zonderlinge meening, die bij voorkeur dieren als incarnaties eener hoogere macht vereert. Zeker is het, dat de Afrikanen over het algemeen gelooven aan de macht der goden en ook der toovenaars, om zich naar believen in tijgers, krokodillen of slangen te kunnen veranderen.

De koning van Groot-Bassam en zijn hof.
De koning van Groot-Bassam en zijn hof.

De koning van Groot-Bassam en zijn hof.

De dienaars en tolken dezer geesten zijn de fetishpriesters, die bij de verschillende stammen onderscheidene namen dragen; zij oefenen ook de geneeskunst uit en kennen een aantal kruiden, die groote geneeskracht bezitten, en in den regel krachtig helpen, wanneer althans het gestel van den patiënt niet al te zeer versleten is.

De leerlingen dezer priesters worden in de eerste plaats met de vergiften bekend gemaakt; de kennis der tegengiften is het geheim van weinigen, die daardoor over de menigte een grooten invloed uitoefenen. Meermalen heb ik pogingen aangewend, om van deze priesters hunne geheimen te vernemen; maar ook al hadden zij mij stellige beloften gedaan, wisten zij toch altijd een of andere uitvlucht te vinden, om zich te onttrekken.

De tusschenkomst van den fetishpriester wordt bij gewichtige gebeurtenissen en bij de groote keerpunten des levens steeds gevorderd: hij sluit de huwelijken, hij staat de stervenden bij, en verdrijft van hen de booze geesten. Vooral als rechter is hij zeer gevreesd; want hij zit voor bij het godsoordeel, en het leven van den beschuldigde hangt af van de soort van vergif, die de priester hem toedienen zal. Tegen zekere boomschors, die bij dergelijke proefnemingen veel gebruikt wordt, kan men zich beveiligen, door vooraf olie of een braakmiddel in te nemen; maar de fetishpriester kan den beschuldigde ook andere vergiftige kruiden doen inslikken, waarvan de gevolgen ernstiger zijn. De negers gelooven dat de priester over een soort van geest of demon gebiedt, die hem het verborgene openbaart en hem de toekomende dingen doet zien.

De afrikaansche staten zijn zuivere monarchiën, waarin de vorst met eene onbeperkte macht is bekleed; maar deze almacht, hoe volstrekt ook in theorie, wordt toch in de praktijk door zekere gebruiken en instellingen getemperd. In elk dorp is een eigen opperhoofd, dat bij de openbare vergaderingen voorzit, de orde handhaaft en zorgt voor de rechtspleging. Overigens leeft dit opperhoofd geheel op denzelfden voet als de andere inwoners; zijne inkomsten bestaan uit de vergoeding, die hij van de rechtzoekenden ontvangt, en uit de boeten, die hij den overtreders oplegt; hij heeft onder zijn gezag zekere ambtenaren, die met de uitvoering zijner bevelen zijn belast; ook heft hij een zeker recht van de kooplui, die ter markt komen. De waardigheid van dorpshoofd is dikwijls erfelijk in eene bepaalde familie, maar gaat dan over op den eerstgeboren zoon der oudste zuster van den overledene. Er zijn echter ook voorbeelden, dat het dorpshoofd gekozen en ook weder afgezet werd. In oorlogstijd wordt een van de dapperste aanvoerders tot opperbevelhebber gekozen; deze waardigheid wordt slechts voor een tijd verleend, althans bij de Mandingos, de Foulahs en de Timanies. Bij deze laatsten berust de hoogste rechtsmacht bij den raad der oudsten; diefstal, overspel en tooverij zijn de meest voorkomende zaken; de beide eerste vergrijpen worden alleen met boete gestraft, maar op de misdaad van tooverij staat de dood.

De jonkman, die een huwelijk sluiten wil, moet zich vooraf eene hut bouwen en in het bezit zijn van het noodige geld om zijne vrouw te kunnen koopen. Bij sommige stammen heerschen huwelijksgebruiken, waarvan onze dames zeker vreemd zouden opzien. Als de bruid, ten teeken dat zij het aanzoek van haar minnaar inwilligt, den koperen ring ontvangen heeft, gaat zij met hem naar een smid, die beiden de tanden afvijlt, zoodat ze puntig worden. Is dit geschied, dan begeven zij zich naar een der tempels, in de nabijheid van het dorp; onder het aanroepen van de schimmen der voorvaderen, wordt een pot, met bier of palmwijn gevuld, uitgestort; de fetishpriester spreekt den zegen uit, en ontvangt daarvoor een kip; de smid treedt weder op, en smeedt om hun armen twee ijzeren ringen:—en het huwelijk is gesloten. Deze ijzeren ringen zijn echter een min passend symbool, althans voor zoo ver ze duurzaamheid moeten beteekenen: het huwelijk wordt toch even gemakkelijk ontbonden als gesloten.

De bruiloftsnacht wordt gesleten in woeste, ongebonden dansen, en somwijlen ook in vrij ernstige schermutselingen en vechtpartijen: want de gewoonte brengt mede, dat de vrienden en de bloedverwanten der bruid haar verborgen houden, of weigeren haar over te geven, voor de bruidegom en zijne vrienden met de daad getoond hebben, hoe ver hunne kracht reikt.

Iedere vrouw heeft in den regel hare eigene woning. In de eerste dagen na hunne geboorte worden de kinderen in een doek gewikkeld; later, als zij sterker zijn geworden, nemen zij plaats op den rug hunner moeder, die nooit hare kinderen verlaat, en met de kleintjes op haar rug alle huiselijke bezigheden verricht. Bij sommige stammen gaat dit zoo ver, dat kind en moeder onafscheidelijk blijven, tot zoolang de kleine loopen en reeds eenige kleine diensten verrichten kan. Dan wordt hij meer aan zich zelven overgelaten, en herneemt zijne moeder haar plaats onder de andere vrouwen.

Hoewel de zeden alles behalve onberispelijk zijn, wordt toch overspel, van de zijde der vrouw althans, streng gestraft. De minnaar wordt de slaaf van den beleedigden echtgenoot; de schuldige vrouw wordt gegeeseld en, nadat haar het hoofd is kaal geschoren, tot den zwaarsten arbeid veroordeeld. Ik heb verscheidene voorbeelden van zulke strafoefening gezien, en nimmer een enkele klacht gehoord over de strengheid van het vonnis. Het huwelijk kan, met wederzijdsch goedvinden, te allen tijde ontbonden worden; de vrouw, die een bruidschat ontvangen heeft, behoudt dien, als haar man haar wegzendt.

De begrafenissen zijn zeer plechtig en gaan met grooten omslag gepaard, want de eeredienst der afgestorvenen is in Afrika algemeen in zwang. Er worden bij die gelegenheden groote maaltijden aangericht, waarvoor de ossen en schapen der familie worden geslacht. In de tempels worden, ter eere der afgestorvenen, ex-voto’s opgehangen, gaven geofferd, bier en wijn geplengd: de overledene laaft zich aan de schaduw dier spijzen en dranken. Het lijk blijft somwijlen dagen lang boven aarde; aan de begrafenis gaat steeds het oordeel vooraf, waarbij den doode gevraagd wordt of hij vrijwillig het leven verlaten heeft, dat wil zeggen of hij zijn natuurlijken dood gestorven is, dan wel of hij bezweken is ten gevolge van betoovering, van vergif of van andere kwade praktijken. In een land, waar wraakzucht en naijver de heerschende hartstochten zijn, en waar eene vijandelijke hand, in het geheim, het doodelijkste vergif kan toedienen, is zulk een onderzoek op zich zelve zeker niet geheel misplaatst; maar de wijze, waarop het geschiedt, is hoogst bedenkelijk. Op het oogenblik der begrafenis, wordt de baar op schragen gezet, zoo gesteld, dat zij gemakkelijk waggelen en vallen kunnen. De ondervraging geschiedt, hetzij door de bloedverwanten van den overledene, hetzij door den fetishpriester; blijft de baar onbewegelijk, dan wordt het lijk in een diepen kuil nedergelaten, die op een afgezonderde plek, ver van de bebouwde velden, welke door het doode lichaam zouden verontreinigd worden, wordt gedolven. Vallen bij ongeluk de wankelende, waggelende schragen om, dan blijkt daaruit, dat de overledene niet zijn natuurlijken dood gestorven, maar op misdadige wijze van het leven beroofd is; dan wordt den toovenaar opgedragen, den schuldige op te sporen. Zeer dikwijls is dit alles niets anders dan eene vooraf op touw gezette komedie, en het van te voren bereide sterke vergif maakt weldra een einde aan het leven van den beschuldigde, die, ten bewijze van zijn onschuld, de hem aangeboden dosis moet inslikken.

De oudste zuster van den overledene speelt doorgaans een gewichtige rol bij de lijkplechtigheden. Meermalen beweert zij, een gezicht te hebben gehad, waarbij haar de ware oorzaak van den dood haars broeders werd geopenbaard; zij is de eerste, die de ceremoniën bij de begrafenis leidt en bestuurt. De vrouwen huilen en schreeuwen zoo luid mogelijk, en maken allerlei afschuwelijke geluiden; dikwijls blijven de weduwen, gedurende den geheelen rouwtijd, in hare woning.

In noordelijk Afrika vindt men twee instellingen, die eene bijzondere vermelding verdienen. De eene is eene soort van vrijmetselarij, pourah genaamd; de andere is een genootschap of vereeniging van vrouwen, onder verschillende namen bekend. In beide korporaties zijn graden en rangen, die de leden achtereenvolgens kunnen bereiken; het eigenlijke doel, de geheime leer, zoo ge wilt, is van beiden slechts aan weinigen bekend.

De pourah was hoogst waarschijnlijk in den beginne eene godsdienstige instelling, een soort van veemgericht, van treuga Dei; alle volwassen mannen van dertigjarigen leeftijd kunnen daarvan lid worden, mits zij zich onderwerpen aan de proeven en ceremoniën, die hunne ziel moeten reinigen; zij behooren dan tot het geslacht der “tweemaal geborenen.” Het geheim is onschendbaar; vrouwen worden in de vereeniging niet opgenomen. Deze korporatie is voornamelijk belast met de bewaking en verzorging van de heilige dingen: de altaren, de gewijde bosschen staan onder haar toezicht; haar gevreesde rechtbank weet zich zelfs door de machtigste vorsten te doen eerbiedigen. Zij heeft geheime wachtwoorden, en bijzondere teekens, en verborgen bijeenkomsten; de leden van den pourah zijn kenbaar aan een bijzondere soort van tatouäge, in den vorm van een dubbel koord, dat het lichaam omgeeft, en waarvan de einden op de borst, ter hoogte van de maagholte, samenloopen.

Wanneer, in eene of andere streek, de staat van voortdurenden oorlog eindelijk ondragelijk is geworden, dan wordt soms de bemiddeling van een naburig vorst ingeroepen, die dan als scheidsrechter optreedt, en een wapenstilstand gebiedt. Schenden de partijen dien wapenstilstand, of nemen zij zijn bemiddeling niet aan, dan verklaart hij, dat hij den pourah zal afkondigen. Het is dan ten strengste verboden, bloed te vergieten. Wordt de pourah geschonden, dan trekken twintig of dertig gemaskerde en gesluierde mannen naar de dorpen, dooden iederen man, dien zij buiten zijne woning aantreffen, en nemen alles weg, wat hun voor de hand komt.

De vrouwen-vereeniging staat onder bescherming en toezicht van den pourah en van de fetishpriesters; deze vereeniging bezit een soort van kloosters, waarin de meisjes op haar zevende of achtste jaar worden opgenomen, en waarin zij blijven, tot zij huwbaar geworden zijn. Om in deze inrichtingen opgenomen te worden, moeten zij een slaaf, of de waarde van een slaaf, betalen.

De Mandingos van Mousardou hebben een zeer beroemd vrouwenklooster, dat, naar men zegt, zeer goed ingericht is en onderhouden wordt; op feestdagen mogen de jonge meisjes bezoek ontvangen, en vertoonen zij zich aan het publiek, prachtig gekleed en met tulbanden versierd, in zonderlinge, mystische houdingen en standen.

Deze inrichtingen der vereeniging zijn geheimzinnige en onschendbare verblijfplaatsen, waar alles in nacht en schaduw is gehuld; wie het wagen zou, den drempel dezer huizen zonder vergunning te overschrijden, zou met den dood worden gestraft.

Do afrikaansche vrouwen stellen er eene eer in, tot deze vereeniging te behooren, die, door haar groote macht en invloed, haar ook in huiselijke twisten tot steun is. Daarentegen kan de man dreigen met de tusschenkomst van Mombo Jombo, den geest, die de eer van den beleedigden echtgenoot wreekt. Mombo Jombo, doorgaans een handlanger van den pourah of van de fetishpriesters, verschijnt, van top tot teen in bladeren gehuld en met de zweep in de hand, om de lichtzinnige echtgenooten, die hij zeer goed weet op te sporen, te tuchtigen.

Voor de reizigers, die over Sierra-Leone in Afrika willen doordringen, is het van het grootste belang, dat zij als geleider een lid van den pourah medenemen, die hen in allerlei opzichten van uitnemende dienst zal zijn en hen in betrekking zal stellen met de fetishpriesters, die een verwonderlijk goed georganiseerde policie uitoefenen. Deze geleiders waarschuwen de reizigers als hun een of ander gevaar mocht bedreigen, of als de dragers onderling een komplot hebben gesmeed; zij weten de bedienden tot hun plicht te brengen en de gestolen goederen terug te doen geven.

Meisjes van Groot-Bassam.
Meisjes van Groot-Bassam.

Meisjes van Groot-Bassam.

Als de fetishpriester zich in het openbaar vertoont, wordt hij voorafgegaan door bedienden, die luid schreeuwen en bellen doen klingelen; hij is wonderlijk gekleed; zijn neergetrokken hoed of muts maakt zijn gelaat bijna onzichtbaar; hij is in een grooten mantel gewikkeld, en loopt dikwijls op korte staken, met vederen beplakt, en die van onderen in een soort van vogelklauw uitloopen. De hoofden van deze orde blijven meer in het verborgen; zij behooren meest allen tot zekere bijzondere familiën, en schijnen hunne waardigheid, die hun bij keuze wordt opgedragen, niet langer dan drie jaren achtereen te bekleeden.

De invloed der fetishpriesters en toovenaars—want deze twee waardigheden zijn onafscheidelijk—is zeer groot. Het is altijd geraden, hen tot vriend te houden, voornamelijk door het aanbieden van geschenken, en door andere bewijzen van achting en eerbied; die dit nalaat, zou al spoedig zijn goeden naam verliezen en lichtelijk zeer onaangename gevolgen van zijn gedrag ondervinden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings