← Table of contents
Jean Jacques Rousseau

TWEEDE HOOFDSTUK PARIJS (continued 2)

Reading edition

En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk-gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan. Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een anderen.

Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen—dit zou nog jaren lang zijn leven zijn.

Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de zachtheid des levens zijn.

In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen stijl, “De Dorpswaarzegger,” en o wonder! de lieve melodieuse muziek viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. “De Dorpswaarzegger” had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel-artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij “een revolutie verhoedde,” door de opwinding en spanning op andere banen te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de jaren ’50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.

Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor ’t eerst ernstig na of hij ’t kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind naar ’t vondelingen-huis brengen.

Spijt zou later komen, om ’t geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in zijn wezen.

Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te vestigen, waar hij in ’54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem geworden waren was ’t natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij werd opnieuw protestant en burger van Genève.

Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou ’t er toch toe gekomen zijn. Maar ’t zachte fleemen en hartstochtelijk willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings