Note 2 — Aanteekeningen.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Van zelve komt de vraag in ons op, in hoeverre de voorstelling, die Sh. van de personen en gebeurtenissen geeft, met de historische waarheid overeenkomstig is. Ik meen deze vraag, die zich onwillekeurig aan iederen lezer opdringt, hier bij dit eerste koningsstuk niet beter te kunnen beantwoorden, dan met de getuigenis, door een beroemd geschiedschrijver, Ranke, hieromtrent afgelegd2. Sh. bracht, zooals toen volstrekt niet ongewoon was, een reeks van personen uit de Engelsche geschiedenis ten tooneele. Met den lof, hem zoo mild toegezwaaid, dat hij ze met historische trouw heeft teruggegeven, kan men moeilijk instemmen. Of wie zou willen beweren, dat zijn Koning Jan en Hendrik VIII, zijn Gloucester en Winchester, of wel zijn Pucelle gelijken op de origineelen, wier naam zij dragen? De schrijver behandelt de groote vragen, waarom het te doen is; terwijl hij de kroniek zoo na mogelijk op den voet volgt en haar karakteristieke trekken opneemt, deelt hij toch aan de personen een rol toe, die aan zijn bijzondere opvatting beantwoordt; hij verleent aan de handeling levendigheid door beweeggronden, die de geschiedenis niet zou vinden en niet zou mogen aannemen; de karakters, die volgens de berichten en waarschijnlijk ook in de werkelijkheid nevens elkander stonden, treden bij hem uit elkander en hebben ieder hun eigen en eigenaardige wijze van zijn; eenvoudige omstandigheden, die anders slechts in het bijzonder leven van invloed zijn, doorkruisen de politieke handeling en werken daardoor poëtisch met verdubbelde kracht. Maar indien alzoo in bijzonderheden afwijkingen van de werkelijkheid zich voordoen, zoo getuigt toch de keus der gebeurtenissen, die ten tooneele worden gebracht, van een innig gevoel voor het historisch groote. Hij kiest bijna altijd toestanden en verwikkelingen van de grootste beteekenis: het ingrijpen der geestelijke macht in de burgertwisten, in Koning Jan; den plotselingen val van een welgevestigd koningschap, wanneer dit eenmaal de strenge lijn van het recht verlaat, in Richard II; den tegenstand, door een met geweld ten troon gestegen vorst van de vazallen, die hem ten troon hebben verheven, ondervonden, welke hem door onophoudelijke zorg en inspanning den dood bereidt, in Hendrik IV; het geluk van een voorspoedigen uitlandschen tocht, dien wij van de eerste vastberaden voorbereiding volgen tot den gevaarlijken strijd en de bevochten zege, en dan weer den ongelukkigen toestand, waarin een door de natuur niet tot regent gevormde vorst tusschen de naijverige en gewelddadige partijen geraakt, tot het zoo ver komt, dat hij den herder benijdt, die bij zijn kudde rustige dagen doorleeft, in Hendrik V en VI; eindelijk de weg der schrikverwekkende misdaad, dien de voor den troon niet bestemde koningszoon betreedt, om dezen toch te bestijgen; alles groote tafereelen in de geschiedenis der staten, niet alleen voor Engeland van beteekenis, maar symbolisch voor alle volken en hun vorsten. De vragen, in het parlement aanhangig, of die van godsdienstigen aard, roert de dichter slechts zeer zelden aan; en het mag wel opgemerkt worden, dat hij in Koning Jan de groote belangen, die tot de Magna Charta voerden, zoo goed als in het geheel niet vermeldt; daarentegen leeft hij en beweegt hij zich in de persoonlijke twisten van den ouden vazallenstaat, de wederkeerige rechten en plichten daarin. Een woord als dit: „zoo gij koning zijt, ben ik Bolingbroke” (in Richard II) onthult ons geheel het rechtsgevoel der middeleeuwen. De rede, die hij den bisschop van Carlisle (mede in Richard II) in den mond legt, is voor alle tijden geldig. De koningskroon, die de hoogste onafhankelijkheid verzekert, schijnt den dichter de wenschelijkste van alle bezittingen; maar het eerrijke goud verteert hem, die het draagt, door de onrustige zorg, die het met zich brengt.”