VIJFDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Chorus treedt op.
Chorus.
Vergunt mij, de geschied’nis te verklaren
Voor elk, die haar niet las; hem, die haar kent,
Smeek ik deemoedig om ontschuldiging,
Dat aantal, tijd, de juiste loop der dingen
Hier in haar eigen, rijk en krachtig leven
Niet voor te stellen zijn. Wij brengen thans
Den koning naar Calais; ziet gij hem daar,
Zoo heft hem, op de vleug’len der gedachte,
Weg, over zee. Ziet, Englands kust omzoomt
Den breeden vloed met mannen, vrouwen, knapen;
Zij overjuichen ’t zwaar geklots der zee,
Die, als een grootsch heraut, den koning voorgaand,
Den weg hem schijnt te banen. Laat hem landen,
En ziet zijn zegetocht naar Londen aan.
Zoo snel is der gedachte gang, dat gij
Hem nu alreeds moogt denken in Blackheath;
Daar smeeken hem zijn lords, dat voor hem uit
Zijn zwaar gebutste helm, verbogen kling,
Gedragen worden door de stad. Hij weigert,
Blijft vrij van ijdelheid en zelfverheffing,
Wijst eerekroon, tropee en praal terug, 21
En geeft aan God alle eer. Maar ziet nu, ziet,
In der gedachte vlugge smidse en werkplaats,
Hoe Londens burgerij naar buiten stroomt;
De mayor en heel zijn raad in plechtgewaad
Gaan, als oud-Rome’s senatoren, met
Een zwerm Plebejers achter zich, vooruit
En halen de’ overwinnaar Caesar in;
Zoo,—’t beeld zij klein, ’t is liefdevol,—
Als onzer hooge koninginne veldheer,
Wat dra geschiede!—uit Ierland weder kwam,
En ’t oproer aan zijn zwaard geregen hier bracht,
Hoe velen stroomden uit deez’ stad en riepen
Hem welkom toe! Veel meer, met veel meer reden,
Begroetten zij hun Hendrik.—Denkt hem nu
In Londen, wijl het jamm’ren van de Franschen
Thans Englands koning thuis in vreê doet blijven,
Terwijl de keizer zelfs om Frankrijks wil
Als vredestichter komt;—en springt nu over
Al wat intusschen verder is geschied,
Tot Hendrik nogmaals wederkeert naar Frankrijk.
Daar zij hij thans; den tusschentijd heb ik
Gespeeld, opdat gij weet, dat die verstreek.
Blikt, die verkorting duldend, nu meteen,
Waar de gedachte ’t wil, naar Frankrijk heen.
(Chorus af.)
EERSTE TOONEEL.
Frankrijk. Een wachtpost in het Engelsch legerkamp.
Fluellen en Gower komen op.
Gower.
Gij hebt gelijk. Maar waarom draagt gij vandaag uw look? Sint-Davidsdag is al voorbij.
Fluellen.
Er is aanleidingen en oorzaken, waarom en waarvoor, in alle dingen. Ik wil het u zeggen, als mijn vriend, overste Gower. De schoftige, schurftige, lompige, luizige, snoevende schelm Pistool, dien gij en uw persoon en de geheele wereld voor niets peters kent, ziet gij, dan als een kerel, die niets waard is, hij is bij mij gekomen, en prengt mij gisteren prood en zout, ziet gij, en zegt mij, mijn look er mee te eten. Dat was op een plaats, waar ik geen twist met hem kon peginnen; maar ik wil nu zoo frij wezen het op mijn muts te dragen, tot ik hem weer zie, en dan wil ik hem vertellen een klein peetje van mijn verlangsten.
Gower.
Wel nu, daar komt hij, opgeblazen als een kalkoensche haan. 15
(Pistool komt op.)
Fluellen.
Zijn opplazingen en zijn kalkoensche-hanen raakt mij niet.—God zegen’ u, faandrig Pistool! gij schurftige, luizige schoft, God zegen’ u!
Pistool.
Ha! zijt gij dolheid? Lust het u, Trojaan, Dat ik der Parken stervensweefsel plooi? Weg! ik bezwijm reeds bij de lucht van look!
Fluellen.
Ik verzoek u hartelijk, schurftige, luizige schoft, op mijn wensch en mijn pegeeren en mijn aanhoudingen, dit look, ziet gij, op te eten; omdat gij er niet van houdt, ziet gij, en het uw neigingen en uw lusten en uw spijsverteringen niet goed pekomt, daarom pit ik u het op te eten.
Pistool.
Niet voor Cadwallader en al zijn geiten.
Fluellen.
Daar is een van de geiten voor u. (Hij slaat hem.) Wilt gij zoo goed zijn, schurftige schoft, en het opeten? 31
Pistool.
Gij hond van Troje, gij moet sterven!
Fluellen.
Gij zegt de waarheid, schurftige schoft, als het Gods wil is. Ik wil u ondertusschen pegeeren te leven en uw spijzen te eten; kom, daar is de saus er bij. (Hij slaat hem weder.) Gij hebt mij gisteren een pergjonker genoemd, maar ik zal u vandaag een jonker maken van lagen stand. Ik pit u, tast toe; kunt gij met look spotten, dan kunt gij ook look eten.
Gower.
Genoeg, overste, gij hebt hem geheel overdonderd.
Fluellen.
Ik zeg, hij zal een stuk van mijn look eten, of ik sla zijn kop voor vier dagen pont en plauw.—Pijt toe, pit ik u, het is goed voor een fersche wond en voor uw ploedigen zotskop.
Pistool.
Moet ik toebijten?
Fluellen.
Ja, zeker en zonder twijfel, en zonder fragen ook en dubbelzinnigheden.
Pistool.
Nu, bij dit look, ik zal mij gruw’lijk wreken;
Ik eet en eet, ik zweer—
Fluellen.
Eet, pit ik u. Wilt gij nog meer saus bij uw look hebben? er is niet genoeg look om bij te zweren.
Pistool.
Geef uwen knuppel rust, gij ziet, ik eet.

Koning Hendrik V, Vijfde Bedrijf, Eerste Tooneel.
Fluellen.
Wel pekome het u, schurftige schoft, van harte. Neen, ik pit u, gooi niets weg, de schil is goed genoeg voor uw gewonden zotskop. Wilt gij hiernamaals gelegenheden nemen om look te zien, zoo pit ik u, spot er mede, dat is alles.
Pistool.
Goed.
Fluellen.
Ja, look is goed.—Hier, daar hebt gij een stooter, om te genezen uw hersenpan.
Pistool.
Een stooter mij!
Fluellen.
Ja zeker, en in waarheid, gij zult dien aannemen, of ik heb nog een ander look in mijn zak, wat gij zult opeten.
Pistool.
Ik neem hem aan, als handgeld voor mijn wraak. 67
Fluellen.
Als ik u iets schuldig ben, zal ik u petalen in knuppels; gij moet in hout gaan doen en niets koopen van mij dan knuppels. God zij met u en pehoete u en geneze uw pol!
(Fluellen af.)
Pistool.
Hierover komt de gansche hel in opstand.
Gower.
Loop, loop! gij zijt een pochende, laffe schelm. Wilt gij spotten over een oud gebruik, dat uit een eervolle aanleiding ontsproot en als een gedenkwaardig teeken van vroegere dapperheid gedragen wordt, en waagt gij het niet, zelfs één uwer woorden door daden waar te maken? Ik heb het twee of drie keer gezien, dat gij dien wakkeren man begekt en gesard hebt. Gij dacht, omdat hij de Engelsche taal niet in haar landsdracht spreken kan, dat hij ook geen Engelschen knuppel kon hanteeren? Nu bevindt gij het anders; en laat voor het vervolg een Walliser tuchtiging u goede Engelsche manieren leeren. Goeden dag.
(Gower af.)
Pistool.
Gaat nu Fortuin ’t valsch vrouwmensch met mij spelen?
’k Vernam, dat in het hospitaal mijn Neel
Stierf aan de Fransche ziekte.
Ginds ligt mijn toevluchtsoord alzoo in puin.
Oud groei ik op en de eer is uitgeknuppeld
Uit dit vermoeide lijf. ’k Wil kopp’laar worden;
Ook handig beurzensnijden trekt mij aan.
Steelswijs wip ik naar England om te stelen;
Ik leg mij pleisters op de knuppelschrammen;
En zweer, dat ze uit den Franschen oorlog stammen.
(Pistool af.)
TWEEDE TOONEEL.
Troyes, in Champagne. Een zaal in het koninklijk paleis.
Uit de eene deur komen op: Koning Hendrik, Bedford, Gloster, Exeter, Warwick, Westmoreland en andere Lords; uit een andere Koning Karel, Koningin Isabella, Prinses Catharina, Hovelingen en Hofdames, waaronder Alice; alsmede de Hertog van Bourgondië met Gevolg.
Koning Hendrik.
Vrede aan den kring hier, die den vrede zoekt!—
Wij wenschen onzen broeder, onze zuster
Van Frankrijk heil en welzijn,—onze nicht,
De schoone Catharina, vreugde en zegen;—
Ook u, als tak en lid van ’t koningshuis,
Die deze vorstensamenkomst tot stand bracht,
U, hertog van Bourgondië, groeten wij;—
En, prinsen, pairs van Frankrijk, heil u allen!
Koning Karel.
Met groote vreugde aanschouwen we uw gelaat,
Doorluchte broeder England; wees hier welkom;
Elk uwer, Englands prinsen, evenzoo! 11
Koningin Isabella.
Zij de afloop even heilrijk, broeder England,
Des blijden dags, der hart’lijke begroeting,
Als wij, verheugd, u thans in de oogen zien.
Die oogen, die tot dusver op de Franschen,
Die in hun richting hen ontmoetten, steeds
Den moord’naarsblik der basilisken schoten,—
’t Venijn van zulke blikken, hopen wij,
Verloor alsnu zijn kracht, en deze dag
Verkeer’ hier allen twist en strijd in liefde.
Koning Hendrik.
Hier staan we, om amen op dien wensch te zeggen.
Koningin Isabella.
Gij Englands prinsen, ’k heet u allen welkom.
Bourgondië.
Gelijk’lijk wijd ik dienst en liefde u beiden,
Verheven koningen! Dat ik gestreefd heb
Met al mijn denken, ijver en volharding,
U, hooge vorsten, tot deez’ koningsdag,
Dit mondgesprek te brengen, kunnen mij
Uw majesteiten zelf het best getuigen.
Is nu mijn dienst zoo ver geslaagd, dat gij
Van aangezicht tot aangezicht elkander
Hier ziet en groet, zoo duidt gij ’t mij niet euvel,
Dat ik voor dezen hoogen kring u vraag,
Wat hindernis of aanstoot er nog is,
Dat de arme, naakte, zwaar gekwetste vrede,
Der kunsten kweekster, volks- en welvaartvoedster,
In ’s werelds schoonsten gaard, ons vruchtbaar Frankrijk,
Haar lieflijk aanschijn niet verheffen zou?
Helaas! te lang was zij verjaagd uit Frankrijk;
Op hoopen ligt zijn veld- en akkerschat,
Verrottend in zijn eigen vruchtbaarheid.
Zijn wijnstok, ’s harten lust- en vreugdewekker,
Sterft onverzorgd; zijn fraaie dichte heggen
Zijn, als langhaar’ge en stopp’lige gevang’nen,
Door wilde twijgen haav’loos; op zijn akkers,
Die braak nu liggen, tieren dolik, schierling
En weeld’rige aardrook, en het kouter roest,
Dat zulk een woeste woek’ring moest ontwort’len.
Het effen weiland, eens zoo schoon gesierd
Met sleutelbloemen, pimpernel en klaver,
De zeis nu dervend, brengt, verwilderd, geil,
In woesten moedwil niets dan onkruid voort,
Dan ruwe distels, wilde zuring, klissen;
En met zijn schoon verloor ’t zijn nuttigheid.
En zooals wijngaard, braakland, weide en heg,
Ontaardend, nu tot wildernissen worden,
Is ’t in de huizen; wij en onze kind’ren, 56
Vergeten hebben we, of verzuimd te leeren,
Wijl tijd ontbrak, wat Frankrijks roem moest zijn,
De wetenschappen; en wij groeien op,
Als wilden,—als soldaten ’t doen, wier denken
Op bloed steeds zint,—tot haveloosheid, vloeken,
Norsch uitzicht, al wat onnatuurlijk schijnt.
Om dit weer in zijn vroegren staat te brengen
Kwaamt gij bijeen; en nu smeekt u mijn tong,
Dat gij mij meldt, waarom de zachte vrede
Niet al dit onheil uit het land zou drijven
En ons weer zeeg’nen met haar vroeg’re kracht.
Koning Hendrik.
Wenscht gij den vrede, hertog van Bourgondië,
Welks afzijn wasdom geeft aan al de rampen,
Door u genoemd, dien vrede moet gij koopen,
Door al de billijke eischen toe te staan,
Die gij, kort saamgevat, met juiste omschrijving
Van elk bijzonder punt, in handen hebt.
Bourgondië.
De koning kent ze reeds, doch heeft zijn antwoord
Ons nog niet meêgedeeld.
Koning Hendrik.
Ons nog niet meêgedeeld. Welnu, de vrede,
Waar gij op aandrongt, ligt juist in zijn antwoord.
Koning Karel.
Ik heb de artik’len slechts met vluchtig oog
Doorloopen; doch, wil thans uw hoogheid enk’len
Uit uwen raad benoemen, om met ons
Ze grondiger te toetsen, dan wordt dra
Door ons besloten wat we aanneem’lijk achten,
En ons beslissend antwoord meegedeeld.
Koning Hendrik.
Zoo zij het, broeder.—Gaat, oom Exeter,—
En broeder Clarence;—en gij, broeder Gloster,—
Warwick,—en Huntingdon, nu met den koning:
Ik machtig u tot sluiting van ’t verdrag;
Vermeerdert, wijzigt, zooals ’t uwe wijsheid
Voor onze waardigheid voordeeligst acht,
U al of niet aan wat wij eischten houdend;
Wij zullen onderteek’nen.—Waarde zuster,
Gaat gij met hen, of blijft gij hier bij ons?
Koningin Isabella.
Doorluchte broeder, ik wil met hen gaan.
Wellicht bewerkt een vrouwestem iets goeds,
Als eenige eisch te sterk wordt aangedrongen.
Koning Hendrik.
Zoo laat toch onze nicht Cath’rina hier;
Want zij is de eerste vord’ring, die wij stellen,
En heeft den hoogsten rang in onze artik’len.
Koningin Isabella.
’t Is gaarne haar vergund.
(Allen af, behalve Koning Hendrik, Catharina en haar Hofdame Alice.)
Koning Hendrik.
Nu, schoone Catharina, allerschoonste,
Mag een soldaat van u de woorden leeren,
Die ingang vinden in een vrouwenoor,
Haar teeder hart voor zijne liefde winnen?
Catharina.
Uw majesteit zal zich van mij spotten; ik niet kan spreken uw England. 103
Koning Hendrik.
O, schoone Catharina, als gij met uw Fransch hart oprecht beminnen wilt, zal ik met genoegen hooren, dat gij het met uw Engelsche tong gebroken bekent. Hebt gij mij lief, Kaatje?
Catharina.
Pardonnez-moy, ik niet verstaan, wat is „mij lief.”
Koning Hendrik.
De engelen zijn lief en goed, Kaatje, en gij zijt als een engel.
Catharina.
Que dit-il? que je suis semblable à les anges?
Alice.
Ouy, vrayment, sauf vostre grace, ainsi dit-il.
Koning Hendrik.
Dit zeide ik, dierbare Catharina, en dit kan ik zonder blozen herhalen.
Catharina.
O bon Dieu! les langues des hommes sont pleines de tromperies.
Koning Hendrik.
Wat zegt zij, schoon kind? dat de tongen der mannen vol bedrog zijn?
Alice.
Ouy, dat de tongs van de mans zijn vol bedrog; dat is de prinses.
Koning Hendrik.
De prinses is de beste Engelsche van u beiden. Waarachtig, Kaatje, voor mijn aanzoek is uw kennis van het Engelsch juist geschikt; ik ben blijde, dat gij het niet beter spreekt, want als gij dit deedt, zoudt gij mij zulk een eenvoudig koning vinden, dat gij zoudt denken, dat ik mijn bouwmanshoeve verkocht had om mijn kroon te koopen. Ik versta de kunst niet om mijn liefde fraai voor te doen; ik kan slechts eenvoudigweg zeggen: „ik bemin u.” En als gij mij dan verder dringt, dan dat gij vraagt: „meent gij het in ernst”? dan ben ik uitgepraat met mijn aanzoek. Geef mij uw antwoord; in allen ernst, doe het; dan een handslag en de koop is gesloten. Wat zegt gij, jonkvrouw?
Catharina.
Sauf vostre honneur, ik verstaan goed.
Koning Hendrik.
Maar waarlijk, Kaatje, als gij verlangt, dat ik om uwentwil verzen maken of dansen ga, dan ben ik verloren. Voor het eene ontbreken mij de woorden en de maat, en wat het andere betreft, ben ik niet sterk in het maathouden, al heb ik een behoorlijke mate van sterkte. Als ik een jonkvrouw met haasje-over-springen kon winnen, of door mij met volle wapenrusting in den zadel te slingeren, dan zou ik mij met springen spoedig een vrouw veroveren. Of als ik om mijn liefste mocht boksen, of mijn paard voor haar gunst laten steigeren, dan zou ik er op kunnen toeslaan als een slager en vastzitten als een aap, nooit er af. Maar, bij God, Kaatje, ik kan niet kwijnend kijken, noch mijn welsprekendheid uitzuchten, ook ben ik niet bedreven in het bezweren van mijn liefde, maar heb alleen eeden zonder omhaal, die ik nooit gebruik dan als het niet anders gaat, en nooit breek, hoe het ook ga. Als gij een man van dit slag kunt beminnen, Kaatje, wiens gezicht niet waard is van de zon verbrand te worden, die nooit in zijn spiegel kijkt uit verliefdheid op iets, wat hij daar ziet, laat dan uw oog hem u toebereiden. Ik spreek tot u als een rond soldaat; kunt gij mij hierom lief hebben, neem mij dan; zoo niet, nu, als ik tot u zeg, dat ik zal sterven, zoo is dat waar,—maar, door mijn liefde tot u, bij den hemel, neen; en toch, ik bemin u. En zoo lang gij leeft, lieve Kaatje, neem u een man van eenvoudige en ongemunte standvastigheid, want die moet vanzelf u geven wat u toekomt, daar hij de gave mist om elders zijn hof te maken; die knapen met eindelooze tong, die zich in de gunst van vrouwen weten in te rijmen, draaien zich door redeneeringen er altijd weder uit. Kom, een redenaar is maar een prater, en een rijmpje is maar een deuntje. Een goed been schrompelt in, een rechte rug wordt krom, een zwarte baard wordt wit, een kroeskop wordt kaal, een blozend gezicht verwelkt, een vol oog wordt hol; maar een goed hart, Kaatje, is zon en maan, of liever, de zon, en niet de maan, want het schijnt helder en verandert nimmer, maar blijft trouw in zijn baan. Als gij er zoo een hebben wilt, neem dan mij; neem mij, neem een soldaat; neem een soldaat, neem een koning. En wat zegt gij nu op mijn liefde? Spreek, melieve, en liefelijk, bid ik u.
Catharina.
Is het mogelijk, dat ik zou beminnen den vijand van Frankrijk?
Koning Hendrik.
Neen, het is niet mogelijk, dat gij den vijand van Frankrijk zoudt beminnen, Kaatje; maar door mij te beminnen, zoudt gij den vriend van Frankrijk beminnen, want ik bemin Frankrijk zoo zeer, dat ik er geen dorp van wil laten varen; ik wil het geheel voor mijzelf hebben. En, Kaatje, als Frankrijk mijn is, en ik de uwe ben, dan is Frankrijk u en gij zijt mijn.
Catharina.
Ik niet verstaan, wat dat is.
Koning Hendrik.
Niet, Kaatje? Ik zal het u in het Fransch zeggen, dat zeker aan mijn tong zal hangen als een pasgetrouwde vrouw aan den hals van haar man, nauwelijks af te schudden. Quand j’ai le possession de France, et quand vous avez le possession de moy,—laat zien, hoe verder? Sint Dénis sta mij bij!—donc vostre est France, et vous estes mienne. Het valt mij even licht, Kaatje, het koninkrijk te veroveren, als nog eens zooveel Fransch te spreken. Ik zal nooit in het Fransch u tot iets bewegen, of het moet zijn tot lachen. 198
Catharina.
Sauf vostre honneur, le François que vous parlez est meilleur que l’Anglois lequel je parle.
Koning Hendrik.
Neen, waarlijk, Kaatje, dat is het niet; maar zooals gij mijn taal spreekt en ik de uwe, beiden oprecht slecht, komt, dit moet erkend worden, vrij wel op hetzelfde neer. Maar, Kaatje, verstaat gij zooveel Engelsch: kunt gij mij beminnen?
Catharina.
Ik dat niet kan zeggen.
Koning Hendrik.
Kan een van uw buren hier het mij zeggen, Kaatje? Ik wil ’t haar vragen. Kom, ik weet, gij bemint mij; en als gij van avond op uw kamer komt, zult gij deze edelvrouw over mij vragen; en ik weet, Kaatje, gij zult, tegen haar, al die dingen in mij laken, die gij in uw hart liefhebt; maar, goede Kaatje, spot barmhartig met mij, vooral, lieve prinses, omdat ik u gruwelijk bemin. Als gij ooit de mijne wordt, Kaatje,—en ik heb het zaligend geloof in mij, dat gij het worden zult,—dan won ik u met schermutselen, en dan moet gij vanzelf een goede soldatenmoeder blijken. Welnu, zullen wij beiden niet, tusschen Sint Denis en Sint George in, een jongen tot stand brengen, half Fransch, half Engelsch, die naar Constantinopel zal gaan en den grooten Turk bij den baard trekken? zullen wij niet? wat zegt gij, mijn schoone leliebloem?
Catharina.
Ik niet weet dat.
Koning Hendrik.
Neen, te weten is het eerst later, maar nu te beloven. Beloof nu maar, Kaatje, dat gij uw best zult doen voor uw Fransche helft van zulk een jongen, en neem voor mijn Engelsche helft het woord aan van een koning en vrijgezel. Wat antwoordt gij nu, la plus belle Catharine du monde, mon très cher et divin déesse?
Catharina.
Uw majesté hebben fausse Fransch genoeg om te bedriegen de meest sage demoiselle, die is in Frankrijk.
Koning Hendrik.
Foei dan dat valsche Fransch van mij! Op mijn eer, in trouwhartig Engelsch, ik bemin u, Kaatje. Bij mijn eer durf ik nog wel niet zweren, dat gij mij bemint, maar mijn bloed begint mij te vleien, dat gij het doet, niettegenstaande den armzaligen, niet verleidelijken indruk van mijn gelaat. Verwenscht zij mijns vaders eerzucht! Hij dacht aan burgeroorlogen, toen hij mij gewon; daardoor werd ik geschapen met een stuursch uiterlijk, met een ijzeren voorkomen, zoodat ik jonkvrouwen, als ik haar het hof kom maken, schrik aanjaag. Maar in waarheid, Kaatje, hoe ouder ik word, des te beter zal ik er uitzien; mijn troost is, dat de oude dag, die slechte schoonheidsbewaarder, aan mijn gezicht niets meer bederven kan; gij hebt mij, als gij mij hebt, op mijn slechtst; en gij zult mij, als gij mij verslijt, door het verslijten beter en beter maken. Daarom, zeg mij nu, schoone Catharina, wilt gij mij hebben? Leg uw maagdelijke blosjes ter zijde; verkondig de gedachten van uw hart met de blikken van een keizerin; neem mij bij de hand en zeg: „Hendrik van Engeland, ik ben de uwe!” En zoodra zult gij met dit woord mijn oor niet gezegend hebben, of ik zal luide aan u verklaren: „Engeland is u, Ierland is u, Frankrijk is u, en Hendrik Plantagenet is u”, die, al zeg ik het hier voor zijn aangezicht, zoo hij ook niet de beste kerel onder de koningen zijn moge, u toch de beste koning van alle goede kerels blijken zal. Kom, uw antwoord! in gebroken muziek; want uw stem is muziek, en uw Engelsch gebroken; daarom, aller koningin, Catharina, breek in gebroken Engelsch uw zwijgen af; wilt gij mij hebben?
Catharina.
Dat is, zooals het zal behagen den roy mon père.
Koning Hendrik.
O, het zal hem zeer behagen, Kaatje; het zal hem behagen, Kaatje.
Catharina.
Dan ik ook zal tevreden zijn.
Koning Hendrik.
Daarvoor kus ik u de hand en noem u mijn Koningin.
Catharina.
Laissez, mon seigneur, laissez, laissez! Ma foy, je ne veux point que vous abbaissez vostre grandeur, en baisant le main d’une vostre indigne serviteur; excusez moi, je vous supplie, mon très puissant seigneur.
Koning Hendrik.
Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje.
Catharina.
Les dames, et damoiselles, pour estre baisées devant leurs nopces, il n’est pas le costume de France.
Koning Hendrik.
Mejonkvrouw tolk, wat zegt zij?
Alice.
Dat het niet is te zijn de gewoonte pour les dames in Frankrijk,—ik weet niet te zeggen, wat is baiser in Engelsch.
Koning Hendrik.
Kussen.
Alice.
Uw majesteit entendre betre que moy.
Koning Hendrik.
Het is geen gebruik bij de meisjes in Frankrijk, te kussen, voor zij getrouwd zijn, wilde zij zeggen? 291
Alice.
Ouy, vraiment!
Koning Hendrik.
O, Kaatje, preutsche zeden buigen zich voor groote koningen. Gij en ik, beste Kaatje, zijn niet in te sluiten door de zwakke beperking van landsgewoonten; wij zijn de scheppers van de gebruiken, Kaatje; en de vrijheid, die onzen rang begeleidt, sluit aan alle bedillers den mond, zooals ik hem u sluiten wil, wegens het ophouden van de preutsche zeden van uw land door mij een kus te weigeren; daarom, stilgezwegen en toegegeven! (Hij kust haar.) Gij hebt tooverkracht in uw lippen, Kaatje; er is meer welsprekendheid in haar zoete aanraking, dan in de tongen van den geheelen hoogen raad van Frankrijk; en zij zouden Hendrik van Engeland eerder overreden, dan een algemeen verzoek van monarchen.—Daar komt uw vader.
(Koning Karel, Koningin Isabella, Bourgondië, Bedford, Gloster, Exeter, Westmoreland en andere Fransche en Engelsche Heeren komen op.)
Bourgondië.
God hoede uw majesteit! Mijn koninklijke neef, geeft gij onze prinses les in het Engelsch?
Koning Hendrik.
Ik wenschte, waarde neef, dat zij leerde, met welk een volkomen liefde ik haar bemin; en dat is goed Engelsch.
Bourgondië.
Is zij niet vlug in ’t leeren?
Koning Hendrik.
Onze taal is ruw, neef, en mijn natuur is niet glad; zoodat, daar ik noch de stem noch het hart der vleierij in mij heb, ik niet zoo den geest der liefde in haar kan oproepen, dat die in zijn ware gedaante verschijnt.

Koning Hendrik V, Vijfde Bedrijf, Tweede Tooneel.
Bourgondië.
Vergeef de vrijmoedigheid mijner vroolijkheid, zoo ik u hierop antwoord. Als gij in haar iets bezweren wilt, moet gij een kring trekken; en wilt gij in haar den liefdegod in ware gedaante bezweren, dan moet die naakt en blind verschijnen.—En kunt gij het nu laken in haar, die een meisje is, nog door het maagdelijk purper der zedigheid als met rozen bedekt, wanneer zij de verschijning van een naakt, blind jongske in haar naakte, ziende persoonlijkheid niet dulden wil? Het zou een harde voorwaarde zijn voor een meisje, mylord, zich daaraan te moeten onderwerpen.
Koning Hendrik.
Toch sluiten zij de oogen en geven toe, wanneer de liefde blind is en aandringt.
Bourgondië.
Dan zijn zij verontschuldigd, mylord, wanneer zij niet zien wat zij doen.
Koning Hendrik.
Nu, waarde lord, leer dan uw nicht met gesloten oogen toe te stemmen.
Bourgondië.
Ik zal haar wenken toe te stemmen, mylord, als gij haar wilt leeren, wat het beteekent; want meisjes zijn, als het gezomerd heeft en zij warm gehouden zijn, als de vliegen omstreeks Sint Bartholomeus, blind, al hebben zij ook haar oogen; en dan laten zij zich met de handen aanvatten, al konden zij te voren het aankijken niet lijden. 338
Koning Hendrik.
Die vergelijking verwijst mij naar later tijd en een warmen zomer, en zoo zal ik de vlieg, uw nicht, ten laatste vangen, en dan moet zij bovendien blind zijn.
Bourgondië.
Zooals de liefde is, mylord, voor zij bemint.
Koning Hendrik.
Zoo is het; en enkelen uwer mogen de liefde dankbaar zijn voor mijn blindheid, die menige schoone Fransche stad niet zien kan door één schoone Fransche maagd, die op mijn weg staat.
Koning Karel.
Ja, mylord, gij ziet ze als door een tooverglas, de steden in een maagd veranderd; want zij zijn alle door maagdelijke muren omgord, waar de krijg nooit binnen drong.
Koning Hendrik.
Zal Kaatje mijn vrouw worden?
Koning Karel.
Zoo het u behaagt.
Koning Hendrik.
Ik zal het gaarne zien, zoo slechts de maagdelijke steden, waar gij van spreekt, haar gevolg uitmaken. Zoo zal de maagd, die op den weg stond van mijn wensch, mij den weg naar mijn verlangen wijzen.
Koning Karel.
Wij stemden toe in iedren billijke’ eisch.
Koning Hendrik.
Is ’t zoo, gij lords van England?
Westmoreland.
De koning gaf u alles, wat gij vordert;
Vooreerst zijn dochter, verder ook al ’t andre,
Geheel naar ’t vroeger vastgestelde ontwerp.
Exeter.
Alleen dit artikel heeft hij nog niet onderschreven, waarbij uw majesteit begeert, dat de koning van Frankrijk, als hij aanleiding heeft om schriftelijk het een of ander te verzoeken, uw hoogheid in dezen vorm en met deze bijvoeging noemen zal, in het Fransch: Nostre très cher filz Henry, Roy d’Angleterre, heretier de France; en aldus in ’t Latijn: Praeclarissimus filius noster Henricus, rex Angliae, et haeres Franciae.
Koning Karel.
Ook dit heb ik niet zoo geweigerd, broeder,
Dat ik ’t op uw verzoek niet door liet gaan.
Koning Hendrik.
Dan bid ik u, als vriend en bondgenoot,
Laat dit artikel staan gelijk die andren.
En nu, sta mij uwe dochter toe. 375
Koning Karel.
Neem haar, mijn eed’le zoon, wek uit haar bloed
Mij kroost, opdat de aloude tegenstanders,
Frankrijk en England, welker kusten zelfs
Bleek zien van afgunst op elkanders bloei,
Hun haat begraven, en dit schoon verbond
Recht christ’lijke eendracht plante en goede buurtschap
In beider borst, en geen het zwaard meer heff’,
Opdat het fel zijn eed’len broeder treff!
Allen.
Amen.
Koning Hendrik.
Thans welkom, Kaatje!—Weest getuigen, allen,
Dat ik haar als mijn koningin hier kus.
(Trompetgeschal.)
Koningin Isabella.
God, aller huwelijksbanden beste hoeder,
Voege uwe harten, uwe rijken saam!
Ziet, man en vrouw zijn twee, doch een in liefde,
En zulk een echt vereene uw beider rijk,
Dat nimmer booze diensten noch jaloerschheid,
Die vaak het bed van ’t heilig huw’lijk storen,
Zich dringen tusschen beider rijken bond,
Echtscheiding, van wat één nu wordt, beproevend;
Dat Franschman, Engelschman voortaan de namen
Van broeders zijn!—Spreek’ God hierop zijn Amen!
Allen.
Amen!
Koning Hendrik.
Nu ’t huw’lijk voorbereid;—dien dag ontvang ik
Van u, hoogeed’le hertog van Bourgondië,
En alle pairs, den eed op ons verbond.
Dan zweer ik Kaatje trouw en zij aan mij;
Dat heilig ons die eed en heilrijk zij!
(Allen af.)
Chorus treedt op.
Chorus.
Tot zoo ver volgde, ruw en onbekwaam,
Tol schroom des schrijvers veder de historie;
Klein was ’t bestek voor mannen, groot van naam,
Verbrokkeld door zijn sprongen werd hun glorie.
Kort scheen die ster van England, maar een zon
In glans gelijk; hem schonk Geluk zijn wapen,
Waar hij der wereld schoonsten gaard meê won,
Des zesden Hendriks deel bij zijn ontslapen.
Frankrijks en Englands koning, kon die zoon,
Gekroond in winds’len, zijn gebied niet hoeden;
Zijn vele raders, woelend om zijn troon,
Verloren Frankrijk, deden England bloeden;
Vaak zaagt gij dit vertoond en waart voldaan;
Neemt daarom ook dit stuk welwillend aan.