JEANNE D'ARC. (continued 3)
Reading edition
Zijn het in de eerste plaats niet hare manskleeren, die haar tot op een zekere hoogte nog beschermen tegen de belagingen van hare ruwe bewakers? En dan... is zij niet krijgsgevangene? Heeft de vijand zich niet meester van haar gemaakt, terwijl zij als aanvoerder van hare troepen in volle actie was? Wie weet, of niet een dezer dagen hare vrienden haar zullen komen bevrijden? Welnu in dat geval zullen zij haar terugvinden zooals zij hen verlaten heeft.
Zij smeekt met tranen in hare oogen, maar te vergeefs.
Jeanne: „Is het dan niet mogelijk de Mis te hooren zooals ik ben? Ik verlang het zoo vurig. Wat de voorwaarde betreft, dat ik van kleeding moet veranderen, daar kan ik niet aan voldoen, dat is niet in mijn macht.”
Men blijft weigeren.
Jeanne: „Ik kan niet veranderen; moet ik dan verstoken blijven van het Sacrament? Ik smeek U, mijne heeren, staat mij toe de Mis te hooren in manskleeren. Deze kleeding verandert toch mijn ziel niet, en het is toch niet in strijd met de wetten van de Kerk!”
Maar hare tranen en haar smeeken zijn niet bij machte de dorre en verstokte zielen van hare rechters te vermurwen. Geen enkele is er die het voor haar opneemt of haar te hulp durft komen. Is onder al deze priesters dan geen enkele man?....
Een nieuwe weigering en daarmede is het incident gesloten.
Den 27en Maart, dus den Dinsdag na Palmzondag, begint het gewone proces. Ter elfder ure biedt men haar nu een raadsman aan. „Omdat zij niet geleerd genoeg is en niet genoeg onderricht in deze netelige kwesties”, mag zij uit hare rechters er een kiezen die haar zal bijstaan. Uit een oogpunt van onpartijdigheid is dit zeker een hoogst bedenkelijk aanbod; bovendien komt het veel te laat, nu hare rechters reeds alle materiaal tegen haar verzameld hebben, en hun oordeel in deze zaak reeds gevestigd hebben. Zij wijst het aanbod dan ook af, wel is zij het gezelschap dankbaar voor de goede bedoeling, maar ook in het vervolg zal zij zich slechts houden aan Gods raad.
Het uittreksel van d'Estivet, saamgevat in zeventig artikelen, wordt haar voorgelezen. Men vindt daarin o. m. reeds de voornaamste punten van beschuldiging die ook zullen voorkomen in het eindvonnis. Men heeft Jeanne schuldig bevonden aan toovenarij, ketterij, afvalligheid van het geloof; zij wordt genoemd onkuisch en bloeddorstig. De beklaagde hoort alles rustig aan. Slechts een enkele maal onderbreekt zij de voorlezing, om nogmaals een herhaling te geven van de door haar reeds vroeger afgelegde belijdenis.
Jeanne: „Ik geloof, dat de Paus te Rome, de bisschoppen en andere geestelijken zijn aangesteld om het Christelijk geloof te bewaken, en om hen te straffen, die daarin tekort schieten, maar wat mij betreft, mijne daden zal ik slechts onderwerpen aan het oordeel van de Hemelsche Kerk, d.w.z. aan God, aan de Maagd Maria, en aan de Heiligen in het Paradijs. Ik geloof vast niet in mijn geloof tekort gekomen te zijn, en voor niets ter wereld zou ik daarin willen tekort komen.”
Hier breekt het Latijnsche rapport af; het Fransche heeft nog de woorden: „en ik verzoek....”
Volgens de verklaring van één der assessoren, genaamd La Pierre, volgde hier een beroep op het Concilie van Bazel, waarvan deze zelfde dominicaner haar de beteekenis had duidelijk gemaakt. Maar Cauchon viel haar woedend in de rede met een kort en bondig: „Zwijg voor den duivel” en verbood den notaris dit beroep in het proces-verbaal op te nemen. Jeanne van haar kant verweet hem toen, zeer terecht, dat men opschreef wat tegen haar was, maar niet hetgeen ten haren gunste getuigde.
In een speciaal verhoor in haar kerker, ondervraagt Cauchon haar den 31en Maart nog eenmaal uitvoerig over haar onderwerping aan de strijdende Kerk. De zes vertegenwoordigers van de Parijsche Universiteit wonen dit verhoor bij als eenige getuigen.
Maar Jeanne is niet van haar stuk te brengen. Haar geloof en haar vertrouwen staan vast. Alles wat zij gedaan, gezegd en geantwoord heeft betreffende hare visioenen en openbaringen, heeft zij gedaan en gezegd uit naam van God. Voor niets ter wereld zou zij iets anders verklaren. Wanneer de strijdende Kerk hare visioenen en openbaringen uitmaakt voor hersenschimmen uit den Booze zal zij zich slechts beroepen en verlaten op God alleen. O zeker, zij gelooft wel dat ook zij onderworpen is aan de strijdende Kerk, maar.... God moet eerst gediend zijn.
Jeanne: „Mijne antwoorden zijn geen eigen verzinsels; maar zij zijn mij ingegeven door mijne stemmen. Mijne stemmen hebben mij bevolen niet ongehoorzaam te worden aan de Kerk, maar.... God moet eerst gediend zijn.” Kan het duidelijker, kan het zuiverder, kan het waarachtig godsdienstiger?
Uit de zeventig artikelen, opgemaakt door d'Estivet, besluit men nogmaals een uittreksel te maken. Nicolas Midy wordt met de redactie van dit nieuwe uittreksel belast. Hij vervaardigt de om hunne onjuistheid en valschheid zoo beruchte twaalf artikelen.
In het kort bevatten deze twaalf artikelen natuurlijk de voornaamste beschuldigingen tegen Jeanne, maar de feiten zijn dikwijls scheef voorgesteld, hare antwoorden zijn dikwijls verkeerd weergegeven en wat zeker wel het verfoeilijkst is: de twaalf artikelen waarop de verdere beraadslagingen en ook het eindvonnis gebaseerd zijn geweest, werden Jeanne nooit voorgelezen.
De sprong te Beaurevoir wordt voorgesteld als een poging tot zelfmoord, terwijl bij het verhoor juist gebleken was dat van zelfmoord geen sprake was.
Op insinueerenden toon wordt haar verweten, dat zij zich op hare tochten nooit onder de hoede stelde van een vrouw. Maar de verklaring van Jeanne hoe zij voor haar kuischheid wist te waken wordt verzwegen; van het rapport van de deskundigen, waaronder de hertogin van Bedford, die haar onderzocht en maagd bevonden hadden, wordt geen melding gemaakt.
In hun domheid maken zij zelfs Jeanne er een verwijt van, dat zij verklaard heeft, dat hare stemmen geen engelsch spreken, omdat zij op de hand der Franschen zijn. Wanneer hare Heiligen geen Fransch tot haar gesproken hadden, hoe had Jeanne ze dan kunnen verstaan, en hoe had het arme kind, dat zelf geen enkele vreemde taal kende, moeten constateeren of het Engelsch of iets anders was?
In een bijeenkomst op den 13en April worden de twaalf artikelen besproken, elke rechter zegt afzonderlijk zijn meening. De meesten zijn zeer hard en streng in hun oordeel. Enkelen slechts, n.l. Jean Alespée, Jean Basset en Raoul Sauvaige zijn Jeanne wat beter gezind en durven zelfs iets mompelen omtrent een beroep op het Concilie van Bazel.
Maar Jeanne is ziek, ernstig ziek: men vreest voor haar leven. Is het wonder dat na alles wat zij in de laatste weken naar lichaam en naar ziel heeft moeten verdragen, hare krachten haar begeven?
Opgesloten in een ellendigen kerker met boeien aan handen en voeten; dag en nacht bewaakt door ruwe, laaghartige soldaten die haar bespotten, tergen en beleedigen en daar tusschen door uren lang afgebeuld door moeilijke en pijnlijke verhooren. Wie zou daar tegen bestand zijn? O, ware het de rampzalige gegeven geweest, toen rustig heen te gaan, haar verlossing tegemoet, welk eene ellende, welk eene vernedering zou haar bespaard zijn gebleven.
Haar lichaam is afgetobd en krank, maar haar geest blijft onveranderlijk helder.
Hare beulen laten haar ook nu niet met vree. Tot in haar kerker en op haar leger vervolgen zij haar, steeds met dezelfde grieven, steeds met dezelfde verwijten. Maar niets kan haar rots-vaste geloof doen wankelen, ook nu niet, nu mogelijk haar einde nadert. Wat er ook moge gebeuren, zij zal niet anders kunnen verklaren, dan wat zij reeds in het proces gezegd heeft. Nog heeft zij haar vertrouwen in de menschen, ja zelfs in hare vijanden, niet geheel verloren. Zij rekent er vast op dat, zoo zij mocht sterven in de gevangenis, men haar zal begraven in gewijde aarde. Doet men dit niet, dan verlaat zij zich ook hierin op God.
Jeanne: „Ik ben een goede christin, ik ben gedoopt, ik zal als goede christin sterven”.
Dit bezoek had plaats den 18en April. Den 2en Mei is Jeanne hersteld.
Hare stemmen hebben haar in dien tusschentijd weer moed ingesproken. Zelfs de Aartsengel Gabriël is haar verschenen en heeft haar geraden zich in alles op den Heer te verlaten, Hij zal haar helpen. Met nieuwen moed bezield verschijnt zij voor hare drie en zestig rechters.
Het eerst wordt zij toegesproken door Jean de Chatillon. Hij vangt aan met een ernstige vermaning, maar op bijna minzamen toon uitgesproken, en wijst haar op hare fouten, maar zijn toespraak eindigt met bedreigingen met dood en brandstapel. Op dienzelfden toon spreken nog enkele andere rechters haar toe.
Voor het eerst wijst men haar in het openbaar op de noodlottige, doch onvermijdelijke gevolgen van haar dwaling.
Wil zij zich dan niet onderwerpen aan het Heilig Concilie, of aan den Heiligen Vader, den Paus?
Haar antwoord is kort:
„Breng mij voor hem, ik zal hem antwoorden!”
Dan biedt men Jeanne aan wat zij voor den aanvang van het proces verlangd heeft: bijstand van priesters van haar eigen partij. Wat zouden die thans nog voor haar kunnen doen?
„Geef mij een bode”, antwoordt zij op dit aanbod, „en ik zal hem schrijven wat ik denk over het geheele proces, zooals gij het gevoerd hebt.”
Nog één hamerslag, steeds op het zelfde aanbeeld, maar daarin klinkt een zekere wanhoop en vertwijfeling van de zijde van hare rechters.
„Zeg ons dan een reden, een enkele slechts, waarom gij weigert U op de Kerk te verlaten.”
Maar Jeanne zwijgt. Men wil niet hooren, men wil haar niet begrijpen. Zij heeft niets meer toe te voegen aan de reeds zoo herhaaldelijk door haar afgelegde verklaringen: men weet het toch, zij kan niet anders.
Nog is er een middel om Jeanne mogelijk tot spreken te dwingen en haar misschien tot andere gedachten te brengen: de pijnbank.
Den negenden Mei brengt men Jeanne in het vertrek, waar zich de pijnbank en de folterwerktuigen bevinden. Men toont haar de werktuigen en de scherprechters, die gereed staan hun werk te beginnen. Dan leest men haar voor de artikelen, waarop zij tot nu toe geweigerd heeft te antwoorden. Maar Jeanne laat zich niet bang maken, zij zwicht niet, zelfs niet voor het dreigement met de pijnbank. Zij blijft bij hetgeen zij tot nu toe gezegd heeft en als zij op de pijnbank iets anders verklaarde, zou zij toch altijd later zeggen, dat men haar er toe gedwongen had.
Onder deze omstandigheden acht Cauchon het voorloopig nutteloos om tot een foltering over te gaan.
In een bijeenkomst te zijnen huize wordt de zaak nog besproken. De meeningen loopen uiteen. Enkelen vreezen dat het vergeefsche moeite zal zijn, daar zij veronderstellen, dat Jeanne van den duivel de gave der stilzwijgendheid heeft ontvangen. Anderen achten haar te verstokt en de gunst van een foltering onwaardig: het zijn degenen wier oordeel reeds gevestigd is. Nicolas Loiseleur was een van degenen, die van een foltering „als medicijn voor haar ziel” wel eenig heil verwachtte en dus voor de pijnbank stemde. De meerderheid is van oordeel dat voor het oogenblik geen reden bestaat om tot de foltering over te gaan: aldus wordt besloten en de pijnbank is het eenige wat Jeanne bespaard is gebleven.
Daarna vertrekken de zes afgevaardigden van de Sorbonne naar Parijs, gewapend met de Twaalf Artikelen. Dadelijk na hun aankomst komen de geleerde heeren bijeen om te overleggen. Eerst vergadert elke faculteit apart, daarna vereenigen zij zich in een algemeene vergadering, waarin het onderzoek van de zaak wordt verwezen naar de theologische faculteit en de faculteit voor Kerkelijk Recht.
Na veertien dagen zijn de beide faculteiten met hun onderzoek gereed, en deelen in een nieuwe algemeene vergadering van de Universiteit hunne conclusies mede. Het resultaat is, zooals te verwachten was, voor Jeanne vernietigend. Men noemt haar verraderlijk, trouweloos, wreed, bloeddorstig, afvallig, leugenachtig. Uitgemaakt wordt doodeenvoudig dat hare Heiligen, booze geesten waren en wel Bélial, Satan en Béhémot. De eer van deze uitvinding komt toe aan de Theologische Faculteit, terwijl daarentegen de faculteit voor Kerkelijk Recht er zich weer op mag beroemen o.a. te hebben uitgemaakt in art. 3 van haar rapport, dat Jeanne een afvallige was, „omdat zij zich met verkeerde oogmerken het haar had laten afknippen, dat God haar gegeven had, om haar hoofd te bedekken”. Beide faculteiten zijn eenstemmig van oordeel dat Jeanne behoort te worden overgeleverd aan het wereldlijk gezag, en overeenkomstig hare misdrijven behoort gestraft te worden. De algemeene vergadering neemt het advies van de commissie van onderzoek over en maakt het tot het hare.
Het resultaat van de beraadslagingen wordt naar Rouaan verzonden met een ellenlang begeleidend schrijven aan den bisschop Cauchon, waarin deze hemelhoog wordt geprezen om zijn zeer bijzondere christelijke liefde en de uitnemende, krachtige wijze waarop hij het proces voert tegen die vrouw, die men Maagd noemt, doch wier gift zich ver verspreid heeft en de christelijke kudde in bijna het geheele Westen heeft besmet en verpest.
Zoodra de uitspraak van de Sorbonne in Rouaan is overgebracht, komen Jeanne's rechters in completen getale bijeen. Het oordeel van de Universiteit maakt hun de zaak veel gemakkelijker, neemt hun een groot deel van de verantwoordelijkheid van de schouders: zij sluiten zich gaarne bij dat oordeel aan.
Den 23en Mei wordt het resultaat van de beraadslagingen van de Parijsche Sorbonne aan Jeanne voorgelezen door den jongste der zes afgevaardigden: Pierre Maurice. Hij spreekt haar daarna toe in een lange redevoering, maar zijn toon is kalm vermanend, bijna vertrouwelijk. Hij vergelijkt haar ongehoorzaamheid aan de geestelijken, dat is aan de officieren van Christus, bij de ongehoorzaamheid van een ridder aan de bevelen van den koning en diens officieren. Hij tracht op haar gevoel te werken. Aan het eind van zijn rede genaderd vraagt hij aan Jeanne, die hem kalm en aandachtig heeft aangehoord, of zij niet tot inkeer wil komen en hare daden en gezegden wil onderwerpen aan het oordeel van de strijdende Kerk. Doch geen menschelijke welsprekendheid is bij machte haar te doen wankelen. Zij belijdt voor de zooveelste maal:
Jeanne: „Wat ik gezegd en volgehouden heb in het proces, handhaaf ik ook thans nog. Wanneer ik veroordeeld was en ik zag den beul gereed om het vuur aan te steken, ik zag de takkenbossen branden en ik stond midden in het vuur, dan nog zou ik niets anders zeggen, en wat ik verklaard heb in het proces, zou ik volhouden tot aan den dood.”
In margine vinden wij bij dit antwoord de ongevraagde opmerking van den griffier: Responsio Johannae superba.
Dan sluit Cauchon de beraadslagingen en bepaalt de uitspraak van het vonnis op den volgenden dag.
Nog enkele uren dus en het onherroepelijke woord, dat Jeanne vonnist, zal gesproken worden. Nog is het niet te laat, nog is er redding mogelijk.
Ik sprak soms op bitteren toon over Jeanne's rechters en noemde ze hare beulen. Ik neem hiervan niets terug, want, weliswaar leven wij met Jeanne in een tijd van oorlog, maar hare rechters waren Franschen, tenminste verreweg de meesten en bovendien, wat nog bezwarender is, het waren geestelijken.
Maar hoe dan te oordeelen over hare vrienden, over hare bloedverwanten? Zijn zij niet medeplichtig aan haren dood?
Niemand van haar partij heeft een woord gesproken, een vinger uitgestoken om haar te verdedigen of te bevrijden. Onder Jeanne's familieleden waren geestelijken: waarom zijn die dan niet naar Rouaan gegaan om te getuigen, waarom hebben die van hun kant de hulp van den Paus niet ingeroepen? De geestelijken, doctoren en advocaten, die door de Engelschen en Bourgondiërs uit Parijs verjaagd waren, waarom hebben die geen van allen geprotesteerd? De Bisschop van Reims, die aan Jeanne zooveel te danken had, waarom is hij niet tusschenbeide gekomen door gebruik te maken van zijn recht om Cauchon, zijn wij-bisschop, tot de orde te roepen? De raadslieden van Karel VII, de priesters uit de naaste omgeving van den koning, de doctoren te Poitiers die Jeanne ondervraagd hadden, waarom hebben ze allen een misdadig stilzwijgen bewaard?
En dan eindelijk de koning zelf; waarom doet Karel VII geen beroep bij den Paus, waarom brengt hij de bisschoppen en andere geestelijken, die hem trouw zijn gebleven, niet in actie, waarom doet hij geen enkele poging om Jeanne met geweld van wapenen te bevrijden? Is hij alles vergeten wat Jeanne voor hem gedaan heeft, wil hij het zich niet bekennen dat het de bezieling is geweest, die van haar uitging, die zijn eigen troepen nieuwe moed heeft gegeven, dat haar verschijning, haar naam soms voldoende was om verwarring te brengen onder de vijanden? Weet hij niet meer, dat het Jeanne is geweest die hem naar Reims gebracht heeft? Was zij niet zijn „porte-bonheur?” Waarom waagt hij dan, al was het slechts uit welbegrepen eigenbelang, geen poging haar te redden?
Ik voor mij geloof, dat op al deze vragen één en hetzelfde antwoord kan gegeven worden. Wij behoeven niet te zoeken op politiek gebied, naar geheime beweegredenen, ook is het niet noodzakelijk een fijnere détailstudie van het karakter van Karel VII te maken. Ik ben overtuigd, dat wij den vinger op de wonde plek leggen indien wij zeggen: zij durfden niet.
Van het oogenblik af, dat uitgemaakt was, dat Jeanne terecht zou staan voor een geestelijke rechtbank, durft niemand meer een mond open doen of een vinger verroeren. Zelfs de collega's en gelijken van Cauchon zijn daarmede ontwapend.
Voor hen, evengoed als voor de lagere geestelijken, en zelfs voor den koning is het buitengewoon gevaarlijk zich te mengen in een geestelijk proces, of in de zaken van de Inquisitie.
De Kerk zal spreken, en dan heeft elk geloovige te zwijgen op gevaar van zelf in botsing met de Inquisitie te komen.
Hierin schuilt m. i. het geheele geheim waarom enkele van de rechters zich laten dwingen de verhooren bij te wonen, waarom niemand van hare vrienden, waarom de koning, ja zelfs haar eigen broeders, die aan haar zijde hadden gestreden, in het proces te Rouaan geen partij durven kiezen voor de arme beklaagde, en op een afstand zullen moeten aanzien dat Jeanne beleedigd, mishandeld en eindelijk ter dood gebracht wordt.
Jeanne toont ook hier haar waarachtige grootheid. Zij beschouwt ook dezen tegenslag, deze ellende als een gevolg van Gods wil: zij berust. Geen verwijt over de ontrouw of de lafhartigheid van hare vroegere vrienden komt over hare lippen; integendeel, zij blijft ze steeds een goed hart toedragen en verdedigen: haar liefde en bewondering voor den koning behoudt zij tot het einde toe.
In den morgen van den 24en Mei bezoekt Jean Beaupère Jeanne in haar kerker, ook ontmoet ze Nicolas Loiseleur nog. Beiden trachten haar nog te overreden zich te onderwerpen aan de Kerk en Loiseleur doet haar zelfs valsche beloften en valsche voorspiegelingen. Wij behoeven niet alle beschuldigingen te gelooven, die in het tweede proces tegen Nicolas Loiseleur zijn uitgesproken, maar vast staat het wel, dat deze kanunnik de Judasrol tegenover Jeanne heeft gespeeld.
Onder voorwendsel een gevangene van haar partij te zijn, heeft hij haar vertrouwen weten te winnen en haar zelfs de biecht afgenomen, terwijl hij wist, dat zijne gesprekken met Jeanne in het belendende vertrek werden afgeluisterd en opgeteekend. Ook nu bij de zoogenaamde afzwering staat Loiseleur aan haar zijde en zal het gedeeltelijk op zijn aandringen zijn, dat Jeanne het perkament teekent, dat men haar voorhoudt.
Evenals Judas zou ook hij zijn ure van wroeging en berouw gehad hebben, waarin hij handenwringend en in wanhoop Jeanne volgde en om vergeving smeekte op haar laatsten tocht naar de Oude Markt. Men brengt Jeanne nu in een open kar onder gewapend geleide naar het ruime kerkhof van den abdij van Saint Ouen, waar zij nogmaals plechtig en in het openbaar zal worden toegesproken en waar de scène van de zoogenaamde afzwering zal plaats hebben.
Op dit kerkhof heeft men voor deze gelegenheid een groote tribune gebouwd tegen het schip van de kerk. Daarop hebben plaats genomen Pierre Cauchon, Bisschop van Beauvais, Jean Lemaître, Vicaris van den inquisiteur, de Kardinaal van Winchester, verder alle hooge en lagere geestelijken, die aan het proces hebben deel genomen, en verscheidene hooggeplaatste Engelsche heeren. Rondom het kerkhof verdringt zich een dichte menigte, die door Engelsche soldaten op een eerbiedigen afstand wordt gehouden.
Op een kleine verhevenheid tegenover de groote tribune bevindt zich meester Guilleaume Erard. Zeer tegen zijn zin heeft men hem aangewezen om Jeanne in deze plechtige bijeenkomst toe te spreken, zooals het gebruik van de Heilige Inquisitie dat meebracht.
Dan brengt men Jeanne in den kring: zij draagt manskleeren, en hoewel zichtbaar onder den indruk, eenigszins beduust door de openlucht en het volle zonlicht treedt zij kalm en vastberaden voorwaarts. Men plaatst haar op de verhevenheid naast Guilleaume Erard, en zoodra men stilte heeft verkregen onder de talrijke aanwezigen, neemt deze het woord.
Hij heeft zich als tekst voor zijn toespraak gekozen het woord uit het Evangelie naar Johannes, hoofdstuk XV: „De rank kan geen vrucht dragen van haar zelven, zoo zij niet in den wijnstok blijft.” „Zoo moeten dan ook alle katholieken in den wijnstok blijven van onze Heilige Moederkerk, die de hand van onzen Heere Jezus Christus heeft geplant.”
In den loop van zijn heftige toespraak herhaalt hij, de verschillende punten van beschuldiging tegen Jeanne, en zet die nader uiteen. Op haar is zeer zeker van toepassing het woord van dezen tekst: Zij heeft de Moederkerk verlaten, is van de eene dwaling in de andere, van de eene misdaad in de andere vervallen, en heeft op duizenderlei wijze het christelijke volk geërgerd. Nooit te voren was er een grooter monster dan Jeanne in Frankrijk.
De arme Jeanne hoorde dit schelden en schimpen rustig aan: zij was er in de laatste maanden reeds aan gewoon geraakt.
Maar zoodra hoort zij niet den naam des konings noemen, of zij richt zich op, luistert met dubbele aandacht, en al de oude strijdlust wordt weer in haar wakker. Waarschijnlijk om de aanwezige Engelschen in het gevlei te komen valt Guilleaume Erard Karel VII heftig aan. Dan richt hij zich uitdrukkelijk tot Jeanne met de woorden:
„Jeanne ik spreek tot U en ik zeg U dat Uw koning is een ketter en een afvallige.”
Dat is te veel voor de arme Jeanne. Die woorden krenken haar in het diepst van haar ziel. Een groote ontroering maakt zich van haar meester, hare Heiligen verschijnen haar, zij hoort hare stemmen. Zij raden haar:
„Antwoord hem flinkweg, dien prediker die U toespreekt.”
En oogenblikkelijk stuift zij op en valt Guilleaume Erard in de rede:
Jeanne: „Voorwaar, Messire, met allen eerbied, ik durf te verklaren en zweren op straffe des doods, dat hij de edelste Christen van alle Christenen is, die het geloof en de Kerk het meest liefheeft; en hij is niet zooals gij zegt”.
Erard, vertoornd over deze onderbreking, laat Jeanne door den deurwaarder tot zwijgen brengen. Hij is het einde van zijn preek genaderd en komt nog eenmaal op het oude thema terug: wil zij hare woorden en daden onderwerpen aan het oordeel van de Kerk.
Maar wat zij gedaan heeft, deed zij uit naam van God, niemand heeft daar schuld aan, noch de koning, noch iemand anders. Dan doet zij een officieel beroep op den Paus. Het laffe antwoord van de rechters, dat de Paus te ver weg is, en men hem niet kan gaan halen, slaat haar niet uit het veld. Laat men haar dan naar den Paus brengen en laat die haar dan ondervragen. Zij wil niet, dat men een uittreksel uit het proces-verbaal van dit proces, ter beoordeeling van den Paus, naar Rome zendt, daar heeft zij geen vertrouwen in, men kan daarin zetten wat men wil. Neen, zelf en in persoon wil zij zich tegenover den Heiligen Vader verantwoorden.
Op eene laatste vermaning komt hetzelfde antwoord: zij herroept niets van hetgeen zij heeft verklaard.
Hiermede is de zaak beslist.
Het woord is thans aan Cauchon. Van de twee vonnissen, die hij bij zich heeft, één voor het geval Jeanne ter elfder ure tot inkeer zou komen, het andere voor het geval zij in hare dwaling bleef volharden, heeft hij het laatste te voorschijn gehaald. Hij is opgestaan en leest het vonnis.
Het bestaat uit een lange reeks van beschuldigingen, waarvan wij de meesten reeds kennen. De rechters hebben „met Christus en de eer van het orthodoxe geloof voor oogen” Jeanne schuldig bevonden aan: leugen, aan de uitvinding van zoogenaamde goddelijke verschijningen en openbaringen, aan betoovering, bijgeloof, waarzeggerij, Godslastering, verachting van God zelf in zijne Heilige sacramenten, enz. enz.
Cauchon leest langzaam verder en onderwijl dringen er nog enkele rechters, waaronder Guilleaume Erard en Loiseleur, bij Jeanne op aan, dat zij zal afzweren. Nog is het tijd, houden zij haar voor.
„Onderwerp je aan de kerk”, zegt Erard, die persoonlijk gaarne zou zien dat de afzwering van Jeanne kon worden aangemerkt als de vrucht van zijn toespraak. „Beloof dat je weer vrouwenkleeren zult aantrekken”, dringt Loiseleur aan, en beiden dreigen ze met den brandstapel. Erard heeft eene verklaring van afzwering gereed en houdt die Jeanne voor.
Dan geeft Jeanne een teeken en Cauchon onderbreekt oogenblikkelijk de voorlezing van het vonnis.
Een volkomen juist en getrouw beeld geven van hetgeen nu gebeurt is niet geheel mogelijk: er blijft vooralsnog één duister punt.
Vast staat dat zoodra Cauchon zwijgt er eenige verwarring ontstaat onder de Engelsche soldaten en zelfs eenig rumoer onder de Engelsche heeren op de tribune. Zij begrijpen niet geheel wat er gebeurt, maar zij vreezen verraad en zijn bang dat Jeanne hun ontsnapt. Warwick bijt Cauchon toe: „De zaken van den koning gaan slecht, die vrouw zal ons nog ontglippen.”
Cauchon tracht hem gerust te stellen en mompelt: „Wees maar niet bang, wij zullen haar wel weer vangen.”
Maar ook andere Engelschen maken het hem lastig en beschuldigen hem zelfs openlijk van verraad. Dan stuift Cauchon op, dat laat hij zich niet zeggen. Hij is beleedigd, hij wil niet verder procedeeren voor men hem voldoening gegeven heeft. Is hij als rechter in geloofszaken niet verplicht eerder het heil van die vrouw te zoeken dan haar dood? zoo huichelt hij. Warwick brengt de andere heeren tot kalmte. Cauchon's verklaring „wij zullen haar wel weer vangen” heeft hem voldoende gerustgesteld, dat de zaak bij dezen rechter nog steeds in goede handen is.
Op de kleine verhooging midden in den kring is al even veel verwarring als op de groote tribune. Van alle kanten bestormt men Jeanne, dat zij de verklaring van Erard zal teekenen. Uit de menigte, die voor een deel bestaat uit Franschen, die haar sympathiek zijn, roept men haar toe, dat zij moet doen, wat men haar aanraadt en zoodoende haar leven moet redden. Jeanne wil nog een uitstel om de zaak te overwegen en om hare stemmen te raadplegen. Zij vraagt aan Jean Massieu wat zij doen moet. Maar men wil ditmaal van geen uitstel weten en ook Jean Massieu dringt er op aan, dat zij teekenen zal, en wel nu dadelijk nu het nog tijd is.
Jeanne geeft toe; tenminste afgaande op de voorspiegelingen en beloften die men haar doet, teekent zij een stuk, dat men haar voorhoudt, en waarvan men haar in de verwarring met enkele woorden den inhoud heeft medegedeeld.
Maar wat heeft men haar beloofd, wat heeft er in het stuk gestaan, dat Jeanne teekende en eindelijk, hoe heeft zij geteekend? Zie hier het duistere punt, waarop ik zooeven zinspeelde. Zeker heeft men haar beloofd, dat wanneer zij teekende, zij voortaan zou behandeld worden als een gevangene van de Kerk en dus onder toezicht zou komen van vrouwen in plaats van Engelsche soldaten. Dit blijkt overtuigend uit hetgeen Jeanne zegt aan het einde van deze plechtigheid. Maar welk stuk heeft zij geteekend en hoe? De verklaring van afzwering, die zich in het dossier bevindt, draagt geen handteekening, doch een kruisje. Nu is het nagenoeg zeker, dat Jeanne in die dagen het zoover gebracht had, dat zij ten minste haar handteekening kon plaatsen. In dat geval is een stuk met een kruisje geteekend niet geldig.
Wat verder den inhoud van het stuk betreft hebben wij in de eerste plaats de verklaring door Jeanne zelf twee dagen later gegeven, dat zij begrepen had, dat het er om ging dat zij van kleeding zou veranderen en bovendien de zeer bezwarende verklaring door Jean Massieu in het proces van rehabilitatie afgelegd en door nog verscheidene andere getuigen bevestigd, dat het lange latijnsche stuk, dat zich in het dossier bevindt, een geheel ander is als de korte Fransche verklaring, die Massieu aan Jeanne heeft voorgelezen en die zij onderteekend heeft. Maar bovendien, heeft zij Erard, op zijn krachtig aandringen niet kalm toegevoegd: „U geeft U werkelijk te veel moeite om mij te verleiden”.
En was Jeanne niet gedurende de geheele plechtigheid volkomen rustig? Stond zij niet, tot groote verontwaardiging van hare Engelsche vijanden, glimlachend te midden van de priesters die haar tot teekenen trachtten te bewegen? Zou zij dan glimlachend de overtuiging en het geloof, waarvoor zij reeds zooveel geleden had, en die zij zoo dapper al die weken, in een strijd op leven en dood, verdedigd had, prijs gegeven hebben?
Neen, driewerf neen! Men heeft haar misleid, er heeft vervalsching of verwisseling van de processtukken plaats gehad, maar Jeanne heeft niet afgezworen.
Als Cauchon eindelijk weer het woord neemt is het thans om het andere, het minder strenge vonnis voor te lezen, waarbij Jeanne veroordeeld wordt tot levenslange gevangenisstraf, op water en brood, of zooals het in de latijnsche vertaling van het vonnis luidt: „in perpetuum carcerem, cum pane doloris et aqua tristitiae”, om hare zonden en fouten te beweenen.
Daarna is de plechtigheid afgeloopen. Jeanne verwacht nu, dat men de zooeven afgelegde belofte zal nakomen en zegt tot hare rechters:
„Welnu dan, heeren geestelijken, brengt mij in Uwe gevangenissen, en levert mij niet meer over in handen van die Engelschen!”
Men had haar schandelijk bedrogen. Trouwens wat Jeanne vroeg, omdat men het haar beloofd had, was niet mogelijk, want met de Engelschen was uitdrukkelijk overeengekomen, dat Jeanne hun na het proces weer zou worden uitgeleverd.
Het laatste woord is aan hem, die Warwick toegefluisterd heeft: „Wees maar niet bang wij zullen haar wel weer vangen.”
Als eenig antwoord op haar bede, geeft Cauchon aan de bewakers van Jeanne het korte, doch voor haar vernietigende bevel:
„Brengt haar daar waar gij haar vandaan gehaald hebt.”
Zoodra Jeanne weer terug is in haar ouden kerker en men haar opnieuw in ketenen heeft vastgeklonken, wordt zij herinnerd aan de belofte om van costuum te veranderen. Zij is daartoe thans bereid, en trekt een japon aan, die de hertogin van Bedford voor haar heeft laten maken. Evenals Aimond de Macy op het kasteel Beaurevoir, veroorlooft de kleermaker, die Jeanne de japon brengt en haar behulpzaam is bij het aantrekken ervan, zich een vrijmoedigheid, die Jeanne zoo boos maakt, dat zij hem een fermen oorvijg geeft. Het haar van Jeanne, dat zij droeg als de krijgslieden van dien tijd, wordt afgeknipt.
Zoo laat men dit negentienjarige meisje, thans weer als vrouw gekleed, dag en nacht bewaken door Engelsche soldaten, d. w. z. door halve bandieten, halve beesten. Wij herhalen het, dit is mogelijk wel de wreedste en meest verfijnde marteling die men dit arme schepseltje heeft laten ondergaan. Wel was Jeanne moedig en zou zij zich, zoo goed haar ketenen dit toelieten, tegen aanrandingen hebben weten te verdedigen, maar de hoon, de spot, de beleedigingen, de ruwe dronkemanstaal van hare bewakers, die in hare tegenwoordigheid zaten te dobbelen en te drinken, heeft zij moeten verduren en aanhooren. Onbeschrijfelijk moet zij daaronder geleden hebben; toch houdt zij den strijd nog twee dagen vol, dan legt zij haren japon af, steekt zich opnieuw in manskleeren, en breekt hiermede de door haar afgelegde belofte.
Dit geschiedt in den morgen van den 27en Mei, op den Zondag van de Heilige Drievuldigheid. Als wij de verklaring van den deurwaarder Maître Jean Massieu in het proces van rehabilitatie moeten gelooven, is het niet vrijwillig dat Jeanne hare belofte gebroken heeft, maar heeft men er haar bepaald met geweld toe gedwongen, door in den nacht van den 26en op den 27en Mei, terwijl zij sliep, hare vrouwenkleeren te verbergen en het mans-costuum voor haar gereed te leggen. Zij moet zelfs aanvankelijk geweigerd hebben het verboden costuum weer aan te trekken, er op wijzende, dat dit in strijd zou zijn met hare belofte, maar ten slotte was zij wel genoodzaakt toe te geven, aangezien zij voor een zuiver menschelijke behoefte het bed en zelfs een oogenblik haar kerker moest verlaten. („Intendens ventrem purgare”).
In de getuigen-verklaringen van het proces van rehabilitatie komen evenwel meerdere dergelijke verhalen voor van schandelijk bedrog, van ten hemel schreiend verraad. Wij aanvaarden ze met de noodige voorzichtigheid en wij hebben ze trouwens niet noodig. De geschiedenis zooals wij haar kennen uit de feiten die onomstootelijk vaststaan, is reeds verschrikkelijk en tragisch genoeg.
Het bericht van Jeanne's weder-afvalligheid ging als een loopend vuur door de stad. Oogenblikkelijk zetten hare rechters en vijanden zich in beweging. De door Cauchon verwachte gelegenheid om haar weder te vangen, biedt zich aan. Jeanne is verloren.
Den volgenden morgen begeeft Cauchon zich met verscheidene andere rechters naar het kasteel waar Jeanne gevangen zit. Onderweg worden zij bespot en uitgejouwd door een troep Engelsche soldaten. De griffier van het proces wordt ontboden. Men vindt Jeanne in manskleeren, maar zij is diep terneer geslagen, afgetobd en in tranen.
Als men haar naar de reden vraagt antwoordt zij, dat het haar, nu zij onder mannen verkeert, behoorlijker voorkomt, dat zij ook manskleeren draagt en verder: „Ik heb niet begrepen wat de verklaring van afzwering behelsde. Ik heb niets willen herroepen, dan wat God verlangde.... Als de heeren er op staan zal ik weer vrouwenkleeren aandoen, maar dan moet men ook volbrengen wat men mij beloofd heeft en mij in een kerkelijke gevangenis brengen. Verder zal ik niets doen”.
In margine teekent de griffier hier weer bij aan: „Responsio mortifera”.
Ondanks den wanhopigen toestand, waarin zij Jeanne aantreffen, hebben Cauchon en de zijnen nog den treurigen moed, haar weer lastig te vallen en te kwellen met de oude, bekende vragen omtrent de kroon in Reims en het geheime teeken te Chinon.
Maar de ongelukkige Jeanne staat ze hierover niet meer te woord. Zij kan niet meer, zij is geestelijk lam geslagen. Dan liever op eenmaal boete gedaan met haar leven, dan langer die eindelooze kwellingen en pijnigingen te doorstaan. Wat geeft het haar of zij blijft strijden, men zal niet rusten, dat voelt zij nu, voor men haar gedood heeft. Nog één verzuchting van de wanhopige: „Ik wil liever sterven”, en dan zwijgt zij.
Den volgenden dag komen de rechters bijeen in het aartsbisschoppelijk paleis. De zaak is nu voor hen heel eenvoudig geworden. Zij zijn het er over eens dat Jeanne zich heeft schuldig gemaakt aan meineed en weder-afvallig is geworden, en aangezien de Kerk de door haar uitgesproken doodvonnissen niet zelf voltrekt, zal de veroordeelde worden overgeleverd aan den wereldlijken rechter.
De broeders Martin Ladvenu en Isambart de la Pierre krijgen de opdracht de veroordeelde te gaan mededeelen, dat zij den volgenden dag zal verbrand worden.
In den vroegen morgen van den 30en komen zij in den kerker van Jeanne. Martin voert het woord. Als hij uitgesproken heeft, barst Jeanne in een wanhopig snikken los. Daar ligt ze nu, het arme, moedige, lieve schepseltje als verpletterd door deze vreeselijke tijding, daar ligt ze nu alleen, door iedereen verlaten in haar ellende. Geen liefderijke hand is er, die zich naar haar uitstrekt, geen woord van troost of medelijden wordt tot haar gesproken. In dit oogenblik van angst en felle smart hoort zij ook hare stemmen niet. Zij jammert en weeklaagt luid. „Haar lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te houden, zal dus verbrand en tot asch verteerd worden”, en voor het leed en onrecht haar aangedaan, beroept zij zich op God, den rechter aller rechters.
Nog verscheidene andere geestelijken en doctoren zijn onder Jeanne's snikken haar kerker binnengekomen en kwellen haar met vragen. Zij beantwoordt de meesten nog geduldig en gedwee, maar dan staat plotseling Cauchon zelf op den drempel. Zij ziet in hem een van de hoofdoorzaken van al haar leed en van haar dood. Zij richt zich op en met haar nog betraande oogen ziet ze hem aan. Nog eenmaal staat ze daar in hare maagdelijke fierheid, in de volle majesteit van hare tengere jeugd en met dezelfde heldere, krachtige stem, waarmee zij op het slagveld hare troepen had aangemoedigd en bezield, dondert zij haar rechter het striemende verwijt tegemoet: „Bisschop, ik sterf door Uw schuld!”
Broeder Martin neemt haar de biecht af. Jeanne is diep geroerd en schreit bitter, als zij daarna voor de laatste maal de heilige Hostie, het lichaam des Heeren ontvangt.
Wat moeten wij toch denken van deze tegenstrijdigheid? Diezelfde Kerk, die een oogenblik te voren de arme Jeanne als ketterin verstooten had en haar had overgeleverd aan den wereldlijken rechter, stemt er thans in toe, dat men haar het Avondmaal toedient en zelfs dat het Sacrament, zooals Ladvenu het uitdrukkelijk verzoekt, haar met alle mogelijke praal en heerlijkheid wordt gebracht, door een gansche stoet van geestelijken en met een menigte gewijde kaarsen. („avec beaucoup de lumière”).
Van de pogingen die men daarna nog eenmaal gewaagd heeft om Jeanne tot nieuwe bekentenissen te brengen, is later een proces-verbaal opgemaakt, dat de griffier, die er bij tegenwoordig was, geweigerd heeft te teekenen.
Eindelijk om negen uur verlaat Jeanne voor goed den kerker en het oude kasteel, waar zij honderd acht en zeventig bange dagen en nachten heeft doorgebracht.
Zij is gekleed in een lange japon en op het hoofd draagt zij een kapje. Met een gewapend escorte van tachtig Engelsche soldaten, voert men het slachtoffer in een wagen naar het oude marktplein van Rouaan. Martin Ladvenu en Massieu vergezellen haar. Zij schreit en bidt, en eenmaal roept zij onderweg in wanhoop uit:
„Rouaan, Rouaan, zal ik hier dan sterven? Zult gij mijn laatste woonplaats zijn?”
Het marktplein is afgezet door Engelsche soldaten, waarachter zich een dichte menigte van nieuwsgierigen verdringt. Aan de eene zijde van het plein, op het kerkhof van de Saint Sauveur heeft men een groote tribune gebouwd, waarop de rechters hebben plaats genomen, daartegenover een kleine verhooging, waarop Jeanne zal worden tentoongesteld en toegesproken, en eindelijk in het midden op een gemetselde verhooging, een stapel takkebossen: de brandstapel. Aan een paal op den brandstapel leest men het volgende opschrift:
„Jeanne, die zich laat noemen la Pucelle, leugenaarster, volksmisleidster, Godslasteraarster, afvallige van het geloof van Jezus Christus, ketterin, enz. enz.” in het geheel zestien beschuldigingen, maar zestien valsche beschuldigingen, zestien leugens.
Ditmaal is het een van de zes afgevaardigden van de Parijsche Universiteit, een dokter in de theologie en wel Nicolas Midy, die de eer geniet de ongelukkige veroordeelde, in hare laatste oogenblikken, te mogen toespreken, en hij doet dit, evenals Beaupère, zijn voorganger, in heftige en beleedigende bewoordingen. Als tekst neemt hij een woord uit den eersten zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs: (XII: 26). „En het zij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede.”
Dit woord van Paulus, op waardige wijze toegepast, zou zeker eenen prediker met een hart, ook in deze omstandigheden, stof en gelegenheid genoeg geboden hebben om Jeanne een oogenblik voor haar dood nog enkele woorden toe te voegen, waaruit althans eenig menschelijk gevoel, ja misschien medelijden sprak. Maar niet aldus deed deze Parijsche godgeleerde. „Het lid dat lijdt” uit den brief van Paulus wordt in zijn mond, het lid dat rot, en dreigt zijn besmetting over te brengen op de andere leden, het lid dat uitgeworpen moet worden uit de eenheid van de Kerk, dat uitgerukt moet worden uit het lichaam, en overgeleverd moet worden aan de wereldlijke macht.
Aldus luidt ook het vonnis dat Cauchon, na het einde van de toespraak van Midy, voorleest. Het eindigt met de geijkte, schijnheilige formule, waarbij hij die zelfde wereldlijke macht verzoekt zich in haar oordeel over het arme slachtoffer te matigen. („Rogando eam ut cum ea velit mite agere, citra mortem et membrorum mutilationem”). Bij de beraadslagingen over de sententie hadden twee geestelijken toch nog den treurigen moed gehad te verklaren, dat naar hun oordeel in het onderhavige geval deze „supplication misèricordieuse” wel achterwege kon blijven.
Als Jeanne het vonnis vernomen heeft barst zij in tranen en snikken uit; met gevouwen handen zinkt zij op hare knieën en bidt tot God. Zij roept Maria aan en de Heiligen in het Paradijs. In hartroerende woorden smeekt zij allen, die zij eenig leed mocht berokkend hebben, ja zelfs haren rechters en den Engelschen om vergeving. Geruimen tijd blijft zij zoo in wanhoop liggen. Waar wacht men op? De geestelijke rechters hebben hun rol afgespeeld en gaan heen. Velen van hen zijn diep geroerd en ook Cauchon verdwijnt met tranen in de oogen. De Engelsche soldaten, die ongeduldig worden, roepen hem nog toe: „Zeg eens, priester, zullen we hier nog moeten blijven eten?”
Jehan Salvaing, de wereldlijke rechter in wiens handen Jeanne nu is overgeleverd, had haar naar het raadhuis behooren te brengen, om haar het vonnis voor te lezen. In de haast worden deze formaliteiten overgeslagen. Men verlangt naar het einde van het drama, dat velen reeds te lang geduurd heeft. Op een teeken van den schout, pakken zijne dienaren Jeanne beet en voeren haar in den wagen, die haar gebracht heeft, naar den brandstapel.
Men heeft haar het kapje van het hoofd genomen en haar een mijter opgezet met het opschrift: „Ketterin, Afvallige, Afgodendienares.” Tegen deze beschuldigingen waagt Jeanne nog een laatst protest.
Zoo geeft men haar over aan den beul en zijne knechts. De deurwaarder Massieu en twee jonge geestelijken, de broeders Isambard de la Pierre en Martin Ladvenu (laten wij hunne namen goed onthouden), die allen diep geroerd zijn, vergezellen haar tot den brandstapel. Voor zij dien bestijgt roept zij nog: „Oh, Rouaan, ik vrees wel, dat gij door mijn dood zult moeten lijden.”
Als eenmaal de beul, vermoedelijk genaamd Geoffroy Thérage, zijn moordend werk begonnen is, en de takkenbossen in brand gestoken heeft, vraagt Jeanne een kruis. Een Engelsche soldaat maakt er een van twee stokjes en geeft het haar. Zij kust het en drukt het vast tegen zich aan. Op haar verzoek laat broeder Isambard nog een groot kruis halen uit de Saint-Sauveurkerk. Ook dit omhelst ze nog onder een hevig snikken.
Deze trouwe broeder Isambard blijft haar bijstaan tot het einde toe. Staande op een der takkenbossen van den brandstapel houdt hij, op haar uitdrukkelijk verzoek, haar steeds het groote kruis voor oogen, hoort haar aan en spreekt haar toe, en eindelijk als het vuur zich verspreidt en de vlammen hem kunnen bereiken, is het op verzoek van Jeanne, dat hij eenige schreden terug gaat. Ook in deze oogenblikken dus heeft zij nog oog voor het gevaar, dat een ander bedreigt en is zij vervuld van teedere zorg.
Te midden van een zee van hoog oplaaiende vlammen en van een schier verstikkenden rook verklaart zij nog eenmaal met heldere, luide stem, dat zij geen ketterin, geen afvallige is,.... dat alles wat zij gedaan heeft haar door God bevolen was,.... dat hare stemmen haar niet bedrogen hebben.
En eindelijk eenige oogenblikken later in den barnenden gloed roept Jeanne luid: „Jezus!”.... buigt het hoofd, en.... geeft den geest.
Als Jeanne gestorven is, dooft men op bevel van den hoofdschout het vuur: men wil zekerheid hebben, dat zij niet met behulp van den duivel ontsnapt is. Doch men vindt hare overblijfselen: de overlevering zegt zelfs dat het hart niet door het vuur verteerd was. Haar asch wordt verzameld en in de Seine geworpen.
Zoo verliet dan Jeanne een wereld waarvoor zij te groot en te goed was. Zoo bleef zij tot het einde getrouw aan hare roeping als bode des Hemels, als reddende Engel van Frankrijk, en ging zij heen als Martelares voor de goede zaak, die zij gediend had.

Jeanne d' Arc op den brandstapel. Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.
Is het wonder dat velen, die getuige waren geweest van haar lijden en sterven, het angstig gevoel hadden een Heilige verbrand te hebben? Hoor de verzuchting van Jean Alespée den avond na Jeanne's dood: „Ik zou willen, dat mijn ziel was dààr waar de ziel van die vrouw thans is”, is zij niet begrijpelijk en door en door menschelijk? Het leven van Jeanne, maar bovenal haar einde was dat van een Heilige, een geloofsheldin. Haren tijdgenooten en ook het nageslacht gaf zij een voorbeeld van moed en trouw en een onwankelbaar geloof. In heel het drama dat zich afspeelt in de laatste weken van haar leven, en waarin zij staat tegenover zoovele mannen van gezag en aanzien, is dit negentienjarige meisje de eenige, die blijk geeft van zedelijken moed, van groote vastberadenheid en een machtig vertrouwen. Hare vrienden, haar Koning zelfs, zij laten haar aan haar lot over, zij durven zich niet roeren van het oogenblik af, dat Jeanne is overgeleverd in handen van de kerk: zij zijn bang. Hare geestelijke rechters talmden maanden lang en dat in een tijd, dat men werkelijk zooveel omhaal niet maakte om een ketter naar den brandstapel te verwijzen. Cauchon zoekt medeplichtigen in de Inquisitie en de Parijsche Universiteit, aan wie hij een deel van de medeverantwoordelijkheid op de schouders laadt. Cauchon en heel de geestelijke rechterschaar zijn bang. En dan hare doodsvijanden de Engelschen. Ze razen, ze tieren, omdat ze niet verstaan en begrijpen wat er gebeurt. Ze jachten, ze dringen op spoed aan, zij zijn niet gerust voor het einde daar is; en dan nog zoeken zij de overblijfselen van hun slachtoffer bijeen en laten ze door den wind verstuiven over het water van de Seine, want... ze zijn bang.
Jeanne heeft velen geïmponeerd door haar uiterlijke verschijning, hare woorden en daden, en dat is iets dat kleine zielen een medemensch dikwijls niet vergeven. Maar hen, die haar zagen in hare laatste oogenblikken, moet zij bovenal diep getroffen hebben door haar innige vroomheid, haar verheven gelatenheid, haar waarachtige grootheid. Zij moeten, toen Jeanne was heengegaan, het gevoel gehad hebben, dat de Hoofdman over honderd en hen die met hem waren op Golgotha, na Jezus verscheiden, bezielde: „ende ziende de dingen die geschied waren, werden zij zeer bevreesd, zeggende: „Waarlijk, deze was Gods zoon”.”
HOOFDSTUK V.
PROCES VAN REHABILITATIE.
Het proces in 1431 te Rouaan tegen Jeanne gevoerd, had in de eerste plaats een politieke strekking. Jeanne moest worden terechtgesteld als ketterin en afgodendienares, omdat daarmede eens en voor altijd werd te niet gedaan de waarde van al hare verklaringen omtrent de wettige aanspraken van Karel VII op den troon van Frankrijk.
Het proces van rehabilitatie in 1456 te Rouaan gevoerd, heeft eveneens eene politieke strekking en wel juist in tegenovergestelden zin. Het vonnis van 1431 moet worden vernietigd, en Jeanne moet in eere en aanzien worden hersteld, omdat men daarmede bewijzen wil, dat zij, die den dauphin naar Reims gevoerd had, was gekomen met een opdracht van God, en dat het dus God zelf was geweest, die Karel VII als den wettigen koning had aangewezen.
Als wij Karel VII in 1450 de eerste voorloopige stappen zien doen om tot een revisie van het vonnis van 1431 te geraken, kunnen wij hem met droge oogen volgen en behoeven wij ons geen oogenblik illusie te maken, dat hij handelt onder den machtigen drang van wroeging en berouw. Hij veegt de stoep schoon voor zijn eigen deur, hij handelt zuiver uit welbegrepen eigenbelang, het komt hem minder gewenscht voor, dat zij, op wier aandringen hij zich te Reims heeft laten kronen, in de annalen van de Kerk en van de Inquisitie geboekt blijft staan als heks en ketterin.
De eerste pogingen van Karel VII hebben evenwel weinig succes. Het bevel tot revisie van een kerkelijk proces moet van Rome uitgaan, en Rome of liever gezegd de toenmalige Paus, Nicolaas V, heeft er weinig ooren naar. Het feit, dat de eerste pogingen uitgingen van het Fransche Hof, bracht de politieke kant van de zaak openlijk te veel naar voren. Rome had er op dat oogenblik te veel belang bij om Engeland, dat natuurlijk ook Katholiek was, niet te kwetsen.
Na eenig wikken en wegen vindt men een middel. De familie, d. w. z. de moeder en de beide broers van Jeanne leven nog, en het ligt dus geheel op hun weg de noodige stappen te doen om, zoo mogelijk, tot een herziening van het onteerende vonnis te komen en de nagedachtenis van Jeanne weer te rehabiliteeren.
Het is Paus Calixtus III, Alphonse Borgia, die de zaak eindelijk ernstig aanpakt en in Juni 1455 zijn toestemming geeft. Er is heel wat beleid en voorzichtigheid noodig om de zaak goed in elkaar te zetten. Het doel dat men voor oogen heeft, moet bereikt worden, Jeanne moet gerehabiliteerd worden, maar aan den anderen kant zijn er machten en personen, die een werkzaam deel aan het eerste proces genomen hadden en die men ontzien moet.
Uit de geheele opzet van het proces en uit de wijze waarop het gevoerd wordt, blijkt wel duidelijk, en dit is van groot belang, dat van te voren heeft vastgestaan, hoe ver men gaan zal, en dat onder andere het resultaat zal zijn een bekrachtiging van de straffeloosheid der ware schuldigen.
De Parijsche Universiteit b.v. moet men te vriend houden en moet er zonder te veel kleerscheuren afkomen. Er wordt daarom uitgemaakt, dat de Sorbonne ter goeder trouw was afgegaan op de twaalf artikelen. Van het feit dat de twaalf artikelen een valsch en bedriegelijk beeld van de zaak gaven, kan men de Sorbonne geen verwijt maken, en men kan haar dus buiten het geding laten. Maar zondenbokken heeft men noodig en als zoodanig worden uitverkoren Cauchon, de leider van het gansche proces en de promotor Guilleaume d'Estivet, beiden overleden als het tweede proces aanvangt.
Tegen 12 December 1455 worden de beschuldigers, allen, die iets ten nadeele van Jeanne wenschen te verklaren, opgeroepen om te Rouaan te verschijnen. Niemand komt op.
Daarna wordt een aanvang gemaakt met het onderzoek te Domremy, Vaucouleurs, Poitiers, Chinon, Orléans, enz. enz., alleen niet te Reims en te Compiègne, en evenals in 1431 wordt een heele reeks van zorgvuldig uitgekozen getuigen gehoord.
Voor de biographen van Jeanne en in het algemeen voor allen, die belang stellen in haar geschiedenis, is het proces van rehabilitatie voornamelijk hierom van belang, dat het door de talrijke en uitvoerige getuigen-verklaringen, een aanvulling vormt op het eerste proces.
De mise en scène is weer grandioos, en het geheele proces wordt met buitengewone plechtigheid gevoerd. Men was hiertoe in staat gesteld door den koning, die alle kosten voor zijn rekening nam. Zelfs de overhandiging van het eerste verzoekschrift van de familie van Jeanne, geschiedt zoo officieel mogelijk in de Notre Dame te Parijs. De aartsbisschop van Reims, de Bisschop van Parijs en meester Jean Bréhal, Inquisiteur, zijn daar om het verzoekschrift in ontvangst te nemen van Isabelle Romée, de moeder van Jeanne, (haar vader en Jacquemin, haar oudste broer, waren van verdriet gestorven) die hun, onder luid snikken, in rouwkleeren gehuld en in knielende houding, nadert. De talrijke menigte, die is toegestroomd, doet de gansche kerk weergalmen van hare zuchten en weeklachten.
Dadelijk, bij de voorloopige verhooren, krijgen wij reeds belangrijke mededeelingen, o. a. van broeder Toutmouillé, die Jeanne gezien had den laatsten dag van haar leven en naast Cauchon stond, toen Jeanne hem geeselde met de woorden: „Bisschop, ik sterf door Uw schuld!” En vervolgens de verklaringen van Isambart de la Pierre, die officieel bevestigt den uitval van Cauchon: „Zwijg voor den duivel” en die er bij was geweest dat Cauchon, toen hij op den laatsten dag de gevangenis verliet, de Engelschen gerust stelde met de woorden: „Farewell, eet lekker, het is in orde”.
En dan in het eigenlijke proces, de verklaringen van hen, die Jeanne in hare kinderjaren gekend hadden, van hen, die met haar gestreden hadden en eindelijk van hen, die bij het eerste proces waren betrokken geweest.
Hauviette, Mengette en Isabellette, de drie vriendinnetjes van Jeanne, worden gehoord. Hauviette vertelt ons: „Ze was zoo goed en ik hield zooveel van haar. Ze was mijn vriendin”. Van Isabellette hooren wij dat Jeanne armen en ongelukkigen lief had en ze gaarne hielp. Voor hen was ze zelfs steeds bereid haar bedje af te staan en zelf op den grond bij den haard te gaan slapen.
Merkwaardig en in het oog loopend is, dat de meeste verklaringen van de getuigen uit Domremy, een punt gemeen hebben. Luister maar:
Hauviette: „Jeanne was goed, eenvoudig en zacht”.
Mengette: „Het was een goed, eenvoudig en vroom meisje”.
Isabellette: „Zij was zelfs eenvoudig en goed”.
Katharina (van Vaucouleurs): „Zij was een goed, eenvoudig, zacht en zeer bescheiden meisje”.
Gérardin: „Zij was bescheiden, eenvoudig en vroom”.
Simonin Musnier: „Jeannette was goed, eenvoudig en vroom”.
Perrin de klokkenluider van Domremy: „Jeannette was steeds een goed, kuisch, eenvoudig meisje”.
En tot slot de pastoor van Domremy: „Jeannette was een goed, eenvoudig en welopgevoed meisje”.
Is het toeval dat die eenvoud van Jeanne zoo naar voren wordt gebracht of moeten wij met Anatole France mede gaan en het woord „simple” eenigszins nemen in den zin van het Hollandsche woord „simpel” en m. a. w. constateeren, dat het er in het proces van rehabilitatie om te doen was Jeanne voor te stellen als een meisje dat, laten we het eenigszins familiaar mogen zeggen „ze niet alle vijf bij elkaar had”, en dat hare rechters in het eerste proces niet had kunnen volgen en niet begrepen had? Dit drijven van de rechters in 1456 zou volgens die opvatting nog bovendien het voordeel gehad hebben, dat het Gods almacht beter deed uitkomen, die zich van een dergelijk „simpel” persoontje bediend had om het wettige en door Hem uitverkoren koningshuis in Frankrijk te herstellen. Ik geloof van neen. Het zou te mal, het zou absurd zijn. Een dergelijk drijven zou toch ook niet vol te houden zijn geweest en in botsing zijn gekomen met de verklaringen van de getuigen van de tweede groep n.l. van hen, die Jeanne in actie hadden gezien, die aan haar zijde gestreden hadden en die zij door haar helder doorzicht en hare daden dikwijls in verrukking had gebracht.
Ik geloof eerder dat de getuigen uit Domremy met hunne verklaringen omtrent den eenvoud van Jeanne, die trouwens het antwoord bevatten op de vastgestelde vragen, saamgevat in een en hetzelfde formulier, moeten bewijzen, dat zij Jeanne steeds gekend hadden als een dood gewoon, lief, kalm schepseltje, meteen kinderlijk vroom gemoed, zonder eenige bijzondere eerzucht of pretentie.
Met de verklaringen van oom Durand Laxart komen wij van Domremy tot Vaucouleurs en de getuigenissen van Bertrand de Poulengy en Jean de Metz, die ons bijzonderheden geven over de bezoeken aan Robert de Beaudricourt, den tocht naar en het verblijf te Chinon. Van de commissie te Poitiers worden slechts enkele leden gehoord.
Daarna volgen de hoofdpersonen van de tweede getuigengroep: Pasquerel, de wapenbroeders van Jeanne: Dunois, de Gaucourt, d'Alençon, d'Aulon, de page Louis de Contes en enkele burgers van Orléans. De verklaringen van hen, die Jeanne op hare tochten vergezelden en aan hare zijde streden, die haar soms dagen en nachten achtereen geen oogenblik verlieten, zijn ook daarom van groot gewicht, omdat zij Jeanne, behalve in het gewoel van den strijd, ook hadden leeren kennen in het meer intieme leven, en steeds vol bewondering waren geweest voor haar groote ingetogenheid, en haar buitengewone, ongeveinsde kuischheid.
En eindelijk wordt de rij gesloten door de droevige figuren van hen, die deelgenomen hadden aan het eerste proces. Het zijn povere verschijningen van meest hoog bejaarde geestelijken en monniken, die elk op hun manier een houding zoeken om hun medeplichtigheid aan den dood van Jeanne te doen vergeten en de schuld van zich af te schuiven. Er is er een, die zich niets herinnert (zoo slecht nog niet bedacht), anderen die onder luid snikken en weeklagen in hartverscheurende bewoordingen erkennen hoe zij getroffen zijn geweest door de oprechte vroomheid van Jeanne in hare laatste oogenblikken. De inquisiteur van het proces van 1431 wordt wel gedagvaard en gezocht, maar niet gevonden. De griffiers en notarissen zijn het ijverigst in het afbreken van Cauchon: hij is dood, hij is de zondenbok, aan hem de schuld.
Maar een verklaring als die van den griffier Manchon, is behalve bezwarend voor Cauchon toch ook wel heel interessant. Het is o. a. daardoor, dat wij te weten zijn gekomen tot welke valsche listen en lagen men zijn toevlucht heeft durven nemen om het arme slachtoffer er in te laten loopen en ten val te brengen. Manchon weet uit den mond van Warwick en Cauchon alle bijzonderheden omtrent de Judasrol door Loiseleur gespeeld; hij verklapt ons dat er bij de verhooren, behalve de officieele griffiers nog twee geheime schrijvers in de zaal verborgen waren, die wanneer het op collationeeren aankwam, bleken uitsluitend genoteerd te hebben wat bezwarend voor de beklaagde kon zijn. Door zijn relaas is het ook, dat wij weten, dat sommige rechters met tegenzin hebben deelgenomen aan het afschuwelijke proces, en dat zij, evenals degenen, die Jeanne dorsten bijstaan met goeden raad, of iets in haar voordeel waagden te berde te brengen, steeds door Cauchon's dreigementen met banvloek of brandstapel, tot de orde geroepen en tot zwijgen gebracht werden.
De eindzittingen van de rechtbank hadden met groote plechtigheid plaats in de eerste week van Juli 1456, in het aartsbisschoppelijk paleis te Rouaan, onder presidium van den aartsbisschop van Reims, Jean Jouvenel des Ursins, en in tegenwoordigheid van Jean Bréhal, den inquisiteur-generaal. De broer van Jeanne, Jean d'Arc vertegenwoordigt de familie.
De voorbereiding van de zaak heeft zes maanden geduurd; thans zijn alle getuigen gehoord. Petrus Maugier, Rijksprocureur bij de Universiteit te Parijs en advocaat van de familie, heeft al zijne grieven tegen het eerste proces uiteengezet, en den 7en Juli wordt de vertooning gesloten, met de voorlezing van het vonnis, waarbij de rechtbank:
„uitspreekt, decreteert en verklaart, dat de gevoerde processen en vonnissen, bezoedeld met bedrog, laster, onrechtvaardigheid, tegenspraak en duidelijke dwaling... zijn geweest, van nul en geener waarde en te niet worden gedaan”;
verder: „verklarende, dat op gezegde Jeanne en hare bloedverwanten, door genoemde vonnissen geen enkele smet of vlek van eerloosheid kan rusten”.
In Orléans werd het resultaat van het tweede proces met groote vreugde vernomen, en de vrienden van Jeanne vierden plechtig de rehabilitatie van hun Heilige.
HOOFDSTUK VI.
GENIE EN PUCELLE.
Wat was Jeanne d'Arc? Voor de Katholieken een Heilige, voor andere geloovigen een uitverkorene des Heeren, iemand die een roeping te vervullen had uit naam van God en die ook vervuld heeft. Dit is zeker wel de gemakkelijkste en eenvoudigste verklaring, die verder alle commentaar en onderzoek overbodig maakt.
Voor anderen weer en o. a. voor Anatole France en Dr. G. Dumas, vermoedelijk een hysterica met eenzijdige hallucinaties, die volgens de théorie van Charcot waarschijnlijk gepaard zijn gegaan met halve ongevoeligheid. Omtrent dit laatste punt van de halve ongevoeligheid had de pijnbank zekerheid kunnen geven, zegt Dr. Dumas bijna op een toon, alsof hij het betreurt, dat door dit verzuim van Jeanne's rechters het ziektebeeld niet volkomen duidelijk is geworden. Neen, zekerheid kan de groote neuropatholoog op dit punt niet geven, „een retrospectieve diagnose”, na bijna vijf eeuwen is niet mogelijk. Maar bovendien, wanneer de naam van Jeanne thuis behoort op de lijst van de groote hystericae, dan nog zou deze ziekte slechts eene verklaring kunnen geven van hare visioenen en hallucinaties. Slechts een onderdeel dus, want dit is zeker, en dat erkent Dr. Dumas ook aan het slot van zijn verklaring, het verstand en de wil van Jeanne blijven, te oordeelen naar de gegevens, die wij bezitten, tot aan het einde van haar leven volkomen gezond.
Nu wij ons toch op het gebied der pathologie bewegen, willen wij volledigheidshalve vermelden, hoe d'Aulon geopperd heeft, dat Jeanne nooit de maandelijksche ongesteldheden gekend heeft der huwbare vrouw. Tegen dit vermoeden pleiten haar physieke kracht en buitengewoon uithoudingsvermogen, haar normaal ontwikkeld kuischheidsgevoel en de flink ontwikkelde lichaamsbouw, die Aimond de Macy en den kleermaker van de hertogin van Bedford, tot ongepaste vrijmoedigheid verleidt.
Wat m.i. vast staat is, dat Jeanne enkele verschijnselen van „eviratie” vertoont. Het liefst gaat zij om met hare krijgslieden en onder hen gevoelt zij zich ook het best thuis. Hoewel zij niet zelf doodt, bevindt zij zich het meest in haar element, in volle actie, in het heetst van het gevecht. Zij rijdt uren, ja soms dagen achtereen te paard, zij is een uitstekend en onvermoeibaar ruiter. En dan, en dat is misschien wel het voornaamste verschijnsel, haar groote voorliefde voor het mans-costuum. Zeer zeker had dit costuum ook groote voordeelen voor haar; zij zat er gemakkelijker mede te paard, zij gevoelde zich er veiliger in op hare tochten, die soms dagen duurden, in het gezelschap van uitsluitend mannen, maar opvallend is toch het gemak, waarmede zij het aanneemt en waarmede zij zich van het begin af aan er in beweegt. Ondanks deze eviratie-verschijnselen evenwel moeten wij ons wel wachten, ons Jeanne voor te stellen als een soort man-wijf. Het is en blijft een door en door vrouwelijke verschijning, en de bekoring die van haar uitgaat, is die van een negentienjarig meisje.
Maar wat bereiken wij voor de verklaring van de groote hoofdzaak, van de persoon van Jeanne, zooals die voor ons leeft, met al deze min of meer pathologische verschijnselen? Pailleron heeft het zoo fijntjes gezegd:
„Men heeft Jeanne d'Arc verbrand en men heeft haar verklaard”.
„De Engelschen hebben er een martelares van gemaakt en de geleerden een hysterica”.
„Ik houd mij bij de Engelschen”.
Wat heeft de zeer positieve oppositie van Jeanne tegen de politiek van de hofkliek van Karel VII, tegen de politiek der wapenstilstanden, wat heeft het scherpe doorzicht, dat haar doet aandringen op den tocht naar Reims, dien zij met geweld moet doordrijven, wat heeft eindelijk de door haar bij meer dan één gelegenheid getoonde krijgsmanskunst te maken met mogelijke hysterie? Is het voor ons niet belangrijker dat generaal Davout haar een doorkneed strateeg noemt, dan dat Dr. Dumas vermoedt dat zij hysterica was?
Wanneer het waar is, wat sommigen beweren, dat Napoleon epilepticus was, verklaart dat dan zijn verhouding tot zijne soldaten, verklaart dat Marengo en Austerlitz?
Neen, wat Frankrijk in den beklagenswaardigen toestand, waarin het in de laatste jaren voor Jeanne's verschijnen verkeerde, voor haar redding noodig had, was een genie, een boven alles uitblinkenden geest, een waarlijk groot karakter. Het genie, dat zich zelf bewust is genie te zijn en zich als zoodanig boven andere aardsche grootheid verheven gevoelt, vinden wij in de analphabeet Jeanne d'Arc. Haar goddelijke roeping wordt dan voor ons het zelfbewustzijn dat zij Frankrijk kan en dus moet redden. Zij heeft zich dit als taak gesteld, omdat zij de kracht daartoe in zich voelt, en zal het dus volbrengen. Door haar voorbeeld leert zij haren tijdgenooten wat is plichtbesef en liefde voor het vaderland. Hiervoor is het noodig dat zij zelf een weg bewandelt, die dood loopt op den brandstapel. In Godsnaam, zij zal daardoor haar doel bereiken en zij zal Frankrijk redden.
Wanneer de innig vrome Jeanne zegt: „goddelijk roeping” en wij zeggen: „genie”, geven we dan niet elk een andere benaming aan hetzelfde begrip? Als „fille de Dieu” treedt zij vrijmoedig haren koning, met alle grooten van het hof, tegemoet en tracht ze te bewegen haar te volgen, zich zonder meer aan haar leiding toe te vertrouwen; met de zelfbewustheid van het genie zegt zij haren Rouaanschen rechters waar het op staat, stelt zij zich op een standpunt, van waar zij over hunne mijters en kardinaalshoeden heen kan zien, werpt zij Cauchon de simpele waarheid voor de voeten: „Bisschop, ik sterf door Uw schuld!”
Voor mij persoonlijk bestaan er geen Heiligen in den zin der Katholieke Kerk, en ik geloof dus niet aan hunne wonder-verschijningen, maar het staat voor mij vast, dat Jeanne hare Heiligen gezien en hare stemmen gehoord heeft, en dat zij volkomen te goeder trouw is geweest in hare mededeelingen hierover. In hoeverre hare visioenen wijzen op pathologische afwijkingen en waar een dergelijk „geval” dan verder moet worden ondergebracht, ik herhaal het, het laat mij tot op zekere hoogte koud. De hoofdzaak is voor mij, dat Jeanne in de oogenblikken, dat wij haar het meest bewonderen, bewijst, te beschikken over een helder doorzicht, een ruime mate van goede logica en een buitengewoon gezond verstand.
Het meest krijgen wij m. i. den indruk, dat Jeanne met hare begrippen haar tijd verre vooruit is, als wij hare antwoorden lezen op de strikvragen van hare rechters. Nemen wij als voorbeeld het verhoor, dat den 31en Maart, den dag voor Paschen, plaats heeft in den kerker. De rechters doen een hernieuwde poging om van Jeanne de verklaring te verkrijgen, dat zij zich onderwerpt aan de Strijdende Kerk.
„Gelooft gij niet”, wordt haar gevraagd, „dat gij onderworpen zijt aan Gods Kerk hier op aarde, dat wil zeggen aan onzen Heiligen Vader den Paus, aan de kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere prelaten van de Kerk?”
Waarop zij het buitengewoon treffende antwoord geeft:
„Oui, Notre Sire Dieu premier servi.”
Voor hare rechters klinkt deze verklaring als een gewone uiting van insubordinatie tegen de Kerkelijke discipline, als een ketterij, zonder meer. Maar wij hooren daarin iets anders en ten opzichte van een verklaring als deze staan wij weer op een ander standpunt als de Fransche biografen van Jeanne, die allen, ook al zijn er onder hen vrijdenkers, zooals Anatole France, leven in een Katholiek land en opgevoed zijn met Katholieke begrippen. Met dit beroemde „Dieu premier servi” doet Jeanne een stap van eenige eeuwen tot zelfs ver over de Kerkhervorming heen.
Ik zal niet beweren, dat Jeanne met dit gezegde heeft willen te kennen geven, dat zij zich geen getrouwe dochter gevoelde van de Alleen Zaligmakende Kerk, maar zij belijdt hier voor het eerst de groote waarheid, dat hetgeen, waar het voor alle geloovige en vrome menschen in de allereerste plaats op aan komt, is hun persoonlijke verhouding tot God, afgescheiden van wat daaromtrent de dogmata der Kerken en andere door menschen gestichte genootschappen ook leeren en voorschrijven.
Even te voren was haar gevraagd:
„En indien de Strijdende Kerk U beval het tegendeel te doen (van wat gij in het proces verklaard hebt op bevel van God gedaan te hebben)?”
Waarop Jeanne geantwoord had:
„In geval de Strijdende Kerk mij beval het tegendeel te doen, zou ik mij op geen mensch ter wereld verlaten, maar op God alleen, en ik zou steeds Zijne bevelen volgen.”
Daar hebben wij het al. Geen mensch ter wereld, geen priesters, geen concilie, geen Kerk kan wijziging brengen in hetgeen zij volgens haar geweten is overeengekomen met God. Zij voelt bij intuitie wat wij kinderen van de twintigste eeuw gerust hardop durven zeggen, dat onze verhouding tot God niet afhangt van en niets te maken heeft met de Kerk of de godsdienstige secte waartoe wij behooren, dat waarachtige vroomheid en Godsvrucht mogelijk is bij menschen, voor wie er geen Kerk bestaat en die niet thuis hooren in een van de vakjes, waarin men gewoon is de Christenen te verdeelen.
Met zulk een verlichting moest men Cauchon en zijnen mederechters nog niet aankomen, maar zelfs voor de ooren van Calvijn en Luther waren deze woorden nog niet geschikt, evenmin als voor allen voor wie in onze dagen begrippen als vroomheid en geloof nog niet te scheiden zijn van een Kerkgenootschap of Godsdienstige secte.

Ruiterstandbeeld van Jeanne d' Arc te Reims. Door P. Dubois.
Hoe vreemd dit ook moge klinken over een persoontje, dat op negentienjarigen leeftijd levend wordt verbrand, toch blijft het waar: Jeanne heeft in haar leven veel geluk gehad. Maar ook dat heeft zij gemeen met de meeste groote figuren, die zich op hetzelfde gebied bewogen hebben. Het is haast een gemeenplaats geworden, om te spreken over de geluksster van sommige groote veldheeren, en zeer in het bijzonder over die van Napoleon, maar wij weten, dat hij zelf in zijn ster geloofde en nog iets verder ging in deze richting, wanneer hij er openlijk voor uitkwam, dat hij geen generaals kon gebruiken zonder „veine”. De beroemde uitroep van Jeanne, bij de bestorming van les Tourelles, blijkt te zijn een tooverwoord, dat in één oogenblik beslist over de geheele krijgsverrichting en eigenlijk een wending geeft aan den loop van den geheelen verderen oorlog. Komt de eer daarvan niet eerlijk toe aan haar, die het woord gesproken heeft, en is haar verdienste minder groot, dan die van Napoleon, als schrijver van de rollende en knetterende, maar zeer zeker ook bezielende zinnen, in zijne terecht beroemd geworden proclamaties?
Als bij de aankomst van Jeanne voor Orléans de Engelschen binnen hunne verschansingen blijven, en ter gelegener ure de wind draait, roepen de geloovigen binnen de stad: „een wonder!” en vallen dankbaar op hunne knieën. Wij constateeren „veine”, maar zonder eenige geringschatting, want het is de veine, die zelfs de grootste schaker noodig heeft, en hem in staat stelt, te profiteeren van een oogenblik van onbedachtzaamheid, van een minder goed gekozen zet van zijn tegenpartij.
In het heetst van het gevecht, en bij haar eigenaardige wijze van strijden steeds in het voorste gelid en op het gevaarlijkste punt, dient Jeanne het geluk, dat aan zoovele beroemde veldheeren is te beurt gevallen, als zij „onder een dichten kogelregen, die hunne troepen decimeerde”, zelf ongedeerd bleven. De keeren, dat zij getroffen of gewond wordt, is het niet doodelijk en zelfs zonder ernstige gevolgen.
De tijd en de omstandigheden maken, of wilt ge liever, „openbaren” het genie. Is dat dus ook niet reeds een kwestie van „veine”? Om haar land te behoeden voor een wissen ondergang, moet Jeanne opgroeien in een tijd, dat „grande pitié était au royaume de France”. Om hare hervormingen en verbeteringen in te voeren, moest zij wantoestanden en verwarring aantreffen, om in de harten en hoofden van hare tijdgenooten voor het eerst begrippen te prenten van plicht, discipline en vaderlandsliefde, moest zij leven in den avond der middeneeuwen, om te werken en zich geheel te geven, moest zij een vruchtbaar arbeidsveld vinden. Maar dat alles doet niets af aan de grootte van haar genie, want om een Luther te doen spreken moesten er misbruiken in de Katholieke Kerk zijn, voor ridders is er een verdrukte onschuld, zijn er draken en monsters noodig en voor een Herakles een Augiasstal.
Jeanne, de Maagd van Orléans, een voorbeeld van ingetogenheid en ongeveinsde kuischheid. Ook deze intiemere kant van haar leven en karakter is in het eerste proces te Rouaan tot in de kleinste bijzonderheden nageplozen en allerhande lasterpraatjes zijn gretig verzameld. Het opschrift aan de paal op den brandstapel vermeldde uitdrukkelijk dat Jeanne o.a. schuldig was bevonden aan „losbandigheid” maar deze verklaring van hare rechters heeft evenveel waarde als de overige conclusies uit hun vonnis en kon evengoed afkomstig zijn van de Engelsche soldaten, die Jeanne nooit anders genoemd en aangesproken hebben dan als „de heks of de hoer der Armagnacs”.
Jeanne was kuisch en is als maagd gestorven, maar zij was een kind van haar tijd en was afkomstig van het platte land, m. a. w. Jeanne wist van hetgeen er destijds in de wereld te koop was, alles wat een boerenmeisje van haar leeftijd wel weten moest, omdat de natuur en het leven zelf het haar geleerd hadden en er haar vertrouwelijk mede hadden gemaakt.
Wij moeten dit goed voor oogen houden. Het bepaalt voor ons de waarde, die wij hechten kunnen aan de belofte, die Jeanne reeds op dertienjarigen leeftijd aan hare Heiligen doet „dat zij maagd zal blijven, zoolang het God behaagt” en het houdt bovendien voor ons een verklaring in voor den hardnekkigen en verwoeden strijd door Jeanne aangebonden en tot het einde toe gevoerd tegen de gewoonte, dat vrouwen van lichte zeden medetrokken in den tros van de legers.
Is het feit dat Jeanne ten minste eenig begrip had van wat er in de wereld op sexueel gebied te koop is, m. a. w. dat zij wist waarvoor zij zich te hoeden had, niet juist de oorzaak van haar behoud geweest? Zou zij argeloos en groen van den eersten dag af aan de rechte en juiste houding hebben kunnen aannemen tegenover al die krijgslieden, waarmede zij in aanraking kwam en in wier gezelschap zij soms dagen en nachten achtereen vertoeven moest? Zij beweegt zich met het grootste gemak, is niet overdreven preutsch, dat zou oogenblikkelijk tot botsingen geleid hebben en misschien tot erger, maar zij weet de grenzen en het is vermoedelijk ook weer voor een groot deel aan haar buitengewone takt te danken geweest, dat al die mannen, die ruwe krijgslieden van 1400-zooveel, waarmede zij omging, zich ook steeds in haar tegenwoordigheid op hun gemak hebben gevoeld en haar gerespecteerd hebben.
Bij het onderzoek te Vaucouleurs voor het eerste proces, heeft men een relaas opgedaan over een gesprek van Jeanne met Robert de Baudricourt. De bron er van is niet zeer vertrouwenwekkend en Jeanne heeft, toen zij er over ondervraagd werd, ook verklaard zich niets van dit onderhoud te herinneren.
Wij geven het dan ook slechts weer, omdat wij het ons zouden kunnen voorstellen als een voorbeeld van de wijze waarop Jeanne iemand te woord staat als den kapitein van Vaucouleurs, die ook in een gesprek met een jong meisje geen blad voor zijn mond neemt en er niet voor terugschrikt zich op gewaagd terrein te begeven.
Jeanne zou dan Robert verteld hebben, dat wanneer eenmaal de groote opdracht, haar door Messire gegeven, volbracht zou zijn, zij zou trouwen en drie zoons krijgen, waarvan de een paus, de tweede keizer en de derde koning zou worden.
De schalk Robert vatte hierop dadelijk vuur, zeggende:
„Als dat zulke voorname lui zullen zijn, zou ik je er wel één van willen maken. Mijn aanzien zou daardoor ook verhoogd worden.”
Maar Jeanne antwoordde kalm en vrijmoedig: „Nennil, nennil, gentil Robert, zoover zijn we nog niet. En te zijner tijd zal daar dan de Heilige Geest wel voor zorgen.”
A la guerre, comme à la guerre. In den namiddag van den vierden Mei zien wij hoe Jeanne die een vermoeienden morgen achter den rug heeft, zich zonder haar wapenrusting, dat wil dus zeggen, grootendeels ontkleed, ter ruste begeeft met het dochtertje van haar gastheer, in hetzelfde vertrek waar d'Aulon zich ook te slapen legt. Door hare stemmen gewekt en gewaarschuwd dat er gevochten wordt, vliegt zij spoedig daarna weer overeind en is het ook weer d'Aulon, die haar als kamenier of laten wij zeggen als schildknaap behulpzaam is bij het aantrekken van haar wapenrusting. En ten overvloede hooren wij denzelfden d'Aulon in het proces van rehabilitatie verklaren dat Jeanne mooi en welgevormd was, en dat hij meerdere malen, als hij haar hielp om zich te kleeden (te wapenen) of bij het behandelen van hare wonden, hare bloote beenen had gezien, zonder dat dit in hem eenig vleeschelijk verlangen had opgewekt. Maar Aimond de Macy en Jeannotin, de kleermaker van de hertogin van Bedford, weten zich minder goed te beheerschen. Hun beider poging om hun hand in de boezem van Jeanne te steken bekomt hun slecht. Wij zouden misschien tot hunne verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat zij mogelijk geen bepaald slechte bedoelingen hadden, en dat hun vrijpostigheid meer thuis behoort op het gebied der ongeoorloofde aardigheidjes. Zij zagen trouwens Jeanne onder geheel andere omstandigheden dan hare krijgsmakkers, de heldin is ontwapend, de Heilige mist haar aureool.
Bepaald stuitend en grievend is alles wat op dat gebied hare vijanden haar aandoen. Wij hebben Jeanne zien schreien op de brug van Orléans toen de Engelschen haar laatste sommatie in ontvangst namen met den kreet: „Er is nieuws van de hoer van de Armagnacs!” en wij zijn er getuige van geweest hoe zij het arme schepseltje schier tot vertwijfeling brengen door haar in haar gevangenschap bloot te stellen aan de ruwe en schandelijke bejegening van hare bewakers. Een van de getuigen in het proces van rehabilitatie heeft zelfs verklaard dat Warwick tot tweemaal toe op de hartverscheurende kreten van het jonge meisje is toegesneld om haar te beschermen tegen de beestachtige belagingen van de Engelsche soldaten die de wacht hielden in haar kerker. Hoewel met zware ketens aan handen en voeten geboeid is Jeanne blijkbaar toch in staat geweest haar lijf te verdedigen, maar zij had ooren, die hoorden en oogen, die zagen.... en wij doen beter de onze te sluiten en deze gruwelen te laten in het afschuwelijk duister, waarin ze thuis hooren.
Maar telkens weer, als wij denken aan den smaad en de ellende, het arme schepseltje in de dagen van haar gevangenschap door haar vijanden aangedaan, hooren wij den wanhoopskreet waarmee zij ineenzinkt als zij vernomen heeft, dat zij den volgenden dag op den brandstapel moet sterven: „Mijn lichaam, dat ik tot het einde toe rein en ongerept heb weten te houden, zal dus verbrand, en tot asch verteerd moeten worden!” Hoe diep weemoedig ze ook zijn, toch bevatten deze woorden voor ons iets, dat klinkt als een troost, omdat deze kreet, die plotseling opwelde uit het diepst van haar gemoed de waarheid bevat en niets dan de waarheid: Jeanne is volkomen rein en als Maagd gestorven.
HOOFDSTUK VII.
Jeanne in Beeld: Uiterlijk en Costuum.
Het is weer door een verklaring van Jeanne zelf, dat wij weten, dat zij nimmer voor een schilder geposeerd heeft, noch op andere wijze ooit een beeltenis van zich zelf heeft laten maken. Wel is zij ook tijdens haar leven talrijke malen afgebeeld, maar zij heeft gezegd, dat zij slechts eenmaal een portret zag met eenige gelijkenis. Onder de andere afbeeldingen, tijdens haar leven vervaardigd, kunnen er geweest zijn van de hand van kunstenaars, die haar gezien en gekend hebben, maar tot op heden is er van Jeanne geen enkel portret gevonden, waardoor wij ons een voorstelling kunnen maken hoe zij er werkelijk heeft uitgezien. Tijdens het leven van Jeanne en vooral tijdens het proces hebben er beeltenissen van haar gehangen in de kerken van Frankrijk, maar die zijn verloren geraakt en bovendien waren zij vermoedelijk voor het grootste gedeelte gefantaseerd.
Wat ons hare tijdgenooten omtrent het uiterlijk van Jeanne hebben medegedeeld, komt hierop neer: zij was slank gebouwd, haar gansche verschijning was bijzonder innemend en vol jeugdige gratie. Zij had een knap gezicht met een paar heldere, mooie oogen, een sierlijke, dunne hals, een klein rood vlekje achter een van de ooren, een fraai gewelfde borst („videbat ejus mammas, quae pulchrae erant.” Verklaring van den duc d'Alençon).
Verder weten wij nog een belangrijke bizonderheid: Jeanne had zwart haar. Er is n.l. een brief van haar bewaard gebleven aan Dunois, en deze brief is, volgens gebruik van dien tijd, verzegeld geweest met een afdruk van haar cachet in was en een zwart haar: een haar van de afzendster.
Dit zijn ongeveer de eenige gegevens waarover de tallooze beeldende kunstenaars hebben beschikt, die in de laatste vijf eeuwen, door Jeanne geïnspireerd, haar beeltenis hebben vervaardigd.
Merkwaardig is het wel te zien, hoe de meesten zich van deze schoone taak hebben gekweten, hoe betrekkelijk zeer weinigen er zijn onder die velen, wier opvatting ons kan bevredigen. De ouderen onder hen vallen wij niet hard om hun naïviteit, wanneer zij van Jeanne een goedig vrouwtje aan het spinnewiel, een soort oorlogsgodin, een veldheer van de zeventiende eeuw of een balletfiguurtje uit een Bergerie gemaakt hebben. Zij wisten niet beter en deden hetzelfde wat Rembrandt heeft gedaan als hij zijne Bijbelsche figuren stak in costumes van zijn eigen tijd. Maar van de artisten van den lateren en van onzen tijd verwondert het ons meer, als wij zien welke vrijheden zij zich veroorloven in het costuum en hoe weinigen er aan gedacht hebben, dat zij de beeltenis moesten scheppen van een jong meisje, in elk geval niet ouder dan negentien jaar.
Want wat het costuum betreft tasten wij niet in het duister. Het verstelde jurkje van roode wollen stof, waarin zij Domremy verlaat, is te reconstrueeren, het pagecostuum, haar door de bewoners van Vaucouleurs geschonken, was het costuum, dat alle pages droegen in dien tijd, en is dus bekend, het blanke harnas, waarin zij ten strijde trekt, en de huik, die zij bij sommige gelegenheden over haar wapenrusting droeg, zijn voor een ieder, die zich de moeite wil geven, b.v. het boek van Quicherat „Histoire du Costume en France” te raadplegen, tot in de kleinste bijzonderheden weer te geven zonder hinderlijke fouten en anachronismen.
Vreemd is b.v. dat Ingres, al had hij dan ook Quicherat nog niet tot zijn dispositie, in 1854 met een portret van Jeanne voor den dag komt in den vorm van een „plantureus uitgedijde” vrouw, met een paar heupen, waarop een Katwijksche visschersvrouw jaloersch zou worden en in een costuum waarop uit een historisch oogpunt ook nog wel het een en ander aan te merken valt.
Hoeveel momenten zijn er in het korte, doch veel bewogen leven van Jeanne niet, die een schilder of beeldhouwer konden inspireeren?
Jeanne, als kind, luisterende naar hare stemmen, en wij denken onder veel meer aan de schilderijen van Pierre Lagarde, Bastien Lepage, Cabanes, Benouville en Wagrez, het standbeeld van Lefeuvre en de beeldengroep van Allar te Domremy.
Jeanne in volle wapenrusting te voet of te paard; en wij noemen de ruiterstandbeelden te Parijs, Reims, Nancy, Orléans, Chinon en van Moreau en le Nordez, de beelden van Allouard, Beylard, le Veel en te Compiègne en Beaurevoir en de schilderijen van Scherrer.
Jeanne op den brandstapel; en wij vermelden het beeld van Cordonnier, een brons van Cugnot, een céramiek naar Blondat en de schilderij van Carrier-Belleuse.
Maar er is nog veel meer, te veel om op te sommen, als wij ons b.v. maar even herinneren,—en wij hadden die wel in de eerste plaats mogen noemen,—de bekende fresco's van Lenepveu in het Panthéon te Parijs, en de bijzonder schoone illustraties van Guillonnet voor het boek van Funck-Brentano.
Wat ons in de platen van Guillonnet dadelijk treft en zoo bijzonder aantrekt, is, dat ze ons Jeanne zoo gewoon menschelijk weergeven, en niet steeds als een soort gehallucineerde, met oogen voortdurend naar den hemel gericht, en die slechts dingen zien, die voor ons onzichtbaar zijn. Zelfs Lenepveu laat haar b.v. Orléans binnen rijden, met eene uitdrukking op het gelaat, of zij met hare gedachten geheel in hooger sfeeren is. Met die opvatting kunnen wij ons vereenigen bij de kroning van Reims en verder o.a. op den brandstapel, maar toen zij Vaucouleurs verliet, toen zij haar eersten triumftocht hield binnen Orléans, en bij nog zoovele andere gelegenheden, die men in beeld gebracht heeft, stellen wij ons voor, dat zij de omstanders met een opgewekt en van dankbaarheid stralend gezicht in de oogen heeft gezien, en ze bekoord heeft door haar eenvoud en haar ongekunstelden glimlach. De deemoed en berusting waarmede Jeanne geknield heeft gelegen voor het altaar in de basiliek van St. Denis, toen zij daar haar harnas neerlegde, haar houding en uiterlijk op dat onvergetelijke oogenblik, hoe dankbaar en decoratief zij voor een kunstenaar ook mogen geweest zijn, zijn daarom voor ons van minder belang, omdat zij op zich zelf beschouwd en als zoodanig geene gevolgen hebben gehad. Maar haar verschijning en de uitdrukking van haar gelaat op het oogenblik dat zij als met een tooverwoord hare troepen plotseling bezielde, of hare rechters te Rouaan verblufte door haar gevatheid en logica, interesseeren ons tot in de kleinste bijzonderheden, omdat een juiste voorstelling daarvan onontbeerlijk is, voor een verklaring en een zuiver begrip van het door Jeanne behaalde succes. En dan, wij herhalen het, dan is het ons niet mogelijk haar beeld voor den geest te roepen als een gehallucineerde, als iemand levende in een soort extase, zooals zoovelen haar in die oogenblikken hebben afgebeeld; er moet behalve haar jeugd en gratie, kracht en fierheid van haar zijn uitgestraald; zij moet vertrouwen gewekt en geïmponeerd hebben.
Een ander bezwaar dat wij hebben tegen zeer vele afbeeldingen van Jeanne, is dat zij haar weergeven met een soort rokje aan. Mogelijk hebben de kunstenaars dit gedaan om aan het geharnaste figuurtje iets vrouwelijks te geven. Maar zij schijnen dan niet geweten of althans vergeten te hebben, dat één van de grieven van de rechters in Rouaan is geweest dat Jeanne een manscostuum droeg, en dat zij zelf daarvoor als zeer aanneembare redenen opgaf, dat dit costuum haar gemakkelijker was bij het paardrijden, en dat het haar welvoegelijker voorkwam in het gezelschap van uitsluitend mannen ook als man gekleed te gaan. Met haar rokje aan zooals wij haar o.a. vereeuwigd vinden in het Panthéon te Parijs in een standbeeld van polychroom marmer door Allouard, had zij zeker geen paard kunnen rijden en zou zij ook het andere doel dat zij beoogde, vermoedelijk niet bereikt hebben.
Eigenaardig is, dat uit de chaos van duizende afbeeldingen, die van Jeanne gemaakt zijn, tot op heden nog geen duidelijk type naar voren is getreden. De meest natuurgetrouwe afbeeldingen zullen vermoedelijk zijn de bovengenoemde ruiterstandbeelden in het volle harnas. Maar ook al dragen deze figuren een open vizier, toch zijn zij, juist door de harnasbekleeding, nog te anoniem, en ongeschikt tot het scheppen van een type. De voorstelling op de banier, dus een van buiten toegevoegd attribuut, is ook in deze gevallen, soms nog het eenige teeken, waardoor het ons duidelijk wordt, dat wij met een Jeanne d'Arc en niet met een ander willekeurig jong strijder uit haar tijd te doen hebben.
Wij wachten nog met ongeduld op den kunstenaar, wien het zal mogen gelukken ons niet voor de zooveelste maal een Jeanne d'Arc uit te beelden, maar eens en voor altijd de Jeanne d'Arc te geven, het type, zooals zoovele historische figuren, waarvan geen portretten naar het leven bestaan, toch door de tijden heen een vast en gemakkelijk herkenbaar type hebben gekregen, dat de groote massa, maar ook de genen, die door studie meer met de figuur bekend zijn geraakt, in hoofdzaak en over het algemeen bevredigt. L'image à faire serait l'image qui crée le type.
De taak, die wij voor dezen artiest hebben uitgezocht is niet gemakkelijk, maar ze is dankbaar, hij zal daardoor zijn naam voor eeuwig verbinden aan den naam van de schoone figuur die hem inspireerde.
Zijn loon zal zijn de onsterfelijkheid.
HOOFDSTUK VIII.
De Zaligverklaring.
Wanneer ik het een zestal jaren geleden had ondernomen een geschiedenis van Jeanne d'Arc te schrijven, had ik destijds het zuiver geschiedkundig gedeelte kunnen afsluiten na het proces van rehabilitatie. Thans staan wij er echter geheel anders voor, nu na de Rehabilitatie van 1456 de Beatificatie gevolgd is in 1909. Sedert de nagedachtenis van Jeanne door het tweede proces in eer en aanzien is hersteld, bestaat in Orléans de gewoonte, het ontzet van de stad in 1429 op den 8en Mei feestelijk en plechtig te herdenken o.a. door het uitspreken van een lofrede op Jeanne van den kansel in de groote kathedraal. Meer dan eens komt het voor, dat voor die gelegenheid bekende redenaars door den Bisschop van Orléans worden uitgenoodigd. Zoo zien wij op den 8en Mei 1860 een nog jong geestelijke, genaamd Freppel, den kansel bestijgen. Zijn naam als schitterend redenaar was in die dagen reeds gevestigd. Hij is het, die aan het slot van zijn eerste panégyrique een geheel nieuw element inlascht, al is het ook nog slechts aarzelend en in den vorm van een enkele onderstelling. „Misschien”, zoo waagt hij te zeggen, „zal het God eenmaal behagen Zijn lieflijke dienares te verheerlijken met de aardsche kroon, die de Kerk bewaart (réserve) voor den heldenmoed van de deugd.”
Als hem in 1867 andermaal de eer te beurt valt op uitnoodiging van Mgr. Dupanloup, den Bisschop, op den 8en Mei de gemeente van Orléans te mogen toespreken, durft hij reeds een groote stap verder gaan. De vraag omtrent een mogelijke zaligverklaring wordt nu voor de eerste maal duidelijk gesteld, onderzocht en besproken.
Aan de hand van de daarvoor geijkte formule, die hij ontleent aan het werk van Paus Benedictus XIV, over de „Canonisatie der Heiligen”, stelt hij nu onomwonden de volgende vragen:
„Kan men verdedigen dat Jeanne d'Arc de christelijke deugden betracht heeft tot in het heldhaftige” (à un degré héroïque) „en dat God de heiligheid van Zijne dienares heeft bevestigd door geloofwaardige” (authentique) „en onbetwistbare wonderen?”
Van een redenaar, die geroepen is om den volke den lof te verkondigen van een persoon, die in reuke van Heiligheid staat, en die daarbij de boven aangehaalde vragen aldus stelt, en tevens een oogenblik later uitroept: „O, wat mij betreft, ik kan het niet ontkennen, er zijn weinig menschelijke levens, die ik zoo waarachtig stichtelijk vind”, is het dunkt mij niet te gewaagd te veronderstellen, dat hij voor zich althans geneigd zou zijn, de gestelde vragen met een volmondige bevestiging te beantwoorden. Als die zelfde redenaar in volle geestdrift over Jeanne verklaart: „Haar openbare leven is één doorloopend wonder”, verraden dan die woorden niet reeds den geest, waarin hij de tweede door hem opgeworpen vraag beantwoorden zou? Maar Freppel, hoewel toekomstig Bisschop, was op het oogenblik, dat hij zoo sprak, nog slechts een jong geestelijke, en het past hem dus voorzichtig en bescheiden te zijn.
„Ik heb niet de bevoegdheid”, laat hij er dan ook wijselijk op volgen, „om in deze kwestie te beslissen, zelfs niet om haar voor de bevoegde machten in de Kerk te brengen. Het is aan de Bisschoppen om na te gaan of de zaak daar rijp voor is; het is aan den Stedehouder van Jezus Christus om te beoordeelen of Gods uur geslagen heeft.”
Dit staat in elk geval vast, dat door de woorden van Mgr. Freppel de kwestie van een mogelijke Zaligverklaring van Jeanne d'Arc voor het eerst en tevens definitief op het tapijt is gebracht. De bewonderaars van Jeanne laten de zaak niet meer los, de Bisschoppen rusten niet, alvorens zij het noodige materiaal bijeen vergaard hebben, en zij de zaak rijp achten om haar voor den Stoel van den Stedehouder van Christus te brengen.
Den 13en December 1908 verschijnt een decreet van Paus Pius X tot erkenning van drie wonderen, verkregen door de tusschenkomst van de Eerbiedwaardige Jeanne d'Arc, maagd van Orléans. Het verhaal van de in dit decreet bedoelde drie wonderen, komt voor in een herderlijken brief van Mgr. Touchet, Bisschop van Orléans.
Het eerste van de drie bevat de geschiedenis van Zuster Thérèse van St. Augustinus, Benedictijner-non van het Calvarie van Orléans. Zij is sinds drie jaren lijdende aan hevige maagpijnen, die gepaard gaan met steeds heviger, veelvuldiger bloedspuwingen. Voedsel kan zij niet meer tot zich nemen: de dokter acht haar einde nabij. Dan stelt den 30en Juli 1900 de moeder-overste haar voor aan Jeanne d'Arc haar genezing te vragen. Het geheele klooster zal zich met haar in het gebed vereenigen.
Gedurende de novene, die den 31en Juli geopend wordt, neemt de kwaal nog aanmerkelijk in hevigheid toe. Men houdt het Heilige oliesel voortdurend in de infirmerie bij de hand, want elk oogenblik vreest men, dat zuster Thérèse bezwijken zal.
In den avond van den 7en Augustus vraagt de zieke, midden in een heftigen aanval, om hare kleeren. Zij zal morgen kunnen opstaan, want dan zal zij genezen zijn. De ziekenverzorgsters kijken elkaar aan: „Laten wij haar hare kleeren maar beneden halen”, zeggen zij tot elkaar, „zij zullen haar als doodskleed kunnen dienen”.
Daarop slaapt zuster Thérèse in tot twee uur na middernacht. Zij wil opstaan, maar men gebiedt haar te blijven rusten tot half zes. Zij gehoorzaamt.
Den 8en Augustus om 5½ uur kleedt zij zich alleen aan en gaat zij alleen naar beneden naar de kapel, bidt daar een Onze Vader, een Ave en spreekt er, met de armen in kruisvorm uitgestrekt, verschillende invocaties uit. Dan ontvangt zij de communie, en vervolgens gebruikt zij met de andere zusters een maal, bestaande uit aardappelen in de asch gesmoord, zonder dat het haar iets hindert.
Haar volkomen en plotselinge genezing heeft zich sedert dien geen oogenblik verloochend.
De geschiedenis van Zuster Julie Gauthier in het tweede wonderverhaal ademt een geest van zoo'n verrukkelijke naïviteit, zij is zoo'n prachtig voorbeeld van vrouwelijke logica door hare toepassing van de waarheid, dat 9 × 1 = 1 × 9, dat wij hier in extenso de vertaling laten volgen van het verslag daarvan in den herderlijken brief van Mgr. Touchet gegeven.
Tweede Wonder.
Te Faverolles, diocees Evreux, leed Zuster Julie Gauthier aan een kankerachtige zweer aan de linker borst. Na een smartelijk lijden van vijftien jaren, heeft zij alle hoop op genezing verloren: als dan op een dag de pijnen haar met dubbele hevigheid folteren, en zij het plan heeft opgevat haren superieuren te verzoeken haar van haren post als onderwijzeres te ontheffen, gebeurt het haar dat zij haren leerlingen vertelt over Jeanne d'Arc. Het idée komt plotseling bij haar op om genezing te bidden door de Heilige Bevrijdster. Maar, daar zij haast heeft, vindt zij eene novene uit van een nieuwe soort. Zij zal naar de kerk gaan met acht van hare kleine meisjes leerlingen, zij zullen dus negen in getal zijn, en met haar negenen zullen zij dus eene novene van gebeden kunnen maken in één enkele séance. Dit oprechte geloof, deze kort aangebonden, maar naïve piëteit, deze bijstand van kinderen, konden de Zalige moeilijk mishagen, verondersteld ten minste, dat wij daarboven eenige van onze neigingen van hier beneden behouden.
Julie Gauthier werd verhoord. Zij, die zich met moeite naar de kerk had kunnen slepen, keert er flink en moedig uit terug. De wond is gesloten en voor altijd genezen.
In het derde wonderverhaal is het Zuster Marie Saguier, van de Congregatie van de Heilige Familie, te Fruges, diocees Atrecht, die sinds maanden lijdende is aan eene tuberculeuse periostitis (beenvliesontsteking). De kanunnik Debout, schrijver van een levensgeschiedenis van Jeanne d'Arc, raadt haar een novene tot Jeanne aan. Zuster Marie, die zich reeds verzoend heeft met de gedachte spoedig te zullen sterven, is hiertoe slechts met moeite te bewegen (ten minste „als ik hieromtrent goed ben ingelicht” voegt Mgr. Touchet er aan toe). Zij wijst op hare verbonden ledematen, zeggende: „Hoe wilt ge dat Jeanne d'Arc dat genezen zal?” Ten slotte evenwel laat zij zich overhalen, en reeds den morgen van den vijfden dag komt zij volkomen en voor goed genezen naar beneden, om deel te nemen aan het gemeenschappelijk gebed.
Het decreet van de Zaligverklaring van Jeanne d'Arc is gedateerd van den 11en April 1909. Het vangt aan met in enkele regels te schetsen wie Jeanne geweest is en wat zij voor Frankrijk gedaan heeft. Verder bevat het natuurlijk een kort verslag van het onderzoek, dat aan het besluit is voorafgegaan en de gronden waarop het eindelijk met algemeene stemmen is genomen.
Wij achten het niet noodig het gewichtige stuk of een vertaling er van hier over te drukken, ook zullen wij ons niet wagen aan een critiek op een decreet van Paus Pius X, geteekend door den Staatssecretaris Kardinaal Merry del Val en handelende over een zaak, waarin Kardinaal Ferrata rapporteur was; wij willen er ons slechts toe bepalen enkele punten aan te stippen, die ons bij de lezing van het document bijzonder hebben getroffen.
Zoo zien wij in de eerste plaats, dat het zoogenaamde „bois chesnu”, gelegen bij Domremy, in de officiëele stijl van het decreet wordt tot „een duister woud, eertijds het toevluchtsoord van Druïdisch bijgeloof” (prope lucum opacum Druidicae quondam superstitionis asylum).
Verder is het wel merkwaardig, maar er zijn in het decreet drie plaatsen aan te wijzen, die aantoonen, dat men ook thans te Rome nog aanneemt, dat Jeanne zich in hare jonge jaren thuis voornamelijk heeft bezig gehouden met het hoeden van de kudden (schapen) van haar vader. Ook de armoede van het gezin, waartoe Jeanne behoorde, en waarvan de tekst tot tweemaal toe gewaagt, achten wij voor burgers van dien tijd zeer betrekkelijk.
„Tantique belli strepitus vix ejus aures contigerat” zegt de tekst, en wanneer met het rumoer van den grooten oorlog, dat de ooren van Jeanne te Domremy ter nauwernood zou bereikt hebben, letterlijk bedoeld wordt het gebulder van de belegeringskanonnen en het geweld van groote veldslagen, dan kunnen wij deze opvatting deelen. Maar wij zetten in ons eerste hoofdstuk reeds uit één, hoe Jeanne door de bijzondere ligging van haar ouderlijk huis veel over de verschrikkingen van den oorlog hoorde spreken, dat zij wel degelijk wist, dat „grande pitié était au royaume de France”, dat het ook in de streek van Domremy volstrekt niet veilig was, en dat men ook daar, evenals in het geheele deel van Frankrijk, dat ten Noorden van de Loire gelegen is, zoowel direct als indirect de gevolgen van den oorlog ondervond, al hebben wij daarbij nog niet eens het oog op de ernstige gebeurtenissen van de tweede helft van Juli en van begin Augustus 1428, en die dus vielen tusschen het eerste en het tweede bezoek van Jeanne aan Vaucouleurs.