← Table of contents
Karl Marx en zijne voorgangers

De Socialistische Utopisten. (continued 2)

Reading edition

„Maatschappijen zoo goed als individuen gaan ten gronde,” zegt Fourier, „wanneer zij zich aan den woekeraars overgeven en het is een feit van onze eeuw, van leening naar leening te hollen.”

Fourier begeeft zich hiermede in een critiek der staatsleeningen. Opdat een Staat door de geldmachten beheerscht, economisch en finantieel kan worden uitgebuit en uitgeplunderd, moet men hem tot het sluiten van leeningen verleiden. Maar met élke nieuwe leening wordt hem den strik vaster om den hals gedraaid, evenals dit met den privaten persoon het geval is. De staatsmacht, zegt Fourier, wordt zoodoende ten slotte een werktuig in de handen der groote finantieele machten, die méér dan de ministers den gang van zaken beheerschen en leiden; wetten decreteeren, oorlogen voeren of verhinderen, al naar hun belang dat medebrengt. En opdat de Staatsmachine naar wensch ga, de regeering ten allen tijde door de contrôle hare afhankelijke positie bewust zij; opdat verder de nodige bronnen van inkomsten in den vorm van belastingen van allerlei aard tot rente-betaling en schulddelging aanwezig zullen zijn, heeft men het vertegenwoordigend stelsel noodig, door middel waarvan de hooge persoonaadjes, die de touwtjes der finantieën in handen hebben, den hun nog ontbrekenden invloed op de gansche wetgeving en het staatsbestuur erlangen, en den Staat tevens tot hunne melkkoe maken.

Onder de permanente euvelen van zijnen tijd, rekende Fourier de heerschappij van de philosophen, die niet willen dat het volk tot de erkenning zal komen van zijn oorspronkelijk recht en het recht zal eischen, dat het bezit op een bestaansminimum, wat het alleen maar gegarandeerd kan worden, onder het stelsel van de industrieele aantrekking.

De maatschappij is overvuld van armen, hare gebreken laten zich samenvatten in 12 hoofdpunten: 1e Eene minderheid, de heerschende, bewapent slaven, die eene meerderheid, ongewapende slaven, in toom hoopt. 2e Gebrek aan solidariteit der menigte en daardoor een ongedwongen egoïsme. 3e Dubbelzinnigheid aller handelingen in de samenleving en hare sociale elementen. 4e Inwendige strijd van de menschen onderling. 5e Het onverstand tot principe verheven. 6e In de politiek wordt de uitzondering als grondslag van den regel. 7e Het hardnekkigste en taaiste genie wordt kleinmoedig gemaakt. 8e Ongedwongen begeestering voor het slechte. 9e voortdurende verergering, terwijl men gelooft verbetering aan te brengen. 10e Alzijdig ongeluk voor de groote massa. 11e Het ontbreken van een wetenschappelijke oppositie tegen de heerschende theorie. 12e Verslechtering der klimaten. Het laatste door de verminking van de wouden en de daaruit voortkomende uitdroging van de bronnen, hetgeen volgens Fourier, noodzakelijk tegen het einde der eeuw, tot excessen van het klimaat zal moeten leiden.

„De handel,” zegt Fourier verder, „is het zwakke punt der civilisatie, het punt waarbij men haar moet aantasten. In het geheim wordt de handel, zoowel door de regeeringen, als door de volkeren gehaat. De rechtschapen bezitter begrijpt niet eens de middelen, waardoor deze agioteuren zich weten te verrijken. De economisten evenwel, slingeren hunne anathema’s naar de hoofden van allen, die deze grootaardigheid van den handel verdacht willen maken. Welke schoone phrazes zijn er niet tot mode geworden, ter hàrer verheerlijking?”

Fourier, die er van hield alles te ordenen en te klassificeeren, doet zulks ook ten opzichte van het bankroet. De ware aard van het bankroet te leeren kennen, hiertoe deden de philosophen, volgens hem, al even weinig moeite, als zij dit deden, tot het leeren kennen van de waren aard van den handel en van den woeker.

Napoleon I had gelijk, toen hij zeide, dat men het eigenlijke wezen van den handel niet kent. Napoleon was bang geworden, door de ervaring die hij opgedaan had, dat elke schade die men den handel toebracht, door deze weder afgewenteld werd op de lagere en arbeidende klassen. Zoodra de handel bedreigd wordt, trekt hij de kapitalen terug, zaait hij wantrouwen, belemmert hij de circulatie. De handel is als den egel, die men nergens aanvatten kan, zonder dat men zich zelf steekt.

Fourier meende dat er een overgangsstand moet worden geschapen, die de civilisatie in den kortst mogelijken tijd kon leiden naar een hoogere ontwikkelings-phaze en die hij overal, naar wij zagen die der harmonie noemt. Een stelsel dat in de eerste plaats den handel van zijnen troon moet stooten.

Hij stelt voor, dat de regeering zich van de banken, zoowel als van den handel meester maakt. Dit kan geschieden langs tweeërlei wegen. Een bruske en een zacht dwingende; een concurreerende en een ondergravende. Ook zijn beide methoden te vereenigen.

Hij veronderstelt dat er een koning bestond van het vaste en niets ontziende karakter van een Mahmud II (Sultan van 1808 tot 1839), die aan dwangmaatregelen in dezen de voorkeur geeft. Deze zal de geheele arme klasse, welke niets bezit, vereenigen en staatshoeven organiseeren. Men kan rekenen, dat het aantal van hen die geheel zonder middelen zijn, ongeveer een tiende van de bevolking bedraagt en op elke vierhonderd familiën veertig arme familieën wonen. Elke 200 personen vormen dan een staatshoeve, die hare noodzakelijke gebouwen, stallen, vee, grond, werktuigen enz. bevat. Dit aantal is groot genoeg, om een doelmatig en niet kostbaar bestuur, afwisselenden arbeid en een lucratieve opbrengst te verzekeren. Deze staatshoeven moeten zich dan aansluiten bij de industrie, het instituut van het gefixeerde ondernemerschap van private personen, die van jaar tot jaar toegelaten zullen worden, onder voorwaarde, dat zij van jaar tot jaar progressief stijgende retributieën aan den Staat hebben te betalen. Een maatregel, zegt Fourier, die twee werkingen hebben zal. Ten eerste: den Staat hooge inkomsten te bezorgen, ten tweede: den onbemiddelden het ondernemerschap onmogelijk te maken of hen zal dwingen, het op te geven. De aldus vrijkomende bevolking wordt daardoor naar de staatshoeven gedrongen; de inkomende belastingen moeten evenwel, nevens tot de dekking der staatsuitgaven, aangewend worden tot delging der staatsschulden. Fourier stelt voorop, dat deze inkomsten ten slotte zeer hoog zullen worden en een belangrijk deel van de ondernemerswinst absorbeeren zullen, zoodat het private-ondernemerschap alsdan onmogelijk zal worden en er een toestand zal worden geschapen gelijk die noodig is, om tot de phaze van de „harmonie” te komen, welk Fourier beschouwt de hoogste vervolkomening en de vervolmaking van het menschelijke leven op aarde te zijn.

Fourier stierf te Parijs den 10en Oktober 1837. Op zijn grafsteen staat gebeiteld: „Hier liggen de overblijfselen van Charles Fourier. De serie verdeelt de harmonieën. De attracties staan in verhouding tot de bepalingen.”

Tot Fourier’s meest bekende en meest ijverige scholieren behoorden: Victor Considérant, een voormalig genie-officier, die het hoofdwerk der Fouriersche school: „Destinée sociale, exposition élémentaire complète de la theorie sociétaire” vervaardigde.

Hij vestigde na veel moeite een phalanstère te Texas „La Reunion” genaamd, die echter in 1869 te niet ging.

Ook andere pogingen tot het oprichten van dergelijke phalanstères, n. l. in 1832, nog tijdens Fourier’s leven, door Baudet-Dulary in het leven geroepen en een in Citeaux bij Dijon, met de finantieele hulp van den engelschman Arthur Young; ook een in Algerije, allen mislukten eveneens na korter of langer tijd.

Tegelijkertijd met de Saint-Simon en ook met Fourier, werkte en streed er in Engeland een man, die minder dan de twee eersten, in geschriften zijn denkbeelden had uiteengezet, maar meer een man was van de daad. Die man was Robert Owen.

Robert Owen

werd den 14de Mei 1771 te Newtown, een landstadje in Montgomeryshire (Wales) in Engeland, geboren, waar zijn vader winkelier en posthuishouder was. Zijn moeder stamde uit een geachte pachtersfamilie. Robert was de jongste van zeven kinderen.

Na in het stadje zijner inwoning de school te hebben doorloopen, kwam hij bij een koopman in Stanford in de leer, een zekere Mac Guffog, die zich-zelf in zaken er bovenòp had gewerkt. De jonge Owen bleef hier vier jaren en benuttigde zijnen vrijen tijd met lezen en studeeren. Elke minuut die hij van de zaken af kon nemen, wijdde hij aan de studie der mathematiek, de natuurwetenschappen en der geschiedenis. Ook hield hij zich met godsdienstige studiën niet onledig en werd hij al spoedig een twijfelaar in theologische aangelegenheden.

In ’t jaar 1795 ging Robert Owen naar Londen met aanbevelingen van zijn patroon, die hem ongaarne van zich vertrekken zag. Hij vond hier een betrekking voor 25 L. S. (300 gulden) jaarlijksch, voor een knaap van 14 jaar, eene gunstige positie in die dagen. Vandaar ging hij in betrekking in Manchester, eene positie die hem 15 L. St. per jaar méér opleverde. Minder noch om het salaris, dan wel om eene andere reden, nam hij de hem aangeboden nieuwe positie aan. De katoenindustrie had in die dagen reuzenschreden gemaakt en hare hoofdzetel was Manchester.

Het was overigens een geweldigen tijd. Eene machtige sociale revolutie voltrok zich in Engeland. Terwijl in Frankrijk de politieke revoluties als het ware over elkander vielen, vond er in het geheim, zonder dat het iemand zag of kon zien, een revolutie in de maatschappelijke verhoudingen in Engeland plaats, die bewerkstelligd werd door den stoom en de stoommachine. Watt had de stoommachine, Arkwright had de spinmachine en Cartwright had de stoomweefstoel uitgevonden. De kleinproductie ging haren ondergang tegemoet en de handspinmachine en de handweefstoel, zij moesten het afleggen tegen den met stoom gedreven industrie van de groote fabrieken. De in ’t raam van de kleinproductie passende verhoudingen, deugden niet meer. Een zee van ontketende „vrije concurrentie”—het hoofdleerstuk der staathuishoudkunde van den econoom Adam Smith—was nu de industrieele maatschappij geworden. De golven sloegen al hooger en hooger, en wie niet met goed uitgeruste schepen kwam, ging onder. De machinekrachten ontketenden den strijd van „allen tegen allen”, een eeuw vroeger door den philosoof en staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes zoozeer voorzien.

Niet alleen mannen, ook vrouwen en kinderen togen bij massa’s naar die groote fabrieken met hunne rookende schoorsteenen, hunne stampende en ratelende machines. De groot-industrie begon haar hoogtijd te vieren in Engeland, het eerste land dat daarvoor rijp was.

Robert Owen zag dat alles, maar hij zag ook tegelijkertijd, dat de groot-industrie de produktie op geweldige manier deed toenemen. Hij zag zoowel voor- als nadeelen van het nieuwe stelsel. En meer dan iemand van zijnen tijd, heeft hij het ook begrepen. De jonge man peinsde op middelen, zon op een stelsel om de voordeelen te behouden, maar de nadeelen zooveel mogelijk te neutraliseeren.

Hij wilde aanstonds katoenfabrikant worden, want hij was inmiddels in bijna alle geheimenissen van dat vak doorgedrongen. Maar toen hem intusschen in 1789 een mechanikus met name Jones, dien hij had leeren kennen, den voorslag deed, om met hem gezamenlijk een fabriek op te richten, tot vervaardiging van nieuwe machines voor katoenfabrikatie, greep hij dit denkbeeld aan en zeide zijne betrekking op. Hij werd machinefabrikant met een kapitaal van 200 pd. sterling, dat hij van zijn broeder in Londen had geleend. Jones evenwel betoonde zich ongeschikt, en hij wilde ook geenerlei raad aannemen en in dat geval hield Owen het voor geraden zijn deelhebberschap aan een kapitalist te verkoopen en uit de zaak te treden, om tot zijn oorspronkelijk beroep terug te keeren. Voor het ontvangen geld, richtte hij een gehuurd fabrieksgebouw in, dat hij voor het grootste gedeelte aan anderen onderverhuurde en stelde, in de hem overblijvende ruimte een paar spinmachines op. De ervaringen die hij in zijn korten loopbaan als machinefabrikant had opgedaan, kwamen hem nu voortreffelijk te stade en in korten tijd had hij zich een goede cliëntèle verschaft. Alleen het gebrek aan kapitaal, hinderde hem bij elken stap, dien hij wilde doen. Tot dat men hem op zekeren dag mededeelde, dat een zekere heer Drinkinwater, een rijke katoenfabrikant, wiens ouden chef hem plotseling had verlaten, een nieuwen chef zocht. Owen nam een snel besluit en bood zich aan. De heer Drinkinwater nam aanvankelijk den nog geen twintigjarigen jongeling, die zich vermat aan het hoofd te willen komen van eene der grootste katoenfabrieken van toenmaals in Engeland, eens op. En met een blik waarin verbazing, zoowel als geringschatting lag, zeide hij tot Owen: „U is mij te jong!”—„Voor vier of vijf jaren was ik het wel,” antwoordde de jonge Robert.—Nog grooter verbazing bij den heer Drinkinwater; hij dacht voor het lapje te worden gehouden. „Hoeveel malen per week bedrinkt u je wel?” vroeg hij.—„Ik was nog nooit in mijn leven beschonken,” antwoordde Owen heel droog.—„Hoeveel salaris vraagt ge?” begon na een korte pauze den fabrikant. „Driehonderd pond sterling!” was wederom het korte antwoord van Owen. Het bleek dat zijn manier van antwoorden, den grooten fabrikant zoozeer imponeerde, dat hij informaties inwon, en het resultaat was dat Owen de betrekking kreeg.

Dit was in ’t jaar 1791, toen de fransche Revolutie op haar hoogste punt was gekomen. De jonge Owen had voor politieke kwesties een niet zeer levendige belangstelling. Of de gebeurtenissen in Frankrijk een grooten indruk op hem gemaakt hebben, is niet gebleken. Praktische vragen, vraagstukken die in onmiddellijk verband stonden met het leven, hadden evenwel zoo veel te meer steeds zijne groote belangstelling bezig gehouden.

De heer Drinkinwater had geen reden om zijn besluit te betreuren. De jonge Owen bracht weldra orde in het bedrijf en vervolkomende de machinerie dermate, dat de fabriek binnen korten tijd, gelijk erkend werd, het beste en fijnste spinwerk van Engeland leverde. Daarbij kwam, dat de arbeiders goed werden betaald en humaan werden behandeld. Nadat een jaar verstreken was, wilde de heer Drinkinwater dan ook van geen veranderen meer weten; hij verhoogde ten dien einde dadelijk Owen’s salaris tot op 400 pd. st. en verplichtte zich, om, na het derde jaar dat Owen in zijn dienst zou blijven op een salaris van 500 pd. st., hij hem als deelgenoot in de zaak zou opnemen.

Voor dat het contrakt tot stand kwam, verliet Owen de zaak, om eene, naar hij later zelf toegaf, door hem verkeerd opgevatte handelwijze des heeren Drinkinwater en richtte in Manchester eene eigene spinnerij op, echter een voor zulk soort garens, die niet in de fabriek des heeren Drinkinwater vervaardigd werden, ten einde dezen geen schade te doen. De onderneming gelukte en Robert Owen werd wat men noemt een „gemaakt man”, door andere fabrikanten met jaloerschheid aangezien; bewonderd als man van zaken en uitgekreten als een zonderling, omdat hij absoluut geen vermaak vond in de gezellige omgang dier heeren, die hun geld en hunnen tijd doodsloegen, terwijl hij zijnen vrijen tijd doorbracht in litterarisch en philosophisch gezelschap; slechts met menschen willende verkeeren, waarvan hij meende iets te kunnen leeren. Hij stelde er meer een eer in, om te gaan met mannen als: Coleridge, de dichter, Dalton, de scheikundige en Fulton, de uitvinder van het eerste stoomschip, welke laatste hij vooral met beduidende geldsommen steunde.

En als Owen wel eens in het gezelschap was van zijne collega’s de fabrikanten, dan had hij zulke verschrikkelijke plannen op te stellen en ideën te verkondigen, dat het er den anderen koud van werd.

Deze denkbeelden echter liet daarom Owen niet varen, in tegendeel, zij trokken hem juist aan. Wij zijn hier aangeland bij het keerpunt in Robert Owen’s leven, daar waar hij van een privaat-ondernemer, een historische beteekenis krijgt als sociaal hervormer.

Tegen het einde der 18e eeuw kwam Owen, op een handelsreis zijnde, te New-Lanark in Schotland aan. Daar leerde hij een zekere heer Dale kennen, den eigenaar van een aantal fabrieksinrichtingen aldaar. De kennis met den vader, leidde tot kennismaking met de dochter; de kennismaking leidde tot liefde en Owen werd met den vriend, ook den schoonzoon van den heer Dale en alras den medeeigenaar van de fabrieken te New-Lanark. In 1800 nam hij de leiding van de gezamenlijke fabrieken aldaar, bekend onder den naam van „New-Lanark Mills” over, met inbegrip van alle daarbij behoorende établisementen.

De fabriek van den heer Dale was door hem en Richard Arkwright, de beroemde uitvinder van de spinmachine, in 1784 opgericht geworden, toen de katoenspinnerij in Schotland het eerst werd ingevoerd. De voordeelen, die de waterkracht van de Clyde aanboden, had de keuze bepaald van deze plaats, die overigens niets aantrekkelijks had. Het land rond er om heen was onbebouwd; de inwoners dun gezaaid en zeer ruw, bijna wild; de wegen zoo slecht dat zelfs de hartstochtelijkste liefhebbers van natuurschoon het niet licht wagen dorsten tot deze oorden aan de Clyde-watervallen, al te diep door te dringen. Men moest „handen” hebben voor de fabriek, geen gemakkelijk iets, daar de bevolking van de plaats geen bijzondere trek had in het werken in gesloten ruimten. Kinderen voor den fabrieksarbeid waren er in ’t geheel niet te krijgen. Men moest zich dus wenden tot de „werkhuizen” in het Engeland van die dagen, niet ten onrechte de „Bastilles van den armen” genoemd, ten einde kinderkrachten te bekomen. En had zoodoende 500 kinderen bij elkander gekregen, meest uit Edinburgh, die in een daarvoor gebouwd groot huis tezamen werden gebracht, om gekleed, gevoed en opgevoed te worden.

Ter aanlokking van arbeiders uit andere oorden, bouwde men een dorp om de fabriek en verhuurde de huizen tegen een lagen prijs. Maar de arbeid was er zóó impopulair, dat men bijna geen arbeiders kon krijgen, anders dan verworden menschen en werkeloozen; van alle middelen ontbloote individuen; menschen die over het algemeen, zedelijk zeer laag en voor den arbeid bijna onbruikbaar waren, kortom het uitschot van de armen. En niet zoodra hadden dezen door eenigen tijd te arbeiden er geheel den slag van gekregen of zij werden weerspannig en onhandelbaar.

Voor de kinderen was naar de toenmaals heerschende begrippen, vrij goed gezorgd. De lokaliteit waar zij gehuisvest waren, was ruim, de kamers vrij goed, de kost en de kleeding voldoende. Ook was er voor voldoende geneeskundige hulp en verzorging, goed onderwijs en behoorlijk toezicht zorg gedragen. De armenvoogden echter, verlangden dat de kinderen reeds op 6-jarigen leeftijd zouden opgenomen worden. De kinderen moesten dus van des morgens 6 tot des avonds 7 uur werken met de grooten tezamen en daarna eerst, konde men hen onderwijs geven. De gevolgen daarvan bleven niet uit; de kinderen liepen weg als zij eenigszins daartoe in staat waren, om naar Glasgow en Edinburgh te gaan en daar dan dikwijls hunnen ondergang te vinden. Maar alles was hen liever dan 13 uren per dag te werken onder menschen, zooals het arbeidspersoneel van den heer Dale was.

Owen spreekt den heer Dale vrij van schuld; niet zijn wil was het, dat de kinderen reeds met hun zesde jaar aan de spinmachine moesten staan, zegt hij, maar die van het Armentoezicht, dat tot elken prijs natuurlijk, van de arme, verlaten, ongelukkige kinderen af wilde zijn.

En wat de toestanden aangaat, zegt hij: „als deze nu zoo waren bij goede werkgevers als den heer Dale, kan men nagaan hoe het er moet hebben uitgezien bij de slechten.”

De toestand van de dorpelingen van New-Lanark was dan ook eene hoogst ongunstige. Drankzucht, luiheid en armoede waren er heer en meester. Stelen was er aan de orde van den dag en in ’t bijzonder scheen het een formeel recht te zijn, zich aan den eigendom van den heer Dale te mogen vergrijpen. Ook heerschte er een godsdienstig sekte-fanatisme van de allerergste soort. De eene groep van een zeker soort geloovigen verketterde den andere, en dit werd er niet beter op, doordien den heer Dale zelve partij koos voor eene der vele secte-gelooven.

Nog een groot euvel was er, doordien de menschen van New-Lanark, tengevolge van den grooten afstand van de marktplaatsen veel te dure prijzen moesten betalen voor hunne levensmiddelen, hetgeen, naar te begrijpen was onder hen een even groote bron van ontevredenheid, als het voor den diefstal van andermans eigendom, een groote prikkel was.

Het geheel evenwel scheen, met al zijn euvelen en al zijn ellende een terrein te zijn, alwaar iemand als Robert Owen zich op tehuis gevoelen kon. Dadelijk overzag hij het geheel en besloot hij onmiddellijk de zaak radikaal aan te pakken. Hij ondernam een grondige hervorming. De enorme moeielijkheden die hij hierbij ondervond verhoogden zijnen ijver slechts. Hij deed als een wetenschappelijk ontdekker, die hoe moeielijker de taak, dien hij zich gekozen had werd, met te meer lust aan de nieuwe studie ging, wetende zijn doel toch te zullen bereiken. Hij verklaarde zijnen vrienden, dat hij zou inwijden een geheel nieuw systeem, dat geheel gebaseerd zal zijn op gerechtigheid en goedheid, dat hij zijn hoofdoogmerk zoû wijden aan de opvoeding van de kinderen, en alle straffen zoû afschaffen en zou weten te vervangen door moreele middelen. Men lachte hem uit; maar de lachers werden hier wel zeer beschaamd gemaakt.

Owen toog aan den arbeid. „Onwetendheid,” schrijft Owen’s biograaf Sargent, „immoraliteit, godsdienstige huichelarij, overmatige arbeidstijd, verduurdering van levensmiddelen, en om op dit alles den kroon te zetten, een hardnekkig vooroordeel dat men het tegen Owen „den Engelschman,” wiens spraak den schotschen hoog- en laaglanders bijna niet verstonden, dat alles stond hem in den weg. Hierbij kwam nog, dat de andere deelnemers hoofdzakelijk het oog hadden gevestigd op de winsten, die er te maken vielen en alles van een zakenstandpunt bekeken.”

De arbeiders wantrouwden de geheele zaak eveneens. Zij immers waren zoozeer gewend te worden geëxploiteerd, dat zij onmiddellijk achter elke vernieuwing van de dingen, eene poging zagen, om meer uit hunne arbeidskracht te halen. Geen wonder dus, dat er in de eerste twee jaren slechts weinig was volbracht. „Er was geen middel,” schrijft Owen zelf, „dat er niet tegen mij werd gebruikt; en de vesting van vooroordeelen en misbruiken die te veroveren was, en wier verovering ik mij vast voorgenomen had, werd dan ook systematisch en op hardnekkige wijze tegen mij verdedigd.”

Owen was echter te verstandig om met geweld te werk te gaan.

Hij zag in, dat de noodzakelijkste veranderingen zeer talrijk waren en niet in één handomdraaien gedaan waren te krijgen, temeer, daar hij van geen enkele zijde op medewerking te rekenen had. De beambten der fabriek zagen in hun patroon een phantast, die de zaak te gronde zou richten met zijne plannen en zij verklaarden liever hunne plaatsen aan de fabriek te zullen verlaten, dan zich te zullen leenen tot zulke belachelijke dingen, als Owen die met de fabriek voorhad. Hij moest zich dus voor alles een vasten bodem onder de voeten scheppen, waarop hij het gebouw zijner wenschen moest vestigen. Maar dit niet alleen, hij moest zich ook het noodige bouwmateriaal zelf verschaffen. Het voornaamste was in dat opzicht, mannen te krijgen, die hem bij zijnen arbeid ondersteunen konden en genoeg vertrouwen in zijn zaak hadden. Dat was niet gemakkelijk, maar gegeven de uitmuntende takt die Owen bezat om met menschen om te gaan, om uit ieder te halen wat erin zat, was deze moeielijkheid geene onoverkomelijke. Hij vond dan ook wel de noodige krachten.

En nu ging hij met onvermoeiden ijver aan den gang tot het volbrengen van zijne tweeledige taak: verbetering van het lot der volwassenen en de opvoeding der kinderen.

Het was vóór alles noodig, in de fabriek-zelf eene zekere orde te herstellen, omdat het gebrek aan systeem en de wanorde die er heerschten, werkelijk de fabriek met een bankroet bedreigden, zelfs onder het oude regime. Repressie-maatregelen, daaraan dacht Owen niet. Wat zou het hem baten, een paar dozijn „handen” in het tuchthuis en enkelen aan den galg te brengen? Daarmede waren noch de fabriek, noch de menschen zelf gebaat, noch hadden Owen’s plannen, die hij met de menschen voor had, daarbij maar eenigszins een voordeel gehad.

Owen geloofde niet aan wat men den „persoonlijken schuld” noemde, daarvoor had hij een te diep inzicht in de omstandigheden, waaronder die menschen van New-Lanark leefden en wat dezen van hen hadden gemaakt. Owen zag dus van elk soort van bestraffing af. Hij zocht het mistrouwen der werklieden op verstandsgronden te overwinnen, door beleering hen de dingen te verklaren en door hen louter en steeds op hun belang te wijzen, dat hen gebood eerlijk en arbeidzaam te zijn. Ten einde de dieverijen op de fabriek tegen te gaan, trof hij zeer vernuftige maatregelen, welke de ontdekking van de misdrijven zeer verlichten en, als ’t ware, het politietoezicht in de handen der arbeiders zelven legde.

Het was Owen’s doel geenszins een modelfabriek te stichten, hem was de sociale zijde van de hervormingen veel meer aangelegen, dan aan de mercantiele zijde van het vraagstuk. Maar het ging bij hem hierom, een modelsamenleving op kleine schaal in te richten.

De fabriek was Owen slechts middel tot dat doel. Door haar zocht hij zijn hervormingsplannen te verwezenlijken, die met de vooruitgang in de praktijk van den dag, telkens grootere afmetingen begonnen aan te nemen.

De inrichtingen van New-Lanark waren Owen’s proefstation voor sociale hervormingen. Door deze maatschappij-in-het-klein wilde hij der maatschappij in het groot, een bewijs leveren van de juistheid en de uitvoerbaarheid van zijne sociale hervormingsplannen. Door deze wilde hij beproeven, praktisch de argumenten te weêrleggen van hen, die zijn plannen misschien in theorie prachtig, maar in de praktijk voor onuitvoerbaar verklaarden.

Het duurde niet lang of te New-Lanark was er zóóveel verbeterd, dat de spotters en de lachers, althans niet meer zoo luide lachten en de twijfelaars tot nadenken gestemd werden. Het stelen hield op, zonder dat er één arbeider gerechtelijk vervolgd was geworden. En het optreden en de manier-van-doen van de arbeiders, niet alleen binnen, maar ook buiten de fabriek, was geheel anders geworden. Dronkenschap werd steeds minder en dat, zonder dat men de drankwinkels in het dorp had doen sluiten, wat men Owen aangeraden had. Owen was persoonlijk geen vijand zoozeer van het alkoholgebruik als zoodanig, maar beschouwde het drinken en wel, het zich bedrinken, in verband met de maatschappelijke omstandigheden der arbeiders. Hij vroeg zich af, hoe het kwam, dat de menschen zulk een misbruik maakten van den alkohol en kreeg allereerst de overtuiging, dat dit voortsproot uit gebrek aan phijsiek voedsel, dat den menschen dwong, kunstmatige prikkels tot zich te nemen.

Ten tweede ontbrak het den menschen aan een goed en behoorlijk „tehuis,” aan een behoorlijk en gezellig familieleven, waardoor zij zich in de kroeg meer thuis gevoelden, dan in hunne eigene woning. Ten derde kwam het, omdat de menschen geestelijk op een te laag standpunt stonden en verwaarloosd waren. De meesten van zijn fabriekarbeiders konden niet eens lezen! Het was dus geen wonder, dat zij geen denkbeeld hadden van hooger levensgenot en van geestelijk leven, eene der beproefdste middelen, om de menschen uit de kroeg te houden.

Owen ging planmatig te werk. Hij onderdrukte het „Trucksysteem,” hetwelk, zooals overal in Groot-Brittanje, ook in New-Lanark in zwang was, en de arbeiders waren aldus niet meer gedwongen hunne levensmiddelen te koopen waar die duurder en slechter waren, dan overal elders. In plaats daarvan stichtte Owen eene coöperatie, de eerste die bestaan heeft en zeker niet de minst slechte. Hij kocht waren van de allereerste kwaliteit in het groot en deed ze aan de arbeiders die ze koopen wilden—gedwongen was men niet—tegen den kostenden prijs van de hand. Alleen de kosten van beheer werden hen in rekening gebracht. Het gevolg was, dat weldra alle arbeiders deelnamen en dat de bevolking van New-Lanark binnen vrij korten tijd, tot de bestgevoede en de bestgekleede van Engelands arbeidersbevolking behoorde. Voor de ongehuwden werd een kost- of eethuis opgericht, eveneens op coöperatieven grondslag, waarin voor hunne voeding en hunne kleeding den meesten zorg werd gedragen.

Owen liet vervolgens de slechte woningen afbreken en liet er „Cottages” bouwen van zijne eigene vinding en naar zijne eigene aanwijzingen, met ruime lustige woon- en slaapkamers, een praktische keuken erbij en tevens een stukje tuingrond eraan verbonden, om groenten, ooft en bloemen te kweeken. Voor de kinderen werden bovendien speelplaatsen opgericht. De nieuwe woningen, met de daarbij behoorende tuintjes werden voor een lagen prijs verhuurd, zoodat niet meer dan de rente van het kapitaal in rekening gebracht werd, die opgebracht moest worden. Niet lang daarna verlieten alle arbeiders hunne ellendige krotten, om de woningen van de fabriek binnen te trekken.

Een moeielijker werk leverde de geestelijke verheffing van de arbeiders op. Hier moest tegelijkertijd, van twee kanten uit worden begonnen. Met bloote opvoeding van de kinderen was men alleen niet klaar, ook de reeds opgegroeide generatie mocht niet onverzorgd gelaten worden. Voor de jeugd was een groote school opgericht die binnen korten tijd, onder de persoonlijke leiding van Owen, tot een modelschool werd. Geschikte leeraren en leeraressen werden gevormd en aan de school verbonden; het slaan was streng verboden. De kinderen werden er onderwezen in lezen en schrijven, in mathematiek, in geschiedenis, geographie en meer praktische vakken.

Voor volwassenen werden aparte onderwijsklassen opgericht, leeszalen en een bibliotheek gesticht en in weerwil dat voor de deelname aan alle deze dingen geen dwang was ingevoerd, was de deelname weldra zoo algemeen, dat na eenigen tijd New-Lanark, behalve den grijsaards geen inwoner meer had, die niet ter dege kon lezen en schrijven. Het intellektueele peil der bevolking rees dan ook zeer schielijk en kwam zeker boven het doorsneêpeil van de fabrieksplaatsen, in het Engeland dier dagen te staan.

In de fabriek werd de behandeling eveneens op veel humaner en praktischer manier ingericht, dan dit voorheen het geval was. Straffen waren principieel verboden. Goede loonen werden betaald en Owen wist de menschen het snel duidelijk te maken dat, hoe beter zij arbeidden, des te meer dan hunne loonen zouden stijgen, en dat dan ook zooveel te meer zoude gezorgd kunnen worden, voor hunne moreele en materieele verheffing. Hij maakte er voor de menschen geen geheim uit, dat ook dan de eigenaren van de fabriek daar beter bij zouden varen. Maar door te wijzen op hetgeen hij had gedaan, en op hetgeen hij voornemens was daarenboven te doen, kon hij met een goed geweten verklaren, dat voor hem de fabriek geen doel, maar een middel was, om tot de oplossing te komen van het problema, de arbeid die tot dusver voor den arbeiders een vloek geweest, voor hen in een zegen te doen veranderen.

En de eenige dwang, welke hij uitgeoefend had, was eene moreele, n.l., de dwang van de publieke opinie.

Ten einde, om zoo te zeggen, een soort gerecht onder de arbeiders, uit de arbeiders zelven te verkrijgen, voerde Owen den „Silent Monitor” („stille vermaner”) in. Hij liet voor elken arbeider vier borden maken, van verschillende kleur: een wit, een blauw, een geel en een zwart. De eerste was goed, de tweede tamelijk goed, de derde middelmatig en de laatste onvoldoende. Al naar het werk van de week uitviel, liet Owen een der vier borden naast den arbeider neerhangen, op den Maandag waarop het werk aanving, zoodat dan elkeen kon oordeelen over eens anders arbeid en gedrag. Deze borden hadden bovendien nog dit voor, dat de arbeiders die hunnen plicht niet gedaan hadden, geen standjes kregen, maar zelven zien konden hoe men over hun werk dacht. Owen controleerde zelf deze borden steeds en zorgde voor de meest stipte gerechtigheid bij hunne verdeeling.

Owen ging misschien hier wat schoolmeesterachtig te werk, maar het was hem liever aldus te handelen, dan eene heerschappij van de fabrieksopzichters langer te handhaven. Hij wilde den arbeiders dan ook niet anders opvoeden dan met moreele middelen, als een werkelijk pedagoog.

In New-Lanark, werd door Owen in ’t jaar 1809 de eerste kleine-kinderenbewaarplaats en kleine-kinderenschool opgericht die er tot dusver bestond, en alle scholen van dit soort waren geschoeid op de leest van Robert Owen’s eerste stichting van dien aard.

In een rede door Owen in 1812 te Glasgow gehouden, ter eere van zijnen vriend Lancaster, den beroemden schoolhervormer, zijn zijne grondstellingen over opvoeding neergelegd.

Hij zeide daarin: „Wat is de oorzaak van de lichamelijke en geestelijke verschillen, welke wij in ’t algemeen onder de menschen waarnemen? Zijn zij ons aangeboren, of ontstaan zij uit den bodem, waarop wij ter wereld komen? Noch het een, noch het ander. Deze verschillen zijn eenig en alleen: werkingen van verschillende omstandigheden en van de opvoeding. De mensch wordt een ruwe en een gruwzame wilde, een kannibaal—of een beschaafd en een goedaardig wezen, al naar mate van de omstandigheden, waarin hij van zijne geboorte af is gekomen. Hieruit volgt dus, dat het cardinale punt voor ons is, te overwegen of wij deze omstandigheden beïnvloeden, of wij ze beheerschen kunnen; en als dit zoo is, in welke mate wij dit kunnen doen.

„Stellen wij het geval eens, ten einde eene proef te nemen brachten wij bijv. een aantal pasgeboren kinderen uit ons geboorteland naar ver-afgelegen landen, leverden ze daar aan de inboorlingen over en lieten ze daar achter. Zouden wij één oogenblik hebben te twijfelen aan het resultaat? Neen! De kinderen zouden gezamenlijk, zonder uitzondering, gelijk worden aan elke gewone inboorling en van die in karakter niet verschillen.

„En zouden op gelijke manier, een zeker aantal van jongegeboren kinderen tusschen het „gezelschap der vrienden” („genootschap van kwakers”) eenerzijds en tusschen het verwaarloosde gedeelte van de Londensche bevolking welke St. Giles bewoont anderzijds uitgeruild worden, dan zouden de kinderen van de eersten, opgroeien en gelijk worden aan die van de laatsten; vóórbestemd voor elk misdrijf, waarentegen de kinderen der laatsten tot evenzoo matige, goede zedelijke menschen opgroeien, gelijk de eersten dat zijn.”

Dit waren, in ’t kort, de grondprincipes van Owen; de beginselen van zijn sociaal systeem, welke hij sedert ’t jaar 1812, toen hij met zijne agitatie begon, en in een gansche rij van brochures, voordrachten voor het volk en in tal van memories aan staatslieden nederlegde: „de mensch is het produkt der omstandigheden; ellende en misdaad, zij zijn de gevolgen van de onnatuurlijke levensverhoudingen.”—Het moet alzoo onzen taak zijn, op de invoering van andere verhoudingen te werken. En dit is in het belang van alle menschen, omdat alle menschen zonder uitzondering, onder de bestaande omstandigheden te lijden hebben. Elk mensch heeft een gelijk recht op welzijn, voorzoover dit de vooruitgang van de beschaving en de stand der produktie mogelijk maken en op de hoogst mogelijke graad van ontwikkeling, voorzoover dit zijn lichamelijke en geestelijke eigenschappen mochten vereischen. Daarom is het volgens Owen, eene maatschappelijke noodzakelijkheid, dat alle kinderen een zoo goed mogelijke opvoeding verkregen, opdat de huidige klassebevoorrechting in dit opzicht, ten minste niet meer heerschen, en voor eene organisatie plaats maken zal, waarin elk lid van de samenleving arbeiden kan voor de gemeenschap en deze hem wederkeerig, een menschwaardig bestaan daarvoor in ruil waarborgen kan.

Robert Owen vergenoegde zich niet met de hervormingen aan zijn eigen fabriek te New-Lanark, hij strekte zijne bemoeiingen ook uit over geheel Engeland. Het was een boozen tijd voor Engeland. De Coalitie-wet verbood den arbeider op elke manier, zich te vereenigen. De omstandigheden waren evenwel té verschrikkelijk voor den arbeiders, dan dat zij zich zoo maar konden nederleggen bij hetgeen er in ’t land gebeurde. De wetten dreven hun echter tot het plegen van daden van geweld. Vooral de jaren van 1814–1824, kenmerkten zich door geweldigen strijd. In ’t laatste jaar werd toen de coalitie-wet eerst ingetrokken, door het werken van het parlementslid Joseph Hume.

Robert Owen begreep, dat voor de kinderen althans iets moest worden gedaan. In 1802 was er reeds een wet op de kinderarbeid in het Parlement tot stand gekomen, maar deze wet werd of in het geheel niet, of zeer slecht uitgevoerd. Owen riep ten dien einde in 1815 eene Meeting van de schotsche fabrikanten, te Glasgow bijeen, maar ondervond van geen enkele zijde medewerking. Toen ging hij zelf aan den arbeid en op reis, teneinde de noodige gegevens te verzamelen voor zijn agitatie. Hij deed deze reis vergezeld van zijn zoon Robert Dale Owen; ging naar Engeland en door Schotland.

Toen hij genoegzaam gegevens had, bezocht hij den minister Robert Peel, bij wien hij aandrong op het indienen van een wetgeving op den arbeid van jonge kinderen en volwassenen. Immers, het was hem gebleken, dat er in die dagen, als regel en niet als uitzondering, door kinderen van tien jaren doorgaans veertien uren per dag werd gewerkt, met een oponthoud van een half uur per dag voor eten, dat niet buiten, maar binnen de fabriek werd genuttigd.

Na eene onnoemelijke tegenwerking, kwam in 1819 de eerste Wet op den Kinderarbeid tot stand, niet in die mate zooals zij door Owen werd gewenscht, maar dan toch als eerste stap, in de door hem aangewezen richting.

Van af 1813 tot 1816, publiceerde Owen zijn vier opstellen, getiteld: „A New view of Society or Essays on the principle of the Formation of the human Character and the Application of the Principle to Practice”. („Nieuwe inzichten omtrent de samenleving, of studieën over de vorming van het menschelijk karakter en de toepassing van het beginsel in de praktijk”).

In de aan de fabrikanten gerichte „Voorrede” tot deze uitgave zegt Owen o.a.:

„Sedert de algemeene invoering van een levenloos mechanisme in de Britsche manufaktuur, wordt den mensch, zeer weinige uitzonderingen hier buiten beschouwing gelaten, als eene machine van lagere orde behandeld; men heeft er veel meer zorgen aan besteed, de ruwmaterialen van het hout en het ijzer, dan die van het lichaam en ziel van de menschen te verbeteren. Wijdt aan deze kwestie eens de haar toekomende aandacht, en gij zult zien dat de mensch, zelfs in zijn hoedanigheid als werktuig tot de voortbrenging van den rijkdom, nog beduidend beter kan worden gemaakt! Maar nog een veel belangrijker opmerking, valt er in dat opzicht te maken. Benuttigt de middelen, die thans genoeg voor iedereen duidelijk waarneembaar kunnen zijn en gij zult daardoor, niet alleen deze levende werktuigen volkomener maken, maar gij zult ook leeren, dat men ze zoo voortreffelijk kan maken, dat ze niet alleen het tegenwoordige, maar ook die van ’t geheele verleden in alle opzichten overtreffen zullen!”

Owen had een vredelievend karakter en meende dat de belangen van fabrikanten en arbeiders, langs den meest vredelievenden weg te verzoenen waren. Dit belette hem evenwel niet in te zien, dat er een groote klove tusschen hen gaapte; dat er een geweldige antagonie bestond tusschen het kapitaal en den arbeid. Maar hij was overtuigd, dat de vervulling van hetgeen hij meende dat de plichten waren van de werkgevers ertoe zou leiden, dat er eene toenadering tot stand zou kunnen komen, welke de hervorming van de maatschappij langs vredelievenden weg, niet alleen niet in den weg stond maar ook in de hand zoude werken.

Daardoor, dat hij praktisch deze plichten wist te formuleeren, stond hij reeds verre boven zijne tijdgenooten; zooals hij ook verre boven economen van zijnen tijd, als Robert Malthus stond, op wien hij reeds toentertijd het inzicht vòòr had: 1e dat een zekere mate van welstand, de onbepaalde voorwaarde is, voor een zedelijken levenswandel; en 2e dat de ontwikkeling van de groot-produktie, aan de beschaafde menschheid eene buitengewone mate van produktiviteit kan verzekeren. Zoodat dus diens vrees geenszins behoefde te worden bewaarheid, dat de productie eenmaal te kort zou kunnen komen te schieten.

Zijn goede hart en zijn bijzonder praktische ervaring, deden hem dan ook menig nieuw gezichtspunt aan de hand. Zijne theoretische inzichten waren wel-is-waar, door die van den in zijn tijd levenden liberalen apostel Jeremias Bentham sterk beïnvloed, maar zij waren verder zelfstandig door hem uitgewerkt. „De mensch is,” volgens Owen, „uitgerust met een natuurlijk streven naar geluk, de regeering heeft dus ten doel, ons, geregeerden en regeerenden gelukkig te maken. De beste regeering is deze, welke in de praktijk de grootst mogelijke som van geluk aan het grootste getal menschen weet te bezorgen, waarbij allen, zoowel regeerders als onderdanen inbegrepen moeten zijn.

„Alle gecompliceerde en elkander tegensprekende motieven voor goede verhoudingen, zijn op een enkel principe der handelingen terug te voeren, hetwelk door zijne voorlichtende werkzaamheid, het oude verdorven systeem overbodig maakt en ten slotte zich in alle deelen der wereld zal oplossen. Dit principe is het geluk van het eigen-Ik, goed begrepen, en gelijkvormig verwerkelijkt, hetgeen slechts kan worden bereikt door eene verhouding, waarin het geluk van de menschheid bevorderd wordt. Want iedere macht, welke het wereld-al beheerscht en doordringt, heeft den menschen zoo gevormd, dat zij progressief, van uit eene toestand van onwetendheid, tot eene van intelligentie moeten opklimmen, welker grenzen de menschen niet bepalen kunnen; zoodat zij bij dit voortschrijden eerst ontdekken moeten, dat hun individueel geluk slechts door het groeien en het uitbreiden van het geluk van allen hen omgevenden, groeien en toenemen kan.”

Het is Owen’s onomstootelijke overtuiging geweest, dat de wereld alleen door deze erkenning kan worden verbeterd, dat slechts naar die verhouding waarin het streven der menschen naar eigen geluk of de liefde tot zich zelf geleid wordt, deugdzame en zegenrijke handelingen overwogen kunnen worden. En zoowel karakter als opvoeding, berusten bij den mensch op de erkenning van die waarheid. Owen was er van overtuigd, dat de menschen tot nog toe eene valsche opvoeding hebben gehad; valsch onderricht en valsch gevormd zijn geworden en dat daaruit, alle menschelijke ellende is geboren geworden. Owen geloofde der menschheid van deze waarheid te kunnen overtuigen, al had hij zelf, eveneens een slechte en onware opvoeding gehad. Want hoezeer dat laatste ook het geval is, toch maakt hij zich niettemin sterk, dat het zijn meergevorderd inzicht was, dat hem der menschheid thans aldus kon doen beleeren.

Owen’s overtuiging was het, dat aan elke maatschappij een zeker karakter kon worden gegeven, hetzij goed of kwaad, hetzij vernuftig hetzij dom, en dat de middelen daartoe zoo goed als in handen waren, van hen die invloed konden uitoefenen op den gang van zaken in de wereld. Die middelen moesten echter nu worden aangewend. Het was een feit, dat drie-vierde gedeelte van de gansche bevolking van Groot-Brittanje en Ierland behoorde, tot die der arbeidenden. Men liet het echter toe, dat het karakter van die menschen werd gevormd zonder eenige leiding, onder omstandigheden, die hen noodwendig moesten brengen tot een levensloop van ellende, ondeugd en onzedelijkheid. Terwijl de hoogere klassen, wel-is-waar zeiden te gelooven aan beginselen, maar eveneens deden, alsof die beginselen niet bestonden. Zulk een toestand zou als zij lang voortduurde tot den opstand moeten leiden, omdat het lijden van de bevolking en van de arbeidende klassen van Groot-Brittanje en Ierland werkelijk èrger is, dan de toenmaals zooveel besproken slavernij van de negers in Amerika. Owen gebruikte het eerst benaming voor de fabrieksarbeiders van „blanke slaven” en leverde het bewijs, dat zij met betrekking tot gezondheid, voeding en kleeding er veeltijds slechter aan toe zijn, dan de zwarte slaven.

De hoofdzaak was nu het allereerst te zorgen voor de jeugd; een zorg die rustte op het denkbeeld dat de mensch zijn eigen karakter niet vormt, maar dat dit voor hem gevormd wordt, door de omstandigheden waardoor hij is omringd.

Het doel van het gouvernement is om regeerders en geregeerden gelukkig te maken, daarom behoorde elke regeering zich te laten leiden door het denkbeeld, dat het beter is misdaden te voorkomen, dan ze te bestraffen. Alle aanleidingen die tot het misdrijf aanzetten, behooren daarom door de regeering te worden weggenomen. Oorlog behoorde er aan de kroegen te worden aangedaan. De rechten op gedistilleerd behoorden te worden verhoogd; een stelsel van licentieën (vergunningen) in sterke en in strenge mate dient er te worden toegepast. Elk loterij, ook die van den Staat uitgaande, moet worden afgeschaft.

Het stelsel van de armenwetten dient grondig te worden herzien, en er moet worden tegengegaan, dat den vlijtigen arbeid, voor het onderhoud van luien en leegloopers heeft te zorgen. Dan moest de geheele strafwetgeving herzien worden, en het beginsel van de preventiviteit moest geheel worden doorgevoerd.

Een hervorming van de Staatskerk achtte Owen niet minder noodig. Owen was n.l. langzamerhand, door de ervaring geleerd, een vijand van de officieele godsdienst geworden, hetgeen ten slotte niet het minst geleid heeft, tot zijn maatschappelijk isolement en zijne verwijdering, ook van diegenen zijner tijdgenooten, welke hem in den aanvang, geldelijk tot het ten-uitvoer leggen van zijne plannen in staat hadden gesteld.

Owen vatte zijn betoog in de vier hier behandelde opstellen te zamen, in de navolgende twee reeksen van wetten. De eene reeks zou moeten bestaan in eene algemeene onderwijs-regeling voor het geheele land, zoowel omvattend den geest van het onderwijs, als de voorziening van de schoolgebouwen, de normaal-inrichtingen voor onderwijzers en hunne gansche vorming op het oog hebbend. De tweede reeks, zou aan de hervorming van den arbeid moeten zijn gewijd. Zij zou moeten worden ingeleid door eene wettelijke enquête, naar de arbeidstoestanden in het Vereenigd Koninkrijk, naar de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid in hunnen ganschen omvang, ook wat aangaat de werkeloosheid. Owen hield zich overtuigd, dat deze laatste geen maatschappelijk euvel zoozeer, als wel een euvel der opvoeding was en dat daarin gelegen was een reden tot armoede en niet in de z. g. n. „Wet van Malthus.” Het was z. i. niet de massa van menschen, die kwaad was voor de menschheid, het waren de groote onwetendheid, de domheid en de verwaarloosde opvoeding der menschen, die al het kwaad over de wereld gebracht hadden. Ieder individu kon geleid worden, en wel in die richting, dat hij veel meer produceert, dan dat hij verteert; daar er volgens Owen’s vaste overtuiging veel meer was of geschapen kon worden, dan er noodig was om dadelijk te worden verteerd.

Inmiddels was Owen steeds voortgegaan, de inrichtingen van New-Lanark te verbeteren en steeds volkomener te maken. De bezoekers stroomden naar dat oord, om het „wonder van dien tijd” in oogenschouw te nemen. Jaarlijks kwamen meer dan tweeduizend belangstellenden naar New-Lanark, en de hooge wereld was niet het minst, onder dat aantal vertegenwoordigd. De Koning van Saksen zond Owen een medaille, de Koning van Pruissen schreef hem eigenhandig brieven. Groot-Vorst Nicolaas van Rusland begaf zich in 1816, persoonlijk derwaarts en verwijlde zelfs een paar dagen in Owen’s huis. De Hertogen van het Koninklijk huis van Engeland, toonden de grootste belangstelling in de instellingen van New-Lanark en de Hertog van Kent, de vader van Koningin Victoria, was zelf op vriendschappelijken voet met Robert Owen er door gekomen.

Dit alles maakte Owen evenwel niet trotsch, of deed zijn hervormingszucht omslaan in conservatisme, of in zucht om de grooten der aarde wèlgevallig te zijn.—Juist, integendeel! Het is een bewijs voor de groote naïviteit van Owen, voor het kinderlijk vertrouwen, dat hij in de menschen stelde, dat hij deze blijken van belangstelling aanzag voor aansporingen die men hem wilde geven, steeds verder voort te gaan. Maar hij zou bittere ervaringen opdoen met dat vertrouwen.

Telkens en telkens kwam er oppositie van den kant der geldschieters, hoofdzakelijk Kwakers, die méér winsten verlangden, of wel het meest van alles, nu eens wenschten opgehouden te zien met die oneindige hervormingen, welke Owen nooit moede was in te voeren, teneinde aldoor maar te verbeteren en te verbeteren.

Maar erger werd deze oppositie, of liever zij verscherpte zich, door de kwestie van het onderwijs. Owen had n. l. in zijn onderwijsinstituten een neutraal onderwijs ingevoerd, van een soort, gelijk dat bij ons nog gehuldigd wordt in de openbare school.

Hij nam een Christendom aan, dat boven geloofsverdeeldheid stond, een universeel Christendom dus. Hij was de meening toegedaan, reeds in zijn „New View of Society” uitgesproken, dat men, om de ongelegenheden te vermijden die altijd moeten oprijzen, wanneer men een bepaald geloof op school invoert, de kinderen slechts behoorde te leeren uit die boeken, welke zoodanige voorschriften der christelijke godsdienst inprenten, die gemeen zijn aan alle uitingen of secten van het christendom.

Dat was den kwakers, die een positief christendom voorstonden, zeker niet naar den zin. Nog veel minder was het van hunne gading, dat Owen de kinderen op school, onderricht liet geven in dansen, in muziek en ze liet oefenen in militaire exercitieën. Owen gaf ter wille van zijn drieduizend menschen, die in New-Lanark het zoo goed hadden, veel toe.

Maar telkens en telkens herhaalden zich de grieven van de zijde der financiers. Men liet niet na Owen wetten te stellen, hem op de vingers te tikken; ten slotte wilde men hem zoo bedillen, dat hem het handelen feitelijk, daardoor tot eene onmogelijkheid werd. In 1822 nam Owen ontslag, verliet New-Lanark, na een bestuur van 25 jaren, dat den grootsten zegen had aangebracht.

Owen zegt zelf, dat hij zijne benijdenswaardige positie in New-Lanark alleen prijs gaf, om volkomen vrijheid te verkrijgen voor zijne agitatie en om al zijne krachten te kunnen aanwenden, tot eene grondige hervorming van de menschelijke maatschappij. In New-Lanark vergewiste hij zich, door de, onder de ongunstigste omstandigheden op zich genomen praktische toepassing, van de juistheid van zijne principes—onder ongunstige omstandigheden, die voor een deel voortvloeiden uit de natuurlijke oppositiegeest van de menschen, tegen een experiment dat, bij al de instemming die het vond, toch er toe geëigend was als het ware, om de onhoudbaarheid aan te toonen van, en het geloof te schokken, in, de principes waarop de tegenwoordige wereld was gebouwd. Sedert de verbreking van den band, die er tusschen hem en New-Lanark bestond, vestigde Owen zich weer in Londen. Tusschen de herfst van 1824 en den zomer van 1829, was Owen eenmaal in de Vereenigde Staten, eenmaal in West-Indië en eenmaal in Mexiko. Drie jaren te voren bezocht hij Frankrijk, Oostenrijk, Pruissen, Beijeren en Saksen. Al deze reizen deed hij, als studiereizen en met dat eene doel voor oogen: de voortdurende welvaart van het menschelijk geslacht te kunnen grondvesten.

In 1825 stichtte Owen in Amerika de eerste kolonie op communistischen grondslag. Hij noemde haar „New-Harmony”. Owen had voor deze kolonie 30,000 acres land aangekocht van de sekte der Rappiten. De kolonie bloeide een tijd lang, maar hoe langer hoe meer deze tot de praktijk moest komen, zag Owen in, of liever het bleek, dat men kapitalistische instellingen niet zoo maar tot Communistische kan maken, en dat daartoe veel meer en veel andere dingen behoorden, dan de goeden wil, het edel gemoed en de energie van een man, als hij was.

Na het in Mexiko nog eens beproefd te hebben, keerde Owen naar Engeland terug. Voor zijn familie had hij intusschen gezorgd en hij zou zich nu geheel aan de arbeidende klassen gaan wijden. Reybeaud vertelt, dat Owen van 1826 tot 1837, duizend openbare redevoeringen gehouden, vijfhonderd adressen heeft verzonden, tweeduizend tijdschrift-artikelen geschreven heeft en driehonderd reizen gedaan heeft.

In 1829 deed Owen een diplomatieke poging, die gelukkig geslaagd mocht heeten. Tusschen Engeland en de Vereenigde Staten waren n.l. kwesties ontstaan, die tot een oorlog hadden kunnen leiden, en wel daarom zoozeer de verhoudingen tusschen beide naties geprikkeld maakten, omdat het in den grond van de zaak handelskwesties waren. Owen, die bij den toenmaligen president van N. Amerika Jackson, zoowel als bij den Staatssecretaris van Buren in hoog aanzien stond, gebruikte zijne aanwezigheid in Amerika daartoe, om de verschilpunten met de beide mannen grondig te bespreken. Het resultaat was, dat Owen aan de Engelsche regeering kon melden, dat de Amerikaansche, de bereidwilligheid tot een vredelievende oplossing van de kwesties toonde en dat binnen weinige weken, een twist, die door de vakdiplomaten behandeld, misschien tot een oorlog geleid zou hebben, door een niet-diplomaat, op de beste wijze tot oplossing werd gebracht.

In ’t jaar 1832 stichtte Owen dan zijne bekende ruilbank, die in verbinding met de Coöperaties en de produktieve-associaties door wederzijdsch crediet, den arbeiders in staat zoude stellen, zich te emancipeeren van het kapitalistendom. Het plan mislukte, evenzoo als 17 jaren later de ruilbank door Proudhon in Frankrijk gesticht, met ongeveer dezelfde bedoelingen mislukte, omdat het crediet van hen die niets hebben, ook niets waard is.

Tusschen 1836 en 1838, zag ook Owen’s hoofdwerk „The New Moral World” (De nieuwe moreele wereld) het licht, eerst als weekblad, later in 1844, als boek. Het bevatte zeven deelen en kan als samenvatting, van datgene wat Owen wilde, worden beschouwd. Het is, naar zijn eigen meening, zijn omvangrijkste werk geweest, waarin hij zijn diepste gedachte heeft nedergelegd.

Het Eerste deel verzamelt de gegevens over de menschelijke natuur. Owen geeft hier niets nieuws en wij kunnen dus volstaan met hetgeen daaromtrent vroeger omstandig is medegedeeld. De mensch vormt nòch zichzelven, nòch zijne meeningen, nòch zijne gevoelens; zij-allen worden voor hen gevormd, door de omstandigheden, waarin hij is geplaatst. Hiermede valt dus de leer te zamen, dat men het allereerst moet aanvangen, die omstandigheden te begrijpen. Men moet niet oordeelen of veroordeelen, maar men moet leeren begrijpen. Men moet de natuur beluisteren en haar volgen, want de natuur is niet slecht. Ook de mensch is niet van nature-uit verkeerd; de maatschappij waarin hij verkeert vormt hem zooals hij is. De tegenwoordige beschaving is op den slechten weg. Men moet het natuurlijk instinct volgen en bevredigen. Het tegenstreven der natuur, het gedurig tegenwerken harer bedoelingen, dááraan is het te danken, dat de menschelijke karakters dien betreurenswaardigen trek verkregen hebben, waaraan zij lijden.

In plaats van het egoïsme der onwetendheid, moest er onder de menschen gaan heerschen, de welwillendheid van het inzicht in de werkelijkheid. De mensch is bestemd een sociaal wezen te zijn. De verschillende onderscheidingen moeten wijken onder de menschen; de religies zullen te-niet worden gedaan, de priesters overbodig worden bevonden, de menschelijke trots verdwijnen en eene hérschepping van den mensch zal er komen, zoo schoon als zij er nog nooit geweest is. Owen meent, dat hij hetzelfde voor de menschheid op ’t oog had, als Gallileï gedaan had voor de natuurwetenschap, toen hij bewees, dat de aarde om de zon en niet de zon om de aarde draaide.

Het Tweede deel behandelt de leer en de kennis van de maatschappij. Naar Owen’s overtuiging moest de menschheid zich bezig houden met vier onderwerpen: ten 1e, met de produktie van den rijkdom; ten 2e, met de verdeeling van den rijkdom; ten 3e, met de opvoeding en het onderwijs, en ten 4e: met de regeering. De produktie lijdt tegenwoordig aan deze gebreken, dat alles tegen elkander inwerkt; dat er geen harmonie, dat er geene samenwerking is; daar is overal wanorde, daar is overal scheiding en er is verdeeldheid en daardoor is er een enorme verspilling van arbeidskracht. Men werkt hard, véél te hard en nog is er te weinig, nog steeds produceert men niet genoeg. Elk beginsel van produktie, dat op een gezonde basis staat, moet er op zijn ingericht: een vereeniging en eene verbinding van de productiemiddelen tot stand te brengen; landbouw bij nijverheid, geoefendheid en kennis bij kapitaal te brengen, dezen samen te vereenigen, dàt moet het doel van de produktie zijn; dat is de gezonde grondslag van de nieuwe moreele wereld, die Owen, aan de menschen wilde laten zien. Maar terwijl de combinatie van al deze verschillende elementen tot een eenvoudig en een overvloedig resultaat zou leiden, wordt het heil gezocht in eene geweldige concurrentie, van den een tegenover den ander, elk toegerust met zijn eigene middelen. Het is een onafgebroken strijd, een worsteling, een hijgen en een zwoegen van fragmenten tegen fragmenten, waarvan de gevolgen zijn: een verwijdering van den mensch, van zijn voedsel en eene verwijdering van de natuur; een ophooping van menschen in gangen, sloppen en stegen, zonder licht, zonder lucht en zonder reinheid.

Wat blijft er over van al datgene, waarop de mensch recht heeft, van een fatsoenlijk dak, dat den mensch noodig heeft om er onder te vertoeven; van goed onderwijs, van het genoegen, van het gezellig verkeer, van liefde en van vriendschap? Door de gruwelijke tijdsverkwisting van arbeid, van tijd en van kapitaal, wordt er door de individuen gebrek geleden, hoe zij zich ook aftobben. Bij een verstandige leiding van arbeidsassociatie, behoefde er zooveel te minder te worden gearbeid,—misschien slechts vier uren daags—om al de producten voort te brengen, welke er noodig zijn, om aan de behoeften van de consumptie te voldoen.

Bij de verdeeling der rijkdom is volgens Owen, deze verspilling van arbeid en produkt nog meer zichtbaar. De ware leer van de verdeeling, zegt Owen, is de producent zoo dicht mogelijk bij den consument te plaatsen. De consumenten moesten als uit den voorraad of uit het magazijn, kunnen putten. En in plaats daarvan, heeft zich tusschen den producent en den consument eene klasse van tusschenpersonen genesteld: die der kooplieden, die koopen en verkoopen in ’t groot, in ’t klein, op de beurs of in den winkel. Zij nemen overal hunne winst, laten zich geducht betalen en vormen het doode gewicht der maatschappij.

Zij zien er niet tegen op, om voor meer winst de waren te bederven, te vervalschen. Zij noemen zich verdeelers of verspreiders van den rijkdom, maar moesten eigenlijk verspreiders van de menschheid genoemd worden. Zij moesten bij elken gezonde regeling van de verdeeling verdwijnen, want zij kosten der maatschappij te veel, veel meer dan men oppervlakkig denkt. Owen, die een kwart-eeuw fabrikant was, kon daar dan ook wel met verstand van zaken, een oordeel over vellen.

Ook richten die verdeelers banken op, die in verband met het slechte geld-systeem, alle voordeelen van den arbeid aan zich trekken en als het ware de produkten, van hun weg, dien zij hebben af te leggen, van producent naar consument, onderscheppen. Plaats den mensch naast zijn voedsel, zegt Owen, en naast zijnen rijkdom, dan behoeft dit niet, tot hem te worden gebracht.

Opvoeding en onderwijs zijn slechts twee onderdeelen van de vorming van het karakter, met welke taak de maatschappij zich bezig moet houden. De tegenwoordige wetgevers deden dat tot nog toe niet. Want er is noodig een vorming of eigenlijk een vervorming van de uitwendige omstandigheden om de menschen heen, en zulk eene taak, kan alleen door de georganiseerde maatschappij op zich genomen worden. Neemt zij die taak op zich, dan is vóór alles noodig, dat zij tot het inzicht komt, hoezeer o. a. de godsdienst een zonderlinge rol gespeeld heeft, om het milieu waarin de menschen tot nog toe geleefd hebben, te doen verworden. „De godsdienst, die voortkwam uit de imaginatie van de menschen en niet uit hunne rede; de godsdienst, die òveral donker-gekleurde glazen zette, waar het licht van de waarheid, helder schijnen moest.”

Men zal ook de ongerijmdheid inzien, van stichtingen als Oxford en Cambridge, die instellingen van gepriviligeerd Onderwijs, en men zal overal instellingen van gelijk onderwijs in het leven roepen, men moet dat onderwijs organiseeren, men moet de uitstekendste mannen aan dat onderwijs kunnen weten te verbinden. Reeds van af de prilste jeugd, moet men daarmeê beginnen. En het was dan ook volgens Owen’s plannen, dat in Engeland en ook in gansch de beschaafde wereld, de eerste kleinkinderbewaarplaatsen (crèches) tot stand gekomen zijn.

Ook omtrent het staatsbestuur, had Owen zijn eigen denkbeelden. De taak van het gouvernement bestaat niet in onthouding, maar in ingrijpen. Het gouvernement moet leiden en niet lijdzaam blijven. De taak van het gouvernement is wel degelijk positief en niet negatief, gelijk de economisten uit Owen’s tijd, op het voetspoor van Adam Smith, hadden geleerd.

De slotsom van dat alles is deze: dat de elementen der maatschappij, tot eene vaste eenheid en orde moeten worden georganiseerd.

Om die harmonie te vestigen, die eerbied van gevoelens en belangen in de maatschappij tot stand te brengen, wilde Owen een vaste grondslag scheppen van het gemeenschapsleven. Deze bestond voor hem in de genootschappelijkheid of de communiteit. Het is de keus, de „nucleus”, die den band van de enkele huisgezinnen vervangt. Op eene juiste vestiging dezer „nuclei” komt het voor de maatschappij der toekomst, in alles aan.

Het Derde deel houdt zich bezig, met de opnoeming en de ontvouwing van alles, wat voor het geluk der menschen noodig is. Die voorwaarden zijn volgens Owen talrijk. Hij noemt er dertien op. Zij hebben betrekking op goede gezondheid; op een zorgvuldige opvoeding; op het verkrijgen van meerdere kennis; op het bekomen van genot; op het bewustzijn en het streven om voortdurend tot het geluk van onze medemenschen werkzaam te zijn; op het bezitten van vrienden; de vrijheid en de gelegenheid van associatie,—van gedachte en geweten; de afwezigheid van bijgeloof en op het zich bevinden in een maatschappij, wier wetten, instellingen en schikkingen, in overeenstemming zijn met de wetten der natuur. De arbeiderstoestanden, onderwerpt Owen dan aan de scherpste critiek. De streng doorgevoerde arbeidsverdeeling, door welke den arbeider-mensch opgeofferd wordt aan het product, wil Owen vervangen zien worden, door een àlzijdigen arbeid, dien hij ook eischt, in ’t belang van de gezondheid van den mensch en in het strikte belang van een harmonische ontwikkeling van lichaam en geest. Owen verklaart zich een sterken voorstander van eene afwisselende bezigheid van lichaam en geest, mits die geest zich niet bezig houdt met vakken, als bijv. de theologie, rechtsgeleerdheid of de medicijnen.

Owen meent dat het bestaan der prostitutie, wel het sterkste bewijs is, op welken lagen trap van ontwikkeling wij nog staan.

In het Vierde deel ontvouwt Owen, wat volgens hem, de inhoud van een redelijke godsdienst der menschheid moet zijn. Hare geest is gegrondvest op waarheid en liefde. Het wezen der Godheid, is volgens Owen nu eenmaal onbegrijpelijk, daarom is er over twisten, nutteloos. Godsdienst trouwens, bestaat in daden en niet in begrippen. Het vraagstuk van het leven nà den dood is een, waarmede de menschen wijs doen zich niet in te laten; de mensch moet slechts bedenken, hoe hij hier op aarde heeft te leven en te werken. Hij moet zijn liefde over alle schepselen—ook over de dieren—uitstrekken. Hij moet er zijn doelwit op richten, de maatschappij waarin hij leeft, voortdurend volkomener te maken. Deze godsdienst is eene praktische, die alle andere, zeer onpraktische zal doen verdwijnen, meent Owen.

Tal van gebreken onzer samenleving noemt Owen òngodsdienstig, niet gebaseerd op de liefde en op de ware verhouding, van de menschen tot elkander.

Het heffen van ongelijk-drukkende belastingen is òngodsdienstig. De verhouding van de twee geslachten—mannen en vrouwen—is volgens Owen al het minst godsdienstig; de praktijk om de vrouwen tot slavinnen van het gezin te maken, is een bewijs onzer òngodsdienstigheid.

Ten slotte is onze geheele maatschappij òngodsdienstig, daar men er in haar zich hard er-op toelegt, niet om waarheid, maar om onwaarheid te spreken. De eenige taal, door woorden of blikken gesproken, moet de taal der waarheid zijn. De waarheid zonder mysterie, zonder bijmengsels en zonder eenige vrees voor menschen of hoogere machten.

In het Vijfde deel, wordt op het vreemde verschijnsel gewezen, dat aan het einde der 18e eeuw, wel werd gedacht aan het construeeren van een nieuwen Staat, maar niet aan het vormen van een nieuwe maatschappij. Dit laatste, is evenwel belangrijker dan het eerste. Owen vindt dat de Amerikanen, die evenzoo handelden, op een zandgrond gebouwd hadden.

Onder het gezichtspunt van de voortbrenging, moet alles worden terzijde gesteld, wat doet denken aan den ouden krijg om rijkdom. Hierin moet Engeland de andere naties voorgaan. Er zal geen goede toestand meer komen, dan voor dat, tot de vestiging van de communiteiten wordt overgegaan. Zoolang men verstrikt blijft in de leeringen der economisten, zoolang zullen de regeerders met de handen in den schoot moeten blijven zitten. Maar reeds moet nu tot nationaliseering worden overgegaan der spoorwegen; van staatswege moeten nieuwe worden aangelegd en de gronden, die langs deze lijnen vrijkomen tot „communiteiten” worden ingericht.

De tegenwoordige standen en rangen behoorden, in een goed geregelde maatschappij, niet te bestaan. Alleen ouderdom en ervaring, zouden aanspraken kunnen doen gelden op eenig onderscheid. Kennis is de eenige maatstaf, waarmede de menschen behooren te worden gemeten. Geen mensch heeft het recht, zegt Owen uitdrukkelijk, van een ander mensch te verlangen, dat deze iets voor hem doet, wat hij niet bereid is voor anderen te doen, of in andere woorden uitgedrukt: alle menschen hebben gelijke rechten. De natuurlijke en zedelijke klassenverdeeling van het menschelijk geslacht, is de verdeeling naar den ouderdom, die Owen in acht klassen verdeelt.

Eerste klasse: Van-af de geboorte tot het einde van het vijfde jaar. Na het eerste tijdstip van den zuigelingstijd, komen de kinderen in de verplegingsinrichtingen en kleine kinderscholen, waar hunne eigenlijke opvoeding een aanvang neemt.

Tweede klasse: bestaande uit kinderen van vijf tot tien jaren. In de eerste twee jaren, dus totdat het zevende jaar is afgelegd, wordt het onderwijs der kleine-kinderscholen, met de door de noodzakelijkheid, aan lichaams- en geestesontwikkeling gestelde behoeften voortgezet. Van het achtste jaar af, wordt aan het onderwijs regelmatigen arbeid, zoowel in huis als in tuin verbonden. Natuurlijk mag die arbeid de krachten der kinderen nooit te boven gaan, integendeel daarmede in volkomen overeenstemming zijn. Zij staan daarbij onder de leiding van de jongere leden van de derde klasse. Deze arbeid vormt voor Owen een deel der opvoeding, en het doel der opvoeding, moet hierbij geen enkel oogenblik uit het oog worden verloren. In weerwil daarvan, zal ook dit onderwijs nuttig zijn voor de maatschappij en zijnen winst dan ook, ruimschoots loonen.

Derde klasse, bestaande uit kinderen van 10 tot 15 jaren. In de eerste drie jaren, alzoo tot de afgelegde 12 jaren, hebben de kinderen der derde klasse—onder oppertoezicht van volwassenen—den arbeid van die der tweede klasse te leiden en er het opzicht over te houden. Van af het 13de jaar, worden zij ingewijd in de hoogere kunsten en takken van bedrijf en zoodanig opgeleid, dat zij den rijkdom en het welzijn van de gemeenschap, gepaard aan het zoo groot mogelijk genoegen voor zich-zelf, kunnen bevorderen en dit op de meest praktische manier. Hunnen arbeid omvat het gansche gebied van landbouw en industrie, de mijnbouw, de visscherij enz. In alle deze verrichtingen worden de medeleden der derde klasse regelmatig, zoo vele uren per dag bezig gehouden, als in overeenstemming, is te brengen, met de lichamelijke ontwikkeling en het doel van de opvoeding. Het onderwijs strekt zich uit, over alle takken van wetenschap en voor een goede en volkomene ontwikkeling van het lichaam, wordt mede zorg gedragen.

De Vierde klasse bestaat uit de jonge personen van 15 tot 20 jaren. In deze arbeids-klasse vindt de ontvouwing van het geslachtsleven plaats. Der neigingen worden geen dwang opgelegd, en de volkomene vrijheid, waarmede zij zich kunnen uiten, gepaard aan de volkomen afwezigheid van velerlei omstandigheden, welke de verhouding van de geslachten tot elkander in de huidige maatschappij onnatuurlijk en immoreel maken, waarborgt eene reine en op wederzijdsch-geluk gegrondveste, verbinding van de twee seksen. De leden der vierde klasse, nemen naar de mate hunner hooger ontwikkelde arbeidskracht in grooteren omvang dan de leden van de derde klasse, deel aan den maatschappelijk-noodzakelijken arbeid, echter met de voortdurende ondergeschiktmaking van dezen arbeid, aan het doel der opvoeding. Zij hebben—onder oppertoezicht der volwassenen—den arbeid van de derde klasse te leiden en tot onderricht derzelven, mede behulpzaam te zijn.

Vijfde klasse: bestaande uit staatsburgers en staatsburgeressen van 20 tot 25 jaren. Deze klasse omvat, het tot arbeiders en onderwijzers geschiktste gedeelte, van de leden der samenleving. Wie dezen leeftijd achter den rug heeft, behoeft geen deel meer te nemen aan de eigenlijke produktie. De leden der vijfde klasse zijn de werkmeesters en de werkmeesteressen; de direkteuren en de direktrices in elken tak van bedrijf, van produktie en van opvoeding. Zij hebben in het algemeen genomen—maar alleen in hoogeren en volkomener graad—de leiding van de bedrijven, inrichtingen enz. gelijk die heden ten dage de direkteuren, leeraren etc. die hebben.

Door deze vijf klassen, is volgens Owen, voor de vermeerdering van den rijkdom der maatschappij, genoegzaam gezorgd en voor de vorming van deugdelijke karakters, eveneens.

De Zesde klasse: bestaande uit staatsburgers en staatsburgeressen van 25 tot 30 jaren, heeft tot taak, de door de jongere leden voortgebrachte rijkdom te bewaren en te verdeelen, en deze verdeeling zoo praktisch mogelijk te organiseeren. Owen meent, dat twee uren daags, bij een praktische organisatie daarvan, daardoor in beslag genomen worden. De rest van den tijd, moet besteed worden, met het bezoeken van de werkinrichtingen en het toezicht houden, dat, in ’t algemeen de zaken niet alleen gaan, maar ook dat de produktie vooruit gaat.

Daarom moet dit bezoeken der volwassenen, geen zuiver belangstellend bezoeken zijn, om de nieuwsgierigheid te bevredigen, of een plichtmatig iets doen, dat men liever nalaat. Neen, het moet evenzeer strekken tot vermeerdering van kennis, als tot een prikkel om met de opgedane ervaring te rade, de produktie steeds op een hoogere trap van volmaking te brengen.

Een ander deel van den dag, moet worden doorgebracht met het beoefenen van schoone kunsten, wetenschappen, allerlei experimenten, lezingen, conversatie, pleziertochten en beleering aan anderen op alle gebied, en tot het aankweeken van vriendschap.

De Zevende klasse, omvattende alle leden der gemeenschap van 30 tot 40 jaren, heeft tot taak de leiding der inwendige aangelegenheden van de gemeenschap; het instandhouden van de vrede en de bevordering van de welvaart, van de gansche gemeenschap.

De Achtste klasse, omvattend de leden van de gemeenschap van 40 tot 60 jaren, vormt een „Raad der ouden” en, terwijl de geheele leiding van alle inwendige aangelegenheden in handen der Zevende en die van produktie en consumptie enz. in handen is van de Zesde klasse, is de achtste klasse een Raad van appèl, die twisten beslecht, die er rijzen mochten tusschen de overige klassen, en als laatste instantie daarover moeten beslissen. Ook is het de taak van deze klasse, om zich bezig te houden met de buitenlandsche aangelegenheden; eene bezigheid, die, aangezien zij een pad is, waarop nog al veel moeielijkheden en veel wrijvingen kunnen voorkomen, alleen gekend kan worden, door ervaren en werkelijk wijze mannen, die geduld en omzichtigheid bezitten, voor deze teere kwesties.

Zij die boven 60 jaren zijn, worden in geen klasse meer ingedeeld. Zij hebben, vindt Owen, hunne plichten tegenover de gemeenschap vervuld en moeten nu verder ongestoord worden overgelaten aan het private leven; het staat hun vrij om zich onledig te houden met verrichtingen, die het geheel ten goede komen, maar verplicht daartoe zijn zij niet.

De centrale regeering, bestaat bij Owen, uit commissies welke gekozen worden, door de gedelegeerden van de beide regeerende klassen, dus van de maatschappelijke leden der 7e en der 8ste ouderdomsklasse, van 30 tot 60 jaar. Door zulke commissies, die terzijde worden gestaan door de gedelegeerdenvergaderingen als Parlement, zullen ook de betrekkingen tot de andere Staten, die ook op dezelfde manier georganiseerd moeten zijn,—verzorgd en geregeld worden.

In het Zesde deel van de „New-Moral World” bespreekt Owen de algemeene constitutie der Regeering nog nader en behandelt hij de overgangswetten. Zij zijn vijf en twintig in getal. De vier eersten betreffen de volkomen vrijheid van geweten, van geloof en van denken. De zeven daaraan volgende, over onderhouds- en levensrecht, het onderwijs en de opvoeding en het huwelijk. Dan zes, die de regeling omvatten der „communiteiten,” het nadeel van den privateneigendom tegengaan en op den arbeidstijd, zoowel als op den grondeigendom, slaan.

En ten slotte een zevental, dat betrekking heeft op de leiding en de regeling van den tegenwoordigen toestand, naar eene nieuwe, zooals Owen die geschetst heeft. De laatste en 25ste wet, geeft enkele regelen van arbitrage aan, bij verschil over sommige punten van regeling. Wanneer deze wetten ingevoerd zijn, kunnen alle anderen worden afgeschaft en is de toestand genoegzaam, voor een nieuwe voorbereid.

In het Zevende Deel, komen nu nog de conclusies der voorafgaande. Vervolgens geeft Owen daarin een sterk betoog over de noodzakelijkheid, de wereld op meer moreele grondslagen te vestigen. Hij voorspelt daarin veel, hetgeen hem den naam van den „ouden profeet” verschaft heeft. Hij ziet de anarchie naderen. Thans heerschen weinigen over velen, maar die velen zullen zich vereenigen en dan zullen die velen, op hunne beurt, een macht worden. De naties zullen opstaan. Reeds nu zijn revoluties te voorzien en deze zullen zich uitbreiden en vermeerderen. Groote rampen ziet Owen over de menschen komen. En dit alles is te voorkomen, daar een zachte en vriendelijke toekomst mogelijk is, zoo de menschen maar geneigd waren den hand te slaan aan de vervorming hunner samenleving, wat Owen’s eenigste hoop is, voor de toekomst der menschheid.

Wij deelen nu de „Vierentwintig stellingen” mede, die Owen den 5en Maart 1889 verdedigde in een openbaar debat, tegenover den Reverend Mr. Legg, een „dissenter.”

1. Van af de vroegste tijden der bekende geschiedenis, hebben alle menschelijke aangelegenheden berust, op fundamenteele fouten.

2. Die fouten waren: ten eerste, het geloof dat den mensch geschapen is met een vrijen wil, te gelooven, dat hij gevoelde en handelde, zooals het hem beliefde en dat hij daarom voor zijne gedachten, gevoelens en handelingen aan zijne medemenschen verantwoordelijk moet zijn. Ten tweede, het geloof dat de mensch zijn eigen karakter vormt, en dat hij daarom de maatschappij voor dezelve verantwoordelijk moet zijn, naar de mate van de begrippen van degenen met wien hij tezamen leeft, hoe onverstandig en onzinnig deze begrippen ook mogen zijn.

3. Deze beschouwingen staan in tegenspraak met de feiten. En het is daarvandaan gemakkelijk te bewijzen, dat zij onverstandig en onzinnig zijn—schadelijk in den hoogsten graad, voor de eenheid, de vrede, de deugd en het geluk van het menschelijk geslacht—werkelijk van nut voor geen énkel individu, welken rang of welke positie hij ook, het zij in welk land ook mag toebehooren of bekleeden.

4. Deze dwalingen loopen door alle menschelijke verrichtingen, van af de vroegste tijden. Zij zijn van hetzelfde soort als deze dwaling, die duizende jaren geduurd heeft, dat de aarde vlak is en onbewegelijk, en dat de zon om haar heen draait.

5. Deze, in het oogvallende feiten, zijn met de ingebeelde voorstellingen, dat ieder mensch zijn eigen karakter, zijn eigen gevoelens en handelingen bepaalt, zoo handtastelijk in tegenstelling, dat deze dwalingen niet zoo lang den menschelijken geest hadden kunnen beheerschen, waren zij haar niet voortdurend opgedwongen geworden, door eene algemeene organisatie der maatschappij, bestaande uit eene drie-eenheid van machten, waartegen tot op heden geen individu, met het geringste uitzicht op succes, vermocht te strijden.

6. Deze drie-éénheid van macht bestaat primo uit: de geopenbaarde godsdiensten, door menschen uitgevonden; secundo: uit menschelijke wetten, en tertio: uit regeeringen, gesteund door de onwetendheid en door de zelfzucht der menschen. En deze maatschappelijke organisatie, heeft de heerschappij gekregen, over alle volkeren der aarde.

7. Deze organisatie kon bij die volken, welke de kunst hadden verkregen, om feiten en wetten van de natuur af te zien, en de wetenschappen uit haar af te leiden, niet in stand worden gehouden, zonder dat de maatschappij werd ingedeeld in klassen, waardoor de invloedrijksten en machtigste klassen, een open en schijnbaar recht verkregen, om deze organisatie in het leven te houden.

8. Geen lid der menschelijke familie, heeft eenig werkelijk belang bij de instandhouding van deze grondfouten, waarop de tegenwoordige samenleving berust, of bij de klassen-verdeeling, waardoor deze dwalingen, der menschheid worden opgedwongen.

9. Deze dwalingen, deze organisatie en deze klassen-indeeling, zijn de eenige oorzaken der onwetendheid en van de armoede; van den tweespalt tusschen geest en belang, van de hartstochten, de ondeugden, de misdaden; kortom, van het totaal van ellende, waarvan tot nog toe, de geheele menschelijke samenleving doordrongen is geweest.

10. Zoolang deze grondfouten, deze organisatie en deze klassenverdeeling door de autoriteiten en door de publieke opinie worden ondersteund, is eene genezing van het kwaad niet te verwachten.

11. Wanneer de wil van het volk ten opzichte van deze, de welvaart en het geluk van elk individu in zich bevattende kwesties, verheldering wenschte en tot eene oplossing wilde komen, zijn er tegenwoordig genoeg middelen voorhanden, om allen die tot het menschelijk geslacht behooren, beter, wijzer, deugdzamer, rijper en gezonder te maken dan ooit te voren—zelfs met de individuen der bevoorrechte klassen—het geval is geweest.

12. Het is thans, buiten allen twijfel van het hoogste belang voor de menschheid, voor elk menschelijk wezen, onverschillig van welken rang of positie, dat deze grondfouten der samenleving, die der organisatie en die verdeeling in klassen, publiek en zonder eenig voorbehoud worden veroordeeld en worden opgegeven.

13. De verwerving dezer kennis door een deel van de samenleving, is een genoegzaam bewijs, dat de tijd gekomen is, waarin deze groote omwenteling in den geest der menschen, zich begint te voltrekken.

14. De ontdekking van deze zeer gewichtige waarheden en de mededeeling derzelven aan het publiek van de beschaafde wereld, zal noodzakelijk tengevolge hebben, dat eene groote verandering bewerkstelligd en algemeen zal worden doorgevoerd; in weerwil van de nog heerschende onkunde en het aangekweekte vooroordeel.

15. Die omwenteling zal vrede, zal liefde en welstand, deugd en geluk in het menschelijk leven brengen, en er kunnen de grootste en de heerlijkste resultaten door worden bereikt.

16. Die grondfouten, die desorganisatie en die klassenverdeeling, zij hebben zekere verbindingen van uitwendige omstandigheden noodig gemaakt, om bij de klagelijke omstandigheid en de verwarring waarmede de zaken van de menschheid tot-nog-toe werden bestuurd en geleid, zoovele dwalingen te kunnen doen samenwerken.

17. De mensch was, is, en zal steeds zijn, het gewrocht zijner omgeving; van de omstandigheden om hem heen. De werking dezer omstandigheden wordt in geringe, niet nauwkeurig te bepalen mate gemodificeerd, door de eigenlijke gesteldheid en de verbinding van de organen en de geschiktheden van de individueele organisatie der menschen.

18. De hoogere of lagere ontwikkeling, de ellende, of het geluk van de menschen, hangen in zeer hoogen graad af, van den aard en den toestand der uiterlijke omstandigheden, welke den mensch omgeven.

19. De bevrijding van die hoofddwalingen, van de desorganisatie en de klassenverdeeling, welke in het verleden en het heden, den chaotischen, foutieven en onzinnigen toestand van de samenleving geschapen hebben, wordt in het leven geroepen door eene volkomene verandering van de, tegen het gezond verstand indruischende uitwendige omstandigheden, welke deze grondfouten, deze desorganisatie en deze klassenverdeeling ter hunne voortduring noodzakelijk gemaakt hebben, in tegenstelling met de nieuwe feiten, welke door den tijd en door de ervaring gestadig in een of ander deel van de wereld, tot ontwikkeling gekomen zijn.

20. Eene gansch nieuwe orde van de uitwendige omstandigheden, kan thans in het leven geroepen worden, met behulp der middelen, die onder de gemakkelijkste contrôle van de maatschappij kunnen staan. Eene orde van zaken scheppen, die onfeilbaar voor het menschelijk geslacht een hooger karakter als tot dusver bereikt is—en een verreweg hoogeren welstand voor allen, als tot dusverre geheerscht heeft zullen in het leven roepen, van omstandigheden, welke aan alle oorlogen en aan alle tweedracht tusschen personen, zoowel als tusschen volkeren, een einde kan maken. En eene welke vrede, vriendschap en liefde tot hun recht zullen doen komen en die een verreweg hoogeren graad, van bestendig toenemend weten en welzijn,—als tot dusverre gekend was,—voor alle menschen grondvesten zal.

21. Deze uitwendige omstandigheden zullen bestaan: uit zichzelf instandhoudende en op wetenschappelijke grondslag berustende instellingen voor de voortbrenging en de verdeeling van den rijkdom; voor de huiselijke gemakkelijkheid van allen; voor de ontwikkeling van het karakter van allen, van af de geboorte tot aan den ouderdom en van de lokale en algemeene regeering van allen, zonder ter hulpe te nemen, het tot dusver gevolgde onrechtvaardige en barbaarsche systeem, van persoonlijke straffen en persoonlijke belooningen.

22. Deze nieuwe instellingen zullen zijn, inrichtingen waarvan elk, voor de opname en de instandhouding eener gemeente van 500 tot 2000 personen (in de gewone verhouding van mannen, vrouwen en kinderen); welke gemeenten zich rijkelijk zelven onderhouden kunnen, met behulp van den hoogeren trap van hun weten en hun goed geleide nijverheidsvlijt, en ondersteund worden door de onbegrensde hulpmiddelen van de mechaniek en de chemie, welke tot bevrijding van alle ongezonde en weerzinwekkende verrichtingen van het leven, in praktijk kunnen worden gebracht.

23. Deze doeltreffende veranderingen van de uitwendige toestanden, welke er toe bestemd zijn, de gestadige vooruitgang en het steeds groeiende geluk van het menschelijk geslacht te verzekeren, kunnen met veel geringer offers van kapitaal, van tijd en van arbeid, toegepast en in stand gehouden worden, als thans noodig is, om den tegenwoordigen chaotischen en op tegenstrijdigheden berustenden toestand van de maatschappij, in stand te houden

24. De volkomen verandering van den tegenwoordigen, in den nieuwen toestand, kan plaats vinden, zonder eenige wanorde of verwarring teweeg te brengen, en kan door eene, op voor elk individu weldadige wijze, worden in ’t leven geroepen.

In den loop dier discussie had Owen nog verder de gelegenheid, om zijne meeningen nader uiteen te zetten. Hij zeide toen ook nog dit:

„Wanneer het nu toch zoo gemakkelijk is de dwalingen van de samenleving te bewijzen, hoe is het dan mogelijk, dat zij zich duizende jaren achtereen, hebben kunnen staande houden? Ik moet hierop antwoorden: door een drieëenigheid van machten—door geheimzinnige,—tegen het gezond verstand indruischende godsdiensten; door menschelijke wetten, die met de wetten der natuur in strijd zijn en door regeeringen, die op onrecht en geweld steunen. De gansche wereld wordt volgens deze principes geregeerd; ons geheele maatschappelijke systeem is er op gebaseerd. En onze belachelijke en domme verdeeling van de menschen in klassen, een toestand, wier weêrzinwekkendheid ik nu wil daar laten, is tegenwoordig de hoofdsteunpilaar van deze avontuurlijke en weêrzinwekkende verhoudingen.”

Owen nam nu een aantal houten wervels van verschillende grootte, waarmede hij de positie en de verhouding der verschillende klassen tot elkander, wilde aantoonen en verklaren.

„De grootste dezer wervels,” zeide hij, „stelt de totaal-bevolking van Groot-Brittanje voor. Die welke er in grootte op volgt en ongeveer het drie-vijfde van de grootte der grootste heeft, stelt de talrijkste klasse voor: die der arbeiders, welke de voortbrengers zijn van alle rijkdom en desniettegenstaande, in de diepste onwetendheid en armoede leven. Dat deze belangrijkste, de eenig onontbeerlijke klasse van de bevolking tot zulk een ellendig bestaan gedoemd is, kan geen enkel lid van de menschelijke samenleving tot waar voordeel strekken. De volgende wervel stelt voor: de dieven, de vagebonden en de paupers. De vierde, die welke de kleine-kramers voorstelt, heeft tot levensregel: goedkoop inkoopen en duur verkoopen. Dan volgen de kooplieden, bankiers, de groothandelaren, fabrikanten en de zoogenaamd geleerde standen. Dan het leger en de vloot, waarbij een mensch als een ruw en ongevormd wezen toetreedt, na weinig weken is gevormd tot een volkomen, niet-weder-te-herkennen individu, omgedrild en ingewijd wordt in de verbazend verhevene wetenschap om zijne medemenschen, op het gemakkelijkst naar een anderen wereld te helpen.

„Dan komen de grondeigenaren en de adel. Dan de clerus en de Huizen der Lords en de leden van het Lagerhuis. De kleinste wervel stelt de koninklijke familie, de bisschoppen en de aartsbisschoppen voor. En de groote massa nu wordt door dit allerkleinste werveltje geregeerd! Dit is toch wel een kinderachtige orde van zaken, waarbij niemand voordeel heeft!”

„Men heeft mij tegengeworpen,” zeide Owen vervolgens bij de discussie: „ik troost de menschen met de toekomst, ik spijzig hen met een wissel op de eeuwigheid! Wie kan echter van mij verlangen, dat ik de wereld verander met één handomdraaien? Ik wil geen wonderen verrichten; ik wil alleen de fouten en gebreken van den tegenwoordigen toestand en hare ontwikkeling aantoonen en de mogelijkheid aangeven, om tot verbetering dier toestanden te geraken. Heeft het Christendom soms het welzijn van de menschheid bevorderd, op de een of andere manier? Ik vraag U: wat hebben wij in de 1800 jaren, waarin de christelijke religie bestaan heeft, door dat christendom gewonnen? Welk nut heeft het ons gebracht? Wat waren zijne daden? Wat waren zijne werkingen? Ik heb alleen ontdekt, dat sedert het Christendom bestaat, de christenen van elken aard, van elke sekte, confessie en partij, gestadig elkander hebben bevochten; wegens hunne geloofstellingen, elkander in de haren zijn gevlogen en elkander uitgeroeid hebben!

„En wanneer ik bedenk, hoe de christenen overal en sedert alle tijden, door alle menschelijke ondeugden en fouten bevangen waren; hoe liefdeloos, hatelijk, egoïstisch en gruwzaam zij overal en ten allen tijde, onder elkander, en tegen andersdenkenden waren, dan, moet ik zeggen houd ik het voor een zeer groote dwaasheid, te spreken van de „zegeningen des christendoms.”....

„Ik weet niet wanneer de menschelijke samenleving verstandig zal zijn ingericht, maar dat weet ik er wel van, dat, wanneer dit eenmaal zal zijn geschiedt—en ik hoop dat dit niet zoo lang meer zal duren,—dat dan niet 1800 jaren behoefden te verloopen, alvorens de menschheid geleerd zal hebben, in vrede en vriendschap gelukkig onder elkander en met elkander te leven.”

....„Tegen de stelling, dat het karakter der menschen het produkt van uitwendige inwerkingen is, heeft men voorts aangevoerd, elk mensch heeft een hem aangeboren, hem ingeplant geweten. Niets kan meer in strijd zijn met alle waarheid en elke ervaring. De waarheid is deze: het geweten wordt juist zoo en net zoo gefabriceerd, als een katoenenstof of een of andere waar. Voor een Hindoe kunnen wij een Hindoe-geweten vervaardigen, voor een Kannibaal een kannibalen-geweten enz.....

„Men werpt mij tegen: ik wil den menschen tot machines maken. Laat dit zoo zijn; dan wil ik toch in elk geval goede machines van hen maken en dit is ongetwijfeld mogelijk. En zonderling, die menschen, die het in mij laken, dat ik den mensch voor het produkt der omstandigheden verklaar, loochenen het in weerwil daarvan, dat de menschen de omstandigheden contrôleeren kunnen en drijven hunne inkonsekwentie nog verder, waar zij aannemen, dat dezen mensch, die de omstandigheden niet vermag te contrôleeren, tòch voor zijne handelingen verantwoordelijk gesteld kan worden.”

Robert Owen had zijn gansche leven lang de illusie gekoesterd, en dit had hij gemeen met zijne tijdgenooten, de Utopisten in Frankrijk, dat de Vorsten en Grooten der aarde in hun eigen belang, gelijk hij meende, zijne sterkste medewerkers zouden worden bij zijn hervormingsplannen. Zijn geloof was ijdel; maar tot aan het laatst van zijn leven, dat hij zonderling genoeg, als spiritist eindigde, is hij, desondanks blijven gelooven aan de waarheid van zijn stelsels en aan de toekomst van zijne plannen.

In het jaar 1818, toen te Aken het congres der „Heilige Alliantie” tezamen kwam, wendde Owen zich tot deze bijeenkomst, om te trachten haar te winnen voor zijne wereld-hervorming. Hij richtte toen zijn „Adres aan de hoofden der Regeeringen en der Kerken en aan de Mannen van den leidenden invloed in de beschaafde Wereld”, waarin hij o. a. zeide:

„Opdat de groote en glorierijke hervorming van den toestand der menschen, zonder wanorde en verwarring, en zonder nadeel voor welk individu ook, zich kan voltrekken, behoorden de bestaande regeeringen, elk een of meer, van de ervarenste en voor dezen arbeid meest geëigende persoonlijkheden in de respektieve Staten te benoemen, welke een Congres zouden moeten bijeenroepen op een plaats, die zich daartoe het best leende, ten einde zich daarop te verstaan, omtrent de meest praktische maatregelen, waardoor eene hervorming op de voor beide deelen, regeeringen als volken, heilzaamste manier is tot stand te brengen.”

Natuurlijk had de „Heilige Alliantie” geen ooren naar Owen’s voorstellen, evenmin als zij dit had, naar die van de Saint-Simon of Charles Fourier, die zich tot haar wendden.

Wat de arbeidersbeweging in Engeland betreft, is Owen wel de eenige econoom van zijnen tijd geweest, die de beteekenis van de Trade Unions voor de positie van den arbeid tegenover die van het kapitaal, heeft begrepen. In den tijd van Owen, was er niet één staathuishoudkundige van naam, die niet in de individueele vrijheid het hoogste heil van de menschheid en voor de nijverheid, van het allervoornaamste gewicht achtte.

Owen trachtte de Trade Unions dienstbaar te maken aan zijne algemeene plannen, tot hervorming van den arbeid. Door middel van de algemeene Vakbond der Engelsche arbeiders trachtte hij dat te doen. Hij streefde hiermede, in den grond der zaak een denkbeeld na, dat aan de besten onder de Engelsche Trade Union-mannen steeds heeft voor den geest gestaan, maar tot op den huidigen dag, nog niet verwezenlijkt is.

In September 1833 hield Owen een toespraak op het Congres der „Builders-Union”, waarin hij de stelling ontwikkelde, dat de arbeid de bron is van alle rijkdom en dat die rijkdom voor de voortbrengers kon behouden blijven door een wereldverbond van de voortbrengende klassen. De stichting van een „Algemeenen Bond van de voortbrengende klassen” in 1834, was het gevolg van de Owensche agitatie. Hij werd gevolgd door die der „Grand National Consolidated Trade Unions”, die meerdere invloed had dan de eerstgenoemde, en welker agitatie en propaganda, zelfs, nadat hij zelve niet meer bestond, van grooten invloed is geweest op de denkbeelden van de vakvereenigingsmannen in Engeland. Het Owensche socialisme heeft in Engeland lange jaren eene krachtige school gevormd, onder arbeiders, zoowel als onder intellektueelen.

Tot Owen’s beste scholieren kan William Thompson worden gerekend, die, grondiger econoom, dan hij, vooral de theorieën uitwerkte en ze propageerde.

Den 17en November 1858 blies Owen, als een zwakke en op het laatst geheel hulpelooze grijsaard, den laatsten adem uit. Zijn laatste woorden waren, schrijft zijn zoon: „De verlossing is gekomen!” Zij was dit inderdaad voor den man, die zoo oud werd en in zijn leven van een groot vertrouwen in de menschheid, zooveel teleurstelling ondervond en zooveel smaad oogstte.

Wat Owen gemeen had met zijn groote tijdgenooten, Saint-Simon en Fourier, dat was zijne utopistische wereldhervormingzucht; wat hem van hen onderscheidde, dat was zijne praktische blik op de industrieele vooruitgang, waarvan door hem zoo dikwerf de blijken gegeven zijn.

Owen zag dan ook in de toename van de groot-industrie op nijverheidsgebied niets, dat aan-zich slecht is en verderfelijk, gelijk de conservatieve socialisten van zijn tijd bijv., maar iets dat alleen in staat is, de wereld beter te maken. Door de geweldige toename van den rijkdom, die alleen kon worden in het leven geroepen door de produktie op den grootst mogelijken schaal, alleen daardoor kon ook, volgens Owen, de menschheid datgene bereiken wat zij bereiken moest, n.l. een algemeen-maken van de opbrengsten van den arbeid: een communisatie van de nationale goederen. Owen wilde nooit terug, maar steeds vooruit.

En het is vooral hier, bij dat punt in Owen’s beschouwingen, dat de latere sociaal-demokraten, dat Marx heeft kunnen aanknoopen. Omdat, gelijk men later zal zien, Marx het kapitalistisch produktiestelsel als een historisch proces in de ontwikkeling der maatschappelijke produktie beschouwt, dat zich, hoofdzakelijk door zijn eigene voortontwikkeling, zelve oplossen moet.

De ontwikkelings- en bewegingswetten van het kapitalistische stelsel, waardoor dit zal moeten geschieden, heeft Marx later ontdekt. Maar dat de moderne groot-produktie op den grootstmogelijken voet en met de meest volmaakte produktiewerktuigen en krachten, de hefboom is, voor de vooruitgang van de menschheid naar de communistische samenleving, is een ontdekking door Robert Owen gedaan, in een tijd, toen de kapitalistische groot-industrie, in verhouding tot de middelen waarover zij later beschikte, nog in hare kinderschoenen stond.

De eene groote Utopist, de graaf de Saint-Simon, profeteerde dat de toekomst aan den arbeid was, en verklaarde de politiek voor de wetenschap der produktie. De andere, Charles Fourier, uit burgerlijker kringen voortgesproten, critiseerde op geweldige wijze de burgerlijke samenleving en toonde aan, „dat de armoede in onze maatschappij uit overvloed voortkomt.” En de derde, Robert Owen eindelijk, ontdekte den arbeid als den bron van allen rijkdom in de kapitalistische maatschappij, d. w. z. als de eenige voortbrenger der ruilwaarden; en ontdekte voorts, dat in de nijverheid, de menschheid niet terug moet naar de klein-produktie, maar integendeel, vérder voort moet op den weg van de groot-produktie. Bovendien heeft de laatste, praktisch aangetoond, den grooten invloed die er uitgaat van het stoffelijk milieu op den mensch en van de veranderingen, die deze als sociaal wezen, daardoor kan ondergaan. Al heeft dit Owen ook hier en daar overschat, het blijft een feit, dat hij der wereld met de bewijzen in den hand heeft aangetoond, van hoeveel gewicht, de verandering van het sociaal milieu op de samenleving is en kan worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings