JEANNE D'ARC. (continued 2)
Reading edition
Als de Engelschen op hun terugtocht de ophaalbrug naderen, wachten hen nieuwe rampen. De achtergebleven bezetting van Orléans is van de zijde van de stad een aanval op les Tourelles begonnen, de vijand zit tusschen twee vuren, en tot overmaat van ellende is men er van uit Orléans in geslaagd, een brander op de Loire onder de ophaalbrug te sturen en daar vast te leggen. Als Poynings, Mouleyns en Glasdale zich nog een oogenblik verdedigen op de houten brug, zakt deze brandend inéén en allen, die er op zijn, storten in de rivier en verdrinken. Met hen verdween ook de oude, beroemde standaard van Chandos. Intusschen zijn de Franschen van de andere zijde er in geslaagd, les Tourelles te bereiken. Een groot deel van de bezetting sneuvelt, het overige deel wordt gevangen genomen of springt in wanhoop in de Loire.
Te midden van dit bloedbad en deze algemeene slachting is Jeanne op hare knieën gevallen. Zij is diep ontroerd en schreit tranen van medelijden over de zielen van de gevallen dapperen, die niet naar haar hebben willen luisteren.
Spoedig is nu alles afgeloopen en komen de overwinnaars tot bezinning en tot rust. In de eerste plaats moet er nu aan gedacht worden, de troepen weer veilig binnen de muren van Orléans te brengen, want de zon is reeds onder en het wordt nacht.
Als na eenige uren van ingespannen arbeid de brug hersteld en voldoende versterkt is, begint de overtocht van de troepen. Zooals Jeanne beloofd en voorspeld had, komt zij terug over de brug aan de spits van haar zegevierend leger. Voor haar uit draagt men hare banieren en trekken de monniken en priesters onder het zingen van een Te Deum. Bij den rossigen gloed van toortsen en nog spookachtig verlicht door het brandende, veroverde fort, trekt de stoet in triumf de stad binnen, waar de klokken beieren, waar de vreugdevuren en lichten zijn ontstoken, evenals in den nacht van den eersten blijden intocht van Jeanne, en waar een opgewonden en geestdriftige menigte haar ontvangt met de vreugdekreet: „Noël!” „Noël!”
Bij Boucher aangekomen, wordt Jeanne verbonden door een chirurgijn, vervolgens neemt zij eenig voedsel en een glas wijn en dan begeeft zij zich kalm ter ruste: zij is vermoeid en uitgeput naar lichaam en naar geest.
Den volgenden morgen (Zondag 8 Mei) voeren de Engelschen onder Talbot nog eene schijnbeweging uit in de richting van de stad, daarna maken zij rechtsomkeert en trekken af: Orléans is ontzet!
Men vraagt Jeanne nog toestemming, het vertrekkende leger te vervolgen, maar zij verlangt, dat men rust zal nemen en den Zondag zal eerbiedigen.
De stad is ontzet: het teeken, door Jeanne beloofd, is dus ook werkelijk door haar voor Orléans gegeven. Hiermede is tevens reeds het eerste deel van hare roeping vervuld en de eerste helft van de haar door God gegeven taak volbracht. Na een angstig en benauwend beleg van zeven maanden is het Jeanne in acht dagen gelukt, de Engelschen te verjagen: men durft weer ademhalen binnen de muren van Orléans, de stad is bevrijd en behouden gebleven voor den dauphin.
Het bericht van de bevrijding van Orléans maakte een diepen indruk tot zelfs ver buiten de grenzen van het land. De dauphin zelf en velen uit zijne omgeving, die aanvankelijk getwijfeld hadden aan de belofte van Jeanne, erkennen in hun dankbaarheid en door de feiten overtuigd de „Goddelijke tusschenkomst”.

Intocht van Jeanne d' Arc binnen Orléans. Naar een schilderij van J. Scherrer. Museum Orléans.
HOOFDSTUK III.
Jargeau.—Patay.—Reims.—Parijs.
Het ligt geheel in de lijn van het voortvarend karakter van Jeanne, dat zij na het behaalde succes in Orléans niet op haar lauweren gaat rusten. Zij heeft nog slechts een deel van haar taak volbracht en wil met alle kracht doorzetten. De Engelsche troepen zijn voor het oogenblik gedemoraliseerd, maar men moet hun den tijd niet laten van de schrik te bekomen en de geleden verliezen te herstellen. De Fransche troepen daarentegen zijn met nieuwen moed bezield; de bevrijding van Orléans heeft hun weer zelfvertrouwen gegeven, hun gevechtswaarde is zeker meer dan verdubbeld. Maar van die gunstige stemming moet gebruik gemaakt worden, men moet naar Reims, en vandaar naar Parijs, de Engelschen moeten het land uit, voor zij den tijd gehad hebben, tot bezinning te komen.
Aldus redeneert Jeanne en in dien zin spreekt zij ook tot den dauphin dadelijk bij het eerste wederzien in Tours. Maar de koning en zijn Raad denken er anders over. De oppositie van la Trémouille en de zijnen tegen de politiek van Jeanne wordt steeds duidelijker en Karel VII is geen persoon, waarvan men kan verwachten, dat hij openlijk in verzet tegen zijn Raad zal komen. In de omgeving van den koning acht men het oogenblik voor den opmarsch naar Reims nog niet gekomen. Men wil eerst vanuit Orléans de verdere Loire-streek van vijanden zuiveren. Ook acht men een tocht door het land tusschen Orléans en Reims niet zonder gevaar, zoolang de voornaamste plaatsen, die men langs moet, als Troyes en Châlons, zich in handen der Engelschen bevinden. Maar, hoewel zij niet openlijk werd uitgesproken, zal de voornaamste reden van het verzet tegen het plan van Jeanne wel geweest zijn, dat men het groote nut van de kroning te Reims nog niet inzag, nog niet voldoende doordrongen was van de noodzakelijkheid ervan, of het geniale van de vinding nog niet wilde erkennen.
Eenige dagen na het ontzet van Orléans verlaten enkele leiders met hunne troepen de stad, een ander gedeelte van de troepen wordt afgedankt bij gebrek aan middelen om hen onder de wapens te houden. Ook Jeanne vertrekt met Gilles de Rais. Een geestdriftige en innig dankbare menigte doet haar uitgeleide tot de poort en velen zijn tot tranen toe geroerd bij het afscheid. Als zij te Tours aankomt, is de koning er nog niet en zij besluit dus, hem te gemoet te trekken.
Bij het eerste wederzien betoont Karel VII zich tegenover Jeanne hartelijk en vriendelijk, maar zonder eenige geestdrift. Het is de koning, die na een overwinning zijn zegevierenden veldheer ontvangt, die zijn plicht gedaan heeft. Ook uit zijn brieven van die dagen spreekt nog altijd groote voorzichtigheid en een zekere angst om zich te veel bloot te geven, als hij den bewoners van de steden, die hem trouw bleven, op het hart drukt, God te loven en de dappere daden in Orléans bedreven in eere te houden en wel vooral die van Jeanne „die steeds en in persoon bij dat alles tegenwoordig was”. Maar na zoo'n koude douche willen wij ons weer even verwarmen aan het enthousiasme van d'Alençon en Dunois en de eerste over Jeanne laten verklaren:
„Zij was zeer bekwaam in den oorlog, in het in slagorder brengen van de troepen zoowel als in het opstellen van de kanonnen. Allen bewonderden hare voorzichtigheid en haar zorg voor alles, alsof zij een kapitein was met dertig jaar ondervinding.”
en de tweede:
„Zij ontwikkelde een bewonderenswaardige geestkracht en deed meer werk dan twee of drie van de beroemdste veldheeren met de meeste ondervinding.”
Tien dagen blijft Jeanne met het hof te Tours, daarna volgt zij den koning naar Loches. Maar zij is verre van tevreden over dit talmen; het is verloren tijd; zij wil naar Reims. Helaas, men luistert niet naar haar goeden raad, zelfs niet als zij waarschuwt:
„Ik zal slechts een jaar duren en niet veel langer.”
Bij een van hare bezoeken bij den dauphin om hem te smeeken, toch niet langer te dralen en vooral „niet zoo dikwijls en zoolang te vergaderen”, maar haar te volgen naar Reims, ontmoet zij den heer van Harcourt, die, als de koning geen antwoord geeft op het verzoek van Jeanne, gebruik maakt van de gelegenheid, om haar weer te ondervragen over hare stemmen en den raad van hare Heiligen. Maar Jeanne laat ook nu niet veel meer los, dan hetgeen men reeds weet; alleen legt zij er bij deze gelegenheid den nadruk op, dat zij er dikwijls veel verdriet van heeft, dat men haar niet gelooven wil en hare stemmen haar in die oogenblikken van neerslachtigheid troosten met de woorden: „Ga, dochter van God, ga!”
Den 6en Juni bevindt Jeanne zich met den koning te St. Aignan waar zij o. a. een heraut ontvangt, haar als opperbevelhebber van de Fransche troepen gezonden door de bewoners van Orléans, om haar op de hoogte te brengen van de bewegingen van den vijand.
Het plan, om van uit Orléans als operatie-basis, de geheele streek om de stad van Engelschen te zuiveren wordt doorgezet. Jeanne, verheugd dat zij tenminste niet langer met de armen over elkaar behoeft te zitten, komt in den avond van den 9en Juni te Orléans aan, waar zich de andere leiders met hunne troepen reeds verzameld hebben. Met een vrij aanzienlijk leger onder bevel van d'Alençon en La Hire vertrekt zij weldra weer in de richting van Jargeau. Men zal deze stad, die verdedigd wordt door den graaf van Suffolk, met een grootendeels uitgelezen bezetting, moeten belegeren, dus stormladders, kanonnen en alles, wat noodig is voor een geregeld beleg, wordt medegevoerd, o.m. la Bergère, een groot kanon, dat reeds bij de beschieting van les Tourelles uitstekende diensten had bewezen.
Zoodra de voorhoede der Franschen voor de stad is aangekomen, hebben er enkele schermutselingen plaats, waarbij de belegeraars worden afgeslagen. Dienzelfden dag wordt er krijgsraad gehouden. Men is het er nog niet over eens, of men Jargeau wel zal durven aanvallen en vooral niet sedert men heeft vernomen, dat Falstolf in aantocht is met een ontzettingsleger van tienduizend man. Het is Jeanne weer, die hun moed in moet spreken en den doorslag moet geven. Wat doet het ertoe, of de Engelschen sterker en talrijker zijn, als Messire strijdt aan de zijde der Franschen?
„Wanneer ik daar niet zeker van was”, verklaart zij, „zou ik liever schapen hoeden, dan mij blootstellen aan zulke gevaren.”
Maar voor den aanvang van het eigenlijke beleg sommeert zij Suffolk nog tot de overgave en biedt den Engelschen vrijen aftocht aan met achterlating van al hunne wapenen en munitie.
Den 12en Juni begint reeds in de vroegte een geregeld artillerie-duel en een algemeene stormloop. Met hare banier in de hand en aan de zijde van d'Alençon, haren „gentil duc”, voert Jeanne hare troepen aan.
Plotseling, in het heetst van het gevecht, duwt zij d'Alençon met kracht op zij:
„Ga gauw uit den weg”, roept ze hem nog toe, en wijzende op een groot kanon op de muren van de stad vervolgt zij: „die machine daar zou U dooden.” Degeen, die een oogenblik daarna d'Alençons plaats innam, kon niet meer gewaarschuwd worden en werd werkelijk gedood door een projectiel uit het bewuste kanon.
Evenals bij de bestorming van les Tourelles is Jeanne ook nu weer een van de eersten, die een voet durft zetten op de ladders tegen den muur. Maar zij wordt getroffen door een grooten steen, die de Engelschen naar beneden wierpen, en valt terug. Goddank, zij is niet ernstig gewond en springt weer overeind, roepende:
„Toe maar, vrienden, vooruit! Moed gehouden! De Engelschen zijn ons!”
Dan volgen allen haar weer, de muren worden beklommen, de vijand wijkt en de stad is genomen. Bij de vervolging van de bezetting valt ook de graaf van Suffolk in handen van de Franschen.
Dadelijk na de verovering van Jargeau trekt Jeanne met het leger terug naar Orléans, waar ter eere van deze nieuwe overwinning een groote processie wordt gehouden en men haar overlaadt met kostbare geschenken. Van den Raad van de stad ontvangt zij een huik en een overkleed van groene en karmozijnroode stof, en dus in de kleuren van den Hertog van Orléans, die in Engeland gevangen zat.
Na de verovering van Jargeau, dat ten oosten van Orléans is gelegen, wil Jeanne nu ook het westen gaan zuiveren en kondigt aan, dat zij de Engelschen te Meung zal gaan bestoken. Den 15en Juni trekt het leger er weer op uit. De versterkingen van de brug bij Meung worden zonder veel moeite genomen. Men laat er eenig garnizoen achter en zonder zich verder om de stad te bekommeren, zet het leger zijn opmarsch voort naar Beaugency. De voorsteden van het stadje worden niet verdedigd en de Franschen trekken er binnen, maar dan blijkt dat de vijand zich in de huizen heeft verschanst en ontstaat een verwoed straatgevecht. Het resultaat is evenwel dat de Engelschen worden verdreven en zich terugtrekken in het kasteel.
Terwijl de Fransche troepen bezig zijn, het kasteel en de bastilles van de brug te omsingelen, ontvangt d'Alençon het onaangename bericht, dat de connétable Arthur van Bretagne, heer van Richemont, in aantocht is, en verzoekt, zich met zijne troepen bij de belegeraars te mogen aansluiten. Deze onverwachte verschijning brengt den jongen d'Alençon in eene zeer netelige positie. De connétable was n.l. in ongenade bij den koning en had zelfs de troepen van la Trémouille openlijk bestreden. d'Alençon is dus aanvankelijk niet van plan, hem en zijne manschappen in zijn kamp te ontvangen en dreigt zelfs, hem met wapengeweld te zullen verjagen; maar hiervan houden gelukkig de anderen hem terug.
Jeanne evenwel denkt anders en practischer over de zaak. Zij weet, dat de heer van Richemont bekend staat als een van de meest geduchte veldheeren van het land. Doet men dan niet verstandiger, zijn hulp, die men zoo opperbest gebruiken kan, dankbaar te aanvaarden? D'Alençon laat zich ten slotte door de argumenten van Jeanne overreden en trekt den connétable met haar tegemoet. Jeanne begroet hem, zooals een ridder in die dagen zijn meerdere behoorde te begroeten, maar zegt daarna heel kalm tot hem:
„Connétable, gij zijt hier niet gekomen om mij, maar nu gij hier eenmaal zijt, heet ik U welkom”.
Waarop Richemont, die behalve als een uitstekend legeraanvoerder, bekend stond als een trouw zoon van de kerk en een aartsketterjager, antwoordt:
„Jeanne, ik heb gehoord, dat gij mij hebt willen bevechten. Ik weet niet, of gij door God gezonden zijt, of niet. Wanneer gij door God gezonden zijt, vrees ik U niet, want God is mijn vreugde. Wanneer gij door den duivel gezonden zijt, vrees ik U nog minder!”
Dien nacht houden de troepen van den connétable voor het belegerde kasteel de wacht en den volgenden dag nemen zij deel aan de bestorming. Met de kanonnen, die men uit Orléans heeft medegebracht, wordt den 17en Juni de sterkte beschoten, zoowel van de landzijde als van de zijde van de Loire, door geschut, dat men op platte vaartuigen heeft opgesteld! Eindelijk, tegen den nacht, geeft de vesting zich over.
Talbot en Falstolf zijn onder weg met een ontzettingsleger van vijfduizend man, maar zij komen te laat. De troepen van Jeanne en d'Alençon krijgen hen, als zij terugkomen van Beaugency, in het gezicht. De Engelschen stellen zich dadelijk in staat van verdediging en wel op dezelfde wijze als op den dag van de „bataille des Harengs”, namelijk achter een dichte haag van lansen en pieken en achter de wagens van hun convooi. Maar de Franschen laten hen dien dag ongemoeid en wijzen het aanbod af, om den strijd te doen beslissen door een gevecht van drie ridders van elke partij. Zij kondigen evenwel aan, dat men elkaar den volgenden dag nader zal spreken.
Den volgenden morgen merken de Franschen tot hun verbazing, dat de vijand is verdwenen. Ver af kunnen ze evenwel niet zijn, en men besluit dus, ze te gaan zoeken. Merkwaardig is wel, dat dien dag de voorhoede van het Fransche leger en de hoofdtroep onder bevel staan van Poton, La Hire, d'Alençon en Dunois, terwijl men Jeanne met Gilles de Rais in de achterhoede heeft geplaatst. Dat men dit gedaan zou hebben uit angst, dat Jeanne in een hinderlaag zou vallen, lijkt mij niet waarschijnlijk. Had zij tot nu toe op alle tochten niet steeds de leiding genomen, en had zij bij de bestormingen niet steeds vooraan gestreden, in het voorste gelid en op het gevaarlijkste punt?
Het is in de vlakte bij Patay en door een bloot toeval dat de Fransche éclaireurs, terwijl zij op een hert jagen, eensklaps stuiten op de achterhoede van het Engelsche leger.
Zonder dralen gaat La Hire met zijn troepen oogenblikkelijk tot den aanval over. Maar de eerste schok is dadelijk zoo hevig dat zij eigenlijk beslissend is voor den geheelen slag. Voor nog Falstolf zich met Talbot heeft kunnen vereenigen en eigenlijk nog voor de Fransche achterhoede met Jeanne aan het gevecht kan deelnemen, hebben de Franschen den slag gewonnen en is het grootste gedeelte van het vijandelijke leger in de pan gehakt en gevangen genomen. Onder de gevangenen was ook de dappere Talbot.
Van het geheele gevecht bij Patay woonde Jeanne slechts het eind van de algemeene slachting bij, maar ook ditmaal was zij zeer geroerd bij dit gruwelijke schouwspel en stortte zij tranen van medelij met al de gesneuvelde dapperen. De terugkomst binnen de muren van Orléans na den slag bij Patay is voor Jeanne weer een triumftocht. Zij mocht dan persoonlijk aan dit laatste gevecht een minder werkzaam deel hebben genomen, men schrijft het min of meer terecht aan haar optreden toe, dat de krijgskansen plotseling gekeerd zijn, en de Franschen overal, waar zij zich met haar vertoonen, de overwinning behalen.
Waarom was de koning niet in Orléans? De bewoners hadden op zijn komst gerekend en zelfs de straten en huizen reeds met vlaggen en bloemen versierd. Was het zijn plicht niet geweest, nu hij toch in de buurt was, de stad te bezoeken, die zich zoo moedig verdedigd had?
Jeanne ontmoet haar „gentil dauphin” te St. Benoit sur Loire. Zij komt natuurlijk met het doel om, nu het Engelsche leger verslagen en de streek om Orléans gezuiverd is, den koning te bewegen, haar naar Reims te volgen. Maar voor zij dit onderwerp aanroert, heeft zij nog een anderen plicht te vervullen: zij smeekt Karel VII, dat hij den connétable weer in genade zal ontvangen, maar dit verzoek wordt haar geweigerd. De koning en zijn raadsman la Trémouille willen van die verzoening niets weten.
Vervolgens vertrekt het hof naar Gien en aldaar wordt na veel wikken en wegen tot den tocht naar Reims besloten.
Als men de houding van den koning in die jaren gadeslaat, maakt zich soms een gevoel van wrevel van ons meester over zooveel aarzeling, zooveel slapheid en zoo'n totaal gemis aan alles, wat zou zweemen naar eenige vastheid van karakter, en, hoewel innig overtuigd dat het zijne Raadslieden zijn, die er hem toe brengen, slaakt men een zucht van verluchting, wanneer men hem een enkele maal een belangrijk besluit ziet nemen.
Met een zucht van verluchting en een dankbaar gemoed verlaat ook Jeanne den 27en Juni Gien, en de koning met zijn gevolg vertrekt twee dagen later. Even voor haar vertrek uit Gien had Jeanne nog een brief gedicteerd aan de bewoners van Tournai, die Karel VII als hunnen koning erkend hadden. Zij deelt hun mede, dat zij de geheele Loire-streek van Engelschen gezuiverd heeft, en dringt er op aan, dat zij zich vooral door eene deputatie moeten laten vertegenwoordigen bij de kroningsplechtigheid te Reims.
Zooals wij reeds opmerkten bevonden zich de voornaamste plaatsen, waar Jeanne op weg naar Reims langs trekt, in handen van den hertog van Bourgondië. Auxerre sluit dan ook zijne poorten, maar zendt afgevaardigden om over een voorwaardelijke overgave te onderhandelen. La Trémouille moet bij die gelegenheid door de afgevaardigden van Auxerre zijn omgekocht voor tweeduizend kronen, waarna eene schikking tot stand kwam, dat de stad het voorbijtrekkende leger van levensmiddelen zou voorzien, maar verder neutraal zou blijven.
Het eenige ernstige oponthoud heeft plaats voor Troyes. De stad verdedigt zich en wordt den 5en Juli tot overgave gesommeerd.
De Fransche leiders aarzelen. Zal men aanvallen of maar niet liever terugkeeren, want met een vijandige stad in den rug durft men den tocht niet voortzetten. De Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims raadpleegt Jeanne en het zijn ook ditmaal weer haar invloed, hare doortastendheid, die een belachelijke mislukking van de gansche onderneming voorkomen.
Niet omkeeren, raadt zij natuurlijk aan, maar zich gereed maken voor de bestorming van de stad en zij staat er voor in, dat Troyes zich binnen twee dagen zal overgeven. Een belangrijken steun ondervindt Jeanne bij deze gelegenheid van de zijde van broeder Richard. Deze gevaarlijke drijver, die door zijn geestdriftige welsprekendheid een machtigen invloed had op de bevolking van Troyes, ziet in Jeanne niet anders, dan een afgevaardigde van den duivel. Men zendt hem met een groote wijwaterkwast op haar af en hij komt geheel bekeerd en volkomen overtuigd van de heiligheid van Jeanne in de stad terug. Op den verderen tocht naar Reims volgt hij haar.
Na de overgave van Troyes op den 9en Juli kan het Fransche leger zijn weg rustig vervolgen tot aan Reims toe. Evenals Châlons zendt de stad van den Aartsbisschop den koning een deputatie tegemoet met de sleutels.

Kathedraal van
Reims
waarheen Karel VII door Jeanne d' Arc en haar zegevierend leger geleid werd, om daar gekroond te worden.
De Kathedraal, die zich bij het uitbreken van den tegenwoordigen wereldoorlog nog in den zelfden toestand bevond, heeft thans door het bombardement van de stad zeer geleden. (Naar een photographie)
In den avond van den 16en Juli houdt de koning met zijn gevolg en zijn leger zijn feestelijken intocht in Reims. 's Nachts worden in allerijl de noodige toebereidselen gemaakt voor de groote plechtigheid van den volgenden dag, en inderdaad schijnt men daarin bijzonder goed geslaagd te zijn, want volgens de verklaring van ooggetuigen was het een wonderschoon schouwspel en „even plechtig en tot in de kleinste bijzonderheden voortreffelijk geregeld, alsof men daarvoor een jaar den tijd had gehad”.
Tegen negen uur in den morgen van den 17en Juli begeeft de koning zich met zijn gevolg naar de groote kathedraal. Onmiddellijk achter hem loopt Jeanne met haar standaard en gevolgd door haar page en broeder Richard. Het geheele kerkgebouw is gevuld met een dicht opeengepakte menigte, die den koning bij het binnentreden geestdriftig toejuicht. Voor het hoofdaltaar aangekomen, knielt hij neer en wordt eerst volgens de oude voorschriften tot ridder geslagen door zijn neef d'Alençon. Daarna treedt Regnault de Chartres, de Aartsbisschop, naar voren en wordt Karel van Valois gezalfd met de geheimzinnige, heilige olie die te Reims bewaard wordt en nooit vermindert, en vervolgens drukt de Aartsbisschop, bijgestaan door twaalf pairs, den koning de kroon, die in de schatkamer van de kathedraal aanwezig was, op het hoofd. Dan schallen en schetteren de bazuinen en het volk jubelt: „Noël, Noël!”
Gedurende de gansche plechtigheid, die met alle ceremoniën toch nog eenige uren geduurd heeft, staat Jeanne aan den voet van het altaar met haar witten standaard in de hand. Maar als eindelijk de plechtigheid is afgeloopen en de menigte in gejubel is losgebarsten, knielt zij voor den koning neer en innig verrukt en dankbaar stamelt ze:
„Nu, koning, is Gods wensch vervuld, die wilde dat ik het beleg van Orléans zou opheffen en U naar Reims zou geleiden voor Uwe plechtige kroning, om daarmede te toonen dat gij zijt de ware koning en degeen, aan wien het koninkrijk Frankrijk moet toebehooren.”
Ja, waarlijk, zoo is het. Als de plechtigheid van de kroning in de kathedraal te Reims is afgeloopen, is daarmede de taak, die Jeanne zich gesteld had, volbracht. Na het eerste wonder van hare gelofte is thans ook het tweede: de vervulling dier belofte, geschied. Zij staat nog op het hoogste punt van haar invloed en macht; maar haar geluksster zal snel verbleeken en spoedig ondergaan.
Zou men niet verwachten en was het niet volkomen logisch geweest, dat men na alle bewijzen, die Jeanne van haar helder doorzicht gegeven had, steeds meer vertrouwen was gaan stellen in hare adviezen, en in de door haar aangegeven politiek van flink doorzetten tot het einde toe? Integendeel zullen wij zien, dat van dit oogenblik af de partij der oppositie steeds meer in macht zal toenemen, dat men Jeanne, nu zij gegeven heeft, wat zij geven kon, langzamerhand zal gaan verwaarloozen en eindelijk geheel aan haar lot zal overlaten.

Kroning van Karel VII te Reims, 1429. Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.
Na de plechtigheid van de kroning blijft Jeanne nog eenige dagen te Reims. Evenals te Orléans aanbidt de bevolking haar als eene heilige, juicht haar toe en verdringt zich in de straten om haar te zien, of om haar hand, haar kleed aan te raken en te kussen. Zij ontmoet er behalve haar oom Durand Laxart ook nog haar vader die uit Domrémy was gekomen, om getuige te zijn van de glorie van zijne dochter, om de plechtigheid in de kathedraal bij te wonen en om den koning te verzoeken om vrijstelling van belasting voor de bewoners van zijn dorp. De oude Jacquot d'Arc wordt door de burgers van Reims als vader van hunne heilige gastvrij ontvangen, zij bekostigen zijn verblijf en schenken hem bij zijn vertrek nog een paard voor de terugreis.
De koning geeft na zijne kroning de gebruikelijke feesten en geschenken, en o.m. krijgt la Trémouille den titel van graaf en wordt Gilles de Rais bevorderd tot Maarschalk van Frankrijk.
Het verblijf te Reims duurt evenwel naar het oordeel van Jeanne weer onnoodig lang. Waartoe thans weer dit talmen? Zij heeft er op aangedrongen dat men zoo spoedig mogelijk na de kroning naar Parijs zou optrekken, waarvan een deel der bevolking bereid is, de poorten voor den koning te openen. Maar dan moet men met spoed te werk gaan, want er zijn Engelsche hulptroepen in aantocht en het is dus van het grootste belang, Parijs te veroveren en te bezetten vóór de versterkingen de stad bereikt hebben. Helaas, de oppositie denkt er anders over. Er zijn onderhandelingen aangeknoopt over een wapenstilstand met Bourgondië, en men zal daarvan eerst rustig het resultaat afwachten. Een eerste botsing dus tusschen de doortastende politiek van Jeanne en de lijnrecht daarmede in strijd zijnde „politiek der wapenstilstanden”.
Eindelijk, den 21en Juli, verlaat de koning met Jeanne en het leger Reims en begeeft zich in de eerste plaats naar St. Marcoul de Corbeny, voor de traditioneele plechtigheid van de genezing der kliergezwellen. Volgens een oud geloof kregen de Fransche koningen door de zalving met de Heilige Olie de macht, om door aanraking genezing te brengen aan lijders aan kliergezwellen of de zoogenaamde „koninklijke ziekte.”
Gedurende eenige dagen marcheert alles naar wensch: men is op weg naar Parijs en de steden, die men passeert, als Laon en Soissons, openen hunne poorten voor de koninklijke troepen. Maar dan plotseling, den 1en Augustus, maakt het leger een zwenking naar het Zuiden en trekt bij Château Thierry de Marne over. Een wapenstilstand van veertien dagen is gesloten met Filips van Bourgondië en men heeft het Parijsche plan laten varen.
Jeanne is door deze wijziging in de plannen diep teleurgesteld. Wel is haar invloed op het leger en op haar naaste omgeving nog groot, maar zij voelt bij intuïtie, dat er in den Raad des konings machten aan het werk zijn, waar zij niet tegen op kan. Uit die dagen is ons een uitlating van haar bekend, die ons een duidelijk beeld geeft van hare gemoedsstemming. Als het leger n.l. gekomen is in de buurt van Crépy en Valois, rijdt Jeanne tusschen den Rijkskanselier en Dunois. Het volk is den koning tegemoet getrokken met de vreugdekreet: „Noël, Noël!” Innig dankbaar voor deze goede ontvangst zegt zij tot Regnault de Chartres:

Karel VII, Koning van Frankrijk. Naar een schilderij uit het „Musée du Louvre”, te Parijs.
„Dat is een goed volk; ik heb nog nooit het volk zoo verheugd gezien bij de aankomst van den edelen koning. Ach, dat ik het geluk moge hebben, als eenmaal mijn laatste uur zal zijn geslagen, om in deze streek begraven te worden.”
Op de vraag van den Kanselier, waar zij denkt te sterven, antwoordt zij:
„Waar het God zal behagen. Omtrent den tijd en de plaats weet ik niets met zekerheid, evenmin als gij zelf.”
En zij laat er de verzuchting op volgen:
„O, dat het Gode mijnen Schepper mocht behagen, dat ik thans mijne wapens kon afleggen en heen kon gaan om mijn vader en moeder te dienen en hun kudde te hoeden met mijn zuster en mijn broers, die zoo gelukkig zouden zijn als ze mij weer zagen.” Een hoogst merkwaardige uiting; de eenige, waarin Jeanne spreekt over hare ouders en het ouderlijk huis. Zelfs wanneer men haar later in het proces ondervraagt over hare familie en haar jeugd, zal zij zich beperken tot korte, zuiver zakelijke antwoorden, maar in de bangste oogenblikken in haar kerker en aan het slot op den brandstapel komt geen enkele maal een beroep op of een woord van verlangen naar hare familie haar over de lippen.
Bij Crépy, of beter gezegd op den weg tusschen Crépy en Senlis, stuit het Fransche leger op de troepen van Bedford. Van den 14en tot den 16en Augustus staan de vijandelijke machten tegenover elkaar, zonder dat het evenwel tot een beslissend gevecht komt. Bedford had al den tijd gehad, zich stevig te verschansen achter hooge palissaden, maar de Franschen denken er niet aan hem, in die gunstige positie aan te vallen. Zij doen alle mogelijke moeite, hem naar buiten te lokken. Jeanne met haar banier in de hand nadert de versterkingen en klopt zelfs tegen de palissaden. Zij daagt de Engelschen uit tot een strijd in het open veld, maar tevergeefs. Eindelijk, in den morgen van den 17en, verlaat Bedford zijne positie en trekt het Noorden in.
Dienzelfden dag nog ontvangt de koning de sleutels van Compiègne en trekt hij daar met het geheele leger naar toe. Op een van de eerste dagen van zijn verblijf binnen Compiègne worden hem de sleutels gebracht van Beauvais. Cauchon, de Bisschop van Beauvais, had de bevolking geraden, de poorten te sluiten en de stad in staat van verdediging te brengen. Maar dit advies viel bij de geloovigen in slechte aarde, zij joegen hun Bisschop de stad uit en zonden afgevaardigden naar Compiègne om den koning als hun Heer en Meester te begroeten. In Rouaan en in het proces zullen wij zien, hoe de Bisschop revanche nam voor zijn nederlaag.
In Compiègne is het weer wachten en talmen, talmen en wachten. Het is weer de oude scène: Jeanne, vol ongeduld, dringt er op aan, dat men onverwijld zal voorttrekken naar Parijs en profiteeren zal van de gunstige omstandigheden, en de oppositie remt, onderhandelt met Bourgondië over wapenstilstanden. Maar in den ganschen Raad van Karel VII is er niemand, die de politiek van den sluwen hertog van Bourgondië doorziet; zij volgen hem allen gedwee, daarheen, waar hij ze hebben wil, en dat alleen omdat hij de handigheid heeft, om ze als lokaas van uit de verte iets voor te houden, dat lijkt op een duurzamen vrede.
Op den laatsten dag van het verblijf van Jeanne te Compiègne, ontvangt zij nog een brief van den graaf van Armagnac, waarin deze haar vraagt, welke van de drie door hem genoemde Pausen de ware is. Wanneer zij op dat oogenblik een verstandigen raadsman bij zich had gehad, had zij kunnen volstaan met een antwoord in telegramstijl: Martinus V. Vermoedelijk wist zij niets af van den strijd, die op dat oogenblik gevoerd werd tusschen Paus en tegenpausen, maar dat wil zij niet erkennen en bovendien zij wil den graaf van Armagnac, als zij kan, wel van dienst zijn. Het antwoord, waarmede zij zich voorloopig van de zaak afmaakt, komt hier op neer, dat zij er eens rustig over wil nadenken en er met den koning en de anderen over wil raadplegen. In het proces wordt haar later dit weiflend antwoord verweten.
Met d'Alençon en een deel van het leger verlaat zij eindelijk den 23en Augustus Compiègne en den 25en arriveert zij te St. Denis. Van uit St. Denis, waar zij haar hoofdkwartier vestigt, begint Jeanne oogenblikkelijk hare verkenningen om Parijs. Maar helaas, de omstandigheden zijn er de laatste dagen niet beter op geworden. Bedford heeft een deel van de Engelsche troepen uit Parijs teruggetrokken en de verdediging van de stad hoofdzakelijk aan de burgerwacht en Bourgondische troepen overgelaten. Juist de aanwezigheid van al die Engelsche soldaten in de stad, waar ze bij de bevolking zoo gehaat waren, had een groote kans gegeven, dat ook Parijs, wanneer de koning zich tijdig vertoond had, zich zou hebben overgegeven. En ook nu is de koning er nog niet, en Jeanne en d'Alençon voelen beiden, dat zij met een beslissenden aanval moeten wachten tot zij het geheele leger van den koning tot hunne beschikking hebben, tot Karel VII zelf zich kan vertoonen en de overgave van zijn hoofdstad kan eischen. Wel heeft de koning Compiègne verlaten, hij nadert, maar met een slakkengang, zoodat d'Alençon hem van uit St. Denis meer dan eens gaat opzoeken om hem tot meer spoed te bewegen. Maar Karel maakt geen haast en waarom zou hij ook? Den 28en Augustus wordt te Compiègne tusschen hem en den hertog van Bourgondië voor zes maanden een wapenstilstand gesloten. De bepalingen van dit verdrag, juist op dat oogenblik gesloten, zijn wel buitengewoon zonderling. Om een voorbeeld te noemen, werd overeengekomen, dat de koning Parijs mocht aanvallen, maar dat Bourgondië het recht behield, de Engelschen ter zijde te staan met de troepen, waarover hij in de stad beschikte. En dan de houding van Karel VII tegenover Compiègne: deze stad, die zich loyaal betoond had en den koning bij zijn nadering hare afgevaardigden met de sleutels tegemoet gezonden had, wordt gedurende den wapenstilstand weer aan Bourgondië afgestaan. Gelukkig neemt de stad zelf hier geen genoegen mede, en geen wonder. Is dit de wijze, waarop een koning de onderdanen, die hem trouw blijven, beloont? Welken invloed moet het voorbeeld van een behandeling als van Compiègne wel niet uitoefenen op het gedrag van de andere steden?
Sommige biografen van Jeanne, waaronder enkele van de meest geestdriftigen, trachten toch nog een woord van verdediging te spreken voor de politiek van den koning, en beroepen zich daarbij op het eindresultaat van den oorlog, dat voor de Franschen toch gunstig is geweest. Zij beoordeelen de bekwaamheden van den metselaar naar den muur. Maar ik kan daarin onmogelijk met hen medegaan. Karel VII is niet anders geweest dan een domper voor alle enthousiasme, en een bluschmiddel voor elke warme en spontane opvlamming van loyauteit. Wat bereikt is, is bereikt ondanks zijne remmende politiek van schipperen en talmen. De eindzege, ook al kwam die na haar dood, is te danken geweest aan Jeanne, aan haar invloed, haar genie, aan haar heerlijk enthousiasme, haar geloof in eigen kracht, aan het plichtsbesef en het begrip van vaderlandsliefde, dat zij door haar voorbeeld, voor het eerst haren troepen gegeven en nagelaten heeft.
Mokkend en tegen zijn zin komt de koning eindelijk den 7en September te St. Denis. Den volgenden dag, den 8en, heeft de eerste aanval op Parijs plaats. Het is zeer waarschijnlijk, dat d'Alençon, Gaucourt, de Rais en de andere bevelhebbers, nog gemeend hebben, dat een ernstige aanval niet noodig zou zijn, en dat na eenig machtsvertoon en een soort schijnaanval de hoofdstad hare poorten wel zou openen. Jeanne heeft verklaard, dat zij voor dezen aanval geen bijzondere opdracht van hare stemmen heeft ontvangen. Aan alles is dan ook duidelijk te zien, dat de regeling en de voorbereiding van het gevecht niet het werk van Jeanne zijn geweest. Toch is zij het geweest, die van het oogenblik, dat zij hare medewerking aan den aanval heeft toegezegd, er nog van gemaakt heeft, wat er van te maken was.
Het eigenlijke gevecht begint pas in den namiddag en dus veel te laat. De Franschen rukken op tusschen de poorten van St. Denis en St. Honoré aan den voet van den heuvel met de molens, het tegenwoordige Montmartre. Van een tegenaanval op een ander punt, om de aandacht af te leiden, is geen sprake. De eerste aanval op de buiten-boulevard bij de poort St. Honoré gelukt en het bolwerk wordt bezet. Dan neemt Jeanne een oogenblik weer de leiding. Met haar standaard in de hand, steekt zij de diepe buitengracht over, waarin geen water staat, en met den stok van haar vaandel begint zij de diepte te peilen van de binnengracht.
Een boogschutter op den muur ziet haar hiermede bezig en onder het uitbraken van de grofste scheldwoorden schiet hij haar een pijl door haar dij, en met een tweede schot doodt hij haar banierdrager. Zwaar gewond wordt Jeanne weggedragen. Zij tracht nog met hare stem hare troepen tot een aanval te bewegen, maar de avond begint reeds te vallen, en d'Alençon met de reserve-troepen is te ver af, achter de „butte”; het is zeker te laat, om zonder de leiding van Jeanne nog over een ernstigen aanval te denken.
Ondanks hare zware verwonding en het bloedverlies, dat zij geleden heeft, is Jeanne den volgenden morgen reeds vroeg in de weer. Zij wil het signaal tot een nieuwen aanval laten blazen, zij heeft geen rust, voor ook de hoofdstad veroverd is. Zij overlegt met d'Alençon en de andere chefs; er komen nog versterkingen aan.... maar dan opeens ontvangen zij bericht, dat de koning van geen nieuwen aanval op Parijs weten wil en dat het leger bij hem te St. Denis terug moet komen. Een oogenblik is er nog van aarzeling, of men wel aan dit onverwachte en alles verstorende bevel zal gehoorzamen. Den volgenden morgen zelfs doet Jeanne met d'Alençon nog een verkenningstocht naar een brug, die d'Alençon in de buurt van St. Denis heeft laten slaan, maar tot hun groote verbazing bemerken zij, dat gedurende den nacht een gedeelte van die brug op bevel van den koning weer is afgebroken. Deze ontdekking breekt hun verzet en slaat hen met lamheid.
Karel VII heeft dus eindelijk gesproken, hij heeft zelfs gehandeld. Zou dit beduiden een eerste teeken van ontwaken? Wee dan, wee! want zijn eerste gebaar is er een geweest, waarmede hij Jeanne ontrouw wordt, verloochent en „désavoueert.”
Diep terneergeslagen begeeft Jeanne zich met de andere leiders en het leger naar St. Denis. Eenige dagen besteden zij nog om te trachten, den koning tot andere gedachten te brengen, maar hun geestdrift en hun welsprekendheid stuiten af op de koppige domheid van hun koning en zij staan daar tegenover machteloos.
Het gebaar, waarmede Jeanne antwoordt op de eerste formeele daad van laffe verloochening van haar dierbaren koning, is van geheel anderen aard. Het is een daad, zoo geheel liggende in de lijn van haar groot karakter, een daad die ontroert door haar plechtigen eenvoud. Zoodra het vast staat, dat een deel van het leger zal worden afgedankt en de koning met het overschot zich weer zal terugtrekken aan de Loire, begeeft Jeanne zich naar de kathedraal te St. Denis en legt daar haar blanke wapenrusting neer op het altaar van de Heilige Maagd. Op dit oogenblik is het haar dus wel duidelijk, dat haar taak in hoofdzaak is volbracht en zij toont dit in een vroom gebaar van kinderlijke dankbaarheid en verheven berusting.
Als men haar later in het proces vraagt, waarom zij hare wapenrusting juist te St. Denis gebracht had, antwoordt zij: „Omdat St. Denis de oorlogskreet van Frankrijk is.”
Den 13en September breken de Franschen op: een klein garnizoen wordt achtergelaten te St. Denis. Den 21en komt de koning met Jeanne en zijn gevolg te Gien aan.
Tegen haar zin wordt Jeanne medegevoerd. Zij blijft bij hare meening en komt daar openlijk voor uit, dat men had moeten doortasten en haar haar gang had moeten laten gaan, dan zou ook de hoofdstad zich over gegeven hebben. Zij begrijpt, wat nu gebeuren zal: het is reeds najaar; een groot gedeelte van het leger zal uit zuinigheid worden afgedankt en voor het volgend voorjaar zal zeker aan een ernstig aanvallend optreden van Fransche zijde niet gedacht kunnen worden. Zij voorziet een winter van luieren en stilzitten.
De koning van zijn kant verzint al het mogelijke, om haar bezig, ik schreef haast, om haar zoet te houden. Van Gien trekt zij met het hof naar Selles en Bergy, Bourges, Loches, Jargeau, Issoudun en het kasteel Mehun sur Yèvre. Men overlaadt haar met kostbare geschenken en fraaie kleeren, zij heeft de vrije beschikking over de beste paarden uit den koninklijken stal. Maar wat maalt zij om dat alles, om persoonlijk voordeel is het haar immers niet te doen? Om deze dwaze en smakelooze vertooning volledig te maken, wordt Jeanne met hare geheele familie, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie in den adelstand verheven, „om door alle tijden heen de herinnering te vereeuwigen aan zooveel Goddelijke genade en glorie.” De acte zegt uitdrukkelijk, dat de nieuwe familie-naam van de „lieve en beminde Johanna d'Ay” zal zijn „du Lys” en Jeanne zelf heeft verklaard, dat haar broers zich als familie-wapen gekozen hadden: twee gouden fransche lelies op een schild van azuur, met in het midden een kroon, gedragen door een zwaard. Nergens blijkt gelukkig, dat Jeanne ooit haar nieuwen naam of wapen heeft gevoerd: haar banier bleef onveranderd en tot het einde toe heeft zij zich zelf niet anders genoemd dan: „Jeanne la Pucelle”.
Gelukkig voor Jeanne besluit de Raad des konings tegen het eind van October tot een kleine expeditie in de Loirestreek. Dat geeft dus werk, al is het niet het groote werk, dat Jeanne verlangt. In de nabijheid van Bourges worden troepen bijeengebracht en de leiding van de expeditie wordt opgedragen aan d'Albret en Jeanne. De vijanden van Jeanne, de oppositie in den Raad, gaat in haar partijdigheid en onrechtvaardigheid zoover, dat zij Jeanne een verwijt maakt van de mislukking van den aanval op Parijs. Voor eigen fouten hebben zij een zondenbok noodig, maar zij vergeten, of liever gezegd, zij verzwijgen, dat zij diezelfde Jeanne, de eenige persoon, die door haar doorzettingsvermogen en haar geestdrift in staat was geweest, van een totaal onvoldoend voorbereiden aanval nog een belangrijk wapenfeit te maken, op het beslissende oogenblik aan handen en voeten gebonden en haar elk verder handelen onmogelijk gemaakt hebben.
In den aanvang van de herfstcampagne van 1429 zal Jeanne nog eenmaal toonen, wat zij vermag, dat haar invloed op hare troepen nog dezelfde is, maar het slot van de expeditie zal een mislukking zijn, omdat de middelen zullen ontbreken, om de troepen langer onder de wapenen te houden en het leger niet meer over voldoende munitie zal kunnen beschikken. De beide voornaamste biografen van Jeanne teekenen hierbij terecht aan, dat: „de kunst van hare tegenstanders hier in bestaan heeft, dat zij haar belet hebben, zich weer op te heffen van haar val.”
In de laatste dagen van October vinden wij Jeanne met hare troepen voor Saint Pierre le Moustier. De artillerie is in stelling gebracht en na een bombardement van eenige dagen is het den belegeraars eindelijk gelukt, een bres in de muren te schieten. Dan volgt een aanval, die evenwel door de verdedigers wordt afgeslagen. Jeanne strijdt weer in het voorste gelid. Zij houdt stand aan den voet van den muur, nadat hare troepen reeds zijn teruggetrokken. d'Aulon, die door eene zware verwonding geen deel kan nemen aan het gevecht, ziet haar daar staan met nog slechts enkele getrouwen en beseft oogenblikkelijk in welke gevaarlijke positie zij zich bevindt. Met moeite stijgt hij nog te paard en rijdt naar haar toe. Als hij haar vraagt, waarom zij zich zoo blootstelt en alleen is achtergebleven, licht zij het vizier van haar helm op en antwoordt:
„Ik ben niet alleen, ik heb nog vijftigduizend man bij mij en zal niet van hier gaan, voor ik de stad heb ingenomen.”
d'Aulon, verbaasd over zooveel optimisme, blijft aandringen, dat zij zich in veiligheid zal brengen, maar Jeanne wil er niet van hooren en met luider stem geeft zij bevel, dat men takkenbossen zal aandragen, om een deel van de gracht te dempen.
Hare manschappen gehoorzamen. Zij is de eerste, die de gracht oversteekt en den soldaten toeroept:
„In Gods naam, nu aanvallen! De stad is ons!”
En ook ditmaal nog blijkt dit tooverwoord voldoende, om haar leger als één man in beweging te brengen en de stad met één krachtigen aanval, waarvoor alles wijken moet, te veroveren.
Na de verovering van Saint Pierre le Moustier trekken d'Albret en Jeanne met hunne troepen verder over Moulins naar Charité sur Loire, waarvan de insluiting begint op 24 November. Maar de winter is intusschen met groote strengheid ingevallen, de belegeraars hebben gebrek aan warme kleeren, aan geld en aan munitie. Jeanne heeft reeds naar enkele streken brieven gezonden met verzoek om steun, en er is ook reeds hulp ontvangen o. a. van de trouwe en dankbare bewoners van Orléans, maar met wat men thans bijeen heeft, zal men het niet lang kunnen houden. Na vier weken van ellende en ontberingen in de bittere kou wordt dan ook het beleg van la Charité opgeheven, de troepen worden afgedankt en Jeanne met haar gevolg begeven zich naar het hof, dat zich te Jargeau bevindt.
Dan volgen eenige maanden van stilzitten. De wapenstilstand met Bourgondië, waaraan beide partijen zich al bijzonder weinig gestoord hebben, is telkens weer verlengd en de laatste maal zelfs tot aan de week voor Paschen. Als in de eerste dagen van Maart het hof naar Sully sur Loire trekt, gaat Jeanne mee, en van uit Sully verdwijnt zij met een kleine troepenmacht zonder iemand te waarschuwen, juist tegen het einde van het bestand. Zij trekt naar Lagny, maar onderweg te Melun krijgt zij de eerste waarschuwing van hare Heiligen, dat zij gevangen genomen zal worden vóór Sint Jan, dat was dus vóór den 24en Juni van dat jaar.
„Als ik dan gevangen wordt genomen”, antwoordt zij in kalme berusting, „laat mij dan dadelijk sterven, zonder langdurige gevangenschap”.
De waarschuwing blijft haar bezighouden en telkens als hare Heiligen haar weer verschijnen, vraagt zij nadere bijzonderheden omtrent den dag, het uur en de plaats van hare gevangenneming. Maar de Heiligen laten zich er verder niet over uit en raden haar slechts aan, er niet verder over te tobben en zich niet angstig te maken, want „God zal haar bijstaan.”
Te Lagny verblijft Jeanne geruimen tijd, de bevolking draagt haar op de handen en vereert haar als een Heilige. Van één geval, waarin men haar tusschenkomst als afgezant van God inroept, willen wij melding maken, omdat het later in den breede behandeld is in het proces en hare rechters er haar een verwijt van gemaakt hebben.
Er was dan te Lagny een kind geboren, maar dadelijk na de geboorte overleden, nog voor men den tijd had gehad, het te doopen. Het geval was algemeen in de plaats bekend en allen, vooral de vrouwen en moeders, waren er zeer mede begaan. Den derden dag eindelijk besluit men, de hulp van Jeanne in te roepen: mogelijk, dat men met haar tusschenkomst nog iets bereiken kan. Volgens verklaring van Jeanne zelf was het lijkje reeds zwart, toen men het haar toonde. Zij geeft den raad, dat men het in de kerk zal brengen en neder zal leggen voor het altaar van de Heilige Maagd. Daarna vereenigt zij zich met de vrouwen en meisjes, die in grooten getale zijn toegestroomd, in een vurig, gemeenschappelijk gebed.
„En ziet”, vertelde Jeanne, „aan het eind van ons gebed scheen het, dat er leven in het kindje kwam. Het gaapte driemaal en werd gedoopt. Dadelijk daarna stierf het en het werd in gewijde aarde begraven.”
Uit de uitdrukking van Jeanne zelf, dat het kindje na eenig teeken van leven gegeven te hebben, al was dit dan ook het eerste na de geboorte, „stierf”, blijkt wel voldoende, dat zij zelf niet in den waan verkeerde, een wonder verricht en eene opwekking uit den dood bewerkstelligd te hebben.
De omstreken van Lagny werden in die dagen onveilig gemaakt door een ongeregelde bende van drie- à vierhonderd man onder aanvoering van een zekeren Franquet d'Arras. Zij behoorden tot de partij van de Bourgondiërs en vermoordden en verbrandden onderweg alles, wat zij van de Franschen in handen konden krijgen. Jeanne trekt er op een dag met hare troepen op uit, om met die gevaarlijke bende af te rekenen. Bij een eerste treffen worden de manschappen van d'Arras allen gedood of gevangen genomen en hij zelf valt ook in handen van de Franschen. Bij de verdeeling van de krijgsgevangenen, zooals die toen gebruikelijk was, wordt de aanvoerder Franquet d'Arras aan Jeanne toegewezen. Vermoedelijk zal zij hem gekocht hebben, een krijgsgevangene van eenigen rang of stand kreeg men niet voor niets, maar een ander zal voor haar betaald hebben, want zij heeft uitdrukkelijk later in het proces verklaard, dat zij geen geld voor hem gegeven had, daar zij nimmer munter of schatmeester van Frankrijk was geweest. Jeanne was van plan, haren gevangene uit te wisselen tegen een hôtelier uit Parijs, den „Seigneur de l'Ours”, maar, als zij vernomen heeft dat de hôtelier gedood is, zwicht zij voor den aandrang van den baljuw van Senlis en levert Franquet d'Arras aan hem uit. Na een kort proces wordt hij daarna ter dood veroordeeld en onthoofd. In Bourgondische kringen is men heftig verontwaardigd geweest over de terechtstelling van dezen kapitein en er schijnt in deze zaak ook iets te zijn, dat niet geheel strookte met de gebruiken van dien tijd. Maar het is ten onrechte, dat men er Jeanne een ernstig verwijt van heeft gemaakt: zij heeft slechts toegestemd in de voltrekking van het vonnis, omdat d'Arras de hem ten laste gelegde feiten bekend had, en zij meende, dat het recht zijn loop moest hebben. In het proces zal men uit deze gebeurtenis een bewijs putten voor de wreedheid en bloeddorstigheid van Jeanne.
Men heeft het Jeanne in het proces nog lastig gemaakt over eene andere bijzonderheid uit haar verblijf te Lagny, n.l. over hetgeen zij gedaan had met het beroemde zwaard, dat zij uit Fierbois had laten halen. Maar zij heeft geweigerd, hieromtrent iets mede te deelen. Men heeft algemeen verzekerd, dat zij het in een plotselinge opwelling van verontwaardiging had stuk geslagen, met één slag van het plat van het zwaard, op den rug van een vrouw van lichte zeden, die zij ondanks haar herhaald en uitdrukkelijk verbod aantrof in den tros van haar leger. Voor zij Lagny verlaat, krijgt zij een zwaard, dat men op een Bourgondiër veroverd had, en dat zij behouden heeft tot hare gevangenneming toe.
Als Jeanne eindelijk Lagny verlaat, begeeft zij zich met haar troepen, een duizend ruiters ongeveer, over Senlis naar Compiègne. Compiègne, dat zich, zooals wij reeds gezien hebben, loyaal betoond had, was door Karel VII bij zijn verdrag met den hertog van Bourgondië weer aan dezen laatste overgeleverd. Maar Guilleaume de Flavy, de bevelhebber van de stad, had van deze overgave niets willen weten en zijn poorten voor de Bourgondiërs gesloten gehouden.
Thans, nu de wapenstilstand geëindigd was, had de hertog van Bourgondië een nieuw en krachtig leger verzameld, dat onder aanvoering van Jean de Luxembourg, graaf van Ligny, onderweg was, om zich allereerst van de weerspannige stad meester te maken.
Bij haar wederverschijnen in Compiègne op den 13en Mei wordt Jeanne door de bevolking feestelijk ontvangen en met het ceremonieel voor hooggeplaatste personen: men bood haar wijn aan. Van uit Compiègne trekt ze met de andere aanvoerders als de Graaf van Vendôme en de aartsbisschop van Reims naar Soissons, maar hun poging om in de nabijheid van deze plaats de Aisne over te trekken, mislukt, en ze moet weer terug, maar neemt afscheid van den aartsbisschop, die met een deel van de troepen naar Senlis trekt. Zij verlaat Compiègne nogmaals voor een expeditie naar Pont l'Évèque, dat in handen van de Engelschen is. Voor eene verovering van dit belangrijke punt beschikt zij evenwel niet over voldoende troepen. Hun aanval wordt afgeslagen. Op haar terugtocht verneemt zij te Crépy, dat de Bourgondiërs het beleg voor Compiègne hebben geslagen. Zij begrijpt, dat er nu geen oogenblik te verliezen is. Ze wil trachten, door de belegeraars heen te sluipen en zóó de stad nog te bereiken. Men doet nog een poging, haar van dit plan af te brengen, maar zij zet door. „Wij zijn talrijk genoeg”, zegt zij, „ik ga mijne goede vrienden in Compiègne opzoeken”.
HOOFDSTUK IV.
Compiègne—Rouaan.
Na een ganschen nacht te hebben doorgereden aan het hoofd van haar kleine troepenmacht van hoogstens vierhonderd man, komt Jeanne in den morgen van den 23en Mei 1430 in Compiègne aan. Zij heeft waarschijnlijk haren troepen daarna enkele uren rust gegund en mogelijk ook zichzelf. Zij zal ter kerk gegaan zijn, de mis gehoord, en vermoedelijk ook overleg gepleegd hebben met Guilleaume de Flavy, die namens den koning bevel voerde in Compiègne. Maar tegen vijf uur van dienzelfden rampspoedigen Vrijdag, zien wij haar weer in volle wapenrusting, met een donkerroode, met goud bestikte huik over het blanke harnas, gevolgd door ongeveer vijfhonderd ruiters en voetknechten, de ophaalbrug voor Compiègne over trekken, den belegeraars te gemoet. Het bericht, dat Jeanne zich sedert dien morgen in Compiègne bevond, had het Engelsch-Bourgondische leger reeds bereikt. De vijand kende haar rustelooze voortvarendheid en was dus op een spoedigen uitval voorbereid. De bevelhebber van het vijandige leger had op twee punten groote troepenafdeelingen in hinderlaag gelegd. Ongeveer vijfduizend Engelschen te Venette, beneden de stad, en een tweede troep in het struikgewas op een heuvel, genaamd Mont-Ganelon, met het doel aan het leger van Jeanne bij zijn terugkeer den pas af te snijden en het te beletten Compiègne wederom te bereiken.
Niets kwaads achter zich vermoedende trekt zij met hare volgelingen langs den hoofdweg snel voorwaarts, haar ongeluk tegemoet. Na een krachtigen frontaanval werpt zij de hoofdmacht van Jean de Luxembourg terug. Als altijd zien wij haar ook in dit hardnekkige gevecht strijdend in het voorste gelid, vooraan op de punten waar het meeste gevaar dreigt, vol ijver, onvermoeid, haar getrouwen aanmoedigend, ze meesleepend door haar voorbeeld en haar woord, dan hier, dan daar, schier overal tegelijk.
Maar daar verlaten de Engelsch-Bourgondische troepen op den Mont Ganelon hun hinderlaag en stormen naar den weg. Jeanne's vrienden zien het gevaar, dat hen bedreigt en waarschuwen haar.
„Keer haastig terug naar de stad”, roepen zij haar toe, „of gij en wij allen zijn verloren!”
Maar Jeanne gelooft aan geen gevaar, wil van geen terugtrekken weten.
„Zwijgt!” antwoordt zij, „gij hebt het in uw macht ze te vernietigen. Slaat maar toe!”
De angst voor omsingeling heeft zich van haar troepen meester gemaakt, zij maken rechtsomkeert en beginnen te vluchten naar de brug en de booten om Compiègne nog te bereiken.
Jeanne houdt nog een oogenblik stand met enkele getrouwen, dringt nog voorwaarts op den vijand in. Dan grijpt op eenmaal d'Aulon de teugels van haar paard, doet het snel zwenken en voert haar zoo mede in de richting van de stad. Nog strijdt zij met haar enkele dapperen voort, maar als een goed bevelhebber thans in het achterste gelid, om den aftocht van haar manschappen te dekken.
Maar het is te laat. Van alle kanten komen versche versterkingen van den vijand aangestormd. Ook de Godons van Venette komen opdagen. Zij is genoodzaakt met haar troep den hoofdweg te verlaten en het lage moerassige land daarnaast in te trekken.
Zoo naderen Franschen, Bourgondiërs en Engelschen, steeds vechtende, doch in de grootste verwarring, de stad. Dan geeft Guilleaume de Flavy, die vreest dat in de verwarring van den terugtocht, met zijn eigen troepen ook de vijanden de stad zullen binnentrekken, bevel de ophaalbrug op te halen en ontneemt hiermede aan Jeanne en hare troepen de laatste kans op redding.
Steeds dichter dringen de vervolgers op de vluchtelingen aan. Zij haasten zich, want reeds valt de schemer, en hun prooi mag hun ditmaal niet ontsnappen. Zonder troepen en nog slechts in gezelschap van haar broers, van d'Aulon en diens broeder en nog enkele anderen nadert Jeanne de singelgrachten van Compiègne.
Maar zij kan er niet over, de brug is open, ze moet terug. Nu wordt ze van nabij omsingeld.
„Geef je over, en geef ons je woord, niet te ontsnappen!” roept men haar toe. Maar Jeanne antwoordt kalm:
„Ik heb mijn woord gegeven en trouw gezworen aan een ander dan aan jullie, en mijn eed aan Hem zal ik gestand doen!”
Op dit oogenblik springt een Picardiër, genaamd Lyonnel, achter op haar paard, slaat zijn beide armen om haar heen en valt met haar in het gras.
Jeanne is gevangen.
Dan, kunnen wij ons voorstellen, weerklinken in het half duister woeste vreugdekreten door gansch het vijandige kamp. Nog voor den nacht zendt de hertog van Bourgondië renboden met de blijde tijding naar zijn vrienden in de steden.
Maar in Compiègne is het stil. Van de wallen af zien de inwoners de vreugdevuren der Bourgondiërs, hooren zij het joelen en tieren der Godons.
Het wordt nacht. Het vierde bedrijf van het groote treurspel is afgespeeld. Het scherm valt.
Jeanne, krijgsgevangene van Jean de Luxembourg, wordt eerst opgesloten in een toren van het kasteel Beaulieu-le-Comte bij Compiègne. Maar het gelukt haar daar op haar beurt haar wachter in een toren op te sluiten. Zij wil dan ontsnappen tusschen twee planken, maar wordt nog juist, voor zij het kasteel verlaat, ontdekt door den portier.

Gevangenneming van Jeanne d' Arc bij Compiègne. Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.
Vermoedelijk uit angst voor een tweede, gelukkiger poging tot ontvluchten, laat Jean de Luxembourg haar overbrengen naar het kasteel Beaurevoir, waar zich op dat oogenblik bevinden Jeanne de Béthune, zijn vrouw, met haar dochter uit haar eerste huwelijk, Jeanne de Bar en zijn tante.
Deze drie dames spreken vaak en zeer vertrouwelijk met Jeanne. Zij mogen haar graag en zijn getroffen door haar schoonheid, haar lieftalligheid, haar innige vroomheid. Het hindert hun alleen, dat Jeanne manskleeren blijft dragen. Zij vinden dit onbetamelijk, onderhouden er haar over, bieden haar zelfs vrouwenkleeren aan of stof om daar zelf vrouwenkleeren van te maken.
Hun oprechte belangstelling maakt wel indruk op Jeanne, maar zij kan hun raad niet volgen, zij heeft daartoe nog geen toestemming van haar Heer ontvangen. Later heeft zij wel verklaard dat, indien zij haar manskleeren had moeten afleggen, zij het eerder op verzoek van deze dames had gedaan, dan van eenige andere dame in Frankrijk, uitgezonderd de Koningin.
Verder nog ontvangt zij dikwijls bezoek van een Bourgondischen edelman, Aimond de Macy genaamd. Hij spreekt gaarne met haar, maar schijnt ook niet ongevoelig te zijn ondanks haar manskleeren of, wie weet, juist daardoor, voor de jonkvrouwelijke bekoring, die er van de achttienjarige gevangene uitgaat. Zijn poging om zijn hand in haar boezem te steken wordt door Jeanne op forsche en niet al te zachthandige wijze verijdeld.
In het algemeen moeten wij ons een gevangene in die dagen niet voorstellen als geheel afgesloten van de buitenwereld. Men kan Jeanne bezoeken, met haar spreken. Zij blijft daardoor op de hoogte van hetgeen er gebeurt in Frankrijk en van het lot van „die goede lieden van Compiègne”. Voortdurend is zij in gedachten in Compiègne. De berichten, die zij ontvangt, zijn afwisselend, tegenstrijdig, maar zoowel de goede als de kwade tijdingen laten haar rust noch duur. Is de stad in nood? Zij wil er heen om hare vrienden te helpen. De gedachte dat de stad zal worden ingenomen, uitgemoord en verbrand, doet haar menig bang oogenblik doorleven. Zij wil er heen; ze wil weg uit de zeventig voet hoogen toren, waarin men haar heeft opgesloten, zij wil ontsnappen, al zou dit ook gepaard moeten gaan met een levensgevaarlijken sprong. In de eenzaamheid raadpleegt zij hare stemmen, hare Heiligen.
De Heilige Cathérine tracht haar eenigszins te kalmeeren en gerust te stellen:
„Waag den sprong niet, God zal U en eveneens de lieden van Compiègne helpen”.
Maar ook deze belofte vermag niet haar te vreden te stellen. Zij treedt met de Heilige Cathérine in discussie; zij is dankbaar maar niet voldaan:
„Wanneer God dan de lieden van Compiègne te hulp zal komen, wil ik er bij zijn”.
Bij de voortdurende ongerustheid over het lot van hare vrienden, voegt zich nog haar doodelijke angst dat men haar zal overleveren aan de Engelschen.
In dezen zwaren strijd, zijn het eindelijk haar zucht naar vrijheid en de angst voor het lot, dat haar wacht, als men haar uitlevert aan de Engelschen, die overwinnen, die haar het verbod van hare Heiligen doet overtreden. Zij waagt den sprong.
Als men haar bewusteloos vindt liggen en voor dood opneemt en wegdraagt, zijn het hare Heiligen die haar troosten.
De Heilige Cathérine spreekt haar moed in: zij zal genezen en Compiègne zal geholpen worden.
Dat doet haar gelooven dat het haar Heiligen zijn, die haar bij haar sprong van den dood gered hebben. Zij toont berouw over haar ongehoorzaamheid. Dan raadt de Heilige Cathérine haar aan haar schuld te biechten en God vergiffenis te smeeken, dat zij den sprong gedaan heeft en eindelijk na haar biecht stelt haar Heilige haar gerust: God heeft haar vergiffenis geschonken.
Na drie of vier dagen is zij van de gevolgen van haren sprong hersteld.
Na den sprong van Beaurevoir acht Jean de Luxembourg zijn gevangene aldaar niet meer voldoende in veiligheid. Hij is niet alleen bang, dat hare vrienden vroeg of laat een poging zullen doen haar te bevrijden, maar van Engelsche zijde worden hem groote sommen geboden, wanneer hij hun Jeanne wil overleveren.
Na overleg met Philips van Bourgondië brengt hij Jeanne tegen het eind van September naar Arras, vermoedelijk naar het kasteel la Cour le Comte. Van verschillende zijden blijft men het hem lastig maken, blijft men bij hem aandringen dat hij de „porte-bonheur des Armagnacs” zal uitleveren aan de Godons, die lokkend blijven rammelen met hun goud. De Parijsche Universiteit gaat in haar edelen ijver zelfs zoover, dat zij Monseigneur Jean dreigt met den banvloek, wanneer hij het bod van de Engelschen afslaat. Eindelijk tegen half November besluit hij tot den verkoop voor tienduizend gouden kronen. Voorwaar een koninklijke prijs.
Van Arras wordt Jeanne nu vervoerd naar Crotoy en aldaar aan haar doodsvijanden overgeleverd. Van Crotoy brengt men haar over Saint-Valery en Dieppe naar Rouaan, waar zij tegen Kerstmis aankomt en waar zij opgesloten wordt in den toren van het Oude Kasteel.
Rouaan zal zij niet meer verlaten. Met de uitlevering van Jeanne aan de Engelschen is eigenlijk haar doodvonnis in beginsel reeds geteekend. Toch zullen er nog vijf maanden moeten verloopen, vijf lange maanden van moreele en geestelijke marteling voor onze negentienjarige heldin, eer de beul haar in handen krijgt.
Van het oogenblik af, dat Jeanne gevangen was genomen, hadden zich verschillende machten in beweging gesteld, om zich van haar meester te maken en haar uit den weg te ruimen. Hiertoe behoorde in de eerste plaats de Parijsche Universiteit.
Onder de eerste processtukken treffen we al dadelijk aan:
1e. Een brief van de Universiteit aan den Hertog van Bourgondië om hem te verzoeken Jeanne over te leveren aan den Bisschop van Beauvais.
2e. Een brief d.d. 14 Juli 1430 van haar aan Jean de Luxembourg, met de bede om toch vooral Jeanne niet tegen losprijs weer aan haar vrienden uit te leveren en eindelijk
3e. Een brief van de Sorbonne aan den koning van Engeland (d.d. 3 Jan. 1430) waarin zij hem smeekt dat Jeanne toch naar Parijs zal worden overgebracht om zich daar te verantwoorden voor eene kerkelijke rechtbank.
De ijver, die dit beroemde lichaam, dat slechts een bron van licht had behooren te zijn voor heel de beschaafde wereld, betoont in deze zaak van afschuwelijke duisternis, kent geen grenzen en nadert het ongeloofelijke. Geen enkele van de groote biografen van Jeanne is er in geslaagd of heeft zelfs een ernstige poging gewaagd het optreden van de illustre Sorbonne in deze zaak goed te praten of te verdedigen. Integendeel de meesten raken in vuur en uiten hun heilige verontwaardiging in een heftig en welsprekend: „J'accuse”!
De Parijsche Universiteit haatte Jeanne en zag in deze ketterin, die volgens hare overtuiging van den duivel bezeten was, een groot gevaar. Maar de voornaamste reden, waarom het voor de Parijsche Universiteit van het grootste belang was, dat Jeanne in het openbaar als afvallige van de Heilige Moederkerk en als ketterin werd terechtgesteld, moeten wij naar mijne meening nog elders zoeken. Zij ligt meer op politiek terrein. Parijs was n.l. in handen der Engelschen. De Universiteit was de getrouwe dienares van den Regent, die van zijn kant haar daarvoor zijn genegenheid en dankbaarheid meermalen met daden getoond had. Als noodzakelijk gevolg hiervan ontkende de Universiteit ten eenenmale het goede recht van Karel VII op den troon van Frankrijk. Het bericht dat er een jonge maagd aan het hof van Karel te Chinon was verschenen, die beweerde door God gezonden te zijn om hem weer in het bezit te stellen van den ouden Troon, had hen getroffen als een plotselinge donderslag. De tijdingen omtrent het succes der Fransche troepen onder Jeanne's leiding, omtrent den tocht naar Reims en de kroning, had hen met schrik en angst vervuld. Wat zou hun lot zijn wanneer het Karel gelukte de hoofdstad te veroveren? Één middel was er slechts om hun afvalligheid en trouweloosheid, waarvan zij zich in het diepst van hun ziel bewust moeten geweest zijn, te verdedigen en te rechtvaardigen.
Die vrouw, die maagd, die zich uitgaf voor een bode van God zelf, die vrouw moest in een officieel en openbaar proces, door de Heilige Inquisitie, door de geheele Heilige Moederkerk schuldig bevonden worden aan ketterij. Die vrouw moest als een dienares des duivels haar dood vinden op den brandstapel.
In de tweede plaats noemen wij Pierre Cauchon, bisschop van Beauvais. In zijn optreden in die dagen doet hij ons denken aan het roofdier, opgeschrikt door de lucht van het aas. Nauwelijks heeft het bericht van Jeanne's gevangenneming hem bereikt of hij zet zich in beweging en begeeft zich naar Compiègne. Hij eischt Jeanne op, omdat zij is gevangen genomen binnen het gebied van zijn diocees. Niet alleen wordt deze bewering door enkelen beslist bestreden, maar bovendien kan zij toch onmogelijk als verklaring dienen voor zooveel ijver, zooveel hardnekkigheid. De leugen ligt er te dik op, maar is doorschijnend genoeg om daaronder duidelijk te doen herkennen, een krachtig verlangen om de Engelschen in het gevlei te komen en verder bovenal: persoonlijke wraakzucht. Cauchon koestert tegen Jeanne een doodelijken haat. Van haar eerste optreden af aan heeft zij hem schier in alles gedwarsboomd en benadeeld, en staat zij zijn carrière beslist in den weg.
Als diplomaat was de bisschop van Beauvais een voorstander van den wapenstilstand. Hij trad als onderhandelaar op tusschen Karel VII en Philips van Bourgondië en bewees in deze hoedanigheid door zijn list en geslepenheid, aan den Bourgondiër belangrijke diensten.
Jeanne daarentegen was de vrouw van de daad. Zij wilde van geen wapenstilstand weten, drong er steeds bij Karel VII en zijne raadslieden op aan, krachtig door te zetten tot het einde toe; eerst Orléans, dan Reims, vervolgens Parijs en dan eindelijk de Engelschen het land uit en de zee over.
Maar, en dat woog nog zwaarder, ook als Bisschop heeft Pierre Cauchon tot tweemaal toe voor Jeanne het veld moeten ruimen. Een maand voor de kroning bevond hij zich nog in zijn volle, bisschoppelijke heerlijkheid te Reims, maar bij de nadering van het Fransche leger onder aanvoering van Karel VII en van Jeanne, had Cauchon zich uit de voeten gemaakt. Evenzoo verging het hem in zijn eigen Bisschopsstad Beauvais. Cauchon had de bevolking geraden de poorten van de stad te sluiten en de plaats tegen de troepen van den koning te verdedigen. Maar tegen zijn advies in hadden zij den koning de sleutels van Beauvais gebracht en Jeanne met haar troepen in triumf binnengehaald. Den bisschop bleef toen niets anders over dan de vlucht: hij zocht zijn veiligheid bij den hertog van Bedford en bij Philips van Bourgondië.
Dat zijn bittere pillen, die zwaar op de maag liggen, en die zelfs een bisschop niet licht verteert.
Thans biedt zich een gelegenheid dien smaad te wreken. De blaadjes zijn omgekeerd: Jeanne is gevangen, de vogel is in het net. Cauchon neemt de leiding. Langzaam maar zeker zullen wij hem zien afgaan op het doel, dat hij voor oogen heeft. De vogel zal tegenspartelen, Jeanne zal zich dapper verdedigen tot het einde toe. Wat baat het haar? Waar een Pierre Cauchon de lijnen van het net in handen heeft, is geen ontsnappen mogelijk. Hij zal zijn rol tot het slot met volkomen meesterschap vervullen en als eindelijk zijn slachtoffer, tengevolge van zijn eigen toedoen, valt, zal zelfs de theatrale traan van meelij niet ontbreken.
Jeanne, in handen van de Engelschen, wordt bij brieven van 3 Januari 1431 door den koning Hendrik VI overgeleverd aan den Bisschop van Beauvais. Zij zal zich te verantwoorden hebben voor een geestelijke rechtbank.
Pierre Cauchon zelf zal voorzitter zijn, aan hem dus ook de zorg voor het uitkiezen en bijeenroepen van de overige leden van dit illustre en verheven lichaam.
Naast Cauchon vinden wij Jean Lemaître, een dominicaner als Vicaris van den Inquisiteur te Rouaan, en Jean d'Estivet als Promotor.
Als eerste griffier zal zitting nemen Guillaume Manchon, die zal worden bijgestaan door Guillaume Colles, bijgenaamd Boisguillaume.
Wij willen geen droge opsomming geven van alle namen van de leden van dit college, waarin o.a. zitting nemen tien abbés van de groote abdijen in Normandië, die mijters dragen evenals de bisschoppen, bijgestaan door drie priors, verder zestig assessoren en eindelijk alle geestelijken van het kapittel te Rouaan. Wij kunnen volstaan met het noemen van enkele der voornaamsten met hun titels en soms met hun toekomstige titels, dit laatste om duidelijk te doen uitkomen, dat ondanks het latere proces van rehabilitatie, de medeplichtigheid aan den dood van Jeanne de rechters van het eerste proces niet bepaald geschaad heeft in hun carrière.
Wij vermelden dus nog:
Henri Beaufort, Kardinaal van Engeland, chef van den Engelschen Raad.
Louis de Luxembourg, broeder van Jean de Luxembourg, Bisschop van Thérouanne, later kardinaal.
Jean de Castiglione, een Italiaan, aarts-diaken van Évreux, later kardinaal.
William Ahnwick, Bisschop van Norwich, een Engelschman.
Jean de Mailly, Bisschop van Noyon. Hij zal later ook deelnemen aan het proces van rehabilitatie.
Gilles de Duremort, Jean Lefévre, Richard Prat (Engelschman) drie toekomstige bisschoppen; Raoul Roussel, Pasquier de Vaulx, Robert Ghillebert, drie toekomstige aartsbisschoppen.
Ten slotte nog deze enkele, merkwaardige bijzonderheid: Nicole Midy, de rechter, die Jeanne in het openbaar toespreekt op den dag van haar dood, is dezelfde, die in 1438 de officieele feestrede uitspreekt bij den blijden intocht van Karel VII in Parijs en Thomas de Courcelles, een andere rechter van Jeanne, zal bij den dood van den koning de plechtige lijkrede houden.
De zaak wordt geheel in den vorm en deugdelijk voorbereid. In Domremy worden inlichtingen genomen en ook op andere plaatsen waar Jeanne vertoefd heeft. Personen, waarmede zij heeft omgegaan, en nog andere getuigen worden gehoord. Kortom, alle mogelijke gegevens worden verzameld, maar bijna uitsluitend uit Engelsch-Bourgondische bron.
Maître Maugier, de advocaat van de familie d'Arc in het proces van Rehabilitatie, heeft er later op gewezen, dat de gunstige informaties, die men omtrent Jeanne had gekregen in haar geboorteland, zich niet in het dossier van het proces te Rouaan bevinden, en dus vermoedelijk verdonkeremaand zijn.
Eindelijk wordt Jeanne gedagvaard tegen den 21en Februari. Zij verklaart zich bereid te verschijnen, doch verlangt dat aan de Rechtbank, zooals deze thans is samengesteld, een gelijk aantal Fransche geestelijken van haar partij zal worden toegevoegd, en dat men haar zal toestaan de Mis te hooren. Deze beide verzoeken worden door den Bisschop-voorzitter afgewezen.
Terwijl dus Cauchon van zijn kant de zaak in alle opzichten goed heeft voorbereid, is er van eenige voorbereiding van de kant van Jeanne geen sprake kunnen zijn. Zij heeft geen advocaat, geen verdediger, geen raadsman: zij heeft met niemand overleg kunnen plegen, er zijn voor haar geen getuigen à décharge opgeroepen, zij weet eigenlijk niet waar het om gaan zal, waarvan men haar beschuldigt.
Als Jeanne den 21en Februari voor hare rechters verschijnt is zij gekleed in manskleeren en blootshoofds, hare handen en armen zijn vrij, maar hare voeten zijn geboeid met zware ketenen.
Volgens het recht en de gewoonten van dien tijd, had men Jeanne, van het oogenblik af, dat zij gevangene was van de Kerk, behooren over te brengen naar eene behoorlijke gevangenis, waar zij door vrouwen bewaakt werd. Maar de Engelsche heeren stoorden zich niet aan die gebruiken. Zij bleef dus opgesloten in een donkere cel, met zware ketens aan handen en aan voeten en werd dag en nacht bewaakt door Engelsche voetknechten. Dit laatste vooral is mogelijk wel een van de wreedste en meest verfijnde martelingen geweest, die men dit jonge meisje van negentien jaar heeft doen ondergaan. De soldaten van dien tijd waren over het algemeen ruwe, zedelooze en gewetenlooze kerels, de legers waren samenraapsels van allerhande schuim. Het is wel merkwaardig juist uit den mond van Andrew Lang, den Engelschen biograaf van de Maid of France, de verzuchting te hooren, dat wanneer Jeanne in handen was gekomen van Philips van Bourgondië, zij waarschijnlijk toch wel verbrand zou zijn, maar de Bourgondiër zou in zijn zucht naar wraak niet zoo diep gezonken zijn en zou haar niet zoo laaghartig behandeld hebben als de hertog van Bedford en de graaf van Warwick gedaan hebben.
Het costume waarin Jeanne verscheen, maakte dadelijk al op de meeste van hare rechters een slechten indruk, alsook het feit dat zij zich vertoonde met ongedekten hoofde, met hare mooie, zwarte haren kort afgeknipt boven het oor. De vrouwen van dien tijd, zelfs die van het laagste soort, zag men nimmer blootshoofds. Het is dus eenigszins te begrijpen, dat deze breede schare van celibatairen aanstoot nam aan de voor hen vreemde verschijning van Jeanne.
Het verhoor van den eersten dag is dadelijk voor Jeanne van het grootste belang. Het gaat om niets meer of minder dan de vraag: zal Jeanne door haar eed en haar eerste optreden de wettigheid en de bevoegheid van de Rechtbank erkennen? Wij zullen zien dat zij in hare antwoorden de moeilijkheid ontwijkt:
Cauchon: „Jeanne, zweer met de hand op het Heilig Evangelie, dat gij naar waarheid zult antwoorden op de vragen, die U zullen worden gesteld.”
Jeanne: „Ik weet niet waarover gij mij zult ondervragen. Misschien zult gij mij wel dingen vragen, die ik U niet mag zeggen.”
Cauchon voelt de handigheid van dit antwoord, maar hij laat niet los, hij wil den eed.
Jeanne: „Ik zal antwoorden over wat ik gedaan heb, maar niet over de dingen, die mij door God geopenbaard zijn; die heb ik slechts aan den koning medegedeeld. Al zou men mij ook het hoofd afslaan, daarover zal ik zwijgen.”
In dien zin legt zij dan ook den eed af.
Als men haar daarop verwijt dat zij heeft willen ontsnappen, antwoordt zij openhartig en vrijmoedig:
„Het is waar, ik heb willen ontsnappen, en ik wil het nog. Is dat dan niet geoorloofd aan elken gevangene?”
Deze zitting was zeer rumoerig. Het publiek en vooral de Engelschen onder hen maakten door hun geraas en getier Jeanne en zelfs den rechters het spreken soms onmogelijk. Besloten werd de volgende zittingen in een kleinere zaal te houden en minder publiek toe te laten.
Den volgenden dag, 22 Februari, is het niet Cauchon, die ondervraagt, maar Maurice Beaupère, één van de zes afgevaardigden, die de Parijsche Universiteit tegen den aanvang van het proces in allerijl naar Rouaan had gezonden om deel te nemen aan het geding. Beaupère is een zeer beroemd man van groot gezag. Hij maakt bijna het geheele proces mede. Plotseling drie dagen voor het eind-vonnis verlaat hij Rouaan. Hij vlucht onder voorwendsel dat hij naar Bazel moet vertrekken om het Concilie bij te wonen.
Zijne mede-afgevaardigden zijn:
Pierre Maurice, die later Jeanne op den 23en Mei in een lange redevoering zal toespreken.
Gérard Feuillet, Doktor in de Godgeleerdheid. Hij woont slechts de eerste helft van het geding bij.
Jacques de Tourraine, Professor.
Thomas de Courcelles, een van de grootste geleerden van de Universiteit, toekomstig kardinaal. Hij bekleedt bij het proces te Rouaan de functie van redacteur en secretaris, en vertaalt het proces in het latijn. Ook hij zal deelnemen aan het Concilie te Bazel.
En eindelijk Nicolas Midy, die later de beruchte twaalf artikelen zal opstellen.
Hij en Beaupère zijn wel degenen, die het heftigst zijn in hun aanvallen op Jeanne. Aan Midy wordt opgedragen de veroordeelde toe te spreken den dag van haren dood, maar ook dat zelfs doet hij in heftige en beleedigende bewoordingen. Hij zelf sterft later melaatsch, na een lang en bitter lijden.
Dien tweeden dag wordt Jeanne uitvoerig ondervraagd over haar jeugd, hare eerste visioenen. Zij antwoordt kalm en duidelijk, geeft alle bijzonderheden die men van haar verlangt, mits men zich maar niet waagt op wat zij beschouwt als verboden terrein. Zij is voortdurend op haar „qui-vive” en slagvaardig.
Zij begint met te verklaren, dat alles wat zij gedaan heeft haar gelast is in hare openbaringen.
Als Beaupère haar vraagt:
„Wie heeft U aangeraden manskleeren aan te trekken?” antwoordt zij eenvoudig weg:
„Daar beschuldig ik niemand van.”
Haar bezoek aan Robert de Baudricourt wordt behandeld en vervolgens haar komst aan het hof te Chinon.
Maar als Beaupère bijzonderheden wil weten over het teeken, dat zij Karel VII heeft gegeven, bijt zij kort van zich af:
„Daar zal ik U niets op antwoorden. Sla dat maar over en ga verder.”
Een tweede poging zal hetzelfde negatieve succes hebben. Zij geeft Beaupère den raad:
„Zend iemand naar den Koning, hij zal het U zeggen.”
Bij den aanvang van de derde zitting komt Cauchon eerst terug op de kwestie van den eed. Hij raadt Jeanne aan te zweren zonder eenige beperking, zooals het inquisitoriale recht het verlangt. Zijn aandringen op dit punt ontlokt haar een verklaring, die aan openhartigheid en duidelijkheid niets te wenschen overlaat, maar die haar dadelijk tegenover den Inquisiteur in gevaar brengt.
„De geheele geestelijkheid van Rouaan en van Parijs zou mij niet kunnen veroordeelen, wanneer zij er het recht niet toe heeft”.
„Ik ben gekomen van God: ik heb hier niets te doen; laat men mij terugzenden naar God van wien ik gekomen ben”.
Beaupère neemt het verhoor over en stelt haar eenige vragen van minder belang, maar Jeanne wendt zich nogmaals tot Cauchon zeggende:
„Gij zegt, dat gij mijn rechter zijt; wees voorzichtig; gij brengt U in groot gevaar”.
Vervolgens ondervraagt Beaupère haar wederom uitvoerig over haar jeugd en vooral over de vraag, wat zij geweten heeft van de bekende voorspelling, dat er een Lotharingsche vrouw zou komen om Frankrijk te redden. Ook de manskleeren komen weer ter sprake:
Beaupère: „Zijt gij bereid weer vrouwenkleeren aan te trekken?”
Jeanne: „Geef ze mij, ik zal ze aantrekken en heengaan. Maar ik ben tevreden met de kleeren die ik heb, omdat het Gode welgevallig is, dat ik ze draag”.
Enkele vragen omtrent hare stemmen weigert zij ook ditmaal te beantwoorden. Op een bijzonder moeilijke vraag van Beaupère betreffende het vraagstuk van de genade Gods, geeft zij zoo'n handig en voortreffelijk antwoord, dat hare rechters er verbaasd over staan.
De scène is van groot belang en wij willen haar derhalve hier in extenso weergeven. Beaupère verhoort en aan hem dus ook vermoedelijk de eer voor de uitvinding van deze buitengewoon verraderlijke vraag, die men, zooals Michelet het uitdrukt, zonder misdadig te worden aan geen levend wezen mag stellen.
Beaupère: „Jeanne, savez vous être en la grace de Dieu?” („en état de grace”).
Een huivering vaart door de gansche rechterschaar. Zij voelen het gevaar en bespeuren duidelijk de adder die onder het gras schuilt. Een kort oogenblik van groote spanning.
Dr. Jean Le Fèvre, professor in de Godgeleerdheid, staat op. Naar zijn meening gaat men te ver, hij wil een woord van protest doen hooren. Aarzelend brengt hij in het midden, dat deze vraag te moeilijk is, en dat Jeanne er niet op behoeft te antwoorden, waarop Cauchon hem toesnauwt: „Gij, gij zoudt beter doen te zwijgen!” Maar nu neemt Jeanne het woord. Hare zeldzame slagvaardigheid stelt haar ook nu weer in staat de knoop door te hakken en met vaste stem en onverschrokken antwoordt zij:
„Si je n'y suis, Dieu m'y mette; et si j'y suis, Dieu m'y tienne.”
(„Si ego non sim, Deus ponat me; et si ego sim, Deus me teneat in illa”).
„De quo responso interrogantes fuerunt multum stupefacti,” verklaart verder de getuige uit het proces van Rehabilitatie, Boisguillaume, aan wien wij deze bijzonderheden verschuldigd zijn. „Verbaasd”, wij gelooven het graag, over zooveel gevatheid, en zulk een goddelijken eenvoud, maar wij zouden, al vinden wij dat ook niet vermeld in de getuigenverklaring, er aan willen toevoegen „grootelijks verlucht”. Verlucht na de angstige spanning waarin de netelige vraag van Beaupère hen allen gebracht had en waaruit het voortreffelijke en verrassende antwoord van Jeanne hen had verlost.
Den 25en en 26en Februari wordt Jeanne niet ondervraagd. Zij is lichtelijk ongesteld: koorts en brakingen. Zij had visch gegeten, haar gezonden door Cauchon.
Jean d'Estivet, de Promotor van het proces, komt haar in haar kerker bezoeken. Liet zij mogelijk in een gesprek met hem, iets doorschemeren van een verdenking? Zeker is het, dat het gesprek zeer heftig eindigde; van weerskanten vielen harde woorden. De opwinding deed Jeanne geen goed.
De graaf van Warwick maakt zich ernstig ongerust dat.... zijn gevangene haar natuurlijken dood zal sterven. Dat moet in geen geval. Hij laat doctoren komen, die Jeanne onderzoeken en een aderlating noodig achten.
Nieuw gevaar: zij is in staat daardoor zelfmoord te plegen. Toch wordt, na rijp beraad, tot een aderlating besloten en Jeanne is na twee dagen weer hersteld.
De volgende zitting heeft plaats den 27en Februari. Beaupère ondervraagt. Hij wil weten of zij ook thans nog hare stemmen hoort. Jeanne hoort ze nog dagelijks, zij spreekt nog telkens met de Heilige Cathérine en de Heilige Marguerite. Zij spreken haar moed in en zeggen haar dikwijls wat zij antwoorden moet.
Hoe weet zij dat het Heiligen zijn, hoe herkent zij ze, hoe zijn zij gekleed, is hun beider kleed van dezelfde stof, hoe oud zijn zij, spreken zij te gelijk of één voor één? Steeds meer bijzonderheden worden haar gevraagd, maar Jeanne weigert enkele van die vragen te beantwoorden. Vervolgens moet zij vertellen hoe zij haar degen heeft laten halen te Fierbois, hoe zij haar harnas en degen weer gedeponeerd heeft in de basiliek van Saint-Denis. Hoe zag haar banier er uit en door wien werd die gedragen:
Jeanne: „Die droeg ik zelf wanneer ik den vijand aanviel, om te voorkomen dat ik iemand doodde ... want ik heb nooit iemand gedood.”
Nog even voor de zitting wordt opgeheven vraagt Beaupère haar of zij gewond is geweest, omdat men algemeen geloofde in dien tijd, dat de heksen, wanneer zij gewond werden, met hun bloed hun macht verloren. Beaupère put zich werkelijk uit in spitsvondigheden, doch voorloopig nog zonder veel resultaat.
Cauchon zelf vraagt haar in de zitting van den eersten Maart welke van de drie Paussen zij voor de ware houdt.
In het dossier bevinden zich de copieën van een brief van den graaf van Armagnac, waarin deze haar dezelfde vraag stelt en van het antwoord van Jeanne daarop. Haar eigen brief wordt haar voorgelezen, doch zij verklaart, dat deze copie op verschillende plaatsen niet juist weergeeft wat zij gedicteerd heeft. Laat haar geheugen haar in den steek of heeft er vervalsching plaats gehad? En dan nog een duister punt: hoe kwamen deze brieven in het dossier?
Jeanne verklaart duidelijk en tot tweemaal toe, dat zij voor zich slechts gelooft in den Paus te Rome.
Cauchon komt daarna nogmaals terug op het geheim tusschen Jeanne en den koning, op het teeken, dat zij den koning gegeven heeft en op den engel met de kroon.
In den nacht van den 2en op den 3en Maart bezoeken hare Heiligen haar en spreken haar moed in. Gelukkig, want de verhooren vermoeien haar. Hare stemmen zijn haar eenige steun. Zij voelt instinctmatig, dat achter elke vraag, zelfs achter de oogenschijnlijk meest onbeduidende, een gevaar schuilt.
Hadden hare Heiligen armen, haren, ringen in hunne ooren? Hoe klonk hun stem?
Wee haar, wanneer zij in deze détail-beschrijvingen aan de Heilige Cathérine en de Heilige Marguerite eigenschappen toekent, die volgens het algemeen geloof in die dagen slechts gevonden worden bij de booze geesten, bij den Duivel en zijne handlangers.
Is onder die omstandigheden de vrijmoedigheid niet dubbel bewonderenswaardig, waarmede zij antwoordt op de vragen of de Aartsengel Michaël, wanneer hij haar verscheen, naakt was:
„Gelooft gij dan dat het Messire aan de middelen ontbreekt om zich te kleeden?” en of hij kort geknipt haar had:
„Waarom zou het hem zijn afgeknipt?”
Geen wonder dat Cauchon niet tevreden is: de zaak schiet niet op. In zes geheime vergaderingen ten huize van den Bisschop worden thans de volgende zittingen voorbereid.
Jeanne heeft in deze zes dagen gelegenheid om uit te rusten. In de eerste zittingen na deze korte wapenstilstand, is zij bijzonder goed op dreef. Jean Delafontaine ondervraagt. Hij blijft hoofdzakelijk op het terrein van de politiek, het geheime teeken te Chinon, de kroon te Reims.
Heeft Jeanne een Goddelijke opdracht gekregen om Karel VII aan te wijzen? Zij moet haren rechters telkens herinneren: „Maar dat heeft niets te maken met het proces!” Als er rumoer is in de zaal, roept zij ze toe: „Spreekt toch niet allen te gelijk”.
Over het proces-verbaal, dat haar aan het einde van de zitting van 11 Maart wordt voorgelezen, is zij ook al niet tevreden. Zij drukt den griffier op het hart in het vervolg beter op te passen:
„Wanneer gij U nog eens vergist, zal ik U aan Uwe ooren trekken”.
Cauchon dringt er bij den Inquisiteur-Generaal op aan, dat de Vice-Inquisiteur, Jean Lemaître, voortaan de zittingen zal bijwonen. Met andere woorden, dit was tot nu toe niet geschied. Dit feit werpt wel een zeer eigenaardig licht op de wettigheid van het proces, zooals het tot nu toe gevoerd was.
Eerst vanaf den 12en Maart zal dus de rechtbank compleet zijn en krijgt ook de Inquisitie een deel van de verantwoordelijkheid te dragen.
Welk een machtig wapen zou deze onregelmatigheid in de samenstelling van de rechtbank niet geweest zijn in handen van een verdediger? Maar Jeanne had er geen, en dit op zich zelf was ook reeds in strijd met het kerkelijk recht.
Trouwens, een handig en kundig verdediger had om de onwettigheid van de gansche procedure te bewijzen, niet lang naar argumenten behoeven te zoeken.
Was Jeanne niet zelf begonnen met de bevoegdheid van de rechtbank te ontkennen op grond van haar partijdigheid? Had men aan de beklaagde, behalve een verdediger, niet een curator behooren toe te voegen, omdat zij minderjarig was? Behoorde niet de Bisschop steeds zelf te ondervragen en was men niet verplicht geweest gevolg te geven aan het beroep dat Jeanne aan het slot van de procedure deed op den Paus?
Hoewel wij er dus niet aan twijfelen of een terzake kundig en geroutineerd verdediger zou van de verschillende leemten en onregelmatigheden in de procedure beter partij getrokken hebben, toch zijn er in dit lange proces talrijke momenten, dat wij haast niet kunnen gelooven, dat er achter de negentienjarige beklaagde geen rechtsgeleerde raadsman heeft gestaan, die haar aangaf wat zij doen moest, wat zij volgens rechtsgebruik mocht eischen of verlangen.
Dadelijk bij de eerste dagvaarding wijst zij den deurwaarder Massieu op de partijdigheid en de onvolledigheid van het college van rechters waarvoor zij zal verschijnen. Telkens als Cauchon van haar verlangt, dat zij den eed zal afleggen, verklaart zij zich bereid, doch onder zekere restrictie. Restrictie maakt zij eveneens wanneer de Bisschop haar verzoekt het „Onze Vader” op te zeggen: zij wil volgaarne aan het verzoek voldoen maar in de biecht. Het verbod van opnieuw eene poging tot ontvluchting te wagen aanvaardt zij eenvoudigweg niet, opdat niemand haar ooit zou kunnen verwijten, dat zij haar woord gebroken heeft. Herhaaldelijk weigert zij op enkele vragen te antwoorden, zeggende: „Dit behoort niet tot het proces” („Hoc est non de processu vestro”), of zij stelt haar antwoord uit tot het volgende verhoor en in dat geval vraagt zij om een afschrift van de haar gestelde vragen. Aan het slot van een incident in het vijfde geheime verhoor (Woensdag 14 Maart), waarin sprake schijnt geweest te zijn van het overbrengen van Jeanne naar Parijs (nadere bijzonderheden omtrent dit incident ontbreken, helaas, ten eenenmale) vraagt zij om een afschrift van alle vragen en antwoorden, teneinde dit in Parijs te kunnen overleggen. Ook verwijst zij soms naar het rapport van de commissie in Poitiers of, wanneer de ondervrager in herhalingen treedt, verwijst zij doodleuk naar een vroeger verhoor: „Gij hebt daarop reeds mijn antwoord. Lees Uw boek maar goed na en gij zult het vinden.”
Handigheden, gevatheden zouden wij dergelijke zetten noemen, wanneer zij afkomstig waren van een advocaat of van een anderen man van het vak, maar nu wij ze hooren uit den mond van een ongeletterd kind, kunnen wij met deze qualificaties niet volstaan, en worden het gezegden die ons vervullen met eerbied en bewondering.
In de eerstvolgende zitting van 13 Maart komt Jean Delafontaine nogmaals terug op het teeken te Chinon; hij wil ook weten of Saint Denis haar ooit verschenen is, de schutspatroon der Fransche koningen. Dan plotseling de vraag aan wien zij de gelofte heeft gedaan maagd te zullen blijven.
Zij verklaart die gelofte gedaan te hebben, de eerste maal dat zij hare stemmen hoorde, aan hare Heiligen, die haar door God gezonden werden.
Heeft zij aan een jongen boer een trouwbelofte gedaan?
Zij ontkent een dergelijke belofte ooit gedaan te hebben.
Het terrein van de politiek wordt nu verlaten, maar helaas, een ander, een veel gevaarlijker terrein wordt thans betreden, n.l. dat van de dogmatiek. Het klinkt op het eerste gehoor bijna ongeloofelijk, toch is het de zuivere, droeve waarheid.
Een meisje van negentien jaar, haast een kind dus nog, dat nooit een school heeft bezocht, dat lezen noch schrijven kan, dat alleen van haar moeder de voornaamste gebeden heeft geleerd, zal voor een rechtbank van gestudeerde en geletterde mannen, zonder eenige bijstand noch hulp, vragen te beantwoorden krijgen, liggende op het terrein der zuivere dogmatiek, en van die beantwoording zal haar leven afhangen.
Geen wonder, dat zij niet alle voetangels en klemmen zal kunnen vermijden, dat zij verward zal geraken in de mazen van het net, dat men voor haar spant.
Delafontaine: „Is het Uwe overtuiging, sedert Uwe stemmen U gezegd hebben, dat gij tenslotte in het Paradijs zult ingaan, dat gij gered zijt, en dat gij niet verdoemd zult zijn in de hel?”
Jeanne: „Ik geloof vast wat mijne stemmen mij gezegd hebben, dat ik gered zal zijn; voor mij staat dit zoo vast, alsof ik reeds gered was.”
Delafontaine: „Gelooft gij na deze openbaring dat gij U niet meer schuldig kunt maken aan doodzonde?”
Jeanne: „Daar weet ik niets van, ik verlaat mij op den Heer.”
Delafontaine: „Dat is een antwoord van groot gewicht.”
Jeanne: „Juist, en dat is voor mij een groote schat.”
Delafontaine: „Gevoelt gij behoefte te biechten, nu gij gelooft aan de openbaring van Uwe stemmen, dat gij gered zult zijn?”
Jeanne: „Ik denk, dat wanneer ik schuldig was aan doodzonde, de Heilige Cathérine en de Heilige Marguerite mij wel oogenblikkelijk aan mijn lot zouden overlaten. Verder geloof ik, dat men nooit zijn geweten te veel kan zuiveren.”
„Ik verlaat mij op den Heer”, een getuigenis opwellend uit een waarachtig vroom gemoed, door Jeanne afgelegd in haar gulden naïviteit. Maar, o wee! Jeanne's rechters denken er anders over, zij geven aan die verklaring een anderen uitleg. Zoo'n antwoord wordt haar niet vergeven: het riekt naar ketterij.
Bij den aanvang van de volgende zitting op 15 Maart zal men het haar duidelijk maken in vriendelijke bewoordingen.
Weet dan Jeanne, dat daar is een zegevierende Kerk en een strijdende Kerk en dat er tusschen de zegevierende Kerk, dat is dus tusschen God, die in den Hemel is, omringd van Zijne Heiligen, en van de engelen, en elke Christen, geen andere verbinding mogelijk is dan door de strijdende Kerk op aarde.
Onthoud dit goed Jeanne. Uwe rechters zullen dit punt niet meer loslaten, ze zullen U er mede vervolgen tot het bittere einde toe.
Wanneer gij moeilijkheden hadt of gewetensbezwaren, hebt gij U tot God gewend in het gebed of tot Uwe heiligen en gij hebt ze om raad gevraagd. Ketterij!..
Delafontaine: „Wilt gij, wat gij gedaan hebt en gezegd hebt, onderwerpen aan de beslissing van de Kerk?”
Jeanne: „Mijne daden en mijne werken zijn allen in de hand van God; in alles verlaat ik mij op Hem”.
Ketterij! ook al voegt gij er aan toe: „Ik verzeker U dat ik niets zou willen zeggen of doen tegen het Christelijk geloof”.
Cauchon gevoelt, dat hij nu op den goeden weg is en verdubbelt dus zijn ijver, zich niet bekommerend om Jeanne's onwetendheid en kinderlijke naïviteit. Dienzelfden avond nog bezoekt hij haar met enkele der rechters in haar kerker en behandelt dan hetzelfde onderwerp.
Cauchon: „Verlaat gij U op de beslissing van de Kerk”.
Jeanne: „Ik verlaat mij op God die mij gezonden heeft, op onze Lieve Vrouwe, op alle Heiligen van het Paradijs. Ik ben van meening dat God één is met de Kerk, en dat men daarover geen moeilijkheden moet maken. Waarom maakt gij mij daarover moeilijkheden?”
Waarom?... Vraag het Uwen rechters niet Jeanne, ze zullen het U niet zeggen. Zij zullen Uwe verklaring opnemen in het proces-verbaal. Hun doel is thans bereikt: gij zijt verloren.
De bisschop legt haar nog eenmaal de moeilijkheid uit.
Cauchon: „Er bestaat een zegevierende Kerk, dat zijn God, de Heiligen, de Engelen en de geredde zielen. Er bestaat nog een andere Kerk, de strijdende Kerk, dat zijn de Paus, Gods stedehouder op aarde, de kardinalen, de prelaten van de Kerk, de geestelijkheid, alle goede Christenen en Katholieken. Deze Kerk, vereenigd in een wettige bijeenkomst, kan niet dwalen, daar zij bestuurd wordt door den Heiligen Geest. Wilt gij U op die Kerk verlaten.”
Maar Jeanne blijft getrouw aan haar overtuiging en belijdt nogmaals haar vast geloof.
Jeanne: „Ik ben gekomen tot den koning van Frankrijk op bevel van en gezonden door God, de Heilige Maagd Maria, alle Heiligen van het Paradijs en de Zegevierende Kerk van daarboven. Aan die Kerk onderwerp ik al mijne goede daden, alles wat ik gedaan heb en doen zal. Op de vraag of ik mij zal onderwerpen aan de strijdende Kerk, zal ik nu niets anders antwoorden.”
Het is Cauchon zelf, die nu dit verhoor den naam van den Paus noemt, als hoogste macht in de strijdende Kerk.
Ook in de volgende zitting vraagt men Jeanne of zij bereid zou zijn alles mede te deelen aan den Paus. Dan verzoekt zij voor den Paus gebracht te worden, zij zal hem antwoorden alles wat zij moet antwoorden.
Het spreekt bijna van zelf, dat aan dit verzoek geen gevolg wordt gegeven, maar waarom dan de zaak ter sprake gebracht?
Cauchon verklaart daarop de voorloopige en geheime verhooren voor geëindigd.
d'Estivet maakt een uittreksel uit het procesverbaal.
Voor het gewone proces begint, speelt zich tusschen den rechter Cauchon en zijn ongelukkig slachtoffer nog een hoogst aangrijpende scène af.
Sedert Jeanne in Rouaan gevangen zit, heeft men haar geweigerd de Mis bij te wonen. Onder dit verbod begint zij met den dag meer te lijden. Zelfs in de woeligste dagen van den oorlog heeft zij trouw hare kerkelijke plichten vervuld; in de steden die zij doortrok heeft zij steeds de kerken bezocht, en op het slagveld zelfs liet zij voor den strijd door haar biechtvader dikwijls de Mis lezen. Het is een behoefte geworden waar deze eenvoudige, vrome ziel niet buiten kan en zeker niet in deze droeve en angstige dagen. Nu het Paaschfeest nadert wil zij nog een poging wagen: op Palmzondag vraagt zij toestemming de Mis bij te wonen.
Men is bereid het haar toe te staan, wanneer zij hare manskleeren aflegt. Dat kan zij niet doen, hare stemmen hebben haar dat verboden. Maar voor de hardnekkige weigering van Jeanne op het punt van hare kleeding zijn vermoedelijk nog andere redenen die onbewust even zwaar bij haar wegen, maar die zij tegenover haar rechtbank niet onder woorden kan brengen.