← Table of contents
Jean Jacques Rousseau

DERDE HOOFDSTUK DE GROOTE JAREN

Reading edition

I. NAAR DE VEREENZAMING

Madame d’Epinay, geboren d’Esclavelles, behoort, door aanleg en levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar van ’t begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen verbraste—tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele werd gezet—kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf “beren,” (waartoe Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net gaf wat hèm paste en niets meer.

Rousseau had Mme d’Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor ’t vrolijk gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d’amour wilden gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn hoorderessen. Mme d’Epinay voelde zich sterk tot den jongen dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: “ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt.”

Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d’Epinay en Rousseau altijd vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de man die in Rousseau’s voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden van hem vervreemd heeft.

Grimm was een jonge Duitscher, op ’t eind der jaren veertig in ’t gevolg van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot’s gevangenschap en direkt een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon een “Correspondance littéraire,” een soort bulletin voor buitenlandsche vorsten van al wat op ’t gebied van kunst, letteren enz. te Parijs verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen vijanden geworden waren, zich in zijn “Correspondance” steeds gematigd en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in ’t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. Hij kreeg toen den titel van “baron van het heilige duitsche rijk,” en was daar zeer verheerlijkt mee.

In het begin der jaren vijftig hield monsieur d’Epinay zich bezig met ’t vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen Rousseau en Mme d’Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een keer dat hij en Madame d’Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. “Hè,” zei Rousseau, “hier te wonen.” Madame d’Epinay antwoordde niet veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw allerliefst landhuisje was verrezen. “Hier, mijn beer,” zei ze, “is uw kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève.” Dat was echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.—O wij arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.

Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een voorgevoel van de verdrietelijkheden die ’t zwichten voor dien wil over hem brengen zou, schreef hij aan Mme d’Epinay: “Hoe slecht begrijpt ge uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken” ... (altijd weer die angst voor dienstbaarheid). “Ik ben niet bezorgd hoe te leven en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar ik haar ’t zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen acht dagen zal mijn besluit genomen zijn”.... Maar ook nadat hij haar had geschreven: “mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij overwonnen hebt,” bleef hij naar eigen getuigenis “door een toestand van innerlijke krisis gekweld.”

Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut in te gaan op het voorstel van Mme d’Epinay dat hij voor niets zou wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij overeen dat hij ’t loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage woonde en misschien eenige kleine diensten aan ’t huishouden bewees, voor zijn rekening zou nemen.

Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat hij Parijs verliet. Hij was ’t leven in het wereldsch milieu waaraan hij nog altijd vastzat moe,—overal ’t zelfde, of ’t zich afspeelde in de stad of op de kasteelen der grooten. “Ik was zoo ziek van salon’s, fonteinen, heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles,” schrijft hij in de “Confessions,” “van brochures, kaartspel, handwerkjes, flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein van een boerenliedje hoorde.” Alle krachten van zijn wezen dorstten naar een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit “terugkeeren tot de natuur.”

Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch ’t gevoel dat hij ’t meeste nog te zeggen had en zoo was ’t ook. Hij was aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij zelf nog niet geheel in ’t reine was.

Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met ’t maken van uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had veel over ’t onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo onder de hand door.

Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen in gaan, in ’t eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de “censuur” van den wil niet tot ’t tweede wordt toegelaten. Terwijl Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid ’t oude smachten naar teederheid weer op te komen; terwijl hij nog “dronken van deugd” meende te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op een gelegenheid, om de “censuur” onderste boven te loopen, met onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d’Houdetot, in zijn werk in de “Nouvelle Héloïse.”

De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.

Het was vroege lente toen hij ’t landhuisje aan den zoom van ’t woud van Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme d’Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van ’t verhuizen, de drie vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.

En onverwachts begon, zooals de sneeuw op ’t veld wegsmolt voor den zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op ’t tweede plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.

Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de verbeelding in Rousseau.

Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-’t-bewuste-alleen, verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude stroom vloeide weer rijkelijk.

Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij gevreesd had, gebeurde: Mme d’Epinay liet hem niet met rust, hij moest altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw hij na ’t middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in het woud.

Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; dáár was ’t leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen onbemerkt den weg in naar ’t verleden: verlangen zag niet langer hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd voorbij is.

Hij was op dien grens der jaren gekomen—niet voor elk mensch dezelfde—dat het hart zich keert naar ’t verleden en met pijn en bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, heerlijke jeugd.

Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus’ zilveren ster, uit eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu ’t allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.

Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar ’t oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry, hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap-secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong, bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.

Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij “sublimeerde” zijn liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, zocht hij in de fantazie.

Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.

Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar-beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.

Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.

In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de schoonzuster van Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot. Hij kende haar sinds lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van ’t soort als toen in de mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de natuur en ’t landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, op en top gentleman. Mme d’Houdetot en St. Lambert bleven tot ’t einde hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd spreekwoordelijk.

Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar afwisseling.

Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in ’t late najaar van 1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij ’t huisje, vol uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren geven en zij bleef bij hen ’t avondbrood gebruiken, heel huiselijk.

’t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar minnaar stonden beide in ’t veld. Zij had een landhuis gehuurd in de buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen “citoyen” met zijn strenge begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de verlokkingen der Parijsche wereld.

Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.

Had ’t werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke vrouw, die ’t lot naar zijn kluis voerde? Of was ’t anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door ’t lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?[31]

Wie durft ’t beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat van mysterie is hij.

Hoe ’t zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn, niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was de minnares van een vriend, hem waard niet ’t minst om de volkomen overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al ’t ideëele in hem, al zijn moreel gevoel opstond.

Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd,—Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat—trachtte zij den brand te blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.

Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch van innering.

Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als ’t zingen van de gaal is in milde lentenachten: de “Nouvelle Héloïse.” In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter’s smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.

Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der lust-verblijven en kasteelen,—maar dat een intellectueel Parijs ontvlood, om zich in ’t wilde woud en ’t eenzame veld te begraven, dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden ’t in de bosschen van Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij ’t uithield.... maar hij zou ’t niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.

Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed voor hem was, ’t buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte ’t ten slotte toch, en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker ’t allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, schreef hij in een klaagbrief aan Mme d’Houdetot, beide mannen van de wereld geworden, beide “geslaagd.” En hij was dezelfde gebleven als vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.

Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen schoolmeesteren. Een paar maal kwam ’t tusschen hen tot onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak had gedaan “slechts de booswicht leeft alleen” en Rousseau die woorden als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d’Epinay bemoeide zich met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel verteederd aan zijn oude vriendin: “ge hadt groot gelijk met te willen dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in langen tijd niet zoo’n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend.”

Maar ook met Mme d’Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, stond nu ook Mme d’Houdetot! Grimm’s arrogante wijze van optreden tegen hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme d’Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten worden?

Mme d’Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een verwende vrouw als Mme d’Epinay kon ’t noode verdragen, verwaarloosd te worden. Zij hield warm van Roussau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d’Epinay tegen hem. Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te voorkomen.

Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen kwam de vonk.

St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als een liefdes-verhouding. Mme d’Houdetot vertelde het onder tranen aan Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d’Epinay gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in Westphalen was) kwam ’t tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere explicatie, maar ’t gedrag van Rousseau liet een angel achter in ’t hart der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen hij in ’t najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij wilde geheel met hem breken, Mme d’Epinay bracht met moeite nog een schijn-verzoening tot stand.

Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen ’t minste geloof hechtte, had hij met Mme d’Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau’s illusie van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën. Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d’Houdetot zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.

Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.

Op een dag in Oktober liet Mme d’Epinay hem vragen bij haar te komen en vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en hoopte dat hij ’t zou doen.

Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève, niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse, die meer dan verstandig was met de dienstboden van ’t kasteel placht te praten, hem hoe ’t praatje liep dat Mme d’Epinay een kind verwachtte en naar Genève ging om in ’t geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in ’t bijzonder beriep op de “overmaat van verplichting die hem aan Mme d’Epinay bond,” toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen hem, het moest den schijn krijgen of hij de minnaar van Mme d’Epinay was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.

Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d’Epinay een knechtendienst van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert uitdrukte: “zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg van de vrouw van een algemeen belastingpachter.” Als een egel stak hij zijn stekels naar alle kanten uit.

Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?

Bevatte het praatje van Mme d’Epinay’s zwangerschap waarheid?[33] Had Grimm werkelijk de hand in ’t spel en wou hij Rousseau naar Genève sturen om, zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?

Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d’Epinay zooals zij zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: “’t zou gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan zijn vaderland.” Was dit heel eenvoudige waar?

De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid gebracht.

Brieven zonder tal—booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, gemoedelijke brieven—mijn hemel! wat schreven de menschen in dien tijd—vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in die najaarsdagen. En toen kwam ’t treurig einde van oude vriendschap en goed-bedoelde zorg.

Rousseau’s eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht tot ’t voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen Mme d’Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te verlaten.

Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien de ellendigste van zijn leven. Mme d’Houdetot was toevallig op denzelfden dag dat Mme d’Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn evenwicht geheel en al.

Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in den tuin hooren, hij leek waanzinnig.

Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij ’t dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme d’Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, “niets is zoo eenvoudig en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge niet wenscht, dat ik er blijf.”—Toen zonk hij in elkaar.

Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden zijner hoopvolle jaren verliest.

II. DE KATASTROPHE.

Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met Thérèse getrokken was—haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed—het huisje was oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.

Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open koepel, van waar men ’t mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van 1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het—dit is het geheim van den dichter—met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te doordringen.

Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den titel “Lettre à d’Alembert sur les spectacles.” De aanleiding tot het werkje vormde een bladzijde uit het artikel “Genève” in de Encyclopedie, waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te laten. Voor den schrijver van die bladzijde—het artikel zelf was van d’Alembert—hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève, bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun best zulk een “onzedelijke onderneming” tegen te houden. Echter, ook in Genève was het tij aan ’t verloopen en kort na de verschijning van Rousseau’s geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden melden: “heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt een stad van genoegens en van verdraagzaamheid.”

De “Brief aan d’Alembert” is uit twee verschillende gedachte-draden geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw onderwerp toegepast;—een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige landelijkheid—dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker, maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de “Confessions” getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde, zich zelven, Grimm, Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in ’t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van dien tijd. Vandaar ’t verbazend succes dat ’t boekje had toen ’t uitkwam, een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de “Nouvelle Héloïse” wekken zou.

De “Brief aan d’Alembert” beteekende de openlijke breuk van Rousseau met de materialistische philosophen. “Ik neem niet aan,” schreef hij, “dat men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst.” En ook al had hij dit niet geschreven, dan nog zou hij in ’t vervolg hun partij tegenover zich gevonden hebben, want hij waagde ’t immers, op te treden tegen Voltaire, diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den leider, en dat kon niet worden getolereerd.

Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire—uit de verte altijd—kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld, en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire’s bekend gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten; daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die snoodaard ’t waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en even wantrouwend was als Rousseau,—ofschoon op heel andere wijze—en daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te dwarsboomen, nu was ’t gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu moest “die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en van den hond van Diogenes” behoorlijk afgestraft worden. Niet dat Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en ’t gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn ergernis lucht.

Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, in ’t algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief van ’56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was geworden, aldus eindigde: “Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land,” ... “Ik haat u, in één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer.” Dit gebeurde in 1760.

Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien tijd bewijzen: “die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... verachtelijke manœuvres ... de schrijver der “Nouvelle Héloïse,” die kwaaddoende bengel ... (de “Nouvelle Héloïse” noemde hij “een vervelende en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;” de “Emile” vond hij: “laf en plat”). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid boven alles stelde,—hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder maar ondiep,—het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op zijn plaats met de woorden: “wie veroorlooft zich, er aanmerking op te maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?”

Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van Voltaire’s hartstochtelijke verguizing en Rousseau’s grootmoedige waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van “die man is grooter dan ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd is”—terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.

In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau in bedekte termen zijn breuk met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat wijdde hij ’t publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau beschuldigde Diderot—en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige prater kon over niets zijn mond houden—van met anderen gekletst te hebben over zijn verhouding met Mme d’Houdetot en beschouwde dat als een verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: “de rechten ook eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik haar weer aan te blazen.”

Zij hebben elkaar nooit meer gezien.

St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau’s handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, terug stuurde.

In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid; de “Nouvelle Héloïse” kwam klaar in ’59 en zoo weinig brak aan het einde daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast twintig jaren in hem was gerijpt.

Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat de zwakste bij elke verbintenis aan ’t kortste eind pleegt te trekken. Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart altijd aan ’t wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe in zijn gemoed te dicht bijeen; ’t beste: de groote liefde tot de menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;—dat hart was zóó kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven— behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood verschijnen—zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en het overige te doen vervallen.

Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al vroeger opgegeven. Met al ’t andere, behalve de muziek-dictionnaire, die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.

Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig—gelijk de meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan,—maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en aan bemind worden—die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts verdiepen in zich zelven.

Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef hij bij wijze van troost in die dagen: “men heeft niet alles verloren zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft.” Aan dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp afwijzend: “ik heb slechts honger naar een vriend.” Ja, hij had weer honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.

En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? De mode van den tijd, die eischte dat “men” een of ander letterkundig of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?

Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten eerste Mme de Verdelin—alweer een jonge vrouw met een minnaar, die Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht-gehumeurdheden, verdedigde hem in ’t openbaar in de jaren dat haast elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om alles glad te strijken.

In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der “Nouvelle Héloïse,” begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den naam van Claire d’Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in ’t geheel niet antwoordde. Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; uit enkele zijner briefjes aan de “lieve Marianne” spreekt echte hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau ’t hevigst werd aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en zelfs een brochure in ’t licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans onder de “verdachten” te rekenen. In ’72 maakte hij een einde aan elken omgang tusschen hen.

Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde kennen.

Van af dat de schrijver der “Discours” in hun buurt was komen wonen, waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij ’s zomers op het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen soupeeren, als hij lust gevoelde.

Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij ’s morgens nog in bed lag, de “Nouvelle Héloïse” voor die zij verrukkelijk vond.

De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en eenvoudig in zijn manieren, een mensch van ’t soort, waar Rousseau van hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe vrienden tot aan den dood van den hertog in ’64. Met de hertogin werd hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van ’t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan ’t hof; zij had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van zijn kant.

In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen. Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem niet met geschenken lastig te vallen.

In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, trok hij weer onder het dak van een groot heer. ’t Zou de laatste maal niet zijn, maar wel was ’t, helaas voor hem, de laatste maal dat een dergelijk experiment goed afliep.

Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo waren dit in ’t algemeen goede, rustige jaren voor hem.

De “Nouvelle Héloïse” werd lang voor de verschijning reeds veel besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d’Houdetot afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen hij ’t maakte, trilde onder ’t overschrijven nog in hem na; hij vond er een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen ’t boek leeren kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar uit. Eindelijk verscheen het werk, in ’t voorjaar van ’61: het succes was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der letterkunde. Dames van de groote wereld lieten ’t rijtuig, waarmee zij naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen. Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:—de letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op—het was een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige, verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der persoonlijkheid sprongen open. De “Nouvelle Héloïse” beduidde de bevrijding der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw, van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de “Nouvelle Héloïse” dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.

Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of geen heilige.

Intusschen was ook de “Emile” voltooid geworden, dat andere kind van veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij had ’t even lief als de “Nouvelle Héloïse,” maar met een andere liefde, niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat ’t zijn rijpste en beste werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn geheim....

Gelijk vroeger aan Mme d’Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit te wisschen, had hij haar uitgewischt door den “Emile.”

Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den “Emile” toe te vertrouwen. Het “Contrat Social,” zoo noemde hij de hoofdstukken die hij gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De “Lettre à d’Alembert” en de “Nouvelle Héloïse” hadden hem een bescheiden sommetje opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die schatten verdiende aan de “Nouvelle Héloïse,” verzocht hem om toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid knellend en rukte zich los.

Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot het bezorgen der uitgave van den “Emile,” van haar de belofte geëischt en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: behoedzaam, bijna bangelijk—voorzichtig tegenover het gezag, en toch fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste onaangenaamheden op den hals.

Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, waartegen zij te pletter moest slaan.

Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan ’t handschrift gezien had; dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met ’t uit te geven tot hij dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij ’t dan ten hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn van zelf-analyse, hij noemde die “de sleutel tot zijn gedrag.”

Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk ongecensureerd, dus tegen het wettelijk verbod te doen verschijnen; een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk door het feit dat de “Nouvelle Héloïse,” waarin evenals in den “Emile” de “natuurlijke godsdienst” verheerlijkt werd, in Frankrijk niet verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.

Nog voor de “Emile” verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde zoo sterk, in “Emile” vóór den godsdienst, tegen de materialistische philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk immers met medeweten en onder goedkeuring van ’t hoofd der censuur, als het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om ’t te gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd ’t plan uitgesteld.

De “Emile” verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de verschijning der “Nouvelle Héloïse;” d’Alembert schreef hem om hem geluk tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou hebben, zich door middel van een “lettre de cachet,” een paar weken in de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar hem dreigde.

In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich voorloopig in ’t kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.

De ochtend ging heen met ’t inderhaast uitzoeken van zijn papieren, tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel van ’t hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, waarmee de hertog naar die sleutel greep.

Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.

Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die ’s morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder een aangenomen naam te reizen, en ’t grootste deel van den weg is in zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot een idylle in den trant van Gessner.

Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.

Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan hij toen reeds leed, hun “lieve vriend” lieten trekken, al de ellende en zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig waren? Zijn beschermers waagden, zoo ’t tot een proces kwam, meer dan hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge betrekkingen, hun positie aan ’t hof te verliezen. Wat valt er van hun houding te zeggen?

Dit eene—en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van Rousseau het duidelijk en klaar gezegd—dat zij is geweest van een verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit de omstandigheden verklaren en in zekere mate verontschuldigen kan, maar die de waarheid verbiedt te verbloemen.

Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd, zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.

Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn meerderen waren.

Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.

III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN

De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de voorstelling troonde van het eigen ik.

In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken—de wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug—die te zamen het beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt zijner kracht. Het zijn: de “Lettre a d’Alembert,” de “Nouvelle Héloïse,” het “Contrat Social” en de “Emile.” Zijn vroegere geschriften, met name de beide “Discours,” zijn nog slechts aanloopen tot deze werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de “Lettre à Monseigneur de Beaumont,” de “Lettres de la Montagne” en de “Gouvernement de Pologne.” Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der tweede rubriek, de “Confessions” en de “Rêveries” zijn, zuiver als woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de “Confessions” en de “Rêveries” boven de “Nouvelle Héloïse” en den “Emile,” omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.

In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling (staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse-verhoudingen) uitgebeeld. In de “Nouvelle Héloïse” en de “Lettre à d’Alembert” vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den “Emile” die van godsdienst en opvoeding, in de “Contrat Social” zijn staatkundig ideaal. Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk.

Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom bruischte ’t sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met ’t universum, werd somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten (“Nouvelle Héloïse”) tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn conceptie van den idealen staat (“Contrat Social”) verstandelijk betoog is gebleven. En vandaar ook dat in den “Emile,” die een algemeene theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]

De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,—dààr lag zijn vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.

Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm van den roman-in-brieven, die hij in de “Nouvelle Héloïse” toepaste, was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken en te verstrooien,—hetzij door verhalen van lage en platte avonturen gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]

In den “Emile” schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar-overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle opzichten het meest origineele zijner werken.

In de “Lettre à d’Alembert,” dat de schakel vormt tusschen de “Nouvelle Héloïse” en den “Emile,” wordt het betoog, de kritisch-satirische beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.

Niets van beeld of lyriek in het “Contrat Social.” In de hier behandelde groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging over het onrecht dat aan de massa’s geschiedt, van weerzin tegen de dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!

Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle zoete en sterke bewegingen van het gemoed.

Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn hoogmoedig hart.

Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn ouderdom, de “Confessions” en de “Rêveries.” Naast de eenvoudige rijke levendigheid der “Confessions” en de onbeschrijfelijke harmonie, de betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne doorzichtigheid der “Rêveries” staan de werken der groote jaren als minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.

Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is—er staat tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze parels van woordkunst: de “Confessions” en de “Rêveries,” ontbreekt.

Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken, vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel, de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten? En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?

Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij. Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters, had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.

De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in den weg stonden.

Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa’s om de banden hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,—daartoe moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen, voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid hun ontzegde te zijn.[36]

Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het gevoel.

Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-’92, was ook het noodlot van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd.

Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige, door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en te versterken.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings