← Table of contents
In het Hol van den Leeuw

REISSCHETSEN UIT SOVJET-RUSLAND (continued 3)

Reading edition

Moskou, 11 Augustus

Het huis, waarin ik hier ingekwartierd ben, heeft blijkbaar aan een zeer rijke russische familie behoord. Het is groot, ofschoon het maar één verdieping heeft. Het is mij een heele geruststelling, dat hier ook Hindoes en Perzen wonen. Ik had reeds in Berlijn vernomen, dat in het regeeringshotel een dergelijke deputatie verblijf hield. Daardoor weet ik nu tenminste, dat ik werkelijk niet in een gevang ben en Litwinof mij niet om den tuin geleid heeft. Het huis is heel rijk gemeubeld en wordt blijkbaar goed onderhouden, maar alle kleeden zijn opgenomen en over alle meubels liggen hoezen. De manager verstaat geen woord duitsch, maar de soldaten, die men den geheelen dag in een stoel voor de deur laat zitten, voor het meerendeel wel. Aangezien ik mijn eerewoord gegeven heb, met niemand in contact te treden, heb ik mij schriftelijk bij het ministerie van buitenlandsche zaken beklaagd over deze bewaking. Het schijnt echter, dat buitenlandsche zaken hierin volkomen machteloos is. Daar ik met niemand mag en kan praten, behalve met mijn bewaker, vind ik het eigenlijk wel prettig, dat ik altijd iemand bij mij heb, want het is veelal niet moeilijk, zoo iemand voor kleine diensten te lijmen met een paar sigaretten en niet te vergeten een stuk brood, want deze geheime agenten, behoorende tot het geheimste aller geheime comité's in Rusland, doen niets dan mij hun nood klagen, dat het in Rusland zoo slecht is, en dat zij niet genoeg te eten krijgen. Ook over de behandeling zijn zij heelemaal niet tevreden. Ik heb mij zitten verkneukelen, als ik dacht aan alle moeite, die de sovjetregeering deed, om mij niets te laten merken van wat er omging, en dat juist de mannen, die dat moesten verhinderen, mij een kijk gaven op de algemeene ontevredenheid. De algemeene verschijnselen waren oorlogsmoeheid, honger, en klachten over de bureaukratie en ook over de duurte, die zoo groot is, dat de traktementen, hoe hoog ook opgevoerd, erbij in het niet verzinken. Ik ga elken morgen met mijn soldaat de stad in en leer zoodoende Moskou vrij aardig kennen.

Maar het straatleven is toch altijd wel interessant. Eigenlijk interessanter dan de stad, die een sterk vergroote uitgave van Smolensk is; ondanks het groote aantal straten met europeesche huizen en behoorlijk geplaveid, is en blijft Moskou een aziatische stad. Typisch is dat er naast heel hooge huizen, van zeven en acht verdiepingen, weer heel kleine van een of twee verdiepingen staan. Zoo ook met het plaveisel; soms is een straat geheel geasfalteerd, dan weer voor de helft keibestrating en asfalt, dan weer in eens hobbelt men over de keien van het soort zooals bij ons in Brabant. Er zijn ongelooflijk veel kerken. Bijna allemaal in den byzantijnschen stijl met groene of vergulde koepels en het is typisch om op te merken, hoe druk het kerkbezoek is; ik geloof niet dat ik overdrijf wanneer ik zeg, dat de helft van de bevolking bij het passeeren van een kerk den hoed afneemt en een kruis slaat. Bijna alle huurkoetsiers doen er aan mee. Hoe zal ik u dat laatste type beschrijven, met zijn lange jas en zijn hoogen hoed á la 1830 en dan de kleine huurrijtuigen met het onder een boog gespannen paardje ervoor? Zij hooren bij het straatbeeld en geven er een eigenaardig oostersch cachet aan. Er zijn er vrij veel en er wordt dan ook veel gebruik van gemaakt, maar waar die menschen dat allemaal van betalen, begrijp ik niet, want zij vragen je gewoon drie à vierhonderd roebel voor een rit. Het is druk op straat, veel uniformen, veel elegante meisjes, maar zoo nu en dan ook plotseling keurig gekleede heeren, ja ik heb er zelfs met monocles gezien. De orde wordt gehandhaafd door met geweren bewapende politiemannen, die zeer krachtdadig optreden; zoo tracht men op het oogenblik een eind te maken aan de verbazende overvulling der trams. Ik heb eens gezien, hoe er ongeveer twintig menschen achter aan een tramwagen hingen. Dat is sedert eenige dagen verboden en wordt gestraft met 25 roebel boete, die op staanden voet betaald moet worden. In de Twerskaja, een der hoofdstraten, zag ik een tramwagen, waaraan er weer veel hingen, aanhouden; zij die buiten den wagen hingen, werden er door een paar politieagenten afgehaald, de tram ging verder, de slachtoffers moesten 25 roebels betalen en konden toen den weg vervolgen. Maar eenigen die blijkbaar geen geld hadden, werden meegenomen naar het bureau. Dat ging allemaal zoo snel en rustig in zijn werk, dat ik met verbazing stond te kijken. Ook verkeersagenten hebben op sommige punten postgevat. Het aantal automobielen en motorfietsen is vrij groot en er is blijkbaar geen maximum snelheid voorgeschreven. Ze suizen er tenminste aardig op los. Het zijn echter allemaal regeeringswagens, particuliere treft men niet meer aan. Het is helaas onmogelijk om het Kreml te zien, aangezien Lenin daar verblijf houdt en deze zoo streng bewaakt wordt, dat alleen enkele bevoorrechten er binnen mogen. Er loopen twee muren omheen, een binnen- en een buitenmuur. Deze laatste loopt dwars door de stad en schijnt een gedeelte van den ouden vestingmuur te vormen. Het gezicht van de Moskwa op het Kreml, met zijn eigenaardige opeenhooping van paleizen en kerken, is echter op zichzelf al de moeite waard.

Ik heb, ditmaal niet onder geleide van een soldaat, maar met een allervriendelijksten ambtenaar van buitenlandsche zaken, ook het groote schilderijen-museum bezocht. Vol trots wees mij mijn geleider op het feit, dat iedereen toegang had; dat schijnt onder den Tsaar niet zoo geweest te zijn, toen was het blijkbaar arbeiders verboden een museum te betreden. Er waren thans eenige groepen soldaten, die onder technisch geleide de schilderijen bezagen. Aangezien ik in Nederland dergelijke proeven ook wel eens genomen heb, deed het mij eenigszins genoegen te kunnen constateeren, dat de russische soldaat al net als de hollandsche zijn aandacht voornamelijk op het naakt-model concentreerde. De thans tentoongestelde verzameling was zeer uitgebreid, doordat men er een aantal verzamelingen aan had toegevoegd, De russische kunst, waarmee ik eigenlijk voor het eerst kennis maakte, maakt op het eerste gezicht een somberen, ja een eenigszins bloedigen indruk. Komt men een museum van nederlandsche kunst binnen, onverschillig van oude of jonge meesters, dan is de eerste indruk die van licht en zon. Bij deze russische verzameling gevoelt men onwillekeurig een lichte huivering. Ik weet niet of de technische uitdrukking juist is, maar ik zou willen zeggen, dat in Rusland het realisme in de schilderkunst sterk overheerscht. Bijzonder interessant was de bijna geheel complete collectie van Werestsjagin, den schilder van Turkestan en den oorlog van 1878. De museumdirectie is minder kleingeestig geweest dan de man die in rood-Rusland het kaartspel heeft verboden, omdat er "heeren" in voorkwamen. Hier hingen de russische keizersportretten nog heel rustig aan den wand. Het is begrijpelijk, dat het kubisme op het oogenblik in Rusland veel aanhangers heeft. Ik vind het de rechte schilderkunst voor de sovjetrepubliek. Het moet van de russische regeering gezegd worden, dat zij op haar wijze de kunst krachtig steunt; ook de beeldhouwkunst geeft zij ruimschoots gelegenheid zich te uiten en overal op pleinen en in plantsoenen verrijzen monumenten voor meer of minder bekende revolutionnaire grootheden. Sommige zijn heel mooi, andere daarentegen zooals bijv. voor Marx, van een verrassende banaliteit. Marx is hier de groote man; de communisten redekavelen in hun pers en brochures voortdurend over een plaats bij Marx zooals men dat in ons vaderland zou kunnen verwachten van twee orthodoxe dominees over een texst uit de Openbaring. De bolsjewiki zijn dan ook geweldige dogmatici, met een soms kinderlijke naïeveteit. Zoo vertelde mij gisteren een commissaris van buitenlandsche zaken, dat de sovjetregeering in Rusland leerplicht heeft ingevoerd. Toen ik hem opmerkte, dat het maken van een wet niet voldoende was, keek hij mij hoogst verbaasd aan. Ik ging voort: "er moeten toch onderwijzers zijn en schoollokalen." Dat kwam wel, zei hij. Toen ik hem echter vroeg, welke maatregelen de regeering reeds had genomen, moest hij het antwoord schuldig blijven. Ik wil hierbij volstrekt niet over het hoofd zien, dat de moeilijkheden, waarmee de russische regeering te kampen heeft, nu zij naar alle kanten oorlog moet voeren, reusachtig zijn, maar dat neemt toch volstrekt niet weg, dat de voor een groot deel lang niet onverdienstelijke wetten, door de bolsjewiki ingevoerd, zooals bijv. de leerplichtwet, het invoeren van den burgerlijken stand, hygiënische wetten, arbeidersverzekering, niet verder gekomen zijn dan de bureaux en de dagbladen, omdat het den wetgevers aan organisatie-talent ontbreekt, om de zaak op pooten te zetten.

Nemen wij bijv. de huwelijkswetten met den daaraan verbonden burgerlijken stand. In Rusland bestond tot voor korten tijd alleen het kerkelijke huwelijk. Thans is dat anders en moet men zich eerst burgerlijk laten trouwen, even als bij ons, waarna de kerkelijke inzegening facultatief is. Toch kunnen zich 99 pct. der Russen niet burgerlijk laten trouwen, omdat de ambtenaren, die het huwelijk moeten sluiten, er nog niet zijn.

Men moet in Rusland zijn, om een dergelijken toestand kalm zijn gang te laten gaan en er niet verder aan te denken, ambtenaren aan te stellen. Over het algemeen zijn deze wetten ongeveer dezelfde als wij ze in Europa al jarenlang kennen en de tegenstand der conservatieve Russen lijkt mij in dit opzicht dan ook vrij bekrompen. Alleen de huwelijkswetten zijn vrij radicaal, vooral wat het scheiden betreft. Om te scheiden is het genoeg dat een der echtgenooten zijn wensch te kennen geeft het huwelijk te laten ontbinden. Wanneer de andere echtgenoot niet binnen een bepaalden tijd hiertegen opkomt, kan het huwelijk ontbonden worden.

Het is merkwaardig zooveel bedelaars men op straat ontmoet. Dat verwonderde mij eigenlijk wel eenigszins. Ik dacht dat er in een bolsjewistischen staat geen arme menschen zouden zijn, tenzij de een of andere bourgeois die niet werken wil. Maar de meeste bedelaars zijn kinderen en oude arbeiders. Dat is weer een sprekend staaltje van de onmacht der bolsjewistische leiders om hun eigen wetten uit te voeren, want door den arbeidsdwang, de kinderverzorgingswetten en de ouderdomspensionneering moest de noodzakelijkheid om te bedelen absoluut uitgesloten zijn. De bolsjewiki zijn werkelijk geen barbaren, hun leiders doen al hun best om de zaak voor elkaar te krijgen, maar het zijn en blijven hopelooze idealisten en daardoor begaan zij een misdaad aan hun eigen volk, dat het slachtoffer wordt van hun volslagen machteloosheid om ook maar één wet werkelijk in daden om te zetten. Zij hebben vergeten rekening te houden met de praktijk en de menschelijke natuur en daarom is het misschien eigenlijk wel jammer, dat de bolsjewiki in den tegen hen gevoerden oorlog het argument hebben om te zeggen: "wij kunnen er niets aan doen, want de oorlog heeft ons teveel bezig gehouden."

Ik ben ervan overtuigd, dat ook zonder oorlog het communisme een fiasco gebleken zou zijn. Het sterkste bewijs daarvoor vind ik op het gebied van den kleinhandel. Alle winkels in Moskou zijn gesloten. Er bestaan alleen z.g. regeeringsverkoophuizen, waar slechts op kaarten iets te koopen valt. Nu heeft de praktijk bewezen, dat het heele kaartensysteem niet deugt, waardoor het koopen van een paar sokken, een zaak van 14 dagen wordt. Maar het sterkste is, dat er een straathandel ontstaan is van geweldige afmetingen met verbazend hooge prijzen.

Men kan op straat en op de markt alles koopen als men maar betaalt, tot zelfs pianos. Overal op straat ziet men de kooplui zitten, meest bejaarde menschen. Hier zit een juffrouw en verkoopt eenige paren lakschoenen, daarnaast zit iemand die een pak kleeren te koop aanbiedt. Een eindje verder wordt een piano verkocht en dat alles, ofschoon de wet dezen handel met de zwaarste straffen bedreigt. Maar ook veel ellende is er tusschen door te zien. Zoo zag ik er menig jong meisje staan, dat haar vroegere garderobe te koop aanbood. En ook de haast spreekwoordelijk geworden generaal, die sigaretten of kranten verkoopt ontbreekt niet.

* * *

Te Moskou

VII

Moskou, 11 Augustus

's Avonds komt er een eigenaardige stemming over Moskou. Om zes uur beginnen n.l. van het groot aantal kerken de klokken te luiden en de carillons te spelen, Maar geen carillons zooals bij ons of een regelmatig gebeier, maar een wild, door elkaar gehamer van klokken met verschillende tonen, hetgeen een uiterst eigenaardig effect geeft en barbaarsch klinkt. Het maakte op mij in mijn eenzaamheid telkenmale een zeer onaangenamen indruk. Het was alsof al die klokken hamerden: hier zijn wij niet in Europa, maar in Azië, en ik werd er aan herinnerd dat ik mijlen ver van het vaderland en eigenlijk niet veel meer dan een gevangene was.

Zoodra ik dan ook het interview met Tsjitsjerin, dat ik u reeds geseind heb, gehad had, vroeg ik het land weer te mogen verlaten. De minister antwoordde: "ik heb er geen bezwaar tegen, maar er niets over te vertellen. Andere autoriteiten moeten u die toestemming geven, maar ik zal mijn best doen om u zooveel mogelijk te helpen." Elken dag wandelde ik ondertusschen naar het ministerie van buitenlandsche zaken en elken dag was hetzelfde antwoord: ja, wij doen ons best, maar u moet geduld hebben. Men stuurde mij elken dag stapels brochures en tijdschriften in het fransch, duitsch en engelsch, zoodat ik heel wat propagandalectuur verwerkt heb. Ik kreeg daardoor ook een idee wat eigenlijk het sovjetstelsel, dat Lenin de mooiste overwinning der Octoberrevolutie noemt, zeggen wil. Eigenlijk is het niet veel anders dan een getrapte verkiezing, die het mogelijk maakt dat een minderheid een meerderheid regeert. Een plaatselijke sovjet, uit niet veel meer dan een paar honderd personen bestaande, kiest een vertegenwoordiger. Het kiesrecht is algemeen, met deze beperking dat alleen zij, die werken, of geheel buiten schuld zonder werk zijn, mogen kiezen. De vertegenwoordigers nu van die sovjets kiezen op hun beurt weer vertegenwoordigers, en dat is de algemeene volksvertegenwoordiging, waaruit dan het algemeen uitvoerend bewind, bestaande uit 18 volkscommissarissen, m.a.w. de ministers en de president van de republiek, gekozen worden. Want — en dat is in het buitenland nog niet algemeen bekend — Rusland heeft tegenwoordig een president in den persoon van Kalinin. De macht van den president is echter niet groot en hij heeft dezelfde stem als elk lid van het uitvoerend comité. De officieele naam der russische sovjetrepubliek is: Revolutionaire Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek, hetgeen afgekort wordt tot de beginletters R. S. F. S. R., welke letters men bijv. op elken spoorwagen aantreft. De nationale vlag is rood met deze letters in den linkerbovenhoek. Men noemt deze republiek de derde communistische internationale. In Maart heeft te Moskou een congres plaats gevonden, van de vertegenwoordigers der bolsjewiki uit alle mogelijke landen. De nederlandsche bolsjewisten waren erbij vertegenwoordigd door den heer Rutgers wien het sedert dien heel slecht gegaan is, aangezien hij na een aanval van spaansche griep met een hersenziekte in een sanatorium is opgenomen. Het meeste trof mij uit dezen stroom van propagandalektuur, de moeite die de bolsjewiki doen om in China, Voor-Indië en in de mohammedaansche wereld ontevredenheid te zaaien. Van bolsjewistische propaganda is daarbij natuurlijk geen sprake. In de verschillende oostersche talen opgestelde pamfletten, die in menigte naar Voor-Indië getransporteerd worden, wordt het woord bolsjewisme of communisme zelfs niet eens genoemd; ze bevatten alleen een scherpe kritiek op het engelsche regeeringsbeleid. Juist in de dagen dat ik er was kwamen er in het regeeringshotel ook eenige Perzen aan; dat is er natuurlijk allemaal om te doen om de Engelschen, die de Russen op het oogenblik als hun grootste vijanden beschouwen, zooveel mogelijk moeilijkheden te berokkenen. Ook de strijd dien de emir in Afganistan met de Engelschen heeft gevoerd zal wel aan bolsjewistische propaganda te wijten zijn.

De groote vreugde te Moskou over den terugtocht van Koltsjak vindt dan ook voornamelijk haar oorzaak in de mooie gelegenheid die daardoor verkregen is rechtstreeks met Oost-Azië en Indië in verbinding te treden. Ik heb den indruk gekregen, dat er ook heel wat geld in deze richting gestuurd wordt. En als ik Engelschman was zou ik volstrekt niet gerust zijn, hoewel deze propaganda der bolsjewiki, die echt het kenmerk draagt van het doel heiligt de middelen, eigenlijk een bedreiging vormt voor het heele blanke ras. De propaganda in China waarvan de bolsjewistische pers beweert, dat zij er heel veel succes heeft, is natuurlijk hoofdzakelijk tegen Japan gericht. Dit streven der leiders te Moskou maakt de bolsjewiki mijns inziens tot de meest gevaarlijke vijanden van alle blanke naties. Dat het hun er voornamelijk om te doen is herrie te krijgen, kwam heel aardig uit in een gesprek, dat ik toevalliger wijze met Guilbaux had, den bekenden Franschen communist. Hij was zoo vriendelijk om mij in mijn eenzaamheid te komen opzoeken en vertelde mij dat hij in het voorjaar uit Zwitserland door Duitschland en Litauen naar Rusland gevlucht was, aangezien hij bang was, dat de fransche regeering zijn uitlevering aan de zwitsersche zou vragen. Hij was voornamelijk gebeten op Longuet, dien hij beschuldigde niet oprecht revolutionnair gezind te zijn. Volgens zijn meening was het vreeselijk jammer dat in Duitschland zooveel leiders der Spartaciërs gevangen waren gezet. Maar, zei ik toen, is het communisme dan niet iets dat leeft, zij het ook verborgen, in een deel van de volksmassa? "Wel neen," was het antwoord, "de leiders moeten er zijn om de richting aan te geven. Het volk weet niets van communisme. Als dat maar ontevreden is of ontevreden gemaakt kan worden, dan kunnen wij de revolutie ontketenen." Ik zeide hem toen maar niet, dat in dit geval de beweging zichzelf veroordeelt, want wanneer een beweging reeds te bestrijden is, zooals deze communist zelf aangaf, door het onschadelijk maken van de leiders, dan pleit dat niet voor de ideeën die erin zitten, en mij kwam het woord van Dr. Kuyper in de gedachten: een wet, die niet leeft in de ziel van het volk, is geen wet. Guilbaux is anders een heel gezellige prater en bleek een groot vriend van Henriëtte Roland Holst te zijn.

Wanneer men uit hetgeen ik u hierboven mededeelde, zou willen opmaken, dat de Russen niets liever dan den Tsaar terug zouden willen zien, dan is dat toch geheel verkeerd. Het is mogelijk, dat er onder den druk der bolsjewiki een krachtige reactie ontstaan is. Maar mijn algemeene indruk is toch, dat de groote meerderheid, hoewel het bolsjewisme meer dan moe, geen reactionnaire regeering wil. Naar mijn meening behoort de toekomst in Rusland aan de vooruitstrevende elementen. Men moet niet vergeten, dat al heeft het communisme schipbreuk geleden, de bevolking toch kennis gemaakt heeft met dingen, zij het ook op papier, waarvan het onder den Tsaar nooit gedroomd heeft. De groote fout der Entente is en blijft dan ook, dat zij Koltsjaks regeering erkent die haar toekomstplannen niet ronduit openbaar maakt, zoodat zij weinig weerklank bij de russische bevolking heeft gevonden en bovendien de sovjetregeering de gelegenheid geeft om te zeggen: "zie je wel, de Entente wil alleen de zwartste reactie." Een open vraag is het voor mij nog altijd, wat de kerk zal doen. Dat zij nog invloed heeft in Rusland staat boven twijfel, maar wat zij eigenlijk wil, weet ik niet. Het is altijd een ongeluk voor Rusland geweest, dat de orthodoxe geestelijkheid in tegenstelling met de roomsche op een buitengewoon laag peil van ontwikkeling stond. Dientengevolge kan die geestelijkheid maar heel weinig invloed ten goede op de massa uitoefenen. En het vraagstuk, waar men zich in Polen nogal mee bezig houdt, nl. het weer onder heerschappij van Rome brengen der russische kerk is dan ook voor de toekomstige ontwikkeling van het russische volk van groot belang. Een ander punt is, dat, nu Engeland op het oogenblik de voornaamste viool speelt bij een aanval der Entente, een deel der Russen, evenals ik van meening dat zelfs met een handvol geoefende troepen de sovjetmacht ten val kan worden gebracht, beweert dat de Engelschen dit alleen niet doen teneinde Rusland nog meer uit te putten en het dus gemakkelijker tot een engelsche kolonie te maken. Vandaar dan ook, dat men op het oogenblik zeer anti-engelsch, en de stemming tegenover Duitschland veel minder bitter is geworden.

Moskou, 16 Augustus

Ik heb vandaag mijn papieren terug gekregen met het sovjetzegel er op en met de mededeeling dat ik ze eerst buiten Rusland mocht openen en dat ik morgen over Dunaburg het land kan verlaten, natuurlijk onder de noodige bewaking. Goddank! want ofschoon ik hier wat de behandeling betreft, niets te klagen heb, is toch de voortdurende eenzaamheid en het gevoel feitelijk een gevangene te zijn, zeer neerdrukkend. Ik heb in mijn eenzaamheid heel wat propagandalectuur verwerkt en ook de kranten met behulp van mijn bewakers zooveel mogelijk gevolgd. En nu blijft het altijd waar, dat zelfs met de beste censuur er dikwijls uit de bladen heel wat te halen is al was het alleen maar door hetgeen er niet in staat. Zoo vond ik het bijzonder interessant, dat Kerensky en de sociaal-revolutionnairen er nog steeds heftig in worden aangevallen. Daaruit maak ik de gevolgtrekking, dat men in regeeringskringen nog steeds bevreesd voor hen is, en zij dus meer aanhang hebben dan men over het algemeen wel wil doen gelooven. Ook de artikelen tegen de desertie blijken mij van veel belang, omdat zij bevestigden wat ik reeds aan het front gehoord had, dat nl een derde van het leger van Trotzky permanent op den loop is. Vroeger werden deserteurs niet gestraft, maar eenvoudig weer opgepakt en ingelijfd. Thans kondigden de bladen echter een strenger optreden aan. Zeer belangwekkend zijn verder de onthullingen uit het russische geheim-archief, die steeds voortgezet worden en waaruit zonneklaar blijkt, dat Poincaré en Grey reeds in 1913 op den oorlog aanstuurden. Onder meer is een brief van Grey gepubliceerd, waarin deze Rusland en Frankrijk in alle gevallen de hulp van de engelsche vloot toezegt. Ook een geheim bericht van Sasonof van Juli 1913 aan den Tsaar waarin hij mededeelt, dat Bethmann Hollweg hem verzocht heeft om bemiddelaar te zijn bij een poging om tot een betere verstandhouding met Frankrijk te komen, waarin hij (Sasonof) gemeend heeft niet te moeten treden. Het is den Russen met deze publicatie, die dan zoogenaamd tegen de geheime diplomatie gericht is, er alleen om te doen de Entente onaangenaam te zijn, want hun geheime verdragen met Turkestan, de Kirgiezen, e. a. publiceeren zij niet, net zoo min als zij de ware reden opgeven waarom zij aan Estland en Litauen een vredesaanbod gedaan hebben. Ik voor mij geloof dat Rusland wel heel graag vrede zou willen hebben, maar toch maar het allerliefst een gat waardoor het door de blokkade kan breken en zijn propaganda makkelijk het buitenland in zenden. En vrede met Litauen en Estland zou het aardig in de richting sturen en de verbinding met de Spartaciërs in Duitschland heel wat makkelijker maken.

* * *

De terugreis

VIII

Kowno, 26 Augustus

Precies acht dagen was ik in Moskou geweest, toen ik met een verlicht hart weer in den trein stapte die mij over Smolensk-Polosk naar Dunaburg zou brengen, vanwaar ik zou moeten trachten door het front te komen.

Ik had op de terugreis ook weer een bewaker bij mij, een jong vlot soldaatje, die heel blij was dat ik hem als ik at altijd mee liet eten, want de porties zijn niet groot in het roode leger, en dat is de reden waarom de ontevredenheid er zoo groot is.

Zal ik u verder de tweedaagsche reis weer beschrijven, die ik ditmaal van Polosk in een goederenwagen deed omdat op dit traject geen passagiersrijtuigen meer rijden? Ik geloof dat ik maar eentonig zou worden, met u mijn hopeloozen strijd tegen het ongedierte weer te vertellen.

Ik was den koning te rijk toen ik reisgezelschap kreeg: een russisch ingenieur met zijn vrouw en zoontje van 9 jaar, die zoogenaamd naar Dunaburg reisden, maar inderdaad hetzelfde plan als ik hadden.

In het eerst zag ik hem voor een bolsjewistisch spion aan, hetgeen hem blijkbaar zeer onaangenaam trof, maar al spoedig ontdekte ik dat hij een bourgeois was die, de ellende moede, met het restje van zijn geld naar het buitenland trachtte te ontkomen.

Hij was veel in 't buitenland geweest, had daar ook gestudeerd, en kende verscheidene communisten, waardoor het hem te langen leste mogelijk was geworden zijn geld weer in handen te krijgen, en de permissie om naar Dunaburg te trekken.

Wij spraken af dat hij mij in Rusland zooveel mogelijk bij zou staan, en ik een goed woordje voor hem zou doen in Litauen, waar iedereen die uit Rusland komt, als hij niet het tegendeel kan bewijzen, voor een agent der bolsjewiki wordt gehouden.

Hoewel ik dat standpunt aanvankelijk wel eens overdreven vond, moet ik, na alles wat ik gezien en ondervonden heb, erkennen dat het 't eenige goede is, al moeten vele onschuldigen er door lijden. Want al maakt men het verkrijgen van passen en visa's nog zoo moeilijk en de controle nog zoo scherp, er blijven altijd leeperds die alle controleurs verschalken.

Een aardig staaltje daarvan zag ik in Rusland zelf, waar de contrôle ongeloofelijk streng is. Om op het perron te komen, moet men door vier contrôles heen, die elk een uiterst minutieus onderzoek naar de stempels enz. instellen, en in den trein komen ze je elk oogenblik weer lastig vallen. Ik was er goddank vrij van, want dat was het werk van mijn bewaker, die een heel pak papieren meezeulde.

Toch heb ik met iemand gereisd, van Moskou naar Dunaburg, die geen enkel papier bij zich had. Deze slimmerd was een heel eind voorbij Moskou langs de spoorlijn gewandeld, en toen onderweg in den trein gesprongen, hetgeen bij den slakkengang van 20 KM. per uur nu niet zoo'n buitengewoon moeilijke zaak is.

Verder hield hij zich op in een wagen, die een ladder had naar 't dak, voor den remmer. Kwam er nu in den trein contrôle, dan kroop hij op 't dak, en aangezien bij de stampvolle wagens het controleeren heel lang duurde, had hij tijd en gelegenheid, om, terwijl de controleur zich van het eene eind naar het andere van den wagen begaf, kalm over 't dak naar 't eind te kruipen waar de contrôle al was geweest. Nu 't in Rusland gewoonte is, dat de passagiers niet alleen in den trein zitten, maar op alle mogelijke wijzen er aan hangen, valt een dergelijke beweging ook volstrekt niet op.

Twee mannen, die de reis van Moskou naar Dunaburg op de buffers der achterste wagens gemaakt hebben verdenk ik er ook sterk van, niet al te best van papieren voorzien te zijn geweest. Zij sprongen er ongeveer 1 KM. voor elk station af en hadden, dank zij het lange oponthoud, al de gelegenheid om den trein weer in te halen.

Ja, ik heb zelfs bij de enorm scherpe contrôle voor het trekken door 't front iemand zonder eenig papier kalm de controle zien passeeren, al moet ik er aan toevoegen, dat het mij een raadsel gebleven is, hoe hij hem dat geleverd heeft. Ik wist dat zijn papieren niet in orde waren, en lette daarom scherp op hem, maar ik heb niet kunnen ontdekken hoe hij er door kwam. Een feit is echter, dat hij er op een gegeven oogenblik door was.

Mijn reisgenoot had het onaangename avontuur, terwijl wij in Polosk midden in den nacht op den trein voor Dunaburg zaten te wachten, plotseling gearresteerd te worden aangezien men meende dat zijn papieren niet in orde waren.

Gelukkig hadden we genoeg tijd, want anders hadden wij er den trein door gemist, daar er maar eens per dag een trein gaat, want 't duurde wel drie kwartier voor ze hem weer loslieten.

Toen hij weer los was gelaten, zeide hij: "dat was op 't kantje af; een foutje in de stukken en ik was er bij geweest. Ik ken genoeg menschen die door het geheim comité voor nog minder zijn gearresteerd, en eerst na zes maanden weer zijn losgelaten." Hoe meer ik zulke verhalen hoorde hoe meer ik verlangde het bolsjewikiland te verlaten, maar je leert geduld oefenen in Rusland, waar alles onder het motto gaat "haast je langzaam".

Zoo ook in Dunaburg. Ik had nog eenige hoop, dat toen ik er Dinsdagavond aankwam, ik Woensdag verder zou kunnen reizen, maar geen denken aan; de zaak zou worden overwogen en men voegde er aan toe: "wij zullen de zaak hier zelfstandig behandelen. Wanneer u uit Moskou geen permissie hebt laten we u zeker niet door, maar dat beteekent nog niet, dat wanneer ze er in Moskou niets tegen hebben, wij het er mee eens zijn."

Dat beteekende dus een paar dagen verblijf in Dunaburg, het welbekende, veel omstredene Dunaburg uit den grooten oorlog. De straten zijn er recht, de huizen laag, maar van steen, en leelijk. Behalve het gezicht op de rivier, is er niets moois aan de stad, die bovendien duidelijk de sporen draagt, vijf jaar lang den oorlog in haar onmiddellijke nabijheid te hebben gehad. Ik maakte er kennis met een Zweed, die er al een paar weken zat te wachten. De arme kerel had een automobielzaak in Moskou gehad en was voor een half jaar plotseling in 't gevang gezet, waar hij twee maanden in had doorgebracht en toen weer was losgelaten, waarna hij voor heel veel geld het zoover had kunnen brengen, dat hij in Dunaburg was gekomen; maar nu bleken de laatste loodjes het zwaarst te wegen.

De heer R., mijn reisgenoot uit Moskou, ging nu echter voor ons allen aan het werk en hij slaagde er werkelijk in eenige moeilijk om te koopen ambtenaren voor ons aller rekening eenige duizenden roebels in handen te spelen, door dien heeren te verzoeken het tsarengeld tegen sovjetgeld te wisselen. Nu heeft in de nabijheid van het front het laatste totaal geen waarde, maar officieel staat het gelijk met het tsarengeld; in werkelijkheid verdienden de ambtenaren er dus ongeveer het heele bedrag aan en men kan het nooit omkoopen noemen.

Eindelijk dan kwam Vrijdagmorgen Hogberg, de Zweed, uitgelaten op ons af, en riep "de zaak is in orde, wij kunnen er door en R. (de Rus) mag ook mee." Dat was een vreugde, maar nu moesten wij nog een wagen huren om ons naar het front te brengen, en liefst een die ons er door bracht, daar bolsjewisten en Litauers ongeveer 5 KM. uit elkaar lagen en het moeilijk aanging dien afstand te loopen met onze bagage op den rug. Wij zochten dus een tweetal wagens, een voor Hogberg en mijn persoon, en den anderen voor de familie R.

Na lang zoeken slaagden wij er eindelijk in, om voor 500 roebel per persoon twee voerlieden te vinden, die genegen waren ons tot aan de uiterste voorposten te brengen. Verder wilden zij zich in geen geval wagen. Wij moesten dan maar zien onze bagage weer te dragen maar aangezien er bijna dagelijks transporten krijgsgevangen Duitschers en Oostenrijkers overgingen, zou het misschien wel gelukken een paar hulpkrachten te vinden.

Zoo togen wij Zaterdagavond om 7 uur op weg. Ons eerste doel was Nowo Alexandrofsk, vanwaar wij den volgenden morgen naar het front zouden trekken. Halverwege bleek, dat een der voerlieden ons bedrogen had en een absoluut niet te gebruiken paard had aangespannen. Daar stonden wij, het begon allengs donker te worden, 't regende en was koud, en het eene paard bleek zoo uitgeput van het korte traject, dat het niet meer vooruit te krijgen was. Wij besloten toen op den anderen wagen de bagage te laden; de familie R. kon ook nog meerijden, en de Zweed, mijn bewaker en ik legden de 12 KM. die ons van Alexandrofsk scheidden, te voet af.

In N. Alexandrofsk troffen wij in ons hotel nog een gast, een Duitscher, die, zooals hij zeide, voor het departement van buitenlandsche zaken kwam onderhandelen over krijgsgevangenen, en die juist dien middag van de andere zijde gekomen was. Zijn verhaal over die onderhandelingen leek mij eenigszins verdacht, en bij een nader verhoor bleek hij geen der ambtenaren van het Auswärtige Amt te kennen, en moest ik hem dientengevolge wel tot het gilde der saccharinesmokkelaars rekenen, een zeer winstgevend, zij het ook eenigszins gevaarlijk bedrijf.

Ik sliep dien nacht op m'n koffer, of beter, trachtte zulks te doen, maar eindigde met bij een kaars wat te lezen. Het was vermakelijk, om het geheel verder gade te slaan. Het eerst kwam Hogberg in beweging, hij begon zijn kleeren te onderzoeken op een hier te lande zeer bekende wijze, daarna begon mevrouw R. onrustig te worden, en eindelijk R. zelf ook; alleen de soldaat sliep rustig door.

Toen het dag werd haastte ik mij mijn laatste schoone ondergoed aan te trekken, en gooide de rest weg, aangezien ik het niet meer in mijn koffer wilde bergen. De waard van het hotel kwam echter na eenige oogenblikken vragen of het mij daarmee ernst was. Op mijn toestemmend antwoord bleek hij uiterst verheugd, en eenige oogenblikken later had hij het al aangetrokken.

Nu moesten wij onze passen nog laten viseeren, 't geen we na lang wachten en veel moeite gedaan kregen, zoodat het vijf uur in den middag was geworden voor we weg konden.

Wij vertrokken in gezelschap van 17 Duitschers en Oostenrijkers, die uit krijgsgevangenschap, en een dame, die als vluchtelinge naar haar woonplaats Kowno terugkeerden. Ons gezelschap bestond dus uit 29 mannen, twee vrouwen en een kind.

Op weg naar het front, ongeveer 5 kilometer, polste ik de krijgsgevangenen, en al spoedig bleek mij, dat het voor 't meerendeel goedmoedige Weeners en Berlijners waren; alleen twee hunner maakten een vrij ongunstigen indruk.

Aangezien wij tusschen de fronten in niemandsland geheel op ons zelf aangewezen zouden zijn, zocht ik een der besten uit, en besprak met hem de maatregelen om die beide heertjes in het oog te houden, opdat ze geen rare dingen zouden uithalen. Hoe meer we het front naderden, hoe twijfelachtiger het werd, of wij er dien dag wel over zouden komen, want het eerst vrij zwakke geweervuur werd allengs sterker; machinegeweren spraken een woordje mee, en af en toe klonk zelfs geschutvuur. Er was dan ook een merkbare onrust in onze colonne.

Op ongeveer een kilometer achter het front werden de passen gecontroleerd, en goddank, alles bleek in orde. Toen moest er een witte vlag gemaakt worden en Hogberg leverde daartoe gewillig zijn handdoek; gelukkig mocht de wagen met onze bagage ons tot het laatste oogenblik begeleiden.

Het vuur luwde eenigszins en toen wij aan de eerste russische loopgraaf gekomen waren, was alles kalm. Mijn hoop dat alle contrôle voorbij zou zijn, werd echter verijdeld, want midden op den weg moesten wij halt houden, werden in twee rijen geplaatst en begon een visitatie aan den lijve.

Ik had het meest te doen met mevrouw R., want ze had haar heele kapitaal, een dik pak bankbiljetten, onder haar rokken verborgen. Aangezien ik als vreemdeling vermoedelijk in Rusland het scherpst onderzocht zou worden, hadden wij afgesproken, dat zij het tot aan de grens bij zich zou houden, terwijl ik het dan op onzen tocht door niemandsland weer zou overnemen, omdat ik weer bij de Litauers aan het minste gevaar was blootgesteld.

Gelukkig bleken de beide vrouwen van een visitatie verschoond te blijven, maar ze zouden toch nog een paar heel ellendige oogenblikken doorleven, want nauwelijks stonden wij in twee rijen, of daar kwam het welbekende suizen van een projectiel, en pang, nog geen tweehonderd meter van ons sprong een granaat. Wij keken allen op, maar de bolsjewiki gingen kalm door onze zakken te doorzoeken. Een halve minuut later kwam weer een granaat aangieren, en toen nog een, en nog een.

Ik zal dit tafereel niet licht vergeten, dat heuvelachtig landschap, badend in 't zonlicht, die loopgraaf vlak voor ons, met overal in hun bruine russische uniformen de bolsjewiki, die ons nieuwsgierig bekeken, die twee rijen mannen, met de handen in de hoogte, en midden op den weg de twee vrouwen, doodsbleek gehurkt op de bagage, het jongetje R., anders vol praats, thans heel soumis tegen moeder aangedrukt.

Het duurde eeuwen, maar eindelijk was alles klaar, een paar soldaten, die zelf geen bagage hadden, namen een deel van onze bagage, de witte vlag ging voorop, en de stoet zette zich in beweging. Eerst heel langzaam, want we moesten door de hindernis, maar al spoedig begon de vlagdrager zijn tempo te versnellen en dreigde de colonne uit elkaar te geraken, aangezien de vrouwen en de zwaarder beladenen niet mee konden komen. Daar had je het al.

Men had mij van bolsjewistische zijde er reeds op gewezen, dat het noodzakelijk was dat wij bij elkander bleven, omdat het al meer gebeurd was dat de Litauers achterblijvers niet toelieten of wel er op schoten. Ik keek eens om naar den baas, met wien ik afgesproken had het zaakje bij elkaar te houden, maar die had zelf een zwaren koffer te torsen, en had dus niet veel te vertellen.

Ik besloot er dus zelf maar een eind aan te maken, en gaf den jongeman met de vlag een daverend standje, liet de colonne halt houden, de vrouwen in het midden nemen, en toen weer voorwaarts gaan, terwijl ik mij zelf aan het hoofd begaf. Dat hielp, en van dit oogenblik had ik het commando, en werden mijn bevelen zonder tegenpruttelen gehoorzaamd.

Het was merkwaardig, dat hoe meer we de litausche linies naderden, hoe kalmer en stiller iedereen werd. We hadden n.l. in Dunaburg de verschrikkelijkste verhalen gehoord van transporten, die door de Litauers met een heftig geweervuur ontvangen waren, dan wel weer teruggestuurd, en toen weer door de bolsjewiki teruggejaagd.

Dat er van die verhalen iets waar was, bleek uit het groot aantal koffers, dat op en terzijde van den weg neergesmeten lag, blijkbaar inderhaast weggeworpen, om zich sneller tegen het geweervuur te kunnen dekken. Aangezien het geschutvuur, dat thans over onze hoofden ging, sterker werd, en nu en dan terzijde van ons het geweervuur ook opflikkerde, zeide ik tegen R.: "hoor eens, als het verkeerd gaat bekommer je dan niet om je bagage, werp die weg, en doe wat ik je zeg." Hij keek al maar door bezorgd naar vrouw en kind, terwijl Hogberg me nu en dan eens toeknikte, en een "very dangerous" liet hooren.

De weg viel ook niet mee, heuvel op, heuvel af, en dan hadden wij allemaal wat te dragen, en zoo sleepten wij ons moeizaam voorwaarts.

In dien tusschentijd stopte mevrouw R. mij nog snel het dikke pak tsarenroebels toe, dat ik niet dan met de grootste moeite in al mijn zakken kon bergen. Eindelijk, nadat we meer dan een uur gegaan waren, klonken vlak bij ons heel harde slagen. De krijgsgevangenen en ik wisten toen meteen dat we ongemerkt door de litausche voorposten gekomen waren, want wij waren nu al bij de vurende batterij.

De vrouwen hadden echter nog een geweldigen schrik; het was gelukkig de laatste, want een oogenblikje later stapte een litausch officier op ons toe, die ons heel vriendelijk begroette.

Ik stapte vooruit, en deed het woord. De Litauer sprak wat gebroken duitsch en deelde mede dat wij ongehinderd verder konden gaan. Wij kregen een soldaat mee, maar al waren wij nu door de linies, daarmee hadden wij nog geen wagens en zoo moesten wij nog een heel uur voortgaan, totdat eindelijk bij een herberg twee wagens gehuurd konden worden, waarop weer de bagage en de vrouwen geladen werden. De mannen gingen te voet verder naar Dawgeli, waar de litausche commandant verblijf hield; dit was nogmaals een uur loopen.

Wij waren ten minste den avond te voren uit Dunaburg vertrokken en hadden nog een gedeelte per wagen afgelegd, maar de krijgsgevangenen waren heel vroeg dien morgen uit Dunaburg opgebroken en hadden den geheelen weg getippeld.

Maar dat is kinderspel, zeiden een paar Oostenrijkers, wij zijn bijna heelemaal uit Tobolsk komen wandelen, daar doen we nu al twee maanden over.

Het bleken gevangenen te zijn, die achter het front van Koltsjak geweest waren en bij den opmarsch der bolsjewiki waren bevrijd.

De bolsjewiki hadden echter niet voldoende spoormateriaal om hen allen naar achteren te brengen. In het geheel waren het er ongeveer 15.000 en zoo hadden ze een groot gedeelte van den weg moeten loopen. In Moskou en andere plaatsen waren concentratie-kampen ingericht, maar deze waren zeer primitief en het voedsel was er absoluut onvoldoende. Daarom liepen ze bij hoopen weg en trachtten gelijk het dezen twee gelukt was bij Dunaburg over de grens te komen. Zij waren in Moskou in het kamp geweest en hadden den weg Moskou—Dunaburg ook weer te voet afgelegd.

Ik vroeg hun natuurlijk eenige bijzonderheden over het leger van Koltsjak.

Och, zeiden ze, het is er een nog grooter bende dan bij de bolsjewiki, de mannen loopen bij bosjes weg. Ze hebben genoeg van het vechten. De bolsjewiki hadden alleen maar voorwaarts te gaan. Gevochten is er bijna niet.

Eindelijk kwamen we in Dawgeli; wel was ik erg moe, maar ik gevoelde me toch heel wel; het was gelukt: ik was naar Moskou geweest en er weer uit gekomen. Nu was het me er echter om te doen, om niet voor een krijgsgevangene gehouden te worden. Ik begaf mij dus direct naar den commandant, een litausch majoor, die mij heel vriendelijk ontving en mij direct gelukwenschte, met de woorden: "u had geen uur later moeten komen, want op het oogenblik begint onze aanval op Novo Alexandrofsk."

Ik had dus geboft.

Kowno, 27 Augustus

Zoo waren wij dan wel heelhuids uit Rusland, maar dat wilde nog niet zeggen, dat daarmede ook weer de beschaafde wereld bereikt was, want een goede 150 KM. scheidden ons nog van Kowno, en de eenige wijze om dat te bereiken was per as.

De Litauers waren heel vriendelijk, en behandelden ook de krijgsgevangenen zoo goed mogelijk. Ze hadden echter zelf niet veel, zoodat die arme kerels er nog al slecht aan toe waren.

Dien nacht sliepen de familie R., de Zweed en ik in het litausche hoofdkwartier der troepen voor Nowo Alexandrofsk, in een boerenwoning op den vloer. Den volgenden morgen gingen wij met twee wagentjes naar Ottojani; wij keken elkaar eens aan, toen wij den prijs hoorden: maar 50 roebel per hoofd. Hoewel dat voor Litauen geweldig duur was, leek het ons spotgoedkoop, vergeleken bij de prijzen in Rusland.

Mijn reisgenooten waren erg bang voor de visitatie der Litauers, maar daar schenen ze heelemaal niet over te denken. Alleen werden onze passen van een stempel voorzien, echter zonder eenig bijschrift, vermoedelijk omdat de controleerende ambtenaar niet lezen of schrijven kon. Ik meen zulks op te mogen maken uit het feit, dat hij mijn pas onderste boven bekeek, en bleef bekijken, totdat hij aan 't portret kwam, waarop hij blijkbaar zijn vergissing eerst bemerkte.

Onderweg werden wij herhaalde malen aangehouden, maar het aardigheidje kennende, gaf ik altijd maar een sigaret, en hield mijn pas in den zak. Wij hoorden 's ochtends dat Nowo Alexandrofsk genomen was, en waren de Litauers maar wat beter uitgerust geweest, dan hadden ze voor Dunaburg kunnen staan; maar hun etappendienst is te slecht dan dat ze ineens zoo'n sprong voorwaarts konden doen.

Ik had gehoopt in Ottajani den trein naar Schaulen over Ponewjez te kunnen nemen, om dan over Tilsit zoo snel mogelijk naar Berlijn te reizen.

Daar hoorde ik echter, dat alle verkeer over Schaulen gestremd was, omdat, naar men zeide, het leger van Koltsjak die plaats bezet had.

Het leger van Koltsjak? vroeg ik, wat is dat voor onzin, Koltsjak zit in Siberië.

Jawel, was het antwoord, maar een paar duizend uit duitsche krijgsgevangenschap ontslagen Russen hebben zich onder voormalige tsaristische officieren tot een hulpbrigade gevormd en zich nu voor Koltsjak verklaard, en aangezien ze toch iets moeten doen, Schaulen bezet.

Het lijkt wel een gekkenhuis, deze Oosthoek van Europa, hoewel 't nog zoo gek niet is om Schaulen, het verbindingspunt tusschen Letland en Litauen, te bezetten. Deze troepen zijn natuurlijk geheel en al tsaristisch en hun aanvoerders willen vermoedelijk niets van een onafhankelijk Letland en Litauen weten.

Gelet op het eigenaardige karakter van 't litausche leger en op den waarschijnlijken terugtocht der duitsche troepen uit Letland, kunnen ze uit het door hen bezette punt naar alle richtingen optreden en zoo noodig in Koerland het tsarenrijk weer uitroepen, hetgeen ik volstrekt niet voor onmogelijk houd.

Van dat oogenblik af gaan ze dan natuurlijk weer tegen de Polen vechten. Waarom? ja dat weet ik ook niet, maar dat is nu eenmaal iets, dat ik bij elken reactionnair gezinden Rus heb kunnen constateeren. Zijn allereerste hoop is, om zoodra 't tsarenrijk hersteld zou zijn, de Polen te lijf te gaan.

Onze twee voerlieden wilden ons niet verder brengen dan Ottajani en zoo huurden wij daar een anderen wagen, om ons naar Kowno te brengen.

Den eersten dag bracht onze nieuwe voerman ons tot Wilkomir, waar wij hoorden dat de toestand aan het poolsch-litausche front zich verscherpt had, en dat wij haast moesten maken om te zorgen in Kowno te zijn voor ze ons misschien den weg afsneden.

Het landschap is in deze streken bijzonder mooi; voor den liefhebber van folklore is er bovendien heel wat te zien en te bestudeeren, onder anderen zijn de huizen aan de snijpunten van wegen met allerlei geborduurde lappen versierd, en ook de litausche kerkhoven met de verschillende houten grafkruizen zijn zeer merkwaardig; om de typische vrouwendrachten niet te vergeten.

In Ucjonie hadden wij daar, het was Zondag, bij 't uitgaan van de kerk een heel goed denkbeeld van gekregen. Jammer alleen, dat het type der Litauers niet mooi is; ze hebben allen, zoowel mannen als vrouwen, iets stompzinnigs, en niet geheel ten onrechte wordt dan ook het litausche boerenvolk tot een der domsten van Europa gerekend.

Ludendorff wijdt in zijn bekend boek een aantal bladzijden aan de wijze, waarop hij het burgerlijk bestuur dezer streken geregeld heeft, en hoe hij getracht heeft deze door den oorlog zoo zwaar geteisterde streken weer op de been te helpen.

Toen de Duitschers het land nog bezet hadden, was de bevolking er eigenlijk maar half tevreden mede, en tengevolge daarvan vond de door den overste Reboul, den chef der fransche missie, uit Kowno op ruime schaal verspreide anti-duitsche propaganda-lectuur een vruchtbaren bodem.

Nu de Duitschers echter weg zijn, beginnen de oogen open te gaan en klaagt alles steen en been; overal op mijn langen tocht van Dunaburg tot Kowno hoorde ik de verzuchting: waren de Duitschers maar weer terug; ze waren wel streng, maar rechtvaardig en onder hun bestuur begon er welvaart te heerschen.

De Litauers blijken dan ook heelemaal niet in staat, het door de Duitschers begonnen werk in stand te houden, laat staan voort te zetten. De wegen en bruggen, door de Duitschers niet alleen verbeterd, maar ook op vele plaatsen nieuw aangelegd, worden niet meer onderhouden. De spoorwegen functionneeren niet meer, de onveiligheid neemt hand over hand toe, het bolsjewisme begint het hoofd weer op te steken, waardoor de handel gaat kwijnen; en wanneer Ludendorff dan ook opmerkt: "Die Bevölkerung wurde mit ruhiger Sicherheit geleitet. Sie wird jetzt erkennen dasz wir nach Recht und Billigkeit gehandelt haben" (bladz. 160), heeft de uitkomst bewezen dat hij volkomen gelijk heeft.

Wat er van Litauen moet terecht komen is mij een raadsel, vooral als nu de Polen ook nog gaan oprukken. Het ontbreekt ten eenenmale aan intellectueelen om de noodige ambtenaarsposten te bezetten. Het leger is niet veel beter dan dat van Trotzky, dat ook al heel slecht is, en het eenige is dat de Litauers beter gevoed worden, waardoor zij dan ook in staat blijken de bolsjewiki terug te werpen.

De laatste loodjes wegen het zwaarst, dat bleek ook hier weer, want onze tocht van Wilkomir naar Kowno had onder voortdurende stortbuien plaats en bovendien woei er een ijskoude noordwestenwind, maar eindelijk, tegen donker, zagen we Kowno voor ons liggen en reden wij na een poosje door de hoofdstraat. Welk een heerlijkheid weer een, zij het ook slechts half-europeesche, stad te zien, waar weer een behoorlijke straatverlichting was en café's en winkels.

Wij zochten en vonden gelukkig een eenvoudig maar zindelijk hotel en gingen toen dadelijk nieuwe kleeren koopen. Er bleek in Kowno geen ontluizingsinrichting te zijn en daarom gooiden wij alles weg, alleen mijn schoenen en beenkappen behield ik. Na een bad voelde ik mij, ondanks een hevige verkoudheid, als herboren. De Zweed en ik hadden samen een kamer en telkens zeiden wij tegen elkaar hoe is het mogelijk dat we er heelhuids zijn afgekomen? Ook de familie R. was buiten zich zelve van vreugde. Geslapen hadden wij de laatste week bijna niet, maar we waren over alles heen, en uren hebben we wakker gelegen, al maar herhalende hoe gelukkig we er waren afgekomen. De laatste dagen waren wel de minst gevaarlijke, maar de vermoeiendste geweest; 160 KM. in een klein wagentje op elkaar gepakt, waarbij we er den laatsten dag het grootste gedeelte naast hadden geloopen, hadden ons laatste restje energie verbruikt, en ik bewonder nog altijd de kordaatheid van mevrouw R. Hoe dikwijls heb ik haar gadegeslagen, als ze, zelf totaal uitgeput, toch doodstil bleef zitten, om haar jongske, dat met 't hoofd op haar schoot in slaap gevallen was, niet te storen.

Het bleek voor mijn medereizigers van groote waarde, dat ik met de autoriteiten in Kowno al bekend was, want daardoor kregen ze heel wat gemakkelijker hun visa. Ik werd als een uit den dood opgestane begroet, vooral de heeren van het duitsche gezantschap waren allervriendelijkst. De gezant vroeg me direct te eten, en heel verheugd was ik, weer eens iets uit de beschaafde wereld te vernemen, want sinds 14 Juli had ik geen europeesche courant meer gezien.

Ik at met de leden der duitsche missie in de villa Thilman, het huis waar Hindenburg en Ludendorff zoo langen tijd hebben gewoond. De stemming der Duitschers vond ik erg mat, en dat is ook te begrijpen. Zij hooren dagelijks, hoe de bevolking onverholen te kennen geeft, het vertrek der duitsche troepen te betreuren, en hun machteloosheid tegenover de entente-missies, die zelf echter, door het gebrek aan een behoorlijke troepenmacht, ook niets anders kunnen uitrichten dan bevelen geven, die toch niet uitgevoerd worden, stemt hen natuurlijk bitter.

De Engelschen en Amerikanen hebben bovendien ruzie met den overste Reboul, die ijverig er op uit is de Polen in alles te steunen, en daarom het antisemitisme, tot groote woede der Amerikanen, op alle mogelijke wijze aanwakkert. De missies werken dan ook niet meer samen, en zelfs heeft de fransche het hotel, waar zij tot dusver met de andere samenwoonde, verlaten en een eigen kwartier betrokken.

Ik heb nog een onderhoud gehad met den chef der amerikaansche missie, en deze deelde mij mede, van zijn regeering de opdracht te hebben, zich volstrekt niet met politiek in te laten, doch alleen de voedselvoorziening te regelen.

De Amerikanen hebben op mij, overal waar ik ze in Polen en Litauen aan 't werk zag, een sympathieken indruk gemaakt vooral om het neutrale standpunt dat zij innemen. Zij trachten werkelijk het lijden der bevolking te lenigen, zonder zich met stokerij in te laten. Alleen hebben zij zich hier en daar toch ook laten verleiden, allerlei voor het eigen leger niet meer bruikbare verduurzaamde levensmiddelen aan den man te brengen. Ze zijn hier echter zoo onnoozel niet meer om dat zonder meer te slikken en de stemming jegens de entente is dan ook op sommige plaatsen beneden nul.

Daarbij komt nog dat de meer intellectueelen zich afvragen: waar gaan we heen? De Duitschers zijn weg, we mogen niet meer doen wat ze voorgeschreven hebben, maar wat nu? De entente doet niets, een paar engelsche en fransche officieren kunnen ons toch niet alleen tegen bolsjewistische benden verdedigen, en zelf kunnen we het ook niet. Bovendien weet niemand, wat de plannen der Entente zijn. Wat hebben ze met ons voor? Wij zijn nu wel zoogenaamd onafhankelijk, maar hebben niets om ons op de been te houden.

Mijn indruk is, dat het langzaam maar zeker mis gaat, al zal Litauen zoo gauw niet bolsjewistisch worden. Dat zal veel eerder in Letland gebeuren, als de Duitschers daar weg gaan. Hier zullen de Polen er wel voor zorgen dat het niet gebeurt, want die marcheeren dan natuurlijk direct binnen, en anders zijn er nog de bovengenoemde eigenaardige russische troepen in Schaulen; maar met de onafhankelijkheid is het dan gedaan.

De familie R. besloot nog een paar dagen in Kowno te blijven, maar de Zweed en ik brandden van verlangen om zoo snel mogelijk weg te komen en toen we dan ook hoorden dat er nog een late trein ging die ons binnen 24 uur in Berlijn zou brengen, haastten wij ons om alles in orde te brengen en zoo vertrokken wij Woensdagavond naar Duitschland, waarbij wij tot de treurige ontdekking kwamen, dat de mooie rechtstreeksche verbinding met Berlijn niet meer bestond, maar we twee keer moesten overstappen, n.l. in Wilkowisky en later nog eens in Wirballen; maar wat is dat als je uit Moskou komt.

Zoo hoort dan ook deze russische reis tot het verleden. Mij zelf verheugt het dat ik er in geslaagd ben, ondanks alle moeilijkheden, er weer uit te komen. Een paar dagen heb ik nog in Berlijn rondgeloopen, mij afvragend: krijg ik nu vlektyphus of niet? maar dit bleek niet het geval te zijn en ik ben er dus zonder kleerscheuren afgekomen.

* * *

DE OOSTZEEPROVINCIËN

Berlijn, 3 September

De laatste berichten uit Koerland wijzen erop, dat wat ik reeds een paar maanden geleden in mijn brieven uit Libau en Kowno voorspelde gaat gebeuren. Nu de duitsche troepen weg zijn, steekt het bolsjewisme het hoofd weer op. De nederlaag der Witten in Estland heeft den toestand verscherpt. Het mag misschien eenigszins eigenaardig klinken, wanneer ik ondanks de overwinning der bolsjewiki blijf beweren dat het leger van Trotsky geen militaire waarde heeft. Wat ik er in Polen en Rusland van gezien en gehoord heb, heeft mij ervan overtuigd, dat het een bende is. Maar wanneer de Entente met nog grootere benden aan komt zetten krijgt het natuurlijk op zijn kop, want de eigenlijke Letten en ook de Esten beteekenen heelemaal niets. De Polen en zelfs de Litauers blijken in staat om de Russen gevoelige nederlagen te bezorgen. Maar St. Petersburg kan tot de stomme verbazing van iederen Rus niet genomen worden. Integendeel, nu de duitsche troepen weg zijn, wordt de toestand in Koerland elken dag erger. De Engelschen, die, zooals mij o.a. de engelsche vertegenwoordiger te Libau voor een paar maanden nog zeide, het bolsjewisme "made in Germany" noemen en beweren, dat de bevolking daar volstrekt niet bolsjewistisch is, ondervinden dat, nu de duitsche troepen weg zijn, het platteland met benden overstroomd wordt, waartegenover de inheemsche troepen machteloos staan. De kwestie van graaf Von der Goltz te Mitau, die in het buitenland geheel verkeerd begrepen wordt — vooral ook in Duitschland, daar de duitsche pers al bijzonder slecht is ingelicht over hetgeen er in Koerland gebeurt — is heel eenvoudig. Indertijd had de letsche regeering, gelijk ik vroeger reeds mededeelde, aan de duitsche soldaten het burgerrecht beloofd, waardoor zij aanspraak kregen op 60 morgen land, hun toegezegd door de groote grondbezitters. Deze belofte is de regeering niet nagekomen. De Duitschers staan nu op het oogenblik op hun recht.

Bovendien staat de duitsche commandant voor het moeilijke geval dat hij zeker weet, dat, wanneer hij weggaat, het duitsche element, dat in die streken zoo talrijk is en volstrekt niet alleen uit baronnen bestaat, maar vooral ook de kleine burgerij en het intellect omvat, eenvoudig uitgemoord zal worden. Ik herhaal wat ik vóór drie maanden schreef, dat, gaan de Duitschers weg en worden ze niet door een behoorlijke europeesche macht vervangen, die streken aan de anarchie zijn prijsgegeven. Niet alleen dat St. Petersburg dan nooit genomen wordt, maar ook Riga, Libau en Rofno zijn dan verloren.

Op mijn tocht uit Rusland over Dunaburg heb ik kunnen constateeren hoe alles, wat niet bolsjewistisch is, naar den terugkeer der Duitschers verlangt, niet zoo zeer omdat zij Duitschers zijn, maar omdat het de eenigen zijn die er de orde kunnen handhaven. Als een staaltje, hoe slecht zelfs de duitsche pers ingelicht is, zij vermeld, dat de val van Novo Alexandrofsk, die plaats vond toen ik er verleden week doortrok, wat mij heel wat moeite berokkende, pas vandaag over Helsingfors tot de duitsche bladen doorgedrongen is. Tienduizend man europeesche troepen, geoefend en goed gedisciplineerd en van de noodige hulpmiddelen voorzien, kunnen met Rusland doen wat zij willen.

* * *

DE STRIJD TEGEN DE SOVJET-REPUBLIEK

Berlijn, 16 September

Al een paar maanden lang houd ik mij nu vrijwel uitsluitend bezig met het bolsjewisme, en in het bizonder met den strijd er tegen. Zoowel in Koerland, Litauen, Polen als in Rusland zelf heb ik ter plaatse de zaak bestudeerd en meen dan ook eenig recht van spreken te hebben.

Laat ik eerlijk bekennen, dat ik aanvankelijk ook overtuigd was, dat Trotsky met de schepping van het roode leger een waar Napoleonswerk verricht had en een opmarsch van het roode leger naar West-Europa niet tot de onmogelijkheden zou behooren. Hetgeen ik er later echter van te zien kreeg, heeft mij anders geleerd.

Reeds voor Riga begon ik te twijfelen, toen ik zag, hoe een paar duizend Duitschers en Balten met slechts weinig artillerie een driedubbele overmacht der Russen versloegen; later in Polen zag ik betrekkelijk slecht uitgeruste, maar goed gedisciplineerde en voor hun vaderland geestdriftige poolsche soldaten, een bijna driedubbele overmacht aan bolsjewiki voor zich uit jagen.

Toen ik in Rusland zelf kwam, werd het mij echter heel duidelijk; op een klein gedeelte na zijn de russische soldaten den oorlog moede. Zij deserteeren bij massa's en de twee groote dingen, waardoor een leger bij elkaar gehouden wordt, n.l. een goede geest en goed eten, zijn niet aanwezig.

Zeker, er is in Rusland genoeg eten te krijgen. Op het platteland heerscht overvloed, maar het spoorwezen is door gebrek aan locomotieven dermate in de war, dat de op sommige plaatsen opgehoopte voorraden niet vervoerd kunnen worden.

Daardoor is natuurlijk de heele verpleging van het roode leger in de war en niet dan met de uiterste moeite slagen de Russen er in ten minste nog brood en munitie naar het front te brengen.

Wanneer ik dan ook in engelsche bladen lees, dat het roode leger beter uitgerust en georganiseerd is dan ooit, dan is dat geheel bezijden de waarheid en het wordt vermoedelijk alleen verkondigd om de onmacht der entente te verbloemen.

Een fransch generaal schreef eenige maanden geleden in een fransch blad: St. Petersburg kan in vijf dagen genomen worden of in het geheel niet.

Dat is de ware toestand: een goede troep neemt het in enkele dagen, een slechte nooit.

Het eigenaardige geval doet zich thans voor, dat tengevolge van de onvoldoende troepen waarmee de Engelschen tegen St. Petersburg opereeren, het den indruk geeft, alsof Trotsky een krijgskundig genie is.

Zeker, verdiensten heeft hij, en aan energie ontbreekt het hem ook niet, maar dat hij nog altijd chef in Rusland is, kan hij werkelijk niet helpen. Het sprekendste bewijs is voor mij de opmarsch van het poolsche leger, dat, hoewel veel minder sterk en door gebrek aan spoorwegen ook met groote verplegingsmoeilijkheden kampende, met gemak de Russen voor zich uit jaagt.

Nu zegt men, dat de roode troepen bij St. Petersburg veel beter zijn dan die tegenover de Polen; doch de gebeurtenissen bij Riga hebben mij anders geleerd.

Ik heb thans zooveel mogelijk gegevens verzameld, meest uit geheime bronnen, die een kijk geven op den strijd tegen sovjet-Rusland en heb het front in een kaartje geschetst.

Dezer dagen gaf het Berliner Tageblatt een artikel van Theodor Berkes, die tot juist de tegenovergestelde conclusie komt als ik, n.l. dat het roode leger wèl een factor is waarmee te rekenen valt.

Ik ben het, zooals reeds gezegd, daarmee niet eens, al heb ik den schijn tegen me. Inderdaad lijkt het overweldigend als wij het aantal vijanden zien waartegen de Russen te strijden hebben, maar welke waarde hebben die troepen?

Daar zijn in de eerste plaats Koltsjak en Denikin; Koltsjak in Siberië, Denikin in Zuid-Rusland. Koltsjak, die in 't voorjaar bij Samara stond, is sedert dien tot in 't hart van Siberië teruggedreven. Een geweldige overwinning der bolsjewiki, die echter alleen mogelijk was, omdat de troepen van Koltsjak nog slechter waren dan die der bolsjewiki, en eigenlijk zonder veel vechten ervandoor zijn gegaan. In elk geval, de moreele overwinning is aan Moskou, dat daarbij het groote voordeel had, het nijverheidsgebied van Samara weer in handen te krijgen, en — wat niet het minst is, — een verbinding met Perzië en Voor-Indië.

Ik schreef u reeds, dat ik mij ernstig bezorgd maakte over de anti-engelsche propaganda in Voor-Indië, Perzië en de mohammedaansche wereld. Sedert eenigen tijd is er een druk koeriersverkeer tusschen Indië en Moskou, en voorname Indiërs en Perzen, alsmede Mohammedanen en Turken zijn in Moskou welkome gasten. De gaping in de fronten, waardoor deze propagandisten reizen, ligt tusschen het front van Koltsjak en het Oeralkorps van generaal Doetof, die zelf in Oeralsk zit en met zijn troepen, pl.m. 10,000 man, aan de Oeral staat.

De Kirgiezen schijnen al geheel en al bolsjewistisch te zijn, en steunen de roode troepen.

Ik ben in de gelegenheid u over deze propaganda in te lichten, aangezien een Indiër, die te Moskou in hetzelfde hotel gewoond heeft als ik, mij thans uitvoerig van alles op de hoogte heeft gebracht.

Lenin had hem zelf verklaard, dat zijn hoofdwerkzaamheid op het oogenblik in Azië lag; daarheen heeft hij zelfs zooveel troepen, munitie en geld gezonden, dat het westfront er door verzwakt is.

In Moskou zelf is op het oogenblik de indische maharadja Koemar Mahoendra, die er het hoofd is van een indische missie. Achter de schermen zit echter nog een machtiger indische grootheid te werken.

Ook de emir van Afganistan heeft een eigen vertegenwoordiger in Moskou, n.l. Paroh Katulloh, een bekend indisch revolutionnair, terwijl een zekere Prawin, een Rus, als vertegenwoordiger van Lenin in Indië de propaganda voert.

De gewezen turksche officier Kiazim Bei heeft in Toerkestan de leiding, waar hij een groote anti-engelsche organisatie tot stand gebracht heeft met russisch geld, dat hem onbeperkt toegezonden wordt, zoo ook wapenen en munitie.

Deze organisaties, die volgens Lenin's eigen woorden tegen het hart van Indië gericht zijn, groeien, dank zij den russischen steun, met den dag. Caveant consules.

Denikin heeft, in tegenstelling met Koltsjak, den laatsten tijd vrij groote voordeelen behaald, die hun hoogtepunt vonden in de verovering van Charkof. Het is echter de vraag of deze troepen van een beter gehalte zijn dan die van Koltsjak en of zij dus op den duur strijdvaardig zullen blijven.

Het is een vreemd geheel waarover Denikin het bevel voert. Hij zelf heeft zijn hoofdkwartier in Rostof, aan de Don. Op zijn rechtervleugel staat het Kaukasus-leger, ongeveer 12,000 man, onder de generaals Erdeli en Sawitski. Meer naar het noorden, ten z.o. van Saratof, staat generaal Wrangel met een leger uit vrijwilligers bestaande en het Koeban-leger, op papier 80,000 man tellend. In het centrum staan naast elkaar het Krim-Azofsche korps met Donkozakken onder generaal Sidorin (pl.m. 50,000 man). De linker-vleugel wordt gevormd door drie groepen vrijwilligers onder de generaals Pokrowski-Skoera en Machnof, elk ongeveer 20,000 man sterk en nog versterkt door Terekkozakken.

Daartegenover hebben de bolsjewiki hun 12e, 13e, 8e en 9e leger staan, ook alweer op papier 150,000 man sterk. De Kaspische Zee en de Kaukasus zijn geheel in engelsche handen.

In de Oekraine heerscht groote verwarring; daar vechten bolsjewiki en witte troepen tegen en onder elkander. Langs de kust is een smalle strook, waar o. a. Odessa in ligt, in handen der witte troepen. Tegenover het roode westleger staat generaal Sceptyeki, met naar mijn schatting pl.m. 10,000 man tegenover pl.m. 50,000 Russen.

Aangezien het poolsche leger goed aangevoerd wordt, en de Polen uitstekende soldaten zijn, worden hier de bolsjewiki voortdurend teruggeslagen. Helaas hebben de Polen geen plan om veel verder dan de Beresina oostwaarts te rukken.

Hier komen wij op een zeer lastig vraagstuk dat ik al te voren heb aangeroerd, n.l. dat de Polen de Beresina als oostgrens willen hebben en daarmee een gedeelte van Wit-Rusland, hetgeen de Entente tot dusver, vermoedelijk door beloften aan Denikin gebonden, niet heeft willen goedkeuren.

Over Litauen en Koerland heb ik al heel wat geschreven en getelegrafeerd; daar staan naast elkaar Litauers, Esten en Letten, die echter geen groote militaire waarde hebben, slecht uitgerust en gedisciplineerd zijn, waardoor in dat gedeelte van Oost-Europa de troepen van Von der Goltz de eenige zijn waarmee iets uit te richten is.

Nu is m. i, de heele moeilijkheid deze, dat het den Engelschen er nooit oprecht om te doen is geweest, het sovjetbewind ten val te brengen. Engeland zag in het bolsjewisme geen gevaar voor zichzelf. Dat het toch in schijn er tegen optreedt ligt alleen hierin, dat het bij een val van het sovjet-bestuur wil trachten economische voordeelen te behalen en de Duitschers te beletten in Rusland handelsbetrekkingen aan te knoopen.

Wien de goden willen verderven, dien slaan zij met blindheid, want op deze manier heeft Engeland zich toch de russische regeering tot aartsvijand gemaakt en ziet het welke gevaren in Indië en Perzië dreigen.

Maar Engeland heeft het ook bij de conservatieven en zelfs ook bij de meer gematigde Russen verbruid, door den aan Polen verleenden steun.

Men kan gerust zeggen dat alles wat Rus is, tot welke richting ook behoorend, anti-engelsch is. In Oost-Europa heeft de Entente uitgediend, omdat ze het niemand naar den zin heeft kunnen maken en omdat ze nooit openlijk gezegd heeft wat ze wilde.

Lenin en Trotsky spelen tegenover de boeren uit dat Koltsjak en Denikin reactionnair zijn.

Dezer dagen sprak ik een Rus, die pas uit Rusland kwam, en er in de laatste maanden veel gereisd heeft. Hij was het grootendeels met de beschouwingen, die ik gegeven heb, eens; alleen meende hij, dat van de socialisten geen heil te verwachten was, omdat de Russen weer een krachtige vuist moeten hebben, die ze regeert.

Maar in zooverre was hij het met mij eens, geen reactie, geen intrekking der thans ingevoerde hervormingen, maar een met het russische volkskarakter rekening houdende hervormingspolitiek.

Hij was er, evenals ik, van overtuigd, dat een openlijke verklaring der Entente, en met name van Engeland, heel veel goeds zou kunnen uitrichten. Wat zegt nu echter Churchill en bevestigt daarmee mijn bovengeuite overtuiging: "wij moeten zorgen, dat Duitschland geen economische voordeelen behaalt." Daarmee is feitelijk de engelsche politiek gekarakteriseerd en m.i. veroordeeld.

De Engelschen — en in het algemeen de Entente hebben geen geregelde troepen ter bestrijding van het bolsjewisme beschikbaar, en laten anderen voor zich vechten. Die anderen bestaan uit verschillende elementen, conservatieve en radicale en daarom kan de Entente geen uitsluitsel geven wat zij eigenlijk wil, om niet een der partijen tegen zich in 't harnas te jagen.

Zeer typisch komt dat in 't Noorden uit. Daar vechten Esten, die eigenlijk half en half bolsjewistisch zijn, naast de troepen van prins Lieven, die reactionnair zijn, en op het oude tsaristische standpunt staan.

Schaart de Entente zich nu aan de zijde der reactie, dan weten niet alleen de Esten, maar ook de Letten en Litauers, dat zoodra het bolsjewisme valt, het met hun onafhankelijkheid gedaan is. Gaat de Entente de andere richting uit, dan doen de reactionnairen niet meer mee.

Elk dezer partijen op zich zelf is niet sterk genoeg, en de Entente heeft zelf geen troepen beschikbaar, dus blijft het bij een dubbelzinnige politiek.

Er is slechts één uitweg — maar of de Engelschen daaraan zullen willen, is de vraag — n.l. de troepen van Von der Goltz opdracht geven St. Petersburg te veroveren. Op het oogenblik is het al zeer onwaarschijnlijk, dat die opdracht gegeven wordt, maar het oogenblik nadert meer en meer dat men in de duitsche troepen in Koerland de eenige redders zal zien. De doorbraak bij Pskof heeft opnieuw aangetoond, niet dat de roode troepen zoo sterk zijn, maar hoe zwak de witte zijn.

Wanneer men in Engeland zegt: St. Petersburg is zoo sterk, dat het niet te nemen is, dan is dat een onwaarheid, welke iedereen, die ook maar eenigszins op de hoogte is, voelt. Een dergelijk gezegde beteekent alleen, dat de troepen die voor de Entente vechten weinig of niets waard zijn. Ik weet uit zeer goede bron, dat er Engelschen zijn, die er net zoo over denken als ik, maar hun meening wordt onderdrukt.

De engelsche politiek tegenover Rusland is onbegrijpelijk. In Moskou heb ik een witboek der bolsjewiki gelezen, waarin de geheele tekst van de besprekingen tusschen de Engelschen en de sovjet-republiek openbaar gemaakt is. Daaruit blijkt, dat Tsjisjterin niet eenmaal, maar herhaaldelijk een wapenstilstand heeft voorgesteld. Al zijn voorstellen zijn echter afgeslagen. Nu begrijp ik niet, hoe Lloyd George kan verklaren, dat de sovjet-regeering geen enkele maal een vredesaanbod gedaan heeft. Integendeel, de Russen willen niets liever dan vrede, omdat zij heel goed weten dat hun leger geen groote waarde heeft, al beweren zij natuurlijk het tegendeel; zij weten ook heel goed, dat de blokkade hen op den duur ten gronde zal richten.

Zij doorzien de engelsche taktiek echter heel goed, en dat is hun kracht. Vandaar hun vredesaanbod aan Litauen en Estland; dat zaait natuurlijk tweedracht in het leger dat de Engelschen voor de verovering van St. Petersburg hebben samengetrokken.

De verklaringen van Bullitt in den amerikaanschen senaat brachten mij niets nieuws; dat had ik in Moskou al lang gelezen.

Hier te Berlijn zijn op het oogenblik zeer veel Amerikanen, die allen om handelsdoeleinden hierheen zijn gekomen. Ook zij wenschen het bolsjewisme zoo spoedig mogelijk ten val gebracht te zien, om weer met Rusland handel te kunnen drijven; het kan hun niets schelen of de Duitschers er dan ook eenige voordeelen bij halen.

Het is natuurlijk zeker, dat de Duitschers op het vinkentouw zitten om weer handelsbetrekkingen met Rusland aan te knoopen en evenzeer, dat de duizenden Russen, die op 't oogenblik in Duitschland zijn, ook niets liever willen.

De duitsche regeering en ook een groot gedeelte van de duitsche pers schijnt heftig op Von der Goltz gebeten, maar ik ben er zeker van, dat er een oogenblik zal komen, dat alle Duitschers, behalve misschien de onafhankelijken, in Von der Goltz een tweeden Yorck zullen begroeten. Wanneer Europa, niet meer uitsluitend door haat geleid, zich op een gegeven oogenblik zal afvragen, welk gevaar het bolsjewisme voor zijn beschaving beteekent, dan zal men reikhalzend uitzien naar een macht, die aan 't sovjetrégime een einde maken kan, en die heeft men — indien de Entente tenminste zelf niet de noodige troepen heeft — in Von der Goltz in het Noorden en in de Polen in het centrum.

Daarnaast behoort dan een ondubbelzinnige verklaring te komen, dat met een opmarsch in Rusland geen reactie bedoeld wordt, maar alleen het einde van de dictatuur van een kleine minderheid.

Zoodra de bolsjewistische propaganda in Azië de Engelschen begint te benauwen, zal het wel anders gaan dan nu; maar zal het dan niet te laat zijn?

De duitsche regeering doet op het oogenblik niets en kan niets doen. De duitsche pers put haar nieuws uit "Die Freiheit", die door zijn betrekkingen met de letsche bolsjewiki natuurlijk niets anders doet dan Von der Goltz voor een reactionnair uitmaken. Vandaar dat van duitsche zijde niets ondernomen zal worden om Von der Goltz te steunen en zeker niet van regeeringszijde. Men spreekt er hier al van, dat de regeering Von der Goltz geen geld meer zal sturen.

Dat er in de engelsche meening toch al eenige kentering is gekomen, bewijst wel het gerucht, dat uit Koerland komt, dat n.l. de engelschen de troepen van Von der Goltz nu misschien wel zullen betalen. Dat zou de eerste stap in de goede richting zijn en er op wijzen, dat de Engelschen hun fouten beginnen in te zien.

Van den schrijver dezer Reisschetsen uit Sovjet-Rusland vindt men belangrijke artikelen over De oorlog in het Oosten gedurende 1916 en 1917 (Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Roemenië, Montenegro, Albanië, Polen) in het geïllustreerde

Gedenkboek van den Europeeschen Oorlog samengesteld onder toezicht van W. A. T. DE MEESTER Luit-Gen, b. d., Oud-Commt v. h. Veldleger COMPLEET IN VIER DEELEN Prijs per deel ingenaaid f 9.—, gebonden f 10.50 Uitgave van A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERS- MAATSCHAPPIJ te LEIDEN

Transcriber's Notes:

Dit boek bevat een aantal zetfouten.

De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:

[die op Duitschand zal rusten.]

—> [die op Duitschland zal rusten.]

[het patriotisme hoog op.]

—> [het patriottisme hoog op.]

[Cumbinnen-Stallupönen]

—> [Gumbinnen-Stallupönen]

[in Koerland, Estland en Litanen,]

—> [in Koerland, Estland en Litauen,]

[met hun familieed en,]

—> [met hun familieleden]

[de lettische sovjet-regeering]

—> [de letsche sovjet-regeering]

[een melancolieke stemming]

—> [een melancholieke stemming]

[met de grootste minitieusheid]

—> [met de grootste minutieusheid]

[op de hoogte zijn, odat]

—> [op de hoogte zijn, omdat]

[de tegewoordige generatie]

—> [de tegenwoordige generatie]

[progrom] —> [pogrom]

Dit woord, dat 8 x voor kwam, is overal gecorrigeerd.

Een afwijkende schrijfwijze, van de vorige fout:

[geen programs plaats gehad]

—>[geen pogroms plaats gehad]

Ook gecorrigeerd.

[amerikaansche missie's]

—> [amerikaansche missies]

[handelsattachés meegebacht]

—> [handelsattachés meegebracht]

[heeft net geinformeerd]

—> [heeft net geïnformeerd]

[openlijk protesteeeren]

—> [openlijk protesteeren]

[ijverig copiëer ik]

—> [ijverig copieer ik]

[De ekonomische toestand]

—> [De economische toestand]

[niet direkt met ons]

—> [niet direct met ons]

[soort guerillaoorlog gevoerd]

—> [soort guerrillaoorlog gevoerd]

[zonder anwoord maar]

—> [zonder antwoord maar]

[geldt van alle]

—> [geldt voor alle]

[plakaten aangebracht]

—> [plakkaten aangebracht]

[naieveteit]

—> [naïeveteit]

[dan de bureau's]

—> [dan de bureaux]

[en voorname Indiers]

—> [en voorname Indiërs]

[het al zeer onwaarschijlijk,]

—> [het al zeer onwaarschijnlijk,]

[zijn er drie entente-emissies]

—> [zijn er drie entente-missies]

Er zijn enkele (plaats)namen die in meerdere spellingen voor komen. Waarschijnlijk heeft de auteur de namen soms uit het Nederlands en soms uit het Pools of Engels gebruikt. De verschillende schrijfwijzen zijn behouden:

[Kovno] / [Kowno]

[Ukrainer] / [Oekrainer]

[Nowo Alexandrofsk] / [Novo Alexandrofsk]

[Bogdanof] / [Bogdanow] / [Bogdonow]

[Kovno] / [Kowno]

[Radoskowitz] / [Radoskowitsj]

[bolsjewik] / [bolsjewiek]

[bolsjewiken] / [bolsjewieken]

Er zijn ook enkele plaatsnamen waarvan één van de twee schrijfwijzen onjuist kan zijn. Dit kon echter niet met zekerheid worden vastgesteld en deze zijn daarom eveneens niet gecorrigeerd:

[Ottojani] / [Ottajani] {beiden komen voor}

[Wilikomir] / [Wilkomir]

Alhoewel de papieren versie van dit boek geen inhoudsopgave heeft, is voor het gemak van de lezer er een toegevoegd. Door de inhoudsopgave valt op dat de datering van de hoofdstukken niet overal chronologisch is. Dit verklaart de auteur zelf door in hoofdstuk "EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND" op te merken dat hij eerst in telegrafische stijl zijn hoofdindrukken uit Rusland heeft gegeven (die volgen elkaar chronologisch op). Deze indrukken, die hij naar Nederland telegrafeerde of per koerier zond, beginnen op 15 Mei 1919 en eindigen op 30 Augustus 1919, waarop hij weer terug is in Berlijn. Dan schakelt hij over op zijn dagboek, dat begint op 28 Juli 1919 en eindigt op 26 Augustus 1919 en daardoor gedeeltelijk met de eerte helft van het boek overlapt.

De laatste twee hoofdstukken, 3 September en 16 September, horen niet meer bij zijn dagboek en zijn een nabeschouwing waarin hij nieuwe ontwikkelingen meeneemt.

Eén chronologische onregelmatigheid wordt hierdoor echter niet verklaard: hoofdstuk "DE VEROVERING VAN RIGA - I. Riga", gedateerd 23 Mei. Dit hoofdstuk wordt opgevolgd door 22 Mei en het daarop volgende hoofdstuk wederom met 23 Mei. Aangezien de eerste zin van hoofdstuk "DE VEROVERING VAN RIGA - I. Riga" begint met "Woensdagavond kreeg ik plotseling bericht..." en 23 Mei in het jaar 1919 op Vrijdag viel, is het aannemelijk dat hier sprake moet zijn van 21 Mei.

Er zijn ook enkele interpunctie fouten gecorrigeerd maar worden hier niet verder genoemd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings