REISSCHETSEN UIT SOVJET-RUSLAND (continued 2)
Reading edition
De parlementaire geschiedenis sedert de duitsche revolutie is wel merkwaardig. Tijdens het duitsche gouvernement had men hier den "regentschapsraad", die direct bij het terugtrekken der duitsche troepen in het noorden en Centrum en der Oostenrijkers in het zuiden het bewind aan een socialistische regeering overdroeg. Deze regeering stond direct voor de moeilijkheid, alles te moeten organiseeren en voorbereiden. Als militaire macht had men het poolsche legioen, dat onmiddellijk versterkt werd door een volksweer, die direct al het door de centralen achtergelaten legermateriaal in beslag nam en eveneens het rollend spoorwegmaterieel. De door deze socialistische regeering geënsceneerde verkiezingen brachten haar echter een groote nederlaag, en de meerderheid in het parlement kregen de nationale democraten, in coalitie met eenige kleinere partijen, terwijl de socialisten niet veel meer dan 30 stemmen kregen; en ook de Joden, die eigen vertegenwoordigers kozen, haalden er niet veel meer. Daarop werd de tegenwoordige regeering gevormd, die zich haastte eenige door de socialisten genomen maatregelen in te trekken, zooals o.a. het afschaffen van den adel, en het doen verdwijnen van de kroon op den kop van den poolschen adelaar. Dit laatste is een typisch poolsche kwestie. Het oude embleem der Polen, dat tijdens de overheersching een soort heilige vereering genoot en in 't geheim door elken Pool bewaard werd, was nl. een gekroonde adelaar. Deze kroon hadden de socialisten direct willen doen verdwijnen, maar daarbij vergrepen zij zich aan een nationaal gedenkteeken en daarvan wilden de Polen niets weten, zoodat nu overal weer de gekroonde adelaar in volle glorie prijkt. De socialisten waren de felle tegenstanders van den overigens zeer populairen Paderewsky, en om hen nu niet al te veel voor het hoofd te stooten, werd deze niet tot staatspresident, maar tot minister-president gekozen. De meerderheid in den landdag schijnt wel monarchaal te zijn, maar toch uit practische overwegingen, o.a. het ontbreken van een goeden candidaat, voor de republiek gestemd te hebben.
Als unicum mag wel medegedeeld, dat de militaire ontwerpen door den landdag met algemeene stemmen werden aangenomen.
Nu moet ik er weer eens over gaan zitten denken hoe ik dezen brief weg krijg en moet ik mij tevens weer eens beklagen over de nederlandsche posterijen. Terwijl de zwitsersche post hier geregeld aankomt, is er in de laatste zes maanden geen brief uit Nederland aangekomen. Er bestaat toch een verbinding Zwitserland-Nederland. Dat men toch de brieven voor Warschau langs dien weg stuurde en besefte, dat de verbinding tusschen Berlijn en Warschau verbroken is.
* * *
ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN IN POLEN
Warschau, 2 Juli
De aanwezigheid van enkele Hollanders, die zich hier ophouden om zaken te doen, brengt mij er vandaag toe eens een brief over economische zaken te schrijven, aangezien het mij van belang lijkt er de aandacht van ondernemende nederlandsche kooplui op te vestigen, dat er hier op 't oogenblik nog wel zaken te doen zouden zijn.
Ik ben daarom naar het ministerie van buitenlandsche zaken gewandeld, en heb een interview verzocht met den minister van buitenlandsche zaken ad interim, hetgeen mij direct werd toegestaan.
Z.E. was zoo vriendelijk, toen hij het doel van mijn komst vernomen had, mij in de gelegenheid te stellen kennis te maken met een paar hoofden van afdeelingen, die mij alle gewenschte inlichtingen konden verschaffen.
Voorop dient te worden gesteld, dat men in Polen heel graag zaken met Nederland wil doen, maar dat de groote moeilijkheid schuilt in de betaling met het oog op het groote verschil in valuta.
Polen is op het oogenblik wel een unicum onder de europeesche staten, want hoewel het door den vrede van Versailles een land van tusschen de 25 en 30 millioen inwoners is geworden, heeft het om zoo te zeggen geen staatsschuld.
Misschien dat het een klein deel der duitsche, russische en oostenrijksche schuld mee zal krijgen, doch op het oogenblik is daaromtrent nog niets bepaald, en is de eenige schuld de een paar maanden geleden geplaatste binnenlandsche leening, terwijl met Frankrijk en Amerika onderhandeld wordt over een buitenlandsche.
Op het oogenblik staat de regeering echter voor de volgende moeilijkheid, dat er nl. vier soorten geld in omloop zijn, nl. tsarenroebels, duitsche en poolsche marken, die denzelfden koers hebben, en oostenrijksche kronen.
Al dit papiergeld heeft een zeer lagen koers, en nu is men bezig de uitgifte van nieuw geld voor te bereiden. Men wil nl. een poolschen gulden invoeren, en dien de waarde van den franschen franc geven, en daarmede dan het vreemde geld vervangen. Men hoopt dit binnen twee maanden te kunnen bewerkstelligen.
De binnenlandsche leening heeft opgebracht 380 millioen mark, 480 millioen kronen en 240 millioen roebel. Met het resultaat der inschrijvingen was men hier zeer tevreden, maar Polen heeft natuurlijk veel meer geld noodig, zoowel om zijn papier gelduitgifte te dekken als om krediet in het buitenland mogelijk te maken. Vandaar dat men, vooral ook met het oog op handelsbetrekkingen met ons land, hoopt er in te kunnen slagen, een poolsche leening in Nederland te plaatsen. Men zal ons land te meer noodig hebben omdat men groote kanalisatieplannen heeft, en heel goed weet dat voor de uitvoering daarvan de Nederlanders de meest aangewezen personen zijn.
Nu de Weichsel de hoofd-verkeersader zal worden, moet het tot dusver niet gekanaliseerde stuk, n.l. dat door het vroegere russische gebied loopt, ook bevaarbaar worden gemaakt. De staat is niet van plan dit zelf te doen, maar zal een inschrijving daartoe openen, terwijl te zelfder tijd een groot aantal baggermachines en vaartuigen voor de binnenscheepvaart in het buitenland gekocht zullen worden. Bovendien heeft men nog verschillende plannen tot het doen graven van kanalen; o.a. een om het industriegebied met de Weichsel te verbinden. Dit lijkt mij voor de nederlandsche aannemers van belang. Het is echter zaak den loop der gebeurtenissen niet af te wachten, want de fransche, engelsche en amerikaansche missies hebben allen handelsattachés meegebracht, die ijverig in de weer zijn de buit voor hun land binnen te slepen. Lukt het den Nederlanders, hier goede contracten af te sluiten, dan is het niet onmogelijk dat wij er in zullen slagen ook kolen uit Polen te betrekken, hetgeen voor ons m.i. van groot belang is gelet op de moeilijkheden, die wij zullen hebben in de toekomst aan voldoende brandstof te komen.
De poolsche industrie, die vóór den oorlog van groot belang was, is door den oorlog om zoo te zeggen geheel ten gronde gericht, en Polen, dat vroeger aanzienlijke hoeveelheden suiker uitvoerde, heeft daaraan thans groot gebrek en kon, doordat zijn raffinaderijen meerendeels vernield zijn, daarin voorloopig ook geen verandering brengen. Dit brengt natuurlijk mede dat onze industrie, gelet op de gemakkelijke verbinding van onze havens met Danzig, hier een ruim arbeidsveld zou kunnen vinden; maar men moet wel degelijk met de concurrentie der Entente rekening houden.
Polen is voor het overgroote deel verder een landbouwland, en dat maakt, dat het zich vermoedelijk wel van de in den oorlog geleden schade zal herstellen. Alleen lijkt het mij, zoo oppervlakkig gezien, dat men hier op landbouwkundig gebied nog zeer veel van ons kon leeren. De Polen zijn zoo diligent geweest een zaakgelastigde met handelsattaché naar Den Haag te sturen. De minister van buitenlandsche zaken zeide mij, dat men hier met verlangen op een nederlandsch vertegenwoordiger wacht. Het ware in elk geval zeer wenschelijk, dat men zoo spoedig mogelijk een handelsman hierheen zond, om de mogelijkheden voor onzen handel en onze industrie te bestudeeren, en den nederlandschen kooplui met raad en daad ter zijde te staan.
De wanhoop van een nederlandsch koopman, die hier bezig is voor millioenen te verkoopen maar niet weet hoe hij zijn waren betaald kan krijgen, doet mij den wensch van de poolsche regeering om in Nederland een krediet te krijgen, hier nog eens extra vermelden. Als tegenprestatie wil de regeering dan gaarne de kanalisatie en wat daarmee samenhangt aan nederlandsche leveranciers gunnen. De poolsche staat kan bovendien voldoende waarborgen geven, aangezien hij heel groote staatseigendommen in den vorm van landgoederen bezit, en ook het spoorwegnet is niet geheel zonder belang, circa 12,000 KM. Aan hout is hier bovendien geen gebrek en het transport is bijna geheel te water mogelijk, 't geen natuurlijk een groot voordeel is.
In een memorie, die ik van het ministerie ontving, legt dit er den nadruk op dat de gemakkelijke scheepvaartverbinding en het geheel ontbreken van een eigen handelsvloot, Polen wel dwingt verbinding te zoeken met een land als Nederland, dat een krachtige handelsvloot heeft. Verder ziet men hier reikhalzend uit naar onze koloniale producten, als cacao, thee, peper en tabak enz. Men hoopt verder dat het poolsche graan met het amerikaansche zal kunnen concurreeren. Wanneer de vrede eenmaal werkelijkheid geworden zal zijn, is Warschau bovendien, door zijn centrale ligging in Europa, het aangewezen punt waar west en oost elkaar zullen ontmoeten en daarom is het mede van belang, dat wij hier vasten voet krijgen, temeer omdat Polen er zelf veel voor voelt met neutralen goede betrekkingen aan te knoopen, aangezien het heel goed beseft, dat de vriendschap met de groote mogendheden altijd haar gevaarlijke zijde blijft behouden.
Laat ik eindigen met mede te deelen, dat men over Zwitserland—Weenen—Krakau—Warschau, binnen 5 dagen hier kan zijn en dat het dus niet noodig is, de moeilijke frontreis te maken.
* * *
IN AFWACHTING
Warschau, 5 Juli
Het is voor een correspondent de eerste plicht objectief te blijven, en toch is dat het moeilijkste van alles, want vooral in een jongen staat als Polen tracht men hem van alle kanten met propaganda te bewerken. Het is met de objectiviteit precies zoo gesteld als met de neutraliteit; is men werkelijk objectief, ziet men de dingen zooals ze werkelijk zijn, en niet zooals een der partijen ze graag ziet, dan heeft men al spoedig kans het bij allen te verbruien.
Zoo ook hier in de Joden- en pogromkwestie.
Het is mij dezer dagen al vaak gebeurd, dat ik op straat door een joodje werd aangesproken met de vraag "wil meneer bijzonderheden over een pogrom?"
Zoo ook vanmorgen weer, in het hotel; daar werd ik plotseling aan mijn jas getrokken, en een heer van onmiskenbaar semitisch voorkomen sprak me in het nederlandsch aan. "Heb ik mijnheer niet eens gezien in Amsterdam, bent u geen correspondent van de Rotterdammer?"
"Ja," zeide ik hoogst verbaasd. Maar de portier, die blijkbaar iets van het gesprek verstaan had, liet 's mans verdere rede in duigen vallen, doordien hij er plotseling tusschen kwam met de woorden: "niets van gelooven mijnheer, hij heeft net geïnformeerd wie u was en nou doet ie net alsof hij u van vroeger kent."
"Nou, wat zou dat," antwoordde toen de ander, "mijnheer ziet toch dat ik hollandsch ken. Ik heb twee jaren in Scheveningen gewoond; kan ik u niet eens alleen spreken?"
Ik was natuurlijk dadelijk daartoe bereid, en het kwam zooals ik reeds vermoed had: "wilt u niet eens schrijven over de pogroms?"
"Hoor eens," zeide ik toen, "ik beschrijf alleen wat ik zelf gezien heb, of u moet me een paar menschen brengen — die ik als geloofwaardig kan aannemen — die mij zeggen kunnen dat ze het zelf gezien hebben."
Ja, dat kon hij niet, maar het was toch heusch waar.
"Jawel," antwoordde ik, "en de Polen zeggen dat het heusch niet waar is, wie moet ik nu gelooven?"
Zoo is het inderdaad. Het schijnt dat men, vooral in de engelsche en amerikaansche pers, veel over pogroms schrijft; maar ik moet bekennen dat ik er zelf nog niets van gezien heb, en ook nog niemand gesproken heb die er bij geweest is.
Ik kan dus nog altijd niet verklaren of er al dan niet pogroms zijn voorgekomen. In Warschau zelf is dat, naar ik vrij zeker meen te weten, niet het geval. Anders had ik er zeker wel iets van ooggetuigen over gehoord.
Dat men hier overigens op de Joden zeer gebeten is, heb ik u in een mijner vorige brieven al medegedeeld, en ik heb daar persoonlijk den last van, dat men mijn tolk nog altijd maar geen vergunning wil geven om me naar Rusland te vergezellen. Ik heb mij voor een paar dagen nogmaals schriftelijk tot het ministerie van buitenlandsche zaken gewend, en men heeft mij thans verzekerd, dat ik Maandag of Dinsdag uitsluitsel krijg.
Het wordt zoo langzamerhand tijd ook. Niet dat ik hier niet goed zit, maar ik wil verder, en hier is voor mij op het oogenblik niet veel te doen.
De poolsche regeering zit op het oogenblik niet op rozen, en het teekenen van het vredesverdrag in Versailles heeft hier dan ook geen aanleiding gegeven tot buitengewone feestelijkheden. Geen wonder trouwens; ten eerste geeft de buitenlandsche politiek nog altijd reden tot bezorgdheid, en bovendien is de binnenlandsche toestand ook niet al te geruststellend.
Eergisteren heeft nog een zeer bloedige botsing tusschen stakende arbeiders en de militaire macht plaats gehad, waarom wij gisteren den geheelen dag zonder electrisch licht, trams en kranten gezeten hebben, aangezien een groot deel der arbeiders uit protest staakte.
Er zijn, al merkt men er als vreemdeling weinig van, in den laatsten tijd bijzonder veel stakingen geweest; zoo is er nu een zeer ernstige der arbeiders in de militaire werkplaatsen. Voor een land, dat naar zooveel zijden moet vechten, is dat natuurlijk een zeer lastige geschiedenis. Men is hier volstrekt nog niet gerust, te meer, daar men zich met eenige angst afvraagt, wat er in de oostelijke duitsche provincies gebeuren zal.
Naar mijn meening is de stemming dan ook wel eenigszins omgeslagen en neemt men tegenover den militairen toestand een minder optimistisch standpunt in dan een paar weken geleden.
Men moet niet vergeten, dat de poolsche oostgrens nog volstrekt niet is vastgesteld, en dat b.v. het oekrainsche vraagstuk nog niet eens besproken, laat staan opgelost is.
Is het al moeilijk dergelijke kwesties in normale tijden op te lossen, hoeveel te meer in deze omstandigheden na vijf jaar oorlog, en bij de geweldige ellende. Want er wordt hier in Polen nog honger geleden, heel erg zelfs.
Vanmorgen zag ik in een van de buitenwijken een paar vrouwen bezig uit een mesthoop de nog eenigszins eetbare restjes te zoeken, en de ontzettende lange rijen voor de broodwinkels spreken eveneens een duidelijke taal. Of die echter voldoende begrepen wordt? Zeker, er is hier van alles te krijgen, veel meer dan te Berlijn, maar vraag dan ook niet wat voor prijzen daarvoor moeten betaald worden.
6 Juli
Schreef ik gisteravond nog, dat ik hoop had, Maandag of Dinsdag uitsluitsel te krijgen of mijn tolk mee mocht naar Rusland, vanochtend werd ik onaangenaam verrast door het bericht van buitenlandsche zaken, dat de generale staf in geen geval den doortocht kon toestaan.
De generale staf gaf als voornaamste reden op, dat nooit iemand door het front gelaten wordt. Dat nu is een officieele leugen; dagelijks staan hier de couranten vol met verhalen van personen die van of naar Moskou gaan. Er is zelfs een soort koeriersdienst; voor 25 mark kan men een brief naar Rusland gebracht krijgen. Elken dag kan men advertenties vinden als deze: "Ik vertrek van de week naar Rusland en neem brieven mee."
Men kan mij niet wijs maken, dat dit allemaal zou gebeuren, zonder dat de generale staf het ook weet. Die leest toch ook couranten.
Het is niet de schuld van het ministerie van buitenlandsche zaken; daar is men welwillend genoeg geweest, maar uitsluitend van den generalen staf.
Ja, zeide de minister tot mij, wij civiele autoriteiten kunnen niet tegen het militaire element op.
Thans ben ik wel gedwongen alleen te gaan. Het wachten is nu voorbij, en ik moet thans zorgen zoo spoedig mogelijk over de grens te komen, in de hoop dat ik in het land der bolsjewiki zal worden toegelaten.
Mijn stemming tegenover de poolsche autoriteiten is op 't oogenblik niet van de beste, en ik moet hier dan ook openlijk protesteeren tegen de meer dan russische wijze waarop men hier vreemdelingen behandelt.
Een hier aanwezig Hollander, die het visum van den poolschen vertegenwoordiger in den Haag, den heer Wlodek, voor heen- en terugreis bezit, kwam mij gisteren ook al woedend mededeelen, dat de politie hem gezegd had, zich van dit visum niets aan te trekken; hij moest maar zoo lang wachten als de politie goed vond.
De wijze waarop ik hier tegengewerkt ben, is ook typeerend en dat alleen omdat mijn tolk een Jood is.
Nu ben ik bang, dat men hem tijdens mijn afwezigheid het leven zeer lastig zal maken en daarom zal ik probeeren hem naar Weenen te krijgen.
Heden lunchte ik met een amerikaansch journalist, die mijn oordeel over de bureaucratie ten volle deelde, en nu ben ik besloten morgen mijn nood eens te gaan klagen bij den amerikaanschen gezant, en hem te verzoeken zoo noodig een wakend oog over mijn tolk te houden, opdat men hem het leven niet lastig make.
* * *
POOLSCH ALLERLEI
Warschau, 8 Juli
Als dagbladcorrespondent is men nu eenmaal verplicht brieven aan zijn courant te sturen, en maak je dan ook elken dag behoorlijk je aanteekeningen om dan een paar maal in de week eenige brieven te schrijven. Dan zijn ze klaar, en begint telkenmale opnieuw de moeilijkheid hoe krijg ik ze weg. Steeds ben ik er op uit een middel te verzinnen, om ze zoo spoedig mogelijk weg te krijgen, en het ellendige is en blijft dat je nooit weet, hoe lang ze onderweg zijn en of ze hun bestemming wel bereiken. Van uit Polen is het wel bijzonder moeilijk op het oogenblik, en ik ben thans dan ook nog altijd in de onwetendheid, of de redactie er wel een heeft ontvangen. Temeer klemt dit voor mij, nu ik op weg ben naar Rusland, van waaruit het nog veel moeilijker, zoo niet geheel ondoenlijk, zal zijn om ook maar iets weg te krijgen. Telegrafeeren helpt al niet veel, want op een telegram naar Weenen, dat ik voor vijf dagen wegzond, en waarin ik dringend om antwoord verzocht, heb ik nog steeds niets gehoord. Een telegram uit Nederland afgezonden 27 Juni, bereikte mij eerst den 7en Juli, dat was dus ongeveer een halve week onderweg. Intusschen zet ik mijn strijd met de poolsche bureaucratie voort en ik heb mij thans maar voorgenomen vandaag niet over de Polen te schrijven, ten einde mijn bittere stemming tegen de poolsche regeering niet op het heele volk te koelen.
Een ding is al beslist, mijn tolk en zijn vrouw mogen niet mee naar Rusland, en ik ben thans bezig te zorgen, dat zij ongehinderd naar Weenen kunnen reizen. Mijn tolk is nl. in Polen geboren, maar heeft de oostenrijksche nationaliteit aangenomen; dat nemen ze hem hier geweldig kwalijk en dan voornamelijk het feit, dat hij een Jood is.
Nu bestaat er hier bij het geheele volk een geweldige haat tegen de Joden. Ik heb het er in bijna al mijn brieven over gehad, doch gij moet mij dat maar vergeven, want het joodsche vraagstuk is zoo ingrijpend in het heele poolsche leven, dat men er dagelijks mee in aanraking komt. De haat tegen de Joden is begrijpelijk; het volk ziet in hen woekeraars, de regeerende klasse bolsjewisten; aan den anderen kant moet men ook weer niet vergeten, dat de Joden het hier wel heel moeilijk hebben, en dat er al heel weinig gedaan is om hen uit hun ellendige toestanden naar voren te halen. Ik heb er in elk geval veel last van gehad, en omdat ik het met de autoriteiten niet eens kon worden, die mij van het kastje naar den muur stuurden, heb ik mij vandaag tot onzen consul en tot den amerikaanschen gezant gewend met een officieel protest.
Het volgende deed bij mij de deur dicht: gistermiddag beloofde mij de secretaris van den minister van buitenlandsche zaken dat mijn tolk en zijn vrouw hun pas om elf uur aan het ministerie kunnen afhalen. Goed, wij er hedenmorgen heen, precies om 11 uur. O, zegt men, als u gaat naar het politiebureau, daar liggen ze klaar. Op het politiebureau: een brutale meneer, die zegt met de zaak niets te maken te hebben. Maar mijnheer, zeg ik, het ministerie van buitenlandsche zaken stuurt mij naar u toe. Geen antwoord. Ik herhaal mijn opmerking; geen resultaat, daarop sla ik met de vuist op tafel en begin te eischen.
De politiemijnheer wordt onmiddellijk klein en verzekert mij, dat de passen bij de gendarmerie liggen. Daarop dus naar de gendarmerie, waar men ons mededeelt: de passen zijn klaar, u kunt ze direct krijgen, als u even wilt wachten. Wij wachten, 5 minuten, 10 minuten, een half uur, een uur, anderhalf uur. Toen werd het mij weer te kras. Ik vroeg nog eens, eerst weer heel beleefd: mijnheer, ik zit hier nu anderhalf uur op de pas voor mijn dolmetscher te wachten, het ministerie heeft mij beloofd, dat ik hem om 12 uur zou krijgen, het is nu half drie en nog heb ik hem niet. De mijnheer, met een broodje in zijn mond, keek dom en haalde de schouders op. Daarop begon ik op een anderen toon, en wat antwoordde hij toen, zijn broodje uit den mond nemend "ik geef niet om het ministerie en als je je niet kalm houdt, laat ik je arresteeren!" Dat liet ik mij niet zeggen en ik begon toen eerst recht; het heele gendarmerie-bureau stond op stelten. Wat, mij arresteeren, probeer dat eens, enz. enz. Alle chefs kwamen toeloopen, maar ik ken mijn Pappenheimers hier en heb goede longen en ik ging dus rustig door met opspelen tot ze allemaal heel klein waren geworden en heel beleefd excuses begonnen te stamelen. "Ze maakten wèl hun excuses, maar ze wisten niet wie ik was (n.b. een leugen, ik ben er al tien keer geweest) en ze zouden hun best doen" enz. enz.
Mijn pas heb ik echter nog altijd niet.
Nu wordt de correspondentie met buitenlandsche zaken weer geopend, heel ijverig copieer ik weer de brieven van Clemenceau aan Von Haniel, maar ondertusschen is de amerikaansche gezant ook van het geval op de hoogte. Deze ontving mij werkelijk buitengewoon vriendelijk en beaamde mijn klachten. Ook hij oordeelde lang niet malsch over de poolsche bureaucratie. Toen ik vertelde, dat ik met opspelen nog het meest bereikt had, begon de gezant te lachen en zeide: ja, dat is de wijze, waarop je met deze poolsche Russen dient om te springen. Trouwens, al de Amerikanen, die ik hier sprak, zijn het volkomen met mij eens en toonen zich dan ook volstrekt niet tevreden met den gang van zaken. Er schijnt dan ook sprake van te zijn, dat de groote mogendheden het bewind voorloopig in handen zullen nemen, om wat orde op de zaken te stellen. Laat ik er echter direct bijvoegen, dat het departement van buitenlandsche zaken, al werkt het niet bijzonder vlug, de vriendelijkheid zelve is geweest; het is echter volkomen machteloos tegenover den generalen staf, de politie en de gendarmerie.
Ik krijg den indruk, dat op het oogenblik, gebruik makende van den oorlogstoestand, de militairen in gemeenschap met de groot-grondbezitters een reactionnaire politiek voeren. Hetgeen m.i. groote gevaren meebrengt voor den jongen staat. Ook de politiek tegenover het bolsjewisme is zeer eigenaardig, ofschoon typisch voor alle aan Rusland grenzende landen, die ik tot dusver bezocht. Het onderscheid, dat men n.l. op het oogenblik maakt tusschen bolsjewieken en bolsjewistisch verdachten is niet heel groot, en verdacht te zijn van bolsjewistische sympathie kan al maken, dat men in een zeer onaangename positie komt.
Voor hen, die in Rusland gedwongen werden om bolsjewistisch soldaat te spelen, is het niet heel pleizierig om gevangen genomen te worden. Het kost hun dan heel veel moeite om te bewijzen, dat zij slechts gedwongen aan de beweging deelnamen. Maar ook voor heel veel arbeiders in Polen zelf is het onpleizierig. Men brengt de menschen, door zoo op te treden, in een heel moeilijk parket, en dwingt ze feitelijk om bolsjewiek te worden.
In het parlement is het, naar men weet, tot een botsing gekomen tusschen de rechter- en de linkerzijde, waarbij deze, onder het zingen van revolutionnaire liederen en onder het gejuich der tribune, de zaal verlaten heeft. Beide partijen verschillen maar weinig in zetelsterkte, wat een zeer remmenden invloed op de parlementaire werkzaamheid uitoefent. De oorzaak moet gezocht worden in het tegenhouden van de beperking van het groot-grondbezit door de rechterzijde. Men tracht op het oogenblik tot een compromis te komen. De rechterzijde wil als maximum de eigenaars bijna vijf maal zooveel laten houden als de linkerzijde, die uit socialisten en boeren is samengesteld. De plannen van deze lijken zeer radicaal, maar men heeft er buiten Polen over 't algemeen geen begrip van, hoe geweldig groot sommige bezittingen zijn.
Er zijn landeigenaars, die meer grond bezitten dan ons halve koninkrijk beslaat. Voor een goede sociale ontwikkeling acht men het noodzakelijk om een deel van deze goederen tegen schadevergoeding te onteigenen en zoodoende te komen tot een onafhankelijken, krachtigen boerenstand, wat voor een agrarisch land als Polen een eerste vereischte is. Men moet niet vergeten, dat hier en daar op het platteland nog middeleeuwsche toestanden heerschen. De op het oogenblik voorgestelde regeling is voor Polen wellicht vrij radicaal, maar wordt zij niet ingevoerd, dan staat den landeigenaars het gevaar te wachten, dat bij een verschuiving der meerderheid naar links, die bij de volgende verkiezingen al verwacht wordt, een totale verdeeling zal plaats hebben, zonder dat er schadevergoeding voor gegeven wordt. Een hardnekkig verzet der meerderheid zou, ook met het oog op de bolsjewistische propaganda, zeer gevaarlijk zijn. Tevens moet er bij in 't oog gehouden worden, dat de landbouw hier nog zeer achterlijk is, en dat de boeren in 't algemeen nog zeer onontwikkeld zijn en dus voor een propaganda, die hun direct veel land belooft zeer ontvankelijk.
Hoe het met het onderwijs staat weet ik niet, maar zoo ontwikkeld als de betere standen zijn, zoo dom is geloof ik over het algemeen het volk. Ik heb tenminste heel wat soldaten ontmoet, die mij mijn pas vroegen en die ondersteboven bekeken, totdat zij mijn portret zagen en ontdekten dat zij het papier andersom moesten bekijken, waaruit ik de m.i. niet al te gewaagde conclusie trok, dat deze lieden niet lezen kunnen. Het eind was dan ook gewoonlijk dat ze om een sigaret vroegen, en mij verder ongehinderd lieten doorgaan.
Ik ben vannacht op jacht geweest, en heb een rijken buit binnengehaald; niet minder dan negen stuks. Hoewel mijn hotel tot een der beste van Warschau gerekend kan worden, en ik uit voorzichtigheid den grond goed bestrooid had met insectenpoeder, bleek gisterenavond de muur naast mijn bed door eenige eskadrons wandcavalerie als excercitieterrein gebruikt te worden. Van vandaag af staat mijn bed dan ook midden in de kamer en ik heb een nieuwen voorraad insectenpoeder ingeslagen.
Warschau, 11 Juli
Met heel veel moeite, en na er èn het ministerie van buitenlandsche zaken èn den amerikaanschen gezant in gekend te hebben, heb ik dan eindelijk mijn tolk het land uit gekregen; hij is naar Weenen vertrokken. Waarom doe je toch zooveel moeite voor een Jood? vroeg een poolsche autoriteit mij. De man scheen niet te begrijpen, dat, daar ik hem het land had binnengebracht, ik mij ook zedelijk verplicht voelde te zorgen dat hij er weer uit kwam, en ik kon het niet op mij nemen, mijn tolk in een der gevangenkampen te zien opnemen, die de poolsche bladen zelf als nog erger dan de hel voorstellen.
Ik besloot dus alleen Rusland in te trekken, en ging daarom naar den staf om mijn pas af te laten stempelen. Nadat men mij daar 14 dagen lang verzekerd had: tegen u hebben wij niets, gij kunt gerust naar Rusland doorgaan, begon men nu ik alleen was plotseling uit een ander vaatje te tappen.
Nu heette het dat mijn pas niet in orde was.
Ik natuurlijk naar buitenlandsche zaken. Och wat, zeiden ze daar, uw papieren zijn volkomen in orde.
Toen ik bij den staf terugkwam, bevestigde die dat de zaak in orde was; den volgenden avond om 6 uur kon ik de toestemming halen.
Toen ik op dat uur in het bureau van den generalen staf verscheen, werd ik alleronaangenaamst verrast. In plaats van dat men mij mijn passen gaf, kreeg ik bescheid, dat men naar Nederland getelegrafeerd had, en dat ik om zoo te zeggen gevangen was, en dat men bovendien eenige stukken die ik voor het consulaat in Moskou bij mij had, in beslag nam.
Zoo, mijnheeren, zeide ik verontwaardigd, is dat jullie manier van optreden. Veertien dagen houdt ge mij hier vast, zegt niets, en nu begint ge over telegrafeeren te spreken en te beweren, dat mijn papieren niet in orde zijn.
Dit gesprek ging door bemiddeling van een officier, die zoo vriendelijk was mij te helpen, want de man met wien ik te doen had (n.b. van den inlichtingendienst) sprak alleen poolsch.
Ik protesteerde heftig, maar het hielp niets, men nam mijn papieren in beslag en gaf mij een briefje, waarop stond dat ik Warschau niet mocht verlaten, en in geen ander hotel, dan waar ik logeerde, mijn intrek mocht nemen.
Dat was natuurlijk een wraakneming voor mijn hulp, aan een Jood bewezen. Men kan in Nederland nu nagaan, wat een Jood zelf hier voor rechtspositie heeft, als een vreemdeling, van de beste papieren voorzien, zonder een enkel recht is. Want de minister van buitenlandsche zaken en zijn secretaris, de heer Perlowski, verklaarden beiden, dat ik weliswaar volkomen in mijn recht was, maar dat zij tegenover den generalen staf volkomen machteloos stonden.
Ik zat ondertusschen niet stil en telegrafeerde naar Den Haag, naar Berlijn, naar Weenen, de dichtstbijzijnde gezantschappen, wendde mij tot den amerikaanschen gezant, tot het ministerie van buitenlandsche zaken en schreef bovendien nog aan den staf zelf.
Verder bracht ik een bezoek aan de redactie van de Warschausche Kurier, een der grootste bladen. De redacteur, die mij te woord stond, was zeer collegiaal, gaf mij groot gelijk en beloofde mij de zaak dadelijk ter hand te nemen.
Met den consul ging ik den volgenden dag persoonlijk bij den generalen staf protesteeren.
Het poolsche ministerie van buitenlandsche zaken maakte mij excuses en beloofde alles in 't werk te stellen om de zaak in orde te brengen.
Vanmiddag kreeg ik dan eindelijk bericht, dat de zaak in orde was.
Edoch, excuses, ho maar; laat ik er echter bijvoegen, dat ik deze toch niet aangenomen zou hebben, en dat ik hierbij openlijk protesteer tegen de handelwijze, waarvan ik in een beschaafd land als Polen wil zijn, het slachtoffer ben geworden.
Hoe ver de heeren van den staf het hier in 't lezen gebracht hebben, blijkt wel hieruit, dat ze maar hardnekkig blijven beweren, dat geen mijner papieren in Den Haag is uitgereikt, terwijl er dat in drie talen op staat.
Maar bovendien, veertien dagen lang heeft men geen bezwaren gemaakt.
Bij deze gelegenheid heb ik van verschillende zijden gemerkt, dat de Polen zelf heel weinig met deze militaire dictatuur ingenomen zijn, maar ze zijn volkomen machteloos.
* * *
OP WEG NAAR RUSLAND
Bogdanof, 15 Juli
Bogdanof moet men zoeken halverwege Lida en Molodetsjno, bezuiden Wilna. Wellicht zal men het op de kaart eerder vinden dan in loco, want als er — nog uit den tijd der duitsche bezetting — geen reusachtig bord stond met letters als koeien: "Dorf Bogdanow", dan zou men nauwelijks gelooven dat hier een dorp lag.
Ik vertoef hier dan ook slechts omdat de spoorweg niet verder gaat en ik de verdere 80 KM. naar Molodetsjno in een wagen moet afleggen. Gisteren ben ik hier aangekomen uit Lida, het poolsche hoofdkwartier, waar ik de noodige papieren voor het passeeren van de grens had gehaald.
Ik reisde met een goederentrein (de eenige treinen die rijden) waarin één wagen derde klasse liep, die ik met eenige soldaten deelde. Mijn reisgenooten legden groote belangstelling voor mij aan den dag en daar enkele soldaten duitsch spraken, was weldra een gesprek aangeknoopt. Toen zij hoorden dat ik een Nederlander was deden zij mij tal van vragen, meest over de prijzen van de levensmiddelen en over de mogelijkheid van een spoedigen vrede. Een van hen vertaalde het gesprokene dan voor zijn makkers in het poolsch.
De soldaten waren zeer voorkomend jegens mij; ik moest van hun brood meeëten en zelfs wilden ze mij uit hun veldflesschen laten drinken. Ook zongen ze poolsche liederen voor mij. Toen wij Iaat in den avond te Bogdanof aankwamen en ik besluiteloos in den kletsenden regen op het perron stond, daar ik nergens een huis zag, had ik het weer aan mijn reismakkers te danken dat ik dien nacht onder dak kwam. Kom maar mee, zeiden ze, onze luitenant zal u wel willen ontvangen.
Zoo trokken we naar hun kwartier, een veldhospitaal dat op eenigen afstand van het station lag. Hier werd ik vriendelijk ontvangen door drie officieren van gezondheid, allen voormalige Oostenrijkers, die dadelijk bereid waren mij op te nemen en mij 't beste voorzetten wat zij te eten en te drinken hadden.
Tot Iaat in den nacht zijn we bijeengebleven; zij vertelden mij over den oorlog in het Oosten, ik hun over den vrede in Nederland.
Toen zij hoorden, dat ik over Minsk naar Moskou wilde, verklaarden zij eenstemmig die reis voor onmogelijk. "Het poolsche leger gaat nu op Minsk los en wij hopen het binnen enkele dagen te veroveren. Onze vliegers hebben de spoorwegverbinding Moskou— Minsk al vernield, om het zenden van hulptroepen uit het oosten te verhinderen."
Dit was een minder aangename tijding. Als er geen spoorwegverbinding meer met Moskou bestond, loonde het natuurlijk de moeite niet naar Minsk te gaan.
Een mijner gastheeren ried mij over Odessa te gaan, maar die omweg was me toch wel wat groot en bovendien leken de pas-moeilijkheden onoverkomelijk.
Gelukkig hoorde ik vandaag dat er nog een betere weg open is, t.w. over Molodetsjno—Polosk. Ik vertrek dus morgen naar Molodetsjno en zal vandaar verder zien te komen. Mijn papieren zijn, voor het poolsche gebied, volkomen in orde, maar het zal nog wel moeite kosten het front over te komen. Ik moet den poolschen commandant zien te bewegen, mij iemand mee te geven om mij met de russische voorposten te verstaan. Als ik eenmaal door het front heen ben, zal het wel gaan.
Vandaag heb ik eens in de omgeving van het veldhospitaal rondgekeken. Overal ziet men hier in den omtrek nog de sporen van den grooten oorlog: wegen, stations, lazaretten, door de Duitschers gebouwd en nu verlaten.
De economische toestand op het land is verre van rooskleurig; de bevolking lijdt honger. Vanochtend ontmoette ik een bedelaar, die mij iets vroeg. Ik dacht, dat hij een aalmoes wilde hebben en gaf hem, daar ik geen klein geld had, een twee-markstuk. Dat wilde hij echter niet aannemen. Ik riep er een soldaat bij, die duitsch sprak, en liet hem den man vragen waar hij dan om bedelde. Het bleek, dat hij brood wilde; aan geld had hij niets, hij kon er toch niets voor koopen.
* * *
EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN
Ik ben op 11 Augustus door den russischen minister van buitenlandsche zaken ontvangen. Hij was zoo vriendelijk mij een interview toe te staan. De minister ontving mij in zijn werkkamer, een vrij groot, eenvoudig gemeubeld vertrek en hij zat achter een met papieren en telegrammen bedekte tafel. Ik vroeg hem of er z.i. een vrede mogelijk zou zijn, waarbij aan den eenen kant een sovjet-Rusland zou staan en aan den anderen het oude Europa. Theoretisch ja, oordeelde de minister; hij meende zich te kunnen voorstellen, dat een proletarisch Rusland met kapitalistische staten zou kunnen samenleven en handelen. Slechts voegde hij er bij: zelfs wanneer wij ons dan van alle propaganda, enz. verre zouden houden, dan zullen de kapitalistische regeeringen het toch onverdraaglijk vinden, dat alleen het feit, dat wij er zijn, op de arbeiders van West-Europa als een voorbeeld werkt.
Minister Tsjitsjerin maakte dan in den loop van ons onderhoud de opmerking, dat Rusland gaarne weer handelsbetrekkingen met West-Europa wil aanknoopen.
Verder over den vrede sprekend, vroeg ik of er niet twee soorten oorlog waren, die nu tot een eind gebracht moeten worden, n.l. de oorlog met Koltsjak en Denikin, met de tsaristische tegenrevolutie, en die met Polen en Litauen. De minister antwoordde: Polen voert den oorlog niet direct met ons, maar met sovjet-Litauen, den staat waar wij bevriend mee zijn. Want er is een rood en een burgerlijk Litauen, die met elkaar strijden, en tegelijkertijd strijden beiden tegen Polen. Met sovjet-Litauen is ook Wit-Rusland verbonden. Hierbij, zoo ging de minister voort, moet ik opmerken, dat Litauen en Wit-Rusland, evenals Letland, Estland en de Oekraine, door ons terstond als zelfstandige sovjet-republieken erkend en als bevriende mogendheden beschouwd werden, bij welke wij vertegenwoordigers hebben. Daar wij gelijke belangen hebben, hebben wij een militair verbond met hen gesloten. Ik moet er hierbij echter den nadruk op leggen, dat wij deze staten noch gevormd, noch veroverd hebben, dat zij hun revolutie op eigen houtje hebben gemaakt en dat wij pas later ons verbond met hen hebben aangegaan.
Ik vroeg toen, of, wijl Rusland zichzelf steeds een federatieve republiek noemt, er reeds een federatief lichaam bestaat, en tot hoever die republiek zich zal uitbreiden.
Neen — luidde het antwoord — de vertegenwoordigers van de centrale uitvoerende comités van de verschillende sovjet-republieken, vormen een voorloopige vergadering, die thans in Moskou bijeen is, om gemakkelijker te kunnen onderhandelen.
Wat de aziatische volken betreft, moet ik opmerken, dat wij alle vroegere verdragen van de Tsaristische regeering met Perzië, China, Mongolië, enz. hebben prijsgegeven, en dat wij het recht van zelfbeschikking van al die landen hebben erkend.
Door deze vraag kwamen wij vanzelf op het belangrijke punt der economische noodzakelijkheid die er ook voor sovjet-Rusland bestaat, om ijsvrije havens te krijgen. Deze quaestie is, naar het mij — interviewer — voorkomt, de belangrijkste van de geheele vredesvraag, want het is en blijft waar, dat Rusland havens noodig heeft. Maar aan den anderen kant hebben die havens weer Rusland noodig als achterland. Ik vroeg dan ook aan den minister of hij zou toestemmen in vredesvoorwaarden, die Rusland van de zee zouden afsnijden.
Ja — luidde het antwoord — welke voorwaarden wij zullen stellen als het tot een conferentie komt, kan ik thans niet zeggen. Het lijdt geen twijfel, dat de Letten zelf bolsjewistisch gezind zijn en dat, zoodra de buitenlandsche bezetting uit Letland vertrekt, het land weer bolsjewistisch zal zijn. Economisch hebben wij elkaar noodig. Riga zoomede de Oekraine hebben in economisch opzicht de verbinding met ons noodig, evengoed als wij die zelf noodig hebben.
Zal — vroeg ik verder — de oorlog nog lang duren?
Ja, dat moet u aan de entente en aan de Japanners vragen. Wij zijn steeds te allen tijde tot den vrede bereid. De vorming van ons leger heeft ons groote moeite gekost en de aanvallers hebben ook in den beginne eenige successen behaald. Maar zoo spoedig wij een voldoende macht tegen hen in het veld zonden, viel het leger van onze vijanden uit elkander, zooals dit b.v. het geval is geweest met de strijdmacht van Koltsjak, die thans reeds tot ver in Siberië is teruggeweken, bij welken terugtocht zijn leger tot totale desorganisatie vervallen is. Hetzelfde zal met Denikin gebeuren.
Thans wilde ik van den minister weten, wat hij over West-Europa dacht: of het daar tot een omwenteling zooals in Rusland zou komen, en of die omwenteling zich in eens zou voltrekken of wel zou geschieden in verscheiden elkaar opvolgende vormen. Maar op die vraag ontving ik geen beslist antwoord, want de minister zeide, dat het moeilijk was, daaromtrent voorspellingen te doen. Wel geloofde hij, dat zoowel in Frankrijk als in Engeland zooveel gistingskiemen verzameld waren, dat een hardhandige, revolutionnaire uitbarsting moeilijk zou kunnen worden vermeden. Hij geloofde niet, dat het den regeeringen zou kunnen gelukken de haar gestelde, reusachtige problemen tot oplossing te brengen en de arbeiders tevreden te stellen.
Ten slotte vroeg ik nog iets, dat op een geheel ander gebied betrekking had, en het antwoord op die vraag luidde 'zeer geruststellend: "alle schilderijen, ook die in de Ermitage, zijn goed bewaard gebleven."
De vraag of het wel waar was, dat de vrouw in Rusland was "gecommuniseerd" heb ik enkel meegedeeld; want het antwoord daarop wist ik al. De sovjets hebben eenvoudig het burgerlijke huwelijk ingevoerd, verder niets. Ook de Kerk heeft men volkomen gerespecteerd; enkel heeft men de ondersteuning van den Staat aan de Kerk afgeschaft en volledige gewetensvrijheid ingevoerd. De kerken als particuliere vereeniging en het kerkelijk gezag van den Patriarch zijn volkomen onaangetast gebleven.
* * *
EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND
Berlijn, 30 Augustus, 1919
Nu ik weer in Berlijn terug ben en in een zindelijke hotelkamer zit te werken, nu ik mij weer vrij kan bewegen zonder steeds gevolgd te worden, komt het mij als een droom voor. Ik moet er nog aan wennen dat ik weer een vrij mensch ben, dat die drukkende last is weggevallen en dan, dat alles hier zoo zindelijk is, dat ik weer eens rustig kan slapen. Want dat is eigenlijk bij alle moeilijkheden die ik op mijn tocht heb ondervonden, van 14 Juli af, toen ik Warschau verliet, het allerergste geweest, het ongedierte, eerst in Polen, later in Rusland.
Het was nu en dan om gek te worden, luizen, vlooien en wormen. In al die weken heb ik, behalve in het regeeringshotel te Moskou, dat zeer zindelijk was, bijna geen nacht rustig geslapen, en dat maakte dat ik op het laatst bijna geheel op mijn zenuwen moest leven.
Tot mijn groot leedwezen heb ik thans gemerkt, dat mijn brieven uit Molodetsjno en Wileika Nederland niet bereikt hebben, en dat het laatste levensteeken, dat men van mij ontving, de brief uit Bogdonow was.
Nadat ik telegrafisch mijn hoofdindrukken uit Rusland heb weergegeven, wil ik thans een geregeld verhaal doen van de reis naar Moskou, en welke moeilijkheden ik allereerst in Polen te overwinnen had om door het front te komen, want de poolsche commandanten van het front, hoewel zeer vriendelijk en beleefd, en gehoorzamend aan het bevel uit Warschau om mij te helpen naar Rusland te komen, maakten toch vele bezwaren, waarbij kwam dat zij, wetend dat ik naar het vijandige kamp toog, natuurlijk zeer achterdochtig waren, en mij zoo weinig mogelijk vertelden van hun operaties.
Na een paar dagen ging het echter al beter en kregen ze wat meer vertrouwen in me, zoodat ik nu in staat ben, u een vrij geregeld verhaal te doen van de poolsche operaties in Wit-Rusland, die eindigden met de verovering van Minsk.
Het tragische toeval wil, dat daar waar een paar jaar te voren de millioenenlegers der Russen en Duitschers elkaar bekampten, thans een soort guerrillaoorlog gevoerd wordt met evenveel honderdtallen soldaten als er vroeger millioenen stonden.
Van een gesloten front was dan ook nergens sprake, behalve aan de hoofdverkeerswegen, maar dat was nu voor mij het moeilijke, dat ik er juist daar moest trachten door te komen, omdat langs de landwegen de moeilijkheden te groot waren, voornamelijk ook door het groote aantal roovers, en, verbaas u niet al te veel lezer, door de wolven, die voor den eenzamen reiziger een groot gevaar opleveren. In de buurt van Molodetsjno zijn in den afgeloopen zomer ongeveer 60 personen, meest kinderen, door wolven gedood.
Zij komen op het oogenblik tot in Oost-Pruisen.
In Molodetsjno was de staf van de poolsche troepenmacht, die van het noorden tegen Minsk opereerde, ingekwartierd. Als flinke dekking voor de operaties, was er een front bij Wileika, een 20 KM. voorbij Molodetsjno aan de spoorlijn Molodetsjno-Polisk, terwijl de tegen Minsk opereerende troepen bij Krosne stonden, aan de spoorlijn Wilna-Minsk; daartusschen doorkruisten alleen cavalerie-patrouilles het terrein, terwijl daar bij de bolsjewiki de z.g.n. groene garde optrad. Deze wordt gevormd door boeren en deserteurs van het roode leger, die roovend en plunderend rondtrekken, en zoowel tegen de Polen als de Russen vechten.
Voor mij bestond dus alleen de gelegenheid te trachten of bij Krosne of bij Wileika door het front te komen.
Ten einde het wat gemakkelijker voor mij te maken, stuurde de poolsche generaal in beide richtingen een parlementair naar den vijand, om mijn komst aan te kondigen en vrijen doortocht te vragen.
Bij Krosne antwoordden de Bolsjewiki, dat ze orders uit Moskou zouden aanvragen en bij Wileika kwam heelemaal geen antwoord.
Aangezien mijn positie niet zeer aangenaam was, gelet op het allervuilste kwartier dat men mij bij den dorpsgeestelijke had aangewezen, en dat n.b. nog het beste was, besloot ik toen het met of zonder antwoord maar bij Wileika te probeeren.
Nauw was ik daar echter aangekomen of de bolsjewiki deden een hevigen aanval, en de Polen moesten in allerijl terugtrekken, zoodat ik gedwongen was mee te vluchten. Wel had ik er nog een oogenblik over gedacht, om mij gevangen te geven, maar men ried mij zulks sterk af, omdat ik, de taal niet machtig zijnde, alle kans zou hebben voor een spion gehouden te worden.
In mijn wagentje, dat ik voor deze gelegenheid gehuurd had, een eenvoudig boerenkarretje zonder veeren, een z.g.n. panjewagen, met een klein maar zeer sterk litausch paard, vluchtte ik alzoo in het holst van den nacht in de richting van Molodetsjno.
Dat was dus een verkeken kans en toen besloot ik mijn geluk te beproeven in de richting van Krosne. Van dezen tocht af heb ik mijn dagboek-aanteekeningen kunnen bewaren, en zoo kan ik u thans een geregelder verslag geven.
* * *
MIJN DAGBOEK
I
Krosne, 28 Juli
Vanmorgen ben ik hier aangekomen, weer in mijn kleine wagentje hier heen gehobbeld, met mijn beide koffers.
De spoorlijn functionneert wel, maar heel slecht, zoodat ik wel per wagen moest gaan langs den grooten russischen heirweg Wilna—Molodetsjno—Minsk. Een groote, breede laan met prachtige boomen; er is echter geen spoor van verharding; een paar karresporen, naast elkaar. Dat is wat men in Rusland, onder den Czaar, verstond onder een weg 1e klasse. Dergelijke wegen dicht bij de duitsche grens werden niet verhard.
Krosne, zelf een nest, een met onmogelijke keien bestraat marktplein, waaromheen wat houten huizen, bijna alle bouwvallig, twee kerkjes, een orthodox en een katholiek, een station, en dat is alles. De commandant, als zoovele poolsche officieren, zeer jong nog, voor den oorlog gymnasiumleeraar, in den oorlog bij het poolsche legioen in oostenrijkschen dienst opgeklommen tot overste, ontvangt mij wel heel vriendelijk, maar geeft mij met een raadselachtig lachje toch te kennen, dat ik nog een paar dagen zal moeten wachten. Het is n.l. lang niet rustig aan het front.
Ik word ingekwartierd bij den apotheker en gelukkig heeft deze zooiets als een leeren divan; daarop kan ten minste geslapen worden.
De man heeft het bolsjewistische bewind in volle glorie meegemaakt; de Polen hebben het dorp n.l. eerst voor twee weken veroverd.
Nu, vroeg ik hem, hoe heb je het gehad. Ellendig, was het antwoord in gebroken duitsch; ik zelf ben sociaal-democraat, reactionnair ben ik dus heusch niet, maar zooiets, het is niets anders dan een terreur; je mag alleen doen wat ze je voorschrijven; een eigen meening is niet geoorloofd, en dan die geweldige duurte. De loonen zijn wel 10 maal zoo hoog als onder den czaar, maar de prijzen wel 100 maal.
's Avonds op straat, een luchtje scheppend, het is verbazend warm geweest, kom ik een paar artillerie-officieren tegen. Wij maken een praatje, het blijken gewezen actieve oostenrijksche officieren; direct halen ze me in hun kwartier binnen met de overbekende oostenrijksche gastvrijheid; er wordt thee gezet, en als ik het doel van mijn reis vertel, zeggen ze uit één mond: maar man, wat doe je dan hier. We vallen vannacht de Russen aan. Hier kom je er nooit door, maar weet je wat, als wij morgen voorwaarts rukken, kun je van ons wel een paard krijgen, en geef je bagage dan maar mee op onze bagagekar.
Inderdaad, als ik 's nachts bij een kaars nog wat zit te lezen, begint niet ver van het dorp 't kanongebulder; er zijn niet veel meer dan 12 kanonnen van poolschen kant, maar wat kunnen die met elkaar een leven maken; daar tusschen door 't geweer- en mitrailleurvuur: Ik zit er een tijd lang naar te luisteren, blijkbaar bieden de bolsjewiki hardnekkigen tegenstand, want naar het geluid te hooren, schiet de aanval niet hard op.
* * *
Aan het poolsch-bolsjewistische front
II
Radoskowitsj, 29 Juli
Vanochtend in Krosne uit een lichten slaap ontwakend, hoorde ik plotseling van alle kanten in het dorp schieten.
Daar zal je het hebben, dacht ik bij mij zelf, de aanval is mislukt, en inplaats dat de Polen voorwaarts gaan doen de Russen het.
Een oogenblik was ik besluiteloos wat te doen; toen klonk boven het geweervuur uit 't geronk van een vliegtuigmotor, nog voor ik echter iets had kunnen doen, een paar keren heftig suizen, een paar doffe slagen niet ver van mijn kwartier af en niet dicht bij ook.
Het schieten hield ineens op en alles bleef stil, terwijl het motorgeronk steeds zwakker werd.
Ik had dus een vliegeraanval meegemaakt. Het was nog erg vroeg, en daarom besloot ik maar niet te gaan kijken; van slapen zou evenwel niets meer komen, want een oogenblik later kwam een ordonnans mij mededeelen, dat de artillerieofficieren over een uur opbraken en dat een paard voor mij gezadeld werd. Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en zoo werd ik weer ineens oorlogscorrespondent. Het was een heerlijk gevoel weer eens een paard tusschen de knieën te hebben en zoo draafde ik achter den artilleriecommandant mee naar voren, over het slagveld van dien nacht, en onderweg vernam ik, dat de Polen voor Radoskowitsj stonden, dat zij vermoedelijk wel heel snel zouden bezetten. We draafden langs ontzettend lange treincolonnes, overmatig lang voor zoo'n betrekkelijk kleine troepenmacht. En toen vertelde de overste mij, dat de Polen, tot dusver met goede, duitsche en oostenrijksche, geweren uitgerust, door de Entente gedwongen waren slechte fransche geweren te nemen omdat zij voor de duitsche wapenen geen munitie konden krijgen. Zoodat zij thans gedwongen waren, tijdens den strijd hun troepen van een andere bewapening te voorzien. In het poolsche leger was men dan ook over de Entente heelemaal niet erg te spreken.
Het was een prachtige rit. Het landschap in deze streken is buitengewoon mooi, zacht golvend, en veel groene weiden afwisselend met donkere dennenbosschen. Het trof mij, dat in deze streken de boeren overal nieuwe huizen bouwen. De verklaring bleek heel eenvoudig. Aangezien in het bolsjewistische Rusland de grond zoogenaamd gecommuniseerd is, houdt het groot-grondbezit, dat hier zeer aanzienlijk was, op. De boeren vatten nu de communisatie zoo op, dat ieder voor zich zooveel land in beslag neemt als hij maar krijgen kan, en de bosschen leveren hem kosteloos materiaal voor zijn huis. Het model is echter overal hetzelfde. Een groote steenen oven in het midden en daaromheen drie kamertjes. De oven heeft den vorm van een liggende L. Op het lange deel kan de heele familie zoowat slapen.
Hoe meer wij Radoskowitsj naderden, hoe sterker het geweervuur werd. Maar een ons tegemoetkomende gewonde vertelde, dat het dorp reeds genomen was. En een oogenblik later lag het ook voor ons, en reed ik met de poolsche troepen het dorp binnen. Ik vond het daarom zoo belangwekkend omdat ik nu kon constateeren of het waar was, dat de Polen bij het nemen van een dorp altijd een pogrom op touw zetten, gelijk men mij van joodsche zijde verzekerd had. Er gebeurde echter niets van dat alles en het was weer net als bij Riga: de bevolking haalde de overwinnaars met vreugde binnen, den hemel dankend dat ze van de bolsjewiki verlost waren. Op het marktplein was 't een drukte van belang. Eigenlijk net 'n manoeuvretafereel.
Daar stond de generaal met zijn staf en zijn escorte: een eskadron poolsche lanciers, met hun vroolijk wapperende vaantjes; een batterij veldartillerie de paarden drenkend, voorbij marcheerende treincolonnes daartusschendoor, de straatjeugd en natuurlijk de Joden van het dorp trachtend zaken te doen en sigaretten en eieren te koop aanbiedend voor een "behoorlijken prijs" van M. 5 per stuk. Alleen een veldhospitaal met de daarvoor liggende gewonden wees op den ernst van den toestand. Ik vernam nu ook, dat de strijd nogal bloedig geweest was en de Polen vrij zware verliezen hadden geleden. De generaal keek eenigszins vreemd op toen hij mij daar zag verschijnen en zijn eerste opwelling was dan ook om mij terug te sturen. Maar gelukkig kon ik hem bepraten en ik kreeg zelfs van hem gedaan, dat hij mij toestond naar de voorposten te gaan om te trachten toch naar de bolsjewiki te komen.
Molodetsjno, 1 Augustus 1919
Oeff! ! ! Dat zijn een paar dagen van emotie geweest! Nadat ik den 29sten 's avonds in Radoskowitsj een vrij goed kwartier had gehad bij den dokter ('t was alleen wat koud, want alle ruiten waren kapot) toog ik met toestemming van den commandant den volgenden morgen met een treincolonne naar voren om eindelijk te trachten door het front te komen. De Polen stonden ongeveer op tien kilometer voor Minsk en konden er eigenlijk al lang binnen zijn, wanneer dienzelfden avond geen bevel van de Entente was gekomen, om de operaties stop te zetten. Van poolsche zijde verklaarde men dit als volgt: de Polen willen nl. de Beresina als oostgrens hebben en dus feitelijk heel Wit-Rusland bezetten. Maar nu schijnt de Entente bepaalde beloften aan Denikin gedaan te hebben, tengevolge waarvan zij weliswaar graag zag, dat de bolsjewiki terug werden geworpen, maar dit toch liever niet door de Polen liet doen. Maar, zeiden de Polen, ze kunnen ons een paar dagen ophouden, per slot van rekening kunnen ons èn de Entente èn Denikin gestolen worden. Voor mij was dit in elk geval een mooie gelegenheid om te trachten naar Minsk te komen. Alleen had ik natuurlijk weer pech, want de bolsjewiki, bemerkend dat de Polen halt hielden, vielen daarop zelf weer aan en hadden daarbij eenig, zij het ook kortstondig succes, dat mij echter sterk in mijn bewegingen belemmerde.
Want toen ik bij de poolsche voorposten aankwam, op een kilometer van den vijand, bleek het onmogelijk door de linies te gaan. Er werd te veel geschoten. De bataljonscommandant verzekerde mij dat het den volgenden dag wel rustiger zou zijn. "Blijf nu maar vannacht hier slapen — zeide hij — dan zal het morgenochtend wel lukken." Zoo werd ik dien nacht ingekwartierd in Sloboda, 'n heel uitgestrekt dorp van ongeveer twee kilometer lang, en vrij dicht achter het front. In plaats echter dat het geweervuur minder werd, werd het steeds sterker. Ik woonde ongeveer in het midden van het dorp, had me voor een behoorlijken prijs wat eten laten klaarmaken, wat aardappelen, brood en gekookte melk, en zat nu bij een kaarsje te lezen, want van slapen was in deze woning geen sprake, om de u nu zoo langzamerhand wel bekende reden. Zoo luisterde ik ook naar het vuren, dat almaar heftiger werd. Het begon te dagen, toen ik buiten haastig hoorde loopen. Ik ging eens kijken en ik zag toen tot mijn groote verbazing, dat het andere eind van het dorp al in brand stond. Wat nu te doen?
Aangezien het nog vrij donker was, besloot ik maar kalm te blijven waar ik was en eerst den dag af te wachten. Het gevecht nam aan alle kanten toe en zoo nu en dan viel zelfs een projectiel in de dorpsstraat. Nauwelijks was de zon doorgebroken en wilde ik de zaak eens gaan bekijken, toen een voorbijsnellend poolsch officier mij in het duitsch toeriep "maak dat je weg komt, het dorp is bijna omsingeld. Alleen de weg naar Radoskowitsj is nog vrij." Daar stond ik nu voor het moeilijke geval. Wat nu te doen? Blijven en mij gevangen laten nemen of niet? Ik weifelde een oogenblik heel sterk, maar per slot van rekening durfde ik het toch niet aan. Daarbij kwam, dat ik nu overal de poolsche troepen zag terugtrekken en de eigenaardige uit alle krijgskundige leerboeken bekende fatale invloed der terugtrekkende massa zich ook bij mij deed gevoelen; dus trok ik, zoo snel als ik kon, met mijn bagage op mijn rug, met de troepen mee. Maar mijn bagage was me toch te zwaar. Ik hield het niet uit en juist wilde ik alles wegwerpen, toen ik nog net bijtijds een wagentje snapte waarop ik mezelf en mijn bagage plaatste. In draf kwam een veldbatterij voorbij, de mannen in hun hemd, zonder hoofddeksels, vuil, met gejaagde gezichten: op een der caissons lag een doode, die nog in allerijl was meegesleept.
De commandant reed naar mij toe en riep: "nou kameraad, dat was nog net bijtijds. Ik heb alles achter moeten laten. Maar geef me jouw revolver, jij hebt er toch niks aan als je gevangen genomen wordt. 't Is zelfs beter dat je er dan geen hebt." Daar was veel waars in en zoo reikte ik hem mijn browning. Hij vroeg me nog even "waar moet ik hem terug bezorgen als ik het overleef?" Ik dacht snel na: "nederlandsche consul in Warschau." En weg was hij. De koetsier was gelukkig nogal handig, want het eischte eenige kennis van zaken, om onder de vrij hevig geworden granaatkartets-regen zoo gedekt mogelijk door het terrein te komen. Maar plotseling stootte ik op den bataljonscommandant, die heel rustig aan den kant van den weg zat, en mij toeriep: "haast je maar niet, de bolsjewiki trekken al weer terug." Ziezo, dat had ik tenminste al weer meegemaakt, maar de kans om naar Minsk te komen, bleek toch verkeken. Mijn gemoedstoestand was niet van de beste: niet geslapen, moe, hongerig; ik dacht er eigenlijk sterk over om de zaak maar op te geven. Het ergste was, dat ik er eigenlijk heelemaal geen gat meer in zag en als een droevig beeld der wanhoop zat ik daar aan den weg naast den commandant. Toen ik hem mijn nood klaagde, antwoordde hij: "weet je wat je doet, ga zoo gauw mogelijk naar Wileika, ik weet toevallig, dat het daar een paar dagen rustig zal blijven." Ik volgde dien raad en keerde in mijn wagentje terug naar Molodetsjno, vanwaar ik nu zou trachten morgen of overmorgen door het front te komen.
* * *
Door het bolsjewistische front
III
Slavino, 3 Augustus
Gistermorgen nog zeide de poolsche commandant in Wileika tegen mij: "m'n goeie man, ga maar gerust naar Warschau terug. Je komt er toch niet door, en als je erdoor komt, word je doodgeschoten." Intusschen ben ik erdoor en voorloopig ten minste nog niet doodgeschoten. Integendeel heeft men mij tot dusver heel vriendelijk ontvangen. Gisterenmorgen vroeg reed ik in een wagentje naar de poolsche voorposten, waar een mij bekend poolsch officier commandant was, en we besloten samen, dat het maar gewaagd moest worden. Er werd een boerenjongen uitgestuurd met een briefje en een witte vlag om onze komst aan te kondigen en een voerman gezocht om me door het front te brengen. Bijna was de geheele tocht nog in het water gevallen, want opeens barstte een geweldig mitrailleur- en geweervuur los, dat echter spoedig weer bedaarde en veroorzaakt bleek te zijn door mijn terugkeerenden parlementair, die vergeten had de witte vlag zichtbaar in de hoogte te steken. Toch was het van dit oogenblik niet meer rustig en het bleek dat ongeveer 1 KM. van de plaats waar ik erover wilde, de bolsjewiki aan 't aanvallen waren. Om dat te keeren kreeg mijn luitenant bevel ook aan te vallen en daarom zei hij tegen mij: "amice, maak nu gauw dat je erover komt; ik zal 15 minuten wachten, maar dan moet ik ook van leer trekken."
Haastig pakte ik m'n bagage bij elkaar, bond m'n helaas niet al te schoonen zakdoek aan een boomtak en reed erop los, nadat mijn voerman met het oog op het schieten nogmaals zijn tarief verhoogd had.
't Was een mooie, warme zomermiddag. Het landschap lag licht golvend, met heel veel zwaar hout, alleen vlak voor de stelling een klein open vlaktetje met een paar armzalige hindernissen.
Ik zat op mijn koffers in het wagentje, mijn witte vlag boven het hoofd, en om vijf minuten over drieën passeerde ik de poolsche linie, terwijl de commandant die me tot zoover gebracht had, me nog nariep: "over tien minuten ben je weer uitgeplunderd bij ons terug."
Het was, terwijl ik daar zoo alleen voortreed, en door Niemandsland trok, toch wel een eenigszins eigenaardig gevoel, een mengeling van angst en nieuwsgierigheid, omtrent het lot dat me te wachten stond. Na ongeveer tien minuten stonden er plotseling drie mannen midden op den weg voor me. Ik schrok even, want ze hadden geen witte vlag bij zich en ik zwaaide dapper mijn zakdoekje, en maakte aanstalten om als ze hun geweer op mochten heffen, m'n wagen en bagage kalm in den steek te laten en hard terug te loopen. Zulks bleek echter niet noodig. De drie bolsjewiki bekeken mij nieuwsgierig, ik gaf hun een hand, presenteerde hun sigaretten en zei m'n twee uit het hoofd geleerde zinnetjes op "Ik ken geen russisch; breng mij naar den commandant."
Ik was heelemaal niet gerust, dat ze niet even zouden gaan debatteeren of ik wel toegelaten zou kunnen worden, want ik dacht aan het aanvalsplan van den poolschen commandant, maar gelukkig ging alles heel vlot en tien minuten later stond ik in een boerenwoning voor den russischen bevelhebber. Deze verstond enkele woorden duitsch, en gaf me te verstaan, dat hij me zoo snel mogelijk naar achteren zou laten brengen en dat hij het te druk had om zich met mij te bemoeien. Ondertusschen werd ik aangestaard door de bolsjewistische soldaten, echte Slaventypen met lange, blonde haren, de meesten nog in de oude tsaristische uniform, met op de borst het onderscheidingsteeken van het roode leger, n.l. de vijfpuntige roode ster, waarin een gekruiste sikkel en hamer met daaromheen een zilveren lauwerkrans. Ik had de voorzorg genomen, een goeden voorraad sigaretten mee te nemen en verdeelde deze direct onder de soldaten, 't geen blijkbaar in goede aarde viel. In dat opzicht onderscheidden ze zich niet van hun poolsche vijanden.
Ik kreeg weer een soldaat mee en werd weer meer naar achteren gevoerd. Zoodoende kwam ik bij den bataljons-commandant terecht, die ook alweer in een boerenwoning te midden zijner soldaten en een alleronbeschrijflijksten hoop vuiligheid troonde. De menschen waren allervriendelijkst, dat moet ik zeggen, noodigden mij uit plaats te nemen, waaraan ik vol innerlijke wanhoop, wegens de legerscharen ongedierte, voldeed. Ik kreeg thee, de commandant mijn sigaretten, en intusschen werd mijn pas bekeken. Van de discipline kreeg ik een hoogst eigenaardig idee, want wat de commandant ook zei, de soldaten, die buiten zaten, kwamen me allemaal bekijken, zoodat het kleine boerenkamertje overvol menschen was. Ze bekeken over den schouder van den commandant m'n pas en toen ze m'n sigaaraansteker gezien hadden, moesten ze hem allemaal bekijken. Kortom, een joviale geschiedenis, maar van een militair standpunt bezien een bende. Eindelijk werd het den commandant toch te kras en, geholpen door zijn adjudant, ontruimde hij op eenigszins hardhandige wijze het lokaal, — waarbij ik het sterke vermoeden kreeg dat deze majoor onderofficier in het leger van den Tsaar was geweest, — en begon toen met z'n adjudant een rapport op te stellen. Dat scheen hun nogal eenige moeite te kosten, maar na eenigen tijd waren ze er toch in geslaagd eenige foliovellen vol te pennen. Er werd weer een ordonnans geroepen, er kwam weer een wagentje voor en wederom trok ik verder.
Ditmaal reed ik een uur lang door een dicht dennebosch en ik was blij, met het oog op de wolven, dat mijn geleider tenminste goed gewapend was. Het regimentscommando, waarheen ik nu gebracht werd, bleek gevestigd in een baanwachtershuis. De scènes van het bataljonscommando herhaalden zich ook hier en ik kon bij de verzamelde soldaten een groote, ofschoon niet onwelwillende belangstelling in mijn persoon constateeren. Ik kon bij het verhoor door den regimentscommandant door de open ramen naar buiten kijken en toen verscheen er plotseling op de spoorlijn een gepantserde trein, die vlak tegenover het baanwachtershuis halt hield. Daaruit stapte, gelijk mij de commandant mededeelde, de politieke commissaris der divisie, die beslissen zou, of ik door mocht gaan of niet; in het roode leger staat n.l. naast elken commandant een politieke commissaris, die zijn gangen controleert en zijn bevelen moet goedkeuren, voordat ze uitgevoerd worden. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat de commissarissen eigenlijk de eenige menschen zijn, die wat in de melk te brokken hebben. En zoo moest thans de commissaris van de divisie over mijn lot beslissen. Er werd druk getelefoneerd, weer groote vellen papier vol geschreven en het resultaat was, dat ik met den commissaris in den gepantserden trein naar het noorden toog. Dat was een prachtige tocht. Ik zat boven op de locomotief, want in den trein was het te warm. Ik zat me zelf daar te verkneukelen, dat het mij gelukt was tot zoover door te dringen. Het was ondertusschen vrij laat geworden en al spoedig begon de duisternis te vallen en werd de tocht fantastisch. Daar de locomotief met hout gestookt werd, sloegen groote roode vlammen uit den schoorsteen, die een eigenaardig licht wierpen op de vierkante sombere massa der gepantserde wagens, die met groote vaart langs den spoorweg reden, waar geen enkel licht-signaal brandde. Iedereen hing dan ook buiten den wagen om uit te kijken. Plotseling hield de trein halt en bleken we naast een anderen trein te staan, de commandotrein, waarin de divisiecommandant verblijf hield. Ik werd natuurlijk bij den divisie-commandant gebracht, maar deze bleek net rapport te houden, zoodat ik even moest wachten. Op tafel lag een groote kaart, waarop de poolsche linies aangegeven waren, en ik kon heel duidelijk zien dat ze hier en daar volkomen onjuist waren geteekend; zoo ontbrak elke aanduiding van een flankmarsch, dien de Polen bezig waren van uit Wilna te ondernemen. Het toeval wilde, dat op het rapport eenige berichten voorkwamen, die juist handelden over die poolsche beweging. Het scheen vrij onverwacht te komen en niet iedereen geloofde daaraan, en vermakelijk was het voor mij, den buitenstaander, dat allen zich in het gesprek mengden, en den armen divisiecommandant overstelpten met op- en aanmerkingen. Daar werd me duidelijk, hoe het mogelijk was dat duizend Polen zesduizend bolsjewiki hebben verslagen. Hier kreeg ik een groot papier, waarop in het russisch geschreven scheen te staan, dat ik permissie had om naar Smolensk te trekken. Maar aangezien de trein eerst den volgenden dag vertrok, werd me een bed in den trein aangewezen, waar ik kon slapen.
Hetgeen ik nu ga vertellen, geldt voor alle russische spoorwegcoupé's, en om niet te eentonig te worden, zal ik het maar niet steeds herhalen. Toen ik vijf minuten even rustig een sigaret zat te rooken liepen de wandluizen over mijn kleeren. U kunt begrijpen, wat er van slapen onder dergelijke omstandigheden kon komen. Men bracht mij een vrij behoorlijk maal: aardappelen met vleesch en een homp brood, van het soort zooals ik het in heel Rusland heb aangetroffen, en dat, ofschoon het nog tien keer slechter is dan ons oorlogsbrood, in den vrijen handel 50 roebel per pond kost. Ik gevoel me hier verplicht, even een kleine uiteenzetting te geven over het russische geld. In de eerste plaats is de oude Tsaarroebel, die in het buitenland 'n ietwat hoogeren koers heeft dan de mark, in omloop. Ofschoon al het russische geld dezelfde waarde heeft, willen de boeren toch alleen met Tsaarroebels betaald worden. Daarnaast heeft men het tijdens de eerste revolutie uitgegeven Doema-geld in biljetten van 1000 en 250 roebel, die de helft van den Tsaarroebel waard zijn, en voorts Kerensky-biljetten van 20 en 40 roebel, die als naamkaartjes aan elkaar gedrukt zijn, zoodat je ongeveer met meters geld betaalt. De boeren, die zeer veel geld verdiend hebben in den laatsten tijd, berekenen de Kerensky's bij het gewicht. Het door de sovjetregeering in omloop gebrachte geld, eensdeels uit bankbiljetten, anderdeels uit overgedrukte postzegels bestaande, heeft in het buitenland in het geheel geen waarde, maar wordt in Rusland in de groote steden overal aangenomen. Terwijl ik in mijn coupé zat af te wachten wat er verder met me gebeuren zou, kwam er een commissaris bij me, die uitstekend duitsch sprak, en vroeg me wat ik nu eigenlijk in Rusland kwam doen. Hij begon vreeselijk op de sovjet-regeering te schelden, zoodat ik direct dacht: "o, dat is een valstrik, om me er in te laten loopen." Ik antwoordde dus "u bent hier commissaris en dan begrijp ik niet, dat u u zoo over de regeering uitlaat." Toen fluisterde hij mij toe "wacht maar eens, en kijk eens wat hier gebeurt. We mogen geen eigen meening hebben, moeten maar alles goedvinden, wat zij in Moskou bevelen, persvrijheid bestaat er niet, het volk wil vrede en brood en het krijgt geen van beide." Ik vond het geheel eigenlijk heel lastig, want ik wist natuurlijk heelemaal niet, wat die man eigenlijk voor had. Daar hij echter lang niet de eenige was, die zich zoo uitliet, en ik later veel meer van dergelijke klachten kreeg, geloof ik bij nader inzicht wel, dat hij het oprecht meende.
De commissaris, die mij gebracht had, bleek in denzelfden coupé te wonen als ik. Hij verstond helaas geen duitsch. Het was een heel vriendelijke man, die mij buitengewoon aardig behandelde, gewezen arbeider uit Petersburg, voor wien Trotzky en Lenin halve goden waren en die de russische kranten van a tot z spelde, en onvoorwaardelijk geloofde wat er in stond. In het gesprek, dat ik, door middel van een tolk, met hem voerde, gaf hij onomwonden toe, dat de russische sovjetregeering alleen te redden was, als er in Europa ook revolutie kwam.
* * *
Naar Smolensk
IV
Polosk, 5 Augustus 1919
Gisteravond ben ik onder geleide van een jeugdigen sovjetcommissaris hierheen gekomen en ben verplicht in dit ellendige nest bijna een geheelen dag te wachten om den trein naar Smolensk te kunnen krijgen. Op de groote route Dunaburg—Polosk—Witebsk—Smolensk—Moskou gaat maar een trein per dag, met een gemiddelde snelheid van 20 Kilometer per uur. Zooals men weet is de russische spoorbreedte grooter dan in West-Europa. Dat maakt, dat de spoorwegwagens ook breeder zijn en daardoor meer comfortabel. Hoewel de wagens op het oogenblik verbazend vuil en verwaarloosd zijn, kan men toch nog heel goed zien, dat in het Tsarenrijk voor den oorlog het reizen zeer gemakkelijk geweest moet zijn, voornamelijk doordat er met het oog op de lange trajecten voor iederen reiziger, tot zelfs in de derde klas door het opklappen der zitplaatsen, een ligplaats was. Op het oogenblik is daar geen sprake meer van. Integendeel, het woord overvol is nog te zwak om aan te geven, hoeveel menschen er met een trein meereizen, ze hangen er zelfs tegen aan als bijenzwermen. In iederen trein is een gereserveerde 1e of 2e klas wagen, bestemd voor commissarissen en militaire autoriteiten. Heeft een gewoon sterveling ongeveer zes papieren noodig om te kunnen reizen, de gelukkigen die in zoo een gereserveerden wagen mogen plaatsnemen, hebben zich tenminste van tien paperassen moeten voorzien.
Voor gewone burgers is het reizen dan ook bijna onmogelijk. De fout zit hem niet in het gebrek aan wagens, want op elk station staan er honderden doelloos door het gebrek aan bruikbare locomotieven. Alles wordt op het oogenblik met hout gestookt en dientengevolge kan het gebeuren, dat de trein plotseling halt houdt en de machinist met een bijl het bosch ingaat om wat brandstof te halen. Men heeft voor mij getelegrafeerd om te zorgen, dat ik overal een gereserveerden coupé zou krijgen. Men is dus wel zeer vriendelijk, maar gisteravond moest ik wel met den mij begeleidenden commissaris in de derde klas plaats nemen, omdat er geen andere wagens waren. Om het mij nu toch makkelijk te maken, werd een ligplaats voor mij gereserveerd en daartoe een achttal andere menschen van hun plaats verjaagd, die ook heel goedmoedig op zij gingen.
Ook mijn commissaris, een jongen van achttien jaar, zorgde ervoor, dat hij het zoo makkelijk mogelijk kreeg. Ik vond het pijnlijk en wilde mij met een bescheidener plaats tevreden stellen, doch de commissaris zeide: "laat dat stomme volk nu maar op zij gaan, ik wil slapen." Nou, dacht ik bij mij zelf, ik kan merken, dat ik hier in een democratisch land ben; maar het zou nog mooier worden. Op een gegeven oogenblik werden twee gewonden binnengedragen, een met een zware beenwond, de andere aan den hals gewond. Toen wilde ik toch niet blijven liggen en bood een gedeelte van mijn bank aan de gewonden aan. Dit wekte de woede van den commissaris op, die dat absoluut onnoodig vond, en dan ook kalm bleef liggen, zonder er aan te denken, het den gewonden ook maar iets gemakkelijker te maken. Ik geloof niet, dat een ander volk dan het goedmoedige russische een dergelijke behandeling verdragen zou hebben. Typeerend lijkt mij deze scène echter wel. Het volk, dat zich jarenlang door de ambtenaren van den Tsaar heeft laten trappen, kromt zich thans geduldig onder het juk der communisten. Dat het begint te gisten, meen ik niettemin te mogen opmaken uit het volgende: vanochtend ontmoette ik toevallig in de wachtkamer van het station een paar soldaten van het roode leger, die vroeger in Amerika geweest waren. Het leek mij een welkome gelegenheid om eens iets naders te hooren. En dat bleek het ook inderdaad. "Ja," zeiden die mannen tegen me, "het is niets gedaan tegenwoordig, ze hebben ons vrede en brood beloofd. En waarvoor vechten wij eigenlijk? Omdat wij engelsch met u praten, kunnen wij het nu eens zeggen. Want er zijn hier zoo veel spionnen, dat als we onder kameraden zijn, wij nooit iets durven zeggen, uit vrees verraden te worden. De helft deserteert dan ook." Het gesprek duurde echter niet lang, want mijn commissaris kwam al spoedig tusschenbeide, daar hij niet kon velen dat ik een taal sprak, die hij niet verstond, aangezien hij alleen maar het duitsch machtig was.
De russische stations zijn wel aardig ingericht. Overal staan groote gemetselde ketels, waar warm water te krijgen is. Iedereen heeft een keteltje bij zich, waarin hij dan zijn thee zet, waarbuiten een Rus blijkbaar niet kan. Doordat Rusland vrijwel van Siberië is afgesneden heerscht groot gebrek aan thee, waaraan men is tegemoet gekomen, door het op groote schaal vervaardigen van kunstthee, een eigenaardig product van mij onbekende samenstelling, dat echter niet slecht smaakt en werkelijk eenigszins aan thee doet denken. Op de kleinere stationnetjes (de trein stopt overal) is alles te krijgen, aangezien de boeren daar met hun waren komen aandragen. Zoo kan men er bijv. eieren koopen voor 40 roebel het stuk.
Polosk heeft een eenigszins europeesch karakter, daar de huizen van steen zijn, en de straten wel met een liniaal getrokken lijken. Het is een leelijke stad, die niets schilderachtigs heeft, en geweldig verwaarloosd is. Overal ziet men nog sporen van de duitsche bezetting. Is hier en daar het plaveisel belangrijk verbeterd, is een brug behoorlijk hersteld, dan kan men er zeker van zijn dat daar duitsche pioniers gewerkt hebben. De bolsjewiki zelf doen niets. Nu hebben ze ook weinig gelegenheid en het gebrek aan materialen is zoo groot, dat ze hier zelfs het dubbel spoor opbreken om aan wat rails te komen, teneinde elders herstellingen te kunnen uitvoeren. De halve bevolking bestaat uit Joden, die allen duitsch spreken. Vandaar dat het nu en dan net is, alsof je in een duitsche stad loopt. Het communisme regeert hier nog niet met zijn volle strengheid, want terwijl overal elders in Centraal-Rusland de winkels gesloten zijn en vervangen door regeerings-verkoophuizen, waar alleen op kaarten gekocht kan worden, zijn hier de zaken nog geopend en zelfs heb ik nog een restaurant ontdekt. Mijn begeleider vond het blijkbaar van zelf sprekend, dat ik hem het middagmaal aanbood en zoo aten we met ons beiden een vrij behoorlijke biefstuk met gebakken aardappelen voor de somma van 48 roebel. Het aardigste was dat de joodsche waardin, ons duitsch hoorend praten, zich in het gesprek mengde en zeide: "zijn de heeren Duitschers? Wanneer komen de Duitschers nu weer terug? Dat was een goede tijd toen de Duitschers hier waren." Ik had inwendig pleizier om het gezicht van den commissaris. Ik heb hem voor de aardigheid zijn levensgeschiedenis laten vertellen. Bij het uitbreken van den oorlog was hij op het joodsche gymnasium in Nisjni Nowgorod en was toen op den leeftijd van 14 jaar politiek agitator geworden. Hij vertelde met buitengewone geestdrift hoe hij het land doorgetrokken was en dat het toch veel aardiger was redevoeringen te houden, dan op de schoolbanken te zitten. En nu had hij het al gebracht tot politiek commissaris van een divisie.
Hij vertelde er bij, dat zoo een snelle promotie volstrekt geen uitzondering was, want zijn broer bijv., die pas 15 jaar was, had reeds dezelfde functie.
Gelijk ik later ontdekte, vormt deze soort jongens een van de hechtste steunpilaren der sovjetmacht. De russische studenten zijn altijd min of meer de revolutionnaire voorhoede geweest; in plaats zich met sport bezig te houden, zooals in West-Europa, gaan de leerlingen der gymnasia en de studenten op in de politiek. Zij beschouwen het als een schande, aan sport te doen. Vandaar dat de lichamelijke ontwikkeling van de jeugd beneden alle peil is. Ik heb er heel wat ontmoet op mijn reis en mijn indruk is, dat het absoluut uit hun evenwicht gebrachte jongelieden zijn. Van democratie is bij hen geen spoor te vinden. Ze achten zich zoo ver boven de gewone massa verheven, dat ik mij met verbazing steeds afvroeg: is dat nu een communistisch land? Geestig vond ik dat zij de geweldige strenge censuur op de pers altijd verdedigen met de opmerking: "ja, maar, de groote massa is zoo dom, die kun je niet alles in handen geven." Ik zou den heer Wijnkoop wel eens willen zien, als men bij ons onder dat motto de Tribune verbood. Komt men met commissarissen in Centraal-Rusland, voorzitters van sovjetraden en dergelijke lui in aanraking, dan voegen zij er gewoonlijk nog wel een argument aan toe, n.l. dat de niet-communistische pers, ook de sociaal-democratische, te veel van het kapitalisme afhankelijk is om onpartijdig te zijn, maar voor het overige zijn hun argumenten precies dezelfde waarmee de index verdedigd wordt. Vannacht om 2 uur gaat de trein naar Smolensk. Dan zal het nog wel licht zijn, want wij hebben hier een allermerkwaardigste tijdbepaling, die vier en een half uur verschilt van de Midden-Europeesche, zoodat middernacht in Rusland samenvalt met half acht gewone tijd. Nu begrijp ik ook, waarom indertijd bij de verovering van Riga iedereen mij vroeg, hoe laat het er toch was.
* * *
Op weg naar Moskou
V
Smolensk, 7 Augustus
Het gaat langzaam maar toch vrij zeker in de richting van Moskou. Ik begin mij eenigszins ongerust te maken over mijn vrijheid, aangezien men mij, nadat ik gisteren den heelen dag vrij heb mogen rondloopen, vandaag aangezegd heeft, dat ik geïsoleerd zou worden. Ik vroeg natuurlijk, wat dat zeggen wilde, geïsoleerd, en of dat hetzelfde beteekende als gearresteerd. Neen, was het antwoord, wij willen alleen zorgen dat u met niemand in aanraking komt. U mag u vrij op straat bewegen, maar alleen onder geleide van een onzer soldaten. Verder heeft men mij mijn papieren afgenomen en mij zeer streng, ofschoon niet onheusch gevisiteerd. Ja, ik kan wel zeggen dat men mij met de meeste voorkomendheid behandeld heeft. Er heerscht hier groote neerslachtigheid, tengevolge van het bericht, dat in Hongarije Bela Khun ten val is gebracht. Gelijk ik later ontdekte, had de regeering het volk wijsgemaakt, dat een radenregeering in Boedapest een overwinning van het sovjetsysteem in Europa beteekende. Om het weer eenigszins goed te maken bevatten de bladen nu geweldige berichten over sovjetrepublieken in Canada en Ierland. Als men de hoofdartikels leest, die ik me altijd laat vertalen, krijgt men den indruk, dat eigenlijk heel Europa al uit sovjetrepublieken bestaat.
Aan propaganda laat de regeering het dus niet ontbreken. Overal zijn, dikwijls heel artistiek uitgevoerde, plakkaten aangebracht, met drastische teekeningen en kernachtige opschriften. Zoo ziet men bijv. overal een gewapenden arbeider, die vrouw en kind beschermt, met er onder: "Arbeiders treedt in het roode leger". Of wel een gezicht op St. Petersburg met er onder: "Arbeiders redt het roode Petrograd" enz., teveel om op te noemen. Alleen wil ik nog vermelden, dat men het vooral op Koltsjak gemunt heeft, die afgebeeld wordt met een kroon op het hoofd, een knoet in de hand en gezeten in een wagentje, dat getrokken wordt door een officier, een boer en een burger, terwijl hij over het lijk van een arbeider heen rijdt.
Smolensk, thans vuil en verwaarloosd, is een typisch russische stad. Zij ligt op een paar heuvels, waardoor de straten verbazend hellen. Er zijn enkele straten met europeesche huizen en plaveisel, maar voor de rest zijn het meerendeels houten huizen, waartusschen door een zeer groot aantal kerken.
Op het centrum ligt nog de zeer goed onderhouden vestingmuur uit den Napoleontischen tijd. Van dien muur geniet men een prachtig uitzicht over de stad en omgeving. Het trof mij, dat het op straat vrij druk was, hoewel de electrische trams al wekenlang niet meer functionneeren. De vrouwen en meisjes zijn dikwijls zeer elegant gekleed, vooral de vriendinnetjes der commissarissen zien er heel aardig uit. De meeste vrouwen dragen het haar kort geknipt, hetgeen de donkeren wel flatteert, maar de blonden misstaat. Het schijnt echter minder mode, dan wel het gevolg van de geweldige typhusepidemie, die het vorige jaar geheerscht heeft. Ik mag niet nalaten op de credit-zijde der sovjet-regeering te vermelden, dat ze erin geslaagd is zoowel de geweldige typhus- als de choleraepidemie die hier van den winter geheerscht hebben, door zeer drastische maatregelen te onderdrukken. Ook in St. Petersburg, waar de ziekte nog niet geheel verdwenen is, schijnt de toestand toch minder erg te zijn, dan men in de buitenlandsche pers voorgesteld ziet. De mannenkleeding, al ziet men nu en dan wel enkele elegante dandies, is voor het grootste gedeelte nationaal; velen dragen de russische blouse met den riem om het midden. Verder wordt heel veel uniform gedragen, al behoort de drager volstrekt niet tot het leger. Ook eereteekenen ziet men weer, want Trotzky heeft zich genoodzaakt gezien, een dapperheidskruis in te voeren.
Ik ben hier ingekwartierd naast het politiebureau bij een weduwe van een advocaat, wier man en zoon, gelijk ik van een bediende hoorde, onder haar oogen doodgeschoten zijn. Hij vertelde mij er echter bij, dat dergelijke dingen niet meer gebeuren en dat op het oogenblik volkomen orde heerscht. Alleen het geheime comité tot bestrijding der tegenrevolutie, spionnage en sabotage, treedt zeer draconisch op.
Het arresteert en vonnist in het geheim als een ouderwetsch veemgericht; zelfs hooge commissarissen zijn er niet veilig voor. Het is het lichaam, dat op het oogenblik de terreur uitoefent en alle macht in handen heeft. Merkwaardiger wijze zijn het bijna uitsluitend Letten, die ertoe behooren. Wat de Kozakken voor den Tsaar waren, zijn de Letten voor Sovjet. De Groot-Russen zooals ik ze heb leeren kennen, zijn een aardig, gewillig en gemoedelijk volk, dat zich heel gemakkelijk Iaat regeeren. De Letten daarentegen zijn achterdochtig en wreed, en maken een ongunstigen indruk.
Men heeft het er in het buitenland zooveel over dat de meerderheid der communisten Joden zijn. Dit is niet geheel en al juist, hoewel niet te loochenen valt, dat een groot deel der commissarissen joodsch zijn. Dit komt echter meer doordat de joden nu eenmaal opportunisten zijn, zij gaan mee, tenminste voor een groot deel, met de partij die regeert. Op het oogenblik zijn de communisten baas in Rusland en daarvan profiteeren zij. Valt echter het sovjetbewind, zooals ik het in Riga heb meegemaakt, dan zijn zij de eersten, die den overwinnaar met gejuich begroeten. Iemand heeft mij eens gezegd: "wanneer de tegenrevolutie in Rusland uitbreekt, dan zal het uitdraaien op een groot pogrom." Dat is best mogelijk, maar ik geloof toch meer dat, als werkelijk de sovjetregeering het niet langer kan houden, een groot deel der Joden de eersten zullen zijn om naar de andere zijde over te loopen. Want hoe kort ik ook in Rusland ben, ik heb wel ontdekt dat er een algemeene ontevredenheid heerscht, al geloof ik nog niet aan een tegenrevolutie, omdat het volk te apathisch is. In de stations bijv. moeten de menschen wel drie uur wachten tot zij een plaatsje krijgen, maar heel geduldig staan zij in de rij en laten zich goedig door de militie, zooals tegenwoordig de gendarmerie heet, met kolfstooten op hun plaats houden. Zonder eenig gemor laten zij zich trappen. Ik heb altijd gedacht dat het woord "nitsjewo" een boekenuitdrukking was. Maar het ligt werkelijk in ieders mond bestorven. Ik wachtte vandaag op mijn commissaris, die mij gezegd had dat hij direct zou komen. De bediende, van wien ik u boven reeds sprak; die zag dat ik ongeduldig werd, nadat ik drie uur had gewacht, merkte op: "ja, hij heeft wel gezegd, ik kom direct, maar dat beteekent, dat hij nog wel eens terug komt. Dat is hier de gewoonte, nitsjewo." Dat kwam er zoo geweldig apathisch uit, dat ik begon te lachen.
De oude man ging in vrij goed duitsch voort: "ik ben eigenlijk bloemist en boomkweeker van mijn vak en was tuinman van den ouden heer hier, die er ook heel veel van hield. Ik ben vroeger ook in Holland geweest, in Hillegom en Boskoop, maar nu heeft de arme weduwe een worstmakerij. Ze moet toch leven en nu maak ik al net zoo goed worst als ik vroeger rozen gekweekt heb. Ze praten nu zooveel over revolutie, maar de menschen zijn immers hetzelfde gebleven en de russische boerenarbeider, die bijna niet lezen kan en nooit nagedacht heeft, dien kan men toch niet in een jaar tot West-Europeaan maken." 's Middags na het eten sprak ik de oude dame in het fransch aan, na dat ik mij vergewist had, dat mijn bewakingscommissaris deze taal niet machtig was en bedankte haar hartelijk voor de vriendelijke wijze, waarop zij mij aan haar tafel ontvangen had. Zeer verrast antwoordde zij: "u bent dus geen bolsjewiek? Maar hoe durft u zich dan in het hol van den leeuw wagen? Als ik u een goeden raad mag geven, vertrek dan zoo spoedig mogelijk weer." Dien middag had ik ook nog een onderhoud met een invloedrijk commissaris, die den veelzeggenden naam Potemkyn droeg. Ik had hem te spreken gevraagd, omdat ik eens wou weten, wat men nu eigenlijk met mij voor had, en of ik ook ten allen tijde weer permissie zou kunnen krijgen om Rusland te verlaten. Hij verzekerde mij, dat, wanneer ik mij ten minste van alle contrarevolutionaire pogingen onthield, ik ten allen tijde weer terug zou mogen. We kwamen toen verder over het communisme te spreken en hij erkende, dat de boeren zoo weinig communistisch waren en bijna allen bourgeois neigingen hadden. Ik dacht bij mij zelf: 90 pct. van de bevolking hier zijn boeren, dan is dus het aantal communisten wel bijzonder gering. Ja, zei Potemkyn verder, maar juist die eigenschap van den russischen boer, om kleinbezitter te willen zijn, maakt dat de landbevolking op het oogenblik niets van contra-revolutie wil weten, omdat zij vreest, dat met het Tsarisme het groot-grondbezit ook weer terug zal komen en zij haar land dus weer kwijt zou raken. Mij is later nog sterker gebleken, dat deze opmerking eigenlijk de kern van de zaak raakt. Het is den boeren volkomen onverschillig wie regeert, wanneer zij maar met rust gelaten worden. Dat ziet Lenin op het oogenblik ook volkomen in, vandaar dat hij geheel van taktiek veranderd is, de boeren geheel met vrede laat, en zich verkneukelt, dat de entente de reactie steunt en zoodoende de boeren bang maakt, dat zij tengevolge van een overwinning van Koltsjak en Denikin hun landbezit weer zouden kwijt raken. Het tijdperk van het groot-grondbezit in Rusland is mijns inziens voorbij, en ik geloof zeker, dat een aan duidelijkheid niets te wenschen overlatende verklaring der entente in deze richting, het lot der sovjet-regeering zou bezegelen.
Geheel Oost-Europa is agrarisch en de groote omwenteling die daar heeft plaats gehad, de grootste na de afschaffing der lijfeigenschap, is dat het groot-grondbezit verdwenen is. En het is wel opmerkelijk dat zij, die door dik en dun het communisme hebben willen invoeren, niets anders bereikt hebben dan een verkleinburgerlijking der groote massa. Daarom kan ik met zekerheid zeggen, dat in deze streken voor het communisme en het socialisme geen plaats is. Zeker niet op het platte land, en het is wel typisch dat de sovjetmacht, de macht der communisten, zich op het oogenblik staande houdt door tegen de boeren te zeggen: "als wij verdwijnen, zijn jullie je land kwijt."
Vanmiddag kreeg ik een nieuwen bewaker, een Oostenrijker, die als koerier van Lenin de verstandhouding met Bela Khun onderhouden had. Hij vertelde mij dat hij al drie maal van Boedapest naar Moskou was gereisd, steeds op een andere wijze.
"Hoe kom je er dan door?" vroeg ik hem.
"Och," zei hij, "dat is heel eenvoudig ik spreek oekrainsch, russisch en poolsch, en zoo ben ik er overal door gekomen. En dan moet u niet vergeten, dat het er bij mij op geld niet aankomt."
Het bleek een heel onderhoudende baas, die mij al zijn papieren liet zien, waaronder ook een brief van Lenin, dat men hem met alle mogelijke voorkomendheid moest behandelen en dat hij alle rechten had van een lid van het Uitvoerend Bewind. Hij was het ook die mij vertelde dat de kinderen van den Tsaar nog leefden en in de buurt van Moskou geïnterneerd waren, maar dat de Tsaar en zijn vrouw doodgeschoten waren. De regeering tracht het geheim te houden teneinde aan de tegenrevolutie geen steun te geven. Ik heb later geprobeerd om bevestiging van dit verhaal te krijgen en mijn indruk is dat men er over het algemeen geloof aan hecht. Zelfs heb ik erbij hooren vertellen, dat de grootvorstin Tatiana een gewezen oostenrijksch krijgsgevangen officier zou hebben getrouwd. Of die geruchten waarheid bevatten, laat ik natuurlijk in het midden.
Strasser, zoo heette mijn bewaker, die graag een borreltje lustte, had daar een heelen voorraad van. Hij vertelde mij, dat men in Rusland net zooveel drank kon krijgen als men maar hebben wilde, wanneer men maar flink betaalde.
Wij — Strasser en ik — zijn te Smolensk ook naar een concert geweest in den Stadstuin en daar had ik nu toch heusch moeite te gelooven, dat ik in Rusland was. Wel liepen er veel tawaris rond (tawaris beteekent kameraad en is op het oogenblik in Rusland de gewone aanspraak in de plaats van mijnheer, maar veelal worden er de eigenlijke communisten mee bedoeld), maar voor het overige was het publiek zooals op elk europeesch corso: veel elegante vrouwen, dandies en een enkele demi-mondaine. Consumptie was echter niet veel te krijgen. Alleen thee zonder suiker en dan een zeer verdachte limonade. Ik voel mij gedrongen hier een loflied te zingen op de russische samovar. Aangezien ik nooit water drink in het buitenland, en zeker niet in Rusland, heb ik er alleen thee gedronken. Eigenlijk is de samovar een combinatie van theestoof en trekpot, van beneden heeft men een soort vaas door houtskool verhit, waarin water kookt, terwijl bovenop het kleine trekpotje met thee-extract staat. Iedereen kan dan zijn thee net zoo sterk maken als hij zelf wil. Thee en sigaretten zijn eigenlijk de eenige dingen die op het oogenblik nog goed zijn in Rusland, vooral de sigaretten. Op kaarten en voor de soldaten zijn ze heel goedkoop te krijgen, maar in den vrijen handel, zooals ik ze moest koopen, kost de beste soort 4 roebel het stuk.
* * *
In Moskou
VI
Moskou, 9 Augustus
De trein uit Smolensk komt van het Brester station in Moskou aan, vlak bij de Triomfpoort.
Het stationsplein is met keien bestraat; een byzantijnsch kerkje herinnert er al dadelijk aan dat we in Rusland zijn. Maar het heele beeld, als men het station verlaat, is zoo geheel anders dan waar ook in Europa, dat men direct voelt in Rusland te zijn.
Mijn begeleider en bewaker deelde mij mede, toen we in het rijtuig stapten, dat wij rechtstreeks naar het ministerie van buitenlandsche zaken zouden rijden, maar ik voelde toch al dadelijk dat er iets niet in den haak was.
In den trein had ik mij nog vrij kunnen bewegen en met iedereen gesproken, maar al op 't station was er een verandering in 't gedrag van mijn bewaker gekomen, zoodat ik eenigszins ongerust werd.
We reden naar een vrij groot gebouw, dat vroeger blijkbaar een hotel geweest was. Daar werd ik door een paar soldaten ontvangen. Dat leek al heel verdacht. Mijn bewaker smoesde wat met hen, en daarop zeide een duitsch sprekend soldaat, op bevelenden toon, hem te volgen, en voordat ik het wist zat ik in een kamertje met een brits en een raam, dat op een binnenplaats uitzag. In de deuropening nam een gewapende matroos plaats.
De overgang was heel plotseling; mijn bagage was mij afgenomen, maar gelukkig had ik nog sigaretten en lucifers en een stuk kwatta in mijn zak. Ik zette me op de brits, maar toen ik eens rondkeek, begon het me toch wel eenigszins onpleizierig te moede te worden. De vier witgekalkte muren waren nl. bedekt met kalendertjes, en de meeste data waren door kruisjes gemerkt.
Blijkbaar dus van voorgangers, die er eenigen tijd hadden doorgebracht. Ik zag er een van iemand, die er meer dan 3 1/2 maand gezeten had. De eerste tien minuten ging alles nog goed; ik nam de zaak eens op, maar het moois was er gauw afgekeken, en ik begon me zeer onbehagelijk te voelen.
Het eene uur na het andere verliep. Ik liet den commandant roepen. Deze kwam ook en sprak gelukkig duitsch, maar hij kon mij geen uitsluitsel geven, misschien zou ik dienzelfden dag nog verhoord worden, maar het kon nog wel een paar dagen duren. In zooverre stelden zijn woorden mij gerust, daar het mij duidelijk werd, dat ik niet in een gevangenis zat, maar in een lokaal van voorloopige hechtenis. Eindelijk in den namiddag kwam een soldaat mij halen en ik ging met hem een klein eindje over straat. De zon scheen en het was mooi weer. U kunt u niet voorstellen, wat dat voor mij was, om daar met een gewapenden soldaat naast me door die zich vrij bewegende menschenmassa te gaan, met het idee: nu word ik misschien naar het Kreml gebracht, daar in een donker hok opgesloten en is dit misschien voor maandenlang het laatste wat ik van de vrije wereld zie. Maar gelukkig werden mijn sombere gedachten niet bewaarheid, want ik werd niet naar het gevang, maar naar het bureau van den heer Litwinof gebracht, een ambtenaar van buitenlandsche zaken, den vroegeren gezant der bolsjewiki in Londen, die uitstekend engelsch sprak. Hij was heel vriendelijk en begon met mij te zeggen, dat het hem vreeselijk speet, dat ik in het hok gestopt was, maar dat hij er ook niets aan kon doen. Hij voegde er bij, dat de eenige moeilijkheid zat in de pakketten voor het consulaat, die ik bij mij had, omdat men tegenover de consulaten geheel van houding veranderd was, doordat men een paar maanden geleden ontdekt had, dat het zwitsersche en deensche consulaat te St. Petersburg contra-bolsjewistische propaganda maakten en voor den aanval op St. Petersburg spionnagediensten verrichtten. Ik vroeg of men ook over het nederlandsche consulaat zulke klachten had. Waarop het antwoord was: "neen, en dat is heel gelukkig voor u." Ik vroeg toen of ik mijn vrijheid terug kon krijgen en daarop zei de heer Litwinof: "wij zijn in een land dat in oorlog is met de geheele beschaafde wereld; daardoor moeten wij bijzondere maatregelen nemen, en heeft het ministerie van buitenlandsche zaken daar op het oogenblik niets over te vertellen. Dat berust geheel bij de militaire autoriteiten." Gelijk mij later bleek, bedoelde de heer Litwinof hiermede het geheime comité tot bestrijding van de tegen-revolutie, want de eigenlijke militaire autoriteiten hebben in Rusland heelemaal niets te zeggen. Hij beloofde mij echter zijn best voor mij te zullen doen en verzocht mij even te willen wachten, want hij wilde trachten, een telefoongesprek te hebben met den commandant. Het scheen nogal wat voeten in de aarde te hebben, hij bleef tenminste een heele poos weg. Maar gelukkig kwam hij na eenigen tijd terug met de mededeeling, dat ik vrij was en in het regeeringshotel ondergebracht zou worden, maar dat ik mijn eerewoord moest geven, zonder voorkennis van Buitenlandsche Zaken met niemand te spreken of in verbinding te treden. Ik was al wat blij dat ik het zoo ver gebracht had, en mijn eenige streven was nu ook om te zorgen dat ik er weer uit kwam. Van het oogenblik af dat ik 's morgens in het hok gezet was, had ik 't idee: zoo gauw mogelijk hier vandaan! Dat hield me zoo bezig, dat ik zelfs den landweg op een generale stafkaart en den weg door Moskou uit mijn hoofd heb geleerd. Ik had een adres van een Nederlander in Moskou gekregen, waar ik ook den consul zou kunnen treffen en had 's morgens nog gelegenheid gehad daar een boodschap heen te sturen, dat ik in Moskou was en dat zij maar bij Buitenlandsche Zaken navraag naar mij moesten doen. Ik heb er echter niets meer van gehoord en op mijn verzoek, om met de in Moskou aanwezige Nederlanders in verbinding te mogen treden — ik wist toen heelemaal niet, dat alle zich in Rusland bevindende Nederlanders gevangen genomen waren — werd steeds afwijzend beschikt. Ik had mijn eerewoord gegeven om met niemand in verbinding te treden en het was dus onmogelijk, in het geheim te trachten iets uit te richten. Want ik ben er van overtuigd, dat behalve de soldaat, die mij dag en nacht bewaakte, er ook nog voortdurend spionnen mijn gangen nagingen. Het is in elk geval zeker, dat wanneer ik met mijn begeleider over straat wandelde, ik ook nog voortdurend gevolgd werd. Ik gaf aan Litwinof te kennen, dat ik gaarne een interview zou hebben met Lenin, Trotzky of Tsjitsjerin. Maar het bleek, dat Lenin in het Kreml uiterst zorgvuldig werd bewaakt en voor niemand te spreken was, terwijl Trotzky al eenigen tijd te velde vertoefde. Litwinof, die de vriendelijkheid zelve was, beloofde mij alles te zullen doen, wat maar eenigszins mogelijk was om mij een onderhoud met Tsjitsjerin te bezorgen. Toen kwam mijn soldaat weer, ik kreeg mijn bagage terug en werd naar het Regeeringshotel gebracht.