← Table of contents
Koning Jan

Aanteekeningen.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

Van dit stuk is geen afzonderlijke uitgave bekend; het schijnt eerst in de verzameling van Sh.’s dramatische werken, de Folio-uitgave van 1623, verschenen te zijn. Het behoort onder de stukken, die Francis Meres in 1598 in zijn Palladis Tamia vermeldt. Men mag naar de kenmerken, die stijl en versbouw bieden, als zeker aannemen, dat het niet lang vóór 1596 geschreven is, en, met de andere koningstukken vergeleken, nà Hendrik VI en Richard III, maar vóór Richard II, Hendrik IV en Hendrik V.

Terwijl Sh. voor de andere genoemde historiespelen vooral de kroniek van Holinshed (waarover later) bezigde, ligt aan den Koning Jan een ander, uit twee deelen bestaand drama, van een ongenoemden schrijver, ten grondslag, dat in 1591 verscheen en blijkens de proloog, die van Marlowe’s Tamerlan gewag maakt, omstreeks 1590 gespeeld moet zijn. Doch al heeft Sh. aan dit stuk ook den gang der gebeurtenissen ontleend (echter nog met een menigte wijzigingen), hij heeft toch op zijn Koning Jan zoo zeer den stempel van zijn geest gedrukt, dat het als een geheel oorspronkelijk werk gelden mag. Aan het schrijven van den ouderen Koning Jan heeft Sh. ongetwijfeld niet het geringste deel gehad; het is zeker niet een arbeid zijner jeugd, al heeft ook een uitgever, die het stuk in 1611 nog eens uitgaf en dat van Sh. niet machtig kon worden, ter wille van het debiet op den titel gezet: „geschreven door W. Sh.”; ja, al noemt een derde druk, van 1622 (dus nà Sh.’s dood, maar vóór de uitgave zijner gezamenlijke drama’s in het licht gegeven), zijn naam voluit op den titel.

Op gelijke wijze gaven in het laatste gedeelte der zestiende eeuw de Londensche schouwburgen reeksen van tooneelen te aanschouwen uit de Engelsche geschiedenis, vooral uit de oorlogen met Frankrijk, waarbij dan steeds de dapperheid der Engelschen boven die der Franschen moest uitkomen. De voornaamste personen: Talbot, Heetspoor, Warwick, Hendrik V, Richard III, enz., hoezeer aan het publiek langzamerhand zeer bekend, werden telkens met genoegen op nieuw gezien en de samensteller dezer stukken kon zich gerust allerlei gewaagde sprongen en weglatingen veroorloven, de toeschouwers waren met het onderwerp genoeg vertrouwd, om hem te volgen; het kwam er vooral op aan, de zwaarden en schilden goed te laten kletteren en de hoogdravende taal der koningen en grooten met boertige tooneeltjes af te wisselen, opdat de toeschouwers van allerlei aard, ieder op zijn wijze, konden genieten. Bij den aanvang van Sh.’s loopbaan was er naar zulke stukken veel vraag en ook Sh. leverde, wat verlangd werd; hij dramatiseerde de Engelsche geschiedenis en schikte zich naar de behandelingswijze zijner voorgangers, evenals de groote Italiaansche meesters de kerkelijke legenden schilderden in den trant, die gewenscht werd. Maar gelijk deze door de hoogte hunner kunst verre stonden boven handwerkslieden, die dezelfde onderwerpen penseelden, staat Sh., als dramatisch genie van den eersten rang, hoog boven al zijn voorgangers en tijdgenooten, door het leven, waarmede hij zijn personen weet te bezielen, door zijn kunst, om de gebeurtenissen uit het karakter der menschen te doen voortvloeien, door de levendigheid en natuurlijkheid zijner vroolijke tooneelen. Men zie eens, hoe de Bastaard in den loop van dit stuk uit een wakkere, stoute borst zich tot een patriot en held ontwikkelt. Toch dragen deze stukken, met name de eerst geschrevene, duidelijke sporen van hun oorsprong uit de genoemde volksdrama’s; de hoogdravendheid, die wij hier en daar opmerken, de soms zorgelooze samenstelling, de stoutheid, waarmede gebeurtenissen in korte trekken worden saamgevat, de breede, veel plaats innemende uitwerking van enkele episoden, met name van comische tafereelen, dit alles wijst hierop terug. Men kan dan ook deze stukken geen eigenlijke drama’s noemen, waaraan een eenheid van handeling ten grondslag moet liggen; zij zijn veeleer een aaneenschakeling van dramatische tooneelen, die meermalen schier alleen daardoor samenhangen, dat dezelfde personen er in optreden; soms is een enkel bedrijf of tooneel een geheel op zichzelf, dan weder behoeft de dichter meer dan één stuk om den oorsprong, voortgang en afloop eener handeling of gebeurtenis te verzinnelijken.

Met welk een vrijheid de dichter te werk gaat, kan zeer wel uit den „Koning Jan” blijken. Niet alleen, dat hij vuurwapenen laat gebruiken in een tijd, dat zij nog niet uitgevonden waren, en Richard Leeuwenhart door den Hertog van Oostenrijk bij Limoges laat vallen, ook in belangrijker opzichten is zijn voorstelling niet met de geschiedenis in overeenstemming. Koning Jan en zijn grooten waren nog Fransche Normandiërs, die in Engeland heerschten; de oudere Plantagenets beschouwden hun groote leengoederen op het vasteland, waardoor zij vazallen aan Frankrijk waren, maar een macht bezaten, grooter dan die van hun leenheer, als hun eigenlijk vaderland; Engeland werd toen inderdaad door Fransche koningen geregeerd; zijn belangen waren geheel in strijd met die van zijn beheerders en het is voor Engeland een geluk geweest, dat zijn zevende Fransche vorst, Koning Jan, een nietige lafaard was, die zich uit Normandië liet verdrijven. Eerst toen zijn Normandische edelen hadden moeten kiezen tusschen het vasteland en het eiland, en door de zee op het laatste waren opgesloten, begonnen de veroveraars en overwonnenen, die onder de heerschappij van een slechten tyrannieken vorst, Koning Jan, dezelfde belangen te verdedigen hadden, elkander in vriendschap te naderen en het aan Jan afgedwongen Groot Charter was het eerste blijk hunner vereeniging, uit welke het Engelsche volk geboren werd.—Toen deze eerste stap gedaan was, werd in minder dan een eeuw de samenstelling voltooid; en het onderscheid tusschen Saksers en Noormannen, bij het aanvaarden der regeering door Jan nog zoo duidelijk zichtbaar, was tegen het einde van de regeering zijns kleinzoons nagenoeg uitgewischt. Toen Eduard III en na hem Hendrik V ter verovering van Frankrijk uittogen, werd het een strijd van Engelschen tegen Franschen en de overwinningen maakten een deel van Frankrijk tijdelijk tot een Engelsch wingewest, de overwinnaars werden bij hun thuiskomst door het Engelsche volk met geestdrift begroet.

Heeft Sh. hier alzoo de samensmelting der volksstammen te vroeg als voldongen voorgesteld, heeft hij verder den valschen, laffen, wreeden, steeds wankelenden koning Jan eigenlijk nog te gunstig geteekend, toch is in dit stuk veel meer waarheid, dan men na het gezegde vermoeden zou. Toen koning Richard gevallen was, stonden de zaken inderdaad zoo, als hij ze schildert. Jan matigde zich, op een uitersten wil van Richard Leeuwenhart steunende, de kroon aan; zijn moeder Eleonore, een eergierige en schrandere vrouw, trok mede te velde en verdedigde de Fransche provinciën bij afwezigheid van haar zoon; de bekwame Philips August wierp zich ter bescherming van Arthur op, onderhandelde persoonlijk met Jan en de vrede werd bezegeld door het huwelijk van den Dauphijn met Blanca van Castilië, nicht van Koning Jan; de kerk mengde zich inderdaad herhaaldelijk in de twisten; Koning Jan brandschatte de geestelijkheid, verzette zich tegen de benoeming van Stephen Langton tot aartsbisschop van Canterbury; door Innocentius III werd het interdict over Engeland en kort daarna de banvloek over den koning uitgesproken; adel en geestelijkheid vielen van den koning af; het volk was gedrukt en angstig; Jan vernederde zich voor den Paus en leide de kroon neder, om leenman van den Paus te worden en haar uit handen van Archidiaconus (niet Kardinaal) Pandulphus terug te ontvangen. Diens verbod vermocht evenwel niet, den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland te doen staken, die voor Engeland een ongunstigen keer nam; hierbij kwam een opstand van den adel, die met de onderteekening van het groot Charter eindigde, maar door de trouweloosheid van Jan op nieuw ontbrandde en er toe leidde, dat de Dauphijn, door den adel geroepen, als kroonpretendent in Engeland landde en er zich twee jaren staande hield, den pauselijken ban trotseerend. Dat hij van plan was de Engelsche edelen met ondank te beloonen, en dat de graaf van Melun dit in zijn sterfuur zou geopenbaard hebben, is aan de kronieken ontleend, maar niet zeker. Dat koning Jan door een monnik der abdij van Swinstead vergiftigd zou zijn, is een gerucht, dat reeds vroeg ontstaan is; maar inderdaad stierf hij aan het onmatig gebruik van perziken en cider, toen hij ziek en koortsig was. Prins Hendrik was toen nog zeer jong.

De bastaard Philip Faulconbridge (Richard Plantagenet) is een verdicht persoon, maar wèl wordt in den strijd, waardoor onder de regeering van Hendrik III de Dauphijn uit Engeland verdreven werd, een bastaard van koning Jan, Richard geheeten, als dapper strijder en gelukkig aanvoerder genoemd; misschien heeft de volksoverlevering dezen in een bastaard van Leeuwenhart veranderd. De bastaarden speelden meermalen een groote rol; de in dit stuk voorkomende graaf van Salisbury, William Longsword, is mede een bastaard, namelijk van Hendrik II en de schoone Rosamunde.

Hubert de Burgh is in de geschiedenis bekend als trouw aanhanger des Konings, die zich zoowel op het vasteland als in Engeland door zijn dapperheid onderscheidde, vooral door zijn gelukkige verdediging van Dover tegen den Dauphijn. Toen in het jaar 1202 Arthur van Bretagne,—die niet zoo jong was als hij in dit stuk voorkomt,—aan Jan in handen viel, werd hij ter bewaking toevertrouwd aan Hubert de Burgh, toen bevelhebber van het slot Falaise in Normandië. Toen de koning zijn beulen naar Falaise zond, om Arthur de oogen uit te steken, verspreidde Hubert, om hem te redden, het gerucht, dat Arthur gestorven was, doch herriep dit weldra, toen Bretagne bij het hooren hiervan in opstand kwam. De koning gaf Arthur toen aan een ander toezicht over en liet hem naar Rouaan voeren, waar hij in het jaar 1203 op raadselachtige wijze verdween, naar sommigen willen, door koning Jan met eigen hand vermoord.

I. 1. 1. Frankrijk. Frankrijk beteekent den Koning van Frankrijk, op gemeenzame wijze door Koning Jan zoo genoemd; de gezant daarentegen drukt in zijn antwoord op de koninklijke waardigheid.

I. 1. 9. Arthur Plantagenet. Koning Hendrik II was gehuwd met Eleonore, gescheiden gemalin van koning Lodewijk VII van Frankrijk. De kinderen waren: 1. Hendrik († 1183); 2. Koning Richard Leeuwenhart († 1199); 3. Godfried van Bretagne, gehuwd met Constance, die één zoon naliet, Arthur; 4. Koning Jan, wiens zoon Hendrik III werd; 5. Eleonore, gehuwd met Alfonso van Castilië, uit welken echt Blanca gesproten is.

I. 1. 40. Ons is de macht van het bezit, en ’t recht. Dat hij het recht op zijn zijde heeft, wil Koning Jan anderen, en misschien zichzelf diets maken; zijn moeder weet het beter en komt er voor uit.

I. 1. 92. Dat hij een half-gezicht heeft. De Bastaard neemt voor zijn broeder het woord en beantwoordt den koning. Hij vergelijkt het schrale, smalle gezicht van zijn broeder—diens halfgezicht—met het koningsbeeld op een zilveren munt, dat en profil, dus half, werd voorgesteld. Op oudere munten stond het koningsgelaat en face, dus geheel; het voorstellen en profil is later opgekomen. Grooten (1 Groot = 4 stuivers of pence) met het koningsbeeld en profil, half-faced groats, kwamen eigenlijk eerst onder Hendrik VII in Engeland voor.

I. 1. 145. Kijk eens, een tweeblanken-stuk. Look, where three-farthings goes. Zeer dunne zilveren munten, met het beeld van koningin Elisabeth en profil met een roos achter aan het hoofd; vandaar heette het muntstuk, waarmede de bastaard het smalle gezicht van zijn broeder vergelijkt, een three-farthings-rose. (Een farthing = ¼ penny.)

I. 1. 184. Elk Grietje, iedere boerendeern.—Eenige regels later wordt van tandenstokers gewaagd; deze waren in Sh.’s tijd een nieuwe mode, van het vasteland overgekomen; aan het gebruik er van herkende men den man van de wereld, die gereisd had en met uitheemsche manieren thuis gekomen was; zij werden zelfs als sieraad zichtbaar gedragen.

I. 1. 218. Heeft zij geen man enz. De rijdende boden hadden steeds een posthoorn bij zich, om hun komst aan te kondigen. Tevens bevat deze regel een variatie op het thema, dat voor de dichters der periode van koningin Elisabeth een onuitputtelijke bron van geestigheden was.

I. 1. 225. De Philistijnsche reus, de sterke man. Sh. noemt hier den Deenschen reus Colbrand, die door balladen aan het volk even zoo goed bekend was als wijlen Goliath aan ons is. Vondel zou gesproken hebben van den Sparrewouwer reus.

I. 1. 231. Philip! noem een musch zoo. Gurney, met de naamsverandering van den Bastaard nog onbekend, noemt hem met zijn ouden naam. Philip, Phip werd meermalen gebezigd, om de tjilpende musschen aan te duiden.

I. 1. 244. Knaap?—Ridder, ridder; goede moeder, ja. Het woord knaap, in het Engelsch knave, beteekent zoowel een dienaar van een ridder, als schelm. In het Engelsch zegt de Bastaard: „Ridder, ridder, goede moeder, evengoed als Basilisco.” Basilisco is een vechtersbaas, een pochhans, uit het in Sh.’s tijd aan ieder bekende tooneelstuk „Soliman en Perseda”, die zich „ridder” noemt, maar door den hansworst (clown) van het stuk met den naam van knave (knaap, schelm) bestempeld wordt. Deze toespeling, die hedendaagsche lezers onverschillig laat, is natuurlijk weggelaten.

I. 1. 266. Zelfs de onverschrokken leeuw niet kampen kon. Naar het volksverhaal had Richard Leeuwenhart een leeuw bestreden, hem het hart uit het lijf gerukt en zijn vel als mantel gedragen. Een ballade hield dit verhaal bij het volk levendig.

II. 1. 2. Voorzaat. Niet letterlijk op te vatten; Richard was de broeder van Arthurs vader.—Richard viel niet, zooals reg. 5 zegt, door den hertog (toen nog niet aartshertog) van Oostenrijk, maar bij de belegering van Chaluz, in den strijd tegen den Vicomte van Limoges. Dat hier, als in het ouder stuk van Koning Jan, de Hertog van Oostenrijk in de plaats treedt van den Vicomte van Limoges, levert een goeden grond op voor den wrok van den Bastaard tegen den Hertog, die het leeuwenvel, zijn buit bij het dooden van Richard, als mantel, draagt.

II. 1. 134. Hoort den roeper daar; den roeper, die bij openbare terechtzittingen stilte gebiedt.

II. 1. 288. Sint George, de schutspatroon van Engeland, prijkte zeer dikwijls op de uithangschilden van herbergen.

II. 1. 378. Doet als de muiters in Jeruzalem. De Joden waren in het door Titus belegerde Jeruzalem in drie partijen verdeeld, maar vereenigden zich tot een gemeenschappelijken uitval tegen de belegeraars.

II. 1. 503. In harer oogen schoone lijst gevat. In het Engelsch spreekt de dauphijn van zijn beeld, dat hij in het oog van Blanca teruggespiegeld, als het ware geteekend, drawn, ziet; hierop volgt een woordspeling van den bastaard met een andere beteekenis van drawn, „voortgesleurd”.

II. 1. 573. Scheef overwicht der wereld, the bias of the world, de verzwaring van een kogel buiten het middelpunt, zoodat hij, voortgeworpen of gerold, een scheeve richting krijgt; de wereld wordt met zulk een rollenden kogel vergeleken.

II. 1. 590. Als hij zijn eng’len me in de hand wil drukken. Gouden engelen, van tien shillings waarde, zijn bedoeld. In het oorspronkelijke staat: „wanneer zijn schoone engelen mijn handpalm willen begroeten”. Zulke engelen zijn ook bedoeld III. 3. 8.

III. 1. 1. Gaan huwen? De graaf van Salisbury, tot wien Constance spreekt, is blijkbaar de bode, door Koning Jan afgezonden, om haar uit te noodigen, zie II. 1. 554.

III. 1. 69. Want leed is trotsch, het buigt, die ’t heeft, ter aard. Het, als persoon gedachte, leed is overmoedig en onderwerpt aan zich hen, die het bezitten, het drukt die ter aarde, zoodat zij aan geen andere bevelen gehoor geven. Deze plaats is misschien bedorven; velen lezen met Hanmer stout voor stoop.

III. 1. 102. Ten strijd gerust enz. Het oorspronkelijke zegt: Gij kwaamt gewapend (in arms), om het bloed mijner vijanden te vergieten, maar nu versterkt gij het, arm in arm (in arms), of elkaar omarmend, met het uwe.

III. 1. 129. En hang een kalfsvel om die vuige leden. Een kalfsvel liet men in Sh.’s tijd vaak door narren dragen.

III. 1. 270. Want dat, wat gij bezweert, verkeerd te doen, Is niet verkeerd meer, als gij ’t goed verricht.—Goed verricht, overeenkomstig uw plicht, dus op tegengestelde wijs, dus in het geheel niet verricht. De geheele redeneering van den pauselijken legaat kan een proefje gerekend worden van geslepen casuistiek.

III. 1. 323. Paai Tijd de klokkeman. De Tijd is, volgens den Bastaard, een oude koster, en daarom is het zijn taak het uurwerk te regelen en de klok te luiden.

III. 2. 4. Terwijl de bastaard adem schept. In het oorspronkelijke wijst de bastaard zichzelf aan met zijn ouden naam Philip, gelijk ook in den volgenden regel Koning Jan hem er mee aanspreekt.

III. 3. 12. Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg; de banvloek der kerk zal mij niet afschrikken. Bij een banvloek werden de klokken geluid, werd de bijbel opgeheven en werden drie brandende kaarsen uitgebluscht.

III. 4. 2. Een gansche armada. Blijkbaar een toespeling van Sh. op de onoverwinlijke vloot van 1588.

IV. 2. 42. Zoodra mijn zorgen minder zijn. Koning Jan meent: zoodra ik minder bezorgd ben voor Arthurs aanspraken op den troon. Koning Jan heeft zich werkelijk tweemaal laten kronen, om allen twijfel aan de rechtmatigheid van zijn koningschap te doen ophouden. De kroning was, naar de beschouwingswijze der middeleeuwen, meer dan een vorm; eerst door haar werd zelfs hij, die de rechtmatigste aanspraak op den troon had, werkelijk koning.

IV. 3. 11. Ik zal hem bij Sint Edmund’s Bury treffen. Salisbury meent den Dauphijn, die door graaf Melun en den legaat Pandulf onderhandelingen had aangeknoopt met de onvergenoegde lords.

IV. 3. 123. Geen geest der hel zal zoo afzichtlijk zijn. De verdoemden waren afzichtelijker, naarmate hun schuld grooter was.

V. 2. 93. Naar de eere van mijn huwlijksbed; als gemaal van Blanca van Castilië, wier moeder een zuster was van koning Jan.

V. 2. 144. Als uw landskraai kraaien ging: Even at the crying of your nations crow. De Bastaard spreekt, spelend met het woord crow, dat kraai en gekraai beteekent, verachtelijk van den Gallischen haan.—Een oogenblik later, als hij reg. 152 de oproerige lords Nero’s noemt, denkt hij bepaald aan Nero als moeder-moorder.

V. 2. 176. Op zijn voorhoofd zetelt Het hongrig rif des doods. De dood wordt als het helmteeken van Koning Jan gedacht.

V. 3. 11. Goodwin’s zanden. Deze zandbanken aan de monding van de Theems zijn ook in den Koopman van Venetië, III. 1. 4. vermeld.

V. 7. 53. Al het want, waarmee mijn leven zeilde. Het want is het touwwerk ter zijde en achter den mast, de stag het touw, dat van den boeg naar den mast loopt en dezen tegen het achterovervallen steunt.

V. 7. 97. Andre prinsen, die beschikbaar zijn, die het best ontbeerd of gemist kunnen worden bij de onderhandelingen met den Dauphijn, zouden het lijk naar Worcester (tweelettergrepig: Wôrster, met zeer zachte r) brengen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings