← Table of contents
Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

JEANNE D'ARC.

Reading edition

HOOFDSTUK I.

Domrémy.—Vaucouleurs.—Chinon.—Poitiers.

Il faut que tout écrivain, tout artiste, qui touche à un tel sujet, apprenne à quel ridicule définitif il s'expose, s'il s'éloigne de la simple et nue vérité.

Gabriel Hanotaux. „Jeanne d'Arc”.

De toestand, waarin Frankrijk verkeerde in de eerste dertig jaren van de vijftiende eeuw, dat is dus even vóór en tijdens het leven van Jeanne d'Arc, kan met één enkelen trek niet beter en vollediger geschetst worden, dan met dit woord van Jeanne zelf: „grande pitié était au royaume de France”. De toestand was erbarmelijk, de ondergang van het wettige koningshuis scheen nabij.

Nadat Karel VI in het eind van de veertiende eeuw krankzinnig was geworden, en dientengevolge de regeering aan zijne bloedverwanten had moeten overlaten, was onder dezen een heftige strijd ontbrand over de opvolging op den troon van Frankrijk.

In dezen krijg vinden wij aanvankelijk tegenover elkaar den Hertog van Orléans, wiens troepen onder bevel staan van Bernard, graaf van Armagnac en den Hertog van Bourgondië. Maar Bourgondië staat niet alleen en roept de hulp in van zijn bondgenoot Hendrik IV, koning van Engeland. Na den dood van Hendrik IV zet zijn opvolger Hendrik V den strijd tegen de Armagnacs voort en vernietigt in 1415 in den slag bij Azincourt hun leger en een voornaam deel van de Fransche adel. In 1419 valt Rouaan, ja geheel Normandië in handen van de Engelsche veroveraars, en eindelijk wordt bij het verdrag van Troyes, gesloten tusschen Isabeau de Bavière, de vrouw van Karel VI, en Filips de Goede, met de Engelschen in 1420 Frankrijk aan Engeland overgeleverd. Hendrik V en de ongelukkige Karel VI sterven in hetzelfde jaar 1422. De Engelschen en Bourgondiërs erkennen den nog zeer jongen Hendrik VI als erfgenaam van den dubbelen troon van Engeland en Frankrijk. Maar Karel VI had kinderen. Zijn aangewezen en wettige troonopvolger was dus zijn oudste zoon, tevens oudste kind, eveneens Karel geheeten. Deze dauphin was op zestienjarigen leeftijd gevlucht naar het eenige deel van Frankrijk dat hem trouw was, gelegen aan gene zijde van de Loire; daar werd hij te Bourges als Karel VII gekroond. De strijd van den jongen koning tegen zijn beide machtige vijanden scheen bijkans hopeloos; steeds drijven de Godoms (de Engelschen) zijn troepen verder terug. De eene ramp volgt op de andere.

De bewoners van de steden, maar vooral die van het platte land, lijden ontzettend onder deze oorlogen. De rondtrekkende legers zaaien overal op hun pad dood en verderf, en kleinere, ongeregelde benden loopen heele landstreken af, verwoesten den oogst, verbranden de dorpen, brengen overal schrik en ellende. Nergens is men zijn leven een oogenblik zeker. Dag en nacht moet men zich gereed houden, om op het eerste alarmgelui zijn have en goed te verdedigen of zich uit de voeten te maken.

Zoo is de toestand in Frankrijk als in de eerste maanden van 1429 een meisje van zeventien jaar aan het hof van Karel VII verschijnt en den koning belooft Frankrijk te zullen redden. Zij komt van Domrémy, haar naam is Jeanne d'Arc.

In den nacht van den 6en Januari 1412, dus in den nacht van het Driekoningenfeest, werd Jeanne d'Arc te Domrémy geboren. Dit is het simpele, geschiedkundige feit, maar wij willen volledigheidshalve melding maken van het gerucht, dat zich op het oogenblik van de geboorte van Jeanne, een gevoel van ongekende en geheimzinnige vreugde meester maakte van de bewoners van hare geboorteplaats, en alle hanen eensklaps lustig begonnen te kraaien; dat behoort natuurlijk thuis op het gebied van de zuivere legende en wij laten het voor rekening van den dichterlijken uitvinder.

De ouders van de kleine Jeannette, zooals zij in de eerste jaren genoemd wordt, zijn Jacquot d'Arc, wiens naam destijds uitgesproken werd d'Aï, en Isabelle Romée. Zij hebben behalve Jeanne nog vier kinderen, drie zoons, Jacquemin, Jean en Pierre en een dochter genaamd Cathérine.

Jacquot d'Arc is een eenvoudig burgerman, met een kleinen veestapel en een stukje bouwland, maar in zijn dorp geniet hij eenig aanzien, hij is deken van de gemeente, commandant van de wacht, en draagt zorg voor de bewaking van de gevangenen. De moeder van Jeannette is een brave, vrome vrouw. In 1429 neemt zij deel aan een pelgrimstocht naar het heiligdom van Notre Dame du Puy-en-Velay, en enkele geschiedschrijvers meenen zelfs dat zij den naam Romée te danken had aan een vroegeren pelgrimstocht naar Rome. De vervulling van hare kerkelijke en godsdienstige plichten belet haar niet haren kinderen een voor dien tijd behoorlijke opvoeding te geven. Als Jeanne later voor hare rechters verklaart, dat zij zich in de kunst van naaien en spinnen durft meten met elke vrouw in Domrémy, dan is dit een compliment aan hare moeder, die haar deze zaken geleerd heeft. Nog leerde de moeder haren kinderen de voornaamste gebeden, het Ave, het Pater noster en het Credo, en dat was al. Jeanne leerde lezen, noch schrijven, zij kende A noch B, zooals zij het zelf later uitdrukte, maar dat was niets bijzonders, dat had zij gemeen zelfs met zeer veel hooggeplaatste adellijke heeren en voorname dames van dien tijd.

Het geboortehuis van Jeanne d'Arc te Domremy, zooals dit thans nog bestaat.--Naar een photographie.
Het geboortehuis van Jeanne d'Arc te Domremy, zooals dit thans nog bestaat.--Naar een photographie.

Het geboortehuis van Jeanne d'Arc te Domremy, zooals dit thans nog bestaat. Naar een photographie.

Van hare ouders ontving zij als kind een ring met het opschrift: „Jhesu-Maria”, hetzelfde dus, dat wij later terugvinden boven hare brieven en op haren standaard.

Omtrent de verdere familie-relaties van Jeanne, waarvan ons trouwens ook niet veel bekend is, kunnen wij volstaan met te vermelden, dat haar oom van moederszijde pastoor was te Sermaize, en haar germain-neef Nicolas Romée, genaamd de Vouthon, geestelijke aan de abdij van Cheminon. Met een anderen oom, Durand Laxart te Burey-le-Petit, maken wij later nog nader kennis.

Het dorp Domrémy, waar Jeanne geboren is, en waar zij hare jeugd heeft doorgebracht, is gelegen in het Noord-Oostelijk deel van Frankrijk, tusschen Neufchâteau en Vaucouleurs aan de Maas. De bevolking van Domrémy, die bestond uit kleine landbouwers, leefde van hare kudden en van de opbrengst van kleine wijngaarden op de naburige heuvels. Een beek verdeelde het dorp, dat op een heuvelhelling gebouwd was, in drie deelen, waarvan één, het deel waarin de kerk en het huis van Jacquot d'Arc zich bevonden, ressorteerde onder de heerlijkheid Vaucouleurs, en regelrecht stond onder het gezag van de kroon van Frankrijk. Eerst aan de overzijde van de Maas begon het gebied van het hertogdom Lotharingen. Het was dus ten onrechte, dat Jeanne in den volksmond dikwijls „Lorraine” werd genoemd; zij beschouwde zichzelf als en was ook inderdaad: „Française”.

De ligging van de geboorteplaats en zelfs van het geboortehuis van Jeanne is ongetwijfeld van grooten invloed op haar verder leven geweest. De groote weg, die Vlaanderen en Bourgondië verbond met de Rijnlanden, met Zuid-Duitschland en zelfs met Italië, loopt door Domrémy langs het huis van Jeanne's vader. Dagelijks trokken dus reizigers, kooplieden met hunne kleine karavanen en bedelmonniken hare woning voorbij. Dit gaf eenig vertier, ja zelfs gezelligheid, want de vermoeide reiziger vond in het gastvrije huis van Jacquot d'Arc een leger om te rusten en een stal voor zijn paard en ook de rondzwervende bedelmonnik vond er een stevig maal en in de kou een warm vuur.

Gedurende de lange winteravonden zaten deze passanten, deze gasten voor één nacht, genoegelijk met het gezin om de groote schouw, en verhaalden van hunne wederwaardigheden, of wat zij onder weg gehoord hadden. Zij maakten groote reizen en konden dus veel vertellen, maar in dien tijd van rampspoed liepen de gesprekken en handelden hunne verhalen steeds over hetzelfde onderwerp, waarover men nooit uitgepraat raakte: de verschrikkingen van den oorlog en de „grande pitié qui était au royaume de France”.

De kleine Jeanne zat daarbij en hoorde die verhalen aan. Is het te verwonderen dat zij op haar jong, ontvankelijk gemoed een diepen, onuitwischbaren indruk hebben gemaakt? Is het niet zeer natuurlijk zelfs, dat die telkens herhaalde beschrijvingen van bloedige tafereelen, van plundering, brand en moord haar voortdurend voor den geest bleven, haar zelfs niet verlieten in hare droomen, en haar vervulden met een groot en innig medelijden met het zwaar beproefde volk?

Een andere omstandigheid van groot gewicht is, dat het huis, waarin Jeanne is groot gebracht, gelegen was in de onmiddellijke nabijheid van de kerk van Domrémy; de tuin grensde aan het kerkhof. Van hare vroegste jeugd af hoorde zij dagelijks op gezette tijden het vroolijke beieren van de klok; zij luisterde er naar, want ze hield van dat geluid, zij onderbrak er haar werk of haar spel een oogenblik voor, en soms ook stond ze er op te wachten met ongeduld, wetende dat het komen zou. De klokkenluider van Domrémy was een jongen, dien Jeanne dagelijks zag, dien zij kende en met wien zij sprak. Zij kon hem niet vergeven, dat hij lui was en dikwijls te laat kwam, en beloofde hem eenmaal zelfs een mandje witte wol van de schapen van haren vader, als hij in het vervolg beter op zijn tijd wou passen en op tijd de klok wou luiden.

Een natuurlijk en bijna onvermijdelijk gevolg van de onmiddellijke nabijheid van de kerk was nog, dat Jeanne daar behalve voor het bijwonen van een dienst, het hooren van een Mis, ook op andere tijden dikwijls binnen liep. Zij zag daar enkele beelden en schilderijen, afbeeldingen van Heiligen. Vergeten wij niet, dat voor een kind, levende op het platteland, in de eerste jaren van de vijftiende eeuw, de kerk doorgaans de eenige plaats was, waar het iets kon zien, dat naar een beeld of schilderij geleek. Jeanne had voor de afbeeldingen, die zij in de kerk van Domrémy zag, alle aandacht van een kind, dat zich rekenschap geeft van hetgeen zij om zich heen ziet. Zij werd langzamerhand vertrouwd tot zelfs met de kleinste bijzonderheden van de naïeve voorstellingen die zij dagelijks bewonderde, en als later hare stemmen tot haar zullen spreken en hare Heiligen haar zullen verschijnen, zullen deze laatsten gekleed en versierd zijn als de figuren in de kerk te Domrémy.

Vele bijzonderheden zijn ons uit de eerste kinderjaren van Jeanne niet bekend. Wij weten slechts, maar dit is juist van groot belang, dat zij een gezond en vroolijk kind was, dat met hare kornuitjes speelde en stoeide op zijn tijd. Men heeft haar later dikwijls voorgesteld in woord en beeld als herderinnetje; wij weten uit eene verklaring van Jeanne zelf, dat deze voorstelling niet zeer juist is; zij heeft duidelijk gezegd, dat zij slechts zelden de kudde van haren vader gehoed heeft.

De talrijke getuigen uit Domrémy in het proces van Rehabilitatie weten ons allemaal te vertellen, dat een ieder op zijn beurt er op uit trok, om het vee van alle bewoners te zamen te weiden en dat Jeanne dit ook slechts gedaan heeft, wanneer het haar beurt was.

Geen dweepstertje dus was de kleine Jeanne, dat zich van andere kinderen afzonderde en leefde met hare droomen; neen, een klein meisje, waaraan aanvankelijk niets bijzonders was, en dat men dus niet opmerkte.

Jaarlijks, op vaste dagen, trokken de kinderen uit de omstreken van Domrémy in optocht naar het zoogenaamde „bois chesnu”. Dit was een bosch van statige eiken, gelegen op een heuvel op een kleine mijl afstands van het dorp. Aan den zoom stond bij een beek een beukeboom, de schoone Mei genaamd. Volgens oud gebruik brachten de kleinen bloemen en kransen, door henzelf gevlochten, aan den voet van dien beuk of hechtten ze aan zijn takken. Men mompelde iets van de verschijning van feeën bij dien boom en van wonderdadige geneeskundige kracht van het water van de beek, maar die praatjes waren verdacht en riekten naar den mutserd. Jeanne, hierover later ondervraagd, verklaarde die verhalen wel gehoord, maar er nooit aan geloofd te hebben; zij hield ze voor bakersprookjes. Wel was zij trouw altijd medegetrokken met hare kameraadjes, vroolijk zingend langs den weg, en had ook zij haar eigen gevlochten kransje neergelegd aan den voet van de schoone Mei of zooals hij ook wel genoemd werd de Boom der Feeën.

De eerste jeugd van Jeanne verliep dus heel gewoon zonder eenige belangrijke of schokkende gebeurtenis voor het kind. Maar in den zomer van 1425, als zij dus dertien jaar is, krijgt zij haar eerste visioen. Het was op een middag tegen twaalf uur, zoo vertelt zij zelf. Zij wandelde rustig in den tuin van haar vader, toen zij eensklaps een stem hoorde, die haar bij haar naam noemde. Zij zag op naar de zijde, vanwaar zij geroepen werd, en zag aan haar rechterhand, aan den kant van de kerk, een helder licht. Dan roept dezelfde stem haar nogmaals en vermaant haar zich behoorlijk te gedragen.

Die eerste maal schrikt Jeanne hevig, zij is bang, maar als de visioenen zich kort daarna eenige malen herhaald hebben, begrijpt zij, dat zij haar door God gezonden worden en bij de derde gelegenheid weet zij reeds, dat het de stem is van den Heiligen Michaël, die tot haar spreekt. Zij heeft den Heilige duidelijk voor zich zien staan in het groote licht rechts aan de zijde van de kerk; hij was als ridder gekleed en omringd van een breede schaar van engelen.

De zekerheid, dat het een Heilige was, die tot haar sprak en die haar door God gezonden was, stelt haar gerust, zoodat zij het ook niet noodig acht, met iemand, zelfs niet met hare moeder, over hare visioenen te spreken. Eerst later te Chinon vertelt zij alles aan den koning, en eindelijk aan hare rechters te Rouaan deelt zij er van mede, wat zij oordeelt, dat zij er van vertellen mag.

De visioenen herhalen zich twee of driemaal per week en verschijnen nu eens, terwijl de kerkklok luidt, dan weer, als alles stil is in den omtrek. Na eenige malen is het niet meer uitsluitend de Heilige Michaël, die zich aan Jeanne vertoont, maar ziet zij ook de Heilige Cathérine en de Heilige Marguérite. Zooals zij zelf verklaart, herkent zij deze Heiligen door de namen, waarmede zij elkaar aanspreken en aan de wijze, waarop zij haar groeten. Bij hun verschijnen dragen zij kostbare kronen op het hoofd en verspreiden een heerlijken geur. Als Jeanne ze voor de eerste maal ziet, knielt zij neder, en steekt biddend hare handen op. De Heiligen zegenen dan den ring met het opschrift „Jhesu-Maria” en Jeanne doet hun plechtig de gelofte, dat zij Maagd zal blijven, zoolang het God behagen zal.

Aanvankelijk bepalen de stemmen er zich toe, Jeanne te vermanen, zich goed te gedragen en trouw ter kerke te gaan, maar al spoedig beginnen zij er op aan te dringen, dat zij zich op zal maken om „naar Frankrijk” te gaan, om het land te redden. Het arme kind, hoewel langzamerhand beseffende, dat zij door God is uitverkoren, acht de taak, dien men haar opdraagt, te zwaar. Hoe wil zij, een arm meisje van nog geen veertien jaar, dat niets weet, niets geleerd heeft, haar land te hulp komen? In dien zin antwoordt zij ook haren stemmen, zeggende: „Ik ben een arm meisje, dat kan paardrijden, noch oorlogvoeren”. Maar de stemmen houden aan, en laten haar niet los. Zij herhalen hunne oproepingen soms tweemaal in één week en dat gedurende geruimen tijd, ja gedurende eenige jaren. In deze periode van grooten, innerlijken tweestrijd merkt ook de omgeving van het jonge meisje eenige verandering in haar op. Van een dartel, vroolijk jong ding, wordt zij nu meer teruggetrokken, zij verlaat nu dikwijls het spel van hare kameraadjes en zondert zich af in de eenzaamheid of verdiept zich in de kerk in gebed. Voor al haar doen en laten vraagt zij raad aan hare Heiligen, die haar blijven steunen en leiden. Maar helaas, hunne bezoeken duren slechts kort. Jeanne, telkens verrukt als zij de Heilige Cathérine en de Heilige Marguérite voor zich ziet, valt ze eerbiedig te voet, kust hunne voeten en den zoom van hun schitterend kleed. Zij stort haar hart voor hen uit en smeekt ze, haar mede te nemen naar het Paradijs. Maar de Heiligen trachten haar gerust te stellen, wijzen haar op hare verheven taak, en als zij verdwijnen, blijft Jeanne schreiend achter, diep bedroefd, dat zij haar verlaten en niet medegenomen hebben.

Niemand is er, met wien Jeanne durft spreken over hare Visioenen, over hare stemmen, en de opdracht, die zij haar gegeven hebben.

In het proces wordt haar later verweten, dat zij haar biechtvader er niet over geraadpleegd heeft. Maar Jeanne achtte dit niet noodig. Worden hare Heiligen haar niet rechtstreeks door God gezonden, waartoe dan zou zij menschelijke hulp inroepen in een zaak uitsluitend tusschen Messire en haar?

Steun, d.w.z. medewerking voor hare groote plannen, zou zij bij hare ouders zeker niet gevonden hebben. Bekend is, dat haar vader, blijkbaar geen vriend van halve maatregelen, in die dagen een droom gehad heeft, waarin hij Jeanne zag, die met een gewapenden troep ten strijde trok. Maar aan zijn zoons, wien hij zijn droom vertelde droeg hij op, dat zij haar, wanneer zoo iets ooit gebeurde, moesten verdrinken, en voegde hij er aan toe, wanneer zij het niet deden, zou hij haar zelf verdrinken.

Hoogst merkwaardig is zeker, dat Jeanne soms met hare stemmen in discussie treedt. Zij is in haar verzet dan steeds volkomen logisch en bewijst dat zij ook in tegenwoordigheid van hare Heiligen of als hare stemmen tot haar spreken, de volle beschikking behoudt over haar gezond verstand. Zij wijst in deze eerste jaren hare stemmen op de schier onoverwinnelijke moeilijkheden aan haar taak verbonden: hoe kan zij wegkomen van het ouderlijk huis, hoe zal zij den Dauphin bereiken, die in een van zijne kasteelen aan de Loire vertoeft, dus op een afstand van eenige honderden kilometers van Domrémy, terwijl de tusschengelegen streek onveilig wordt gemaakt door vijandige Engelsch-Bourgondische troepen of ongeregelde plunderende benden?

Maar ook later, als zij met hare stemmen spreekt over haar plan, om uit het kasteel Beaurevoir te ontsnappen, zijn hare tegenwerpingen zoo nuchter verstandig, zoo zuiver menschelijk. Nu het er echter om gaat haar de aangevoerde moeielijkheden uit het hoofd te praten, weten hare stemmen haar een middel aan de hand te doen, dat een groot deel van hare bezwaren opheft, en waaraan Jeanne zelf niet gedacht had. Zij behoeft zich niet regelrecht bij den Koning aan te melden, houden zij haar telkens voor; zij kan beginnen met zich te wenden tot Robert de Baudricourt, kapitein van Vaucouleurs. Vaucouleurs is slechts eenige mijlen van Domrémy verwijderd en de bevolking van de plaats is den Koning trouw gebleven. De naam van den kapitein was Jeanne ook niet onbekend. Robert de Baudricourt was het type van een ruw soldaat, een echte houwdegen, maar een open, ronde kerel, hij deed genoeg van zich spreken in de gansche streek, en Jacquot d'Arc was meermalen persoonlijk met hem in aanraking geweest, o. a. bij de onderhandelingen over eene schadevergoeding aan Robert de Saarbrück, waarbij de kapitein als scheidsrechter optrad.

Hem kan Jeanne haar plan mededeelen; hij zal haar helpen en de noodige manschappen te harer beschikking stellen, die haar veilig en wel bij den Koning zullen brengen.

Maar Jeanne aarzelt nog en geen wonder.

Juist alles, wat zij over de Baudricourt gehoord heeft, doet haar betwijfelen of hij nu wel de rechte man is, die haar gelooven zal, en dien zij voor haar groote zaak zal kunnen winnen. Zal deze krijgsman haar wel ontvangen en aanhooren?

Hare stemmen houden aan, steeds dringender. De nood stijgt hooger; reeds hebben de vijanden het beleg voor Orléans gelegd en troepen worden gezonden, om ook het oosten van het land, de streek van Vaucouleurs, te onderwerpen.

Dan eindelijk, in de eerste dagen van Mei 1428, is haar besluit genomen. Jeanne vertrekt. Het is Gods wil, zij kan niet anders. Niets kan haar nu meer tegenhouden, en „al had zij ook honderd vaders en moeders gehad, al was zij eene koningsdochter geweest, zij zou toch vertrokken zijn”.

Zij verlaat de ouderlijke woning onder een voorwendsel. Zij krijgt toestemming van hare ouders, om voor eenige dagen naar haar „oom Durand Laxart” te Burey-le-Petit te gaan. Deze „oom”, in werkelijkheid een neef, die door de kinderen van Jacquot d'Arc, omdat hij veel ouder is, oom genoemd wordt, zal zij eerst in vertrouwen nemen, in de hoop dat hij haar helpen zal, om met Robert de Baudricourt in aanraking te komen.

Maar oom Durand schijnt niet op het eerste gehoor van de hooge roeping van zijn nicht overtuigd geweest te zijn en Jeanne heeft gedurende een week al hare overredingskracht noodig, om hem te winnen. Zij herinnert hem o.a. aan eene oude voorspelling „dat een vrouw het Fransche koninkrijk zou te gronde richten, en dat een Maagd het zou redden”.

Durand kent deze voorspelling en dit laatste argument van Jeanne stemt hem tot nadenken. De eerste helft van de voorspelling is reeds droeve waarheid geworden: heeft Isabeau de Bavière, de weduwe van Karel VI, het land niet aan zijn vijanden overgeleverd en verkocht? Waarom zou dan de tweede helft.... en waarom zou dan zijne nicht niet kunnen zijn de Maagd, gezonden door God, om te volbrengen, wat zij allen zoo vurig wenschen? Durand geeft eindelijk toe en met Jeanne vertrekt hij den 13en Mei naar Vaucouleurs. Daar aangekomen, begeven zij zich regelrecht naar het kasteel. Men brengt hen in de zaal, waar Robert zich bevindt in gezelschap van eenige andere krijgslieden. Maar Jeanne behoeft geen oogenblik te aarzelen, hare stemmen duiden haar aan tot wien zij zich wenden moet en vastberaden treedt zij op den kapitein toe met de woorden:

„Ik ben door Messire tot U gezonden, opdat gij den dauphin zult doen weten, dat hij stand houde en zijnen vijanden geen slag moet leveren.”

De bijzonderheden omtrent deze eerste ontmoeting tusschen Jeanne en Robert de Baudricourt zijn ons bekend uit de getuigenis van Bertrand de Poulengy, een schildknaap, die bij de samenkomst aanwezig was. Hij kende Domrémy en zijne bewoners, had meermalen zelfs Jacquot d' Arc bezocht, zoodat vermoedelijk Jeanne zelf ook geen vreemde voor hem was.

Seigneur Robert, hoewel voor geen kleintje vervaard, staat het eerste oogenblik toch eenigszins verwonderd tegenover Jeanne; de verschijning van dit jonge meisje, gekleed in een eenigszins armoedig rood jurkje, en dat hem zonder eenige inleiding, op kalmen en beslisten toon een opdracht geeft voor den dauphin, overvalt hem wel wat onverwacht.

Jeanne vervolgt en voorspelt: „Voor mi-carême zal Messire hem hulp zenden.”

Dan zet zij in enkele woorden uiteen een deel van de taak, die zij zich gesteld heeft: „In waarheid is het koninkrijk niet in het bezit van den dauphin. Maar Messire verlangt, dat de dauphin koning zal zijn en heerschen zal over het koninkrijk. Ondanks zijne vijanden zal de dauphin tot koning gekroond worden, en ik zal het zijn, die hem naar de kroningsplechtigheid geleiden zal.”

Robert begrijpt haar niet. Toch vraagt hij nog: „Wie is Messire?” en Jeanne legt hem uit: „De Koning der Hemelen.” Maar deze verklaring maakt voor den kapitein het geval niet duidelijker. Te drommel, wat wil ze van hem, die knappe verschijning met hare heldere oogen en haar manhaftig optreden? Tegenover de overige aanwezigen, zijn krijgsmakkers en onderhoorigen, redt hij zijn figuur door eenige ruwe, ongepaste soldatengrappen ten koste van het jonge meisje, dat tegenover hem staat; dan wendt hij zich tot oom Durand en stuurt hem weg met Jeanne: „Breng haar terug bij haar vader en wasch haar maar eens ferm de ooren!”

Deze eerste tegenslag doet Jeanne den moed niet verliezen. Haar vertrouwen heeft niet in het minst geleden, zij behoeft slechts te wachten op eene betere gelegenheid. Teruggekeerd in de ouderlijke woning, vertelt zij niets omtrent haar bezoek aan Vaucouleurs en ook oom Durand schijnt haar geheim trouw bewaard te hebben. Alleen in vage termen spreekt Jeanne met sommige personen over de groote dingen, die te gebeuren staan, maar zij verzwijgt de rol, die zij daarin vervullen zal. Zoo neemt zij b.v. Michel Lebuin, een knaap van haren leeftijd, in vertrouwen, en voorspelt hem (23 Juni):

„Er woont tusschen Coussey en Vaucouleurs een meisje, dat, vóór er een jaar verstreken is, den koning van Frankrijk zal doen kronen.”

De vijand zit intusschen niet stil. Er worden toebereidselen gemaakt om het werk der onderwerping van het geheele koninkrijk te voltooien. De regent van Hendrik VI in Frankrijk, de hertog van Bedford, draagt aan Antoine de Vergy, gouverneur van Champagne, op om een troepenmacht van een duizend man te verzamelen en het oostelijk deel van Frankrijk, de streek van Vaucouleurs, in bezit te nemen. In de tweede helft van Juli rukken de twee gebroeders Antoine en Jean de Vergy met hun leger op. Zooals het oorlogsgebruik van dien tijd medebrengt, worden de dorpen, die zij op hun marsch door trekken, geplunderd en verbrand en de bewoners, die zich niet tijdig uit de voeten hebben gemaakt, vermoord. Als zij Domrémy naderen, verlaten de bewoners met hun vee en alles, wat zij redden kunnen, het dorp en vluchten naar Neufchâteau in Lotharingen. Onder deze vluchtelingen bevindt zich ook Jacquot d'Arc met zijn gezin.

Jeanne en hare familie vinden een onderkomen bij eene vrouw, genaamd La Rousse die een herberg, wij zouden zeggen een klein hôtel, hield.

Valsche getuigen, booze tongen, hebben later verklaard, dat Jeanne in die dagen in die herberg met vrouwen van lichte zeden een losbandig leven heeft geleid. Maar de verklaringen van verscheidene geloofwaardige personen uit Domrémy, die met haar waren uitgeweken, zijn daar om te bewijzen, dat dit slechts vuile laster is.

Wel had Jeanne tijdens het korte verblijf te Neufchâteau een voor haar onaangename zaak te beredderen. Zij werd voor den rechter te Toul geroepen op aanklacht van een jongen man uit Domrémy, die beweerde, dat Jeanne hem trouwbeloften had gedaan. Later, in het proces te Rouaan, keert men de zaak om en verwijt men Jeanne, dat zij den jongen man had doen dagvaarden. Zij zet dan uiteen, hoe de zaak zich werkelijk heeft toegedragen: zij was gedaagde, zij had geen trouwbeloften gedaan, en wordt ook door den rechter in het gelijk gesteld, zeer tegen den wensch van haar vader, die het jongmensch genegen was, en hem gaarne met zijne dochter Jeanne had zien huwen.

Na een dag of veertien keeren de vluchtelingen naar hunne haardsteden terug, of beter gezegd, naar de plek, waar die zich eenmaal bevonden. Zij vinden van het dorp nagenoeg niets terug. Hunne huizen, de kerk, alles is verbrand en geplunderd en de oogst is verwoest.

Wij kunnen gerust aannemen, dat de gebeurtenissen van de tweede helft van Juli en van begin Augustus 1428, de vlucht naar Neufchâteau en de terugkeer in het verwoeste dorp, Jeanne buitengewoon gesterkt hebben in hare overtuiging, dat voor haar het oogenblik om te handelen gekomen was, dat spoedige hulp voor den dauphin en voor Frankrijk noodzakelijk was.

Ook laten hare stemmen haar geen dag met vreê. Steeds met meer nadruk dringen zij er bij Jeanne op aan, dat zij haar dorp zal verlaten en naar Frankrijk zal gaan. De nood is op het hoogst, ook Orléans wordt reeds door den vijand belegerd.

In het begin van 1429 komt het toeval Jeanne te hulp. De vrouw van oom Durand Laxart ligt in het kraambed en laat nu vragen, of Jeanne eenigen tijd in Burey-le-Petit mag komen, om voor het huishouden en de kleine te zorgen. Dit verzoek, dat volstrekt niets buitengewoons had onder familieleden in dien tijd, wordt toegestaan. In gezelschap van oom Durand, verlaat Jeanne dus, één van de eerste dagen van Februari, het ouderlijk huis en Domrémy, om er nooit meer terug te keeren. Zij is opgewekt en vol goeden moed. Onderweg groet zij vroolijk alle kennissen, haren speelkameraadjes, Guillemette de Greux en Mengette, roept zij toe „Adieu, ik ga naar Vaucouleurs.” Zij ontloopt alleen haar oudste vriendinnetje, Hauviette genaamd, dat eerst later verneemt, dat Jeanne vertrokken is, en dan zeer verdrietig is. In Vaucouleurs neemt zij haar intrek bij de vrouw van een wagenmaker, Henri Le Royer, eenen goeden bekende van hare familie.

Ditmaal schijnt Robert de Baudricourt moeilijker te genaken te zijn geweest. Er verloopen ten minste eenige dagen, voor het Jeanne gelukt, hem weer te spreken te krijgen. Zij brengt die dagen door met het verrichten van huishoudelijk werk voor hare gastvrouw, en verder met bidden in de kerk. Het eerste bezoek van Jeanne aan Robert de Baudricourt en het doel van haar komst waren in Vaucouleurs geen geheim gebleven.

De kapitein had er later met zijne krijgsmakkers nog eens hartelijk om gelachen. Eén van hen, Jean de Metz, een dappere jonge man van dertig jaar, vindt Jeanne op een morgen voor de deur van den wagenmaker en roept haar toe:

„Wel, beste meid, wat doe je nog hier? Moet de koning uit zijn rijk gejaagd worden en moeten wij Engelschen worden?”

Jeanne legt hem uit, dat het haar nog niet gelukt is met Robert de Baudricourt te spreken. Zij wilde hem verzoeken, haar naar den koning te zenden, want zij alleen kan Frankrijk redden. Dan geeft Jean de Metz haar heel kameraadschappelijk een hand en vraagt: „Welnu, beste meid, wanneer vertrekken wij?”

En Jeanne antwoordt:

„Liever nu dadelijk dan morgen, en liever morgen dan later.”

Jean de Metz en Bertrand de Poulengy, met welken laatste Jeanne een dergelijke ontmoeting had, dringen er bij den kapitein op aan, dat hij haar ontvangen zal. Hun moeite heeft het gewenschte resultaat. Nu, bij de tweede ontmoeting, hoort Robert Jeanne kalm aan en jaagt haar niet weg. Zij vertelt hem, dat Messire haar heeft opgedragen, naar den dauphin te gaan, daarna Orléans te ontzetten en vervolgens den koning te doen kronen te Reims.

Kamer in het huis waar Jeanne d'Arc te Domremy woonde. Het huis wordt zooveel mogelijk in den oorspronkelijken toestand bewaard. In het midden een standbeeld van Jeanne.--Naar een photographie.
Kamer in het huis waar Jeanne d'Arc te Domremy woonde. Het huis wordt zooveel mogelijk in den oorspronkelijken toestand bewaard. In het midden een standbeeld van Jeanne.--Naar een photographie.

Kamer in het huis waar Jeanne d'Arc te Domremy woonde. Het huis wordt zooveel mogelijk in den oorspronkelijken toestand bewaard. In het midden een standbeeld van Jeanne. Naar een photographie.

Geheel gewonnen is Robert nog niet dadelijk. Hij zendt Jeanne naar Nancy om daar door den hertog van Lotharingen ondervraagd te worden. Deze geeft haar een geschenk in geld en zendt haar weer terug naar Vaucouleurs.

Zij komt daar aan den twaalfden Februari 1429, dus juist op den dag van de „Bataille des Harengs” te Rouvray bij Orléans, waarin de Franschen weer verslagen werden. Het is beslist onmogelijk, dat Jeanne op dien dag iets van dien veldslag en den uitslag daarvan heeft kunnen weten; toch zegt zij dadelijk bij haar aankomst tot de Baudricourt:

„In Godsnaam, gij talmt te lang met mij te zenden, want heden heeft de (gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden. Hij loopt gevaar, een nog grooter verlies te lijden, wanneer gij mij niet spoedig naar hem toezendt”.

Als eenige dagen daarna het bericht van de nederlaag bij Rouvray Vaucouleurs bereikt, herinnert Robert zich de onheilspellende woorden van Jeanne. Er is m.i. voldoende grond voor het vermoeden, dat deze gebeurtenis er veel toe heeft bijgedragen, om hem voor de plannen van Jeanne te winnen. Hij neemt dan een besluit en laat haar vertrekken.

Voor haar vertrek uit Vaucouleurs ondergaat Jeanne in haar uiterlijk een belangrijke metamorphose. Zij legt het sjovele roode jurkje, waarin zij gekomen is, af en kleedt zich in een volledig, fonkelnieuw page-costuum, dat de bewoners van Vaucouleurs voor haar hebben laten maken. Verder laat zij zich de haren afknippen, tot boven de ooren, ook in den vorm, zooals destijds de pages het haar droegen. Zij acht het veiliger en behoorlijker, om in gezelschap van mannen ook als man gekleed te reizen. Vermoedelijk van het geld, haar door den hertog van Lotharingen geschonken, heeft zij zich een zwart paard gekocht en van Robert de Baudricourt heeft zij een zwaard ten geschenke gekregen. Volledig toegerust als een jong krijgsman, is zij dus gereed, den gevaarlijken tocht te ondernemen.

Haar escorte is zes man sterk en bestaat uit Jean de Novelompont, genaamd Jean de Metz, Bertrand de Poulengy, Jean en Julien, hun knechts, Richard, een boogschutter, en een boodschapper van den koning, Colet de Vienne genaamd. De reis is lang en gevaarlijk: de geheele streek, die zij moeten doortrekken, wordt nog onveilig gemaakt door vreemde krijgsbenden. Men heeft dus besloten, overdag te rusten en 's nachts te reizen. Jeanne alleen ziet geen gevaar: zij stelt een ieder, die haar waarschuwt, gerust:

„Messire zal mij een weg banen, om den dauphin te bereiken.”

Den 23en Februari, tegen den avond, heeft het vertrek plaats. Vrienden en kennissen van Jeanne vergezellen den kleinen troep tot aan de poort van Vaucouleurs. Ook Robert de Baudricourt is daar. Hij laat de mannen zweren dat zij goed zorg zullen dragen voor haar, die hij aan hunne hoede heeft toevertrouwd. Dan geeft hij Jeanne een brief voor den koning en neemt afscheid van haar met de woorden:

„Welnu, ga, en laat gebeuren wat wil.”

Vertrek uit Vaucouleurs, 1429.--Naar een schilderij van J. Scherrer, Orléans.
Vertrek uit Vaucouleurs, 1429.--Naar een schilderij van J. Scherrer, Orléans.

Vertrek uit Vaucouleurs, 1429. Naar een schilderij van J. Scherrer, Orléans.

Nog eenige oogenblikken staren zij den kleinen page met zijn escorte na en luisteren naar den doffen hoefslag van de paarden, wier voeten met doeken omwoeld zijn. Dan verdwijnt het zevental in den mist en wordt het stil. Terwijl de ophaalbrug wordt opgehaald en de poort van Vaucouleurs gesloten, brengen wij den kleinen page het eere-saluut:

„Seigneurs, barons, inclinez-vous Devant celui qui part, il est plus grand que nous.”

De geheele reis was buitengewoon voorspoedig. Jean de Metz en Bertrand de Poulengy waren dergelijke tochten door eene gevaarlijke, vijandige streek gewoon. Zij hadden alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, kenden het land en wisten dus welke punten zij mijden moesten en waar zij de minste kans liepen, opgemerkt te worden.

Den eersten avond wordt doorgereden tot men tegen den nacht de abdij van Sint Urbain bereikt. Bij den Abt Arnoult d'Aulnoy, een bloedverwant van Robert de Baudricourt, vinden zij een veilig onderkomen. Den volgenden morgen voor hun vertrek hoort Jeanne de Mis.

Op het verdere traject wordt meestal 's nachts gereisd en overdag gerust onder den blooten hemel. Jeanne ligt dan geheel gekleed in een deken gewikkeld tusschen Jean de Metz en Bertrand de Poulengy in. Zij slaapt gerust en vol vertrouwen in hare beide ridders, die gezworen hebben, haar behoorlijk te zullen geleiden. En inderdaad de heeren hebben woord gehouden en haar behandeld als een zuster.

Hun voorzichtige en geheimzinnige wijze van reizen heeft voor Jeanne één groot bezwaar: zij heeft daardoor niet de gelegenheid, dagelijks de kerk te bezoeken en de Mis te hooren. Het valt haar zwaar, daarin te berusten en zij beklaagt zich herhaaldelijk over dit gemis. Verder stelt zij hare geleiders onder weg steeds gerust en deelt hun mede dat hare „broeders in het Paradijs” haar steeds zeggen, wat zij doen moet.

De moeilijkste en gevaarlijkste punten van den tocht zijn wel de rivieren. De overkant van de Marne bereiken zij over de brug bij Sint Urbain, maar zij doorwaden de Aube bij Bar sur Aube, de Seine bij Bar sur Seine en de Yonne bij Auxerre en dat in Februari na een strengen winter, terwijl de rivieren nog breed en gezwollen zijn!

Als zij eindelijk Gien bereiken, bevinden zij zich op gebied van den dauphin en is dus het voornaamste gevaar geweken.

Van Gien trekt men verder naar Fierbois. Te Fierbois bevond zich een beroemd heiligdom van één van de patronessen van Jeanne n.l. van de Heilige Cathérine, die in het bijzonder de Fransche krijgsgevangenen beschermde. Jeanne bezoekt de kapel en hoort te Fierbois eenige malen de Mis. Ook zendt zij van daaruit een bode naar den dauphin met den brief van Robert de Baudricourt en met een brief door haar zelf gedicteerd, waarin zij verzoekt, te Chinon te mogen komen, daar zij honderd vijftig mijlen te paard heeft afgelegd om den dauphin mededeelingen te doen, die hem van nut kunnen zijn en die zij alleen weet.

Te Chinon arriveert zij na haar vermoeienden tocht in volkomen welstand tegen den middag van den 6en Maart en stapt er af in een klein logement.

Dienzelfden dag nog begeeft zij zich naar het koninklijk slot, maar wordt niet toegelaten. Karel VII kent haar niet, hij laat vragen, wie ze is en wat zij komt doen. De beide brieven, door Jeanne gezonden hebben hem dus blijkbaar niet bereikt. In zijn omgeving had men ze waarschijnlijk ter zijde gelegd en niet noodig gevonden, hem daarmede in kennis te stellen. Nog voor het eerste verschijnen van Jeanne aan het hof van Karel VII ondervindt zij reeds tegenwerking, doet zich die geheime macht reeds gevoelen die, voortkomende uit de onmiddellijke omgeving van den dauphin, haar zal blijven dwarsboomen en een politiek zal voeren tegen de hare in, tot het einde toe.

Jeanne moet drie dagen geduld hebben. Op de vraag, haar namens Karel VII gedaan, wat zij kwam doen, heeft zij niets willen antwoorden dan in het algemeen, dat zij kwam om Orléans te ontzetten en den dauphin voor de kroning naar Reims te geleiden. Jean de Metz en Bertrand de Poulengy worden ondervraagd; in den Raad van den koning kan men het evenwel niet eens worden, men aarzelt, tot het laatste oogenblik toe, zelfs nog nadat de meerderheid reeds besloten heeft, dat Jeanne moet toegelaten worden en zij ook reeds onderweg is. Na lang wikken en wegen, en op advies van de meerderheid van zijn Raad, besluit Karel VII echter ten slotte, Jeanne te ontvangen.

Pasquerel, die Jeanne later als biechtvader naar Orléans zal vergezellen, deelt nog mede, dat zij op weg naar het koninklijk slot een ruiter ontmoette, die haar onder luid vloeken en razen grof beleedigde, waarop Jeanne tot hem zou gezegd hebben: „Gij vloekt den naam van God, en dat terwijl de dood U zoo nabij is.”

Dienzelfden avond nog, ja volgens het verhaal van Pasquerel, voor er een uur verstreken was, viel de man in het water en verdronk.

In de verklaring van Pasquerel wordt de vermaning van Jeanne natuurlijk een profetie, een van de vele bewijzen voor haar helderziendheid, haar bovenmenschelijkheid.

Maar ook teruggebracht tot het gewoon menschelijke behoudt de episode voor ons haar waarde. Ook indien de woorden van Jeanne slechts bedoeld zijn geweest als „memento mori” voor den krijgsman in die bange dagen van moord en slachting, dan nog staat deze vermaning van het jonge meisje door haar waardigheid en bezadigdheid reeds op één lijn met zoovele van hare voortreffelijke antwoorden uit het latere proces.

Nog dikwijls zal het voorkomen, dat Jeanne grof beleedigd wordt, vooral later door hare doodsvijanden, de Engelschen, en steeds zal het haar diep grieven en pijn doen, ja een enkele maal zelfs b.v. wanneer tijdens den strijd om Orléans, de Engelschen haar den laagsten scheldnaam naar het hoofd slingeren, dien men voor een jong meisje bedenken kan, zal zij in snikken uitbarsten. Hare Heiligen zullen haar dan moeten troosten en moed inspreken.

Als Jeanne dan eindelijk in het kasteel van Karel VII is aangekomen, wordt zij door Louis van Bourbon, graaf van Vendôme, geleid naar de zaal, waar de koning zich bevindt.

De houding van Jeanne bij haar eerste verschijnen in de omgeving van den koning is hoogst merkwaardig. De kalmte, waarmede dit zeventienjarige boerenmeisje de meest ongewone dingen eenvoudig aanvaardt, is gewoonweg verbluffend. Alles wat haar wedervaart in verband met de vervulling van hare Goddelijke roeping wordt door haar beschouwd als vanzelf sprekend: geen moeilijkheden schrikken haar af, geen milieu kan haar verblinden, geen mise-en-scène kan haar imponeeren.

Met de rust en het zelfvertrouwen, waarmede wij haar in Vaucouleurs te paard hebben zien stijgen voor een levensgevaarlijken tocht van twaalf dagen, zien wij haar nu de groote receptiezaal van het kasteel te Chinon binnentreden, en zullen wij haar eenmaal zien verschijnen voor een rechtbank van Kardinalen en Bisschoppen.

Dien avond van den 8en Maart bevond Karel VII zich te midden van ongeveer driehonderd edellieden in de groote zaal van zijn kasteel. Onder dit uitgelezen gezelschap waren la Trémouille en andere leden van zijn Raad en vermoedelijk ook de Bisschop van Reims, tevens Rijkskanselier. Een houtvuur brandde onder de groote schouw, vijftig toortsen wierpen hun schijnsel op de bontgekleurde, kostbare gewaden van de hovelingen en krijgslieden en vormden een voor dien tijd voorwaar schitterende verlichting. Wie is in deze bonte menigte de dauphin? De mogelijkheid, dat Jeanne ooit te voren een beeltenis van Karel VII zou gezien hebben, is zoo goed als uitgesloten. Ook weten wij, dat de koning geen persoon was, die door zijne houding, zijne gestalte, of door de kostbaarheid van zijn costuum in het oog viel of de aandacht trok. (Bekend is, dat hij meermalen in een oud wambuis nieuwe mouwen liet zetten). Toch aarzelt Jeanne geen oogenblik en met vast beraden tred, maar volgens de verklaring van den heer van Gaucourt, een der voornaamste ooggetuigen, „met groote nederigheid en eenvoud” treedt zij op den koning toe. Dan ontbloot zij het hoofd en met een linksche buiging begroet zij hem met de woorden: „God schenke U een lang leven, gentil Dauphin.” Op de vraag van den koning, wie zij is en wat zij van hem verlangt, antwoordt zij, dat haar naam is „Jeanne la Pucelle” en zet zij in enkele woorden uiteen welke opdracht haar door „den Koning der Hemelen” gegeven is.

Daarna neemt Karel VII haar ter zijde, en heeft er tusschen hem en Jeanne een langdurig onderhoud plaats.

Hiermede zijn wij genaderd tot één van de groote vraagteekens in de geschiedenis van Jeanne d'Arc. Wat is er in dit onderhoud zonder getuigen tusschen haar en den koning verhandeld? Wat behelst „het Geheim van den Koning” en wat is geweest „het teeken te Chinon”? Met absolute zekerheid is dit niet te zeggen. Een rechtstreeksche verklaring hieromtrent van Karel VII bezitten wij niet en ook Jeanne heeft tot haar dood toe geweigerd, hiervan een volledig relaas te geven. De doktoren te Poitiers zullen er haar naar vragen en er haar mede lastig vallen, maar zonder het gewenschte resultaat. En dan later de rechters te Rouaan; telkens en telkens weer zullen zij terugkomen op datzelfde punt: het geheime teeken te Chinon. Maar Jeanne zal hun afschepen met ontwijkende antwoorden, of zij zal kort en bondig weigeren, eenig nader bescheid te geven. Zij zullen het beproeven met listen en strikvragen, maar Jeanne zal hun slimheid doorzien, zal ook op dat gebied hun meerdere blijven.

Er bestaan over dit vraagpunt enkele lezingen van tijdgenooten, verder een overvloed van commentaren van latere geschiedschrijvers.

Materiaal genoeg, maar er is veel kaf onder het koren, veel fantasie: schiften en oppassen is de boodschap.

Om te beginnen weten wij uit eene verklaring van Jeanne zelf, dat hare stemmen haar reeds in Domrémy hadden aangemoedigd met de woorden: „Ga en wees onverschrokken; wanneer gij bij den Koning zult zijn, zal hij een teeken krijgen om hem te overreden in u te gelooven, en u te ontvangen.”

Ook geeft zij in het proces te Rouaan nog een belangrijke bijzonderheid, wanneer zij mededeelt, dat het teeken in verband stond met hare eigen daden. Dit laatste détail is ook volstrekt niet in strijd met hetgeen Jeanne verder in het proces heeft losgelaten omtrent „den engel” die te Chinon verschenen is, en „de kroon” die zij er gezien heeft. Ook al nemen wij niet aan, dat, zooals in het ongeteekende deel van het procesverbaal vermeld staat, Jeanne zelf zou geëindigd zijn, met aan het einde van het proces haar verklaringen omtrent het teeken te Chinon te herroepen, door te zeggen, dat zij als zuivere symboliek bedoeld waren, toch is het voor ons duidelijk dat zij afkomstig zijn van den persoon, die geregeld in aanraking kwam met hemelboden en Heiligen uit het Paradijs.

En past ditzelfde détail ook niet volkomen in de omlijsting van het verhaal, afkomstig uit de onmiddellijke omgeving van Karel VII en volgens hetwelk Jeanne den koning tijdens dit eerste onderhoud het verhaal van hare zending zou bevestigd hebben door hem geheime en verborgen zaken mede te deelen.

Het is zeer wel mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat Karel VII in de laatste dagen voor de eerste ontmoeting met Jeanne bijzonder mismoedig was. Zijn zaak stond er op dat oogenblik slecht voor en „grande pitié était au royaume de France”. Orléans belegerd, zijne troepen bij Rouvray weer verslagen. Wanneer Orléans valt is het pleit verloren en rest hem niet veel anders, dan te trachten zijn leven althans in veiligheid te brengen, en te vluchten naar Spanje of Schotland. Waar de troepen, waar het geld vandaan te halen om Orléans te ontzetten en den vijand het land uit te drijven?

In de vergaderingen van zijn Raad wordt deze vraag druk besproken, men zoekt naar een oplossing, maar tot nu toe te vergeefs. Er zijn evenwel elementen in zijn Raad, die den koning drukken, ook daar durft hij niet alles uitspreken, wat in zijn binnenste omgaat, en zijn gemoed dikwijls angstig bezwaart. Karel VII is geen groote, krachtige figuur, die zijn gansche omgeving beheerscht, hij is verlegen en weifelmoedig. De tegenspoeden en rampen van den laatsten tijd hebben zijn zwak zelfvertrouwen nog ernstig geschokt en in het diepst van zijn ziel is twijfel gerezen aan zijn goed recht, aan het rechtvaardige van de zaak waarvoor hij strijdt, ja, zelfs aan het rechtmatige van zijne afstamming. Wanneer hij werkelijk de wettige opvolger op den troon van Frankrijk was, zou God hem dan geen hulp gezonden hebben en zijn legers hebben doen zegevieren? In zijn stille gebeden, want hij is zeer godsdienstig, heeft hij God gesmeekt, hem voor te lichten en den weg te toonen, dien hij volgen moet.

In deze gemoedsstemming treft hem Jeanne aan bij de eerste ontmoeting te Chinon. Men heeft den koning reeds verteld van den bijzonder voorspoedigen tocht, dien dit meisje uit Domrémy heeft ondernomen om tot hem te komen, en hem belangrijke mededeelingen te doen.

En daar staat zij nu voor hem, wel is waar in travesti als page gekleed, maar in hare volle, slanke gratie en jeugdige frischheid. Twee heldere, open oogen zien hem aan uit dat knappe gezicht, haar optreden is kalm en beslist, zonder eenige opdringerigheid.

Als zij daarna in gesprek raken, klinken hare woorden vol overtuiging en getuigt de groote bezieling, die van haar uitgaat, van de kracht van haar eigen, machtig geloof. Eén voor één neemt ze met groote beslistheid alle punten van twijfel en onzekerheid weg, door de verklaring van hare Missie. God heeft haar tot den dauphin gezonden om Orléans te bevrijden en om daarna hem, den koning, te doen kronen te Reims. Is dat niet juist het antwoord op de vragen, waarmede hij zich in zijne eenzame overpeinzingen had bezig gehouden, en waarover hij niemand ter wereld had durven raadplegen? Dan zou dit dus de voorlichting zijn, waarom hij God gebeden had, en de hulp hem door God gezonden, nu de nood op het hoogst gestegen is. Terwijl Jeanne tot hem spreekt, voelt hij zijn moed herleven, zijn zelfvertrouwen wederkeeren. Zonder dat hij haar iets gevraagd heeft, en zonder dat iemand haar op de hoogte kan gebracht hebben van de heimelijke angsten van den koning, stelt ze hem gerust, door hare houding, haar optreden, haar woord, haar geloof, door de bekoring en de bezieling, die er van haarzelf uitgaan. Zij heeft op den rechten toon, het rechte woord, op het rechte oogenblik gesproken.

Dit is voor ons „het geheim van den koning” en „het teeken te Chinon”, zooals het geweest was het geheim van Burey le Petit, toen zij oom Durand moest winnen en het geheim van Vaucouleurs, toen zij den allesbehalve bijgeloovigen Robert de Baudricourt moest overtuigen.

Zeer zeker, de Engel, waarover men haar later ondervraagd heeft, is op dien avond in de groote zaal van het koninklijk slot te Chinon geweest, want Jeanne heeft hem immers gezien, hij heeft haar geleid te midden van die bonte menigte, tot zij stond voor den dauphin, en tijdens het geheime onderhoud met Karel VII heeft hij haar gesteund en terzijde gestaan. En wanneer de Koning hem ook gezien heeft en La Trémouille en de Gaucourt en mogelijk ook de Bisschop van Reims en alle andere raadslieden en edellieden van den Koning, welnu dan is die Engel Jeanne zelf geweest.

En toen Jeanne den Koning vertelde, dat het de wil was van „Messire” dat zij hem naar Reims zou geleiden om hem daar te doen kronen, droeg toen die Engel niet een kroon in zijn hand en wel een kroon van een edeler metaal en versierd met nog schitterender steenen, dan die waarvan men zich later bedienen zal bij de plechtigheid te Reims? En heeft Karel VII die kroon niet gezien, ja, moet hij die niet gezien hebben zooals Jeanne haar zag, terwijl zij tot den dauphin sprak over het tweede deel van hare Goddelijke opdracht, dat zou afloopen bij het einde van de kroning in de kathedraal te Reims?

Na afloop van zijn onderhoud met Jeanne wil Karel VII overleg plegen met zijn Raad. Hij is voorzichtig. In zijn omgeving trouwens wil men ook eerst de zaak goed wikken en wegen, voor men iets van belang durft ondernemen. Men is bang zich aan koud water te branden. Is Jeanne werkelijk door God gezonden tot redding van het koninkrijk, of is zij van den duivel bezeten en is alles wat zij zegt dus uit den booze?

Voorloopig wordt in elk geval besloten dat Jeanne te Chinon zal blijven. In den toren du Coudray van het kasteel krijgt zij een kamer: zij wordt toevertrouwd aan de zorgen van een officier van het Hof en zijn vrouw, en Louis de Contes, een jong mensch van vijftien jaar ongeveer, wordt haar toegewezen als page.

De koning bezoekt haar dikwijls en spreekt dan zeer vertrouwelijk met haar, hij voelt bij intuïtie, dat zij oprecht is en in elk geval te goeder trouw. Op een morgen, als Jeanne weer met haar „gentil dauphin” in een druk gesprek gewikkeld is in een van de zalen van het koninklijk slot, treedt daar een jongeling binnen; de hertog van Alençon. Jaren lang is hij krijgsgevangene van de Engelschen geweest en eerst kort geleden is hij uit die gevangenschap ontslagen en bij de zijnen teruggekeerd. Een koerier is hem komen berichten, dat aan het Hof een meisje verschenen is, door God gezonden om de Engelschen uit Frankrijk te verjagen. Dat meisje wil hij zien en daarom is hij onverwijld naar Chinon gekomen om haar te ontmoeten. Als Jeanne hem ziet nadertreden en van den koning vernomen heeft dat het zijn neef is, de hertog van Alençon en een schoonzoon van den hertog van Orléans, groet zij hem eerbiedig en spreekt hem aan met de woorden:

„Wees van harte welkom. Hoe meer bloed van den koning van Frankrijk hier vereenigd is, hoe beter het zal zijn.”

Beiden jong, strijdlustig en vol geestdrift voor een zelfde zaak, zullen zij in het vervolg steeds goede kameraden zijn en in den mond van Jeanne zal d'Alençon steeds heeten „mon beau duc”.

Intusschen is men te Chinon, op last van Karel VII reeds een voorloopig onderzoek naar Jeanne en haar verleden begonnen. Het voornaamste onderzoek zal evenwel plaats hebben te Poitiers, waar in die dagen het Parlement gevestigd was. Een commissie van onderzoek wordt benoemd; zij bestaat uit professoren, doctoren en geestelijken, waaronder twee bisschoppen. Voorzitter zal zijn: Regnault de Chartres, Rijkskanselier, Aartsbisschop van Reims. Evenals later de Rechtbank te Rouaan, heeft ook deze Commissie, voor den aanvang van het eigenlijke verhoor, alle mogelijke gegevens verzameld en zijn als getuigen gehoord allen, die te Domrémy, te Vaucouleurs of elders met Jeanne in aanraking zijn geweest. Als men met alle toebereidselen gereed is, vertrekt Jeanne zelf met een gewapend escorte naar Poitiers, en neemt daar haar intrek in hôtel de la Rose. In hetzelfde hôtel logeert Mr. Jean Rabateau, de advocaat-generaal, en aldaar zal ook het verhoor plaats hebben.

Op weg naar Poitiers is Jeanne een oogenblik in den waan, dat men haar reeds naar Orléans brengt. Zij is ongeduldig en er is reeds veel tijd verloren gegaan in Chinon. Ze is diep teleurgesteld, als men haar vertelt dat zij naar Poitiers gaat om door een commissie ondervraagd te worden.

„Bij God”, zucht zij, „ik weet dat ik het daar niet gemakkelijk zal hebben, maar Messire zal mij helpen. Laten wij dus gaan.”

Uit deze verzuchting blijkt wel, dat Jeanne van te voren erg heeft opgezien tegen het onderzoek van al die geleerde heeren, maar als eenmaal het eigenlijke verhoor is begonnen, beschikt zij weer over hare volle vrijmoedigheid en zelfvertrouwen. Hare antwoorden zijn duidelijk en scherp en de indruk, dien zij maakt, is bijzonder gunstig. Wij mogen hierbij evenwel niet uit het oog verliezen, dat deze commissie, in tegenstelling met de rechtbank te Rouaan, er niet beslist op uit was haar in het verderf te storten en op den brandstapel te brengen.

Zij deelt aan hare ondervragers mede, wat hare stemmen tot haar gezegd hebben en hoe zij haar hebben opgedragen naar Frankrijk en tot den koning te gaan om het land te redden.

Men merkt haar op dat God, wanneer hij Frankrijk wil redden, daartoe toch geen krijgslieden noodig heeft. Waarop Jeanne antwoordt:

„Bij God, de krijgslieden zullen vechten en God zal hun de overwinning geven.”

Na eenige séances begint het verhoor haar danig te vervelen. In haar onschuld begrijpt zij natuurlijk niet, wat men van haar wil. Zij is gekomen met een opdracht om Orléans te ontzetten. Waarom talmt men dan? Is dit niet allemaal verloren tijd? En dan, zij gevoelt zich niet zoo op haar gemak tegenover die doctoren en geleerde heeren met hunne dikke boeken en paperassen. Als op een morgen Gobert Thibault, een jonge krijgsman dien zij reeds te Chinon ontmoet heeft, met eenige commissieleden binnenkomt, stapt zij op hem af, klopt hem vertrouwelijk op zijn schouder en zegt:

„Ik zou een heelen troep van krijgslieden willen hebben, zoo goed gezind als gij”.

Ja, laat men haar soldaten geven, zij hunkert er naar de beloften, die zij gedaan heeft, te vervullen.

Hare antwoorden worden ietwat humeurig. Als zij mededeelingen doet over haar missie en hare stemmen en men spreekt haar tegen, dan bijt zij van zich af:

„Er staat in de boeken van Onzen Heer meer dan in de Uwe”.

Als later een priester uit Limoge haar met zijn eigenaardig accent vraagt:

„Welke taal spreken Uwe stemmen?”, dan antwoordt zij ondeugend:

„Een betere dan de Uwe.”

De commissie, hoewel zij Jeanne niet slecht gezind is, is moeilijk te voldoen. Zij dringt er steeds bij haar op aan, dat zij door een teeken bewijzen zal, dat zij door God gezonden is. En telkens weer geeft Jeanne hetzelfde antwoord, dat zij niet te Poitiers gekomen is, om teekens te geven. Het eenige teeken, dat zij geven kan, is dat zij volbrengen zal, wat zij beloofd heeft: zij zal Orléans bevrijden en den dauphin te Reims doen kronen.

In Poitiers dicteert zij ook een brief aan de Engelschen. Bovenaan staan de woorden † Jhesu Maria † en dan vervolgt zij:

„Koning van Engeland en gij, hertog van Bethfort, die U regent noemt van het koninkrijk Frankrijk, Guilleaume la Poule, graaf van Suffort” etc. De namen van den hertog van Bedford en den graaf van Suffolk werden door de Franschen in dien tijd wel zonderling geradbraakt, en opmerkelijk is ook dat Jeanne William Pole, graaf van Suffolk, in dit schrijven en ook later aanspreekt als „la Poule” en William Glansdale, baljuw van Alençon, voor den koning van Engeland als „Glasidas” of „Glasdas”. Wij kunnen niet meegaan met Hanotaux, die haar Thomas de Scales als „Glasidas” laat aanspreken. In dien brief eischt zij van den koning van Engeland en van zijn veldheeren, kort en bondig, dat zij de sleutels van de steden, die zij veroverd hebben, zullen teruggeven aan haar „la Pucelle” die door God gezonden is, en dat zij het land zullen verlaten. Zij is blijkbaar in hare verbeelding reeds aan het hoofd van hare troepen, want zij noemt zich „chief de guerre” en dreigt, de Engelschen die niet in haar en hare Goddelijke Missie gelooven, bij de eerste ontmoeting tot den laatsten man te zullen vernietigen, maar degenen, die zich onderwerpen, en haar gehoorzamen willen, zal zij in genade aannemen.

Als het verhoor van geleerden en geestelijken is afgeloopen, moet Jeanne nog een ander onderzoek ondergaan, dat voor haar zeker niet minder onaangenaam is. Terwijl kort na haar aankomst te Chinon eenige dames hadden moeten nagaan van welk geslacht zij was, wordt thans aan een commissie, eveneens uit dames bestaande, opgedragen te onderzoeken of zij werkelijk maagd is. Hoe onkiesch, smakeloos en belachelijk ons dit ook voorkomt, toch was dit voor dien tijd een punt van groot gewicht.

Maagdelijkheid gold toenmaals voor een groote kracht en was het symbool van het weerstandsvermogen tegen de voortdurende hinderlagen van den duivel. Jeanne zelf was trouwens hiervan ook volkomen doordrongen. Had zij niet zelf haren Heiligen bij een van hun eerste bezoeken de gelofte gedaan, Maagd te zullen blijven, zoolang het God behagen zou? Noemt zij zich zelf niet steeds met fierheid „Jeanne la Pucelle” en zal zij niet later, bij het hooren van haar doodvonnis, jammeren en weeklagen „dat haar lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te bewaren, verbrand en tot asch verteerd moet worden?” Zoowel te Poitiers als later te Rouaan zal zij zich telkens gedwee en gelaten aan het onderzoek onderwerpen.

Het rapport van de dames-commissie, waarin o.a. zitting hadden genomen de koningin van Sicilië en Jerusalem en de vrouw van den heer de Gaucourt, luidde volkomen gunstig voor Jeanne: „que c'était une vraie et entière pucelle.”

Dan eindelijk is het onderzoek afgeloopen: het heeft zes weken geduurd. De commissie heeft hare conclusies opgesteld, die hier op neerkomen: Men is van oordeel, dat de beloften, door Jeanne gedaan, geen Goddelijken oorsprong hebben, doch zuiver menschelijk zijn, maar men heeft in haar geen kwaad, doch uitsluitend goede eigenschappen kunnen vinden; zij is nederig, maagd, vroom, eerlijk en eenvoudig. Aangezien zij beloofd heeft, het bewijs van hare Goddelijke Missie te zullen leveren voor Orléans, adviseert men, haar met hare soldaten en onder behoorlijk geleide naar Orléans te laten oprukken, omdat men zich Gods hulp, wanneer die wordt aangeboden, niet onwaardig mag toonen.

Een afschrift van deze conclusies, waarin één en ander behoorlijk gestaafd wordt met aanhalingen en teksten uit de Heilige Schrift, wordt gezonden naar alle steden van het koninkrijk en aan alle vorsten van de bekende wereld.

Opgewekt en vol goeden moed, innig dankbaar, dat voor haar nu eindelijk spoedig het oogenblik van handelen zal aanbreken, en zij weldra aan de wereld zal kunnen toonen, wie zij is en wat zij met Gods hulp vermag, vertrekt Jeanne van Poitiers naar Tours waar men voor hare bewapening en uitrusting zorg zal dragen.

De Franschen van de eerste helft der vijftiende eeuw betoonen zich, evenals hunne nakomelingen van den tegenwoordigen tijd, meesters in de kunst der régie en mise-en-scène. Van het oogenblik af, dat men besloten heeft Jeanne naar Orléans te geleiden, om haar in de gelegenheid te stellen, hare beloften te vervullen, heeft men tevens ingezien, dat bij eene onderneming als deze „een goede aankleeding” van groot belang is.

Aan een kundig wapensmid te Tours wordt op bevel van den koning opgedragen, op maat voor Jeanne en haar krijgsros, een volledig harnas te vervaardigen. In plaats van het lichte page-costuum, waarin zij uit Vaucouleurs is vertrokken, krijgt het jonge meisje nu een blanke, stalen wapenrusting te torsen, die bestaat uit een helm met beweegbare kinband en vizier, een kuras, verder stalen platen ter bescherming van armen, ellebogen en schouders, beenen, voeten en knieën, dan handschoenen, met stalen plaatjes bekleed en een soort maliënkolder, die als een korte rok onder uit het kuras op de dijen hangt.

Jean de Metz en Bertrand de Poulengy schaffen zich ook bij denzelfden wapensmid een wapenrusting aan, die met het harnas van Jeanne op één en dezelfde nota voorkomen.

De Heiligen van Jeanne hebben haar gezegd, waar zij het zwaard kan vinden, dat zij dragen moet. Zoodra dan ook de overige deelen van de wapenrusting gereed zijn, zendt zij haar wapensmid met een brief naar de Gouverneurs van de kapel van de Heilige Cathérine van Fierbois. Volgens hare aanduiding kan het zwaard dat voor haar bestemd is, gevonden worden in de nabijheid van het altaar, waar het begraven is. Het is een roestig zwaard, waarop vijf kruisjes gegraveerd staan.

Inderdaad vinden de priesters van de kapel na eenig graven op de aangegeven plek een zwaard, als door Jeanne beschreven. Het wordt zonder eenige moeite roestvrij gemaakt en blank geschuurd en daarna Jeanne toegezonden met een schede, als geschenk van de priesters te Fierbois.

Dit geheimzinnige verhaal omtrent het zwaard van Fierbois, dat wij hierboven wat de hoofdpunten betreft, weergeven naar de verklaring van Jeanne zelf in het proces te Rouaan, is natuurlijk door hare geloovige tijdgenooten gretig aanvaard als een wonder. Er is op dit dankbare thema dadelijk ijverig voortgeborduurd.

Nauwkeurig volgens voorschrift van Jeanne en onder haar toezicht zijn intusschen door een Schotschen schilder, genaamd James Power, hare vaandels vervaardigd. Ze zijn drie in getal: een banier, een standaard en een vaan.

De banier vertoonde een crucifix zonder meer. Zij wordt voortaan voor Jeanne uitgedragen door een van de geestelijken uit haar gevolg.

Op de vaan, gedragen door een van hare dienaren, en die als herkenningsteeken dienst deed, zag men een voorstelling van Maria Boodschap: een engel, die de Heilige Maagd een lelie aanbiedt.

Het voornaamste van de drie was haar standaard. Hierover verklaart zij in het proces te Rouaan:

„Dien droeg ik zelf, wanneer ik den vijand aanviel, om te voorkomen, dat ik iemand doodde.... want ik heb nooit iemand gedood.”

Hij was van wit linnen, bezaaid met Fransche lelies; in het midden, gezeten op een regenboog, God de Vader, de Koning der Hemelen, de eene hand zegenend uitgestrekt en met de aardbol in de andere hand; aan weerszijden lag een engel geknield, het zijn de Heilige Michaël en de Heilige Gabriël, die God een lelie aanbieden. In het midden bovenaan stond haar devies: „Jhesu Maria.”

Nu nog het gevolg van Jeanne.

Enkele personen, die met haar uit Poitiers gekomen waren, maakten van het oponthoud te Tours gebruik, om deel te nemen aan de groote pelgrimstocht naar het heiligdom van Notre Dame du Puy en Velay. Bertrand de Poulengy was vermoedelijk een dier bedevaartgangers. De terugreis maakte hij in gezelschap van een jongen Augustijner, Broeder Pasquerel. Bertrand dringt er bij den Broeder op aan, dat deze kennis zal maken met Jeanne. Op een morgen bezoeken zij haar samen in het hôtel van Jean du Puy, waarin Jeanne haar intrek had genomen. Zij ontvangt den jongen priester op hare gewone, hartelijke wijze met de woorden: „Het doet mij genoegen, den eerwaarden vader te ontmoeten; ik heb reeds over hem hooren spreken en morgen zal ik bij hem te biecht gaan.”

Van dien dag af werd broeder Pasquerel haar vaste biechtvader, haar veldprediker. Hij bleef getrouw aan haar zijde, tot het einde toe, tot den laatsten dag in Compiègne.

Verder vinden wij in het gevolg van Jeanne haar beide pages, Louis de Contes en Raymond, twee herauten, de beide getrouwen Jean de Metz en Bertrand de Poulengy, eenige gewone dienaren, en eindelijk haar trouwe, brave schildknaap Jean d'Aulon, die zich te Blois onder hare bevelen stelde, en die haar, evenals broeder Pasquerel niet meer verlaten zal en zelfs aan hare zijde en tegelijk met haar te Compiègne zal worden gevangen genomen.

Waarschijnlijk hebben ook te Tours reeds de beide broeders van Jeanne, Pierre en Jean, zich bij haar staf aangesloten.

Na het vertrek van Jeanne uit Vaucouleurs was oom Durand aan de familie te Domrémy gaan mededeelen, wat er gebeurd was. Toen men bekomen was van den eersten schrik, besloot men zich te schikken in het onvermijdelijke, en werden haar beide jongste broeders haar achterna gezonden om haar te volgen en zoo noodig te beschermen.

Het eenvoudige boerendeerntje, dat in Februari van hetzelfde jaar (1429) op bloote voeten en in een schamel, rood wollen jurkje haar dorpje had vaarwel gezegd, verlaat thans Tours een van de laatste dagen van April in een schitterende wapenrusting, voorafgegaan door hare banieren, aan het hoofd van een groot gevolg, en in gezelschap van nog vele andere voorname personaadjes, waaronder Regnault de Chartres, Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims, om zich naar Blois te begeven, waar zij den 27en aankomt.

HOOFDSTUK II.

ORLÉANS.

Den 12en October 1428 begint het beleg van Orléans. Een aanzienlijk Engelsch-Bourgondisch leger onder bevel van den graaf van Salisbury heeft de gansche streek tusschen Parijs en Orléans onderworpen. Ernstigen weerstand hebben zij op hun veroveringstocht niet ondervonden, maar een veertigtal grootere en kleinere versterkte plaatsen hebben zij onderweg bezet, en zooals toen gebruikelijk was, uitgemoord en geplunderd. Vanuit Janville, waar Salisbury den 5en September met zijne troepen was aangekomen, heeft hij twee herauten naar Orléans gezonden, om de sleutels van de stad op te eischen, maar zij is niet van plan het vijandige leger binnen hare muren te ontvangen en stelt zich dus in staat van verdediging. Op den 12en October, dus op den dag dat het Engelsch-Bourgondische leger uit het zuiden van de zijde van la Sologne op Orléans komt aanrukken, verwoesten de burgers van de stad nog in allerijl de aan den overkant van de Loire gelegen voorstad de Portereau en maken haar geheel gelijk met den grond, om den vijand te beletten zich in de huizen of in het klooster te verschansen. De bewoners van de Portereau en van de andere voorsteden trekken zich terug binnen de muren van de eigenlijke stad, zoodat Orléans, dat destijds in gewone dagen eene bevolking van vijftienduizend zielen telde, tijdens het beleg een bevolking van dertigduizend inwoners moest huisvesten en voeden. Voor de verdediging van de vesting rekende men in hoofdzaak op de burgerwacht van de stad, die bestond uit ongeveer 3000 man met 71 kanonnen.

Voor een zuiver begrip van den loop van het gansche beleg van Orléans willen wij beginnen met de aandacht erop te vestigen, dat de insluiting van de stad geen oogenblik volkomen is geweest, zoodat kleine convooien met levensmiddelen steeds gelegenheid houden, al is het dan ook des nachts en in alle stilte, binnen de belegerde vesting te komen. Ook kleinere of grootere troepenafdeelingen gelukt het soms, de belegerde stad van uit het omliggende land te bereiken of haar te verlaten.

ORLÉANS TEN TIJDE VAN HET BELEG IN 1429--Gereconstrueerd door Mej. F. Bremer (Penteekening)
ORLÉANS TEN TIJDE VAN HET BELEG IN 1429--Gereconstrueerd door Mej. F. Bremer (Penteekening)

ORLÉANS TEN TIJDE VAN HET BELEG IN 1429 Gereconstrueerd door Mej. F. Bremer (Penteekening)

De belegeraars beginnen met zich te verschansen ten zuiden van de stad, op de puinhoopen van de verwoeste voorstad en tegenover de groote steenen brug over de Loire, die verdedigd wordt door het op het uiteinde van de brug gelegen fort les Tourelles. Zoodra het leger van Salisbury zijn kanonnen in positie heeft gebracht, wordt een aanvang gemaakt met het bombardement van de brug en het fort en van de stad daarachter. Den 21en October volgt dan een eerste algemeene aanval op les Tourelles. De burgers van Orléans, geholpen door hunne vrouwen, drijven die eerste maal de Godons terug, maar bij een herhaalden aanval op den 24en October bemerken zij, dat de vijand loopgraven onder de brug heeft gemaakt en zien zij zich gedwongen, het fort te verlaten. Op hun terugtocht slagen zij er nog in, twee bogen van de brug aan de stadszijde te vernielen en daardoor de verbinding met den anderen oever van de Loire te verbreken.

Salisbury zelf, de Engelsche bevelhebber, wordt dienzelfden avond, staande op een van de torens van het nieuw veroverde fort, door een kanonskogel uit de stad getroffen en sterft drie dagen later. Het bevel over zijne troepen wordt overgenomen door William Pole, door Jeanne genoemd la Poule, John Thalbot en Thomas de Scales.

De belegerden lijden door de verovering van les Tourelles een zwaar verlies. Van af de torens van het fort overziet men het geheele plan van de stad, hetgeen een belangrijk voordeel bij de beschieting oplevert.

Eigenaardig en ook al weer teekenend voor de gebrekkige afsluiting van de stad, is het feit, dat eerst daags na den val van les Tourelles, Dunois, de bastaard van Orléans, met nog eenige voorname heeren, waaronder de bekende kapitein la Hire, binnen de muren van Orléans verschijnt en het opperbevel over de verdedigingstroepen op zich neemt.

Onder zijne leiding worden gedurende de eerste wintermaanden ook de andere voorsteden van de stad geraseerd, daar de belegeraars begonnen waren, hunne schansen op te werpen aan de overzijde van de Loire ten oosten en ten westen van de stad. Belangrijke gevechten hebben in den aanvang van den winter niet plaats; alleen heeft men binnen de stad veel te lijden van het hardnekkige bombardement van de vijandige kanonnen. Maar de toestand zoowel binnen de muren van de „benarde veste” als in het kamp van de belegeraars is alles behalve rooskleurig. De winter is koud en de levensmiddelen raken op. De convooien met proviand worden dikwijls onderschept en zij, die de plaats van hunne bestemming bereiken, zijn klein en ten eenenmale onvoldoende: hongersnood staat voor de deur.

In het begin van Februari 1429 verneemt men in de stad, dat een groot convooi met proviand, van Parijs komende, onderweg is voor het Engelsch-Bourgondische leger. Dunois verlaat de stad met een escorte van tweehonderd man en trekt naar Blois om met den jongen graaf van Clermont te beraadslagen, wat men doen zal. Besloten wordt, dat de troepen van Orléans en van Blois door een gecombineerden aanval zullen trachten, het convooi te onderscheppen: men zal elkaar ontmoeten te Rouvray. De verdedigers van Orléans komen het eerst te Rouvray aan; even voor het leger uit Blois en even voor het vijandig convooi onder leiding van Falstolf. Hadden la Hire, Poton de Xaintrailles en William Stuart, de broer van den connétable van Schotland, hun zin kunnen volgen en met de burgerwacht van Orléans den vijand dadelijk aangevallen, zij zouden Falstolf, die aanvankelijk niets kwaads vermoedde, overrompeld en zich zonder veel moeite meester gemaakt hebben van het geheele convooi. Men zond nog ijlings renboden naar den graaf van Clermont, maar deze liet uitdrukkelijk bevelen, dat men niets zou ondernemen voor zijn aankomst. In dien tijd had Falstolf rustig de gelegenheid, zich in staat van verdediging te stellen en te verschansen achter de wagens van zijn eigen convooi. De besluiteloosheid van den jongen, onervaren graaf van Clermont, had tengevolge dat die 12e Februari voor de Fransche troepen zeer ongelukkig afliep. De Engelsche ruiterij sloeg de Franschen voor zij zich vereenigd hadden uiteen. Vele dapperen sneuvelden; de graaf van Clermont vluchtte met zijn leger binnen Orléans; hun aftocht werd gedekt door la Hire en Poton.

Het vurig begeerde convooi, dat, aangezien men in de vasten was, grootendeels bestond uit haringen, kon verder rustig zijn bestemming bereiken. De nederlaag bij Rouvray, die door de Franschen genoemd wordt „la journée des Harengs”, wordt door Jeanne dienzelfden dag te Vaucouleurs aangekondigd als zij tot Robert de Baudricourt zegt: „Heden heeft de (gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden.”

Na dezen grooten tegenslag laten de belegerden den moed zinken. Regnault de Chartres verlaat de stad en begeeft zich naar den koning. Ook la Hire trekt Orléans uit met tweeduizend man, maar hij belooft terug te zullen komen met levensmiddelen en hulptroepen. De graaf van Clermont, die na zijn optreden bij Rouvray weinig sympathie bij de burgers van de belegerde stad vond, acht het veiliger zich met zijne troepen uit de voeten te maken. De stad gaat nu hulp zoeken aan een gansch andere zijde en zendt eenige afgevaardigden naar den hertog van Bourgondië, om met hem te onderhandelen over eene mogelijke opheffing van het beleg.

In die dagen dringt langzamerhand tot Orléans het bericht door, dat aan het hof van den dauphin een jonge maagd verschenen is, die beweert door God gezonden te zijn om Orléans te bevrijden, en den dauphin daarna voor zijne kroning naar Reims te geleiden.

Een maagd door God gezonden, om hen uit hun bangen, benauwden toestand te verlossen! Geen wonder, dat dergelijke geruchten bij de bewoners van Orléans een dankbaar gehoor vonden en gretig aanvaard werden: men gelooft zoo gemakkelijk, wat men vurig wenscht. Van hooger hand wordt geen poging gedaan, om de geruchten tegen te spreken; integendeel, men ziet, dat ze de bevolking weer bezielen met nieuwen moed en met een groot vertrouwen.

Voor alles wil men echter weten, of de berichten waarheid bevatten en Dunois zendt dus twee afgevaardigden naar Chinon om naar de zaak te informeeren.

Als Jeanne den 27en April te Blois aankomt, vindt zij daar behalve Gilles de Rais, la Hire, Ambroise de Loré en nog andere groote heeren, de hulptroepen en het convooi, die zij naar Orléans zal geleiden. De koning was er ten slotte eindelijk in geslaagd, het noodige geld voor de expeditie te vinden, en men kan dus vertrekken. Dienzelfden dag nog zet de trein zich in beweging, d.w.z. dat men een deel van het convooi, dat in zijn geheel bestond uit zeshonderd wagens met levensmiddelen en munitie en vierhonderd stuks vee, voorloopig nog te Blois laat, om zich in de vijandelijke streek sneller en gemakkelijker te kunnen bewegen. Hoe groot het ontzettingsleger is, door Jeanne aangevoerd, is niet met zekerheid te zeggen: de een zegt tienduizend man, een ander zeven à achtduizend, maar vermoedelijk zal het niet meer dan ongeveer vierduizend man sterk zijn geweest. Aan de spits van dit leger rijdt Jeanne in haar blanke wapenrusting met haar schitterend gevolg van edelen en onmiddellijk voorafgegaan door hare banierdragers en door een breede schaar van priesters en monniken, die het „Veni Creator Spiritus” aanheffen.

Van het eerste oogenblik af aan en nog voor de eerste vijand in het gezicht is, stelt Jeanne zich niet tevreden met de passieve rol van door God gezondene, die zich laat leiden, maar neemt zij zelf de leiding in handen en begint met te veranderen wat haar in haar eigen troepen niet aanstaat en grieft. Hare manschappen zoo goed als zij zelf hebben eene Goddelijke zending te vervullen en daarom verlangt zij, dat in haar leger de naam des Heeren niet ijdelijk gebruikt zal worden: zij verbiedt het vloeken. Ook wil zij niet, dat, zooals het algemeen gebruik van dien tijd dat medebracht, een groot aantal publieke vrouwen medetrok in den tros van haar leger.

Om van uit Blois het belegerde Orléans te bereiken stonden twee wegen open. Men kon den rechter Loire-oever volgen en de stad dus naderen van de westzijde door la Beauce, of langs den linker oever en dus door la Sologne op de stad aantrekken. Is dit punt voor het vertrek in tegenwoordigheid van Jeanne besproken en heeft men haar op haar uitdrukkelijk verlangen om den eersten weg te volgen, eenige toezegging in dien zin gedaan? Met andere woorden, heeft men haar willens en wetens misleid? Het is moeilijk, hierop met beslistheid te antwoorden, maar zeker is het, dat Jeanne, die in de vaste overtuiging verkeerde, dat men de stad zou naderen van uit het westen en dus van de zijde, waar Talbot zich met zijne Engelsche troepen verschanst had, diep teleurgesteld en hoogst ontstemd was, toen men op den avond van den 29en April even ten Oosten van Orléans maar aan den linkeroever van de Loire halt hield.

Zoodra de wachters op de wallen en torens van de belegerde stad de aankomst van het leger van Jeanne hadden aangekondigd had, Dunois de stad verlaten en was hij Jeanne te gemoet getrokken. Maar de ontvangst van hare zijde is bij die eerste ontmoeting niet bijster vriendelijk. Zij verwijt hem, dat men haar bedrogen heeft. Is het op zijn advies, dat men deze route gevolgd heeft? Dan heeft hij nu zijn verdiende loon, want een sterke tegenwind maakt het vooralsnog onmogelijk de troepen en het convooi met de gereed liggende zeilbooten over de rivier en binnen de belegerde stad te brengen.

„Bij God”, roept zij uit, „de raad van Messire is zekerder en wijzer dan de Uwe. Gij hebt mij willen bedriegen en hebt U zelf bedrogen.”

Maar de voor het prestige van Jeanne op dat oogenblik zoo noodzakelijke wonderen geschieden. In de eerste plaats draait de wind, zoodat de zeilbooten, met troepen en proviand geladen, Orléans kunnen bereiken en in de tweede plaats blijft de vijand op een afstand rustig toekijken en steekt geen hand uit om den overtocht te beletten of zelfs ook maar te bemoeilijken.

De bewoners van de belegerde stad zijn op het eerste bericht van de nadering van haar, die hun door God gezonden wordt te hunner verlossing, naar de wallen gestormd. Zij zien van daaruit de aankomst van het ontzettingsleger, leven de oogenblikken van spanning mede als de tegenwind de booten belet de stad te naderen en steeds nog vreezen zij, dat de vijand op het laatste oogenblik hun hoop zal verijdelen. Maar langzamerhand beginnen zij te begrijpen, als zij getuige zijn van de wonderen, die geschieden. In het vijandige kamp blijft alles rustig en plotseling draait de wind, zoodat veilig met het overbrengen van troepen en proviand een aanvang kan gemaakt worden.

Dan maakt zich van de gansche bevolking een koortsachtige geestdrift meester. Het is dus waar, het kan niet anders, geen twijfel is meer mogelijk. Dat kan geen werk zijn van menschen, maar slechts van haar, die met een Goddelijke opdracht tot hen komt. Als de avond begint te vallen wil Jeanne terug naar Blois om het achtergebleven gedeelte van het convooi te halen en Gilles de Rais en Dunois hebben al hun overredingskracht noodig, om haar dit voornemen uit het hoofd te praten. Dunois vooral is er bijzonder op gesteld, dat Jeanne nog dien avond haar intocht binnen Orléans zal houden. Hij voorziet de heftigste tooneelen van wanhoop en vertwijfeling, wanneer hij zonder de door zijn volk verwachte Heilige terugkomt.

Het is reeds laat in den avond als Jeanne eindelijk toegeeft en met Dunois en een klein gevolg de poort van Orléans binnenrijdt. Men verwacht haar en ondanks het vergevorderd uur is de geheele stad op de been. De geestdrift, waarmede de bevolking van Orléans haar ontvangt, is eenvoudig onbeschrijfelijk. Voorafgegaan door een aantal toortsdragers rijdt Jeanne naast Dunois door de straten van Orléans, waarin zich eene dichte menigte heeft opgehoopt. In alle huizen heeft men de lichten ontstoken als even vele vreugdevuren. Arm en rijk, oud en jong verdringt zich niet alleen om haar te zien, maar om zoo mogelijk haar de hand te kussen of slechts den zoom van haar kleed aan te raken. De vreugde, zegt een ooggetuige, had niet grooter kunnen zijn, wanneer God zelf in de stad was neergedaald.

Op het einde van haar zegetocht begeeft Jeanne zich naar de kerk van het Heilige Kruis, waar zij God dankt in een lang en vurig gebed. Vervolgens brengt men haar bij Jacques Boucher, den thesaurier van den hertog van Orléans, in wiens huis zij den nacht zal doorbrengen.

Zooals het toenmalig gebruik verlangde, sliep zij dien nacht en de overige nachten van haar verblijf te Orléans, bij het dochtertje van haar gastheer, een meisje van een jaar of negen, genaamd Charlotte.

Den volgenden dag (30 April) wil zij besteden om de Engelschen te sommeeren, in vrede heen te gaan, zonder dat zij ze met geweld van wapenen behoeft te verjagen. Omtrent de bijzonderheden van deze sommatie bestaan verschillende lezingen. Volgens de eene zond Jeanne twee herauten, genaamd Ambleville en Guyenne naar het vijandige kamp met den brief, dien zij reeds in Maart te Poitiers gedicteerd had. Volgens anderen was deze brief dadelijk in Maart verzonden en wendde zij zich van uit Orléans tot de Engelschen met een nieuw schrijven.

Vast staat in elk geval, dat van de twee herauten van Jeanne, wanneer zij ook gezonden werden, slechts één terugkeerde. Guyenne hielden de Engelschen gevangen: zij dreigden hem te zullen verbranden tegen alle wetten van het volkenrecht in, volgens welke de persoon van een heraut heilig was.

Terwijl Dunois naar Blois vertrokken is, om het achtergebleven deel van het convooi te halen, besluit Jeanne eenige dagen rustig af te wachten of de Engelschen gehoor geven aan hare aanmaning.

Intusschen heeft men moeite, het volk kalm en in bedwang te houden. Ze willen hun Heilige zien en bewonderen en verdringen zich voor het huis van den zilversmid Boucher. Men dringt er bij Jeanne op aan, dat zij zich zal vertoonen en Zondag den 1en Mei rijdt zij dan met een klein gevolg door de straten van Orléans, toegejuicht en gehuldigd door een talrijke menigte.

Ook den volgenden dag (2 Mei) stijgt zij vroeg weer te paard en gaat met enkelen van hare getrouwen de positie van het vijandelijke leger verkennen.

's Morgens van den derden Mei kondigen de wachters de nadering aan van het leger van Blois. Jeanne rijdt het tegemoet. Ook Dunois komt terug. Hij brengt de tijding mee, dat Falstolf weer onderweg is met een groot convooi. Hij moet Jeanne vast en stellig belooven dat hij haar waarschuwen zal, als Falstolf passeert: ze wil hem zien.

Den voormiddag van den vierden is Jeanne druk in de weer bij het binnen brengen van de troepen en het convooi uit Blois. Na het middagmaal om één uur legt zij zich met haar slaapkameraadje een oogenblik te rusten. Maar plotseling vliegt ze weer overeind. Hare stemmen hebben haar gewaarschuwd, dat er gevochten wordt, maar ze weet niet precies waar. Ze waarschuwt d'Aulon, die eveneens vermoeid zich in hetzelfde vertrek te slapen had gelegd.

In allerijl wordt zij gekleed en gewapend. Zij stormt de kamer uit en ontmoet haar page Louis de Contes.

„Waarom heb je mij niet gewaarschuwd, dat er Fransch bloed vergoten wordt?” roept ze hem toe:

„Breng mij mijn paard”.—

Door een raam reikt men haar haar banier nog toe en dan ijlt zij in vollen galop door de straten van Orléans in de richting, waar zij het meeste rumoer hoort. D'Aulon en de Contes volgen haar. Door de Bourgondische poort verlaat zij de stad: er wordt gevochten om de Bastille de Saint Loup, ten einde de aandacht van de Engelschen van den overtocht van het convooi af te leiden.

De belegering van Orléans.--Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.
De belegering van Orléans.--Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.

De belegering van Orléans. Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.

Als de Franschen onder Gilles de Rais Jeanne zien naderen, juichen zij haar toe. Haar tegenwoordigheid geeft hun nieuwen moed en zal hun geluk aanbrengen. Als een goed veldheer begint Jeanne met hare troepen te verzamelen; ze waren te veel verspreid en ieder vocht op zijn eigen gelegenheid. Met haar banier in de hand, bevindt zij zich weldra vooraan bij de gracht, waar het pijlen en projectielen regent. Men verzamelt zich om haar heen, een forsche, algemeene aanval volgt en de Bastille wordt genomen. Als Talbot met zijn troepen te hulp snelt, ziet hij op een afstand nog slechts den rook van de brandende Bastille.

De geheele bezetting was gedood of gevangen genomen. Het zien van zoovele dooden, die gestorven zijn zonder toediening van de sacramenten der stervenden, maakt Jeanne diep bedroefd. Onder de gevangene Godons vindt zij enkele krijgslieden, die zich gekleed hebben in priestergewaden uit de naburige sakristie. Zij wil niet, dat hun eenig leed zal geschieden: „Men moet dezen geestelijken niets vragen,” zegt zij spottend.

Dien avond, terwijl haar soldaten de overblijfselen van de Bastille verder verwoesten, gaat Jeanne te biecht bij Pasquerel en deelt haar biechtvader mede dat zij den volgenden dag ter eere van den Hemelvaartsdag niet zal vechten.

Op dien dag wordt er binnen Orléans krijgsraad gehouden. Men besluit tot een schijnaanval op het kamp van Saint-Laurent, ten einde de Engelsche troepen daarheen te lokken; intusschen wil men dan een poging wagen, zich meester te maken van het fort les Tourelles op de groote steenen brug over de Loire. Na eenig over en weer praten acht de meerderheid het raadzaam, Jeanne althans met dat deel van de plannen in kennis te stellen, dat meer in het bijzonder de burgerwacht van Orléans betreft. Maar Jeanne laat zich niet misleiden, zij voelt dat men haar iets verbergt en dat maakt haar boos.

„Zeg mij wat gij besloten en beschikt hebt. Ik kan wel een belangrijker geheim bewaren”, valt zij uit.

Dunois kalmeert haar door de waarheid te vertellen.

Dienzelfden dag nog schrijft Jeanne een nieuwen brief aan de belegeraars, waarin zij ze nogmaals sommeert, het beleg op te breken. Ze zegt zelf: „Dit is voor de derde en laatste maal, dat ik U schrijf; nu schrijf ik U niet meer.”

Dit zou dus pleiten voor de lezing, dat de brief, gedicteerd in Poitiers, en die van den 30en April niet dezelfde waren.

Zij begeeft zich zelf met haar schrijven naar de brug. Door luid te roepen kan zij zich daar verstaanbaar maken voor de bezetting van het fort les Tourelles. Zij toont den Godons het perkament en roept hun toe: „Leest dit! Het is nieuws!”

Dan hecht zij haar brief aan een pijl en laat dien in het vijandige kamp schieten. De Engelschen bespotten en hoonen haar, schelden haar uit.

„Er is nieuws van de h... van de Armagnacs”, roepen zij uit.

Als Jeanne dit hoort, is zij diep bedroefd en barst in tranen uit. Maar hare stemmen troosten haar en spreken haar moed in.

De beide volgende dagen zullen dagen zijn van belangrijke en beslissende krijgsbedrijven. Men is bij het krieken van den morgen reeds in de weer, maar voor de troepen zich in beweging zetten, wordt op voorschrift van Jeanne door Pasquerel voor het front de mis gelezen, en wordt de zegen des hemels afgebeden voor hun onderneming. Daarna verlaat men de stad door de Bourgondische poort en steekt Jeanne met hare troepen de Loire over. Het eerste belangrijke punt, waarop zij stuiten is de Bastille de Saint Jean le Blanc.

Volgens sommigen was deze op dat oogenblik verlaten en behoefden de troepen uit Orléans haar slechts in het voorbijgaan te verbranden en te verwoesten. Volgens anderen daarentegen was zij sterk bezet, maar bezweek zij na een algemeenen aanval, waarbij Jeanne met haar banier vooraan reed en de haren aanmoedigde door ze toe te roepen:

„Bij God, houdt moed, vooruit, vooruit!”

De soldaten meenden, dat zij na de verwoesting van de Bastille van St. Jean weer binnen Orléans zouden terugkeeren. Maar daar wil Jeanne niets van weten, ze wil vooruit: de dag is nog lang. Men trekt dus verder naar de Bastille van de Augustijners.

Wij weten in elk geval zeker, dat deze laatste Bastille, die achter het fort les Tourelles en in het verlengde van de brug gelegen was, door de Engelschen hardnekkig verdedigd werd. Het was voor hen een belangrijk punt. De eerste aanval van de Franschen wordt zelfs afgeslagen en ze trekken terug. Maar er komen versterkingen uit de stad. Dunois steekt de rivier over met Gilles de Rais. Ze brengen kanonnen mede en alles, wat er noodig is voor een krachtigen aanval. Het geschut maakt een bres in de buitenste palissade en dan volgt de algemeene stormloop. Jeanne is in het voorste gelid met Gilles de Rais. Zij moedigt de soldaten aan door haar voorbeeld.

„Vooruit maar”, roept zij steeds, „moed gehouden, trekt maar binnen.”

Tegen zoo'n aanval zijn de verdedigers niet bestand, zij wijken en de Bastille wordt genomen. De Godons worden bijna allen gedood of gevangen genomen. Slechts enkelen van hen kunnen nog tijdig het fort les Tourelles bereiken. Na de Bastille wordt nog het naburige, door de Engelschen bezette, Augustijner klooster aangevallen en veroverd, waarna de gebouwen en de Bastille door de Franschen worden verbrand en verwoest.

Het plan is nu, den volgenden dag een aanval te wagen op les Tourelles. Men vreest, dat dit niet zoo gemakkelijk zal gaan.

„Daar zullen wij wel een maand voor noodig hebben, om die te veroveren”, mompelen de soldaten.

In elk geval zal het er warmpjes toegaan en zal er hard gevochten moeten worden.

Ook Jeanne voorziet een zwaren dag. In Orléans teruggekeerd, zegt zij tot de burgers: „Staat morgen nog vroeger op dan vandaag en doet goed uw best”.

Aan Pasquerel verzoekt zij, haar den volgenden dag niet te verlaten, want zij voorspelt: „Ik zal morgen veel harder moeten werken dan ik tot nu toe gedaan heb en morgen zal er bloed vloeien uit mijn lichaam”. Ook tegenover anderen moet zij dien avond voorspeld hebben, dat zij gedurende de bestorming van les Tourelles gewond zou worden boven haar borst.

De zevende Mei is dus de groote dag van de verovering van les Tourelles, de beslissende dag voor de bevrijding van Orléans en het ontzet van Orléans zal in zijn gevolgen blijken te zijn een gewichtig keerpunt in den ganschen oorlog. Het is wel merkwaardig, dat het Engelsche geschiedschrijvers zijn, die het verst gaan in hunne bewondering voor dit wapenfeit der Franschen, en de verovering van les Tourelles rangschikken onder „de vijftien beslissende slagen” van de wereld. En allen, zelfs de meest sceptische schrijvers, zijn het hierover wel eens, dat het leeuwenaandeel van de eer voor deze belangrijke overwinning toekomt aan Jeanne, aan het zeventienjarig meisje, dat, hoewel zelf vrij ernstig gewond, hare troepen tot het einde toe bleef aanvoeren en bezielen, en dat, door op het goede oogenblik, de eenige noodige daad te verrichten en het juiste woord te spreken, hare manschappen onoverwinnelijk maakte.

Een onverklaarbaar punt in de geschiedenis van dezen dag is de houding van de Engelsche troepen, die buiten les Tourelles om Orléans gelegerd waren. Wanneer Talbot, wien het waarlijk niet aan moed ontbrak, met zijne troepen de belegerden in het fort tijdig te hulp was gesneld, wanneer hij gedurende de bestorming van les Tourelles een krachtigen aanval gewaagd had op de stad, waarin zich uit den aard der zaak slechts een veel kleinere bezetting bevond, wanneer hij of het garnizoen van les Tourelles in den nacht van den 6en op den 7en Mei de uitgeputte Fransche troepen overvallen was, die zonder Jeanne en de andere bevelhebbers kampeerden op de puinhoopen van het Augustijnerklooster, dan zouden de zaken voor de belegeraars hoogst waarschijnlijk een gansch anderen loop genomen hebben. Wat de verdediging van de bezetting van het fort zelf betreft, zij is zeker dapper en hardnekkig geweest, maar de tegenwoordigheid en het optreden van de „tooverheks”, de „koehoedster der Armagnacs”, zooals zij Jeanne noemden, en vooral haar weder verschijnen na de verwonding, maakte de Engelsche soldaten ten slotte zenuwachtig en bang en deze omstandigheid heeft zeker niet weinig bijgedragen tot het welslagen van de geheele onderneming.

Jeanne is bij het aanbreken van den dag al uit de veeren en gewapend; als gewoonlijk gaat zij voor alles bij Pasquerel te biecht en hoort de Mis.

Men brengt haar een geschenk, een mooie visch, dan zegt zij schertsend:

„Bewaar die voor van avond, voor het avondeten, dan breng ik een Godon mee, die er ook zijn deel van zal hebben. Ik kom terug over de Brug.”

Die laatste voorspelling maakt op alle omstanders een diepen indruk. Het geeft hun moed en bezielt hen weer met nieuwe geestdrift.

Als zij daarna weer te paard gestegen is, roept zij nog kinderlijk vertrouwelijk:

„Wie mij lief heeft, volge mij!”

Er zijn er velen die haar volgen, hoewel enkele van de leiders nog willen wachten en de troepen laten rusten. Met haar vertrekken Dunois, Gaucourt, la Hire en Poton de Xaintrailles en nog een deel van de burgerwacht ter versterking van de troepen, die zich reeds op de bouwvallen van de voorstad de Portereau bevinden. Het achterblijvende deel van de bezetting zal den ganschen dag zich bezighouden met de voorbereiding van een aanval op les Tourelles van de zijde van de stad, en dus met de vervaardiging van een hulpbrug.

Zoodra de Franschen allen bijeen zijn, worden de troepen in slagorde gebracht en wordt het signaal gegeven voor een eersten aanval op de bolwerken, die nog op den oever van de Loire zijn gelegen en door een houten ophaalbrug gescheiden zijn van het eigenlijke fort. De muren van den boulevard zijn stevig en hoog en worden dapper verdedigd door zeshonderd man onder bevel van Moleyns, Poynings en Glasdale. De eerste aanvallen worden afgeslagen. Het lukt den aanvallers niet, de stormladders tegen de muren te plaatsen onder den regen van Engelsche projectielen.

Jeanne is ook nu weer vooraan; zij geeft het voorbeeld en roept haar manschappen steeds toe, dat zij moed moeten houden en voorwaarts trekken. Zoodra men er in geslaagd is, een stormladder tegen den muur te plaatsen, snelt zij er heen, zij is de eerste, die naar boven wil klauteren. Maar dan op eens valt ze neer: een pijl is doorgedrongen onder de schouderplaat van haar harnas. Zij is vrij ernstig gewond boven de rechterborst.

De Franschen snellen toe en brengen haar buiten het gewoel. De trouwe Pasquerel en haar page Mugot zijn aan haar zijde. Voorzichtig wordt de gewonde plek bloot gelegd. Van alle kanten komen er natuurlijk gedienstigen en ieder met een anderen raad en een andere remedie. Men dringt er vooral op aan, dat zij zich zal laten bezweren, maar daar wil Jeanne niet van hooren:

„Liever dood”, antwoordt zij daarop, „dan dat ik iets zou doen, waarvan ik weet, dat het zonde en tegen den wil van God is.”

Men bestrijkt den gewonden schouder met olijfolie en legt op de wonde zelf een plakje spek. Daarna stort Jeanne nogmaals haar hart uit voor haar biechtvader en bidt. Hare Heiligen verschijnen haar en dit geeft haar nieuwe kracht en moed. Met alle energie, die in haar is, staat zij op en zoekt geheel gewapend haar plaats op in het voorste gelid.

De Engelschen, die haar hadden zien vallen, en bloed hadden zien vloeien uit haar wond, hadden luide gejuicht. Nu was het uit met de macht van de tooverheks, want zoo geloofde men destijds algemeen: een heks verloor met haar bloed of een deel daarvan ook haar macht en haar invloed.

En ziet, daar op eenmaal nadert zij weer met vasten tred en onverschrokken. Daar is zij weer, die slanke gestalte in het blanke harnas en haar soldaten sluiten zich weer bij haar aan en volgen haar banier. De Engelschen staan verstomd, en een onbestemd gevoel van angst bekruipt hen.

De Franschen hebben intusschen tijdens de afwezigheid van Jeanne met hun aanval geen groote vorderingen gemaakt. Reeds loopt het tegen den avond en Dunois wil het signaal voor den aftocht laten geven. Maar Jeanne houdt hem hiervan terug; nog een weinig geduld en, bij God, zij zullen weldra het fort kunnen binnen trekken, verzekert zij.

„Twijfel niet, de plaats is ons,” roept zij haren getrouwen toe. Vervolgens vertrouwt zij haar banier een oogenblik toe aan de zorgen van een Baskisch soldaat en zondert zich een korten tijd af in een naburigen wijngaard om hare stemmen te raadplegen en zich te verdiepen in een rustig gebed. Gesterkt door dit gebed en aangemoedigd door hare Heiligen, komt zij terug. In het schemerduister ontdekt zij haren standaard aan den voet van den boulevard. Een oogenblik gelooft zij aan onraad en roept: „Mijn standaard, mijn standaard”, maar dan bemerkt zij dat hij nog in handen is van den Baskiër. Omringd van haar troepen met hun leiders, volgt Jeanne aandachtig de bewegingen van d'Aulon, haar schildknaap, die, vergezeld van den Baskiër en onder beschutting van een schild, wil trachten met den standaard van Jeanne als verzamelteeken den voet van het vijandige bolwerk te bereiken.

„Ziet goed toe,” roept Jeanne, „wanneer de stok van mijn standaard den muur zal aanraken”. Na eenige oogenblikken van spanning schreeuwt men haar toe van alle kanten: „Jeanne, de stok van den standaard raakt den muur!” Dan roept zij plotseling in geestdrift uit: „Welnu, trekt dan binnen, de vesting is ons!”

Dit was het tooverwoord waarop men wachtte. Nauwelijks is het uitgesproken, of de Franschen stormen als één man naar het vijandige bolwerk, de ladders worden beklommen onder een regen van projectielen, maar er is nu niets meer, dat de aanvallers kan tegenhouden; ze zien geen gevaar. Op de muren ontstaat een verwoede strijd van man tegen man en zwaar dreunen de slagen der zwaarden op de schilden en kurassen. De Franschen winnen veld: ze springen van de muren binnen de versterking en drijven langzamerhand den vijand achteruit, naar de ophaalbrug.

In het midden van het hevigst gewoel staat boven op den muur Jeanne, de schrik der Engelschen. Als zij Glasdale ziet, die den aftocht van zijn troepen dekt, sommeert ze hem nog, zich over te geven:

„Clasdas, Clasdas, ren-ti, ren-ti au roi des cieux”, roept zij hem toe.

„Gij hebt mij uitgescholden voor h......., maar ik heb medelijden met uwe ziel en die van uwe soldaten!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings