← Table of contents
In het Hol van den Leeuw

REISSCHETSEN UIT SOVJET-RUSLAND

Reading edition

DOOR

J. FABIUS

Eerste-Luitenant der Veld-Artillerie

Illustration from In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland

[Logo: ALTYT WAEK SAEM]

A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ LEIDEN — MCMXX

Inhoudsopgave

CHAP.

OP WEG NAAR HET OOSTEN - Bartenstein, 15 Mei 1919

UIT OOST-PRUISEN - Koningsbergen, 18 Mei

DE VEROVERING VAN RIGA - I. Riga, 23 Mei

DE VEROVERING VAN RIGA - II. Riga, 22 Mei

LETLAND - Libau, 23 Mei

LITAUEN - Kowno, 4 Juni

OP WEG NAAR HET OOSTEN - Kowno, 16 Juni

TE WILNA AANGELAND - Wilna, 18 Juni

UIT LITAUEN - Wilna, 20 Juni

DOOR POLEN - Warschau, 23 Juni

WARSCHAU - I. Warschau, 28 Juni

ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN IN POLEN - Warschau, 2 Juli

IN AFWACHTING - Warschau, 5 Juli

POOLSCH ALLERLEI - Warschau, 8 Juli

OP WEG NAAR RUSLAND - Bogdanof, 15 Juli

EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN

EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND - Berlijn, 30 Augustus, 1919

MIJN DAGBOEK - I. Krosne, 28 Juli

Aan het poolsch-bolsjewistische front - II. Radoskowitsj, 29 Juli

Door het bolsjewistische front - III. Slavino, 3 Augustus

Naar Smolensk - IV. Polosk, 5 Augustus 1919

Op weg naar Moskou - V. Smolensk, 7 Augustus

In Moskou - VI. Moskou, 9 Augustus

Te Moskou - VII. Moskou, 11 Augustus

De terugreis - VIII. Kowno, 26 Augustus

DE OOSTZEEPROVINCIËN - Berlijn, 3 September

DE STRIJD TEGEN DE SOVJET-REPUBLIEK - Berlijn, 16 September

OP WEG NAAR HET OOSTEN

Bartenstein, 15 Mei 1919

's Avonds aan het station Charlottenburg, Berlijn. Om 8.40 moet de trein naar Oost-Pruisen vertrekken, ik ben er al om acht uur, maar geen denken aan om een kaartje te krijgen, er staan nog wel een honderd menschen voor het loket. Ik heb een pas, zonder welken ik niet eens het recht had een kaartje te koopen, maar wat geeft me dat op dit ogenblik? Gelukkig heb ik niet veel bagage, een handkoffer en een pels, hoe zou ik het anders klaar spelen door de menigte te dringen.

Ik besluit het nu maar zonder kaartje te probeeren, en het gedrang is zoo groot, dat het me werkelijk lukt door de eerste controle heen te komen, maar aan de trap die naar het perron leidt word ik weer tegengehouden "Fahrschein bitte".

Nu komt het er op aan brutaal te zijn. In de eene hand mijn koffer, over den anderen arm mijn pels loop ik haastig door, zonder den beambte een blik te gunnen, hem snel toeroepend: houd me niet op, je weet toch — meer zei ik maar niet, want wat hij weten moest, wist ik natuurlijk ook niet; in elk geval, de overbluffingstheorie, voor de zooveelste maal in practijk gebracht, voldeed ook hier uitstekend, en ongehinderd kwam ik op het gelukkig niet zoo volle perron.

De stationschef, tot wien ik mij wend, weet raad, de twee achterste rijtuigen van den trein zijn gereserveerd voor de commissie die bij president Ebert namens Oost-Pruisen geprotesteerd heeft tegen de vredesvoorwaarden. Daarbij mag ik mij aansluiten, en zoo tref ik het in alle opzichten. Ik krijg een mooi plaatsje voor deze nachtelijke reis zonder slaapwagen en tegelijk kan ik me van den toestand al direct op de hoogte stellen, aangezien ik met louter kenners van land en luiden in de coupé zit.

Een stukje kwatta doet wonderen en eer wij een uur onderweg zijn, zit ik dan ook zoo familiaar mogelijk met de heeren te praten.

Ik moet mij nog volkomen op de hoogte stellen. Een kaart van Oost-Europa heb ik te Berlijn gekocht, maar dat is dan ook alles. Verder weet ik niets. Ik maak dien avond echter ongetwijfeld groote vorderingen, maar ik zal eerst nogeens een betere kaart moeten zien te krijgen en dan eens een brief wijden aan de balkaniseering van Oost-Europa, want dit is een vraagstuk op zichzelf. Mijn reisdoel is het juist, door eigen aanschouwing hiermee kennis te maken en zoo boegseer ik daarom naar het noorden om mij zoo langzamerhand naar het zuiden te laten afzakken tegelijkertijd zoekend het gaatje, om door de linies heen naar het Verre Oosten een kijkje te nemen.

Mijn reisgezelschap behoort niet tot hen die de revolutie gemaakt hebben, een bankdirecteur, een grootgrondbezitter, een "regeeringsrat". Wanneer het gesprek dan ook op de vredesvoorwaarden komt, waartegen zij heftig protesteeren, neem ik toch de vrijheid hen te vragen: maar hoe denkt de bevolking er nu over? Mijn vraag wordt begrepen, dan zegt me een der heren: ga eens naar Wennig, den Rijkscommissaris voor het Oosten en spreek met hem, hij is meerderheidssocialist, en door de revolutie op dezen post gekomen.

Dan verflauwt het gesprek, we wikkelen ons in onze jassen (hoe dankbaar ben ik een pels meegenomen te hebben) en zoo dommel ik in.

Om tien uur zijn wij in Koningsbergen en dank zij de goede zorg der militaire autoriteiten, vond ik een hotelkamer met bad voor mij beproken.

Na hiervan eerst te hebben genoten, ga ik natuurlijk mijn opwachting bij de verschillende autoriteiten maken en de officieren van den generalen staf, wien ik mijn plannen voorleg. Zij kijken eerst wel wat bedenkelijk, maar wanneer ik hen mijn papieren getoond heb, komen zij bij en beloven mij hun medewerking bij al mijn plannen.

Dat is al veel, en nu naar den regeeringspresident.

Ik laat mij aandienen en een oogenblik later sta ik tegenover een stevige, ik zou haast zeggen hollandsche figuur; rood haar, energiek gezicht, kleine roode snor.

Ik vertel hem het doel van mijn komst en onderwijl bekijken wij elkaar even; een wederzijdsch opnemen, dan gaan wij zitten.

De brandende quaestie is op het oogenblik natuurlijk: wat zal er gebeuren, wordt er onderteekend of niet? Ik vraag dan ook direct: wat denkt u van den toestand?

Het antwoord is zeer beslist, want Pruisen geeft niet toe, men kan in Berlijn doen wat men wil — de bevolking hier, uitgezonderd misschien een handjevol Spartaciërs, zal zich niet door de Polen laten ringelooren.

Dus, zeg ik, als de regeering te Berlijn teekent, zullen Oost- en West-Pruisen zich dan losscheuren?

Zeker, is het antwoord. Deze provincies zijn landbouw-gewesten, wij kunnen ons zelven voeden, uithongeren kan men ons niet, wij hebben kolenvoorraad voor eenige maanden en wij hebben, wat de hoofdzaak is, vastberaden, energieke mannen, die, net als in 1813, er alles op zullen zetten, dit land duitsch te houden.

De machtige toon waarop dit gezegd wordt, maar toch zonder eenig pathos, maakt indruk.

Maar hoe staat het met de Polen, die hier wonen? vraag ik dan weer.

Laat ik eerlijk zijn, zegt de rijkscommissaris, er zijn hier poolsche districten, eilandjes in de overigens absoluut voor de meerderheid duitsche bevolking, maar deze zijn zoo weinig poolsch, dat zij hun krant in 't duitsch drukken, en zij zouden ook niets voor Polen voelen, wanneer de Entente-propaganda niet eenigen indruk gemaakt had. Zij, die tot Polen overgaan, zullen n.l. vrij zijn, van den geweldigen belastingdruk, die op Duitschland zal rusten.

Het is zoo langzamerhand etenstijd geworden, en als ik weg wil gaan, noodigt de rijkscommissaris mij uit met hem te middagmalen.

Zoo leer ik dezen merkwaardigen man, eerst arbeider, later journalist, sociaal-democraat, bij alle partijen hier in 't Oosten zeer gezien en populair, beter kennen.

Hij vertelt me, hoe de keizer hem liet ontbieden om de stemming der bevolking te weten, maar hoe Z.M. hem toen niet aan het woord liet komen; hoe hij eerst tegen het eind der vorige regeering als gezant naar Litauen gestuurd werd, tot de revolutie hem op zijn tegenwoordigen post bracht. De eerste jaren van den oorlog soldaat in hetzelfde gebied, waar hij nu regeert, zegt hij nu in te zien, hoe dikwijls een regeerder gedwongen wordt, maatregelen te nemen, zonder dat hij het er zelf geheel mee eens is; de omstandigheden zijn dikwijls te machtig. Ik bemerk dat hij daarbij, van zichzelf sprekend, op den keizer doelt.

Ik krijg uit dit alles den indruk, dien ik in de laatste dagen meer kreeg, ook onder het volk, dat men de revolutie eenigszins betreurt, of beter, het moment waarop zij is uitgebroken. De vredesvoorwaarden schijnen de Duitschers wakker te schudden, en ten minste hier in 't Oosten laait de vlam van het patriottisme hoog op.

Ik voel, met dien regeeringscommissaris pratend, hoe ik met een man te doen heb, met een figuur, geschikt om te regeeren en te handelen in moeilijke tijden, en het is misschien de grootste fout van het vroegere régime, dat het dergelijke figuren te weinig gelegenheid bood om naar voren te komen.

's Avonds ben ik te gast bij een majoor van den generalen staf, die mij in een allergezelligst familiemilieu meeneemt. Met hem bespreek ik dan mijn plannen voor de reis.

Ik moet eerst nog eens goed bedenken, hoe ik zal gaan; het front is zoo ingewikkeld: hier vechten Duitschers tegen Bolsjewisten, geholpen door de Polen, een eind verder staan Duitschers en Polen weer tegenover elkaar; waar moet ik nu naar toe? Maar daar hoor ik opeens, dat een heel goede vriend, dien ik al jaren ken en met wien ik al zoo menig avontuur beleefde, heel in 't Noorden zit. Dat maakt aan al mijn weifeling een eind. Ik ga ook naar het Noorden.

* * *

UIT OOST-PRUISEN

Koningsbergen, 18 Mei

Het is hier in 't Noorden op het oogenblik nog koud en als men eenige uren in een open auto heeft doorgebracht, zegent men de centrale verwarming op zijn hotelkamer.

Ik ben vanmiddag naar het hoofdkwartier-Oost geweest, in gezelschap van een majoor van den generalen staf.

Langs den gladden breeden weg suisden wij voort, door het prachtige voorjaarslandschap, vlak, hier en daar toch even een golving, net genoeg om relief te geven. Veel weiden passeerden wij met hollandsch vee, zwart-bont, en hier en daar stond een molen, net als bij ons.

Heel vroeger schijnen hier ook hollandsche nederzettingen te zijn geweest, landverhuizers, onder den Grooten Keurvorst hierheen getogen. De huizen zijn groot en welvarend, nu en dan een klein kasteeltje, meer echter nog buitenhuizen.

Wij zijn hier in 't land der groot-grondbezitters, met bijna geen kleinen boerenstand.

De verhoudingen zijn nog patriarchaal, en ook de adel zelf is nog eenvoudig, nog weinig doende aan luxe, meer nog de heereboer.

Kijkt men op de kaart, dan is het land bedekt met historische namen; Eylau en Friedland doen aan Napoleon terugdenken. Wij passeerden het slagveld van Eylau, waar op de plaats, waar Napoleon stond, een eenvoudig gedenkteeken is opgericht; maar dan lezen wij een eindje verder Gumbinnen-Stallupönen en ineens zijn wij weer midden in den tegenwoordiger wereldbrand.

In het hoofdkwartier werd ik heel vriendelijk ontvangen en toen ik mededeelde, dat het mijn plan was door de linies te gaan, bleek men daartegen in 't geheel geen bezwaar te hebben.

De politieke toestand is hier in 't Oosten anders wel buitengewoon ingewikkeld. Ik begin er nu zoo langzamerhand eenig beeld van te krijgen en aangezien het den waarden lezer wel net zoo gegaan zal zijn als mij, n.l. dat hij er niets van weet, zal ik trachten u een klein beeld van den toestand te geven.

Ik voeg er vooraf aan toe, dat dit geen eigen aanschouwing is, maar dat komt later, eerst is het toch wel noodig een algemeen overzicht te geven.

Sedert den wapenstilstand in November is hier in 't noord-oosten een eigenaardige toestand ontstaan doordat de Polen, in afwachting van den vrede, reeds een gedeelte van Duitschland bezet hebben. De Duitschers hebben daartegenover hun maatregelen genomen door hun in de oostelijke garnizoenen gedemobiliseerde troepen met vrijwilligers weer op sterkte te brengen. Tezamen vormen die troepen de "Landesschutz Ost." Deze Landesschutz heeft echter ook nog te waken tegen de bolsjewiki, waarmede de Polen echter ook op voet van oorlog staan. Gedeeltelijk vechten hier dus Duitschers en Polen tegen elkaar, en gedeeltelijk naast elkaar.

De Polen zelf hebben echter nog meer te doen, want ook met Tsjecho-Slowaken en Oekrainers staan ze op niet al te besten voet.

De Bolsjewiki, dat eigenlijk een verzamelnaam is voor troepen op zeer heterogene wijze samengesteld, worden door de Duitschers tegengehouden in Koerland, Estland en Litauen, vroeger russisch gebied dus.

Het front loopt ongeveer van Riga, precies in zuidelijke richting, tot in de buurt van Lyck, waar het duitsch-poolsche, poolsch-bolsjewistische en duitsch-bolsjewistische front tezamen komen.

Dat is ook het punt, waar de liefhebber zich voor duizend roebel naar Rusland kan laten overzetten; er zijn nog wel meer gaatjes in het front, maar dit schijnt een van de meest gebruikte.

In dit vroegere russisch gebied is tusschen de Letten, die daar sedert den vrede van Brest-Litofsk een eigen staat hebben, en Litauen, door het optreden der bolsjewiki een scheuring ontstaan en daar schijnen de eigenaardigste toestanden te heerschen.

Ik hoop er morgen heen te vertrekken en kan u dus binnenkort uit eigen ervaring meedeelen hoe de vork in den steel zit.

De entente schijnt nu geëischt te hebben dat de Duitschers zich uit dit gebied terugtrekken.

Goed, zeggen de Duitschers, weet dan echter wel dat wanneer wij hier weggaan en ons achter de grens van 1 Augustus 1914, d.i. dus ongeveer bij Memel, terugtrekken, de bolsjewiki hier onmiddellijk zullen binnenvallen en dan moet je zelf maar zien hoe je ze er uit krijgt.

De voor de hand liggende oplossing zou zijn dat de Entente er dan troepen heen stuurde, maar dat gebeurt niet, en dientengevolge blijven de Duitschers er rustig zitten.

Te Koningsbergen zelf hoort men van niets anders dan van protestvergaderingen tegen de vredesvoorwaarden, hetgeen zeer begrijpelijk is als men bedenkt, dat Oost-Pruisen te land geheel en al van het duitsche rijk zal worden afgesneden en daardoor in een heel moeilijke positie komt.

Litauen schijnt, hoewel niet bepaald poolsch gemaakt, toch wel door sterke banden met Polen te zullen worden verbonden.

Men beweert in oost-pruisische handelskringen, dat het een schijn van onafhankelijkheid zal behouden, omdat de Engelschen er een goed oogje op hebben om er het hout voor hun mijnen vandaan te halen.

Hoe het zij, de verbittering is groot, en kan aanleiding geven tot zeer eigenaardige gebeurtenissen.

Men schijnt zich tot Hindenburg gewend te hebben om hem te vragen de leiding te nemen bij een algemeen verzet. Die schijnt er echter niet aan te willen en thans hoort men andere namen noemen.

Wij zijn hier in Oost-Pruisen op historischen bodem, en ook in 1813 begon hier de beweging die Duitschland bevrijdde.

Ik sprak dezer dagen een ouden Duitscher, die mij zeide: wij mogen blij zijn dat de entente met zulke voorwaarden voor den dag is gekomen, daardoor vinden wij onszelf terug, en dat hadden wij na de Novemberdagen noodig.

Voor Oost-Pruisen is het dan ook wel om wanhopig te worden. Afgesneden niet alleen van het eigen land, maar ook van Rusland, waar het zooveel handelsbetrekkingen had, want niet alleen in de Oostzee-provinciën leven heel veel duitsche families, groot grondbezitters ook, die, hoewel trouw aan het russische rijk, veel relaties met de Oost-Pruisen onderhielden.

Dat de Polen zeer fel gehaat zijn, blijkt m.i. ook wel uit de plakkaten, die men overal aangeplakt ziet om de doortrekkende poolsche troepen van generaal Haller niet te beleedigen. Daar waar Franschen, Engelschen, Amerikanen overal ongehinderd in uniform door Berlijn loopen, lijkt mij dit toch wel typeerend.

* * *

DE VEROVERING VAN RIGA

I

Riga, 23 Mei

Woensdagavond kreeg ik plotseling bericht, dat er een extra-trein naar Mitau zou rijden; of ik lust had om mee te gaan. Ik pakte in allerijl mijn boeltje en kwam nog juist bijtijds aan het station. Daar hoorde ik wat er aan de hand was. De baltische landweer zou den volgenden dag Riga bestormen en men was zoo vriendelijk mij uit te noodigen om er bij te zijn.

Wij zaten den heelen nacht in den trein en kwamen 's ochtends om 8 uur te Mitau aan.

Toen destijds, na de revolutie, de duitsche troepen werden teruggetrokken, bezetten de bolsjewiki dadelijk na de ontruiming Mitau en Riga, waar een letsch sovjetbestuur werd ingesteld. In Mitau heeft dat bestuur slechts kort geduurd, doch in Riga wist het zich te handhaven. Wat er te Riga voorviel, wist men eigenlijk niet, ofschoon de letsche autoriteiten wel op de hoogte waren. De tegenwoordige minister-president had namelijk, als bolsjewiek vermomd, eenige bezoeken aan de stad gebracht en er met verscheidene personen onderhandeld. Daardoor was den ingewijden bekend, dat de bevolking van Riga met het nieuwe bewind allerminst ingenomen was.

Aangezien Riga met haar 500,000 inwoners, waarvan ongeveer 75,000 Duitschers zijn, de invloedrijkste stad van Letland is, was er de regeering veel aan gelegen, ze weer in haar macht te hebben en zoo kreeg de baltische landweer opdracht, de stad te veroveren. Intusschen konden de Letten daarbij de hulp van de duitsche troepen niet missen, want zoodra één deel van de linie in beweging kwam, moest natuurlijk alles voorwaarts. Daar de bolsjewiki juist de laatste dagen hevige aanvallen deden, hadden de Duitschers echter zelf de handen vol; zij beloofden niettemin, als de baltische landweer oprukte, ook hun vleugel zoover mogelijk naar voren te schuiven, om den samenhang te bewaren.

Bij de verovering van Mitau op de bolsjewiki was gebleken, dat de bolsjewistische letsche bevolking een waar schrikbewind tegen de baltische families — met name den adel — en tegen de letsche bourgeoisie had uitgeoefend. Meer dan duizend menschen waren weggesleept of gedood en bijna elke baltische familie heeft het verlies van een of meer leden te betreuren. In de meeste gevallen waren de vrouwen, die door de letsche bolsjewiki in een vrouwenbataljon waren ingedeeld, de hoofdschuldigen.

De verbitterde stemming, die wegens het gebeurde te Mitau aan weerszijden heerschte, maakte den strijd om Riga buitengewoon hardnekkig, daar men over en weer wist dat geen pardon zou worden gegeven.

Van Mitau gingen we — een duitsch majoor van den generalen staf, die bij de bestorming tegenwoordig wilde zijn, een ordonnans-officier en mijn persoon — per auto verder. De oude linie van de bolsjewiki lag weinig meer dan 5 K.M. van Mitau, maar wij wisten dat de aanval die bij 't aanbreken van den dag was begonnen, snel was opgeschoten en dat de bolsjewiki, blijkbaar overrompeld, overhaast terugtrokken.

Wij konden gemakkelijk uitmaken waar gevochten werd, omdat de baltische kabelballon ons de plaats wees vanwaar de staf den strijd leidde en wij zagen dadelijk dat de landweer in enkele uren zeer aanzienlijk was opgeschoten. Wij snorden in snelle vaart langs den weg, voorbij de twee oude linies en daarna door het gebied dat pas nog in handen der bolsjewiki was geweest. Hier was klaarblijkelijk niet hard gevochten, want wij zagen maar weinig sporen van strijd en de weg was nagenoeg leeg. Hoe meer wij echter den kabelballon naderden, des te voller werd het op den rechten weg; wij passeerden treinkolonnes, troepenafdeelingen (alle soldaten droegen duitsche stalen helmen), batterijen, keukenwagens enz., alles zwaar beladen en met stof bedekt. Het leek meer op een volksverhuizing dan op een legermacht, maar niettemin kon een vakman dadelijk waarnemen dat er goede orde heerschte en dat de Balten, aangevoerd door officieren die vroeger in het duitsche leger hadden gediend, hun werk kenden. Wij reden ook een vliegtuig voorbij, dat enkele oogenblikken tevoren met twee officieren te pletter was gevallen. Het terrein was doorsneden met loopgraven en prikkeldraadversperringen; hier lagen namelijk de slagvelden uit den wereldoorlog en nergens was dan ook een huis meer te zien, doch slechts puinhoopen; zelfs de bosschen waren grootendeels vernield.

De kolonnes aan den rechterkant van den weg trokken alle zoo snel mogelijk voorwaarts en toen wij den staf bereikten, die zijn tenten op een weide naast den weg had opgeslagen, hoorden wij dat de bolsjewiki na een achterhoedegevecht nog altijd terugtrokken.

De baltische troepen waren reeds weer in kolonneformatie gebracht en alles stormde voorwaarts om de voeling met den vijand niet te verliezen en hem geen tijd te laten de bruggen over de 800 M. breede Duna te vernielen.

Nadat wij ons eenigen tijd bij den staf hadden opgehouden, waar alle berichten inkwamen — met estafetten, auto's of vliegtuigen — reden wij verder. Het was een schouwspel als uit den ouden bewegingsoorlog; hier waren geen loopgraven, slechts naast en achter elkaar marcheerende kolonnes. Na eenigen tijd zagen wij de eerste huizen der aan deze zijde van de Duna gelegen voorstad van Riga. Toen wij die voorstad binnenreden sprong een jong kapitein op onze auto toe en riep "rijd niet verder! De weg ligt onder machinegeweervuur. Er wordt nu om de brug gevochten."

Wij volgden den goeden raad op, stapten uit en slopen langs de huizen verder naar voren. Het was een breede straat waar wij doorkwamen; angstige bewoners gluurden hier en daar uit de vensters. In het midden was de straat vrij, daar lagen eenige dooden op den rug. Aan beide kanten trokken de troepen voorwaarts met het geweer in den aanslag. Tusschen de gelederen in werden de machinegeweren gedragen; ik zag ook eenige gevangenen die als munitiedragers dienst deden. Van de brug weerklonk hevig vuur.

Opeens viel vlak bij ons een schot uit een tuin; dadelijk drong een patroelje er binnen en even later zagen wij een bolsjewiek den tuin uitrennen en meteen neervallen, door een kogel getroffen.

De officieren, die de Balten aanvoerde; hadden allen geweren genomen en naar beide kanten van de straat werd nu front gemaakt. Men zei dat er nog meer bolsjewiki in de naastgelegen tuinen zaten, en dat bleek ook juist want overal om ons heen werd geschoten. Niettemin bleef de orde in de steeds voortrukkende kolonne voorbeeldig.

Plotseling, na een hoek te zijn omgeslagen, zagen wij de bruggen over de Duna, een voor de spoorlijn en de andere voor voetgangers, voor ons liggen met op den achtergrond de stad Riga. De bruggen waren ongeschonden in handen der baltische troepen gevallen, die reeds op den overkant der rivier in gevecht gewikkeld waren. Men kon duidelijk zien hoe uit de huizen op hen gevuurd werd. Tot mijn verbazing bewoog zich, ondanks het groote gevaar, een dichte menigte burgers, o.w. vele vrouwen en kinderen, op de kade. Toen daarop echter de machinegeweren begonnen te ratelen en de zware slagen der mijnwerpers weerklonken, renden allen weg en zochten dekking achter muren.

Het gevecht was zeer goed te volgen, zelfs met het bloote oog. Het ging om de huizen waaruit geschoten werd, waarin men de projectielen der mijnwerpers kon zien inslaan. Steeds nieuwe troepen trokken over de bruggen en in omgekeerde richting begon reeds de stroom van gevangenen, die aan onzen kant van de rivier werden verzameld. Dan werden de leiders, die verantwoordelijk werden gesteld voor de begane wreedheden, er uit gezocht en na kort verhoor standrechtelijk neergeschoten. Bijna allen stierven koelbloedig; slechts één trachtte, natuurlijk te vergeefs, te vluchten.

Middelerwijl was vlak bij ons een batterij opgesteld, die de huizen aan den overkant onder vuur nam.

Nadat wij het onvergetelijke schouwspel geruimen tijd hadden gadegeslagen, zochten wij onze auto weer op en slaagden er in, daarmee over de brug te komen.

Op den anderen oever, in de stad, lagen overal dooden. Wij hadden in onze auto enkele met karabijnen gewapende officieren medegenomen en toen wij de stad binnenreden woedde de strijd nog aan alle kanten. Er hing een verstikkende reuk van gas, dat uit de kapotgeschoten leidingen ontsnapte, in de straten. De winkels waren overal gesloten; hier en daar waren verordeningen der sovjetregeering aangeplakt en wapperde de roode vlag nog.

Baltische patroeljes trokken evenwel reeds door de straten en bevalen alle vensters te sluiten, en toen wij in een rustiger wijk kwamen, werd onze auto met luid gejuich begroet. Uit alle vensters wuifde men ons met zakdoeken toe. Men kon het den menschen aanzien dat hun een pak van het hart viel, toen zij de bevrijders zagen. Een oude dame kwam op ons toe en snikte "God heeft ons toch niet verlaten. Maar wat hebben we geleden. De citadel zit nog vol gijzelaars en ook de centrale gevangenis. Haast u, anders worden ze doodgeschoten."

Ook de soldaten werden met geestdrift begroet. Hun intocht was een ware triomftocht.

* * *

II

Riga, 22 Mei

Het begint te schemeren, een eigenaardige schemering, daar het op deze breedte om dezen tijd van het jaar bijna geen nacht wordt.

Het motregent; bij het trieste weer treft te meer de geweldige somberheid, die over deze groote, haast uitgestorven stad is gekomen. Nergens brandt licht. De huizen maken een uitgestorven indruk, daar alle gordijnen verdwenen zijn.

Aan alle kanten wordt nog geschoten; uit oostelijke richting, waar de vijand in de voorstad nog stand houdt, klinkt zelfs 't geweervuur als van een veldslag met er tusschendoor het geschutgedonder.

Soms ratelt plotseling een machinegeweer door de straten; wij zijn er zelf in den auto ook bijna het slachtoffer van geworden, maar het vuur ging over onze hoofden heen.

Onmiddellijk wierp alles zich tegen de huizen, een mijnwerper reed op, werd afgelegd, en het huis, waaruit de vuurstralen kwamen er mee beschoten.

In de straten waar het rustiger was, en alle huizen onderzocht waren, verzamelde zich een dichte menigte die met onbeschrijfelijk gejubel de nu aan alle kanten binnenstroomende troepen begroette.

Onze auto wordt ook herhaaldelijk bestormd; hoeveel handen ik in dien korten tijd gedrukt heb weet ik niet. Alle vrouwen huilen.

Overal liggen lijken, het meest op de hoeken der straten. Soms een paar boven elkaar, lang uitgestrekt met een bloedvlek tegen den muur. Dat zijn de standrechtelijk neergeschotenen.

Allen dragen ze de eigenaardige, bruingekleurde, russische militaire jas. De meesten hebben geen schoenen meer aan; die heeft men ze afgenomen, om ze zelf te dragen.

Overal heerscht groote angst omtrent het lot van de 1500 gijzelaars. Een oud dametje komt naar me toe, en vraagt me snikkend of ik iets weet; haar man en haar zoon zijn in handen der bolsjewiki. Wij rijden dus naar het Hotel Petersburg, waar de staf zijn intrek heeft genomen, en vernemen daar dat het gelukt is de 1500 gijzelaars uit de gevangenis te bevrijden; maar bij de citadel is men te laat gekomen: daar lagen 30 doodgeschoten gijzelaars. De lijken waren nog warm. Verder zijn er nog een aantal meegenomen, omtrent wier lot niets bekend is.

Men vraagt mij of ik mee wil, om den lijkenstapel te gaan zien, maar daar heb ik geen zin meer in. Ik ben doodmoe, en moet bovendien mijn brieven nog schrijven en dan nog telegrafeeren en dan tevens zien hoe ik mijn berichten weg krijg.

Het zal echter moeilijk zijn in de stad kwartier te krijgen en daarom besluiten wij met den auto terug naar Mitau te gaan, om dan den volgenden morgen weer vroeg hierheen te komen.

In de hall van het hotel begint zich een angstige menigte te vormen, vrouwen in 't zwart, met bleeke gezichten, die komen vragen hoe het met hun familieleden, die gevangen genomen zijn, staat. Helaas moet men eenigen mededeelen dat er geen hoop meer is. Zoo zijn o.a. zes protestante geestelijken vermoord.

Dan stappen we in onzen auto, om den terugtocht te aanvaarden.

Het heeft opgehouden te regenen, de zon is al onder, maar in 't noorden is nog een eigenaardige glans aan den hemel, die maakt dat het niet geheel duister is.

De twee officieren, die mede in den auto zitten, ontzekeren hun revolvers, de soldaat naast den chauffeur houdt zijn geweer klaar.

Met moeite komen we tusschen de kolonnes door over de brug. Wij gaan nog even naar 't station. Daar is een heele trein met artillerie buitgemaakt, doordat de voorste wagens derailleerden, en de trein zoodoende niet meer weg kon. Er zijn een paar paarden bij verpletterd, een groote bloedige massa. Maar overal ligt bloed en stukken paardenvleesch: de uitgehongerde bevolking heeft in een paar uur alle artilleriepaarden in de wagens geslacht.

Vrouwen met lange messen en armen tot aan de ellebogen rood van 't bloed loopen nog rond of niet hier of daar wat te halen is.

Dan stappen we weer in, en na een snelle vaart van een uur zijn wij weer in Mitau. Ik ben zoo gelukkig iemand te vinden die naar Libau teruggaat en mijn brief en telegrammen mee neemt. Want van hieruit is noch post noch telegraaf.

Ik ben in langen tijd niet zoo uitgeput geweest, en aangezien ik geen ander kwartier kan krijgen, en nergens meer een bed over is, wikkel ik me in mijn pels en slaap een looden slaap op een rustbank.

Den volgenden morgen gaan we alweer vroeg op 't pad. De zon schijnt en thans biedt Riga een heel wat vroolijker aanblik dan den dag tevoren. Er zijn eenige winkels geopend. Wel wordt hier en daar nog geschoten, maar het is toch al veel minder geworden.

Wij gaan te voet de stad in en verwonderen ons over de enorme prijzen der levensmiddelen: een half pond boter kost 150 mark, een pond meel 100 mark. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er in de laatste drie weken ongeveer 5000 menschen van honger zijn omgekomen.

Op straat is het druk, wij worden nog overal met vreugde begroet. De lijken zijn nog niet opgeruimd en trekken vooral de aandacht van jonge meisjes. Het maakt een zeer eigenaardigen indruk, een paar elegant gekleede jonge vrouwen om zoo'n meestal erg verminkt, bloederig lijk te zien staan; ze betasten het zelfs.

Ik zoek het adres van den nederlandschen consul, want ik ben natuurlijk zeer benieuwd om te vernemen hoe het onzen landgenoten gegaan is. Als ik er aanbel, wordt de deur zeer voorzichtig geopend, en groot is de verbazing van den heer Henmark, als ik hem plotseling in 't hollandsch aanspreek.

Hij is geen geboren Hollander, maar van huis uit een Riga'er, die echter gedurende de zeven jaren, die hij in Nederland heeft vertoefd, zich heeft laten naturaliseeren. Hij deelt mij direct mede, dat het den ongeveer 20 Hollanders allen goed gaat. Hij heeft het nog al met de letsche sovjet-regeering kunnen stellen.

Hij deelde mij verder mede, dat alleen nog de deensche consul met hem gebleven was. Samen hebben zij toen de belangen van alle vreemdelingen, en niet zonder succes, behartigd. De Zwitsers en Zweden waren onder de hoede van onzen consul gekomen en ook nog een aantal fransche leeraressen aan een fransche school.

De consul maakte op mij een zeer goeden indruk, en naar ik van andere, zoowel hollandsche als buitenlandsche, zijde hoorde, heeft hij de aan hem toevertrouwde belangen met energie verdedigd.

De meeste meubels uit de welgestelde huizen zijn weggehaald, minder om te plunderen, dan wel om er in de Oekraine graan voor te koopen, aangezien men daar het bolsjewistische papier geld niet in betaling wenschte te nemen.

Van soldaten hoorde ik, dat op de bolsjewistische lijken groote sommen gelds gevonden werden, die dan meestal onder de soldaten van een compagnie verdeeld werden.

Aan geld scheen geen gebrek te zijn, maar wat heeft men aan geld wanneer men er het allernoodigste niet voor kan koopen.

De bolsjewiki schenen door den aanval geheel verrast te zijn en zoodoende is de inneming dan ook zoo vlot gelukt, al mag daarbij een woord van hulde aan de troepen niet vergeten worden, die in veertien uur al vechtend ongeveer 60 KM. hebben afgelegd.

De straatgevechten hebben nog de meeste slachtoffers gekost, vooral onder den baltischen adel.

Men mag over dezen adel denken zooals men wil, maar moet erkennen dat zij haar rechten met energie verdedigt, en lang zijn dan ook de lijsten van hen die in den strijd tegen de bolsjewiki gesneuveld zijn.

De man die den staatsgreep van 10 April ensceneerde, baron Manteuffel, behoort ook tot de gedooden.

Het bolsjewistische bewind heeft een groote toenadering gebracht tusschen de niet radicale Letten en de Balten, en bij een vrijzinnige politiek van deze laatsten en afstand van het fabelachtig groote grondbezit zou al veel gewonnen zijn. Of de Balten tot zulke concessie bereid zullen blijken, is echter nog een open vraag.

Als ik in de stad wil lunchen, blijkt mij dat de prijzen nog steeds stijgende zijn, en moet ik voor een allerschraalst maal met wat bier 200 mark neerleggen.

Men is vooral gebeten op de vrouwen uit de vrouwenbataljons, aangezien men gelooft dat deze de gijzelaars hebben doodgeschoten.

Het standrecht is over de stad afgekondigd en overal hebben nog huiszoekingen plaats, aangezien beweerd wordt dat de meeste bolsjewiki niet gevlucht, maar in de stad gebleven zijn, na zich te hebben verkleed.

* * *

LETLAND

Libau, 23 Mei

De verovering van Riga heeft het letsche vraagstuk in een acuut stadium gebracht, en vooral de vraag: wat zal de Entente nu doen? houdt de gemoederen hier druk bezig.

Het is anders een eigenaardig leven hier. Vandaag loop ik even buiten de stad en daar schieten ze mij eensklaps vijf kogels om de ooren. Ja, zeide mij daarop iemand aan wien ik het vertelde, daar moet je hier maar aan zien te wennen; we hebben op die manier een stuk of drie dooden of gewonden per week.

's Middags loop ik in de hoofdstraat, en daar schiet plotseling een heer, die ongenoegen scheen te hebben met een ander, er lustig met een revolver op los, en treft daarbij, dat is nog het wonderlijkst van de heele geschiedenis, niemand.

Van avond staat er in de libausche courant, dat het kurhaus aan het strand, met het oog op 't treurige voorval, dat de heer X. den heer Z. een paar dagen geleden tijdens het concert heeft doodgeschoten, en mede om de kolenbesparing, een uur eerder gesloten zal worden.

Het verband tusschen die schietpartij, de kolenbesparing en de vroegere sluiting is mij wel niet geheel duidelijk, maar het geheel werpt toch wel een typischen kijk op het leven hier.

Toch is er geen gebrek aan besturende lichamen. Hier is in de eerste plaats generaal Von der Goltz, de commandant van de duitsche troepen, en gouverneur van de stad. Aangezien hij de eenige is die over een behoorlijke strijdmacht beschikt, heeft hij vermoedelijk wel het gezag in handen, in zooverre hij niet wordt belemmerd door een der drie ententemissies.

Dan hebben wij de nieuwe regeering, het kabinet-Needra, dat decreten uitvaardigt waaraan geen mensch zich stoort, en zijn macht tracht te ontleenen aan de letsche troepen, die geen soldij krijgen en daarom ook verder niets uitvoeren.

Verder hebben wij één schip in de haven, d.w.z. een koopvaarder (oorlogsschepen zijn er genoeg) en daarop troont de door den staatsgreep van 16 April door de Balten afgezette minister-president Ulman. Hij durft er niet afkomen, uit angst aan land te worden gevangen genomen en daarom blijft hij rustig aan boord onder bescherming van de oorlogsbodems der Entente.

Men mompelt in de stad, dat hij bezig is aan een zeer radicaal program omtrent de verdeeling van het grootgrondbezit, waarbij hij de bosschen reeds aan de Engelschen verkocht zou hebben.

Men ziet hier ontbreekt alleen nog de prins Von Wied, om er een grootsche herhaling van Albanië te kunnen geven.

Dan zijn er drie entente-missies: een engelsche, die Ulman schijnt te steunen, een amerikaansche, die de nieuwe regeering niet ongunstig gezind is, en nog een fransche, die in mooie pakjes over straat loopt. Wij zouden haast de hoofdzaak nog vergeten: de Balten en de Letten, die elkaar ook weer niet al te best kunnen zetten, en dit alles te zamen heet "Latvija", zooals op de postzegels staat. Men heeft bij de voortschrijdende balkaniseering van Oost-Europa niet vergeten, dat ook de Zuid-Amerikaansche republieken in vele opzichten de navolging waard zijn, en zoo komen er steeds weer nieuwe series postzegels uit.

Minister Needra heeft wel een zeer zware taak, nog vermeerderd doordat hij nu en dan gedwongen is onvrijwillig vacantie te nemen. Hij was laatst n.l. op een gegeven morgen verdwenen, en bleek opgelicht door eenige letsche officieren. Het gelukte hem echter, zij het ook in zijn hemd, te ontkomen en daarop herriep hij onmiddellijk de acte van afstand die men hem gedwongen had te teekenen.

De heer Needra beschouwt het als zijn voornaamste taak het bolsjewisme te bestrijden. Van hem ging dan ook de krachtige druk uit om Riga te bevrijden. Verder tracht hij, naar het schijnt niet zonder eenig succes, een compromis met de baltische baronnen te sluiten om tot een betere verdeeling van den grond te geraken. Om daarmee een begin te maken heeft de regeering aan de rijksduitsche onderdanen, die in de baltische landweer dienst nemen, onder voorwaarde dat zij zich als Letten laten naturaliseeren, tachtig morgen land beloofd, ten einde op die wijze tot de schepping van een kleinen boerenstand te komen.

Voor den strijd tegen het bolsjewisme heeft de regeering op het oogenblik de beschikking over de duitsche troepen, de baltische landweer, die v.n.l. uit duitsche Letten is samengesteld, en de letsche troepen. Het gedeelte van deze laatste, dat aan het front staat, schijnt uitstekend te vechten; de letsche troepen, tot dusver in Libau, schijnen te veel verpolitiekt te zijn.

Hoe goed de inheemsche troepen ook vechten, hun aantal is veel te gering om het alleen tegen de bolsjewistische troepen te kunnen opnemen, en daarom is men hier zeer benieuwd hoe lang de Duitschers nog zullen blijven. Want niet alleen dat de Duitschers de bolsjewiki aan het front tegenhouden, ook in Libau zelf zijn zij uiterst noodig om daar de regeering te handhaven.

Het is dezer dagen door een toeval aan het licht gekomen, dat het laatste offensief der bolsjewiki, dat door de verovering van Riga gestuit werd, ondersteund had moeten worden door een opstand der libausche bevolking.

Men heeft het complot nog bijtijds ontdekt en toen een grooten voorraad wapens en ontplofbare stoffen, waaronder veel handgranaten, in het centrum van de stad verborgen gevonden.

Trekken de Duitschers zich uit Letland terug, dan is het ook na een paar dagen weer in de handen der bolsjewiki.

De Engelschen denken er anders over. Ik had dezer dagen een onderhoud met een der leden van de engelsche missie, die meende dat het alleen een kwestie van voedsel was en dat de duitsche troepen best gemist konden worden. Waarop ik hem antwoordde: wanneer er dan tenminste engelsche troepen voor in de plaats komen. Dit schijnt echter niet de bedoeling van de Engelschen te zijn.

Merkwaardig is wel dat de Amerikanen den laatsten tijd tegenover de Duitschers een heel andere houding hebben aangenomen en ook het kabinet Needra schijnen te steunen.

Achter dit alles ligt echter een strijd van groote tragiek verborgen, de strijd n.l. van de duitsche Letten voor het behoud hunner cultuur, die eigenlijk de eenige cultuur van het land is. Want de Letten zelf zijn altijd overheerscht, en hebben nooit iets beteekend. Het waren alleen uitstekende soldaten onder het tsarenrijk, zooals nu nog de geregelde letsche regimenten de garde van Trotzky vormen.

Het is merkwaardig hoe weinig de Russen zelf hier hebben achtergelaten; men bespeurt nergens meer de teekenen der russische heerschappij, ook in Riga niet, dat een geheel duitsche stad is. Er worden hier dan ook maar twee talen gesproken, duitsch en letsch. Nu moeten het intellect en de middenstand, die beide duitsch zijn, en de meerderheid der duitsche Letten vormen, echter lijden onder den haat der bevolking tegen de grootgrondbezitters, de baltische baronnen.

Wel heeft in den laatsten tijd het gedeelte der Letten, dat zich eveneens door het bolsjewisme bedreigd voelt, zich bij de Balten aangesloten, maar tezamen zijn ook die niet sterk genoeg om de in de laatste jaren krachtig uit Rusland met bolsjewistische propaganda bewerkte bevolking in toom te houden. Het is dan ook mijn vaste overtuiging, dat op het oogenblik, waarop de Duitschers weggaan, het geheele land bolsjewistisch zal worden.

Ondertusschen is men druk bezig, het heele land van den druk der letsche sovjet-regeering te bevrijden en binnen korten tijd zal dat over het geheele land wel gelukt zijn.

Maar wat nu?

De regeering verplaatst binnenkort haar zetel naar Riga en zal van daar uit het land verder regeeren, wanneer zij er in slaagt zich staande te houden.

Doch ook in dit geval geloof ik niet aan de toekomst van dit land, omdat het uitsluitend een kustgebied is, en zijn vroegeren bloei ontleende aan de gunstige ligging der havens Libau en Riga, met het geheel westelijke Rusland als achterland.

Bekijkt men de kaart, dan ziet men, dat Litauen in het noorden zoover vooruitspringt, dat Letland in twee deelen wordt gesplitst, door een kleine kuststrook verbonden, waar juist Riga ligt.

Het land is dan ook onafscheidelijk met Litauen, dat nochtans weer een geheel andere cultuur heeft, verbonden.

In de aan Duitschland voorgelegde vredesvoorwaarden moet het Memel afstaan en dit is gedaan om Litauen, dat, hoewel het niet geheel poolsch, daaraan toch door tal van banden gehecht zal worden, een eigen haven, al dan niet onder contrôle der entente, te verschaffen.

Dit zou natuurlijk voor Libau en Riga zeer ongunstig zijn. Men ziet dit in letsche kringen ook wel in, en vandaar, dat men er de hoop heeft gevestigd op een niet-bolsjewistisch Rusland.

Een deel der baltische baronnen ziet dan ook met vreugde den steun, dien de Russen van het oude regime bij den strijd tegen het bolsjewisme bieden.

Het meest schijnt men te hopen op een federatief Rusland, waarin dan Letland als bondsstaat zou worden opgenomen en waartoe dan natuurlijk Litauen zelf ook zou moeten behooren.

Ik heb maar enkele stemmen gehoord, die een nauwere aansluiting bij Duitschland bepleitten.

Het is echter voor Duitschland van veel belang, dat het land niet bolsjewistisch wordt, want dat zou den ondergang der duitsche cultuur beteekenen en Duitschland berooven van een kolonisatiegebied, dat het, nu het zijn koloniën misschien zal verliezen, voornamelijk voor zijn middenstand niet zal kunnen ontberen.

Intusschen zit ik hier gevangen, want in Oost-Pruisen staken de spoorwegen en dientengevolge komen ook hier geen treinen aan en kan ik niet weg.

Ik behoef mij echter niet te vervelen, want er zijn eenige theaters en tingeltangels, terwijl ook het badleven aan het strand, nu het weer wat beter wordt, heel aardig is.

Het leven is echter duur, te meer, omdat alles berekend wordt in Oost-roebels, waarvan de koers vastgesteld is op twee mark.

Na tien uur mag tengevolge van den staat van beleg niemand zich meer op straat vertoonen. Ten einde nu toch het bezoek aan theaters, enz. mogelijk te maken gelden de toegangsbewijzen tevens als nachtpermissie.

* * *

LITAUEN

Kowno, 4 Juni

Als paddestoelen zijn zij hier in Oost-Europa uit den grond verrezen, de nieuwe staatjes, Estland, Letland en Litauen.

Van Letland heb ik u 't een en ander medegedeeld en thans wil ik 't hebben over Litauen, waar ik op 't oogenblik vertoef en nog wel in de tijdelijke hoofdstad en zetel der regeering, sinds Wilna door de Polen is ingenomen.

Hoe lang Litauen als staat met een eigen regeering bestaat, weet ik niet precies, ik geloof een maand of zeven, maar in dien tijd heeft het reeds vier regeeringswisselingen gehad en al dien tijd met het in wording zijnde leger naar twee kanten front moeten maken, n.l. tegen de bolsjewieken en tegen de Polen.

Litauen heeft wel is waar een eigen taal, maar het is er mee als met het letsch; voordat van een onafhankelijk Litauen gesproken werd, was het niet meer dan een boerendialect, terwijl in de steden russisch en poolsch gesproken werd.

Het intellect is hier dan ook niet, zooals in Letland, duitsch, maar poolsch, en ook de grootgrondbezitters zijn Polen, waarnaast men echter een vrij talrijken kleinen boerenstand aantreft. Dit en ook het ietwat liberaler optreden der poolsche magnaten maakt, dat de tegenstellingen minder scherp zijn dan in Letland, en Litauen is dan ook veel minder bolsjewistisch gezind.

Het groot aantal joden (in Kowno zijn zij zoo talrijk, dat het jiddisch er als een der erkende talen is toegelaten) helpt de tegenstellingen verzwakken, daar de joden hun eigen politiek voeren. Aan den anderen kant toch ook weer niet, omdat zij een voortdurende neiging hebben met de meerderheid mee te gaan.

Litauen, zonder Polen, Joden of Russen, kan slechts op heel weinig intellectueelen bogen, vandaar dat men bij de vorming van een nationaal ministerie op de grootste moeilijkheden stuitte, want men had ternauwernood genoeg krachten beschikbaar om het aantal zetels te bezetten.

Maar dan die regeeringswisselingen, zult ge vragen?

Dat is ook heel merkwaardig.

Men zou met een kleine variant op een bekend Simplicissimus-aardigheidje over Montenegro, kunnen zeggen: de Litauers leven, zooals bekend is, van regeeringswisselingen; daar er echter in geheel Litauen maar materiaal voor één regeering is, blijven dezelfde mannen steeds aan 't roer.

In tegenstelling met de Letten die protestant zijn, zijn de Litauers voor het meerendeel katholiek, waarnaast men nog een vrij groot aantal orthodoxen aantreft.

Aangezien de priesters echter voor een groot deel Polen zijn, hebben zij niet dien invloed als in Polen zelf, hoewel men toch met hun invloed rekening moet houden.

De poolsche grondbezitters missen het scherpe, hoekige karakter der Balten, maar ook het heroïsche, want terwijl deze laatste met het zwaard in de vuist hun rechten verdedigen, wonen de Polen rustig in Warschau, wachten daar betere dagen af en maken alleen een kolossale propaganda om Litauen bij Polen in te lijven.

Dat lijkt echter niet in de plannen der entente te liggen, die ook hier hun missies heen hebben gezonden, en met behulp der plaatselijke pers een geweldige campagne tegen de Duitschers, de eigenlijke stichters van den staat, begonnen zijn.

Men zal zich afvragen, wat de Duitschers eigenlijk nog in Litauen doen, waar ze niet, zooals in Letland, hun eigen kultuur helpen verdedigen, en dan is het antwoord: ze houden den jongen staat op de been en helpen het litausch leger organiseeren.

Trokken de Duitschers weg dan zou het noordelijk deel onmiddellijk door de bolsjewiki, en de rest door de Polen worden bezet.

Bovendien is het voor de Duitschers van groot belang, dat Litauen niet poolsch wordt, aangezien Rusland dan meer binnen hun bereik blijft, en zoodoende het plan der entente om Duitschland door een groot Polen geheel van Rusland af te scheiden, niet uitvoerbaar zal zijn.

De Entente wil Litauen noch aan Polen noch aan de Duitschers geven, doch deze politiek van halfheid maakt dat de Polen zich in het geheel niet storen aan hetgeen er in Parijs besloten wordt en kalm hun gang gaan.

Dat ze daarmee echter te veel hooi op hun vork laden is duidelijk. De Litauers zijn wel is waar niet zeer gevaarlijke tegenstanders, maar het aantal vijanden van den jongen poolschen staat groeit met den dag: Duitschers, Bolsjewiki, Tjecho-Slowaken, Ukrainers, enz. Daarbij komt dan nog, dat de bolsjewiki een kolossale propaganda in het poolsche leger maken, waaraan de Polen zelf hard meewerken doordat ze de duitsche krijgsgevangenen uit Rusland, en de russische uit Duitschland, die bij hen de grens over trekken, naar Warschau voeren, en naar men beweert voor een gedeelte in hun leger aanwerven.

De gevangenen zijn de beste propagandisten die de sovjetregeering heeft, en ik denk dat dat wel een der redenen zal zijn, waarom de duitsche regeering de Polen in dezen, zonder al te veel protest, maar kalm hun gang laat gaan, want daardoor raken zij ze kwijt en hebben hun vijanden er last van.

Ondertusschen moet de gevolmachtigde voor Litauen, dat is een soort gezant, trachten de vraag op te lossen wat Duitschland nu eigenlijk is, een bezettende mogendheid of de leverancier van een hulpkorps. Men schijnt in deze een modus vivendi te hebben gevonden in het begrip "bevriende mogendheid".

Ondertusschen een bevriende mogendheid die er de lakens uitdeelt.

De Litauers gaan echter bijzonder onafhankelijk doen door een eigen paspoort-centrale op te richten, met het gevolg natuurlijk dat de arme reizigers er de dupe van worden, aangezien zij thans een dubbel visum noodig hebben, een van de Duitschers en een van de Litauers.

Het litausche leger in statu nascendi vertoont het beeld, dat men in 't oosten overal kan aantreffen, n.l. bijna geen troepen maar wel een groot aantal keurig gekleede officieren, die den geheelen dag in de koffiehuizen doorbrengen.

Wanneer men dan ook in 't vaderland een litausch legerbericht leest, b.v., zooals laatst, dat Uzjani door de litausche troepen bezet is, dan wil dat zeggen, dat de Duitschers Uzjani veroverd hebben en de Litauers er den volgenden dag zijn binnengerukt, nadat alle gevaar geweken was.

De Duitschers doen werkelijk hun best er van te maken wat er van te maken is, maar het gebrek aan intellectueelen is bij de kadervorming het groote bezwaar en de Polen denken er natuurlijk niet aan zich bij het litausche leger te laten inlijven.

Het zal dus wel een tijdje duren voor men met recht van een litausch leger kan spreken.

Kowno zelf is een vrij groote stad, in een heel mooi dal, door groene heuvels omgeven, gelegen.

Er zijn een paar hoofdstraten, met een eigenaardige bestrating, daar de Duitschers overal flinke trottoirs hebben aangelegd, aangezien in den winter de modder en sneeuw het verkeer anders geheel onmogelijk zouden maken.

Men vraagt zich met verbazing af, hoe het mogelijk is, dat Kowno vroeger tot de groote russische steden gerekend werd, als men de kleine, voor 't meerendeel houten huizen ziet, en verder de geweldige armoede, die 't grootste deel van de stad ten toon spreidt, en die niet het gevolg van den wereldoorlog schijnt te zijn.

Het geheel is typisch russisch. Vooral ook de kleine voertuigjes met de gebaarde koetsiers en de kleine op vreemde wijze ingespannen paardjes.

Voor reizigers die naar Rusland willen, is Kowno een belangrijke pleisterplaats, vanwaar men dan door de linies moet trachten Dunaburg te bereiken, waar de spoorlijn naar Moskou begint.

De Polen zijn echter druk bezig een poging te doen deze sterke vesting te veroveren, en dan wordt het moeilijker, omdat dan de heele reisroute veranderd wordt en over het naaste groote russische station Minsk, dat van uit Duitschland veel moeilijker te bereiken is, gaat loopen.

Aan het front is de toestand zeer eigenaardig; in de vesting Dunaburg vechten Duitschers en Polen naast elkaar tegen de bolsjewiki; in het zuiden echter staan ze tegenover elkaar. Alles wijst er op, dat de poolsche troepen het vaste plan hebben tot de bezetting van geheel Litauen over te gaan.

Daar zij tegenover Duitschland hetzelfde voornemen koesteren, vraagt men zich met verbazing af waar dat heen moet, en, gelijk ik ook reeds telegrafeerde, ziet de toekomst van Oost-Europa, en daarmee van ons geheele werelddeel, er inderdaad zeer somber uit.

* * *

OP WEG NAAR HET OOSTEN

Kowno, 16 Juni

Ik tracht mij steeds voor te stellen, dat ik alleen en uitsluitend voor mijn pleizier op reis ben, en dikwijls gaat dat ook heel goed, maar zoo nu en dan wordt het toch wel lastig, vooral als de derde klasse coupé, waarin geen ruit meer heel is, overvol is met menschen, die in alle mogelijke houdingen tegen elkaar geleund trachten te slapen.

Zoo'n heelen nacht in zittende houding door te brengen op een harde bank, terwijl je je bijna niet bewegen kunt, maakt dat men zich den volgenden morgen als geradbraakt voelt, en dan komt daarbij, dat alle waschgelegenheid ontbreekt en men tot zijn schrik gaat ontdekken, dat alle middelen, waarmee de kleeren volgedrenkt zijn, niet geholpen hebben en een bezoek aan de "Entläusungs"-inrichting toch noodzakelijk zal blijken.

Het is echter ook alweer een zaak van wennen, en ik heb de gelukkige eigenschap altijd te kunnen slapen, hetgeen in deze dagen op reis naar het oosten niet genoeg te waardeeren is.

Over afstanden krijgt men wel een ander idee dan bij ons thuis, waar we nu eenmaal niet langer dan zeven uur in een trein kunnen zitten. Tweehonderd kilometer noemt men hier vlakbij, een treinreis van drie dagen is een kleinigheid, een reis van vierentwintig uur is heelemaal niets.

Heeft men zich daar eenmaal ingedacht, en dat is noodzakelijk, dan gaat alles ook vanzelf, en dat is maar goed ook, want naast de reismoeilijkheden zijn er nog zooveel andere van heel wat meer beteekenis te overwinnen, dat alles er bij in het niet verdwijnt.

Er is nu bijna vijf jaar oorlog in Europa, bij ons te lande is men het al weer haast vergeten, maar hier in het Oosten, waar we nog in de oude, toch alweer voor een serie nieuwe oorlogen staan, herinnert alles er aan. Langer dan vierentwintig uur van te voren een plan maken gaat niet, want dan is de militaire en politieke toestand alweer zooveel veranderd, dat niets meer klopt.

Ik wil naar Rusland, naar Moskou. Dat is te doen; het allereerste wat noodig is, is passen en geld.

Goed, ik ga een paar dagen naar Berlijn, verschaf mij de noodige passen, met al de noodige visa, krijg geld gestuurd, huur een tolk en wij gaan op reis, om te beginnen terug naar Kowno.

Mijn tolk, een brave jonge man, die uitstekend poolsch en russisch spreekt, wil zijn vrouw, een Russische, naar Rusland brengen, nu bewijzen wij elkaar een dienst: ik zal hem door de linies, hij moet me in Rusland verder helpen.

Het jonge paar, dat voor deze gelegenheid geheel in mijn dienst komt, zij als secretaresse, hij als tolk, zal met mij de reis van Berlijn uit maken.

Daar begint het al: terwijl ik, mijn Pappenheimers en de reisgelegenheid kennend, niet anders mee heb dan een leeren jekker, een overjas, een rugzak en een handkoffer, hebben de brave echtelieden ongeveer een taxi vol bagage bij zich.

Ik kijk natuurlijk direct bedenkelijk, maar zwicht voor de gevaarlijkste aller elementen, n.l. vrouwentranen, die opwellen als ik drie-vierde wil achterlaten.

Gelukkig helpen de spoorwegbeambten goed mee, en toen wij gisteren in Kowno aankwamen, was juist de helft al zoek, tot mijn heimelijk genoegen natuurlijk.

Zij zijn echter wijs geworden en houden hier op 't oogenblik uitverkoop.

Nu moeten wij zien hoe wij hier vandaan komen, en liefst zoo spoedig mogelijk, want het oorlogsgevaar komt met den dag dichterbij.

De Oost- en West-Pruisische pers geeft hoofdartikelen, die aan duidelijkheid niets te wenschen laten, en de poolsche troepen worden met den dag roeriger.

Ik reken dan ook met alle mogelijkheden; er is dan ook nu geen terug meer mogelijk, voorwaarts dus!

In groote lijnen staat mijn plan vast. Moskou is het einddoel, hoe ik vandaar terug kom weet ik nog niet; dit is ook niet vooruit te zeggen.

Het eenige wat te doen is, is de kaart van het land kennen, iedereen, die in Rusland geweest is, ieder ambtelijk bureau, waar ze ook maar iets weten, uithooren.

Elken dag bestudeer ik de kaart, lees alle mogelijke bladen, mijn notitieboekje is bijna vol.

Ik moet weten, hoe de stemming in Rusland is tegenover vreemdelingen, hoe de treinverbindingen zijn, of Dunaburg een betere verbinding met Moskou heeft dan Minsk. Welke waarde de Kerenskyroebel op het oogenblik heeft. Wat zijn de plannen der Duitschers Wat doet de Entente? Wat de Polen?

Zoo groeit een plan; het wordt gewijzigd, nog eens gewijzigd, dan staat het vast. De reis zal gaan over Wildomir—Dunaburg. Voor Dunaburg staan de bolsjewiki, daar moet ik er door zien te komen.

Dan ineens komt het bericht: over Dunaburg is het onmogelijk te reizen, want de Litauers en Polen vallen aan.

Waarschijnlijk; nooit krijg je een zéker bericht; dus er op uit om te vernemen wat er van waar is.

Zoo is het mij heden ook gegaan; alles was klaar om over Dunaburg te reizen, en nu komt het bericht: Dunaburg wordt dezer dagen aangevallen.

Den geheelen middag ben ik er op uit geweest om te onderzoeken wat er waar aan is, en het resultaat is, dat het in elk geval onraadzaam zal zijn dezen weg te nemen.

Nu moet een ander plan gemaakt worden; de kaart wijst aan over Wilna-Minsk; nu er weer op uit om te onderzoeken of het mogelijk zal zijn, eerst door de duitsch-poolsche, dan door de poolsch-russische linies te geraken.

Dat geeft weer heel wat arbeid — de weg moet verkend, de noodige visa verschaft, poolsch geld gewisseld, geïnformeerd worden hoe ik gaan moet, per trein of per wagen, en dan komt weer het voornaamste: de militaire en politieke toestand.

Wanneer zal de poolsch-duitsche oorlog uitbreken, hoe zal het front daar loopen, wat doen de bolsjewiki Daar tusschen door hoor je duizend en een nieuwtjes, die soms gelijkluidend, soms geheel tegenstrijdig zijn, en dan moet er geschift, gecombineerd worden, en dan nog eens een of andere autoriteit die het weten kan geïnterviewd, en dan eindelijk besluit ik, weer eens een telegram naar Nederland te zenden.

Men zal vragen: maar wat heeft het voor iemand in Kowno voor beteekenis of Koltsjak verslagen is of niet, wat beteekent het voor hem of de tsaar al dan niet dood is.

Toch zijn dit uiterst gewichtige zaken. Is Koltsjak verslagen, wat ik thans als zeker moet aannemen, dan moet er rekening mee gehouden worden, dat er binnen drie weken russische versterkingen naar het westfront komen en dat dus ongeveer binnen een maand Russische aanvallen te verwachten zijn.

Leeft de tsaar, zoo is de kans op reactie in Rusland veel grooter, hetgeen natuurlijk voor een buitenlander van zeer veel beteekenis is.

Zoo ben ik den ganschen dag druk bezig en schiet er bijna geen tijd over om eens rustig een brief te schrijven en eens indrukken te geven van deze typisch russisch-oostersche omgeving.

Misschien krijg ik er den tijd voor, want hoewel ik het plan heb overmorgen naar Wilna te trekken, ben ik in een ernstig conflict geraakt met de litausche autoriteiten.

Mijn pas is n.l. niet voorzien van een litausch visum, dat bij een gezantschap in Berlijn te verkrijgen schijnt te zijn. Nu was het echter niemand in Berlijn bekend, dat daar een litausche vertegenwoordiger zijn tenten heeft opgeslagen. Men weigerde mij daarom hedenmorgen een permissie te geven om door het front te komen en stuurde mij, volgens het in het heele Oosten bekende recept, van het kastje naar den muur.

Ik heb de noodige ervaring op dit gebied, en al sigaretten aanbiedende kwam ik toch langzaam voorwaarts, totdat ik ontdekte dat de helft van het beambtendom niet lezen of schrijven kon.

Toen werd de zaak lastiger en aangezien de heeren niet erg vast in de geografie bleken te zijn, was ook het feit dat ik Hollander was voor hen van weinig beteekenis. Een toeval bracht mij echter in contact met den litauschen opperbevelhebber.

Ik heb onder niemand minder dan mannen als Bennett Burleigh, Ludovic Naudeon, Barzini en anderen geleerd, hoe men als journalist de rechten van de pers verdedigen moet en heb dan ook dien generaal behoorlijk de waarheid gezegd; ik ben wat de Duitschers zouden noemen "saugrob" geworden en heb mij vervolgens direct beklaagd bij den duitschen gezant en bij de entente-missies, om neutraal te blijven.

De heeren Litauers zullen moeten leeren dat er ergens in Rotterdam een wereldblad verschijnt, welks vertegenwoordigers verlangen behoorlijk behandeld te worden.

Ik heb heden den minister-president laten aanzeggen dat ik hem morgen spreken wil, en dan zullen we hem eens behoorlijk à faire nemen.

Het is te hopen dat de man kan lezen, hetgeen hoogst vermoedelijk van alle ministers niet gezegd kan worden.

Het is hier erger dan ik ooit beleefd heb, niettegenstaande ik, sinds ik den minister van buitenlandsche zaken van een Baltenland eens achter een toonbank in een soort snoepwinkeltje aantrof, niet gauw meer verbaasd sta.

Een duitsch boekje over Litauen begint dan ook met de opmerking: na de Albaneezen zijn de Litauers het domste volk ter wereld.

Hetgeen m.i. beslist onjuist is; de Albanees is n.l. volstrekt niet dom, de Litauer echter zeer, ook in zijn politiek, want hij maakt het de Duitschers zeer onaangenaam, terwijl hij het tegelijkertijd ook bij de Entente verbruit.

De gelegenheid om die twee tegen elkaar uit te spelen, gebruikt hij absoluut niet, vandaar dat de Polen zeer wel gewonnen spel zullen hebben, en het land kalmweg inrekenen, hetgeen wel niet in de lijn der Amerikanen en Engelschen schijnt te liggen, maar den Franschen niet onwelgevallig zal zijn.

Ik maakte heden kennis met den chef der fransche missie, die uiterst vriendelijk en voorkomend was, maar die uitnemend de kunst verstond om even charmant als gesloten te blijven, terwijl ik hem juist graag eens aan 't praten had gehad over de poolsche plannen.

Het is echter wel merkwaardig, hoe verschillend de opvattingen bij de Duitschers en bij de entente zijn omtrent de militaire kracht der Russen.

De Duitschers meenen dat de bolsjewiki een zeer goed en sterk leger hebben, dat alle aanvallers de baas zal blijven; de entente denkt er blijkbaar juist anders over.

M.i. is er meer kans dat de Duitschers gelijk hebben en schijnt het niet uitgesloten dat van dien kant nog allerlei verrassingen te wachten zijn.

* * *

TE WILNA AANGELAND

Wilna, 18 Juni

Zooeven ben ik in Wilna aangekomen, na een tocht van 75 KM., gedeeltelijk per wagen, gedeeltelijk te voet afgelegd, en thans haast ik mij om nog voordat hier 't licht wordt uitgedraaid mijn ervaringen te boek te stellen, in de hoop dat deze brief aankomt, want morgen vroeg gaat de man, die mij hierheen bracht, weer terug, en neemt dan dit schrijven mee. Wanneer het dus in Rotterdam zal aankomen, zal mij voorloopig wel een raadsel blijven, geheel afgesneden als ik hier van elke verbinding ben. Ik moet er dus maar op vertrouwen, dat mijn bode dezen brief niet verliest en hem al dan niet opzettelijk niet vergeet te posten.

Het is nu eenmaal het lot van den correspondent in deze streken, dat hij nooit weet of al zijn geschrijf wel ooit de redactie bereikt.

Mijn plan om over Dunaburg Rusland binnen te trekken moest ik op het allerlaatste oogenblik opgeven, aangezien de Litauers bezig zijn een poging te wagen om het te veroveren, en daarom schoot mij niets anders over dan te trachten over Wilna naar Minsk te komen. Hetgeen al dadelijk dit bezwaar had, dat ik nu twee maal een front moest passeeren, n.l. te het duitsch-litausch-poolsche en 2e het poolsch-bolsjewistische.

Vanmorgen om vier uur gingen wij er dus op uit, mijn dolmetscher met zijn vrouw, nog altijd belast en beladen met veel te veel bagage, en ondergeteekende met een minimum dat tegelijkertijd het maximum van zijn draagvermogen is.

De trein bracht ons naar Koschedory, waar we voor 't laatst de duitsche linie passeerden, hetgeen zonder eenig bezwaar gebeurde, omdat het front veel meer naar voren ligt en bezet is door Litauers.

Nu kwam het er op aan een voerman te vinden, genegen om ons door de linies naar Wilna te brengen.

Gelukkig bleek er eenige concurrentie, zoodat dank zij mede het pingeltalent van mijn dolmetscher de brave "panje" aannam om mijn heele gezelschap met bagage en al voor 1000 roebel te vervoeren.

Het daarvoor bestemde vehikel was niets anders dan een eenvoudig panje-wagentje, zooals ze hier zeggen, op vier wielen, zonder veeren natuurlijk en met een klein, maar ongelooflijk taai paardje bespannen.

Wat het natuurschoon betreft was het een van de mooiste tochten die ik ooit gemaakt heb, maar mijn verwachting dat het een van de meest romantische zou zijn — denk maar eens aan, dwars door twee elkaar vijandelijke linies — werd niet verwezenlijkt, om de eenvoudige reden dat de linies om te beginnen al ontbraken; alleen de hoofdwegen zijn door enkele posten afgezet.

Toen we dan ook het punt, in mijn gedachten reeds het fatale punt, naderden, bleken de vijandelijke voorposten op 10 M. van elkaar, langs den weg, in de zon te zitten knikkebollen.

Wij werden eerst door de Litauers aangehouden, daarna, om zoo te zeggen, een seconde later door de Polen, lieten onze passen zien, deelden, om het nazien der bagage te voorkomen, eenige cigaretten uit, en de gevaarlijke tocht dwars door de linies was volbracht en we sjokten en hotsten nog 30 KM. verder door naar Wilna.

De moeilijkheid ligt ook volstrekt niet in het passeeren der fronten, maar veel meer is het kunnen vertoonen van de juiste visa op je paspoort.

Want dat is eigenlijk de heele zaak, het visum, zoowel van de eene partij als van de andere, en dat is lang niet gemakkelijk, vooral in deze streken die vroeger onder russisch bewind stonden, en die, als erfenis, een geweldige dosis bureaucratisme hebben overgenomen.

Dat is voor mij een vaststaand feit geworden: elk normaal ontwikkeld persoon, die langer dan vijf jaar ambtenaar is, is niet heelemaal normaal meer, en wanneer hij dan nog aan een pascentrale werkt, is zijn toestand hopeloos.

Spreek mij niet tegen. Ik heb in zes weken tijd 87 visa op mijn passen verzameld, en meen dus over eenige ervaring te kunnen beschikken.

Het meest dramatisch moment had dus een eenigszins alledaagsch verloop, en hoewel 't mij aan den eenen kant speet, was ik toch ook maar weer blij dat het zoo afliep.

Intusschen ben ik geradbraakt, door een heelen dag door te brengen op een wagentje zonder veeren, in de gloeiende zon, op deze meer dan ellendige wegen, waarbij dan, en dat was per slot van rekening nog maar gelukkig, heele einden geloopen moesten worden, tegen de hellingen op, want het terrein in deze streken is zeer heuvelachtig.

Zooals ik boven reeds schreef, is het een buitengewoon mooi landschap, maar zeer eenzaam; de enkele dorpjes, die men tegenkomt, uit een paar verspreide, armelijke houten woninkjes bestaande, maken een triestigen indruk.

Overal langs den weg vindt men soldatenkerkhofjes; sommige zijn al oud, ze dateeren van 1915. Dit was in 't begin van den wereldoorlog; dat zijn we nu bijna weer vergeten.

Tegen het donker bereikten wij Wilna, en of het daardoor komt, maar de stad, die anders schitterend mooi op en tegen een paar heuvels gelegen is, maakte een uiterst triestigen en verwaarloosden indruk.

Er zijn zoo van die oogenblikken, zelfs wanneer je veel gereisd hebt, dat er een melancholieke stemming over je komt als je met niemand spreken kunt die je verstaat; je hebt een heelen dag niet gegeten, en bent moe, en dan kom je daarbij een stad als Wilna binnen, in zooverre niet typisch russisch, aangezien er veel hooge en steenen huisjes zijn, maar voor de rest toch ook al weer geheel aziatisch, het meer dan middeleeuwsche plaveisel, de vele joden met lange baarden en kaftans, het stof, de vuilnis op straat enz. enz.

Maar als je eenmaal weer eens goed gegeten hebt, in een goed verlicht lokaal, met veel menschen, vooral officieren, om je heen, dan verandert de stemming toch al weer gauw en wordt besloten den brief toch maar voor het naar bed gaan te schrijven, ten einde hem nog bijtijds den volgenden morgen weg te sturen.

Goedkoop is het leven hier anders ook niet; mijn middagmaal, zij het ook het eenige dat ik heden genoot, was wel is waar goed maar kostte toch alweer 100 roebel. Toen ik af wilde rekenen werd het me geel en groen voor de oogen, want de kellner gaf me van zooveel landen zooveel verschillend geld terug, dat ik er geen steek meer van begreep.

De vriendelijke poolsche luitenant hielp me er mee, en met mijn reeds opgedane ervaring in deze richting kan ik u thans een verhandeling geven over den roebel. Er zijn in Rusland drie soorten: de oude roebel van voor de revolutie, d.i. de czaren-roebel; daarvan is de waarde iets meer dan een mark; dan heeft men het doemageld, dat wel in Rusland voor hetzelfde moet gelden als de czaren-roebel, maar toch maar de helft van dezen waard is. Daarnaast staat de door het duitsche gouvernement uitgegeven z.g.n. Oostroebel, die een gedwongen koers van twee mark heeft en merkwaardigerwijze daarvoor in Polen ook wordt aangenomen, en dan is er nog de Kerenskyroebel; dien kan men bij het pond krijgen, of zoo men wil bij de el, want hij is als naamkaartje gedrukt en heeft practisch geen waarde meer.

19 Juni

Het is vanmorgen prachtig weer en in een heel wat betere stemming dan gisteravond ontwaakte ik; ik kon tot mijn genoegen constateeren dat mijn hotelkamer alleen door mij bewoond werd, en dat is in deze streken zeer veel waard.

Het schijnt vandaag een poolsche feestdag te zijn; processies trekken door de straten, en troepen soldaten met volle muziek aan het hoofd.

Deze laatsten maakten een zeer goeden indruk, en waren op het eerste gezicht niet van Duitschers te onderscheiden, aangezien zij ook allen den bekenden duitschen helm dragen.

Wilna schijnt op 't oogenblik een sterk garnizoen te hebben en men ziet veel officieren, vooral uhlanen, langs de straten flaneeren.

Of het aan mij ligt weet ik natuurlijk niet, maar het geheel maakt op mij een zeer Napoleontischen indruk, de wijze waarop de officieren hun lange kromme sabels dragen, hun eigenaardige hoofddeksels, hun geheele optreden enz.

Het zou ook niet zoo verwonderlijk zijn, want de laatste keer, dat ze zoo ongeveer onafhankelijk waren dateert ook uit die dagen.

Met passen is men hier bijzonder streng en daarnaast zeer antisemitisch. Mijn Dolmetscher, die een half joodje is, zat vanochtend dan al direct vanwege deze reden in 't arrest, waaruit ik hem niet dan met veel moeite kon bevrijden. Gelukkig is hij voor 't oogenblik weer vrij, maar nu zijn ze bezig zijn heele bagage te onderzoeken.

Het gebeurt in de kamer vlak naast mij, en ik ga er nu en dan eens even bij kijken; met de grootste minutieusheid wordt alles onderzocht, maar vinden zullen ze wel niets, want de enkele dingen die verdacht zouden kunnen zijn, zitten in mijn koffer, en die wordt niet onderzocht.

Thans help ik mijn braven Dolmetscher en over een paar dagen moet hij 't in Rusland mij doen.

* * *

UIT LITAUEN

Wilna, 20 Juni

Vandaag is het hier feestdag, een katholiek-nationale feestdag, en zijn dus alle bureaux gesloten, zoodat er niet aan mijn passen gewerkt kan worden, en nu wil ik deze gelegenheid gebruiken om u eenigszins met de geschiedenis van Litauen vertrouwd te maken. Schrik echter maar niet, ik zal niet in geleerde bespiegelingen vervallen, maar onderweg kort ik mij meest den tijd, en vooral de lange avonden, met het bestudeeren van al de boeken die ik machtig kan worden en die mij behulpzaam kunnen zijn bij mijn, zij het ook zeer oppervlakkige, studie van land en volk.

Dat is wel noodig, want zij hebben er hier een handje van om in het verleden te leven, waar een normaal mensch van om zou vallen. Ik ken dat echter; dat kunnen ze in Bulgarije en Servië precies zoo. Ook daar kan een Bulgaar je met het ernstigste gezicht van de wereld verzekeren, dat deze of gene stad eigenlijk bulgaarsch moest wezen, omdat in het jaar 1200 Tsaar zooveel die stad op de Serviërs veroverd had; en precies zoo doen ze hier.

Toen ik het laatst met een Litauer over de grenzen van Litauen had, kwam hij met een kaart aanzetten waarop het litausche rijk in het jaar 1200 afgebeeld was, en op grond daarvan wilde hij o.a. Koningsbergen eigenlijk tot Litauen rekenen.

Of men wil of niet, men moet hier wel eenigszins van de geschiedenis van het land op de hoogte zijn, omdat deze bij de tegenwoordige generatie nog zoo'n groote rol speelt.

Ik laat mij de hoofdartikelen uit de poolsche pers door mijn dolmetscher vertalen en telkens vindt men daarin toespelingen op de geschiedenis.

Nu moet het mij van 't hart, dat men hier wel wat al te hard van stapel loopt, en het jonggeboren Polen al te veel naar het verre verleden wijst, aangezien het heel Polen van voor de eerste deeling terug wil. Nu kan men m.i. 150 jaar wereldhistorie wel niet absoluut negeeren, en ook is het waar dat de Polen alle recht hebben op een onafhankelijk nationaal bestaan, — zij hebben er genoeg voor geleden —, maar ik vind in de duitsche argumenten, die wijzen op hun 150-jarigen cultureelen arbeid in Posen, Silezië en Oost- en West-Pruisen, ook veel waars en het is wel zeer hard om hun dit gebied nu toch maar weer ineens af te nemen.

Helaas, de mogelijkheid om tot een compromis te komen is daarom zoo gering, omdat de fransche missies hier overal met alle mogelijke middelen een zeer krachtige anti-duitsche campagne voeren, en niet zonder succes.

Wilna, de eigenlijke hoofdstad van Litauen, met ongeveer 200,000 inwoners, heeft al heel wat meegemaakt. Duitschers, Franschen, Zweden, Tartaren, Polen, Russen hebben er op hun beurt den scepter gezwaaid. Zoo was het voor 100 jaren het hoofdkwartier van Napoleon toen hij zijn tocht naar Rusland begon.

Wij hebben, en dat is bij den tegenwoordigen politieken toestand nog altijd van groot belang, met drie verschillende volken te doen, n.l. de Litauers, de Wit-Roetenen en de Polen, waarvan alleen de laatsten, niet alleen door hun overwegend aantal maar ook door hun kultuur, in aanmerking komen tot het vormen van een zelfstandigen staat.

Bij de Litauers en Wit-Roetenen is het nationale bewustzijn eerst in de laatste jaren wat wakker geworden, door den druk der russische regeering.

In het verleden heeft Litauen wel is waar een groote rol gespeeld, maar die tijden zijn voorbij.

In de middeleeuwen bestond het russische rijk uit drie groote slavische volksgroepen — de groot-Russen, die in het centrum woonden — de klein-Russen, die in de Oekraine thuis hoorden en nog hooren en de Wit-Roetenen in het Westen.

De litausche vorsten slaagden er in om de Wit-Roetenen aan hun gezag te onderwerpen en zoo een tijd lang een groot rijk te vormen, dat zich echter niet lang staande hield; de Wit-Roetenen kwamen onder russische overheersching. Litauen werd in 't eerst door een gemeenschappelijken koning met Polen verbonden, en ongeveer 1500 werd het geheel een met Polen.

Van 1500 af tot de derde deeling van Polen in 1795 was Litauen poolsch en men kan dus gerust zeggen, dat, daar het litausch eigenlijk niet veel meer dan een boerendialect is, een unie met Polen de meest voor de hand liggende oplossing zou zijn, te meer, daar de cultuur geheel en al poolsch is.

Er is weliswaar in Litauen een strooming, die voor de onafhankelijkheid is, maar m.i. zal die op den duur toch niet krachtig genoeg blijken.

De groote moeilijkheid bij de oplossing van het Oost-Europeesche probleem ligt m.i. voor het grootste gedeelte hierin, dat de entente elke oplossing, die Duitschland gelegenheid zou geven contact met Rusland te krijgen, wil vermijden.

Men heeft, dit is duidelijk voelbaar, in Parijs dezelfde fouten gemaakt, die men in 1815 op het Weener Congres en in 1878 op het Berlijner Congres beging.

Daardoor is ook alle mogelijkheid op een vreedzame oplossing in de toekomst uitgesloten.

Men treft hier dan ook niemand aan, die aan den volkerenbond gelooft, en de poolsche stafofficier die mij op de kaart de poolsche eischen aanwees, ging daarbij ook van de onderstelling uit dat Polen naar twee zijden in de toekomst front zal moeten maken, n.l. tegen Rusland en Duitschland.

Uit strategische overwegingen willen de Polen dan ook het land der Wit-Roetenen, d.i. dus het oostelijk deel van Rusland, bij hun land inlijven opdat o.a. Wilna niet te dicht bij de russische grens gelegen zal zijn.

Geheel ongelijk kan men hun daarbij niet geven en de vredesvrienden die op ontwapening rekenden, zullen dan ook zeer onthutst zijn, als zij de legerplannen der poolsche regeering vernemen.

Over het algemeen kan men dan ook zeggen dat met de tegenwoordige constellatie in Oost-Europa de wereldvrede verder verwijderd is dan ooit.

Over het conflict der Oekrainers en Polen ben ik nog niet voldoende georiënteerd; ik hoop u daarover een volgende maal te kunnen schrijven, evenals over de binnenlandsche politiek.

Een bijzonder gedeelte daarvan is wel het joodsche vraagstuk.

De geschiedenis geeft ook al weer antwoord op de vraag, hoe komen hier in 't Oosten toch zooveel Joden? In Wilna zijn er zoowat 100.000 op de 200.000 inwoners. Ze zijn in de middeleeuwen niet uit Rusland, zooals ik altijd gedacht had, hierheen getrokken, maar van uit Duitschland, waar men ze met geweld gedwongen heeft naar het oosten te trekken.

Door alle eeuwen heen hebben ze hun eigen karakter zeer sterk bewaard en zelfs een eigen taal behouden, een mengsel van duitsch en hebreeuwsch, dat met hebreeuwsche letters geschreven wordt.

Door de russische wetten, die hen verboden zich met akkerbouw in te laten, werden ze wel gedwongen zich alleen tot den handel te beperken en vormden zij daardoor een intermediair tusschen de groot-grondbezitters en de landbouwers.

Ze hebben echter de eigenschap met de meerderheid mee te gaan, en zoo daar een haat tegen de groot-grondbezitters of tegen de overheerschende Russen ontstond, leden zij mede daaronder en waren per slot van rekening bij geen der partijen gezien, hetgeen hen nog meer in hun isolement dreef.

Toch worden de Joden in Polen niet direct gehaat, en komen de moeilijkheden m.i. op het oogenblik daaruit voort, dat zij niet meegaan met het laaiende nationaliteitsgevoel der Polen en zich als natie met hun eigen taal en rechten in Polen erkend wenschen te zien, en daar willen de Polen niets van weten.

Daarbij komt nog iets: de Polen bekijken het bolsjewisme minder van den sociaal-economischen kant, dan wel als een zuiver nationaal-russische beweging en wel speciaal als een semitisch aziatische. Waardoor zij in elken Jood eigenlijk min of meer een bolsjewist zien.

De Polen, die ik ontmoette, weerlegden met nadruk dat er pogroms plaats gehad zouden hebben. Ik kan er niet over oordeelen, omdat ik er niets van gezien heb. Wel heb ik bij de Amerikanen een eenigszins anti-poolsche stemming ontdekt, die haar oorzaak vindt in deze beweerde pogroms.

Nu zeggen de Polen weer, dat dit uitvindsels zijn van een joodsch-amerikaansch comité, dat in de Amerikaansche pers een campagne tegen de Polen voert.

Ook heb ik al gehoord, dat men de Duitschers van deze agitatie beschuldigt, zooals trouwens de entente Duitschland beschuldigt de voedster van het bolsjewisme te zijn.

Een Engelschman zeide mij nog voor eenige dagen: bolsjewism does not exist, it is nothing but something made in Germany.

Trouwens, het heele doen der entente is mij een raadsel. Men spreekt ervan Koltsjak te erkennen, en wat zeggen de Polen openlijk?: Koltsjak, c'est du blague.

Verder nemen de Polen het bolsjewisme echter in 't geheel niet au serieux, hetgeen hun m.i. nog wel eens een bittere ontgoocheling zou kunnen bezorgen.

Wel nemen zij zeer sterke anti-bolsjewistische maatregelen, maar of dat alles helpt?

* * *

DOOR POLEN

Warschau, 23 Juni

Mijn voorlaatsten brief zond ik uit Wilna op dezelfde wijze als ik in Polen gekomen ben, n.l. met den panje (boer) die mij er door de linies bracht.

Ik heb natuurlijk geen flauw idee of deze brief wel ooit Nederland zal bereiken, en daarom vertel ik u nog even, dat ik van uit Kovno, gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk met een wagen, behouden in Wilna, en daarmede in Polen, aankwam, met het doel van uit Wilna door het poolsche front naar Minsk te gaan, van waaruit een directe treinverbinding met Moskou bestaat. Het lot besliste echter anders en zoo schrijf ik u nu van uit Warschau, de hoofdstad van het nieuwe poolsche rijk, waar ik gisteravond na een avontuurlijke reis door het noordoostelijke deel van Polen aankwam. De poolsche militaire autoriteiten wilden mij n.l. wel alleen doorlaten, maar niet met mijn dolmetscher, en aangezien ik geen woord russisch versta besloot ik eerst naar Warschau te trekken om daar voor mijn reisgezelschap de permissie, om met mij Rusland binnen te trekken, te gaan halen. Aangezien ik toch het plan had hierheen te komen, zij het ook op de terugreis, hindert het mij niet erg, en op een zoo lange reis komt het per slot van rekening op een paar dagen meer of minder niet aan. Ik heb bovendien van hieruit nog weer eens gelegenheid een paar brieven naar patria te sturen, en ook dit is op zichzelf al weer heel wat waard. Zij zullen echter een heelen omweg moeten maken, aangezien ik zal trachten ze per koerier naar onzen gezant in Weenen te sturen, met het verzoek, ze wel verder te willen doen transporteeren. De weg Warschau—Krakau—Weenen is n.l. op het oogenblik de eenige verbinding die Polen met de buitenwereld heeft, aangezien het feitelijk aan alle kanten meer of minder oorlog heeft.

In mijn vorigen brief deelde ik u reeds mede, dat Wilna geen bijzonder mooie stad is, en bij nadere beschouwing viel het nog eer tegen dan mee. Wel is het een typische stad, met zijn vele kerken en synagogen, want ook hier wonen naast de zeer katholieke bevolking een groot aantal joden. De commandant van Wilna, een gewezen oostenrijksch officier, ontving mij heel vriendelijk, maar deelde mij direct mede, dat hij mij geen permissie kon geven om door het front te trekken, aangezien alleen de commandant van het heele oostelijke front in Lida mij die kon geven. Deze commandant bleek de voormalige oostenrijksche militaire-attaché in Rome, graaf Sceptyzhi, te zijn dien ik daar in 1913 toevallig ontmoet had; dat kon dus al niet mooier; en zoo besloot ik naar Lida te vertrekken. Daartoe had ik echter een groot aantal papieren noodig en het bleek een heele last, die machtig te worden, te meer aangezien mijn dolmetscher een Jood is en de Joden in Polen niet bepaald populair zijn. Op mijn gang door al die bureaux deed ik de ontdekking, dat de Polen een leelijk ding van de Russen hebben overgenomen, n.l. een geweldige bureaucratie, met de daarbij behoorende orientalische achterdochtigheid. Gedeeltelijk vindt men die beide in het leger terug, maar ook slechts gedeeltelijk, n.l. voor zoover het uit Russen, d.w.z. Polen die vroeger in Rusland gediend hebben, is samengesteld. Rusland, onder den Tsaar, werd geheel centraal geregeerd; geen enkel ambtenaar in de provincies was in staat zelfstandig een beslissing te nemen, altijd moest te St. Petersburg om advies gevraagd worden. Dat had natuurlijk het gevolg, dat alle ambtenaren niet meer dan werktuigen werden, met geen greintje zelfstandigheid. Precies zoo is het op 't oogenblik in Polen.

In het leger treft men, naast de vroeger in russischen dienst gediend hebbende officieren, veel Oostenrijkers, voornamelijk onder de stafofficieren en generaals, en zelfs een vrij groot aantal gewezen duitsche reserveofficieren uit Posen aan. Het is dus wel een merkwaardig amalgama, met voor 't oog dit resultaat, dat er geweldig stram gediend wordt; een stramheid, die men vroeger zelfs tevergeefs in Berlijn of Weenen gezocht zou hebben. Het merkwaardigste vond ik wel, dat de officieren der fransche missie deze stramheid overgenomen hebben en men kan hier fransche luitenants de hakken tegen elkaar hooren slaan op een wijze waarop ieder Pruis trotsch zou zijn. Ook de soldaten maken een vrij goeden indruk. Alleen zijn zij over het algemeen zeer jong. Ik zag n.l. vrij veel jongens van misschien 14 of 15 jaar als soldaat rondloopen. Ofschoon het bolsjewistische Rusland hier zoo dichtbij is, beweren de officieren dat het op hun soldaten totaal geen vat zal hebben. Hetgeen ik zoo vrij ben te betwijfelen, en ik vraag mijzelf af, of niet het nemen van zulke jonge soldaten een maatregel is, om alleen nog niet besmette elementen in het leger op te nemen.

Tegen bolsjewistische propaganda worden verder drastische maatregelen genomen, en in Wilna was dan ook op iedere twintig inwoners er een in 't gevang gestopt, en daarmede stemt het nieuwe Polen met het oude Rusland wonderwel overeen: je komt er heel makkelijk in 't gevang, maar uiterst moeilijk weer uit. Ook mijn dolmetscher werd al spoedig in het hok gezet, maar ik slaagde er in hem weer op vrije voeten te krijgen, en zelfs lukte het mij hem mee te krijgen naar het hoofdkwartier in Lida. Ik kreeg z.g.n. om mij de reis te vergemakkelijken een gendarm mee; inderdaad bleek zulks echter gedaan om ons beter in de gaten te houden. Ik vond het echter heel makkelijk, want nu had ik den heelen tijd een kruier bij mij, aangezien ik mijn braven bewaker met mijn koffers liet sjouwen, hetgeen hij voor een handvol sigaretten met genoegen deed. 's Middags om vier uur zou de trein naar het zuiden vertrekken, maar om zeven uur eerst vertrokken we, aangezien de locomotief defect was geraakt. De Hollanders hebben in ons brave vaderland geen idee, hoe de oorlog eigenlijk in Europa heeft huis gehouden hier in 't Oosten, waar de beschaving er toch altijd maar als een vernis op gelegen heeft, merkt men het echter geweldig. Niet alleen aan de hotels, die vuil en verwaarloosd zijn, met kapotte tapijten, vervallen muren en trappen, met van ongedierte wemelende bedden, ook niet alleen op de straat, aan de huizen met opschriften, waarvan de helft der letters weggevallen is, het in jaren niet onderhouden plaveisel, de in lompen gehulde bedelaars, meest verminkte soldaten, maar het ergste bespeurt men het op de stations en in de treinen. Geen enkele locomotief, die meer heel is, 1ste en 2de klasse wagens ziet men niet meer, alleen vervuilde 3de en 4de klasse wagens, gedeeltelijk zonder ruitjes; de wachtkamers, met allerlei opschriften, nog uit den oorlogstijd dateerend, onbeschrijfelijk vuil, alleen hier en daar een enkel meubel, een buffet, dat nog aan vroegere betere dagen herinnert. De reis van Wilna naar Lida, die vroeger niet meer dan twee uur geduurd zal hebben, duurde thans ruim zeven uur, nadat de locomotief, die met hout gestookt werd, onderweg nog een paar maal defect was geraakt. Het was dan ook twee uur in den nacht toen wij in het poolsche hoofdkwartier, niet veel meer dan een groot dorp, bestaande uit houten huizen te midden van tuinen gelegen, behouden aankwamen, en het werd drie uur alvorens wij een onderdak kregen.

Het was dan ook je onderdak wel; ik moest me tevreden stellen met een matras op den vloer van een gelagkamer van een joodsch herbergje, waar ze n.b. 20 mark voor vroegen.

Nu wat betreft het aantal wansen en luizen, dat er in die kleine ruimte opgehoopt bleek, om van de vlooien nog maar niet eens te spreken, was het logies, als het per ongedierte berekend werd, zijn geld ten volle waard. Ik ben dan ook maar niet gaan slapen, en bestudeerde de rest van den nacht een meegebrachte russische geschiedenis. Den volgenden morgen zou ik echter met het meest verstokte bureaucratisme kennis maken. De officier voor wien we gevoerd werden verstond n.l. alleen russisch en poolsch, en op mijn verzoek om bij den chef van den staf toegelaten te worden, kon hij niet beslissen, aangezien hij daartoe permissie aan zijn chef moest vragen, en deze chef was natuurlijk afwezig. Toen ik zoo drie uur gewacht had gaf ik er den brui van, en stapte regelrecht naar het bureau van den chef van den staf, waar het mij lukte binnen te dringen. De chef van den staf, een gewezen oostenrijksch officier, was, toen hij mijn verhaal aangehoord had, dadelijk zoo buitengewoon vriendelijk, dat het mij moeite kostte, om mijn protest op den toon voor te dragen zooals ik mij dat had voorgenomen, maar het besef van hetgeen ik aan de waardigheid van de N.R.C. verschuldigd ben, deed mij toch den juisten toon vinden om de heeren onder het oog te brengen dat ik mij een dergelijke behandeling als tot nu toe, niet liet welgevallen. Op slag veranderde dan ook alles. Ik werd direct bij den generaal geroepen, die zich mijner ook dadelijk herinnerde. Ik kreeg direct een uitnoodiging om in het officierscasino te komen etc. Er werd een speciaal kwartier voor mij aangewezen en zoo was ik op eens weer het heertje. Helaas bleek ook de generaal onmachtig om mijn dolmetscher vergunning te geven de linies te passeeren, en schoot er niets anders over of alleen naar Rusland te gaan of eerst naar Warschau en daar de papieren in orde te laten brengen; ik besloot tot het laatste. Een der adjudanten van den generaal, die uitstekend engelsch sprak, was zoo vriendelijk mij 's avonds in zijn kamer op de thee te noodigen en wij bespraken natuurlijk den politieken toestand van het oogenblik. Voor mij was het daarom zoo interessant omdat ik voor eenige dagen in het duitsche hoofdkwartier in Kovno met de duitsche officieren een dergelijk gesprek gehad had. Zooals in Kovno overal kaarten hangen met de opstelling der poolsche troepen, hingen ze hier natuurlijk met die der Duitschers en ik kon dus een vergelijking maken. Ik kon niet onder stoelen of banken steken, dat ik voor de wederzijdsche spionnage een bijzonder respect had, want de gegevens der beide partijen klopten buitengewoon goed.

Het was toch wel vermakelijk zoo kort na elkaar de beide vijandelijke hoofdkwartieren te bezoeken. Had ik echter bij de Duitschers den indruk gekregen dat zij de bolsjewistische troepen zeer au serieux namen, bij de Polen vond ik het tegendeel. De wijze waarop de poolsche officier zich echter over zijn eigen leger uitliet, gaf mij wel den indruk, dat hij de krachten van zijn herboren vaderland eenigszins overschatte.

Men moet niet vergeten dat Polen, behalve een front tegen de bolsjewisten, ook nog met de Oekrainers en de Duitschers te doen heeft. Ik herhaalde hier in 't poolsche hoofdkwartier hetgeen ik reeds aan de N.R.Ct. telegrafeerde, n.l. dat het mijn overtuiging is, dat de Pruisen zich niet, zonder meer, bij het vredesverdrag zullen neerleggen. Goed, zeide de poolsche officier, maar dan komt de entente. Waarop ik weer zei ja, en dan komen de bolsjewisten. Het interesseert mij dus wel zeer wat de komende dagen zullen brengen, en daarom ben ik toch maar blij naar Warschau te zijn gegaan; daar hoor ik tenminste weer iets van hetgeen in de wereld voorvalt, en krijg ik weer eens een behoorlijk bed om te slapen.

* * *

WARSCHAU

I

Warschau, 28 Juni

Warschau doet sterk aan Boedapest en Weenen denken. Zei men niet van Oostenrijk's hoofdstad, dat daar de Orient aanving? Zoo is het ook hier. De Polen spreken ook, als voelden zij het zelf, van het Westen als van Europa. Toch willen ze het niet weten, dat Polen eigenlijk op de scheiding leeft, willen een west-europeeschen staat, en nog wel een groote mogendheid worden. Een Pool, getrouwd met een hollandsche, die vrij goed hollandsch spreekt, protesteerde met vuur tegen mijn bewering, dat Polen een russisch karakter zou hebben, maar hij moest toch toegeven dat het bureaucratisch gevaar echt russisch is, en toen ik hem vertelde, hoe ik dezer dagen een energiek hollandsch koopman ontmoette, die hier een milioenenzaak kwam afsluiten met het gouvernement, en toen den raad kreeg, een der hooge ambtenaren eenvoudig een douceur te geven, zij het ook in den vorm van procenten, moest hij mij wel gelijk geven. Toch moet men eerbied hebben voor het taaie nationale karakter der Polen, die niettegenstaande 150 jaren vreemde overheersching er in geslaagd zijn hun nationaliteit zoo ongerept te bewaren. Geen beter bewijs dan Warschau, waar met de Russen ook tegelijkertijd alle teekenen hunner overheersching verdwenen zijn. Het is een zuiver poolsche stad, waar niets u herinnert aan de eeuwenlange vreemde overheersching. Alles is er poolsch, de opschriften op de huizen, in de winkels, de monumenten, de straatnamen, enz. enz. Het is voor mij, die geen poolsch spreekt, onmogelijk naar een theater te gaan, want nergens wordt ook zelfs maar een internationaal programma opgevoerd. Dat sterke nationalisme is mede een van de voornaamste redenen, dat de Joden hier zoo verbazend onpopulair zijn, al wordt mij van alle kanten hartstochtelijk verzekerd, dat er geen pogroms plaats gehad hebben. De Joden zijn n.l. lang niet genoeg patriottisch en willen in Polen veel te veel een staat in den staat vormen, met eigen taal, het jiddisch, en eigen zeden en rechtspraak. Van verschillende zijden heb ik vernomen hoe in de laatste dagen de fransche officieren der troepen van Haller, evenals in de tijden van Peter den Groote, den Joden hun baarden met geweld afknippen. Er verscheen dan ook een proclamatie in het fransch en het engelsch, voor die soldaten der troepen van Haller die geen poolsch verstaan, waarin de regeering hun verzocht de Joden ongemoeid te laten. Er schijnt dus wel iets van aan te zijn.

Het leven is hier, ten minste voor de betere klassen, heel anders dan in het Westen; men dineert hier tusschen 2 en 4 's middags, om eerst laat te soupeeren, terwijl de café's en lekkernijen-winkels den geheelen dag druk bezocht zijn. In deze millioenenstad merkt men heel weinig, dat het land feitelijk aan drie zijden in oorlog is, en ofschoon zij, die Warschau voor den oorlog gekend hebben, zeggen, dat het sterk achteruit gegaan is, bespeurt men toch nog altijd een grooten drang naar luxe. Ik dineerde gisteren in Hotel Bristol. Een groote, mooie zaal, een strijkje, veel officieren, entente en Polen, de laatste groot, slank, dikwijls blond, met knappe, sprekende gelaatstrekken en heel, héél mooie vrouwen. Dat moet trouwens gezegd, de Poolsche vrouwen zijn over het algemeen mooi; men ziet hier in Polen meer schoonheden dan in menige andere europeesche groote stad.

De spijskaart is rijk voorzien, vergeleken met hetgeen ik tot dusver meemaakte, en niet al te duur. Voor 50 mark eet men hier behoorlijk; alleen de wijnen zijn niet te betalen. In tegenstelling met deze luxe is echter de ellende der overige bevolking groot en wordt er ondanks het ijverige werken van het American Relief Fund toch nog heel wat honger geleden. De tegenstellingen zijn over het algemeen echter groot, de betere Polen zijn meerendeels zeer talentvol: hoe menig kunstenaar hebben zij niet op muzikaal, letterkundig en kunstgebied; daartegenover is het volk dom en onontwikkeld, voornamelijk door gebrek aan goed onderwijs. Vormen in West-Europa de Joden een groot deel der intellectueele kringen, hier hooren zij grootendeels tot de paupers.

Er is nog veel te doen, veel op te bouwen in dit herboren koninkrijk, dat op het oogenblik in den eersten roes der vreugde over de pas verkregen onafhankelijkheid en den vrede van Versailles leeft. Kinderlijk, naïef blij zijn ze, en in hun blijde vreugde zien zij niet de gevaren die hen van alle kanten op het oogenblik bedreigen, vergeten onder meer dat de Duitschers in Oost-Pruisen volstrekt niet gezind schijnen hun land voetstoots prijs te geven, en dat hun militaire macht nog zeer gering is. Men rekent echter op de entente; die zal alles wel in orde brengen.

Over het bolsjewisme halen ze hun schouders op terwijl de Oekrainers hun troepen juist een gevoelige nederlaag bezorgd hebben. Van Koltsjak moeten ze hier echter niets hebben en dat heeft zijn gegronde redenen. Er zijn hier n.l. eenige honderden gevluchte russische officieren, en toen eenige maanden geleden Koltsjak een paar overwinningen behaalde, kwamen deze in een vergadering bij elkaar en hielden redevoeringen, waarin onder meer gezegd werd: wanneer eerst de Tsaar maar weer eens op den troon zit, zullen wij Polen wel weer klein krijgen. Dat vonden de Polen, en m.i. terecht, natuurlijk heelemaal niet prettig. Het lastige van het geval is, dat ook in het vredesverdrag van Versailles over de poolsche oostgrens heelemaal nog niet gesproken wordt; dat moet dus allemaal nog geregeld worden. Zoo moet dus alles, naar binnen en naar buiten, opgebouwd en geregeld worden. Het groote gevaar is en blijft de bureaucratie, die werkelijk angstwekkend is. Ik heb er dezer dagen meer dan genoeg van genoten en ben nog steeds bezig voor mijn tolk een pas naar Rusland te krijgen en nog steeds is dit niet gelukt en word ik van het eene bureau naar het andere gestuurd. Ik had echter slechter uit kunnen zijn en heb nu de gelegenheid deze mooie en oude stad op mijn gemak te bekijken.

Er zijn hier heel mooie oude en typische buurten, waarvan de schilderachtigheid nog door het voorkomen der bevolking, voor een deel Joden met lange baarden, gehuld in zwarte kaftans, verhoogd wordt. Tijdens de russische overheersching was het niet mogelijk de stad behoorlijk uit te breiden, omdat ze ingesloten was door een omwalling met forten, en men was daardoor gedwongen in de hoogte te bouwen; vandaar dat men er heel veel huizen aantreft met zeven en meer verdiepingen. Maar ook in de oude stad vindt men wel veel hooge oude huizen, en daartusschen in weer kleinere renaissance-gevels, hetgeen dikwijls een heel schilderachtige groepeering geeft; en dan is er de mooi breede Weichsel. Musea zijn er bijna geheel niet, al is men thans bezig een nationaal museum in te richten. De Russen duldden dergelijke inrichtingen, die te veel een nationaal poolsch karakter gehad zouden hebben, niet.

Ik bezocht gisteren een schilderijententoonstelling, en het trof mij, hoevelen er een historische gebeurtenis afbeelden, hoewel er daarnaast toch ook een groot aantal, waaronder zeer veel impressionistische, moderne, waren met een sterk naar voren komend eigen karakter. Over de literatuur kan ik niet oordeelen; alleen heb ik wel ontdekt, dat Sienkewitz, de schrijver van Quo Vadis, hoewel hij door de intellectueelen volstrekt niet tot de groote schrijvers gerekend wordt, hier zeer populair is, en niet als schrijver van den wereldbekenden Nero-roman, maar als auteur van een serie historische romans, bij ons echter minder bekend.

Het heeft mij getroffen, hoeveel apotheken hier zijn en hoe modern zij zijn ingericht, en ik meen dat te moeten verklaren uit het feit, dat de apotheker hier, zooals dat in Holland in sommige plaatsen de drogist nog wel is, de rol van huisdokter vervult.

Polen gaat er prat op een der oudste parlementen te bezitten, al heeft deze Poolsche Landdag nu niet bepaald een buitengewone reputatie. In de hoop, dat hij zijn vroegere reputatie niet zal handhaven, heeft men thans voor eenige maanden een Landdag gekozen met algemeen, direct, geheim en evenredig kiesrecht voor mannen en vrouwen boven 20 jaar. Het aantal leden is nog niet vastgesteld kunnen worden, omdat men nog niet precies de grenzen van het land kent. Op het oogenblik zijn er, geloof ik, een goede 180.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings