← Table of contents
Koning Jan

Vijfde Bedrijf.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

Eerste Tooneel.

Aldaar. Een zaal in het paleis.

Koning Jan, Pandulf met de kroon, en Gevolg komen op.

Koning Jan.

Zoo heb ik dan den haarband van mijn glorie

In uwe hand gelegd.

Pandulf

(de kroon teruggevend.) Aanvaard op nieuw

Uit deze mijne hand, als leen des pausen,

Uw koninklijke hoogheid en gezag.

Koning Jan.

Houdt thans uw heilig woord; ga tot de Franschen;

Gebruik uw volmacht van zijn heiligheid,

En stuit hun tocht, eer alles hier ontvlamt.

In opstand zijn onze onvernoegde graven,

In tweedracht ligt het volk met zijnen plicht,

Daar ’t onderdanentrouw en liefde zweert

Aan uitlandsch bloed, aan vreemde koningsmacht.

Die overstrooming van ontaarde sappen

Te breid’len, staat in uwe macht alleen.

Dus draal niet, want zoo krank is deze tijd,

Dat, zoo men de arsenij niet spoedig toedient,

’t Verderf ras ongeneeslijk wezen zal.

Pandulf.

Mijn adem was het, die den storm verwekte,

Wijl gij den paus hardnekkig hadt weerstaan;

Maar nu, daar ge een berouwvol zondaar zijt,

Zal ook mijn tong dien oorlogsstorm bezweren,

Schoon weder schenken aan ’t geteisterd land.

Herdenk: op dezen dag, op Hemelvaart,

Nadat gij aan den paus uw leeneed zwoert,

Legt Frankrijk bij mijn komst de waap’nen neder.

(Pandulf af.)

Koning Jan.

Is ’t Hemelvaart? Wat zeide de profeet?

Dat ik op Hemelvaart voor ’t middaguur

De kroon zou nederleggen? ’k Heb ’t gedaan.

Dit zou door dwang geschieden, dacht ik toen;

Doch, Gode dank, ’t geschiedde slechts vrijwillig.

(De Bastaard komt op.)

Bastaard.

Gansch Kent gaf zich reeds over; enkel ’t slot 30

Van Dover kon ’t nog houden; Londen heeft

Blij den dauphijn ontvangen met zijn krijgers;

Uw eed’len luistren niet naar u, maar hebben

Den vijand reeds hun diensten aangeboden;

En blinde radeloosheid rent in ’t rond

Bij ’t klein getal van uw onzeek’re vrienden.

Koning Jan.

En wilden mijne lords niet wederkeeren,

Toen zij vernamen, dat prins Arthur leeft?

Bastaard.

Zij vonden dood hem liggen op den weg,

Een ledig kastje, waar ’t juweel des levens

Uit was gestolen door een vloekb’re hand.

Koning Jan.

Die booswicht Hubert zeide, dat hij leefde.

Bastaard.

Nu, bij mijn ziel, hij sprak naar wat hij wist.—

Doch waarom buigt gij ’t hoofd en ziet gij somber?

Wees groot in ’t handlen, als uw denken ’t was.

Laat niet de wereld vrees en droef mistrouwen

In de’ oogopslag ontwaren van een vorst.

Wees rustloos als de tijd, vuur tegen vuur,

Bedreig den dreiger, overtrots den trots

Van snoevende verschrikking, opdat de oogen

Van laag’ren, die zich steeds naar hoog’ren richten,

Door uwen voorgang schittrend, met den glans

Van wakk’ren, onversaagden moed zich tooien.

Van hier! en glans, gelijk de god des oorlogs,

Wanneer hij ’t sieraad zijn wil van het veld;

Toon stoutheid en een hoopvol zelfvertrouwen.

Wat! zullen ze in zijn hol den leeuw bestoken,

Daar schrik aanjagen, daar hem sidd’ren doen?

O, dat dit niemand zegg’!—Vooruit! zwerf rond,

En zoek den opstand op, ver van uw deur,

En grijp hem aan, eer hij u nader komt!

Koning Jan.

De pauslijke legaat is hier geweest,

En ’k heb met hem een blijden zoen getroffen;

En hij nam op zich, ’t leger des dauphijns

Naar huis te zenden.

Bastaard.

Naar huis te zenden. O onteerende afspraak!

Wat! zullen wij op eigen grond en erf

Nu zoete woordjes géven, ons verdragen,

Flikflooiend smeeken, laf een vrede sluiten

Met ingedrongen waap’nen? zal een melkbaard,

Een zijden pronker, Englands velden trotsen,

Zijn moed op onzen strijdb’ren bodem koelen,

De lucht met ijdel vaangewapper hoonen,

En zonder weerstand? Neen, mijn vorst, te wapen!

Wellicht mislukt den kardinaal de vrede,

En zoo ook niet, dan moog’ men zien en zeggen:

„Zij stonden reeds gereed tot tegenweer!”

Koning Jan.

U zij de leiding dezes tijds vertrouwd.

Bastaard.

Op dan, met goeden moed! Want weet, ik acht,

Zelfs stouter vijand vlood voor onze macht!

(Allen af.)

Tweede Tooneel.

Een vlakte bij Sint Edmund’s Bury.

Gewapend komen op: Lodewijk, Salisbury, Melun, Pembroke, Bigot, met Soldaten.

Lodewijk.

Laat, graaf Melun, hiervan een afschrift nemen;

Dit worde ter herinn’ring goed bewaard;

En geef ’t oorspronklijk stuk den lords terug,

Opdat èn zij èn wij, ’t verdrag bezittend,

Bij ’t overlezen weten, wat wij saâm,

Bij ’t nemen van het sacrament, bezwoeren,

En vast, onwrikbaar zijn in onze trouw.

Salisbury.

Wij zullen onzerzijds die nimmer breken.

En, eed’le prins, al zweren wij u hier

Vrijwill’gen ijver, ongedwongen trouw

Bij uwe zaak, geloof mij toch, dauphijn,

’t Verheugt mij niet, dat zulk een kwaal des tijds

Een pleister door verfoeiden opstand zoekt,

En de’ ouden kanker ééner wonde heelt,

Door velen er te maken. ’t Grieft mijn ziel,

Dat ik dit ijzer van mijn zijde trekken

En weeuwen maken moet; o! en juist daar,

Waar eed’le redding, kloeke tegenweer

Den naam van Salisbury tot leuze heeft.

Maar zoo groot is ’t verderf van dezen tijd,

Dat voor ’t herstel en ’t welzijn van ons recht

Wij niets vermogen, dan juist door de hand

Van warr’lend onrecht, ongerechte strengheid.—

O, is ’t geen jammer, mijn gekrenkte vrienden,

Dat wij, de zoons en kindren van dit eiland,

Geboren zijn tot zulk een bitter uur,

Dat we in ’t gevolg van vreemde legerscharen

Die moeder op den teed’ren boezem treden,

Haars vijands rijen vullen,—’k ga ter zijde,

De smet van dien gedwongen kamp beschreiend,—

Om de’ adel op te luistren van een ver,

Vreemd land, hier vreemde vanen te verzellen?

Wat! hier? O volk, dat gij verhuizen kondt!

Neptunus’ armen, die u dicht omstrenglen,

U voerden, waar ge uzelven niet meer kent,

En vast u haakten aan een heidensch strand,

Waar deez’ twee christenlegers ’t wrokkend bloed,

In steê van ’t onbuurschapp’lijk te vergieten,

Vereenden in één bondgenootenaâr!

Lodewijk.

Die taal is spiegel van uw eed’len aard; 40

Die boezemstrijd van dwang en liefde brengt

Een aardeschudding voort van adeldom.

O welk een eed’len kamp hebt gij gestreden

Van dwang des tijds en ridderlijk gevoel!

Sta toe, dat ik dien eed’len dauw u afwisch,

Wiens zilver over uwe wangen vloeit.

Bij vrouwetranen smolt mijn harte vaak,

En die zijn toch een daaglijksche overstrooming;

Maar deze vloed van zulke een mannedroppen,

Die stortbui opgewaaid door zielestorm,

Vervaart mijn oogen en ontzet mij meer,

Dan zoo ik ’s hemels hooge welving gansch

Met vuur’ge meteoren zag bemaald.

Hef op het hoofd, vermaarde Salisbury,

En dring met uw groot hart dien storm ter zij;

Laat zulke waat’ren aan die zuiglingsoogen,

Die nooit der reuzenwereld woeden zagen,

’t Geluk nooit anders kenden dan van feesten,

Recht warm van bloed, van vreugd, van drok gesnap.

Kom, kom; want in des voorspoeds rijken buidel

Steekt gij voorwaar uw hand niet minder diep,

Dan Lood’wijk zelf;—dit doet gij allen, eed’len,

Die uwe spierkracht aan de mijne knoopt.

(Pandulf komt op, met Gevolg.)

Zie, is ’t niet, of een engel dit mij ingaf?

De heilige legaat treedt ijlings nader,

En geeft ons volmacht van des hemels hand,

En stempelt op ons doen den naam van ’t recht

Met heil’gen adem.

Pandulf.

Met heil’gen adem. Heil, doorluchte prins!

Hoor dit nu:—Koning Jan heeft zich met Rome

Verzoend; zijn geest keerde in zichzelven in,

Die pas zoo uitvoer op de heil’ge kerk,

De groote bisschopsstad, den Roomschen stoel.

Daarom, rol thans uw fiere vanen op,

En tem den woesten geest des wilden krijgs,

Dat hij, een leeuw gelijk, die uit de hand

Is grootgebracht, aan vredes voet zich vlije,

Zacht, enkel naar zijn uitzicht nog geducht.

Lodewijk.

Hoogwaardige, vergeef; ’k wil niet terug.

Ik ben te hooggeboren voor lijfeig’ne,

Voor een, die staâg eens meesters wil volbrengt,

Of voor een bruikbaar dienstman, voor een werktuig,

Al waar’ het van der wereld hoogsten troon.

Uw adem blies de doode kolen aan

Des krijgs van dit vernederd rijk en mij;

Gij bracht de brandstof aan om ’t vuur te voeden,

En nu is ’t veel te sterk om ’t uit te blazen

Met zulk een zwakken wind als die ’t ontstak.

Gij deedt het aanschijn van het recht mij kennen,

Gij toondet mij mijn aanspraak op dit land,

Ja, wierpt deze onderneming in mijn hart;

En komt gij nu vertellen: Jan heeft vrede

Gemaakt met Rome? Wat raakt mij die vrede?

Ik eisch, naar de eere van mijn huwlijksbed,

Na Arthurs dood dit land voor mij als ’t mijne,

En nu het half veroverd is, moet ik 95

Terug, wijl Jan met Rome vrede sloot?

Ben ik dan Rome’s slaaf? Wat penning gaf,

Wat manschap, welke waap’nen zond mij Rome,

Om mij te steunen? Ben ikzelf het niet,

Die alle lasten draag? Wie, dan ikzelf

En zij, die mijn bevelen volgen, zwoegt

Bij dezen tocht en zet den oorlog door?

Hoorde ik mij door deze eilandsteden niet

Met „Vive le Roy!” luid groeten, waar ik aankwam?

Heb ik de beste troeven niet in handen,

Om ’t spel, dat om een kroon gaat, licht te winnen?

En zou ik dit gewonnen spel nu geven?

Neen! op mijn eer, dit geeft men nooit mij na.

Pandulf.

Gij ziet de zaak alleen van buiten aan.

Lodewijk.

Van buiten of van binnen,—ik blijf hier,

Totdat mijn veldtocht zooveel roems verwierf,

Als aan mijn fiere hoop was toegezegd,

Eer ik dit wakker krijgsheer samenbracht,

En van alom die vuur’ge harten uitlas

Om zege te overtrotsen, roem te winnen,

Zelfs in de kaken van gevaar en dood.

(Trompetgeschal).

Wat kloeke krijgstrompet klinkt daar ons toe?

(De Bastaard komt op, met Gevolg.)

Bastaard.

Verleent mij naar ’t gebruik der hoff’lijkheid

Alhier gehoor; ik spreek als afgezant.—

Mij zendt de koning, heil’ge kardinaal,

Ter kondschap, wat gij voor hem hebt bewerkt;

En naar uw antwoord ken ik grens en volmacht,

Waaraan mijn tong zich hier te houden heeft.

Pandulf.

’k Vind den dauphijn te stug en wederstrevend;

Hij weigert aan mijn aandrang zich te storen,

En zegt ronduit, dat hij den krijg niet staakt.

Bastaard.

Bij al het bloed, dat ooit in woede blaakte,

Hij heeft gelijk.—Zoo hoort nu Englands koning;

Want die spreekt hier zijn koningstaal door mij.

Hij staat bereid, en heeft er reden toe;—

Deze aperij, dit onbeleefd bezoek,

Die malle pret, die maskerade in ’t harnas,

Dien melkbaardmoedwil en dit kinderkrijgsvolk,

Belacht de koning, en hij staat gereed

Dien knapenoorlog, die pygmeën-waap’nen

Te zweepen uit den omtrek van zijn rijk.

Die hand, wier kracht u voor uw eigen deur

Afroste, en over de onderdeur deed springen,

Als emmers in gedekte putten duiken,

In ’t stroo van uwe stallen kruipen deed,

Als panden u in kist of koffer bergen, 141

In ’t varkenskot, in kerkers en gewelven

U veiligheid deed zoeken, u deed beven

En rillen, als uw landskraai kraaien ging,

Wijl ’t u de stem scheen van een Engelsch krijger;—

Zou nu die overwinnaarshand verslapt zijn,

Die in uw kamers u getuchtigd heeft?

Neen, weet, de dapp’re heerscher is gewapend,

En als een arend zweeft hij over ’t nest,

Om neer te schieten, zoo dat nest bedreigd wordt.—

En gij, ontaarde, ondankb’re oproerlingen,

Bloedgier’ge Nero’s, die het lichaam oprijt

Van uwe moeder England, gloeit van schaamte!

Want ziet, uw vrouwen en uw bleeke meisjes

Zijn Amazonen, tripp’len bij de trom,

Verruilen vingerhoed voor stalen handschoen;

Voor lansen hare naalden, ’t zachte hart

Voor woesten moed en lust tot bloedvergieten.

Lodewijk.

Staak uw gepoch, en ga in vreê van hier;

In ’t schelden zijt gij ons de baas. Vaarwel!

Te kostlijk is mijn tijd, om hem te spillen

Met zulk krakeel.

Pandulf.

Met zulk krakeel. Veroorloof mij te spreken.

Bastaard.

Neen, ik wil spreken.

Lodewijk.

’k Hoor naar geen van beiden.—

De trom geroerd! de tong des krijgs bepleite

Thans ons belang en ’t recht van hier te zijn.

Bastaard.

Uw trommen schreeuwen ’t uit, als men ze slaat;

Dan zult ook gij, geslagen, doen. Roep vrij

Een echo op door ’t schreeuwen van uw trom!

Nabij u is een trom, en goed gespannen,

Die even luid als de uwe klinken zal;

Roer vrij een tweede, een andre tweede zal

Zoo luid als de uwe, in ’t oor van ’t luchtwulf raat’len,

Des donders stem bespotten; want nabij,—

Dien sluipenden legaat wantrouwend, dien

Hij meer uit scherts gebruikt heeft dan uit nood,—

Is krijgsheld Jan, en op zijn voorhoofd zetelt

Het hongrig rif des doods, wiens taak het is

Veel duizend Franschen heden te verslinden.

Lodewijk.

Komt, roert de trom! wij zoeken dat gevaar.

Bastaard.

Ja, zoek, Dauphijn; gij wordt het dra gewaar.

(Allen af.)

Derde Tooneel.

Aldaar. Een slagveld.

Strijdgedruisch. Koning Jan en Hubert komen op.

Koning Jan.

Hoe is de dag voor ons? O meld het, Hubert!

Hubert.

Slecht, vrees ik. Doch hoe is ’t uw majesteit?

Koning Jan.

De koorts, die reeds zoo lang mij heeft geplaagd,

Drukt zwaarder mij dan ooit; mijn hart is krank.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Mijn vorst, de dapp’re Faulconbridge, uw neef,

Vraagt, dat uw majesteit het veld verlate

En hem bericht’ door mij, waarheen gij gaat.

Koning Jan.

Zeg hem, naar Swinstead, naar de abdij daar ginds.

Bode.

Houd goeden moed; de krachtige versterking,

Die de dauphijn alhier verbeidde, leed

Op Goodwins zanden voor drie nachten schipbreuk.

Sir Richard heeft zoo juist dit nieuws gehoord.

De Franschen vechten mat en zijn aan ’t wijken.

Koning Jan.

Ach, door die booze koorts word ik verteerd;

Ik kan dit heuglijk nieuws niet welkom heeten.

Naar Swinstead! voer mij naar mijn draagstoel heen;

Mijn zwakte neemt nog toe, ’k ben uitgeput.

(Allen af.)

Vierde Tooneel.

Aldaar. Een ander gedeelte van het veld.

Salisbury, Pembroke, Bigot en Anderen komen op.

Salisbury.

Ik dacht den koning niet zoo rijk aan vrienden.

Pembroke.

Op, op! nog eens! Den Franschen moed gegeven!

Verliezen wij het, dan zijn wij verloren.

Salisbury.

Die Faulconbridge, die bastaardduivel, maakt,

Trots wie hem trots’, alleen de slag ons hachlijk.

Pembroke.

Men zegt, zwaar ziek verliet de koning ’t veld.

(Melun komt op, gewond, door Soldaten geleid.)

Melun.

Geleid mij hier naar de Engelsche rebellen.

Salisbury.

Wij heetten anders, in een beet’ren tijd.

Pembroke.

Het is de graaf Melun.

Salisbury.

Het is de graaf Melun. Ter dood gewond.

Melun.

Vlucht, lords, gij zijt verraden en verkocht. 10

Trekt uit het oog van ’t oproer uwe draden,

En neemt de trouw weer op, die gij verwierpt.

Zoekt uwen koning op, valt hem te voet;

Schenkt deze dag aan den dauphijn de zege,

Dan loont hij, is zijn plan, u al uw moeite,

En laat uw hoofden vallen. ’t Werd bezworen

Door hem, door mij, door velen nog met ons,

Op ’t altaar van Sint Edmunds’ Bury; ja,

Aan ’t eigen altaar, waar wij pas aan u

Getrouwe vriendschap, eeuw’ge liefde zwoeren.

Salisbury.

Maar kan dit waar zijn? Kan dit moog’lijk zijn?

Melun.

Heb ik den gruwb’ren dood niet reeds voor oogen?

Slechts luttel levens rest mij, dat al bloedend

Reeds wegvloeit, evenals een wassen beeld

Bij ’t vuur ras smelt en allen vorm verliest.

Wat kan ter wereld thans mij doen bedriegen,

Nu alle winst me ontgaat van elk bedrog?

Wat zoude ik liegen, nu ik toch in waarheid

Hier sterven moet en ginds door waarheid leven?

’k Herhaal: zoo Lood’wijk heden zegeviert,

Dan breekt hij zijnen eed, indien uw oogen

Nog eens den dag in ’t oosten rijzen zien.

Nog deze nacht, wier zwarte, giftige adem

Alreeds den vuur’gen helm der oude, zwakke,

Van ’t schijnen moede zon met smook omwalmt,

Nog deze booze nacht betaalt uw adem

De boete van ’t geschat, verkocht verraad

Met de verradersboete van uw levens,

Zoo Lood’wijk door uw bijstand zegeviert.

Groet zeek’ren Hubert, volger van uw koning;

Vriendschap voor hem, en dit ook, dat ikzelf

Van mijn grootvader Engelsch bloed bezit,

Wekt mijn geweten, dit u mee te deelen.

Tot loon hiervoor, ik bid u, draagt mij weg,

Ver van dit woeste strijdgewoel, opdat ik

In ruste ’t oov’rig deel van mijn gedachten

Uitdenken moge, en lijf en ziel doe scheiden

In overdenking en in vroom gebed.

Salisbury.

’k Geloof u,—en,—straff’ God mijn ziel!—mij zijn

De vorm en ’t aanschijn welkom dezer schoone

Gelegenheid, om weer de schreden onzer

Doemwaarde vlucht terug, te niet te doen.

Laat ons, als een teruggetreden stroom,

Een wulpschen, regelloozen loop verzakend,

Weer duiken in de boorden, die we ontvloden,

En rustig vloeien in gehoorzaamheid

Naar de’ oceaan, naar onzen koning Jan.—

Mijn arm zal helpen, om u weg te dragen;

Ik lees de bitt’re doodspijn in uw oog.—

Dan nieuwe vlucht! Op, vrienden, heengesneld!

Dit nieuwe is goed, daar ’t oud, goed recht herstelt.

(Allen af; Melun wordt weggedragen.)

Vijfde Tooneel.

Aldaar. Het Fransche legerkamp.

Lodewijk komt op met een gevolg van Krijgslieden.

Lodewijk.

De zon des hemels, dunkt mij, zonk slechts dralend,

Maar toefde en deed den westerhemel blozen,

Toen Englands heer zijn eigen veld terugmat

In moeden aftocht. O, wat schoon besluit,

Toen wij, met laatst, maar nood’loos schutgevaarte,

Na ’t bloedig dagwerk goede nacht hun wenschten,

En eervol onze vanen samenrolden,

Het laatst in ’t veld en schier er meesters van!

(Een Bode komt op.)

Bode.

Waar is de prins dauphijn?

Lodewijk.

Waar is de prins dauphijn? Wat is er? Spreek.

Bode.

De graaf Melun is dood, en de Engelsche eed’len

Zijn op zijn raad van u weer afgevallen;

En de versterking, lang door u gewenscht,

Strandde op de Goodwin-zanden en verging.

Lodewijk.

O vloek’bre, booze tijding!—Vloek op u!

Zoo droeve nacht verwachtte ik niet, als mij

Uw nieuws daar brengt.—Wie zeide, dat de koning

Het veld ontvlood, een uur of twee aleer

De plompe nacht de moede legers scheidde?

Bode.

Wie ’t ook gezegd hebb’, het is waar, mijn vorst.

Lodewijk.

’t Zij zoo.—Van nacht de posten goed bezet!

De dag is wis zoo vroeg niet op als ik,

Om morgen ons geluk weer te beproeven.

(Allen af.)

Zesde Tooneel.

Een open vlakte bij de abdij van Swinstead.

De Bastaard en Hubert komen op, elkander ontmoetend.

Hubert.

Wie daar? spreek! ho! spreek daad’lijk, of ik schiet.

Bastaard.

Goed volk.—En wat zijt gij?

Hubert.

Goed volk.—En wat zijt gij? Ik ben voor England.

Bastaard.

Waar gaat gij heen?

Hubert.

Gaat u dat aan? kan ik niet even goed

U naar uw plannen vragen, als gij mij?

Bastaard.

Hubert, naar ik geloof?

Hubert.

Hubert, naar ik geloof? Een goed geloof.

Ik waag het dan en denk van u, dat gij

Een vriend zijt, daar gij aan mijn stem mij kent.

Maar wie zijt gij?

Bastaard.

’k Ben wien gij wilt, maar wilt gij

Mij een genoegen doen, zoo denk, dat ik

Wel eenig bloed heb der Plantagenets.

Hubert.

O lomp geheugen! gij en zwarte nacht

Doen mij beschaamd staan;—dapp’re held, vergeef,

Dat eenig woord, van uwe tong gevloeid,

Aan ’t scherp erkennen van mijn oor ontsnapte.

Bastaard.

Kom, kom; geen omhaal! zeg veeleer: wat nieuws? 16

Hubert.

En ìk loop in de duistre nacht hier rond,

Om u te zoeken!

Bastaard.

Om u te zoeken! Kort toch, wat is ’t nieuws?

Hubert.

O, beste heer, nieuws, voor de nacht recht passend,

Zwart, vreeslijk, zonder troost en afschuwwekkend.

Bastaard.

Toon mij de ontbloote wond van uw slecht nieuws;

Ik ben geen meisje, en val er niet van flauw.

Hubert.

De koning is vergiftigd door een monnik,—

Zoo vrees ik,—is schier spraakloos;—ik vloog heen

Om u bericht te doen, opdat gij beter

U voor den drang van ’t oogenblik kunt waap’nen,

Dan als u ’t onheil later werd gemeld.

Bastaard.

Hoe kreeg hij ’t in? wie heeft hem voorgeproefd?

Hubert.

Een monnik; wel een vastberaden schurk;

Hem barstte plotseling ’t ingewand. De koning,—

Hij spreekt nog, komt misschien het nog te boven.

Bastaard.

En wie bleef nu zijn majesteit verplegen?

Hubert.

Wat! weet gij ’t niet? de lords zijn weer terug;

Zij kwamen met prins Hendrik, op wiens bede

De koning hun vergiff’nis heeft geschonken;

Die zijn nu allen om zijn majesteit.

Bastaard.

Weerhoud, almachtig hemel, uwen toorn;

Beproef ons niet met al te zwaren last!

Hubert, mijn halve macht is deze nacht,

Op ’t strand hier, overvallen door den vloed,

En Lincoln’s wadden hebben hen verzwolgen;

Te nauwernood ben ik te paard ontsnapt.

Van hier, ga voor, geleid mij tot den koning;

Zeer vrees ik, dat hij dood is, eer ik kom.

(Beiden af.)

Zevende Tooneel.

De kloostertuin der abdij van Swinstead.

Prins Hendrik, Salisbury en Bigot komen op.

Prins Hendrik.

Het is te laat; het leven van zijn bloed

Is zwaar vergiftigd, en zijn helder brein,—

Het teeder huis, zoo meent men, van de ziel,—

Voorspelt reeds, door de wartaal, die het uit,

Het naad’rend einde zijner sterflijkheid.

(Pembroke komt op.)

Pembroke.

Zijn hoogheid spreekt nog, en gelooft als zeker,

Dat, als hij in de vrije lucht gebracht wordt,

Het brandend knagen van het scherp vergif,

Dat hem bestookt, gelenigd worden zal.

Prins Hendrik.

Zoo breng hem hierheen, in den kloostertuin.

(Bigot af.)

Is hij nog woest?

Pembroke.

Is hij nog woest? Hij is veel kalmer nu,

Dan toen gij hem verliet; hij zong daar zelfs.

Prins Hendrik.

O, waan der ziekte! laatste felle kwalen

Gevoelen, bij haar duur, zichzelf niet meer.

De dood, die op de buitendeelen teerde,

Verlaat die, wordt onzichtbaar en berent

De ziel en geest, die hij doorpriemt en wondt

Door dolle phantasieën bij legioenen,

Die, dringend om de laatste veste, elkaar

Vertrappen. Vreemd is ’t, dat de dood nog zingt!

Ik ben het zwaanjong van deez’ bleeken zwaan,

Die bij zijn eigen dood een klaaglied aanheft,

En zoo, uit zijner zwakheid orgelpijp,

Zijn lijf en ziel ter eeuw’ge ruste zingt.

Salisbury.

Houd goeden moed, prins; gij toch zijt geboren,

Om orde en vorm te brengen in den bajert,

Dien hij zoo ruw en vormloos achterliet.

(Bigot komt terug, gevolgd door Dienaars, die den Koning op een stoel binnendragen.)

Koning Jan.

Ja, nu heeft mijne ziel weer elboogruimte;

Zij wilde niet door deur of vensters uit!

Er is zoo heet een zomer in mijn borst,

Dat al wat in mij is tot stof verbrokkelt;

Ik ben een teek’ning, met de pen gekrabbeld

Op perkament, en schrompel bij dit vuur

Nu gansch ineen. 34

Prins Hendrik.

Nu gansch ineen. Hoe gaat het uwe hoogheid?

Koning Jan.

Vergiftigd, dood, verlaten, uitgestooten!

En niemand uwer roept den winter hier,

Dat hij zijn ijshand in de keel mij steek’;

En niemand laat mijns rijks rivieren stroomen

Door mijn verbrande borst, of doet het noorden

Met scherpen wind mijn dorre lippen kussen

En mij met koude laven! Weinig vraag ik,

Slechts kouden troost, en toch zijt gij zoo hard

En zoo ondankbaar, dat gij dien mij weigert.

Prins Hendrik.

O, was er in mijn tranen een’ge kracht,

Die u verkwikte!

Koning Jan.

Die u verkwikte! ’t Zilt er van verschroeit.

Er is in mij een hel, en het vergif

Is daar gelijk een duivel ingesperd,

Om ’t bloed, dat redd’loos is verdoemd, te foltren.

(De Bastaard komt op.)

Bastaard.

O, ik ben gloeiend van het ijlend jagen

En de’ ijver om uw majesteit te zien.

Koning Jan.

O neef, gij komt, om ’t oog mij toe te drukken;

De taak’ling van mijn hart is stuk, verbrand;

En al het want, waarmee mijn leven zeilde,

Is in één draad, in één dun haar verkeerd;

Met één arm koord slechts in mijn hart gestaagd,

Dat enkel houdt, zoolang ge uw tijding uit;

En dan is al, wat gij hier ziet, een stofklomp,

De vorm slechts van vernietigd koningschap.

Bastaard.

Ten marsch hierheen staat de dauphijn gereed;

En God weet, hoe wij hem ontvangen moeten;

De beste helft toch van mijn legermacht

Werd, toen ik opbrak met een goede kans,

Des nachts aan ’t lage strand op ’t onvoorzienst

Verzwolgen door den onverwachten vloed.

(De Koning sterft.)

Salisbury.

Uw doodsbericht klinkt in een oor, dat dood is.—

Mijn vorst!—Zoo even koning, en nu zóó.

Prins Hendrik.

Zoo moet ook mijn loop, zoo mijn stilstand zijn.

Wat is der aarde vastheid, troost, macht, lof?

Dit was zoo even koning, en nu stof!

Bastaard.

Gingt gij zoo heen? Ik blijf hier enkel achter,

Om u den plicht der wrake te volbrengen,

En dan dient mijne ziel u in den hemel,

Zooals zij steeds op aard u heeft gediend.—

Gij sterren, wentlend in uw rechten kring, 74

Waar hebt gij uwe macht? Toont thans uw echte,

Herstelde trouw en volgt mij fluks terug,

Om van de zwakke deur van ’t zwijmend rijk

Onheil en eeuw’ge schande weg te drijven.

Den vijand opgezocht, of hij zoekt ons!

Reeds woedt, ons op de hielen, de dauphijn.

Salisbury.

Gij weet, zoo schijnt het, niet zooveel als wij;

Daarbinnen is de kardinaal en rust;

Hij kwam voor nog geen uur van den dauphijn,

En brengt van hem een vredesaanbod over,

Dat eervol en geheel aanneem’lijk is,

Waarbij de krijg onmidd’lijk wordt gestaakt.

Bastaard.

Dit doet hij te eerder, als hij ziet, dat wij

Wèl toegerust zijn, om hem af te weren.

Salisbury.

Ja, en het is reeds min of meer begonnen;

Want vele wagens heeft hij naar de kust

Reeds heengezonden, en zijn zaak en twist

Den kardinaal ter reeg’ling toevertrouwd,

Met wien nu gij en ik en andre lords,

Als ’t u behaagt, nog dezen nadenmiddag

De zaak tot heuglijk einde willen brengen.

Bastaard.

Zoo zij het, goed!—En gij, mijn eed’le prins,

Met andre prinsen, die beschikbaar zijn,

Draagt zorg voor de begraaf’nis van uw vader.

Prins Hendrik.

Te Worcester wordt zijn lijk ter aard besteld;

Hij heeft het zoo beschikt.

Bastaard.

Hij heeft het zoo beschikt. Zoo voert het derwaarts.

En tot geluk aanvaarde uw waarde hoogheid

Het erfrecht en de glorie van dit land!

Met need’rige onderwerping, op mijn knieën,

Wijd ik mijn trouwe diensten hier u toe,

En onderdanigheid voor heel mijn leven.

Salisbury.

En wij betuigen u gelijke liefde,

Die eeuwig zonder vlekken blijven moog’.

Prins Hendrik.

Ik heb een vriendlijk hart, dat gaarne dankte,

Maar weet niet, hoe ik ’t zonder tranen doe.

Bastaard.

O wijd den tijd niet meer rouw, dan volstaat;

Hij eischte als voorschot reeds veel smart ons af.—

Nooit lag dìt England en het zal ook nimmer

Aan eens verwinnaars trotsche voeten liggen,

Tenzij het eerst zichzelf verwonden hielp.

Nu hier zijn vorsten zijn teruggekeerd,

Koom’ vrij de gansche wereld ons bespringen;

Wij trotsen haar. Niets brengt ons nood en rouw,

Blijft England slechts zichzelve steeds getrouw.

(Allen af.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings