EERSTE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Chorus treedt op.
Chorus.
O, stond een Muze mij ten dienst, van vuur,
Die tot der vinding lichtsten hemel steeg!
Een rijk als schouwtooneel, voor ’t spelen vorsten,
Voor ’t zien van ’t prachtig schouwspel koningen!
Dan trad, gelijk hij was, held Hendrik op
In Marsgestalte; voor zijn voeten kropen,
Als honden aangekoppeld, vuur en zwaard
En honger rond om werk. Doch o! vergeeft,
Geëerden, dat een ongewiekte geest
Op zulk een planken vloer zoo groot een stof
U voor te stellen waagt! Dit hanenstrijdperk,
Omvat het Frankrijks vlakten? bergt deze O
Met houten wand de helmen slechts, waar eens
Bij Agincourt de lucht voor heeft gesidderd?
Vergeeft, ja! kan een kromme cijfertrek
Niet in een klein bestek millioenen gelden?
Dat wij dan, nullen bij een groot bedrag,
Verbeeldings macht bij u hier laten werken!
Denkt in den gordel dezer muren thans
Twee groote monarchieën ingesloten,
Elk de andre dreigend met verheven voorhoofd,
Gescheiden door een woeste, smalle zee.
Vult aan, door uwen geest, wat ons ontbreekt,
Verdeelt in duizend stukken elken man;
Dat uw verbeelding hier een leger scheppe;
Als wij van paarden spreken, denkt, gij ziet hen,
In ’t weeke land hun trotsche hoeven prentend;
Uw geest leen’ koningstooi aan onze vorsten,
Verplaats’ hen hier en daar, spring’ tijden over,
Vatte in een uurglas samen, wat door jaren
Gewrocht werd. Laat, opdat uw geest dit doe,
Als Chorus mij bij dit geschiedstuk toe,
Die als Proloog hier smeek: hoort onze kunst
Toegevend aan en oordeelt dan in gunst.
(Chorus af.)
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een voorzaal in het koninklijk paleis.
De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.
Canterbury.
Voorwaar, mylord, de wet is weer aanhangig,
Die in het elfde jaar des voor’gen konings
Waarschijnlijk tegen ons waar’ doorgegaan,
Zoo niet de woeste en onrustvolle tijd
De verdere overweging had verhinderd.
Ely.
En hoe, mylord, voorkomen wij haar nu?
Canterbury.
Dit moeten we overleggen. Gaat zij door,
Dan neemt ze ons ruim de helft van onze have.
Want al het grondbezit, door vrome leeken
Bij testament ooit aan de kerk vermaakt,
Wil men ons nemen,—wat, naar ’t wordt geschat,
Zou onderhouden, voor des konings luister,
Ruim vijftien graven, vijftienhonderd ridders,
Zes duizend en tweehonderd wakk’re knapen,
En dan, tot troost van zieken en verzwakten,
Voor schaam’le zieken, de’ arbeidstijd voorbij,
Een honderd armenhuizen, wel voorzien,—
En verder ’s konings koffers stijven zou
Met duizend ponden ’s jaars. Zoo luidt de wet.
Ely.
Een diepe teug! 20
Canterbury.
Een diepe teug! 20 Die kelk en al zou slikken!
Ely.
Doch hoe dit te verhind’ren?
Canterbury.
De koning is genadevol en billijk.
Ely.
En een waarachtig vriend der heil’ge kerk.
Canterbury.
De wandel van zijn jeugd deed dit niet hopen.
Nauw blies zijns vaders borst den adem uit,
Of ook zijn woestheid scheen, in hem verstikt,
Te sterven; ja, in ’t eigen oogenblik
Verscheen Bezonnenheid, gelijk een engel,
En zweepte uit hem den zondige’ Adam weg,
En liet zijn lichaam als een paradijs,
Dat hemelgeesten opnam en omsloot.
Zoo plots’ling werd geen kweek’ling ooit gevormd;
Zoo, als een vloed, kwam nooit bekeering op,
Zoo driftig stroomend, feilen met zich sleepend;
Zoo ras heeft hydrakoppige eigenlust
Zijn troon nooit opgegeven, zoo in eens,
Als nu in dezen koning.
Ely.
Als nu in dezen koning. Ons ten zegen!
Canterbury.
Hoor hem met godgeleerden in gesprek,
En, gansch bewondring, zult ge inwendig wenschen,
Dat hij, de vorst, prelaat geworden waar’;
En hoor hem over staatsbelangen hand’len,
Die waren, zweert gij, steeds zijn een’ge lust;
Hij spreek’ van oorlogvoering, gij verneemt
Een schrikb’ren veldslag, op muziek gezet;
Leg een geval van staatsmanskunst hem voor,
En hij ontwart den Gordiaanschen knoop,
Als waar’ ’t zijn knieband; waarlijk, als hij spreekt,
Is zelfs de lucht, de vrije woest’ling, stil,
En stom verbazen loert in ieders oor
Om zijner reed’nen honingzeem te buiten,
Zoodat de hand’ling, ’t practisch deel des levens,
Zich leermeest’resse toont der theorie.
Een wonder is ’t, hoe onze vorst dit oplas,
Daar al zijn lust een ijd’le wandel was,
Zijn makkers ruw, onwetend, zonder diepte,
Zijn tijd bezet door brassen, zwieren, tieren,
En hij geen zweem van studiegeest ooit toonde,
Of zucht tot eenzaamheid en tot ontwijken
Der menigte en haar openbaar gewoel. 60
Ely.
De aardbezie ziet men onder netels groeien,
En nevens vruchten van geringer aard
Gezonde beziën best tot rijpheid komen;
Zoo was zijn wildheid voor den prins een sluier,
Zijn overpeinzing dekkend, die bij nacht,
Gewis, als zomergras, het snelst gedijde,
Onopgemerkt, doch krachtig in haar groei.
Canterbury.
Zoo moet het; want der wond’ren tijd is over;
En dus, er moeten midd’len zijn, waardoor
Volkomenheid ontstaat.
Ely.
Volkomenheid ontstaat. Doch, waarde lord,
Wat is te doen tot temp’ring dezer wet,
Die de gemeenten eischen? Is de koning
Er voor of tegen?
Canterbury.
Naar het schijnt, nog weiflend
Maar toch, naar onze zijde eer overhellend,
Dan dat hij onze weêrpartijders steunt;
Want ik heb hem een aanbod kunnen doen
Van de vergaad’ring onzer geestlijkheid,—
En ’k heb daarbij zijn hoogheid in den breede
De hangende geschillen toegelicht,
Frankrijk betreffend,—om een grooter som
Te geven, dan de geestlijkheid nog ooit
In eens aan vorsten vóór hem heeft bewilligd.
Ely.
Hoe, dunkt u, stond den koning ’t aanbod aan?
Canterbury.
’t Vond bij zijn majesteit een heusche ontvangst;
Alleen ontbrak de tijd om aan te hooren,—
Gelijk hij blijkbaar gaarne had gedaan,—
Die vele, voor een elk onwraakb’re rechten,
Die hij op enk’le hertogdommen heeft,
Ja, in ’t geheel, op Frankrijks kroon en troon,
Als erfgenaam zijns oudgrootvaders Edward.
Ely.
Wat was de stoornis bij uw onderhoud?
Canterbury.
Frankrijks gezant vroeg op dat oogenblik
Juist om gehoor; en ’t uur is daar, vermoed ik,
Voor zijn ontvangst bestemd. Is ’t reeds vier uur?
Ely.
Dat is ’t.
Canterbury.
Laat ons dan gaan, en hooren wij zijn boodschap,
Die ik naar gissing licht u melden kon,
Aleer de Franschman er een woord van uit.
Ely.
Ik volg u; zeer verlang ik haar te hooren.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een staatsievertrek in het paleis.
Koning Hendrik, Gloster, Bedford, Exeter, Warwick, Westmoreland en Gevolg komen op.
Koning Hendrik.
Waar is de eerwaarde lord van Canterbury?
Exeter.
Niet hier, mijn vorst.
Koning Hendrik.
Ontbied hem, waardige oom.
Westmoreland.
Kan de afgezant verschijnen, heer en koning?
Koning Hendrik.
Nog niet, neef, vóór ’t gehoor beslisten wij
Liefst enkele zaken van gewicht, die zeer
Onze aandacht eischen, ons en Frankrijk rakend.
(De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.)
Canterbury.
Bescherme met zijn englen God uw troon,
Dat gij hem lange siert! 8
Koning Hendrik.
Dat gij hem lange siert! 8 Wij danken u.
Wij bidden u, geleerde heer, ga voort,
En wil ons juist en nauwgezet ontvouwen,
Of ’t Salisch recht, dat Frankrijk gelden laat,
Onze aanspraak, al of niet, aan ons ontzegt.
En God verhoede, waarde en trouwe heer,
Dat gij de lezing vormt of wringt of buigt,
En vindingrijk uw wetend hart bezwaart,
Verwrongen titels openslaand, wier recht
Niet strookt, in echte kleuren, met de waarheid.
Want menigeen, God weet het, krachtig nu,
Vergiet welras zijn bloed, om dàt te staven,
Waar gij, hoogwaardige, ons toe drijven zult.
Daarom, zie toe, hoe gij onze eer verpandt,
En hoe ge ons slapend zwaard ten strijde wekt;
Wij manen u bij de eere Gods, zie toe!
Twee zulke rijken slechtten nooit een twist
Dan met veel bloed, en elke onnooz’le drop
Is dan een wee, een aanklacht tegen hem,
Wiens onrecht zwaarden, die zoo schrikk’lijk woeden
Op korte sterflijkheid, hun scherpte geeft.
En nu, aldus bezworen, spreek, mylord;
Wij willen hooren, en in ’t hart gelooven,
Dat, wat gij zegt, zoo rein in uw geweten
Gewasschen is, als zonde is door den doop.
Canterbury.
Zoo hoort, genadig koning, en gij pairs,
Die aan des vorsten troon uzelf, uw leven
En diensten schuldig zijt.—Niets is er, niets,
Dat uwer hoogheid recht op Frankrijk wraakt,
Dan dit, wat Pharamond wordt toegeschreven:
In terram Salicam mulieres ne succedant,
„Geen vrouw mag heerschen over Salisch land”;
Welk Salisch land ten onrecht door de Franschen
Voor Frankrijk wordt verklaard, en Pharamond
Voor vestiger van ’t recht, dat vrouwen uitsluit.
En toch verklaren zelfs hun eigen schrijvers
Van ’t Salisch land, dat dit in Duitschland ligt,
Begrepen tusschen de’ Elbestroom en Sala,
Waar keizer Karel, na tenonderbrenging 46
Der Saksers, Fransche mannen heeft geplant;
Die hebben, Duitsche vrouwen weinig achtend
Ter zake van oneerb’re levenswijs,
Toen deze wet gemaakt, dat nooit een vrouw
Erfrecht bezitten zou op Salisch land,
Dat, als ik zeide, tusschen Elbe en Sala,
In Duitschland tegenwoordig Meissen heet.
Hieruit is duid’lijk, dat het Salisch recht
Niet uitgedacht is voor het Fransch gebied;
En ’t Salisch land bezaten ook geen Franschen
Dan eerst vierhonderd een-en-twintig jaar
Na Pharamonds verscheiden, wien verkeerd’lijk
Die wet wordt toegeschreven; deze stierf
In ’t jaar des heils vierhonderd zes-en-twintig;
En keizer Karel onderwierp de Saksers
En deed de Franschen wonen in het land
Aan gene zij der Sala, eerst in ’t jaar
Achthonderd vijf. Ook deed, naar hunne schrijvers,
Koning Pepijn, die Child’rik van den troon stiet,
Als eenig erfgenaam en nazaat van
Blithilde, die Clotharis’ dochter was,
Zijn aanspraak op den troon van Frankrijk gelden.
Hugo Capet ook, die de kroon aan Karel
Van Loth’ringen, het eenig manlijk oir,
Den rechten erfgenaam van keizer Karel,
Ontrukte, gaf zijn doen een glimp van recht,—
Hoewel dit waarlijk nietig was en valsch,—
Door zich den wettige’ erfgenaam te noemen
Van vrouwe Luitgard, die de dochter was
Van Karloman, den zoon van keizer Lood’wijk,
Van Lodewijk, des grooten Karels zoon.
Ook Lodewijk de tiende, die geheel
Het rijk des overweldigers Capet
Geërfd had, vond geen rust voor zijn geweten
Bij ’t dragen van de kroon, totdat hem bleek,
Dat Isabel, de schoone koningin,
Zijn grootmoeder, van vrouwe Hermingard
Afstamde, die de dochter was van Karel,
Loth’ringens hertog, pas door mij vermeld;
Door haren echt was keizer Karels lijn
Op nieuw verbonden aan de Fransche kroon.
Zoodat, zoo klaar als zomerzonneschijn,
’t Recht van Pepijn en de aanspraak van Capet
En Lodewijks bevrediging, dit alles,
Zich gronden op het erfrecht van de vrouw.
Dit doen de Fransche vorsten tot op heden,
Al roepen zij het Salisch recht nu in,
Om u, als vrouwe-nazaat, uit te sluiten,
En hullen zij zich liever in een net,
Dan dat zij open hun verwrongen recht,
U en uw voorgeslacht ontroofd, ontvouwen.
Koning Hendrik.
Kan ik naar recht en naar geweten, ’t vord’ren?
Canterbury.
Kome op mijn hoofd de zonde, strenge heer! 97
Want in het boek van Numeri staat geschreven:
Sterft iemand zonder mann’lijk kroost, dan valle
Zijn dochter de erf’nis toe. Genadig vorst,
Handhaaf uw recht; ontrol uw bloedbanier;
Blik naar uw roemrijk voorgeslacht terug;
Ga naar uws oudgrootvaders praalgraf, heer;
Zijn recht is ’t uwe;—roep zijn heldengeest,
En dien uws oudooms aan, des zwarten prinsen,
Die, Frankrijks algeheele macht verslaand,
Op Franschen grond een treffend treurspel gaf,
Terwijl zijn groote vader op een heuvel
Glimlachend toezag, hoe zijn leeuwenwelp
Het hartebloed des Franschen adels slurpte.
O edele Engelschen, daar boodt gij ’t hoofd,
Met half uw macht, aan heel den trots van Frankrijk,
En liet uw andre helft het lachend aanzien,
Gansch werkeloos, bij ’t heete strijden koud!
Ely.
Roep al die dapp’re dooden voor uw geest;
Hernieuw met uwen sterken arm hun roem.
Gij zit als erfgenaam op hunnen troon;
Het bloed en vuur, dat hen beroemd deed zijn,
Stroomt u in de aad’ren; en mijn hooge vorst
Is in de Meische morgen zijner jeugd,
Voor wapenroem en grootsche plannen rijp.
Exeter.
Der aard monarchen, al uw scepterbroeders,
Verwachten, dat gij u verheffen zult,
Als de oude leeuwen van uw voorgeslacht.
Westmoreland.
Zij weten, reed’nen hebt gij, macht en midd’len;—
Dit heeft uw hoogheid; en,—geen Engelsch koning
Had rijker eed’len, trouwer onderdanen;
Hun hart, ja! liet hun lichaam nog in England,
Maar huist in tenten reeds op Frankrijks grond.
Canterbury.
O, laat hun lichaam volgen, waarde vorst;
Verschaf u recht met bloed en zwaard en vuur;
Wij van de kerk verbinden ons, uw hoogheid
Te schragen met een groote somme gouds,
Zooals de geestlijkheid aan geen van uwe
Voorvaders ooit in eens heeft toegekend.
Koning Hendrik.
Wij moeten ons niet enkel tegen Frankrijk
Ten aanval waap’nen, maar ons voorbereiden
De Schotten af te slaan, die, zien ze een kans,
Gewis een inval doen.
Canterbury.
De mannen van die mark, genadig vorst,
Zijn een toereikend bolwerk, om ons land
Voor ’t rooven van dat grensvolk te beschutten.
Koning Hendrik.
Wij duchten daar niet enkel benden plund’raars, 143
Maar een vereenden aanval van den Schot,
Die steeds een zeer onrustig nabuur was.
Gij vindt beschreven, dat onze oudgrootvader
Nooit met zijn legermacht naar Frankrijk toog,
Dat niet op zijn ontbloot gebied de Schot
Zich plots’ling stortte, als door een scheur een stroom,
Met al de boordevolheid zijner kracht,
Zóó ’t ledig land met heeten aanval teist’rend,
Met zwaar beleg kasteel en stad omgordend,
Dat England, van zijn weerbaarheid beroofd,
Voor zulk een boozen nabuur beefde en trilde.
Canterbury.
De schrik was grooter dan de schade, heer;
Ontleen het voorbeeld slechts aan England zelf.
Toen heel haar ridderschap in Frankrijk was,
En ze om haar adel als een weduw treurde,
Heeft England zich niet slechts zeer goed geweerd,
Maar ving en kooide, als een verdwaald stuk vee,
Der Schotten koning op, en zond hem weg
Naar Frankrijk, om er koning Edwards roem
Te hoogen door gevangen koningen,
En de kronieken rijk aan lof te maken,
Gelijk de bodem ’t is en ’t slijk der zee
Door tal van wrakken en onnoemb’re schatten.
Westmoreland.
Maar toch, er is een spreuk, zeer oud en waar:
„Wilt gij Frankrijk overwinnen,
Zorg met Schotland te beginnen;”
Want vliegt ooit Englands arend uit op roof,
Dan sluipt de wezel Schotland in haar nest
En zuigt er al haar vorstlijke eiers uit,
En speelt voor muis, die, is de kat afwezig,
Meer aanknaagt en vernielt dan ze eten kan.
Exeter.
Dan zou de kat te huis steeds moeten blijven;
Maar dit besluit gaat mank en is niets waard;
Om goed’ren te beveil’gen zijn er sloten,
En voor de kleine dieren fijne vallen.
Terwijl de hand gewapend buiten vecht,
Verdedigt zich het schrand’re hoofd te huis;
Want, zij ’t bestuur ook hoog en laag, en lager,
Gezet in vele stemmen, alles sluit
Aaneen, en stemt, gelijk muziek, te zamen
Tot volle en zuiv’re harmonie.
Canterbury.
Tot volle en zuiv’re harmonie. Daarom
Verdeelt de hemel ook den staat des menschen
In velerlei verrichtingen en drijft
Elk onderdeel tot stâge werkzaamheid;
Deze echter heeft tot richtsnoer en tot doelwit
Gehoorzaamheid. Zoo werken ook de bijen,
Diertjes, die door natuur aan groote staten
Voor ord’lijk doen als voorbeeld zijn gesteld:
Een koning hebben ze en beambten; deels
Handhaven deze, als schouten, thuis de tucht;
Deels doen ze, als handlaars, zaken buitenshuis;
Deels gaan ze als krijgers, en een angel voerend,
Ten roof uit op des zomers fulpen knoppen,
En dragen hunnen buit in blijden optocht
Naar huis en in de heerscherstent huns vorsten,
Die, naar zijn roeping allen gadeslaat: 197
De mets’laars, zingend gouden daken bouwend,
De stille burgers, die den honing kneden,
Het poover arbeidsvolk, dat, zwaar beladen,
Door de enge poort de woning binnendringt,
Den strakken rechter, die met norsch gegons
Den tragen slaper hommel overlevert
Aan bleeke beulen. Hieruit put ik dit:
Dat vele dingen, die op samenstemming
Berekend zijn, verschillend werken kunnen;—
Gelijk veel pijlen, van verschillend standpunt
Den boog ontsneld, éénzelfde doelwit treffen,
Naar ééne stad veel wegen samenloopen,
Naar ééne zilte zee veel frissche stroomen,
Naar ’t midden van een uurplaat vele lijnen,
Zoo kunnen duizend handlingen, met zorg
Naar één doel samenstrevend, alle slagen,
Dat niets mislukt. Daarom, naar Frankrijk, heer!
Deel uw gelukkig England thans in vieren;
Neem gij een vierde deel naar Frankrijk mee;
En doe heel ’t land daar op zijn grondvest schudden.
Als wij, met driemaal zooveel macht te huis,
Den hond van onze deur niet weren kunnen,
Nu, dan verscheur’ hij ons, en heel ons volk
Verliez’ zijn roem van moed en schranderheid!
Koning Hendrik.
Voert de afgezanten des dauphijns nu tot ons.
(Eenigen van het Gevolg af.)
Wij zijn besloten; en met hulp van God
En u, het edel merg van onze kracht,
Zal Frankrijk, òns naar recht en wet, nu buigen,
Of barsten en verbrijzeld worden. Ja,
Ten troon gezeten willen we over Frankrijk
En zijn schier koninklijke hertogdommen
In luisterrijken glans en hoogheid heerschen,
Of in een need’rige urne dit gebeente
Doen rusten, zonder praalgesteente of opschrift;
Englands geschied’nis zal met donderstem
Van onze daden spreken, of ons graf
Zij als een Turksche stomme tongeloos,
Geen naam, zelfs niet in was gegrift, vermeldend.
(De Fransche Gezanten komen op.)
Wij zijn bereid de boodschap aan te hooren
Van den dauphijn, onze’ eed’len neef; van hem toch,
Zoo hoorden we, is uw groet, niet van den koning.
Eerste Gezant.
Wil uwe hoogheid ons goedgunstig toestaan
Vrij uit, wat ons gelast werd, hier te ontvouwen;
Of zullen wij, wat de dauphijn ons opdroeg,
Verschoonend, als van verre, scheem’rig, toonen?
Koning Hendrik.
Geen dwingland zijn wij, maar een christenkoning,
Wiens heilig ambt zijn gramschap zoo beheerscht,
Als onze kerkers onze schurken kluist’ren;
Daarom meldt vrij, in onverwrongen waarheid,
Wat de dauphijn bedoelt. 245
Eerste Gezant.
Wat de dauphijn bedoelt. 245 In ’t kort dan, dit:
Uw hoogheid eischte zeek’re hertogdommen
Onlangs van Frankrijk, naar het recht, dat u
Edward de derde, uw groote voorzaat, naliet.
Op dien eisch antwoordt onze heer, de prins,
Dat gij te zeer nog smaakt naar uwe jeugd,
En brengt u onder ’t oog, dat niets in Frankrijk
Met lustige gaillarden zich laat winnen,
Geen hertogdom daar in te zwelgen is.
Dies zendt hij u, als voor uw aard geschikter,
Dit vat vol schatten en begeert daarvoor,
Dat die verlangde hertogdommen niets
Van u meer hooren. Zoo spreekt de dauphijn.
Koning Hendrik.
Wat zijn ’t voor schatten, oom?
Exeter
(op den inhoud van het inmiddels geopend vat wijzend).
Wat zijn ’t voor schatten, oom? Kaatsballen, heer.
Koning Hendrik.
’t Verheugt ons, dat de prins zoo met ons schertst.
Hebt dank voor zijn geschenk en uwe moeite!
Als we ons palet met deze ballen paren,
Dan spelen we, als God wil, een spel in Frankrijk,
Dat in de baan de kroon zijns vaders rolt.
Een tegenspeler heeft hij uitgedaagd,
Die al uw Fransche banen zal doen rillen
Door slag op slag. En wij verstaan hem goed,
Hoe hij ons onze wilde dagen voorhoudt,
Niet radend van wat nut ze ons zijn geweest.
Nooit hebben we Englands armen troon geschat;
En daarom, dien ontwijkend, gaven we ons
Aan grove woestheid over, juist zooals men
Vaak menschen buitenshuis het vroolijkst ziet.
Doch meldt aan den dauphijn, dat ik mijn rang
Handhaven zal, een echte koning zijn,
En alle zeilen mijner grootheid hijschen,
Als ik mij op mijn troon van Frankrijk plaats.
Daartoe legde ik mijn waardigheid ter zij
En ploeterde als een werkman in de week,
Maar ginds verrijs ik in zoo heldren luister,
Dat ik heel Frankrijks oogen zal verbijst’ren,
Ja, uw dauphijn bij ’t zien met blindheid slaan.
En zegt dien jool’gen prins, dat deze spot
Van elken bal een steenen kogel maakt,
En dat die schrikb’re wraak, die met hen vliegt,
Zijn ziel bezwaren zal, want deze spot
Spot duizend weeuwen hare gaden weg,
Spot moeders zonen weg, spot burchten neer;
En menig thans nog ongeboren zoon
Vloekt eenmaal des dauphijns vermeet’len hoon.
Doch dit berust nog in de hand van God,
Op wien ik mij beroep; zegt den dauphijn
In Zijn naam, dat ik kom, om mij te wreken
Zoo goed ik kan, en mijn gerechten arm
Denk op te heffen voor een heil’ge zaak.
Gaat thans in vrede heen, en zegt den prins,
Dat elk zijn scherts een laffe scherts zal achten,
Als duizenden meer weenen, dan er lachten.—
Bezorgt hun vrijgeleide.—Vaart gij wel!
(De Gezanten af.)
Exeter.
Dat was een fraaie boodschap.
Koning Hendrik.
Wij hebben hoop, den zender te doen blozen.
Daarom, mylords, verzuimt geen gunstig uur,
Dat tot bevord’ring van den tocht kan strekken;
Want geen gedachte is thans in ons dan Frankrijk;
Slechts die aan God gaat aan ons werk nog voor.
Dat daarom onze midd’len voor den oorlog
Ras saamgebracht zijn, alles welbedacht,
Wat met bezonnen spoed aan onze vleugels
Meer veed’ren schenken kan. Want, helpt ons God,
Dan boet de prins, voor ’s vaders hof, zijn spot.
Dies spore een elk zijn geest tot denken aan,
Hoe wij dit edel werk het best bestaan!
(Allen af.)