← Table of contents
Het Vrije Rusland

Het Vrije Rusland. (continued 4)

Reading edition

De ballingen, die naar de grenzen gezonden worden, behooren tot alle rangen en standen der maatschappij: edelen en burgers, geestelijken en leeken, staatkundige misdadigers, moordenaars, bandieten, ketters, valsche munters, scheurmakers; zij zijn of door den keizer, of door de rechtbanken, of door de kerk veroordeeld. Zij, die op bevel van den minister van politie of van den gouverneur eener provincie worden gedeporteerd, worden niet in de gevangenis geworpen en ook niet tot dwangarbeid verplicht. Zij staan tot op zekere hoogte onder toezicht der politie; hunne namen worden in bijzondere registers ingeschreven, en van tijd tot tijd moeten zij zich aan het politiebureau aanmelden. Verder zijn zij vrij. Gij ontmoet hen in gezelschap, en niets verraadt dat zij ballingen zijn, tenzij de meerdere ontwikkeling van hun geest, en zekere voorzichtige terughouding in hunne gesprekken. Zij die geen eigen middelen bezitten, oefenen het beroep uit, waarvoor zij zijn opgeleid. Sommigen geven onderwijs in muziek of talen; anderen vestigen zich als geneesheer of advokaat; zeer velen zijn als secretarissen of klerken op de regeeringsbureaux werkzaam. Ook bekleeden een aantal dezer gedeporteerden verschillende betrekkingen in de dorpsbesturen. Op een mijner rijtoertjes bezocht ik een twaalftal dorpen, waar al de vrederechters Polen waren.

Niet minder dan drieduizend opstandelingen, met de wapens in de hand te Warschau gevangen genomen, werden naar Archangel gezonden. Sterk door hun aantal, werden zij zoo overmoedig, dat een oproer onder hen dreigde uit te barsten. De gouverneur liet in alle haast troepen uit de aangrenzende provinciën komen; en het departement van oorlog zag zich verplicht al de pruisische en oostenrijksche Polen, die men in de eerste overhaasting naar de kusten der IJszee had gedeporteerd, vandaar te verwijderen. Zij waren ingekwartierd in een groot geel gebouw, dat vroeger, voor de overbrenging van het marine-etablissement naar het zuiden, als tuighuis had gediend; hun lot, schoon hard genoeg, was toch niet ongelukkiger dan dat der bevolking in wier midden zij leefden. De officieren, die hunne dapperheid op prijs wisten te stellen, behandelden hen met veel onderscheiding; zij mochten in hunne vertrekken bezoeken ontvangen van eene commissie van te Archangel gevestigde vreemdelingen. Hunne voeding liet niets te wenschen over; en meer dan een arme schildwacht, die met het geweer in den arm voor hunne deur stond, zal wel eens benijdende blikken hebben geworpen op hunne overvloedige portiën soep en brood. Bij gedeelten zijn deze gevangenen achtereenvolgens naar hunne haardsteden teruggevoerd: sommigen mochten in den schoot hunner familie wederkeeren, anderen alleen in de provincie, waar zij vroeger woonden. Zeer velen zijn onvoorwaardelijk in vrijheid gesteld geworden; anderen mochten naar Polen terugkeeren, behoudens deze ééne voorwaarde, dat zij niet naar Warschau zouden gaan. Honderd misschien zijn nog in het arsenaal achtergebleven, wachtende tot ook voor hen het uur der bevrijding zal slaan. Hun lot is hard, voorzeker; maar in welk land is het lot van een staatkundigen gevangene niet hard? In Virginië? of in Ierland? of in Frankrijk?

Deze gevangenen worden nauwkeurig bewaakt, en de kansen van ontsnapping zijn uiterst gering; ternauwernood zal het, in twaalf jaar, een enkelen avonturier gelukken te ontkomen. Een onverschrokken Pool, die veiligheidshalve naar de vesting Mesen, in plaats van naar Archangel, een open stad, was gezonden, wist de waakzaamheid zijner wachters te verschalken; sloop door de dichte pijnbosschen naar de zeekust; hield zich in het woud verborgen, tot hij gelegenheid vond zich van een visscherssloep meester te maken, en stak met dit brooze vaartuig in zee, in de hoop van door een engelsch of zweedsch schip te worden opgenomen. Vier dagen en vier nachten zwierf hij op de open zee, tot in het gebeente verstijfd door den kouden adem van den ijzigen noordschen nevel, en bovendien ten prooi aan de martelingen van honger en dorst, tot hem de krachten ontzonken om de riemen te omklemmen. Nu werd hij door het getij op het strand geworpen; tot stervens uitgeput, mocht hij nog dankbaar zijn dat hij zijne vrijheid weder voor een stuk brood inruilen kon. Toen de officier, aan wien het onderzoek der zaak was opgedragen, te Mesen kwam, vond hij den ongelukkige half dood in de gevangenis.

Uitgenomen het gedwongen verblijf in een vreemd en akelig land, worden de poolsche opstandelingen, naar het schijnt, niet slecht behandeld. Hun arbeid is niet zwaar, en hun daggeld hooger dan dat der soldaten, die hen bewaken; sommigen, van hooger stand en ontwikkeling, mogen in de steden als bedienden en schrijvers werkzaam zijn. Vroeger mochten zij ook onderwijs geven in het dansen, in muziek, in talen: maar deze vergunning is ingetrokken, op grond dat zij meermalen misbruik hebben gemaakt van het vertrouwen der familiën, waarmede zij op die wijze in aanraking kwamen. Laat men deze poolsche malcontenten vrijelijk met de andere ingezetenen omgaan, dan is het inderdaad ook niet gemakkelijk, hun invloed op de publieke opinie te keeren; en al spoedig kunnen zich dan verschijnselen voordoen, die eene argwanende politie recht geven tot de bewering dat de jeugd bedorven wordt. Over het geheel genomen, staat toch de Pool hooger dan de Rus. Hij is beter ontwikkeld, heeft grooter rijkdom van denkbeelden, meer vindingskracht en scherpzinnigheid, en is beter vertrouwd met de praktijk des levens. Zoodra hij zich ongehinderd te midden zijner omgeving bewegen kan, is hij weldra, onwillekeurig en als vanzelf, aller leidsman geworden. Hij kan hunne halfduistere wenschen en begeerten onder woorden brengen, en hun den weg wijzen om ook handelend op te treden. Gevangene, wordt hij klerk; balling, wordt hij opzichter, onderwijzer—in één woord een voorganger. Zendt men hem naar eene verwijderde provincie, dan zal hij ook daar, langzaam maar zeker, zijne plaats weten in te nemen. Geen bevelschrift van de politie kan hem zijne bekwaamheid ontnemen; en wanneer de straftijd is afgeloopen, blijft hij als burger in de stad, waar hij een werkkring gevonden heeft en misschien een huisgezin gegrondvest. Wellicht zal hij een professoralen leerstoel bekleeden, of als rechter zitting nemen; is hij militair geweest, dan wordt hij misschien bij den staf van den generaal geplaatst.

Gedurende al dien tijd en ondanks al die veranderingen, laat hij toch zijne hoop niet varen; in zijn hart blijft hij een Pool, en de zoete droom der onafhankelijkheid, die hem reeds eenmaal zijne vrijheid kostte, zweeft nog steeds voor zijn geest. Het land, dat hem in dienst genomen heeft, kan nooit op hem rekenen. Komt er een ure van gevaar, dan zal hij wellicht tot den vijand overloopen, en van de hem verleende macht gebruik maken om de regeering doodelijk te treffen. Zij kan hem nooit vertrouwen; zij ducht zijn tact, zijn gevatheid, zijn geschiktheid voor den arbeid. Inderdaad kan zij hem niet gebruiken, en toch ook wederom niet missen.

De Polen, die, na jaren ballingschap, weder in vrijheid zijn gesteld, beginnen eene klasse op zichzelve, met hare eigene deugden en hoedanigheden, te vormen:—deugden en hoedanigheden, die de natuurlijke vrucht zijn, door bittere ondervindingen en lijden in dichterlijke en prikkelbare naturen gerijpt. Deze lieden zijn bekend onder den naam van de Siberiërs. Een Pool, met wien ik eenige dagen reisde, behoorde mede tot hen; en van hem vernam ik eenige bijzonderheden, die mij ook deze zijde van het eigenaardige leven der ballingschap beter leerden kennen.

Mijn reismakker had eenige dichtregelen van een poolschen poëet aangehaald. Hij is ook een der Siberiërs, zeide hij.

„Een van de Siberiërs?”

„Ja, hernam de Pool. In die gewesten woont een volk, waarvan de wereld ternauwernood iets weet; een nieuw volk, mag ik wel zeggen: want terwijl zij, wat het uiterlijk betreft, op de krijgslieden gelijken, die weleer met Sobieski onder de muren van Weenen de Turken versloegen, zijn zij naar den geest verwant aan de lijdzame en arbeidzame monniken, die de heiligdommen van Solowetsk hebben gesticht. De tijd heeft hun zijn machtigen invloed doen gevoelen en hen gerijpt. Kalm en ernstig, zijn zij bij ons bekend onder de naam van de Siberiërs.”

„Zijn zij van geboorte Polen?”

„Ja; en niet alleen door geboorte, ook naar geest en gemoed zijn zij Polen. Het zijn onze zonen, die de vuurproef hebben ondergaan; onze zonen, die wij nooit hadden gehoopt, aan deze zijde des grafs weder te zien. Eens spraken wij van hen als van onze verloren kinderen. Als vrienden in Polen van elkander afscheid nemen, dan is maar al te dikwijls hun laatste woord: „Wij zien elkander nooit weer!”—En vele jaren lang was zulk een afscheid ook meest voor eeuwig. Een balling, die eenmaal over den Oeral was getrokken, keerde nimmer terug; hij was voor ons als gestorven; wij rekenden hem tot onze verloren kinderen. Heden is die droevige afscheidsgroet niet meer dan eene herinnering aan het verledene; een nagalm van het lied, aan de wateren van Babylon gezongen. Te Wilna, te Kazan, te Kiew, in een aantal andere, ver van elkander verwijderde steden, zult gij volkplantingen van Polen aantreffen, gelukkig en tevreden in den schoot van hun gezin, en die uit het oord hunner verbanning zijn weergekeerd; mannen van hooge geboorte en van nog hooger ontwikkeling; mannen, die door de sneeuwvelden van Tomsk hebben gewaad, en naar het Westen zijn teruggekomen, met een gelouterd hart, met een ernstig gestemden, maar niet gebroken geest.”

„Hebben zij zich, na de amnestie, met den keizer verzoend?”

„Zij hebben zich met God verzoend. Versta mij wel. Niemand twijfelt er aan, dat de tegenwoordige keizer een braaf en edel man is, rechtschapen genoeg om zijn plicht te kennen, en vast genoeg van wil en karakter, om dien ook te volbrengen, hoevele moeilijkheden en bezwaren hij ook op zijn weg moge ontmoeten. Maar God is meer dan allen, en zijn Zoon stierf voor ons allen; Alexander is niet meer dan een werktuig in zijne handen. Gij zult mij voor een mystieken dweeper houden. Omdat mijne landgenooten nog aan eene hoogere macht gelooven, worden zij door de Franken, die in niets meer gelooven, als droomers en spiritualisten bespot. Het zij zoo. Wij droomen onze droomen, wij achten op de teekenen der tijden, wij nemen onze godsdienst waar, wij eerbiedigen onze kerk, wij gehoorzamen onzen God.”

„Men heeft mij meermalen de Polen beschreven als vrouwen in de vroomheid, als helden in den slag.”

„Evenals al de jongelieden van mijn kring,—vervolgde hij, na eene pauze,—nam ik deel aan den opstand van ’48: eene ongelukkige onderneming, die noch poolsch noch slavisch was. Die opstand was uitsluitend het werk der Franschen. In mijne jeugd had ik, met een vriend, het westen van Europa doorreisd; wij hadden aan de oevers van den Rijn en de Seine vertoefd, waar wij de godsdienst onzer moeders en van ons vaderland leerden vergeten, en over Polen begonnen te spreken als over een tweede Frankrijk. Wij noemden ons republikeinen, en hielden ons overtuigd, dat wij groote wijsgeeren waren; maar onze afgod was Napoleon de Groote, onder wiens banier zoovelen onzer landgenooten hun leven ten offer brachten. Wij haatten den tsaar, en verfoeiden de Russen met geheel ons hart. Twee jaar voordat de republiek in de straten van Parijs werd uitgeroepen, keerden wij naar Warschau terug, in de hoop spoedig eene gelegenheid te zullen vinden om de wapens tegen den tsaar te voeren. Maar de mogendheden waren ons vóór geweest: op denzelfden dag, waarop ik voor de deur mijner ouderlijke woning uit de tarantasse stapte, werd Krakau, de laatste onzer vrije steden, bij Oostenrijk ingelijfd. Frankrijk vleide en misleidde ons, met betuigingen van sympathie en beloften van hulp; en in de geheime samenkomsten, waar onze jonge vrienden zich vereenigden, moesten onze goede oude poolsche psalmen en spreuken achterstaan voor de liederen en wachtwoorden van Parijs. Weleer zongen wij Het Kind van Bethlehem: maar nu, nu wij onze hoop op vreemde hulp hadden gesteld, nu hieven wij het oproerlied der Marseillaise aan. Wij waren vreemdelingen geworden in ons eigen land, en het hart onzes volks was niet met ons. De vrouwen trokken zich terug; de geestelijkheid sloeg ons met wantrouwen gade; maar wij lachten over de onpopulariteit onzer nieuwe leuzen. Wij maakten ons zelven diets, dat wij die priesters en bekrompen dwazen best konden missen; mannen, die altijd slaven, vrouwen die altijd dupes waren: wat golden zij ons! En wat de groote menigte der burgers aangaat: die bakkers en kruideniers,—op hen zagen wij met voorname minachting neder. Wie had ooit gehoord, dat eene omwenteling door kaarsenmakers tot een goed einde was gebracht? Wij waren edellieden: hoe zouden wij dan de hulp en medewerking van zulke lieden kunnen aannemen?—Eindelijk kwam het uur der droeve ontgoocheling. Dat Frankrijk, waarop de oogen van iederen poolschen patriot met angstige spanning waren gevestigd, had de republiek uitgeroepen: op deze tijding wierp een troep vroolijke gasten, die met uitnemend talent een polka konden dansen, zich op de russische kanonnen.... om dadelijk te worden weggemaaid. In de straat onder den voet geraakt en gekwetst, werd ik in een huis gedragen; en nadat mijne wonden waren verbonden, werd ik met een honderdtal anderen naar het koninklijk slot gevoerd, om daar terecht te staan voor een krijgsraad, die ons vervallen verklaarde van den adelstand, en ons veroordeelde tot verbanning naar Siberië en levenslangen dwangarbeid in de mijnen. Mijn vriend was met mij in het gevecht, en deelde in mijn lot.”

„Moest gij de reis te voet afleggen?”

„Neen, zeker niet. Keizer Nikolaas, hoewel onverbiddelijk streng van karakter, was geen man om de wet te schenden. Zelf een geboren vorst, koesterde hij een diepen eerbied voor de rechten der geboorte; en daar een edelman niet op gelijken voet kon behandeld worden als een landlooper of een lijfeigene, werd uitdrukkelijk bepaald dat onze privilegiën ongeschonden van kracht moesten blijven, tot wij Tomsk zouden hebben bereikt. Daar zat de permanente commissie voor Siberië, die aan ieder zijn bepaalden werkkring in de mijnen aanwees. Wij reden in een lichten wagen, die door drie sterke ponies getrokken werd; en wanneer de wegen hard waren, legden wij tweehonderd wersten per dag af. Onze voeten waren geboeid, zoodat wij dag noch nacht onze laarzen konden uittrekken; maar de bewoners der steppe, die wij dus in ijlende vaart doorvlogen, waren goed en vriendelijk jegens ons, als jegens alle ballingen; zij gaven ons, half in het geheim, brood, gedroogde visch en brandewijn. Zij wisten dat wij Polen waren; en hunne priesters zijn over het algemeen maar al te zeer gewend, de Polen als vijanden van God af te schilderen; maar de Russen, zelfs al zijn zij halve wilden, zijn zeer teergevoelig. Zij kennen wel het onderscheid tusschen den politieken balling en een dief; dit valt trouwens dadelijk in het oog: want een dief en moordenaar krijgt een brandmerk op het voorhoofd en op de beide wangen; een afschuwelijk zwart teeken, dat door niets kan worden weggewischt; en zoo de boeren een Pool voor zeer slecht houden omdat hij katholiek is, kunnen zij toch niet nalaten medelijden met hem te hebben, als met een medemensch. Twee malen poogde ik uit de mijnen te ontsnappen; en hoewel de poging beide keeren mislukte, werd ik toch getroffen door de vriendelijke goedhartigheid van het landvolk. Zij durfden mij niet openlijk in mijne vlucht behulpzaam zijn, maar zij hielden zich dikwijls blind en doof; en meermalen, wanneer ik, bezwijkende van honger en vertwijfeling, des nachts naar eene of andere hut sloop, vond ik, in het vensterkozijn, eene portie brood en visch en zelfs een glas brandewijn gereed staan.”

„Wie had dat daar gezet?”

„Arme boeren hadden dat gedaan, voor wie brood en visch lang geen artikelen van weelde zijn; zij deden dat om het lijden te verzachten van een of anderen ongelukkige, zooals ik”.

„Dus hebt gij toen het volk liefgekregen?”

„Dat niet; maar ik begon hen te begrijpen, en te erkennen dat zij mijne broeders waren. Echter bleef mijn hart nog jaren lang voor hen gesloten. Ik was een geleerde, zooals zij zeiden; en ik drong mijzelven op, dat zij, dus den hongerige spijzende, niets anders deden dan wat elke horde van wilden, door haar natuurlijk instinkt gedreven, eveneens zou doen. Eindelijk kwam een arme priester, op een boerenkar gezeten, de mijnen bezoeken. Reeds vóór zijne komst had ik van hem gehoord; ik kende zijn naam, zijne zending, en ook de gevaren, waaraan hij zich blootstelde; want Vader Paulus had geheel uit eigen beweging zich aan deze taak gewijd; hij had aan dezen zendingsarbeid in de sneeuwwoestijnen de voorkeur gegeven boven een koorstoel in eene of andere kathedraal, omdat hij meende dat arme katholieke ballingen meer behoefte hadden aan zijn hulp en troost, dan de vermogenden en welgestelden naar de wereld. Ik had van anderen vernomen dat hij geheel Siberië was doorgegaan, van de eene mijn naar de andere, om bij de katholieke ballingen het geloof hunner kinderjaren levendig te houden of weder op te wekken; om de mis te bedienen, de biecht af te nemen, huwelijken in te zegenen en te doopen, en ook om de nieuw gedolven graven te wijden. Toch had ik niet meer dan vluchtig aan hem gedacht. Wat kon hij voor mij doen: een arme priester, uit eigen keuze in de wildernis zich begravende, zonder invloedrijke betrekkingen, zonder hooggeplaatste vrienden? Het was niet waarschijnlijk dat hij een aanbidder van Napoleon zou wezen; en ongetwijfeld zou hij den naam van Mazzini niet dan met afschuw uitspreken. Wat zou ik met zulk een man kunnen spreken? De nacht toen hij aankwam, was het doordringend koud; zijne slede was onderweg beschadigd; de wolven hadden hem vervolgd. Door een zeker gevoel van medelijden en sympathie met zijne hooge jaren en den ongelukkigen toestand waarin hij verkeerde, gedreven, voegde ik mij bij hem in de houten schuur, waarin wij ons verblijf hielden; en nauwelijks was hij een weinig tot zichzelf gekomen, zelfs nog eer hij eenig voedsel genoten had, of hij begon, op den meest eenvoudigen toon, tot ons te spreken over de liefde Gods, waarin hij al zijne kracht en sterkte vond. Hij nam vervolgens deel aan ons sober avondmaal van erwtensoep en zwart brood; legde zich toen neder op een matras, en viel in slaap. Uren lang zat ik dien nacht bij zijne legerstede, en staarde in dat kalme ernstige gelaat, omlijst door die zilverwitte haren, die over het kussen vielen; op die vermagerde handen, kruiselings op de borst gevouwen. Indien ooit iemand in zijn slaap het aanschijn van een engel had, dan was het wel vader Paulus. Zie, zulke mannen kweekt alleen de kerk van Christus.

Kozakken en Kirghisen.
Kozakken en Kirghisen.

Kozakken en Kirghisen.

„Den volgenden dag bracht ik hem een bezoek, want onze opzichter had, ter gelegenheid van zijne komst, aan de katholieke gevangenen vrijaf gegeven; en toen sprak hij tot mij van mijn vaderland en van mijne moeder, tot mijn hart week werd en de tranen mij langs de wangen vloeiden. Toen een oogenblik ophoudende, zag hij mij aan, zooals mijn vader mij zou hebben aangezien, en met innige teederheid mijne hand drukkende, sprak hij op half fluisterenden toon: „Komt tot mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u ruste geven.—Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden.—Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.”—Ik had deze woorden wel honderdmaal gelezen, want ik hield van het Nieuwe-Testament omdat het, zoo als ik toen meende, een demokratischen geest ademde; maar nimmer had ik gevoeld, wat zij eigenlijk beteekenen, voordat ik ze dus van de lippen van vader Paulus vernam. Op eenmaal werd het mij duidelijk dat deze woorden ook persoonlijk tot mij gericht waren. Het was of mijne moeder mij omzweefde. Ik leerde afstand doen van mijne ijdele philosophie, en werd wederom den kinderen gelijk.”

Mijn reismakker spreekt zacht, met eene welluidende stem, maar daar is vastheid en diepe ernst in zijn toon; de klank zijner woorden treft mij als muziek. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen vroeg ik hem, in hoever deze ommekeer in zijne denkwijze op zijne verhouding tegenover de Russen van invloed was geweest.

„Een christen, antwoordde hij, is niet langer een dienstknecht des vleesches. Zijne eerste gedachte is aan God gewijd; zijne tweede aan de kinderen Gods, onverschillig of zij aan de boorden van den Weichsel, aan den voet der Alpen, aan de kusten der IJszee, of waar ook, wonen. Hij laat het zwaard over aan hen, die eenmaal door het zwaard zullen vergaan. Zijn wapen is dat des Geestes, en hij wil de wereld niet anders overwinnen dan door de liefde.”

„Dus wilt gij het zwaard overlaten aan ieder, die vermetel en behendig genoeg is om het te grijpen?

„Neen; ik heb het zwaard niet over te laten; God beschikt daarover, en hij geeft het aan wien het hem behaagt, tot de volbrenging van zijn heiligen wil. Het is eene ontzettende gift; en hij, die ze ontvangt, kan nooit gelukkig zijn.”

„Toch zijn er velen, die er naar haken.”

„Dat is zoo. Hij die voor het eerst een vuur ziet, zal zich daaraan branden. Bedenk in welk een gansch ander licht zich de oorlog vertoont, als wij eens tot de overtuiging gekomen zijn dat alle menschen inderdaad kinderen Gods zijn. Geen oorlog is denkbaar zonder dat er iemand omkomt. Wie is die iemand? Zoudt gij u gaarne voorstellen dat in eene andere wereld een noodlottige samenloop van omstandigheden u in de noodzakelijkheid brengen kon, een engel te dooden?”

„Neen, stellig niet.”

„Maar zijn menschen iets anders dan engelen, nu nog in lager sfeer geplaatst? Wij oordeelen over de dingen, naarmate van onze persoonlijke indrukken. De menschen zijn van nature blind, tot hunne oogen door de liefde Gods geopend worden; en God is nabij de gebrokenen en verslagenen van harte. Gansche scharen van Siberiërs zijn naar Polen teruggekeerd; maar onder die allen is er nauwelijks een, die bij zijn terugkeer dezelfde was als toen hij ging.”

„Zij zijn ouder geworden.”

„Zij zijn wijzer geworden. Vader Paulus, en priesters als Vader Paulus—want hij staat niet alleen in zijn heilig werk—hebben niet vergeefs gearbeid. Misschien moest ik zeggen, dat zij niet vergeefs geleefd hebben: want niet de woorden die zij spreken, maar de leer die zij door hunne daden verkondigen, is de goddelijke medicijn voor de trotsche en gewonde harten der ballingen. De dichters en schrijvers onder ons, die deze vuurproef hebben doorstaan, zijn kenbaar aan hun gelouterden, ernstigen stijl; zij hebben voorgoed met Frankrijk en de Franschen gebroken. Zij lezen ernstiger boeken, en spreken op eenvoudigen, waarachtigen toon. Gij zoudt kunnen meenen dat het vuur van hun geest gedoofd was, indien hunne liefde tot God en tot hun vaderland u niet van het tegendeel overtuigde. Zij preeken niet veel, maar zij doen des te meer; bovenal hebben zij het oog gevestigd op alles wat hoog en edel is, al ligt dat ook verre; en met alle kracht verzetten zij zich tegen nutteloos bloedvergieten. Zij kennen de Russen beter; en zij hadden de amnestie en wat daarop volgde niet noodig, om te gevoelen dat een zelfde broederband alle slavische stammen vereenigt.”

„Zijt gij een aanhanger van het Panslavisme?”

„Neen! Wij hebben behoefte aan eene minder kleingeestige staatkunde, en vooral aan een hooger, edeler leuze. De panslavistische partij heeft een muur opgetrokken rondom Kiew, en zij zou, indien zij het kon, evenzoo een muur bouwen rondom Rusland. Zij heeft eene eigenaardige voorliefde voor afsluitingen, voor muren en omwallingen. Zie Moskou eens: een muur rondom het Kremlin; een tweede muur rondom de tartaarsche wijk; nog een muur eindelijk om de eigenlijke stad. Wat wij willen en wenschen, is de herleving der oude wapenkreet van Sint-George—den patroon onzer oude Grootvorsten, onzer vrije steden en onzer dierbare kerk!”

Sint-George is de geliefde beschermheilige van alle takken van den slavischen volksstam, maar de Russen vooral wijden hem eene bijzondere vereering. De aan hem gewijde dagen behooren tot hunne voornaamste feestdagen: gelukkige dagen, waarop het goed is te koopen en te verkoopen, te huwen en verbintenissen aan te gaan, een huis te huren, een akker te pachten, een onderneming op touw te zetten. Twee dagen in het jaar zijn aan Sint-George geheiligd: de eerste dag der russische lente en de laatste dag van den herfst: dagen van vreugde en uitspanning voor allen, die van de opbrengst der kudden of van den akkerbouw leven. Op den eersten dezer beide dagen worden de stallen geopend: het vee gaat naar de weide; de herder neemt zijn staf ter hand; de boerenmeid maakt haar potten en pannen weder schoon. De tweede dag is een soort van oogstfeest: de arbeid van het jaar is geëindigd, de oogst is in de schuren geborgen, de kudden zijn weder in de stallen opgesloten. Maar Sint-George wordt door de stedelingen niet minder ijverig dan door het landvolk vereerd; zijn beeld prijkt op bet zegel der vrije steden en oude gemeentelijke republieken; en de figuur van den ridderlijken drakendooder was van ouds het symbool hunner grootvorsten en hunner tsaars. Dit beeld sierde de moscovische wapenschilden, eeuwen voor dat de dubbele arend in de russische banier eene plaats vond. Het was Iwan III—dezelfde, die een aanvang maakte met de vernietiging van de macht der bojaren en de onderwerping der vrije steden,—die den dubbelen arend tot het wapenteeken van Rusland maakte. Hij had dit zinnebeeld ontleend aan Byzantium; het werd een symbool van zijn autokratisch gezag, en voor velen van zijn volk een teeken dat de tsaar met zijn leger en zijne grooten zich aan den duivel had overgegeven. De donkere, roofzieke, verscheurende vogel was hun een zinnebeeld van den Booze, juist zooals de witte onschuldige duif voor het zinnebeeld des Heiligen-Geestes gold. Om aan de angstige bezorgdheid van zijn volk tegemoet te komen, werd Sint-George aan den arend toegevoegd: en sedert dien tijd prijkt de christelijke ridder op iedere russische banier en ieder russisch muntstuk.

Sint-George was de patroon van een landbouwend, vreedzaam volk; de beschermheilige van een vroom, welvarend en vrij land; en wat hij in vroegere tijden was, dat is hij nog in de nationale herinnering gebleven. Als de beschermheilige der krijgslieden, staat hij bij de vorsten en grooten niet minder hoog aangeschreven dan bij de landlieden. Peter de Groote liet het beeld van Sint-George op zijn zwaard graveeren; keizerin Catharina stichtte eene ridderorde, die zijn naam voert; en keizer Nikolaas bouwde te zijner eer een prachtig marmeren paleis. Het voornaamste aan hem geweide heiligdom is het groote klooster te Nowgorod, dat jaarlijks door duizende pelgrims bezocht wordt.

XVIII.

De lijfeigenschap.—Iwan IV en Sint-Philippus.

De dusgenoemde lijfeigenschap in Rusland was geheel iets anders dan het stelsel van eigenhoorigheid, dat eeuwen lang in de verschillende landen van het Westen heeft bestaan. De woorden hoorige, villain, aldion, colonus, fiscal, homme de pooste, beteekenden, in de verschillende talen van westelijk Europa, een man, die niet zijn eigen heer was, maar aan een meester behoorde, en volgens de wet verplicht was, dezen, op zeer verschillende wijze en in zeer verschillende mate, te dienen; waar tegenover de heer gehouden was, hem te beschermen en recht te doen. In hoofdtrekken was deze verhouding overal dezelfde. De hoorige was doorgaans graver of houthakker, landbouwer of herder: ruw en hard als de grond, dien hij ontginnen, onontwikkeld en dierlijk, als het vee, dat hij hoeden moest. Ook de lijfeigene mocht zijn heer niet verlaten, en evenmin de woning of den akker, die hem was aangewezen. Daar stond tegenover, dat ook zijn heer hem bescherming schuldig was, en hem niet van den akker verjagen mocht; hoewel hij het recht had, hem te slaan, in de gevangenis te werpen, somwijlen zelfs te dooden, en den man met den grond waarop hij behoorde mocht verkoopen.—Maar hier houdt de gelijkenis tusschen den hoorige en den lijfeigene op. Het kwam nimmer iemand in de gedachte, de hoorigen te beschouwen als de eigenlijke eigenaars van de akkers, die zij bebouwden; en in geen enkel land ging de vrijmaking dezer klasse gepaard met een afstand van grondbezit. De russische lijfeigenschap had een geheel anderen oorsprong en ontstond door geheel andere omstandigheden. De groote emancipatie, waardoor keizer Alexander zijne regeering onsterfelijk heeft gemaakt, kan alleen recht begrepen en gewaardeerd worden, als wij ons rekenschap hebben gegeven van den waren aard dezer lijfeigenschap; en van de oorzaken, die tot hare vestiging hebben geleid.

In de bibliotheek van de Akademie van Wetenschappen te Petersburg toont men u een oud handschrift—het oudste, naar men zegt—van Nestors Kroniek, versierd met een aantal fraaie teekeningen en miniaturen, die tot opheldering van den tekst moeten dienen. Dit handschrift is bekend onder den naam van den codex van Radziwill. Nestor schreef hun boek te Kiew, ruim honderd jaren voor de inneming dier stad door Batoe-Khan; en de teekeningen in dezen codex geven u de oude Russen te aanschouwen in hunne kleeding, hunne wapenrusting, in hun huiselijk en openbaar leven. Waren zij nu, in dien ouden tijd Aziaten, met een mantel en een muts van schapenvacht? Volstrekt niet: de russische bojaar ging gekleed als een duitsch ridder; de russische moujik zag er niets anders uit dan een engelsche boer.

De kerk van Sint-Wassili op het Roode-plein te Moskou.
De kerk van Sint-Wassili op het Roode-plein te Moskou.

De kerk van Sint-Wassili op het Roode-plein te Moskou.

Ten tijde van Nestor waren de Russen een vrij volk, geregeerd hetzij door erfelijke hoofden, hetzij door verkozen overheden. Zij leefden rustig en vreedzaam van landbouw en handel; in de westelijke provinciën waren zij meest in steden gevestigd; in de oostelijke en zuidelijke streken, leefden zij voornamelijk in hutten en tenten. Nowgorod, Pskow en Hlynow waren vrije steden, met zelfgekozen magistraten: kleine republieken, zooals Florence en Pisa, Hamburg en Lubeck. In die dagen bestonden er geen lijfeigenen en dacht ook niemand aan de invoering van zulk een stelsel. Maar dit oude Rusland viel onder de macht der Mongolen. In den grooten veldslag aan de Kalka werd de kracht der natie verbroken: en honderd-tachtig jaren lang worstelde zij, in wanhopigen kamp, met de verpletterende overmacht; in die doodelijke worsteling werden hare velden verwoest, hare steden geplunderd, hare landlieden uit huis en hof verjaagd en naar de wouden en de steppen verdreven. Nog had zij zich niet van dezen geweldigen slag hersteld, toen Timoer-Beg met zijne heerscharen het land overstroomde: wel een man van hooger ontwikkeling dan Batoe-Khan, een geleerde, een kunstenaar, een staatsman: maar toch, in zijn gansche wezen en aanleg, een Oosterling, een Aziaat. Timoer voerde in Rusland de wet van Mekka in, benevens de kunst van Samarkand en de poëzie van Ispahan. Zijne begs en mirzas waren beschaafde ridderlijke mannen. In de door hem gestichte khanaten langs de Wolga en in de Krim heerschte een pracht, een weelde, een fijne toon en beschaving, die ge te vergeefs zoudt hebben gezocht aan de hoven der nationale vorsten te Moskou, te Kazan, te Twer. De vorsten en bojaren werden de leenmannen van den Khan der Tartaren in de Krim, bekend onder den naam van den Grooten-Khan; zij zwoeren hem trouw, betaalden hem een jaarlijksche schatting, en trachtten zich bij hem aangenaam te maken door hem in kleeding en wapenrusting na te volgen. De nederigste vazallen van dien Grooten-Khan waren de grootvorsten van Moskovië, die zich zelf zijne slaven noemden, en dit ook inderdaad waren. Zij hielden den stijgbeugel als hij voor zijn paleis te paard steeg, en gaven zijn ros te eten uit hunne tartaarsche mutsen; zij bootsten hem na in manieren en levenswijze, en noemden zich naar zijn naam. Hunne soldaten, die zij met zijne vergunning in het veld brachten, waren op tartaarsche wijze uitgerust en gewapend. Zij vochten voor hem tegen hun eigen land, en brachten de vrije republieken in het noorden, die onbereikbaar waren voor zijne ruiterij, onder het juk.

Een Karaïti (Jood).
Een Karaïti (Jood).

Een Karaïti (Jood).

Deze slaafsche onderwerping van grootvorsten en bojaren aan den Grooten-Khan was een schrikkelijke ramp voor den armen landman, die voortdurend gevaar liep zijn akker te zien vernield, zijn huis in de asch gelegd, het kruis in zijn dorp ontwijd, door stroopende ruiterbenden. Want een tartaarsche Khan, ook al plantte hij zijn banier aan de oevers van een grooten stroom, als te Kazan, of in eene romantische vallei als de Baktshi-Seraï, bleef toch in zijn hart een nomade en een ruiter, wiens eigenlijke plaats de zadel, wiens geliefkoosde woning de tent was. De geringste aanleiding was voldoende om zijn bloed te doen koken; en wanneer hij eenmaal de voeten in de stijgbeugels had gezet, was het voor herders en dorpelingen een harde taak, om den stoot van zijne geweldige lans te keeren. Een wolk van vuur ging voor hem uit; rookende puinen en vertrapte akkers teekenden zijn bloedig spoor. Niemand kon met eenige zekerheid weten, dat hij oogsten zou wat zijne hand had gezaaid: was niet een oneerbiedig gebaar, een vrijmoedig woord van zijn vorst voldoende, om den vernielenden wervelwind der tartaarsche ruiterij over zijne akkers los te laten? Wat bleef hem dan anders over dan te vluchten? Kwam die plage nu jaar op jaar terug, dan verliet hij eindelijk zijne hut en zijn akker; nu eens werkende, dan weder bedelende, voorzag hij in zijn onderhoud; maar hij was en bleef een zwerver, aan geene vaste woonplaats gebonden. Soms werd hij een pelgrim, soms ook een herder, maar doorgaans niet anders dan een landlooper. Om zich met meer vrijheid en veiligheid te kunnen bewegen, nam hij de tartaarsche kleeding aan: hij wikkelde zich in een mantel van schapenvacht, met een gordel saamgebonden, en zette zich een muts van schapenvacht op het hoofd. Waarom zou hij zijn land beploegen, terwijl anderen de vracht zouden plukken of den rijpenden oogst vernielen? De russische boer werd een zwerver en vagebond om dezelfde redenen, waarom de fellah in Syrië een vagebond wordt, wanneer zijn oogst telken jare door de zwervende Bedouïnen wordt geroofd.

Toen Iwan IV, na van de tartaarsche begs de kunst van vechten en regeering te hebben geleerd, de khanaten van Kazan en Astrakhan veroverde, en den Grooten-Khan van Baktshi-Seraï durfde tarten, zag hij zich als onafhankelijk vorst geplaatst aan het hoofd van een land, rijk aan natuurlijke hulpbronnen van allerlei aard, maar met verwoeste velden, vernielde dorpen, eene verstrooide bevolking en onveilige wegen. Het land was wel niet ontvolkt, maar de landlieden hadden den zin voor en de gehechtheid aan eigen huis en haard verloren, en de moujiks trokken om van stad tot stad. Hier waren de arbeidsloonen buitensporig hoog, elders waren er handen te veel. De helft van het land, zelfs in de welvarende provinciën, lag braak; en geen jaar ging voorbij, zonder dat eene of andere landstreek door hongersnood en door de daarop volgende epidemische ziekten geteisterd werd. Aan dien toestand was geen einde te maken, tenzij dan een middel gevonden werd om de nu zwervende bevolking weder aan vaste woonplaatsen te binden.

De vraag, hoe dit geschieden kon, baarde, zeventig jaren lang, aan het hof in de Kremlin meer zorg en hoofdbreken dan de kerkelijke twisten, de tartaarsche invallen en de paleis-omwentelingen: hoewel in dat tijdvak van zeventig jaren, de Groote-Khan een gedeelte van Moskou in de asch legde, Dimitri, de wettige erfgenaam des troons, werd vermoord, en Boris Godounoff, de overweldiger, zich de kroon op het hoofd drukte. Iwan IV zelf deed wat hij kon om de boeren tot den terugkeer naar hunne verlaten hoeven en akkers te bewegen: hij schonk vele domeinen der kroon weg; hij liet voor zijn eigen rekening dorpen bouwen; bedreigingen, vleiereien, beloften, straffen, geweld—niets werd gespaard om zijne onderdanen tot orde en geregelden arbeid te dwingen. Ofschoon deze hervormer ook nooit het woord lijfeigene (krepostnoi, een gebondene) gebruikte, is hij niettemin de wezenlijke stichter van dat stelsel van russische lijfeigenschap, dat thans tot het verledene behoort.

In de prachtige zaal van het Kremlin, de schatkamer van Moskou genoemd, ziet men een schitterend uitgedoste en geheel gewapente ruiterfiguur, een bojaar uit den tijd van Iwan IV voorstellende. Wapens, kleeding, sieraden, in één woord de geheele uitrusting is die van een mirza of tartaarschen edelman; de inscriptie op het uitgetogen damasceensche zwaard meldt den vromen rechtgeloovigen Rus, dat er maar één God, en dat Mohammed zijn profeet is! Toch is het beeld wel waarlijk dat van een bojaar uit de tijden van Iwan IV.

Onder de lange reeks van russische souvereinen is er misschien geen, wiens leven en karakter zooveel raadselachtigs heeft als dat van dezen Iwan IV. Ondanks zijne vele wreedheden en gruweldaden, wordt hij door zeer vele geschiedschrijvers toch als een bekwaam hervormer en een vaderlandslievend vorst geroemd: en inderdaad moet de onpartijdige kritiek hem in menig opzicht prijzen. Hem danken de Moskovieten hunne verlossing van het tartaarsche juk; hij was het, die het koningrijk Kazan, Siberië en het khanaat van Astrakhan veroverde en bij zijn rijk voegde. Langs al zijne grenzen deed hij de Halve-Maan zwichten voor het Kruis. Met Zweden en Polen voerde hij een niet onvoordeeligen, dikwijls zelfs schitterenden oorlog. Hij stelde zijn land open voor den buitenlandschen handel; hij bouwde havens langs de kusten der Oostzee, der Kaspische- en der IJszee. Hij voerde in zijn rijk allerlei hervormingen en verbeteringen in. Hij liet drukkers komen van de boorden van den Rijn, en liet de Handelingen der Apostelen in de landtaal uitgeven. Hij ontbood bekwame geneesheeren uit Frankfort, ervaren werklieden in hout en metaal uit Londen. In de stad Wologda liet hij door scheepstimmerlieden schuiten en vlotten vervaardigen, waardoor hij eene gemakkelijke gemeenschap met de zee kon onderhouden. Hij riep de voornaamste edelen en aanzienlijkste burgers tot een soort van parlement te zamen, om met hen maatregelen te beramen tot bevordering van het algemeen belang. De overleveringen en overgeërfde gebruiken, die tot dusverre bij de rechtspleging als richtsnoer hadden gediend, werden op zijn bevel in een wetboek bijeengebracht en geordend. Hij verbood de bedelarij in zijn rijk, hervormde de geestelijkheid, en liet eene voor allen geldende belijdenis des geloofs vaststellen.

Iwan was een woestaard, maar hij was ontegenzeggelijk populair; hij was vreeselijk en geducht, maar voornamelijk voor de aanzienlijken en de rijken. Als een echte tartaarsche Khan, aarzelde hij nooit, ten behoeve zijner hervormingen, geweld en onrecht te plegen; hij leide den bojaren en kooplieden willekeurige schattingen op, maar liet op zijne kosten dorpen en woningen voor de boeren bouwen; hij vernietigde de onafhankelijkheid der vrije steden, maar schonk aan duizenden armen woning op de gronden van den staat. Hij brak de macht van den adel als heerschenden stand, en stelde, in de plaats der vorsten en bojaren, regeeringsbeambten aan; hij regeerde door middel van den knoet, maar trachtte ook te regeeren door middel van de drukpers; hij verwoestte Nowgorod en Pskow, maar bouwde ook eene menigte kerken, dorpen en heiligdommen. Zoowel door natuurlijken aanleg als uit staatkundige berekening, was hij een groot bouwer: hij vond een rijk van hout en boomstammen, en wilde aan zijn zoon een rijk van steenen huizen nalaten. Niet minder dan veertig steenen kerken en zestig steenen kloosters verrezen op zijn bevel. Hij bouwde de merkwaardige kerk van Sint-Wassili, nabij den muur van het Kremlin, en wijdde die aan den heiligen patroon zijns vaders. Naar men zegt, stichtte hij honderdvijftig sterke kasteelen, en meer dan driehonderd gemeenten.

Wenschende zijn volk te beschaven en aan vaste woonplaatsen te gewennen, bootste de hervormer zooveel mogelijk de instellingen en gebruiken na der tartaarsche landen, die hij aan zijn schepter onderworpen had. Kazan en Baktshi-Seraï waren vrij wat prachtiger en rijker steden dan Wladimir en Moskou; en de armste mirza aan het hof van den Grooten-Khan was veel schitterender uitgedost en veel beter gewapend dan de aanzienlijkste bojaar aan Iwans hof.

Iwan begon zijn hervormingswerk door zijn rijk in twee deelen te verdeelen: een daarvan bleef onderworpen aan zijn persoonlijk bestuur; het andere werd in zijn naam geregeerd door stadhouders, met dezelfde macht bekleed als de tartaarsche begs. Hij richtte een staand leger op, destijds bijna het eenige in Europa, dat hij wapende en uitrustte naar tartaarsche wijze. Hij vormde zich een bijzondere lijfwacht, die de tartaarsche tafia droeg, een hoofddeksel dat geen Christenmensch in zijne staten zich veroorlooven mocht te dragen. Evenals de Groote-Khan richtte hij een gedeelte van zijn paleis tot harem in, en sloot daar zijne vrouwen en dochters op, die zich niet in het openbaar mochten vertoonen; tevens werd de toegang tot zijn hof ten strengste aan alle vrouwen verboden. Zijne vorsten en bojaren volgden zijn voorbeeld; en het duurde niet lang, of iedere eenigszins aanzienlijke woning had een harem, en de afzondering der vrouwen was te Moskou niet minder streng dan te Bokhara of te Bagdad.

Deze gewoonten bleven in stand tot op den tijd van Peter den Groote. Het rijk werd geregeerd door provinciale begs of stadhouders, onder den naam van bojaren en woywoden; het leger was gekleed en gewapend als de turksche troepen; en de vrouwen waren in de harems opgesloten, evenals de odalisken van den sultan. Peter schafte deze tartaarsche zeden en gebruiken af; hij opende den keizerlijken harem, vertoonde zich met de Tsarin in het openbaar, en noodigde de dames uit, weder aan het hof te verschijnen. Toch is er in het russische leven, bijzonder ten platten lande en in de kleine steden, nog iets van die muzelmansche gewoonten overgebleven. Evenals iedere aanzienlijke woning haar eigen harem had—het vrouwenverblijf, dat door geen vreemdeling mocht betreden worden; zoo had elke aanzienlijke familie ook eene afzonderlijke begraafplaats voor hare vrouwelijke leden. Sommige van deze oude begraafplaatsen, zijn in kloosters herschapen, nog tot heden in stand gebleven; bijvoorbeeld Novo-Devictchie, het jonkvrouwenklooster, in eene der voorsteden van Moskou, en het klooster der Hemelvaart in het Kremlin, nabij de Heilige-poort: dit laatste was bijkans twee eeuwen lang, van den tijd van Iwan den Verschrikkelijke tot op Peter den Groote, de begraafplaats der Tsarinnen.

Iwan verstond uitnemend de kunst om, door allerlei listen en intriges, verdeeldheid te zaaien tusschen zijne hertogen en bojaren; en wanneer de twist dan eindelijk zoo hoog geloopen was, dat de beide partijen elkander beschuldigden, maakte hij behendiglijk daarvan gebruik om beiden ten verderve te brengen. Langzamerhand wist hij de adellijke geslachten van al hunne historische rechten en privilegiën te berooven; hij dwong zijne grooten, gunsten en voorrechten van hem, als zijne slaven, te ontvangen. De mannen, die hij om hun rang en invloed in het openbaar moest ontzien, zond hij, schijnbaar met gewichtige zendingen, naar verwijderde landstreken; op die wijze de personen, die hij gevaarlijk achtte, door een soort van ballingschap onschadelijk makende. De macht zijner hertogen werd geknot; de schatten zijner bojaren werden verbeurd verklaard. Het getal der vorsten was te groot, om ook hen onder het juk te brengen: want ten tijde van Iwan was er onder de drie ingezetenen van Moskou althans één, die den titel van vorst droeg; en het was niets zeldzaam, deze vorsten de nederigste diensten te zien verrichten. Van de aloude hertogelijke dynastiën waren er maar enkelen, die zijne regeering overleefden: slechts de Narishkins, de Dolgourouckis, de Galitzins en nog ettelijke anderen ontkwamen aan den ondergang; en deze doorluchtige, historische familiën zien nog heden met zekere voornaamheid op de regeerende keizerlijke dynastie neder. De Narishkins zijn door huwelijken aan het huis van Romanoff verwant. Een lid dezer familie, wien de titel van keizerlijke hoogheid werd aangeboden, sloeg dit aanbod af, en sprak op trotschen toon tot zijn souverein: „Neen, sire: ik ben een Narishkin.”—Toen Peter Dolgouroucki vernam, dat de keizer hem van den vorstelijken rang vervallen had verklaard, ontzag hij zich niet aan zijne, majesteit te schrijven: „Hoe kunt gij mij vernederen? Kunt gij mij mijne voorouders ontnemen, die grootvorsten van Rusland waren, toen de uwe nog niet eenmaal graven waren van Holstein-Gottorp?”

Moskou werd geregeerd als een tartaarsch kamp. De soldaten van Iwans lijfwacht zwierven door de straten, met hunne tartaarsche mutsen op het hoofd, en mishandelden de ingezetenen, zonder onderscheid van rang of stand, bojaren zoo goed als burgers, moujiks en boeren, als hadden zij te doen met lieden van een anderen stam en een ander geloof. Zij plunderden de huizen, zij voerden de vrouwen weg, zij vermoordden de mannen: in één woord, zij bedreven zoo groote buitensporigheden, dat een vreemdeling, die een troep dezer soldaten in de tartaarsche wijk of onder de muren van het Kremlin ontmoette, niet anders denken kon, dan dat de stad ter plundering aan de soldaten was prijs gegeven.

Dit streven om het rijk, naar tartaarsche beginselen en op tartaarsche wijze, te hervormen, lokte een hevigen tegenstand van de zijde der kerk uit; de patriarch Athanasius trok zich terug; Germanus werd afgezet en Sint Philippus vermoord, ter zake van hun verzet tegen den tsaar. Sint-Philippus was de martelaar van Rusland; hij viel als het slachtoffer van den onverschrokken moed, waarmede hij de traditiën van zijn land en zijne kerk verdedigde tegen den tsaar, die alles naar zijne tartaarsche denkbeelden wilde dwingen. Wanneer ge ook de groote kathedraal der Hemelvaart te Moskou bezoekt, steeds zult ge eene menigte mannen en vrouwen, in eerbiedige aandacht, geknield vinden voor een prachtig zilveren monument. Het is het graf van Sint-Philippus, martelaar en heilige; en steeds verdringt zich de schare om de relikwiën van den heilige te kussen. De moord van dezen man is een dier nationale misdaden, die door eene eeuwenlange boete niet worden verzoend en uitgewischt. De boeteling bidt en vast in zijn naam; ontsteekt te zijner eere zijne kaarsen; en zucht en smeekt, neergebogen voor zijn graf, als zocht hij vergeving voor een persoonlijk vergrijp.

De strijd tusschen Philippus en Iwan, tusschen de christelijke kerk en den tartaarschen despoot, beslaat zeker een van de roemrijkste bladzijden in de geschiedenis der kerk van Rusland. Slaan wij die bladzijde even op.

In den eersten tijd der regeering van Iwan IV (1539) landde een pelgrim, armoedig gekleed en zonder geld, maar van een innemend voorkomen, aan het klooster te Solowetsk. Hij kwam daar om te bidden: maar na eene korte pooze op het eiland vertoefd te hebben, legde hij de gelofte af en werd monnik. Onder den naam van Philippus leefde hij negen of tien jaren lang in zijne eenvoudige cel. De monniken, zijne broederen, bespeurden echter wel, dat er achter dat armelijke voorkomen een of ander geheim school: zijne geleerdheid, zijne manieren: alles deed in hem den man vermoeden, die tot de hoogste rangen der maatschappij behoorde. Maar de nederige broeder bewaarde over zijn vroeger leven een diep stilzwijgen. Negen jaren na zijne intrede in het klooster kwam de prior te sterven, en hij werd met algemeene stemmen tot die waardigheid verheven.

Toch hadden de broederen gelijk: deze man was geen gewone monnik. Tot de aanzienlijkste geslachten in Moskou behoorde destijds ook de familie Kolitcheff; aan het hoofd van dat geslacht werd een zoon geboren, die den naam van Feodor ontving, en erfgenaam was, niet alleen van uitgestrekte bezittingen, maar ook van een beroemden naam. Van zijne vrome moeder ontving het kind eene godvruchtige opvoeding: zij leerde hem in de levens der heiligen lezen, zij leerde hem bidden en nam den knaap trouw met zich naar de mis, waar zij hem het voorbeeld gaf van heilige aandacht. Maar uit edel bloed gesproten en geroepen om zijn vorst te dienen, leerde Feodor ook rijden en schermen, jagen en schieten, en onderwees men hem tevens in de kunst om de goederen zijner familie, bosschen en pachthoeven en landerijen, met al wat daartoe behoorde, naar den eisch te besturen. Op zes-en-twintigjarigen ouderdom werd hij aan den toen vierjarigen Iwan voorgesteld; en daar de jonge prins bijzondere genegenheid voor hem opvatte, was hij zeer dikwijls ten hove, bewonderd door alle vrouwen, benijd door zeer vele mannen. Feodor Kolitcheff had, zoo scheen het, eenvoudig aan het hof te blijven, om eenmaal tot de hoogste betrekkingen geroepen te worden. Maar zijn hart was altijd vreemd aan het leven, dat hij dus leidde; het Kremlin was een brandpunt van allerlei intriges en kuiperijen; de streek rondom de stad werd, door de snoodste misdaden, in voortdurende spanning en onrust gehouden. Smartelijk getroffen door wat hij hoorde en zag, wenschte de benijde gunsteling naar de rust van een heilig, godgewijd leven; eindelijk vertrok hij in stilte, al zijne bezittingen achterlatende, en wandelde, in het eenvoudige pelgrimskleed gehuld, de poorten van Moskou uit. Met zijn staf in de hand, baande hij zich een weg door de onbezochte wouden van het noorden; nu eens vertoevende in eene boerenhut, waar hij, voor eene bete broods, op het land ging werken; dan op een vlot de Dwina afzakkende, en zijn overtocht betalende door zelf mede te roeien. Zoo kwam hij te Solowetsk, waar hij achtervolgens monnik, priester, prior werd, zonder het geheim zijner edele geboorte en zijner betrekking aan het hof te verraden.

Aan het hoofd der broederen geplaatst, werd het zijn ernstig streven om het klooster in zijn ouden luister en glans te herstellen. Hij kleedde zich in de pij van Zosimus, en richtte een gedenkteeken op boven het graf van Savatius. Deze mannen Gods ten voorbeeld nemende, voerde hij den regel van ijverigen en voortdurenden arbeid in; hij stichtte nieuwe werkplaatsen; hij verbeterde de visscherijen en pachthoeven; hij liet steenen kapellen bouwen, en leerde aan sommige vaders de kunst van schrijven en teekenen. Nog getuigt menig monument en menig kunststuk in het klooster van zijn ijver en zijne werkzaamheid. Maar te midden van dezen arbeid werd Philippus uit zijn stille cel in de Witte-zee geroepen, om een hooger en gevaarlijker zetel te bestijgen.

Iwan, die den ouden vriend zijner jeugd nog niet vergeten had, raadpleegde hem dikwijls over staatszaken, en ontbood hem nu en dan naar het Kremlin om zijne voorlichting in te winnen. Bij die gelegenheden werd Philippus meermalen getroffen door de groote verandering, die met den tsaar had plaats gegrepen. Iwan was niet langer de vrome kruisridder van vroeger: hij was nu, op middelbaren leeftijd, eene zonderlinge mengeling van een somberen dweepzieken monnik en een woesten khan. Deze omkeer dagteekende van den dood zijner gemalin en de verovering van Kazan; hij nam nu twee vrouwen tegelijk ten huwelijk, kleedde zich als een Tartaar, en volgde in alles het voorbeeld van een aziatisch despoot. Als ware hij het opperhoofd der Gouden-Horde, trok hij door de straten van Moskou, omringd van zijne trawanten, en last gevende, dien man te geeselen, dezen te dooden. Het plein voor de Heilige-poort was rood van bloed; en de gansche stad werd vervuld van schrik en ontzetting, van jammer en rouw.

Twee grijze prelaten, die den tsaar zijn schandelijk gedrag hadden durven verwijten, werden uit hun ambt verdreven; en in 1566 vestigde Iwan zijne keus op den prior van Solowetsk, als op een man, die door zijne uitnemende deugden zijne regeering nieuwen glans zou bijzetten, zonder dat hij van hem strenge vermaningen of persoonlijke verwijten had te duchten. Philippus trachtte die gevaarlijke eer van de hand te wijzen: maar de tsaar eischte gehoorzaamheid, en met een bezwaard gemoed verliet de prior zijn stil verblijf op het eiland, overtuigd dat hij den marteldood tegemoet ging.

De hoogten van Inkermann.
De hoogten van Inkermann.

De hoogten van Inkermann.

Iwan had zich in den monnik schromelijk vergist. Philippus was geen hoveling, geen man om naar den mond der vorsten te spreken: want onder zijne eenvoudige pij klopte een hart vol warm en edel gevoel; zijn oog was niet blind voor hetgeen om hem voorviel, en het ontbrak hem niet aan moed, om zijne overtuiging uit te spreken. Op zijne reis naar Solowetsk naar Moskou kwam hij te Nowgorod, eene stad, die door haar rijkdom, haar onafhankelijken zin en hare vrije instellingen, in hooge mate den toorn van Iwan had opgewekt. Eene schaar van burgers trok den prior tegemoet, en viel voor hem op de knieën, zijne bescherming en voorspraak inroepende bij den tsaar, die openlijk gedreigd had dat hij de stad zou verwoesten en met den grond gelijk maken. Te Moskou gekomen, sprak hij tot Iwan als tot een zoon; hem biddende en vermanende, zijne lijfwacht weg te zenden, zijne vreemde gewoonten vaarwel te zeggen, een heilig leven te leiden, en zijn volk in gerechtigheid te regeeren, naar het voorbeeld zijner voorgangers.

Iwan was teleurgesteld en verbitterd; hij verlangde een priester die hem zegenen en ter wille zou zijn, niet een, die hem zijn plichten voorhield. De dwingeland werd al heftiger en gewelddadiger; maar de nieuwe metropolitaan hield niet af, hem met onuitputtelijk geduld en zachten ernst te vermanen en tot den goeden weg, dien hij verlaten had, terug te roepen. Eens, terwijl Philippus de mis bediende, trad de tsaar met zijne lijfwacht, allen in tartaarsche kleeding, de kerk binnen; de soldaten schaarden zich in het gelid, terwijl Iwan zelf het heilige der heiligen naderde. Philippus ging met de dienst voort, zonder op den tsaar acht te geven: een bojaar riep hem toe: „Het is de tsaar!”—„Ik ken den tsaar niet,” antwoordde Philippus, „in zulk eene kleeding.”—De tartaarsche muts, de tartaarsche zweep vertoonden zich overal in het openbaar; de tartaarsche soldaten der lijfwacht waren meester in de stad, waar zij zonder schroom de grofste buitensporigheden bedreven. Zij kenden geen eerbied voor het heilige, en gaven voortdurende ergernis door de minachting, waarmede zij de heilige beelden en relikwieën behandelden. Bij gelegenheid eener processie, merkte de metropolitaan een der hovelingen op, die onbeschaamd zijne tartaarsche muts op het hoofd hield. „Wie is die man,” vroeg Philippus aan den tsaar, „dat hij met zijn tartaarsch gewaad dezen heiligen dag ontwijdt?” De hoveling nam haastig zijne muts af, en beweerde nu dat de metropolitaan hem valschelijk van oneerbiedigheid beschuldigd had.—Daar allen, die in verdrukking of zorgen verkeerden, tot den metropolitaan gingen om zijn raad en hulp te vragen, betichtten de bojaren hem dat hij het volk tegen den vorst opzette. Toen Iwan, in strijd met alle kerkelijke wetten, eene vierde vrouw genomen had, weigerde de metropolitaan dit huwelijk te erkennen, en vermaande hij den tsaar ernstiglijk zich van het heilig sakrament te onthouden. Iwan ging des ondanks naar de kathedraal, nam daar zijn zetel in, en zag somber voor zich heen. In plaats van op te houden, om hem te zegenen, zooals de gewoonte medebrengt, ging Philippus met de heilige dienst voort, tot een der hovelingen voor het altaar trad, hem onbeschaamd in het gelaat zag, en op spottenden toon toevoegde: „De tsaar vraagt uw zegen, priester!” Zonder op dien man te letten, wendde Philippus zich nu tot Iwan, op zijn troon gezeten: „Vrome tsaar,” sprak hij zuchtend, „waarom zijt gij hier? In deze plaats brengen wij Gode een heilig en onbloedig offer.” Iwan dreigde met woorden en gebaren. „Ik ben een vreemdeling en bijwoner op aarde, zeide Philippus; ik ben bereid voor de waarheid te lijden.”

Dat lijden bleef niet uit. Van het altaar weggesleept, van zijne priesterlijke kleeding beroofd en in lompen gehuld, werd hij met roeden gegeeseld, op een slede geworpen, en door de straten rondgevoerd, beschimpt en gehoond door woeste soldaten, en straks in een der geringste kloosters van de stad, in een duisteren kerker opgesloten. De armen knielden in de straat als de slede voorbijging; aller oogen waren nat van tranen, en aller stem werd door snikken gesmoord. Philippus zegende hen, en sprak: „Treurt niet; het is Gods wil; bidt! bidt!” In den kerker geworpen en met ketenen beladen, niet enkel aan zijne enkels maar ook aan zijn hals, liet men hem zeven dagen en nachten zonder eten of drinken, in de hoop dat hij sterven zou. Een hoveling, die hem kwam bezoeken, zag, tot zijne verbazing, dat hij nog leefde en in het gebed verzonken was. Zijne vrienden en bloedverwanten werden gevangen en ter dood veroordeeld, om geen andere reden, dan omdat zij tot zijn geslacht behoorden en zijn naam droegen. Een bode van den tsaar trad Philippus' kerker binnen met deze boodschap: „Toovenaar, kent gij dit hoofd?”—„Ja, antwoordde de gevangene met van aandoening trillende stem, het is dat van mijn neef Iwan.”—Dag en nacht schoolde de menigte samen voor de deur van het klooster, waar de eerwaardige bisschop gevangen werd gehouden, tot de tsaar, vreezende dat er een oproer zou uitbarsten, hem in het geheim naar een veiliger kerker in de stad Twer liet vervoeren.

Een jaar later, in 1569, trok Iwan met zijn leger naar Nowgorod om aan die stad zijn wraak te koelen. Daar herinnerde hij zich, hoe Philippus eenmaal bij hem ten voordeele van die stad had gesproken: en de tiran zond een zijner handlangers naar Twer om den bisschop te vermoorden. „Geef mij uw zegen,” zeide de moordenaar, de cel binnentredende. „Doe het werk, waarvoor uw meester u gezonden heeft,” antwoordde de heilige man: en de snoode daad was spoedig volbracht.

Het lijk van den martelaar bleef eenige jaren te Twer, en werd toen naar Solowetsk vervoerd. Daar rustte hij in het klooster tot het jaar 1660, toen, onder de regeering van Alexis, den vader van Peter den Groote, het fel geteisterde rijk door pest, hongersnood en buitenlandsche oorlogen werd bezocht. In die dagen van benauwdheid werd het lichaam van den heilige, met groote staatsie, naar Moskou gebracht, om door deze plechtige daad van openbare boete den toorn des hemels, wegens den gruwelijken moord, te verzoenen. De brief van den tsaar, waarbij de overbrenging werd gelast, werd in de kerk te Solowetsk overluid voor het graf van den martelaar gelezen; zijn lichaam werd nog ongeschonden gevonden, als op den dag der begrafenis; bij het openen der lijkkist, steeg daaruit, naar men zeide, een geur van bloemen op. Een groote processie van monniken en pelgrims trok met de kostbare relikwie van Archangel naar Moskou, waar Alexis den stoet aan de poort van het Kremlin opwachtte en naar de kathedraal geleidde. Daar werd het gewijde lichaam, op de plaats der eere, in een prachtige zilveren tombe ter ruste gelegd; en nog heden ton dage moet iedere keizer van Rusland, op den dag zijner kroning, voor deze tombe de knieën buigen en de heilige overblijfselen kussen.

XIX.

De Emancipatie.

Boris Godounoff, bloedverwant en opvolger van Iwan IV, gaf aan het beginsel der lijfeigenschap een wettigen vorm (1601). Een bekwaam en energiek man, oprechtelijk het welzijn van zijn land betrachtende, wilde Godounoff de verlaten steppen en de eenzame rivieroevers van zijn rijk zooveel mogelijk bevolken en ontginnen. Het lag in het minst niet in zijne bedoeling, den landman te benadeelen;—integendeel, hij wilde hem eene weldaad bewijzen en nuttig zijn. Het denkbeeld om den boer aan zijn grond te verbinden, kon toen inderdaad als eene groote en heilzame hervorming beschouwd worden; en na den raad zijner bojaren te hebben ingewonnen, koos de tsaar dan ook den feestdag van Sint-George, den patroon der vrije steden en van de oude Russen, voor de afkondiging van het edict, waarbij bepaald werd, dat voortaan ieder boer in het rijk den grond zou bezitten en bebouwen, dien hij op dat oogenblik bezat en bebouwde.

Tot op dien tijd koesterde men in Rusland, ten aanzien van grondeigendom, ongeveer dezelfde denkbeelden, die bijna overal in het Oosten worden aangetroffen. Van de golf van Venetië tot de kusten van Bengalen, gold ten aanzien van het grondbezit, ondanks velerlei wijzigingen, in verband met klimaat en nationaliteit en plaatselijke traditie, toch in het wezen der zaak overal hetzelfde beginsel. De wezenlijke eigenaar van den grond was overal, onder God, de vorst, hetzij dan de sultan, de shah, de mogol of de khan. De Russen, hunne vroegere nationale traditiën en gebruiken vergetende, droegen nu de rechten en aanspraken, die zij van de tartaarsche begs en khans ontvangen hadden, op hun overwinnenden vorst over. Iwan IV verdeelde toen den grond naar zijn welbehagen: hier stichtte hij dorpen voor landbouwers; daar schonk hij landen weg aan een woywode, wiens diensten hij beloonen wilde; elders kocht hij den vrede met een vijand, door eene schenking van wouden, akkers en vischwateren: in één woord, hij handelde ook in dit opzicht naar het voorbeeld van Batoe-Khan en Timoer. Iwan ging daarbij zoo onbesuisd en ondoordacht te werk, dat toen Godounoff den troon besteeg (1598), in alle provinciën eene overgroote menigte landgoederen geheel verlaten lagen, zonder bebouwd te worden; terwijl daarentegen gansche scharen van landbouwers geen duim gronds bezaten. De gezeten landbevolking had zich in zwervende horden opgelost; Godounoff wilde nu deze rustelooze zwervende bevolking aan vaste woonplaatsen verbinden, door aan iedere familie een persoonlijk en erfelijk aandeel aan den grond te geven. Het kwaad dat hij genezen wilde, was echt oostersch; hij paste ook een oostersch geneesmiddel toe. De Khans hadden juist hetzelfde gedaan; Godounoff gaf slechts aan hun stelsel meer uitbreiding en een nauwkeurig omschreven vorm, ten einde op die wijze eene grootere uitgestrektheid gronds in bebouwing te kunnen brengen.

Zeer waarschijnlijk werd, in dit jaar 1601, de feestdag van Sint-George, door bojaren en boeren met dubbele vreugde gevierd; zeer waarschijnlijk werd het edict, dat de lijfeigenschap in Rusland invoerde, als een heilzame en populaire maatregel, met algemeenen bijval begroet. Om dit goed te begrijpen, moeten wij steeds in het oog houden dat deze dusgenoemde lijfeigenschap in Moskovië, in beginsel en aanvankelijk, geen lijfeigenschap was;—dit woord, dat wij, bij gebrek van beter, gebruiken, geeft van de zaak een zeer onjuist denkbeeld. Het was hier geheel iets anders dan de eigenhoorigheid in Frankrijk of Engeland. Het gold hier eene kolonisatie op groote schaal. Niet enkel wijze staatkunde, maar ook vrijgevige edelmoedigheid was een der voornaamste drijfveeren van Godounoff’s daden: millioenen bunders land, die tot het kroondomein behoorden, gaf hij aan zijn volk weg. De grond werd op zeer billijke voorwaarden aan den boer afgestaan. Hij moest echter op het hem aangewezen land blijven wonen, zijn akker bebouwen, zijne woning onderhouden, zijn hoofdgeld betalen, en in tijd van oorlog zijn land dienen. Het voornaamste offer, dat de boer bracht, in ruil voor zijn stuk grond was zijn zwervend leven.

Ten einde zich te vergewissen dat de lijfeigene—de krepostnoï, de aan den grond gebondene—trouw zijne verplichtingen nakwam, stelde de tsaar in iedere provincie eenige bojaren of woywoden tot opzichters of inspecteurs aan: een noodzakelijke, en toch een zeer noodlottige maatregel. Deze opzichter, een man van aanzien en gewicht, aldus tegenover den zwakke en weerlooze geplaatst, was in den regel geheel doordrongen van de tartaarsche denkbeelden en beginselen, waarin hij was opgevoed; en evenals de tsaar de plaats innam van den khan, zoo beschouwde de bojaar zich als den opvolger van den beg. Weldra slopen er allerlei misbruiken in; bovenal het gebruik van den knoet, dat de bojaar van den beg overnam; echter trof dit den lijfeigene niet in het bijzonder en als zoodanig, daar hij op dit punt met alle andere Russen gelijk stond. Ieder had, tot zeer onlangs, het recht dengene, die onder hem geplaatst was, te slaan. De tsaar sloeg den bojaar; de bojaar sloeg op zijn beurt den edelman van lageren rang; een kolonel schopte zijn kapitein, en de kapitein ranselde zijn manschappen. Dat gebruik van den stok geldt, door geheel het Oosten, voor een teeken van gezag; en een bojaar, die een boer met den knoet kon doen tuchtigen, omdat hij verzuimde zijn akker te bebouwen, zijn huis behoorlijk te onderhouden, of zijne belasting te betalen, zou welhaast meer dan een mensch moeten geweest zijn, indien hij zich niet in het eind als den wettigen heer van dien boer had beschouwd.

Sebastopol: het fort Nikolaas.
Sebastopol: het fort Nikolaas.

Sebastopol: het fort Nikolaas.

Dit lag echter volstrekt niet in de bedoeling der wet. Volgens de theorie, hield de boer zijn land in erfelijk leen van de kroon, evenals de bojaar zijn land van de kroon hield. Voorts werd tusschen de beide partijen, den edelman en den boer, onder den waarborg der wet, een contract gesloten betreffende het beheer en de exploitatie van een zeker landgoed, bestaande uit landerijen, wateren en bosschen, met de verschillende rechten, aan den eigendom verbonden—zooals het recht van visscherij, van de jacht, van vogelvangst, van tolheffing en dergelijke. Dit contract was voor beide partijen gelijkelijk verbindend, voor den edelman zoogoed als voor den boer. Mocht de lijfeigene zijn huis en hof niet eigenwillig verlaten, de heer mocht hem daar ook niet uitzetten; hij was verplicht zijn meester te dienen, maar hij mocht eigendom bezitten, dat hij door eigen vlijt en spaarzaamheid verworven had. Plaatselijk gebruik en de aangeboren ruwheid van zeden kenden den heer wel de bevoegdheid toe, den lijfeigene met boete en den knoet te straffen; maar de lijfeigene kon, tegenover dit geweld, troost putten uit de gedachte dat de akker, dien hij bebouwde, aan hem en aan zijne gemeente behoorde, krachtens een titel, die voor geen herroeping vatbaar was. Er is een versje, waarin de plichten en rechten van den boer tegenover zijn heer vrij nauwkeurig omschreven worden:

„Mijn ziel aan God,

Mijn land is mijn;

Mijn hoofd den Tsaar,

Mijn rug is dijn.”

Tot op de regeering van Peter den Groote werden de misbruiken steeds grooter en verderfelijker. De opzichter over de lijfeigenen werd gaandeweg hun heer en eigenaar. Wie zou ook, vooral in afgelegen gewesten, den lijfeigene, die nu inderdaad dien naam begon te verdienen, beschermen? Ik zelf was er eens getuige van, dat een boer door den oudste van zijn dorp tot den knoet veroordeeld werd, alleen op verzoek van twee heeren, die beweerden dat hij dronken was en hunne tarantasse niet besturen kon. De beide heeren waren zelf beschonken; maar de oudste kende hen, en hij dacht er zelfs niet aan, naar bewijzen voor hunne beschuldiging te vragen. Een boer, die door een heer wordt aangeklaagd, heeft noodzakelijk ongelijk. „God is te hoog, de tsaar te ver weg”, zoo luidt het weemoedige spreekwoord der boeren. In deze noodlottige, bange tijden was de aangeboren ruwheid de letter der wet te sterk, en de lijfeigenen werden geslagen, uitgehongerd, mishandeld, gedeporteerd, verkocht: maar dat alles geschiedde in openbaren strijd met de wet.

Peter voerde eenige veranderingen in, die echter ondanks zijne goede bedoeling het kwaad verergerden. Hij verbood den verkoop van lijfeigenen, afgescheiden van het domein waarop zij woonden: een groote stap ten goede; maar hij verlamde de goede uitwerking van dien maatregel, door het aloude hoofd- of haardgeld te veranderen in eene soort van gemeenschappelijke belasting, waarvoor alleen de heer verantwoordelijk was, en die hij het recht had over zijne lijfeigenen om te slaan. Indien een meester met zulk eene macht bekleed geen engel is, loopt bij groot gevaar, erger dan een duivel te worden. Peter ontnam ook aan de godsdienstige broederschappen het recht, dat zij met de bojaren en edelen gemeen hadden, om lijfeigenen op hunne goederen te bezitten. De monniken hadden het bewijs geleverd, dat dit recht hun niet veilig kon worden toevertrouwd; en daar zij hunne landerijen bezaten krachtens een hooger titel, dan de wet kan geven, viel bet den lijfeigene van een klooster moeilijk, aan het denkbeeld vast te houden dat een gedeelte van den grond, dien hij bebouwde, inderdaad zijn eigendom was.

Catharina zette den strijd van Peter tegen tartaarsche kleeding, manieren, gebruiken en gewoonten voort; maar, evenals Peter, kwam ook zij in botsing met veel, dat inderdaad echt nationaal was. Het welzijn van haar volk lag haar inderdaad aan het hart; en het charter, dat zij aan den adel verleende, werd in Rusland de grondslag voor een welvarenden, welopgevoeden en verlichten middenstand. Zij vatte het denkbeeld op, om de lijfeigenen tot vrije pachters te maken. Zij ontsloeg de lijfeigenen, die aan kloosters behoorden, plaatste hen onder eene afzonderlijke jurisdictie, en vaardigde verschillende edikten uit, die de verhouding van den lijfeigene tegenover zijn heer moesten regelen en verbeteren. Maar ook deze maatregel bewerkte het tegenovergestelde van hetgeen daarbij werd beoogd: want de lijfeigenschap, die tot dusver eene plaatselijke instelling was, in de eene provincie bestaande, in eene andere, daaraan grenzende, niet;—zoo, bij voorbeeld, wel in de gouvernementen Moskou en Woronesh, niet in Kharkow en Kiew;—werd nu door de wet, die voor het gansche rijk geldende was, erkend en geregeld. De voorliefde van Catharina voor die zekere eenvormigheid, die ook in hare oogen voor orde gold, bracht er haar toe om ook de boeren van Lithauen en Klein-Rusland aan den grond te verbinden, zooals Godounoff de boeren van Groot-Rusland aan den grond verbonden had, door hun een woning en een akker te geven. Paul, haar zoon, ging op den ingeslagen weg voort, door het recht van den heer op den arbeid van den lijfeigene te beperken tot drie dagen in de week: eene bepaling die, hoewel zij nimmer werd uitgevoerd, toch de nagedachtenis van Paul bij de plattelandsbevolking in hooge eere deed blijven. Toch breidde ook Paul de lijfeigenschap uit, door de schepping van eene nieuwe klasse van lijfeigenen, die der apanage-boeren: dat wil zeggen zij, die op de goederen, als apanage aan de prinsen van den bloede geschonken, waren gevestigd, en dus aan de onderscheidene leden der keizerlijke familie behoorden, zooals de kroonboeren tot bet kroondomein.

Onder Alexander I trad deze moeilijke kwestie eene nieuwe phase in, door de vestiging eener klasse van vrije boeren: maar de oorlogen in zijne regeering lieten hem tijd noch gelegenheid om eene maatschappelijke omwenteling van zoo ingrijpenden en ernstigen aard tot stand te brengen; na verloop van weinige jaren verkeerden deze vrije boeren weder in denzelfden toestand als vroeger. Nikolaas was van nature weinig hervormingsgezind; de oude, streng behoudende geest leefde in hem; en hij breidde het stelsel van lijfeigenschap nog meer uit, door al de vrije boeren, kolonisten, mijnwerkers, houthakkers, onder het rechtstreeksch toezicht van den staat te plaatsen. Elke plattelandsbewoner, die geen eigen meester had, werd daardoor een kroonboer.

Sedert het einde der regeering van Iwan (1598) tot den dood van Nikolaas (1855), had iedere Rus, die zijn vaderland liefhad en zijn gevoelen dorst uitspreken, zijne stem verheven tegen de toenemende misbruiken van het stelsel van lijfeigenschap, als iets, dat in vroeger, gelukkiger tijden bij zijn volk onbekend was. Iedere opgeworpen pretendent, iedere stoutmoedige rebel, die de wapens tegen den souverein opvatte, schreef in zijne banier de leus van vrijmaking der lijfeigenen. Reeds in 1670 vaardigde Stenka-Razin, in zijn kamp bij Astrakhan, eene proclamatie uit, waarvan de eerste twee artikelen, de onttrooning der regeerende dynastie en de bevrijding der lijfeigenen behelsden. De aanvoerder van een vrij wat geduchten opstand, Pugatcheff, schafte, honderd jaar later, in 1770, openlijk de lijfeigenschap af, ontsloeg de boeren van alle verplichtingen jegens hunne heeren, en verzekerde hun het vrije bezit van hun land. Pestel en de saamgezworenen van 1825 hadden evenzoo de afschaffing der lijfeigenschap bovenaan op hun programma geschreven.

Daags vóór hij, op het Sint-Izaäksplein, den dreigenden opstand verpletterde, had keizer Nikolaas eene geheime commissie benoemd, die hem verslag moest doen over den maatschappelijken toestand des rijks, bepaaldelijk met het oog op de lijfeigenen. Op grond van de resultaten van dat onderzoek, ontwierp de keizer in de jaren 1828 en ’29, eene gansche reeks van besluiten, waarbij hij eene klasse van eereburgers (geen leden van een gilde) in het leven riep, en de boeren vrij verklaarde van hunne heeren. Deze besluiten werden nimmer uitgevaardigd; toen, na de uitbarsting, de kalmte in de gemoederen was wedergekeerd, achtte de keizer de hervormingen niet zoo dringend noodig. De kort daarop gevolgde Juli-omwenteling in Parijs deed hem geheel en al van zijn voornemen terugkomen. Hij liet de heeren ten ernstigste vermanen, dat zij hunne boeren en lijfeigenen als christenen moesten beschouwen en behandelen, en van hen niet meer dan drie dagen in de week heerediensten mochten vorderen, gelijk reeds door keizer Paul was bepaald. Daarmede meende hij aanvankelijk genoeg gedaan te hebben: zijn emancipatie-edikt bleef in de portefeuille.

In de laatste jaren zijns levens kwelde deze geduchte kwestie keizer Nikolaas dag en nacht. In spijt van zijn talrijk, wel uitgerust leger, gevoelde hij dat de lijfeigenschap een gevaar voor zijn rijk opleverde en zijne kracht verlamde, die toch reeds geknot werd door de groote kerkelijke scheuring tusschen Orthodoxen en Oud-geloovigen. In welke mate het rijk door deze twee innerlijke kwalen verzwakt werd, dit begreep en erkende hij misschien eerst ten volle in de laatste dagen van zijn merkwaardig leven. Naar men zegt, riep hij zijn zoon op zijn sterfbed tot zich; verhaalde hem wat hij gedaan en wat hij nagelaten had; en drukte hem op het hart, den aangevangen arbeid te voltooien.

Het mocht echter een geluk heeten voor de lijfeigenen, dat Nikolaas hen had laten wachten. Het ontwerp van emancipatie, onder de oogen des keizers opgesteld, was noch naar den geest, noch naar de letter, nationaal: het was veeleer een duitsch staatsstuk, uitgaande van de valsche stelling, dat de lijfeigenschap niets anders was dan de oud-feodale eigenhoorigheid, onder een anderen naam. Nikolaas ging, in verband daarmede, van het beginsel uit, dat de lijfeigene zijne persoonlijke vrijheid herkrijgen moest, maar dat de eigendom van den grond aan den heer moest blijven.

Toen Alexander II den troon beklom (1855), verwachtten zoowel de edelen als de boeren van hem een grooten en doortastenden maatregel. De boeren vertrouwden den nieuwen keizer; de edelen wantrouwden en vreesden hem. Een panische schrik beving de landheeren. „Wat, zoo riepen zij, gaat gij ondernemen? en waartoe zal dat leiden? Het land is aan verwarring ten prooi: onze eigendommen zullen vernield worden. Zie die boerenkinkels eens aan, die gij vrij maken wilt! Zij kunnen lezen noch schrijven; zij hebben noch kapitaal, noch krediet, noch ondernemingsgeest. Als zij niet bidden, drinken zij zich dronken. In de poolsche provinciën moge zulk eene hervorming heilzaam en wenschelijk zijn, in het hart van Rusland nooit!”—De regeering liet zich door dien opstekenden storm niet van haar weg afbrengen; zij sprak woorden van vrede en verzoening, en trad tevens krachtig handelend op; de keizer herhaalde aan ieder die hem hooren kon, dat het groote gevaar lag, niet in te veel te doen, maar in niets te doen. Zijne meening vond ingang, en won langzamerhand veld.

Uit verschillende provinciën kwamen adressen in. Adviseerende commissiën werden benoemd, en de keizer deed zijn best om de bekwaamste en vrijzinnigste mannen voor zijn plan te winnen, en aan de uitvoering te doen medewerken. Nadat op die wijze de publieke opinie was voorgelicht en voorbereid, werd eene hoofdcommissie benoemd, die te Petersburg zitting hield, bestaande uit de ministers van staat en uit eenige leden van den keizerlijken rijksraad; de keizer zelf nam het voorzitterschap dezer commissie op zich. Bovendien werd nog een tweede collegie ingesteld, de commissie van rapporteurs genoemd, onder voorzitterschap van graaf Rostowtcheff, een der geamnestiëerde opstandelingen van 1825. De hoofdcommissie bestudeerde de beginselen, die aan de emancipatie ten grondslag moesten liggen; de commissie van rapporteurs onderzocht en rangschikte de feiten. Niet minder dan achttien deelen, vol cijfers en tabellen, werden gedrukt; en de resultaten van het veelomvattende onderzoek nedergelegd in een wetsontwerp.

Toen deze voorbereidende arbeid was afgeloopen, werden gedelegeerden uit de verschillende provinciën, door de collegiën der edelen gekozen, naar de hoofdstad ontboden om dit rapport te onderzoeken. Deze provinciale gedelegeerden deelden hunne bedenkingen schriftelijk aan de commissie van rapporteurs mede; en de nieuwe of veranderde bepalingen, die zij noodig achtten, werden, in den vorm van een gewijzigd ontwerp, aan den keizer en de hoofdcommissie onderworpen.

Tot dusver hadden alleen de edelen en landheeren hunne meening omtrent het wetsontwerp kenbaar gemaakt; zij hadden, bij de vaststelling, alleen hunne eigene belangen geraadpleegd en de bijzondere zienswijze van hunne klasse gevolgd. Het recht van den lijfeigene op persoonlijke vrijheid werd erkend, maar van aanspraak op grondbezit werd niet gerept. Vrijheid zonder land—dit was het wachtwoord van alle belanghebbende partijen in de hoogere standen; en het was volstrekt geen geheim, dat het in portefeuille gebleven ontwerp van den vorigen keizer ook op ditzelfde beginsel rustte. Hoe zou een vergadering van landheeren, bevende voor hunne inkomsten, ook anders hebben kunnen adviseeren? „In vredesnaam dan de emancipatie, als het zoo zijn moet—spraken zij zuchtend;—maar de emancipatie zonder grondbezit.” De provinciale gedelegeerden vooral waren op dit punt onverzettelijk; de commissie van rapporteurs huldigde ditzelfde beginsel in haar wetsontwerp, dat aan de hoofdcommissie werd ingezonden. Men beriep zich op het voorbeeld van Engeland, Frankrijk en Duitschland; en aangezien de vazallen en hoorigen in die landen, bij hunne vrijmaking, geen stuk gronds in eigendom hadden verkregen, werd besloten dat ook de geëmancipeerde lijfeigenen dit niet zouden bekomen. Ook de hoofdcommissie vereenigde zich met het aldus gewijzigde wetsontwerp.

Maar de eindbeslissing stond gelukkig aan den keizer. Hoeveel riemen papier de rapporteurs en adviseurs ook vol schreven, de tsaar wist het wel, dat acht-en-veertig millioen zijner onderdanen tot hem, als tot hun vader, opzagen, en van hem alleen recht en hulp verwachtten; en dat van die acht-en-veertig millioen ieder man even vast overtuigd was van zijne wettige aanspraak op den grond, als van het recht des keizers op de kroon. Hij begreep dat vrijheid alleen, zonder de middelen om te kunnen leven, voor de boeren een noodlottig geschenk zou zijn. Niet willende dat eene heilzame, populaire hervorming zou uitloopen op eene onvruchtbare en noodlottige volksbeweging, weigerde hij zijne toestemming te geven aan een maatregel, die den boer tot armoede en gebrek zou doemen, onder voorwendsel van hem vrij te maken. Des keizers beginsel was: vrijheid met grondbezit; en dit juist en voortreffelijk beginsel hield hij staande tegenover zijne oudste en beste raadslieden.

Tegenover de besluiten der commissiën, bleef den keizer slechts één weg open: beroep op een hooger collegie. Sommige leden van de hoofdcommissie, de bedoeling huns meesters kennende, hadden tegen het ontwerp gestemd; de keizer bracht nu de zaak voor den vollen rijksraad, omdat eene kwestie van zoo overwegend gewicht niet in eene ondergeschikte vergadering, bij eenvoudige meerderheid van stemmen, mocht worden uitgemaakt. Opnieuw stuitte hij op zelfzuchtige berekeningen. De rijksraad bestaat uit prinsen, graven, ministers, generaals—meest bejaarde mannen, die hunne carrière hebben gemaakt, weinig van het hof meer hebben te verwachten, en zeer gehecht zijn aan het behoud hunner goederen en inkomsten. Zij verklaarden zich tegen den keizer en de lijfeigenen.

Maar juist toen alles verloren scheen, bleek alles gewonnen. Zoolang de volle rijksraad nog geen uitspraak had gedaan omtrent de voorstellen der commissiën, wilde de keizer geen gebruik maken van zijn absoluut gezag, al ware het ook om zijn land te redden; maar op denzelfden dag der stemming verklaarde hij, uit de volheid zijner souvereine macht, dat het beginsel van vrijheid met grondbezit den grondslag zou uitmaken van zijn emancipatie-wet.

Op den 3den Maart 1861 (19 Februari, oude stijl), werd het edikt geteekend.

De landbouwende bevolking bestond toen uit twee-en-twintig millioen gewone boeren of lijfeigenen, drie millioen apanageboeren, en drie-en-twintig millioen kroonboeren. Het edikt van 1861 had alleen betrekking op de eersten; eene bijzondere wet werd later ten gunste der kroon- en apanageboeren uitgevaardigd, die nu metterdaad even vrij zijn als zij vroeger alleen in naam vrij waren.

Aan ieder „hoofd” werd een stuk lands, verschillend in de onderscheidene provinciën, naar gelang van de gesteldheid van bodem en klimaat, toegewezen; de heeren moesten dat stuk lands, tegen een bepaalden prijs, afstaan; en om de overneming van hunne woningen en aangewezen gronden voor de boeren gemakkelijker te maken, werd hun vanwege de regeering, op zeer billijke voorwaarden, een voorschot aangeboden. De boeren maakten van dit aanbod ijverig gebruik. Voor 1 Januari 1869 had reeds de grootste helft der vrijverklaarde boeren, te dien einde de hulp van het gouvernement ingeroepen; en het totaal cijfer dezer door de kroon voorgeschoten gelden, die door de boeren moeten worden terugbetaald, is tot een hoogst aanzienlijk bedrag gestegen.

Nu men eenmaal als grondslag van de emancipatie het beginsel had aangenomen, dat de vrijmaking met toekenning van grondbezit moest gepaard gaan, lag het in den aard der zaak, dat men ook bedacht moest zijn op de noodige waarborgen om te voorkomen dat de boer weder tot zijn vroeger zwervend leven terugkeerde. Niemand kon met zekerheid weten, in hoever de lijfeigenen nu werkelijk genezen waren van die nomadiseerende gewoonten, die tot de vestiging der lijfeigenschap aanleiding hadden gegeven. Niet zonder eenige ongerustheid vroeg men zich af, of de vrijgemaakte boer zich nu ook aan de wet en de maatschappelijke orde zou onderwerpen; en het werd noodig geacht, eenige regelen vast te stellen, ten einde eene herhaling van de wanorde en regeeringloosheid te voorkomen, die ten tijde van Boris Godounoff en Peter den Groote, de kroon gedwongen had strenge maatregelen te nemen tot kolonisatie van het land. De voornaamste dezer bepalingen laat ik hier volgen.

Wil een boer van woonplaats veranderen, dan moet hij, vooreerst, voor altijd afstand doen van het hem toekomend aandeel in de gemeentegronden. Weigert de gemeente zijn aandeel over te nemen, dan moet hij het aan den landheer afstaan. Voorts moet hij voldaan hebben aan alle verplichtingen, die ten aanzien van de militaire dienst op hem rusten, en niet alleen alle achterstallige rijks- en plaatselijke belastingen hebben voldaan, maar ook het verschuldigde over het loopende jaar. Verder moet hij zich behoorlijk gekweten hebben van alle persoonlijke verplichtingen en verbindtenissen, wettiglijk tegenover derden aangegaan, en geen rechterlijk vonnis of aanklacht tot zijn last hebben. Hij moet al verder zorg dragen voor het onderhoud van al die leden zijner familie, die in de gemeente achterblijven, en die nog niet of niet meer in hun eigen onderhoud kunnen voorzien; en voorts alle achterstallige renten voor zijn grond aan den landheer hebben aangezuiverd. Eindelijk moet hij een schriftelijk bewijs overleggen, waaruit blijkt dat eene andere gemeente hem als lid wil opnemen, of dat hij eigenaar geworden is van een stuk lands, gelijkstaande met tweemaal zijn aandeel, in de onmiddellijke nabijheid der genoemde gemeente. Deze bepalingen, die slechts voorloopig van kracht zijn, werden voldoende geacht om den boer aan zijne woonplaats te verbinden. Of zij inderdaad den boer van zijne ingewortelde voorliefde voor een zwervend leven zullen afbrengen,—ziedaar eene vraag, waarop alleen de tijd een afdoend antwoord geven kan.

Als bij al dergelijke groote hervormingen, toonden zich ook hier de belanghebbende partijen aanvankelijk het minst voldaan. De lijfeigenen hadden te veel gekregen, beweerde de een; de heeren hadden te veel behouden, klaagde de ander. In verscheidene provinciën wilden de boeren niet naar de voorlezing van het keizerlijk edikt in de kerk luisteren. Zij beweerden dat de pope hen misleidde; dat hij, door de edelen omgekocht of verschrikt, den tsaar verried, en hun een valsch stuk voorlas, door de heeren opgesteld. Dwepers en bedriegers maakten van deze stemming gebruik, om oproer te stoken; en hier en daar, vooral in de vroegere poolsche provinciën, barstten inderdaad meer of minder ernstige opstanden uit, die met kracht moesten worden onderdrukt.

Met name was dit het geval in de welvarende provincie Penza, waar een onbekende, naar men zegt een zekere Egortsoff, van de sekte der Melkëters, zich voor den grootvorst Konstantijn, den broeder van keizer Nikolaas, uitgaf. De gewaande grootvorst plantte de roode vlag, verzamelde talrijke troepen boeren, en vervulde de gansche landstreek met schrik en ontsteltenis. De opstandelingen werden door de militaire macht uiteengedreven, en strenge strafoefeningen volgden; maar toch werd de rust niet hersteld, voordat de keizer zelf zich in de provincie vertoonde. Hij ontbood de oudsten van de omliggende dorpen, en sprak tot hen eenige wijze en troostrijke woorden. „Ik heb u al de vrijheden geschonken, die u bij de wet zijn gewaarborgd; maar ik heb u geene andere vrijheden gegeven, die niet in de wet zijn genoemd.” Het was waarschijnlijk wel voor het eerst, dat de boeren vernamen, dat de wil des keizers door de wet beperkt was.

XX.

Heeren en Dienaars.

In het russische rijk leven twee volken, twee verschillende nationaliteiten nevens elkander: en dat niet slechts in eene enkele provincie, in sommige steden, maar in alle provinciën, en in bijkans alle steden. Overal vinden wij een hooger en een lager ras, eene vreemde en eene inlandsche bevolking; en bijna overal behooren de meesters en heeren tot het vreemde, de dienaren en ondergeschikten tot het inlandsche ras.

Op het platteland en in de boschrijke streken valt deze scheiding niet zoo sterk in het oog als in de steden. Wel vinden wij hier en daar een vreemden grondbezitter, maar dit is toch altijd eene uitzondering; als algemeene regel kan men aannemen, dat de steden, in zekeren zin, aan de Duitschers behooren, terwijl het platteland, over het geheel genomen, het eigendom der Russen is. De handel, de nijverheid, de kunst, de wetenschap, de macht van Rusland:—dit alles was door de wet zelve aan de zorg en hoede der vreemdelingen toevertrouwd; de Russen zelf, ook wanneer zij geen lijfeigenen waren, bekleedden toch altijd een ondergeschikten rang, en eerst in onze dagen—na den Krimoorlog—is de regeering, om zoo te zeggen, de natuur te hulp gekomen, om Rusland weder voor de Russen te herwinnen.

De regeerende dynastie is van vreemden oorsprong. Dit nu is een zeer gewoon verschijnsel: de beschaafdste en machtigste rijken der wereld worden geregeerd door vorsten, uit vreemde landen afkomstig. Te Londen is de regeerende familie van hannoverschen oorsprong; te Berlijn stamt zij uit Zwaben; te Parijs was zij laatstelijk uit Korsika; de oostenrijksche Habsburgs zijn uit Zwitserland afkomstig; de koninklijke familie van Denemarken stamt uit Holstein, die van Zweden uit Frankrijk, die van België uit Koburg, die van Nederland uit Duitschland, die van Griekenland uit Denemarken, Uit het feit, dat de russisch-keizerlijke familie uit het huis van Gottorp is gesproten, zou dus geen bijzondere gevolgtrekking ten aanzien van de innerlijke verhoudingen des lands zijn te maken: ware het niet, dat de russische boer bovendien nog andere redenen had, om zijn souverein, niet alleen wat zijne afkomst, maar ook wat zijne denkwijze en gezindheid betreft, als een vreemdeling te beschouwen. De twee heerschers, wier beeld het diepst in zijne ziel is geprent, Iwan IV en Peter de Groote, lieten geene gelegenheid voorbijgaan om goed te doen uitkomen, dat zij geen Russen waren.—„Let goed op het gewicht,” zeide Iwan tot een engelsch kunstenaar, wien hij eenige gouden staven ter bewerking gaf;—„let goed op bet gewicht—want de Russen zijn al te gader dieven.”—De Engelschman lachte.—„Waarom lacht gij?” vroeg de tsaar.—„Mij dunkt, als uwe majesteit al de Russen dieven noemt, dan vergeet zij toch dat zij zelf een Rus is.”—„Hei wat!” hernam de tsaar: „ik ben een Duitscher, en geen Rus.”—Peter maakte volstrekt geen geheim van zijne minachting voor alles wat echt moskovisch was. Hij sprak duitsch, en kleedde zich naar duitsche manier. Hij schoor zijn baard af, en kapte zich op duitsche wijze. Hij bouwde eene duitsche stad, die hij tot de hoofd- en residentiestad maakte, en waaraan hij een duitschen naam gaf. Hij was een liefhebber van eene duitsche pijp en van duitsch bier. Het nieuwe rijk, waarvan hij de stichter wilde zijn, stelde hij zich voor als een duitschen staat, met havens zooals Hamburg, steden zooals Frankfort en Berlijn; en in zijne getrouwe Russen zag bij niet veel meer dan eene horde barbaren, die hij moest beschaven en omscheppen in hollandsche en duitsche boeren en werklui.

De armenische patriarch van Traakhishewan, bij de zee van Azof.
De armenische patriarch van Traakhishewan, bij de zee van Azof.

De armenische patriarch van Traakhishewan, bij de zee van Azof.

Voor den keizer, zelf een vreemdeling, was de vreemdeling de vertegenwoordiger der beginselen van orde, vrede en vooruitgang; de ingeborene daarentegen gold als de type van verspilling, wanorde en stilstand. Vandaar dat de regeerende dynastie al de volheid harer gunstbewijzen over de Duitschers heeft uitgestort; terwijl de Russen doorgaans op geene andere wijze met hunne regeering kennis maakten, dan door tusschenkomst van den ontvanger der belastingen en den commissaris van politie. De tegenstelling was zoo sterk, dat zij aanleiding gaf tot allerlei satires en spotternijen. Eens vroeg de keizer aan iemand, die hem eene dienst bewezen had, welke belooning hij begeerde. „Als Uwe Majesteit een Duitscher van mij maken wil, dan volgt de rest wel van zelf;”—antwoordde de ander.

Bijna al de ministers, gezanten, staatslieden, kamerheeren, waren Duitschers van geboorte of afkomst; en wanneer, bij uitzondering haast, eene gewichtige betrekking aan een Rus werd toevertrouwd, dan was dit toch altijd nog meer in het leger, dan bij de diplomatie of in de regeering. De Duitscher is, over het algemeen, beter ontwikkeld en onderwezen dan de Rus; hij is vertrouwd met kunsten en wetenschappen, waarvan men onderstelt dat de inboorling geen begrip heeft, en ook nooit krijgen zal, omdat die hoogere ontwikkeling wordt geacht buiten zijn bereik te liggen. Peter vaardigde zelfs een edikt uit, waarbij de uitoefening van sommige beroepen en bedrijven uitsluitend aan de Duitschers werd voorbehouden. Zoo mocht een Rus, bij voorbeeld, geen apotheker zijn, uit vrees dat hij zijn klanten zou vergeven; noch ook schoorsteenveger, opdat hij geen brand zou stichten.

Zulke verbodsbepalingen zijn later wel ingetrokken, maar wat de wet afschafte, bleef toch in menig opzicht van kracht, gehandhaafd door een hooger macht dan die van keizer of minister, door de macht der gewoonte. Geen Rus zal uit handen van een landgenoot zijn dosis rhabarber of zijn kininepillen aannemen: hij stelt hoegenaamd geen vertrouwen in diens bekwaamheid en nauwgezetheid. Een Rus kan een uitmuntend geneesheer zijn, want hij is scherpzinnig, heeft eene groote gave van opmerking en een gevoelig, medelijdend hart; maar het schijnt wel, dat alle geleerdheid en tact niet voldoende is, om hem geschikt te maken voor het moeilijk vak van artsenijmenger. Hij is te driftig, te brusk, en heeft geen geduld om, met een loup gewapend, de bijkans onmerkbare slingeringen van een balans na te gaan. Op een grein of wat meer of minder komt het er, volgens hem, niet aan. In Moskou, waar de oud-nationale, panslavistische geest zeer sterk is, hoorde ik van meer dan één geval, waarin de wensch om een inlandschen apotheker te begunstigen, den onvoorzichtigen patriot een ontijdigen dood had berokkend.

„Het is onmogelijk eene russische meid te leeren, zeide eene dame die mij over hare dienstboden sprak. Dat meisje, dat ge daar zooeven gezien hebt, is voor haar doen zeer goed en bekwaam; het werk is haar nooit te veel; nooit zal ze over iets klagen; des zondags en op heilige dagen gaat zij getrouw naar de mis; en zij zou liever van honger sterven, dan in de vasten eieren of melk te gebruiken. Maar ik kan het niet van haar gedaan krijgen, dat zij, op engelsche manier, de wasch doet, de kamer schoonmaakt of de tafel dekt. Als ik haar wijs, hoe zij het doen moet, dan zegt zij, met een ernstig gezicht, dat in haar land het gebruik zus of zóó is; en wanneer ik er op blijf staan, dat bij mij in huis de zaken gedaan zullen worden, zooals ik het verlang, dan onderwerpt zij zich, met een soort van stil protest, en loopt de deur uit om haar ouders en haar pope te vertellen, dat hare engelsche meesteres door een boozen geest gedreven wordt.”

De vreemdelingen, die in Rusland zoovele aanzienlijke en gewichtige betrekkingen bekleeden, en in zekeren zin de intellektuëele aristokratie des lands vormen, worden te Berlijn niet als echte Duitschers beschouwd. Zij zijn afkomstig uit de Oostzee-provinciën, uit Lijfland en Lithauen; maar, naar hun beweren, stammen zij niet af van de Letten en Wenden, de oorspronkelijke bewoners des lands, maar van de oude duitsche ridders, die deze destijds heidensche streken veroverden. Wat hiervan zij: hunne energie, hunne bekwaamheid en hun invloed zijn ontwijfelbaar groot. Reeds lang voor Peter den Groote hadden zij zich in het land eene vaste positie weten te verwerven; onder Peter werden zij inderdaad heeren en meesters; en sedert dien tijd hebben zij zich voortdurend beijverd, de inboorlingen te onderwerpen en te beschaven, op dezelfde wijze als hunne voorouders in Oost- en West-Pruisen de oude heidensche Letten en Finnen beschaafden.

Toch bestaat er geen band van liefde en genegenheid tusschen deze vreemden en de landskinderen, tusschen de heeren en de dienaars. De beide rassen hebben niets gemeen; noch het bloed, noch de taal, noch het geloof; zij verschillen van elkander, als het Westen van het Oosten. Een Duitscher laat zijn haar, zijn baard en knevels knippen; hij draagt een hoed en schoenen, en kleedt zich in zacht, warm laken. Hij ontkleedt zich, eer hij zich ter ruste legt, en slaapt liever in een bed, dan zijn lichaam half te verbranden op een kachel. Hij wascht zich minstens eens per dag, drinkt geen brandewijn, en is een liefhebber van zuurkool. Een Duitscher gelooft in de wetenschap, een Rus gelooft in het noodlot; de een neemt de ondervinding tot gids en leiddraad, de ander geeft zich blindelings over aan de leiding van onzichtbare machten. Wordt het kind van een Duitscher ziek, dan laat de vader den dokter komen; wordt een russisch kind ziek, dan roept de vader zijn beschermheilige aan. In de noordelijke streken, waar het wemelt van wolven, drijft de vreemdeling, bij het vallen van den avond, zijne schapen naar de kooi; maar de Rus zegt: een schaap is geboren om door wolven verslonden te worden of niet; en iedere poging om in dit vooraf bepaalde lot verandering te brengen, staat gelijk met opstand tegen God. Een Duitscher is boven alles een man van orde en methode; hij kent de waarde van schijnbare kleinigheden en wijdt daaraan zijne aandacht. Zijne ondervinding heeft hem geleerd, de verschillende bekwaamheden en neigingen des menschen te onderkennen; hij weet dat de een geschikt is om rijtuigen te maken, terwijl een ander een gedicht kan schrijven, en een derde troepen kommandeeren of een schip besturen. Hij stelt hoogen prijs op orde en regelmatigheid en nauwgezetheid in zijn zaken. Hij staat des morgens vroeg op, en gaat laat naar bed; met een pijp in den mond, een glas bier naast zich, een bril op zijn neus, werkt hij onvermoeid zestien uren op een dag, zonder ooit te morren of te klagen. Hij verlaat zelden zijn lessenaar, en verliest nooit den eerbied uit het oog, dien hij zijn meerderen verschuldigd is. Is hij in een post van vertrouwen geplaatst, dan is hij de eerlijkheid in persoon; zelfs in Rusland is het eene groote zeldzaamheid, dat een Duitscher zich laat omkoopen; en zijne eigene onkreukbare nauwgezetheid maakt hem hard en streng tegenover den man, dien hij reden meent te hebben, van minder onbuigzame eerlijkheid te verdenken. En ook nog in anderen, hoogeren zin, is de Duitscher een onoplosbaar raadsel in het oog zijner onderhoorigen. Met al zijn zucht en hartstocht voor orde, stiptheid en werktuigelijke regelmatigheid, met al zijn praktischen zin, is deze man tevens een droomer, een idealist, die, als het er op aankomt, eene mate van teederheid, van fijn, echt ridderlijk gevoel, van geestdrift, toont te bezitten, waarvan de Rus geen besef heeft.—Een Rus, daarentegen, is juist het omgekeerde. Ook hij is een zeer positief man, en tegelijk een idealist, vol illusiën: maar hij is positief en dogmatisch op het gebied der ideeën, en zijne illusiën hebben betrekking op zijn dagelijksch leven en verkeer. Ondanks de blijkbare overdrijving, is er toch wel waarheid in het gezegde, dat een Rus nooit droomt..... behalve wanneer hij goed wakker is!

Laat ons twee werkplaatsen, twee linnenweverijen, een duitsche en een russische, bezoeken, in een der groote binnenlandsche steden aan eene of andere rivier.

In de russische fabriek behooren de meester en zijne werklieden tot hetzelfde ras; hunne levenswijze, hunne manier van denken en gevoelen en handelen is dezelfde. Zij eten aan dezelfde tafel, en gebruiken met elkander dezelfde spijzen. Allen laten hun haar en baard groeien, en dragen hetzelfde fatsoen van kaftan en laarzen; zij spelen met elkander op het dambord of whist; zij drinken te zamen brandewijn en kwas; zij knielen voor hetzelfde altaar, kussen hetzelfde kruis, en belijden hunne zonden aan denzelfden priester. Drinkt een der gezellen zich des Zondagsavonds dronken, dan wordt hem dit, noch door zijn makkers, noch door den patroon, erg kwalijk genomen. Hoe licht kunnen zij niet in hetzelfde geval verkeeren? Slaat de meester een zijner werklieden, dan moeten zij dit onder elkander uitmaken. De man zal zich geduldig laten slaan, of wel hij zal een stok grijpen en zich verweren. Dat zijn echter huiselijke zaken, waarmede het niemand in den zin komt de overheid te bemoeien.

In de duitsche fabriek vinden wij veel meer orde, en een meester met een geschoren kin. Die meester mag een vriendelijk en rechtschapen man zijn, maar hij is een vreemdeling, en handhaaft eene strenge tucht. In zijne oogen, gaat het belang der zaak boven alles; de belangen der werklieden komen eerst daarna in aanmerking. Hij eischt dat men op het bepaalde uur tegenwoordig zij, en zonder ophouden den gezetten tijd doorwerke. Hij houdt zijne manschappen aan den arbeid; hij geeft den Maandag niet vrij, omdat zij ’s Zondags te veel gedronken hebben, en duldt niet dat zijne werklieden die woeste rooverliederen zingen, waarvan de Russen zoo bijzonder veel houden. Blijven zijne gezellen weg, dan houdt hij hun daggeld in, en staat niet toe, dat zij des nachts inhalen, wat zij over dag verzuimen. In geval van nood, roept hij de hulp in der politie.

De beide rassen staan ieder op zichzelf. In het russische rijk vindt men een honderdtal duitsche volkplantingen: oude en nieuwe, landbouwende en godsdienstige koloniën. In deze dorpen is alles even netjes en zindelijk; de wegen worden goed onderhouden; de huizen zijn goed gebouwd; de tuinen met zorg en smaak aangelegd. De wagens zijn beter gemaakt, de paarden worden beter opgetuigd en bestuurd, het koren en graan beter geborgen en verzorgd dan bij de inboorlingen. Toch oefent de duitsche kolonie geen merkbaren invloed op het russische dorp uit; een inlandsch gehucht, op niet meer dan een mijl afstand van zulke nederzettingen als Strelna of Sarepta verwijderd, zal misschien nog smeriger en achterlijker wezen, als om het contrast te beter te doen uitkomen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings