TWEEDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Trompetgeschal. Chorus treedt op.
Chorus.
Nu is de jeugd van England vuur en vlam,
En zijden dart’len ligt in ’t kleederschrijn;
De wapensmeden bloeien, de gedachte
Aan eer alleen beheerscht der mannen borst.
Zij hebben voor een paard hun weiden veil,
En volgen aller christenvorsten spiegel
Met vleugelvoet, als Engelsche Merkuurs.
Want nu zit Heilverwachting in de lucht,
En voert een zwaard, van greep tot spits beladen
Met diademen, kronen, hertogshoeden,
Aan Hendrik en zijn volgers toegezegd.
De Franschen, onderricht door goede kondschap
Van deze schrikb’re krijgstoerusting, sidd’ren
Van angst, en bleeke staatsmanskunst beproeft
Aan Englands plan een and’ren loop te geven.
O England, beeld van innerlijke grootheid,
Klein lichaam, dat een machtig hart omsluit,
Wat zoudt gij niet, als de eer u roept, volbrengen,
Ware elk van uwe kind’ren goed en echt! 19
Doch zie uw onheil! In u is een nest
Van holle harten; Frankrijk kent en vult ze
Met kronen des verraads; drie veile mannen,
Met name Richard, graaf van Cambridge, dan
Henry lord Scroop van Masham, en als derde
Sir Thomas Grey, Northumberlander ridder,
Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—
Snood saamgespannen met het angstig Frankrijk;
En door hun hand moet hij, der vorsten roem,
Vermoord zijn,—houdt verraad en hel hun woord,—
Eer hij naar Frankrijk afzeilt in Southampton.
’t Geld is betaald, de snoodaards zijn het eens,
De koning reeds uit Londen weg, en, vrienden,
Wij voeren thans u naar Southampton heen;
Daar is nu ’t schouwtooneel, daar zet ge u neer,
Daar schepen wij u veilig in naar Frankrijk
En weer terug, de smalle zee bezwerend
Tot kalme rust;—want, dient ons het geluk,
Geen enkle maag, die ziek wordt bij ons stuk.
Doch eerst als gij den koning komen ziet,
Verreist gij naar Southampton; eerder niet. 42
(Chorus af.)
EERSTE TOONEEL.
Londen. Eastcheap.
Nym en Bardolf komen op.
Bardolf.
Welkom, korporaal Nym!
Nym.
Goeden morgen, luitenant Bardolf!
Bardolf.
Hoe is het, zijt gij en vaandrig Pistool thans goede vrienden?
Nym.
Voor mijn part geef ik er niet om; ik zeg weinig, maar als de tijd komt, zal er gelachen worden;—maar dat mag zijn zooals het wil. Vechten durf ik niet, maar ik zal mijn oogen toedoen en mijn ijzer vooruitsteken. Dit is niet veel bijzonders, maar wat doet het er toe? Er is kaas aan te roosten en koude houdt het even goed uit als eens andermans degen; en daarmee uit.
Bardolf.
Ik zal een ontbijt geven om u vrienden te maken en dan willen wij alle drie als gezworen broeders naar Frankrijk; ja, zoo zal het wezen, goede korporaal Nym.
Nym.
Op mijn woord, ik wil leven, zoolang ik kan, dat staat vast; en als ik niet langer leven kan, zal ik zien, wat ik doe; daar blijf ik bij, en dat is het rendez-vous er van.
Bardolf.
Het is zeker, korporaal, dat hij met Neel Haastig getrouwd is! en waarachtig, zij heeft u slecht behandeld, want gij waart met haar verloofd.
Nym.
Ik weet niet; alles moet gaan zooals het wil; het kan gebeuren, dat menschen slapen en dat zij te gelijk hun keel bij zich hebben; en het zeggen is, dat messen scherpe kanten hebben. Het moet gaan, zooals het wil; al is geduld een afgejakkerde knol, voortploeteren doet het toch. Er moet een eind zijn aan alles. Nu, ik weet niet.
(Pistool en vrouw Haastig komen op.)
Bardolf.
Daar komt vaandrig Pistool, met zijn vrouw.—Beste korporaal, houd u nu bedaard.—Hoe gaat het, waard Pistool?
Pistool.
Gemeene keffer, ik een waard?
Bij deze vuist, die naam is mij een afschuw;
En ook mijn Neel geeft geen logies. 33
Vrouw Haastig.
Neen, zoo waar ik leef, sinds lang niet meer; want een mensch kan geen twaalf of veertien meisjes thuis en in den kost hebben, die eerlijk met de naald haar brood verdienen, of er wordt dadelijk gedacht, dat men een knip houdt. (Nym trekt zijn degen.) O menschenkinderen, die trekt van leer!—Daar komt voorbedachte moord en echtbreuk van.
Bardolf.
Beste luitenant,—beste korporaal, geen twist hier!
Nym.
Stik!
Pistool.
Stik gij, IJslandsche hond! spitsoor van IJsland!
Vrouw Haastig.
Beste korporaal Nym, toon gij uw dapperheid en steek uw degen op.
Nym.
Wil je gaan schuiven? Ik wilde je wel solus hebben.
(Hij steekt zijn degen op.)
Pistool.
Solus, gij uitgelezen hond? O adder!
Dat Solus op uw wondervol gezicht;
Dat Solus op uw kiezen, in uw keel,
En in uw snoode long, ja, in uw pens, pardi,
En, erger nog, in uw onguren mond!
Ik wring dat solus u in de ingewanden;
Want afgaan kan Pistool, reeds dreigt zijn haan,
En flikkervuur zal volgen.
Nym.
Ik ben Asmodeus niet; je kunt mij niet bezweren. Ik heb een humor om je redelijk wel te kloppen. Als je vuilaardig wordt, Pistool, zal ik je uitpoetsen met mijn degen, dat het een aard heeft; als je met mij ter zijde wilt gaan, zal ik je behoorlijk wat in de pens prikken, dat het een lust is; en dat is de humor er van.
Pistool.
O pocher snood, vervloekte schandvlek-kerel!
U gaapt het graf en ’t suffend doodsuur naakt;
Daarom veradem!
(Pistool en Nym trekken.)
Bardolf.
Hoort mij aan! hoort aan wat ik zeg! wie den eersten stoot doet, ik spiets hem aan, tot dit gevest toe, zoo waar ik soldaat ben.
(Hij trekt.)
Pistool.
Een eed van wond’re kracht, en woede moet gaan liggen.
Geef mij de vuist; uw voorpoot, geef mij dien;
Uw moed is wondergroot.
Nym.
Ik wil je de keel afsnijden, te avond of morgen, in alle eere; dat is de humor er van.
Pistool.
Coupe le gorge! 75
Dat is het woord; ik daag op nieuw u uit.
Jachthond van Creta, hoopt gij op mijn gade?
Neen, ga naar ’t hospitaal,
En haal daar uit het pekelvat der schande,
’t Melaatsch perceel van Cressida’s geslacht,
Scheurlaken, alias Door, en trouw met haar!
Ik heb en ik behoud de quondam Haastig,
Als de een’ge zij; en—pauca! ’t is genoeg.
Verdwijn!
(De Jongen komt op.)
Jongen.
Beste waard Pistool, gij moet bij mijn meester komen, en uw waardin ook.—Hij is recht ziek en wil naar bed.—Goede Bardolf, steek uw gezicht tusschen zijn lakens en doe dienst als beddepan; waarachtig, hij is erg ziek.
Bardolf.
Weg, gij schelm!
Vrouw Haastig.
Waarachtig, hij wordt dezer dagen een gebraad voor de kraaien; de koning heeft zijn hart gedood.—Beste man, kom dadelijk naar huis.
(Vrouw Haastig en de Jongen af.)
Bardolf.
Komt, wil ik u tweeën vrienden maken? Wij moeten allen samen naar Frankrijk. Wat, voor den duivel, zouden wij messen dragen om elkander de keel af te snijden?
Pistool.
Laat vloeden zwellen! duivels, brult om buit!
Nym.
Wil je mij de acht schellingen betalen, die ik met wedden je heb afgewonnen?
Pistool.
Een lafaard, die betaalt.
Nym.
Die wil ik nu hebben, dat is de humor er van.
Pistool.
Manhaftigheid beslisse! trek en stoot!
(Hij trekt.)
Bardolf.
Bij dit zwaard, die den eersten stoot doet, ik dood hem; bij dit zwaard, ik doe het.
Pistool.
’t Zwaard is een eed, en eeden moeten doorgaan.
Bardolf.
Korporaal Nym, als je vrienden wilt zijn, weest dan vrienden; als je niet wilt, nu, weest dan vijanden ook met mij. Ik bid u, steekt op.
Nym.
Zal ik mijn acht schellingen hebben, die ik met wedden van je won?
Pistool.
Een nobel zult gij hebben en terstond;
En ’k zal u eveneens een zoopje geven,
En vriendschap pare zich aan broederschap;
Ik leef door Nym en Nym zal door mij leven.
Is dit niet goed bedacht? want zoet’laar wil ik
Bij ’t leger zijn en win dan geld als water.
Geef mij de hand.
Nym.
Zal ik mijn nobel hebben?
Pistool.
Die krijg je juist gepast. 120
Nym.
Komaan dan, dat is de humor er van.
(Vrouw Haastig komt weder op.)
Vrouw Haastig.
Zoo waar je van vrouwen komt, komt dadelijk binnen bij Sir John. Ach, die arme ziel! hij wordt zoo geschud door een heete alledaagsche derdedaagsche koorts, dat het allerjammerlijkst is om aan te zien. Lieve menschen, komt toch bij hem.
Nym.
De koning heeft den ridder een booze grap gespeeld; dat is het fijne van de zaak.
Pistool.
Nym, gij hebt wel gelijk;
Stuk is zijn hart en gecorroboreerd.
Nym.
De koning is een goed koning; maar men moet het nemen, zooals het valt; hij doet allerlei humors en sprongen.
Pistool.
Beklaagt den ridder; wij, o lamm’ren! willen leven.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Southampton. Een raadzaal.
Exeter, Bedford en Westmoreland komen op.
Bedford.
’t Is roek’loos, dat zijn hoogheid dien verraders
Vertrouwen schenkt.
Exeter.
Vertrouwen schenkt. Zoo daad’lijk zijn ze in hecht’nis.
Westmoreland.
Wat doen zij zich eenvoudig, arg’loos voor,
Alsof de oprechtheid in hun boezem woonde,
Gekroond door liefde en ongekreukte trouw.
Bedford.
De koning heeft bericht van al hun plannen,
Door onderschepping, nooit door hen gedroomd.
Exeter.
Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde,
Door hem gevoed, gepropt met vorstengunst,
Dat die zijn heer en vorst voor ’t goud eens vreemden
Aan dood en vuig verraad verkoopen kon!
(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Scroop, Cambridge, Grey, Edellieden en Gevolg komen op.)
Koning Hendrik.
De wind is goed, wij willen nu aan boord.—
Mylord van Cambridge,—en beste lord van Masham,—
En gij, mijn waarde ridder, zegt uw meening:—
Gelooft gij, dat de strijdmacht, die ons volgt,
Door Frankrijks scharen zich den weg zal banen,
De tuchtiging volbrengend en de taak,
Waartoe wij deze krijgers samenbrachten?
Scroop.
Geen twijfel, heer, als elk zijn best wil doen. 20
Koning Hendrik.
Dit lijdt geen twijfel, want het bleek ons duid’lijk:
Wij voeren niet een enkel hart van hier,
Dat niet eenstemmig met het onze klopt;
Geen enkel laten we achter, of het wenscht,
Dat voorspoed ons verzelle en zegepraal.
Cambridge.
Geen koning wekte ooit meer ontzag en eerbied
Dan uwe majesteit; er is, geloof ik,
Geen onderdaan, die onrust kent of kommer,
Nu hem de schaduw dekt van uw bestuur.
Grey.
’t Is waar; uws vaders vijanden, zij doopten
Hun gal in honing, en zij dienen u
Met harten, gansch gevormd uit trouw en ijver.
Koning Hendrik.
Zoo hebben wij veel grond tot dankbaarheid,
En zullen eer ’t gebruik der hand vergeten,
Dan wij vergeten, ijver en verdienste
Naar hun gewicht en waarde te beloonen.
Scroop.
Zoo zal de trouw met stalen spieren zwoegen
En zal zich de arbeid laven met de hoop
Van aan uw hoogheid stâgen dienst te doen.
Koning Hendrik.
Niets minder wachten wij.—Oom Exeter,
Ontsla den man, die gist’ren werd gevat,
Omdat hij ons gehoond had; wij doen gelden,
Dat overmaat van wijn zijn prikkel was;
Daar hij tot inkeer kwam, zij ’t hem vergeven.
Scroop.
Dit is genadig, ja, maar veel te zorgloos;
Bestraf hem, heer; wordt hij gespaard, zijn voorbeeld
Brengt licht’lijk meer van zulke daden voort.
Koning Hendrik.
O, laat ons toch genadig zijn.
Cambridge.
Dit kunt gij zijn, mijn vorst, en toch hem straffen.
Grey.
’t Waar’ veel genâ, zoo gij hem ’t leven schenkt,
Doch eerst een scherpe tuchtiging laat proeven.
Koning Hendrik.
Ach, uwe groote liefde en zorg voor mij
Zijn sterke beden tegen de’ armen schelm.
Indien men ’t oog bij dronkenschaps-vergrijpen
Niet sluiten mag, hoe moet men ’t openspalken,
Zoo hoogverraad, gekauwd, geslikt, verteerd,
Zich voor ons opdoet!—Toch, we ontslaan dien man,
Schoon Cambridge, Scroop en Grey, uit teed’re zorg
Voor ons en onze veiligheid, verlangen,
Dat hij gestraft zij.—Nu de Fransche zaken;—
wacht van ons een volmacht?
Cambridge.
wacht van ons een volmacht? Ik, mijn vorst;
Ik moest die heden van uw hoogheid vragen.
Scroop.
Ik ook, mijn hooge vorst.
Grey.
En ik, mijn koninklijke heer. 65
Koning Hendrik.
Juist; Richard, graaf van Cambridge, hier is de uwe;
En hier, lord Scroop van Masham, en, heer ridder,
Grey van Northumberland, hier hebt gij de uwe;—
Leest die en ziet, dat ik uw waarde ken.—
Mylord van Westmoreland, oom Exeter,
Van nacht gaan wij aan boord.—Hoe is het, heeren?
Wat leest gij in die stukken, dat gij zoo
Van kleur verschiet?—O ziet, hoe zij verbleeken;
Hun wangen zijn papier.—Wat leest gij daar,
Dat zoo uw bloed als lafaard weg deed vlieden
En zich verschuilen?
Cambridge.
Ik beken mij schuldig,
En onderwerp mij, heer, aan uw genade.
Grey, Scroop.
Die roepen we allen in.
Koning Hendrik.
Wat vroeger in ons van genade leefde,
Werd door uw eigen raad verstikt, gedood.
Rept niet, uit schaamte alleen reeds, van genade;
Uw eigen gronden werpen zich op u,
Als honden op hun meesters, u verscheurend.
Ziet, prinsen en gij eed’le pairs, die monsters
Van Engelschen! Mylord van Cambridge hier,—
Gij weet, hoe onze liefde steeds bereid was,
Om ieder voorrecht, passend aan zijn rang,
Hem rijk’lijk toe te staan; en die man spande
Lichtzinnig voor een handvol lichte kronen
Met Frankrijks arglist saam, en deed den eed,
Ons hier te zullen dooden;—en die ridder,
Voor hooge gunst niet minder dank ons schuldig
Dan Cambridge, was zijn eedgenoot.—Maar, o!
Wat zeg ik thans tot u, lord Scroop? gij wreed,
Ondankbaar, dierlijk woest, onmenschlijk wezen!
Gij, die den sleutel hadt van al mijn plannen,
Die zaagt tot op den bodem mijner ziel,
Mij schier tot gouden munt hadt kunnen slaan,—
Hadt gij uw voordeel zoo bij mij gezocht,—
Is ’t moog’lijk, kon uit u de huur eens vreemden
Een vonkje onheils lokken, als dit mij
Een vinger krenken kon? het is zoo vreemd,
Dat, schoon de waarheid scherp en duid’lijk afsteek’
Als wit en zwart, mijn oog ze nauw’lijks zien wil.
Verraad en sluipmoord gingen steeds te zaam
Als twee jukduivels, eed- en bondgenooten,
En zoo natuurlijk scheen hun boos bedrijf,
Dat zij verwond’ring nooit een kreet ontlokten;
Doch gij verkeert dit alles, en door u
Volgt nu verbazing op verraad en moord.
En welke sluwe duivel het ook ware,
Die u zoo onnatuurlijk heeft verzocht,
De hel schenkt hem den prijs van ’t meesterschap.
Want andre duivels, lokkend tot verraad, 114
Behangen, lappen hun doemwaardig werk
Met moesjes, kleuren, vormen, die zij borgen
Van ’t glinstrend kleed, waar vroomheid zich in hult;
Doch hij, die u bewerkte en u deed opstaan,
Gaf u geen drijfveer om verraad te plegen,
Dan dat hij u tot aartsverrader sloeg.
Als deze demon, die zoo u verleidde,
Heel de’ aardbol rondging met zijn leeuwenstap
En in den ruimen Tartarus terugkwam,
Hij kon aan de legioenen daar verklaren:
„’k Win nimmermeer met zoo geringe moeite
Een ziel, als nu van dezen Engelschman”.
O, hoe hebt gij met argwaan ’t zoetst vertrouwen
Vergiftigd! Schijnt er iemand hou en trouw?
Gij deedt het ook. Schijnt hij geleerd en ernstig?
Gij deedt het ook. Stamt hij van eed’len bloede?
Gij deedt het ook. Schijnt hij oprecht godvruchtig?
Gij deedt het ook. Is hij aan tafel sober,
Van groven hartstocht vrij in vreugde of toorn,
Bestendig, nooit door bruisend bloed verwilderd,
Gehuld in ’t kleed van ware zedigheid,
Niet met het oog iets toetsend zonder ’t oor,
En beide slechts na rijp beraad vertrouwend,—
Zoo, tot zoo fijne bloem gebuild, scheent gij;
En daarom laat uw val een soort van smet na,
Die ook den kloeken, meest begaafden man
Met een’gen argwaan vlekt, ’k Wil om u weenen,
Want dit verraad van u is, naar ’t mij schijnt,
Een tweede menschenval.—Hun schuld is duid’lijk;
Neemt hen in hechtnis, stelt hen voor ’t gerecht,
En spreke God hen van hun zonden vrij!
Exeter.
Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
Richard, graaf van Cambridge.
Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
Henry lord Scroop van Masham.
Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
Thomas Grey, ridder van Northumberland.
Scroop.
Gerecht heeft onzen aanslag God ontdekt,
En ik betreur meer dan mijn dood mijn schuld,
Die ik uw hoogheid smeeke te vergeven,
Hoewel mijn lichaam er het loon voor kwijt’.
Cambridge.
Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt,
Ofschoon ik ’t wel als middel gelden liet,
Om des te sneller tot mijn doel te komen.
Maar God zij dank, dat hij ’t verijdeld heeft;
Dit zal mij, stervend zelfs, tot vreugde zijn,
En ’k smeek èn God èn u mij te vergeven.
Grey.
Geen onderdaan, hoe trouw, was bij de ontdekking
Van smaad en zwart verraad ooit zoo verheugd,
Als ik te dezer ure, nu ikzelf
Mijn eigen vloekbaar opzet zie verhoed;
Verschoon mijn schuld,—mijn leven niet, mijn vorst! 166
Koning Hendrik.
Vergeve u Gods genade! Hoort uw vonnis:
Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden
Met onze’ erkenden vijand, naamt van hem
Het gouden handgeld aan voor onzen dood;
Uw koning wildet ge aan den moord verkoopen,
Zijn prinsen en zijn pairs aan slavernij,
Zijn volk aan onderdrukking en verguizing,
En aan verwoesting heel zijn koninkrijk.
Wij, voor onszelven, zoeken geene wraak;
Doch ’t heil des rijks, welks ondergang gij zocht,
Is onzer zorg vertrouwd, zoodat wij u
Den rechter overgeven. Gaat dus heen,
Rampzalige arme zondaars, in den dood;
En geve u God, in zijn genade, kracht
Diens bitterheid te dulden, en berouw
Van al uw booze daden. Leidt hen weg.
(Cambridge, Scroop en Grey met een Wacht af.)
Nu, lords, naar Frankrijk! De onderneming moog’
Gelijken roem voor u en ons verwerven.
Geen twijfel, onze krijg zal heilrijk zijn,
Nu God ons zoo genadig dit verraad
Ontsluierd heeft, dat loerde op onzen weg
Om de’ aanvang reeds te stuiten; thans geen twijfel,
Of iedre hindernis is weggeruimd.
Dus op, mijn landgenooten! geven wij
In ’s Heeren hand ons leger; zij de tocht
Terstond aanvaard. En zoo, vol moed ter zee!
De strijdvaan hoog, dat zij den weg ons toon’;
Geen Engelsch koning, dan met Frankrijks kroon!
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Londen. Voor het huis van Vrouw Haastig in Eastcheap.
Pistool, Vrouw Haastig, Nym, Bardolf en de Jongen komen op.
Waardin.
Ik bid u, mijn zoetelieve man, laat ik u tot Staines wegbrengen.
Pistool.
Neen, want mijn mann’lijk harte kreunt.—
Bardolf, spring op; Nym, wek uw pochend hart;
Knaap, zet uw moed te berg, want Falstaff, hij is dood,
En kreunen is nu plicht.
Bardolf.
Ik wenschte, dat ik bij hem was, waar ook, in den hemel of in de hel.
Waardin.
Neen, zeker, hij is niet in de hel; hij is in Arthurs schoot, als ooit eenig mensch in Arthurs schoot gekomen is. Hij had een schoon uiteinde en ging heen, alsof het een kind in het doophemdje geweest was; hij heeft het afgelegd precies juist tusschen twaalven en eenen, juist toen het water begon te vallen; want toen ik zag, dat hij met de lakens begon te frommelen en met bloemen speelde en zijn vingertoppen toelachte, toen wist ik ook, dat het afliep, want zijn neus was zoo scherp als een pen en een tafellaken met groene plekken. „Hoe gaat het, Sir John?” zeide ik, „kom, man, wees goedsmoeds”. Toen riep hij: „God, God, God!” drie of vier malen. Nu, ik, om hem te troosten, zeide, dat hij niet aan God moest denken; ik hoopte, dat hij nog niet noodig had, zich met zulke gedachten te plagen. Toen vroeg hij mij, nog wat meer dek op zijn voeten te leggen; en ik stak mijn hand in het bed en bevoelde ze en zij waren koud als steen. En toen bevoelde ik zijn knieën, en verder op en verder op, en alles was zoo koud als een steen. 28
Nym.
Ze zeggen, dat hij de sek verwenschte.
Waardin.
Ja, dat deed hij.
Bardolf.
En de vrouwen.
Waardin.
Neen, dat deed hij niet.
Jongen.
Ja, dat deed hij wel, en hij zeide, ze waren gevleesde duivels.
Waardin.
Ja, hij hield niet van gevleesdheid, die kleur kon hij niet uitstaan.
Jongen.
Hij zeide eens, om de vrouwen zou de duivel hem nog halen.
Waardin.
Nu zoo eenigszins, ’t is waar, had hij het over vrouwen, maar toen was hij assent en sprak van de hoer van Babylon.
Jongen.
Weet gij het nog, hij zag eens een vlieg op Bardolfs neus zitten, en toen zeide hij, dat was een zwarte ziel, die in het helsche vuur brandde.
Bardolf.
Nu, het hout is op, dat dit vuur onderhield; dit is al de rijkdom, dien ik in zijn dienst heb overgelegd.
Nym.
Zullen wij gaan schuiven? De koning zal wel van Southampton weg zijn.
Pistool.
Ja, laat ons gaan.—Mijn lief, reik mij uw lippen.
Let op mijn boedel en mijn roerend goed;
Verstand hoû stuur, en „bare munt” zij ’t wachtwoord;
Vertrouw geen mensch;
Een eed is stroo; geloof en trouw zijn wafels,
En slechts „Hou vast” de ware hond, mijn duifje;
Daarom, caveto moge uw raadsman zijn.
Ga, droog uw parels.—Wapen-jukgenooten,
Naar Frankrijk, komt! bloedzuiger-spelen, jongens!
Gaan zuigen, zuigen, bloed, ja bloed gaan zuigen!
Jongen.
Maar dat is recht ongezonde kost, zeggen ze.
Pistool.
Haar zachten mond nu aangeraakt, dan weg!
Bardolf.
Vaarwel, waardin.
(Hij kust haar.)
Nym.
Ik kan niet kussen, dat is de humor er van; maar leef wel.
Pistool.
Huishoud’lijkheid zie rond; nog eens, goed opgepast!
Vrouw Haastig.
Het ga u goed, vaarwel!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Frankrijk. Een zaal in het koninklijk paleis.
Trompetgeschal. Koning Karel, de Dauphijn, de Hertog van Bourgondië, de Connetabel en Anderen komen op.
Koning Karel.
Zoo nadert England dus met heel zijn macht,
En ’t moet ons meer dan ernst zijn, koninklijk
Gereed te zijn om de’ aanval af te slaan.
De hertogen van Berry en Bretagne,
Van Orleans en Brabant moeten dus,
Ook gij, mijn prins dauphijn, met allen spoed
Op weg, om onze sterkten toe te rusten
Met wakk’re mannen en verweringsmidd’len;
Want England nadert met zoo snelle vaart
Als ’t water, dat zich naar een maalstroom spoedt,
’t Betaamt ons dus, vooruitziend zoo te zorgen,
Als vrees ons leeren moet door menig voorbeeld,
Dat dit geminacht en verderflijk England
Op onze velden eertijds achterliet.
Dauphijn.
Grootmachtig vader, zeker is het nuttig,
Dat wij ons waap’nen tegen onzen vijand;
Geen vrede wiege een rijk ooit zoo in slaap,—
Al dreigt geen krijg, noch openbare twist,—
Dat krijgsvoorraad, verweringsmidd’len, manschap
Niet saamgebracht, versterkt, geoefend worden,
Alsof een oorlog te verwachten waar’.
’t Is daarom, zeg ik, nuttig, dat wij allen
Nu Frankrijks zwakke punten gaan bezien;
Maar laat dit zonder zweem van vrees geschieden,
Zoo zonder zorg, als hoorden wij, dat England
Zich met een pinkster-moorendans vermaakt.
Want, beste vorst, ’t is nu zoo dwaas gekoningd,
Zijn scepter voert zoo grillig thans een jongling
Als ijdel, nietig, wuft erkend, dat England
Geen vrees meer wekt.
Connetabel.
Geen vrees meer wekt. O stil toch, prins dauphijn!
Te zeer bedriegt gij u in dezen koning.
Uw hoogheid ondervrage eens de afgezanten,
Hoe hij vol waardigheid hun boodschap hoorde,
Door eed’le mannen van zijn raad omringd,
Hoe kalm zijn wederlegging was, en toch,
Hoe indrukwekkend door zijn vast besluit;
Want dan erkent gij, dat zijn vroeg’re dwaasheid
De mom van den Romeinschen Brutus was,
Wijsheid bedekkend met een narrenmantel,
Gelijk tuiniers met mest die wortels dekken,
Die, teer en vroeg, vóór de andren schieten moeten.
Dauphijn.
O, ’t is niet zoo, mijn heer groot-connetabel; 41
Doch hoe het werk’lijk zij, ’t is onverschillig;
Men achte, wordt verdediging beraamd,
Den vijand immer sterker dan hij schijnt;
Haar vollen eisch krijgt dan de weerbaarheid,
Die, op een zwakke en kaar’ge wijs ontworpen,
Gelijk een vrek, om luttel stofs te sparen
Heel ’t kleed bederft.
Koning Karel.
Denkt koning Hendrik machtig,
En rust u krachtig toe ten strijd met hem.
Zijn stam is eertijds van ons vleesch gevoed;
Hij is een welp van dat bloedgierig ras,
Dat in ons eigen veld en bosch ons opzocht;
Getuige die al te onvergeetb’re smaad,
Toen Cressy’s slag noodlottig werd geslagen,
En onze prinsen allen in de macht
Der hand met zwarten naam, van Edward, vielen,
Den zwarten prins van Wales, terwijl zijn vader,
Staande op een berg,—hijzelf alreeds een berg,—
Hoog in de lucht, gekroond met zonnegoud,
Zag, hoe zijn heldenzaad,—glimlachend zag hij ’t,—
De werken der natuur verdierf, de vormen,
In twintig jaar door God en Frankrijks vaders
Tot stand gebracht, verminkte. Een tak is deze
Van dien zeeghaften stam; en daarom, ducht
Zijn aangeboren kracht en zijn gesternte.
(Een Kamerheer komt op.)
Kamerheer.
Gezanten, Heer, van Hendrik, Englands koning,
Verzoeken bij uw majesteit gehoor.
Koning Karel.
Het zij terstond verleend. Geleid hen tot ons.
(De Kamerheer en eenige Lords af.)
Gij ziet, de jacht gaat fel haar gang, mijn vrienden.
Dauphijn.
Wend om en doe haar staan; want laffe honden
Zijn met hun muil het stoutst, wanneer hun wild
Ver voor hen uitloopt. Beste heer en vorst,
Geef dien gezanten kort bescheid, en toon hun,
Van welk een koninkrijk gij ’t hoofd zijt, heer;
Want zelfmin is een minder snoode zonde
Dan zelfverzuim.
(De Edellieden komen terug, met Exeter en Gevolg.)
Koning Karel.
Van onzen broeder England?
Exeter.
Zoo is ’t en dus begroet hij uwe hoogheid:
Hij eischt van u, in naam van God Almachtig,
Dat ge u ontdoet van uw geborgde hoogheid,
Die aflegt, daar zij naar des hemels wil,
’t Natuurrecht en der volken wet behoort
Aan hem en aan zijn erven; dus met name
De kroon, met iedre glansrijke eer, verbonden
Naar oud gebruik en de inzetting der tijden
Aan Frankrijks kroon. Opdat gij weten moogt,
Dat dit geen slinksche, wraakb’re vord’ring is,
Ontdekt in ’t molm van lang vervlogen dagen,
Gerakeld uit vergetelheids oud stof, 87
Zendt hij u deze’ opmerkenswaarden stamboom,
(Hij overhandigt een geslachtsboom.)
Welks takken ieder vol bewijskracht zijn.
Hij vraagt, dat gij die tafel door wilt zien;
En als gij vindt, dat hij in rechte lijn
Van den beroemdsten der beroemde vaad’ren,
Edward den derden, stamt, dan vraagt hij u
Uw kroon en scepter af, als valschlijk hem,
Die naar geboorte en recht deze eischt, onthouden.
Koning Karel.
Wat volgt bij weig’ring?
Exeter.
De dwang des zwaards. Want zelfs als gij de kroon
In uwe harten bergt, hij graaft haar uit;
Met dit doel komt hij, als een Jupiter
In fellen storm, in aardschudding en onweer,
Opdat hij, helpt hem geen vermaan, u dwing’;
Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u:
Doe afstand, heb genâ met de arme zielen,
Naar wie de hong’rige oorlog reeds de kaken
Wijd openspert; hij wentelt op uw hoofd
Der weeuwen tranenvloed, der weezen kreten,
Der dooden bloed, der bange maagden zuchten
Om gaden, vaders, dierb’re bruidegoms,
Welke allen dezen krijg verslinden zal.
Dit is zijn eisch, zijn dreiging, heel mijn boodschap.
Tenzij hier de dauphijn aanwezig zij,
Dien ik uitdrukkelijk te begroeten heb.
Koning Karel.
Wat ons aangaat, wij zullen overwegen;
Op morgen brengt gij onzen broeder England
Ons antwoord weer.
Dauphijn.
Ons antwoord weer. Wat den dauphijn betreft,
Hij staat hier voor u; spreek, wat zendt hem England?
Exeter.
Uittarting en verachting, hoon en spot,
En alles, wat den grooten zender niet
Onteeren kan; dit is ’t, wat hij u waard acht.
Zoo spreekt mijn vorst: wanneer uws vaders hoogheid
Niet, door geheel in elken eisch te treden,
Den bitt’ren spot verzoet, dien gij hem zondt,
Zal hij zoo scherp ter rekenschap u roepen,
Dat Frankrijks holen en gewelfde grotten
Uw driestheid zullen laken en uw loon
U kwijten in den weergalm zijns geschuts.
Dauphijn.
Zeg hem, dat, geeft mijn vader gunstig antwoord, 127
Dit strijdt met mijnen raad; want niets verlang ik
Dan strijd met England; tot dit doel vereerde ik,
Als passend voor zijn jeugd en ijdel doen,
Hem die Parijzer ballen ten geschenke.
Exeter.
Daarvoor zal uw Parijzer Louvre sidd’ren,
Al stelde uw hof aan gansch Euroop de wet;
Geloof me, een grooten afstand zult gij vinden,
Gelijk verbaasd zijn eigen volk het vond,
Van wat zijn groene dagen deden wachten
Tot wat de vorst nu is. Hij weegt zijn tijd
Thans tot het laatste grein; dit speurt gij dra,
Blijft hij in Frankrijk, in uw nederlagen.
Koning Karel.
Op morgen zult gij ons besluit vernemen.
Exeter.
Laat ras ons gaan, opdat niet onze koning
Hier zelf naar ons vertoeven vragen koom’;
Hij heeft reeds voet aan wal gezet in Frankrijk.
Koning Karel.
Dra laten we u met billijk antwoord gaan.
Een nacht is snel vervlogen en recht kort,
Om zaken af te doen van dit gewicht.
(Allen af.)