Het Vrije Rusland. (continued 2)
Reading edition
Sint-Savatius was monnik in het klooster van Belozersk te Nowgorod. Onvoldaan met den leefregel in zijn klooster, naar strenger tucht en meer volledige afzondering verlangende, wist hij een zijner medebroeders, Valaam geheeten, te overreden, hem te volgen naar de onherbergzame wildernissen langs de oevers der IJszee. De krijgshaftige bojaren ondernamen juist in dien tijd telkens nieuwe veroveringstochten naar het noorden: wat zij deden om glorie en voordeel, wat de kooplieden deden uit winzucht, zouden godvreezende mannen dat niet kunnen doen ter liefde van Christus? Na den nacht, voor het altaar geknield, in gebeden te hebben doorwaakt, togen dezen edelen en kooplieden naar hun aartsbisschop, en spraken tot hem: „Vergun ons, o vladika! heen te gaan, ruiter en ros, om nieuwe landstreken voor Sinte-Sophia te veroveren; en geef ons uwen zegen!”—En de aartsbisschop gaf zijn zegen: en zij trokken heen vol nobele geestdrift, om te Kem, te Soumo, te Sorozka en op vele andere punten, nieuwe koloniën te stichten, die de macht en de welvaart van het heerlijke Nowgorod hielpen vermeerderen. De groote daden der bojaren wekten bij Savatius de vurige begeerte op, hun voorbeeld te volgen, en op zijne beurt het zaad des levens te gaan strooien in de huilende wildernis, waarheen zij den weg hadden gebaand.
Savatius en Valaam namen den staf op en trokken door onbetreden wouden en naakte zandwoestijnen, altijd naar het noorden, tot zij, ten jare 1429, aan de oevers van de Wyg kwamen, waar zij een monnik vonden, Germanus genaamd, die mede uit het zuiden was gekomen. Alle drie richtten zich nu naar het oosten, en bereikten den oever der Witte-zee, vanwaar zij een eenzame eilandengroep uit de onstuimige wateren zagen opdoemen; zij bouwden nu eene lichte boot, om den zeearm over te steken, die hen van deze groep scheidde. Savatius en Germanus landden aan het grootste eiland, en hielden stil aan den zoom van een klein meer, aan den voet van een met dennen en berken beplanten heuvel. Van den top diens heuvels konden zij de gansche eilandengroep, en den breeden zeeboezem, van kaap Orloff tot de hooge kusten van Kem, overzien.
Savatius had eene beeltenis van de heilige-maagd medegebracht, die hij in eene eenvoudige, van planken getimmerde kapel ophing. Daarnevens bouwde hij voor zich en zijn metgezel een rieten hut, waarin zij te zamen een heilig en vreedzaam leven leidden, aan gebed en vrome overdenking gewijd. Na verloop van zes jaren, keerde Germanus naar de oevers van de Wyg terug. Savatius, alleen op zijn eiland te midden van den oceaan achtergebleven, kon de gedachte niet verdragen dat geen priester aan zijn sterfbed zou staan om hem de biecht af te nemen en na zijn dood in gewijde aarde te begraven. Hij zette zich dus in zijne boot, en kwam naar Sorozka, waar vader Nathanaël de prior, die zich bij toeval juist aldaar bevond, hem ontving en de laatste sakramenten toediende. De vrome kluizenaar had zijne taak hier op aarde voleind: hij legde zich neder om te sterven.
Het lijk werd in de zandige velden van Sorozka ter aarde besteld, en op zijn graf verrees eene eenvoudige kapel van dennenstammen, aan de heilige-drie-eenheid toegewijd. Sint-Savatius zou waarschijnlijk voor altijd daar eene vergeten rustplaats hebben gevonden, indien niet een ander man, van doorzettend en ondernemend karakter, zijne schreden naar deze plek had gericht.
Een moedig burger van Nowgorod, Gabriël genaamd, had zich met Barbara zijne vrouw, in het pas gestichte dorp Tolvoi, nabij het meer Onega, gevestigd. Deze lieden hadden een zoon, Zosimus geheeten, die, van zijne kindsheid Gode gewijd, reeds als knaap de klooster-gelofte had afgelegd. Toen Zosimus den jongelingsleeftijd bereikt had, verdeelde hij zijne goederen onder zijne nabestaanden, nam den pelgrimsstaf ter hand, en richtte zijne schreden naar het noorden. Te Suma ontmoette hij Germanus, die hem verhaalde, hoe hij zes jaren lang, met Savatius, op zijne rots midden in de zee, als kluizenaar had geleefd. Zosimus, door dit verhaal levendig getroffen, bad Germanus hem de plek te wijzen, waar hij en Savatius zoo vele jaren in stille afzondering hadden doorgebracht. Germanus gaf toe: een gunstigen wind voerde de beide reizigers, in hunne ranke boot, naar het eiland, waar zij in eene kleine baai aan wal stapten. De oever was met hoog geboomte bezet, en weldra ontdekten de beide pelgrims, in de nabijheid der kust, een helder meer van zoet water, rijk aan visschen van allerlei soort.
Terwijl Zosimus op het strand geknield lag, had hij een verrukking van zinnen. Aan den oever van dat bevallige, schilderachtige meer zag hij, als in geestvervoering, eene indrukwekkende reeks statige kloostergebouwen met torens en koepels gekroond. Toen het gezicht verdwenen was, sprak hij met zijn vriend Germanus over dit verrukkelijk visioen: hij beschreef hem, tot in de kleinste bijzonderheden, het voorkomen en de verdeeling der gebouwen, met hunne muren en poorten, hunne torens en tinnen en koepels: in één woord, het gansche klooster, in al zijne heerlijkheid. De vrome reizigers twijfelden geen oogenblik aan de beteekenis van dit gezicht: zij velden aanstonds een boom, en hieuwen daarvan een groot kruis, dat zij in den grond plantten. Aldus werd het groene eiland—eene oasis te midden van de IJszee—plechtiglijk gode gewijd. Dit geschiedde in 1436, een jaar na den dood van Savatius.
De twee kluizenaars bouwden zich nu hutten, in de nabijheid van het door hen geplante kruis. De plaats, waar deze hutten gestaan hebben, wordt thans nog door twee kapellen aangewezen.

Kluizenaars op Solowetsk.
Weldra ging het gerucht van deze vrome jongelingen uit door het omliggende land, en verspreidde zich van klooster tot klooster; al spoedig kwamen eene menigte monniken zich bij hen voegen, vol ijver om de kluizenaars te helpen in de heilige taak, die zij hadden aanvaard. Het duurde niet lang, of nevens het nederige kruis van dennenhout verhief zich eene eenvoudige kerk, en daar geen der pelgrims de priesterwijding ontvangen had, zonden zij een hunner naar den aartsbisschop van Nowgorod, om zijn zegen op hun werk te vragen, en hem tevens te verzoeken hun een priester te zenden, die de kerk kon wijden en de mis bedienen. De aartsbisschop gaf aan hun wenschen gehoor, en zond Pavel, zijn dienaar, naar Solowetsk; deze wijdde de kerk en bediende de heilige mysteriën der godsdienst; maar het ruwe klimaat dwong hem weldra, het opkomend klooster weder te verlaten. Hij werd opgevolgd door Theodosius, die weinige jaren te Solowetsk vertoefde, maar toen door ziekte genoopt werd den herdersstaf neder te leggen. Ditzelfde was ook het geval met Yon, den derden prior.

Het klooster op het eiland Solowetsk.
Na het vertrek van dezen laatste, hielden de monniken te zamen raad. Er waren nu ongeveer twaalf jaren verloopen, sedert Pavel de kerk had gewijd: en reeds hadden drie priors elkander in het bestuur over het klooster opgevolgd. De ondervinding had nu geleerd, dat mannen, die het grootste gedeelte huns levens in zuidelijker streken hadden doorgebracht, op den duur niet bestand waren tegen het ruwe klimaat van de Witte-zee. Zij besloten mitsdien den aartsbisschop te verzoeken, een uit hun midden tot prior te benoemen; en met algemeene stemmen kozen zij Zosimus, die altijd de ziel, en leider en het wezenlijke hoofd der kolonie was geweest, tot hun tijdelijk opperhoofd. Zosimus liet zich, op aandringen der broederen, de keuze welgevallen; hij nam den pelgrimsstaf ter hand en deed, te voet, de lange reis naar Nowgorod: een tocht van minstens driehonderd-vijftig mijlen, door eene landstreek, die toen, voor verreweg het grootste gedeelte, eene ongebaande wildernis was. Hij bereikte zonder ongeval de groote stad, en werd door den vladika tot priester gewijd; bovendien wist hij van de bojaren eene schenking van den archipel van Solowetsk aan het klooster te bekomen. Toen hij in het klooster terugkeerde, was hij met de dubbele waardigheid van pope en prior bekleed. Vergunning bekomen hebbende om de stoffelijke overblijfselen van Savatius, van Sorozka naar Solowetsk over te brengen, liet hij het lijk van den kluizenaar opgraven; het lichaam, dat nog geheel ongeschonden was, werd nu met groote staatsie naar het eiland vervoerd, en in de krypt der jonge kerk bijgezet. Zosimus regeerde als prior gedurende zes-en-twintig jaren, en stierf, door de broederen betreurd, in den reuk van heiligheid.
Dit meldt de overlevering aangaande de stichting van het klooster te Solowetsk.
Reeds voor mijn vertrek naar Archangel had ik van den bisschop een aanbevelingsbrief aan Feofan, den archimandriet (abt) van Solowetsk verzocht en verkregen, en dien vooruitgezonden. Nauwelijks was ik aan wal gestapt; of vader Hilarion, een monnik, die in het klooster zoo ongeveer de functiën van minister voor de wereldlijke aangelegenheden vervult, kwam mij, uit naam van den archimandriet, tot een bezoek uitnoodigen. Ik trok haastig andere kleederen aan, en begaf mij daarop, met hem en vader Johannes, naar de Heilige-poort. In het voorbijgaan werpen wij een blik op de modellen van het jacht en het fregat van Peter den Groote, die hier bewaard worden: wij beschouwen vluchtig eenige oude fresko’s, bestijgen een trap, en staan weldra voor de deur der woning van den archimandriet Feofan.
De archimandriet van Solowetsk is een aanzienlijk personage, die geen gezag in de kerk boven zich erkent, dan alleen dat der Heilige synode. Hij bewoont een paleis; hij geniet een jaarlijksch inkomen van vierduizend roebels; bovendien voorziet het klooster in de kosten zijner huishouding, zijner tafel, zijner kleeding, en zorgt voor het onderhoud zijner booten. Behalve zijn geestelijken titel voert hij nog dien van prins: hij bekleedt dus eene zeer hooge positie, en regeert, met bijna onbeperkt gezag, niet alleen over de lichamen, maar ook over de zielen zijner onderhoorigen.
Een klein mager man, met een ernstig sprekend gelaat, lange gekrulde haren en een zwaren baard, treedt ons tot aan de deur te gemoet. Zijn hoofd is gedekt met de gewone zwarte muts; op zijn eenvoudigen monnikstabbaard schittert een prachtig saffieren kruis. Dat is de archimandriet. Na vader Johannes zijn zegen geschonken en mij de hand gedrukt te hebben, geleidt hij ons naar eene kamer, met fraaie platen langs de wanden en zachte tapijten op den vloer; hij verzoekt mij plaats te nemen op een sofa nevens hem, terwijl de beide monniken zich op eenigen afstand houden.
De ontvangst is zoo vriendelijk mogelijk; de woning, het rijtuig, het jacht van den archimandriet worden, met de grootste wellevendheid, te mijner beschikking gesteld; geene moeite wordt gespaard om mij het verblijf in het klooster zoo aangenaam mogelijk te maken. Mijn vriendelijke, uiterst voorkomende gastheer zorgt zooveel mogelijk voor afwisseling, en laat zich zelfs iederen avond een getrouw verslag geven van de wijze waarop ik den dag heb doorgebracht.
Driehonderd monniken houden hun verblijf op het heilige-eiland. Aan hun hoofd staat natuurlijk de archimandriet; op hem volgen veertig monniken, die de priesterwijding hebben ontvangen en popen zijn; vervolgens zeventig of tachtig monniken, die de kloostergelofte hebben afgelegd; eindelijk de acolythen, de zangers, de dienende broeders, de novisen. De scholieren, de gasten de gehuurde bedienden, geen geestelijken, vormen eene klasse op zich zelf.
Deze broeders behooren tot elken leeftijd en tot alle standen der maatschappij: van den aanvalligen knaap, die aan tafel dient, tot den afgeleefden grijsaard, die zijne cel niet meer verlaten kan; van den monnik van adelijke geboorte en groot fortuin, tot den armen landlooper, die als een schooier op het eiland kwam. Zij dragen allen hetzelfde gewaad, eten aan dezelfde tafel, zeggen dezelfde gebeden op, leiden hetzelfde leven. Iedere broeder heeft zijne eigene cel, waarin hij arbeidt en slaapt; maar allen moeten op de uren des gebeds in de kapel, en op het etensuur in den reefter verschijnen, tenzij ziekte of groote lichaamszwakte hen daarin verhindert. Zij laten allen hun hoofdhaar en baard groeien, en besteden groote zorg aan deze mannelijke sieraden, waarop men in Rusland den hoogsten prijs stelt.
Onder deze eerwaarde vaders zijn er niet weinigen, die boven het alledaagsche peil verheven zijn. Voorzeker bevinden zich ook onder hen enkele bekrompen dweepers; maar den meesten is het ernst met hunne roeping, die zij uit wezenlijken aandrang des harten gekozen hebben. Een vrij aanzienlijk getal monniken zijn hier als gevangenen of boetelingen, uit kloosters in het zuiden en westen herwaarts gezonden. Deze laatsten vormen wel de belangwekkendste klasse van kloosterlingen. Hun misdrijf bestaat gewoonlijk in overdreven ijver; een kritischen, onderzoekenden geest, die met de bestaande toestanden geen vrede heeft; eene vurige begeerte naar hervorming, naar een terugkeer tot de zuiverheid der eerste tijden. Voor dergelijke gebreken heeft een gewone monnik geen medelijden, omdat hij van zulk streven en worstelen niets begrijpt; voor de ongelukkigen die daaraan lijden, wordt een verblijf van korter of langer tijd in de wildernis van Solowetsk een uitnemend geneesmiddel geacht.
Een archimandriet, door de heilige synode tot die hooge waardigheid geroepen, moet een man zijn van kennis en wetenschap, bekwaam om de broederen te onderwijzen en het hem toevertrouwde huis te regeeren. Hij moet een exempel zijn voor allen, dikwijls vasten, veel bidden, des morgens vroeg opstaan, en leven, zooals het den heiligen betaamt. De broeders slaan hun geestelijken vader nauwkeurig gade. Is hij streng jegens zich zelf, dan zullen zij gewillig zijne strengheid over hen dragen; maar wee hem, als hij zich zwak toont, als hij fijn linnen draagt, als geurige schotels op zijne tafel verschijnen, als de riumka—het fijne glaasje, waaruit de brandewijn gedronken wordt—te dikwijls zijne lippen beroert. De archimandriet weet dat aller oogen op hem zijn gevestigd, en al zijne handelingen nauwkeurig worden bespied. En het is niet gemakkelijk allen te voldoen. Deze broeder zou wenschen dat een strenger leefregel werd gevolgd; een ander oordeelt de tucht reeds nu te hard. Weet de archimandriet zich niet de genegenheid zijner onderhoorigen te verwerven, dan komen telkens en telkens klachten over hem in bij de heilige synode, tot eindelijk een onderzoek wordt ingesteld, en—ter wille van den lieven vrede—de aangeklaagde kloostervoogd naar elders wordt verplaatst.
VIII.
Eens pelgrimsdag te Solowetsk.
De dag van den pelgrim begint in den vroegen morgen en duurt tot den laten avond. Wij zijn nu ook pelgrims: volbrengen wij dus onzen plicht.
Twee uur na middernacht, als het nauwelijks donker geworden is in onze cellen, worden wij gewekt door een monnik, die den langen gang afwandelt, met zijne schel luidende en roepende: „Staat op, en komt ten gebede!” Wij schieten haastig onze kleederen aan, en spoeden ons, uit onze warme kamers, naar buiten; mannen en vrouwen, knapen en meisjes, zeelui en houthakkers, komen haastig aangeloopen naar de heilige-poort.
Te half drie beginnen de eerste metten in de nieuwe kerk, aan de moeder gods gewijd, waarin het gebeente van Sint-Savatius en Sint-Zosimus wordt bewaard. Alle lampen branden; en de met levensgroote heiligenbeelden beschilderde, rijk vergulde wanden en beschotten stralen in dien rosachtigen gloed. Mannen en vrouwen, soldaten en boeren richten zich naar den hoek der kerk, waar de lichamen der heiligen rusten; allen maken tot zeven malen het teeken des kruises, neigen hun hoofd ter aarde, en kussen den steenen vloer voor het gewijde graf.
Wij scharen ons in rijen voor het altaar, met genoeg tusschenruimte dat ieder knielen en den grond kussen kan zonder zijn buurman te hinderen; daar staan wij, blootshoofds, terwijl de pope de liturgie voorleest, die de monniken met hun gezang begeleiden. Deze metten zijn eerst te vier uur afgeloopen.
Eene tweede dienst begint te half vijf in de oude kathedraal, en duurt een uur; de ijverigste pelgrims haasten zich, zoodra de eerste pope den zegen gesproken heeft, om de kathedraal te bereiken, waar zij op nieuw hunne gebeden uitstorten en den vloer kussen, tot ook de tweede pope hun zijn zegen geeft.
Als deze dienst is afgeloopen, blijft den pelgrims een uur over, dat zij doorbrengen, hetzij biddende bij de graven der heiligen, of wel wandelende in eene lange overdekte galerij, die verschillende kerken en andere gebouwen met elkander verbindt. Langs de wanden dezer galerij hebben russische schilders van den ouden tijd, in ruwe, ongekunstelde tafreelen, die zaligheden des hemels, de smarten van het vagevuur en de folteringen der hel voorgesteld. Deze schilderijen maken blijkbaar een diepen indruk op onze medepelgrims, hoewel zij in oorspronkelijkheid en dramatisch effect niet kunnen wedijveren met soortgelijke voorstellingen in de oude gothische kloosters langs den Rijn.
Te zeven uur luiden de klokken voor de vroegmis; wij spoeden ons naar de Lieve-Vrouwekerk, waar wij, na andermaal voor het graf te hebben geknield, op nieuw onze plaats innemen voor het altaar, en gedurende anderhalf uur aandachtig luisteren naar de heilige dienst, met groote geestdrift gezongen.
Het is nu ongeveer negen uur geworden; de zwakkere broeders mogen thans een kop thee gebruiken; maar de sterke pelgrim ontzegt zich dit genot, als eene verzoeking des satans: en zelfs de zwakke broeder heeft niet veel tijd om zijn geurigen drank te genieten. De groote klok in den kloosterhof, een geschenk van den regeerenden keizer, waarschuwt ons dat de voornaamste plechtigheid van den dag weldra zal aanvangen.
Met klokslag van negenen verzamelen zich de monniken in de kathedraal, om de hoogmis te vieren. De vergadering is voltallig; de lampen en kaarsen zijn aangestoken; de diaken begint zijne voorlezing; de geestelijke zingen hunne responsoriën; en de dienstdoende priester, in zijn schitterend koorkleed gedost, reciteert de overoude Slavische liturgie met hare mystieke gebeden en lofverheffingen, begeleid met koorgezang en statige muziek. Twee uur achtereen staan wij daar, tegenover het van goud en kleuren stralende altaarscherm, op den granieten vloer, blootshoofds, velen ook barrevoets, in stille verrukking luisterende naar deze edele, indrukwekkende tonen, mede getuigen van eene heilige, plechtige ceremonie.
De hoogmis is afgeloopen; en langzaam stroomt de schare uit de kerk naar de lange galerij, waar wij nog even ons hart kunnen ophalen aan de schilderijen van hel en vagevuur, tot een monnik het etensuur aankondigt: eene aankondiging, ook den vroomsten pelgrim welkom. De eetzaal is een overwelfd vertrek of liever ruimte beneden de kathedraal, en zou in ieder ander land eene krypt worden genoemd. Maar bij het bouwen behoort men op het klimaat te letten. In Rusland kan, bij de groote afwisseling van hitte en koude, dezelfde kerk niet voor winter en zomer dienen: daarom zijn, althans in het noorden, de meeste heiligdommen in eene boven- en eene benedenkerk verdeeld; de bovenkerk wordt des zomers de benedenkerk des winters gebruikt. Onze eetzaal te Solowetsk is de winterkerk.
Langs de wanden en rondom de zware zuil, die het gewelf schraagt, zijn lange tafels geplaatst; op die tafels staat voor iederen gast een tinnen bord, waarin een houten lepel; een mes en een vork; nevens het bord ligt een roggebrood van een pond gewicht. De pelgrims eten in groepen van vier, evenals de monniken. In het midden van elke groep staat een kleine tinnen schotel, bevattende een in vier stukken gesneden gezouten sprot, en vier schijfjes rauwe uien; voorts krijgt iedere groep een koperen terrine met zure kwas, en een schotel gekookte stokvisch, in kleine mooten gesneden.—Een bel wordt geluid: wij rijzen allen op, maken zevenmaal het teeken des kruises, neigen ons ter aarde, en zetten ons weder neder. De voorzitter van elke groep strooit zout en peper in den schotel, en roert de soep om met den lepel, waarmede hij zijn kwas gebruikt. Weer luidt de bel: wij bedienen ons van de stokvisch. Een lezer plaatst zich voor den lessenaar, en leest de geschiedenis van een of anderen heilige, terwijl een knaap rondgaat met een korf met wit brood, door den priester gezegend en in stukken gebroken. Iedere pelgrim neemt daarvan een stuk, en eet dat, telkens het teeken des kruises makende, tot hij zijn brood genuttigd heeft.

Eene woning in het noorden van Rusland.
Ten derdenmale klinkt de bel. Algemeene stilte; een zacht gemurmel van gebeden. Bedienden treden binnen; onze borden worden weggenomen, en een tweede gerecht aangedragen, bestaande uit groentensoep. Dit gerecht is spoedig gebruikt. Een nieuwe lezer gaat voor den lessenaar staan, en vervolgt de levensgeschiedenis van den heilige. Weer wordt er gebeld; op nieuw kruisen allen zich bij herhaling; de bedienden verschijnen, en ten tweeden male worden de tafels afgenomen.—Een nieuw gerecht wordt opgedragen: haringsoep; de visch, in de baai nabij het klooster gevangen, smaakt uitmuntend. Weer een lezer; weer een stuk levensgeschiedenis; en dan een vijfde gelui.
Het vierde en laatste gerecht verschijnt: eene soort van podding van gerstemeel, die met melk wordt gegeten. Weer een lezer; nogmaals een brok van eene heiligen-biographie; en dan een zesde bel. De pelgrims staan op; de lezer zwijgt en breekt midden in zijn verhaal af; onze maaltijd is gedaan. Toch nog niet geheel. Op nieuw scharen wij ons in het gelid; de vrouwen, die in eene andere kamer gegeten hebben, komen in de zaal terug, en te zamen heffen wij een psalm aan. Dan staan wij voor eenige oogenblikken, in stille overdenking, met gebogen hoofd, terwijl een pope aan iederen pelgrim een stuk gewijd brood uitreikt. Nogmaals klinkt het schelletje; de monniken heffen een danklied aan; een pope spreekt den zegen; en de aanzittenden gaan huns weegs, versterkt door het genot van brood en visch.
Het is nu ongeveer twaalf uur. De eerstvolgende kerkdienst begint eerst kwart voor vieren. Wij hebben dus al den tijd, en kunnen dien best besteden. Wij kunnen het klooster bezoeken; naar het heilige-meer wandelen; het graf van Sint-Filippus bezien; de graven der vroomste en beste monniken bezoeken; wij kunnen in de sakristie de priesterlijke gewaden en kostbaarheden gaan bewonderen. Of wel, wij kunnen in booten naar een der naburige eilanden varen: naar Zaet, waar twee oude monniken wonen, en eene talrijke kudde schapen in de weide graast; naar Muksalmi, waar ons het geloei van runderen en het gekakel en gekraai van gevogelte in de ooren klinkt. Deze eilanden voorzien het klooster van melk, en eieren: want op het heilige-eiland zelf mag, volgens den regel van Sint-Savatius, geen vrouwelijk schepsel verschijnen.

Eene woning in het zuiden van Rusland.
Precies te kwart voor vieren roept een klok ons weder naar de kerk: in de kathedraal van onze-lieve-vrouwe begint de vesper. Wederom knielen wij bij het graf en kussen den kouden steen, de draperiën, de ijzeren tralies; dan scharen wij ons weder voor het altaar en luisteren naar het gezang, dat door monniken en knapen wordt aangeheven. De dienst duurt tot half vijf. Na den afloop begeven wij ons naar de lange galerij, en beschouwen nog eens de zaligheden des hemels en de smarten der loutering. Vijf minuten voor zessen spoeden wij ons naar de kathedraal, waar de tweede vesper begint, en blijven daar staan, blootshoofds en sommigen ook barrevoets, tot half acht.
Te acht uur luidt de bel voor het avondmaal. Allen haasten zich aan die welkome uitnoodiging te voldoen; de monniken scharen zich in processie; de pelgrims volgen, en in plechtigen optocht begeven wij ons naar de krypt, waar wij, evenals bij het middagmaal, de lange tafels zien aangericht, met het pond roggebrood, de gezouten sprot, de in vier stukjes gesneden uien, en de koperen terrine met kwas. Onze avondmaaltijd is eenvoudig eene herhaling van het middagmaal: dezelfde gebeden, dezelfde buigingen en zegeningen met het teeken des kruises; ook het luiden der bel en het voorlezen van brokstukken uit de geschiedenis der heiligen ontbreekt niet. Het eenige onderscheid is, dat wij des avond geen gerstepodding met melk krijgen.
Als ieder naar genoegen gegeten heeft en de overgeschoten brokken zijn weggenomen, staan wij op, spreken een dankgebed uit, en heffen met de monniken den avondzang aan. Een pope spreekt den zegen, en wij zijn vrij om naar onze cellen te gaan. Een pelgrim, die lezen kan en goede boeken bij zich heeft, behoort echter, eer hij zich ter ruste begeeft, een psalm van David of een hoofdstuk uit de levens der heiligen te lezen. Te negen uur worden de kloosterpoorten gesloten; in den regel moet de pelgrim dan te bed zijn, om eenige uren te slapen.
Twee uren na middernacht gaat de monnik rond met de bel, en roept de slapende wakker, om de plichten van den nieuwen dag te vervullen.
IX.
Bidden en werken.
Op de heilige-eilanden wordt niet alleen gebeden, er wordt ook ijverig gewerkt. In dit klooster is geen enkele monnik, die een werkeloos leven leidt. Niet alleen de broeders, die geen popen zijn, maar ook zij, die den herdersstaf voeren en den pelgrims hun zegen geven, houden zich, althans voor het meerendeel, onledig met het vervaardigen van allerlei nuttige voorwerpen, van sieraden voor de kerk, van huisraad en meubelen voor den reefter en de cellen. Anderen vervaardigen voorwerpen, die buiten het klooster verkocht worden: kleederen, rozenkransen, lepels, schotels en dergelijke zaken.
Langs den binnenmuur loopt eene aaneengeschakelde reeks van werkplaatsen, waar de arbeid niet poost van den vroegen morgen tot den laten avond: smederijen, timmerwerven, weverijen, touwslagerijen, leerlooierijen, brouwerijen, melkerij, mandenmakerij; werkplaatsen voor het zouten van vleesch en visch, voor het inleggen van groenten en vruchten, enz.;—in één woord, alle bedrijven, die voor de menschelijke samenleving noodig en nuttig zijn, vindt ge hier bijeen; de goede monniken maken daarbij veelvuldig gebruik van de uitvindingen en hulpmiddelen der moderne industrie. Bij uitnemendheid bedreven in alle takken van handenarbeid, paren zij aan deze technische bekwaamheid zooveel smaak en zoo vindingrijk vernuft, dat ge bijna niets bedenken kunt wat niet door deze monniken wordt vervaardigd, van een eenvoudig snoer van glaskoralen tot een volledig opgetuigd fregat. Nergens wordt zoo fijn en voedzaam brood gebakken, nergens zulke voortreffelijke kwas gebrouwen. Terwijl vader Hilarion mij door deze werkplaatsen rondleidt, wachten mij telkens nieuwe verrassingen. Nooit had ik kunnen gelooven dat zulke fraaie, degelijke en tevens zoo hemelsbreed verschillende zaken inderdaad vervaardigd waren door monniken, in een eenzaam eiland als gevangen, en gedurende acht maanden van het jaar door sneeuwstormen en ijsschotsen van iedere gemeenschap met de buitenwereld afgesneden.
Deze geestelijke heeren vervaardigen kappen en gordels van zeehondenvel; zij schilderen met olieverf en snijden kunstig beeldwerk in hout; zij bereiden het leder, breien wollen kousen, en gieten en smeden ijzer; zij spinnen vlas en linnen; zij polijsten steenen; zij maken vilten schoenen en slobkousen, rijtuigen en sleden, touwen en kabels, tinnen en houten borden en schotels, en bloemen van papier; zij verstaan de kunst om vruchten in te leggen en om korfjes en mandjes te vlechten van de schors van den zilverden; zij zagen en houwen steenen; zij vellen en kappen boomen; zij smeden ankers en zoeken honing uit; zij teekenen plannen voor altaren, kerken, kloosters, en weten uitnemend met de borduurnaald om te gaan;—en al wat zij in deze zoozeer verschillende vakken leveren, is een model van zorgvuldige, smaakvolle, degelijke bewerking. Zijn er onder de broeders, die aanleg hebben voor het landbouwbedrijf, ook die kunnen gelegenheid vinden, hun talent te gebruiken: zij verzorgen het vee, scheren de schapen, mesten het gevogelte; zij maken boter en kaas: doch alleen op de eilanden, waar dergelijke bedrijven worden toegelaten. Anderen kweeken bloemen en poten aardappelen, verzorgen de bijenkorven, maaien het gras, zamelen de vruchten in, en verrichten alle bezigheden, die in veld en akker en gaarde noodig zijn.
Wij beginnen onze wandeling met de bakkerij, die wel de eer verdient van het eerste bezoek. Van alle omliggende dorpen langs de kust komt men herwaarts om brood; sommigen koppen, anderen bedelen het; iedere pelgrim, die Solowetsk bezoekt, neemt bij zijn vertrek een groot brood, als reisgave, mede. Er wordt hier tweeërlei brood gebakken: tarwe- en roggebrood. Het laatste, dat zeer goedkoop is, wordt bij iederen maaltijd gebruikt; het eerste, dat gewijd en zonder gist gebakken wordt, is duur: het is heilig brood, dat alleen bij zekere gelegenheden wordt gegeten. Beide soorten zijn overigens zeer goed. De gewijde brooden wegen slechts zeven of acht ons: zij zijn versierd met een kruis, in een opschrift met Slavische letters gevat. Deze brooden worden door de geloovigen met grooten eerbied behandeld; en de vrome pelgrim, die een klooster zoo als Solowetsk, Sint-George of Troïtza bezoekt, kan zijn vrienden of bloedverwanten met geen welkomer geschenk verrassen, als herinnering van zijne bedevaart, dan met zulk een brood.
De brouwerij is in hare soort niet minder voortreffelijk dan de bakkerij. De kwas vervangt voor den Rus de plaats van bier en wijn: het is de nationale drank, geliefd bij alle standen, en die bij de bereiding van bijna alle spijzen, bij genoegzaam alle maaltijden, gebruikt wordt. De kwas van Solowetsk behoort tot de beroemdste en meest gezochte soorten.
In de nabijheid bevinden zich de werkplaatsen, waar borden en lepels uit hout gesneden en beschilderd worden. De levenswijze in deze noordsche wildernissen is nog aartsvaderlijk eenvoudig; vorken zijn zeldzaam, en messen een artikel van weelde. Bij den maaltijd bedient men zich hoofdzakelijk van lepels. Bijna alle spijzen worden zacht gekookt of in vloeibaren staat op tafel gebracht: in het midden staat een diepe schotel, en de eenvoudige gasten scharen zich in het rond, ieder met zijn grooten lepel gewapend. Het bord en de lepel zijn van hout gesneden, en somwijlen sierlijk en met smaak bewerkt en beschilderd; de fraaisten worden door de pelgrims als een aandenken gekocht en zorgvuldig bewaard.
Ziehier eene andere industrie: de mandenmakerij. In de noordsche wouden is aardewerk schaarsch en duur, en daarbij lomp en ruw. De lieden dezer streek moeten dikwijls lange voetreizen maken: het zou bezwaarlijk vallen, zich op die tochten met eenige potten en pannen te belasten. In plaats daarvan heeft men manden en korfjes, die van boomschors worden gevlochten, lichter zijn dan kurk en gemakkelijker te vervoeren dan tinnen kannen of schotels. Zij worden met een deksel gesloten, en zijn van een hengsel voorzien. Die korfjes zijn volkomen droog en zoo dicht, dat men er zelfs melk in vervoeren kan; toch hebben zij den aangenamen, harsachtigen geur behouden van van het hout, waarvan zij vervaardigd zijn. Gij kunt ze van alle afmetingen krijgen, van de grootte van een peperbus tot die van een waterkruik; zij kosten slechts eenige kopeks het dozijn.
De eigenlijke manden zijn grooter en minder fijn bewerkt; zij zijn bestemd voor tochten over hobbelige rotsachtige wegen of door moerassen. Deze manden zijn in vakken verdeeld, waarin ge wijnflesschen, lepels en vorken bergen kunt. Moet ge eene lange reis maken, dan is het raadzaam, in het open middenvak van uw mand eenige korfjes van boomschors mede te nemen, waarin ge kleine benoodigdheden, zooals mosterd, zout, room en dergelijke bergen kunt.
Onder de veelsoortige werkplaatsen, die wij bezoeken, behoort ook de weverij, in een der torens van den buitenmuur: een toren, die niet alleen de bijzondere aandacht verdient om de uitnemendheid van het werk, dat hier vervaardigd wordt, maar ook om de belangrijke rol, die hij gespeeld heeft bij de verdediging van Solowetsk tegen de engelsche vloot. Het kanonschot, dat, naar men zegt, de Brisk tot wijken dwong, werd uit den Weverstoren afgevuurd.
In een zonnig hoekje boven op den wal staat een sierlijk photographisch atelier; in de onmiddellijke nabijheid ziet ge eene reeks nieuwe gebouwen, waarin de werkplaatsen der schilders en graveurs, die echter geene andere dan uitsluitend kerkelijke kunst beoefenen. Sommigen doen niets meer dan werken van andere meesters kopiëeren; maar ook de meest begaafden onder hen overschrijden toch nooit de conventioneele grenzen, door de kerkelijke traditie gesteld. De kunst verkeert hier nog in het stadium harer ontwikkeling: zij staat nog geheel en al onder de heerschappij dier starre, levenlooze byzantijnsche school, waarvan de patriarch Nikon een zoo groot voorstander was, en die hij, voor de versiering van kloosters en kerken, tot wet en regel stelde.
Maar de vrome vaders troosten zich over deze tekortkomingen: hunne grootste kracht openbaart zich op een ander gebied: dat van den scheepsbouw en wat daarmede samenhangt. Zij zijn, en met recht, trotsch op hetgeen zij daarin tot stand hebben gebracht. Velen van hen brengen het grootste gedeelte van hun leven aan boord door, en zijn met hartstochtelijke liefde aan de zoute zee gehecht. Zij bezitten een aantal booten en scheepstuig in overvloed, dat zij zelf vervaardigen. Zij richten vuurtorens op, en bakenen het vaarwater af; zij timmeren booten en sloepen, en hebben het bewijs geleverd, dat op de werven van Solowetsk een stoomschip in al zijne deelen volledig kan worden gebouwd, alleen de machine uitgezonderd. Dit stoomschip heet de Hoop. Zijne bemanning bestaat hoofdzakelijk uit monniken; en de gezagvoerder is niet alleen monnik—zooals vader Johannes—maar zelfs pope. Toen ik dezen priesterlijken schipper voor het eerst zag, bediende hij de mis voor het altaar. Na afloop van de dienst nam de eerwaarde vader mij mede, om mij zijn schip en het dok, waarin het vaartuig lag, te laten zien. Met levendige belangstelling bezocht ik de Hoop, merkwaardiger in mijn oog, dan bijkans eenig ander schip. Is toch niet eene stoomboot, door monniken aan de kusten der IJszee gebouwd, in hare soort eene even groote zeldzaamheid als de toren der Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen of de Dom te Keulen? De gedachte om dat stoomschip te bouwen was in het brein van een monnik opgerezen; het plan was door de hand van een monnik geteekend; monniken velden de boomen, en smeedden de bouten, en vlochten de touwen; monniken voegden al deze deelen samen; monniken tuigden het vaartuig op, beschilderden de kajuit en bekleedden de kussens der banken. Monniken lieten haar te water, en hebben sedert met hunne eigene boot de wilde wateren der Witte-zee doorkruist en de stormen getart.
Het dok, waarop vader Johannes zoo fier was, is niet maar een gewoon dok, maar zelfs een droog dok. Dergelijke werken zijn in Rusland eene groote zeldzaamheid, in het geheele rijk zijn er maar enkele havens, die een dok bezitten. Noch te Archangel, noch te Astrakhan zult ge er een vinden. Alleen in steden zooals Riga en Odessa, door vreemdelingen gebouwd en bewoond, treft ge dergelijke werken van openbaar nut aan. Het drooge dok te Solowetsk is het eenige in geheel het eigenlijke Rusland. Kronstadt—het is waar—bezit een droog dok: maar Kronstadt is minder een russische, dan wel een duitsche haven, met een duitschen naam. Het eenige werk van dien aard op echt-russischen grond is—karakteristiek genoeg—eene schepping van monniken.
Niet enkel gewone kloosterlingen, ook priesters nemen aan al dezen arbeid deel. Wanneer een monnik de wijding ontvangen heeft, staat het hem volkomen vrij, zich uitsluitend tot de dienst der kerk te bepalen: maar in het klooster van Solowetsk is het eene zeldzaamheid, dat een pope alleen de plichten van zijn ambt waarneemt. Arbeidzaamheid is hier het merk van een waarlijk godsdienstig leven. Toont een der broederen bijzonderen aanleg voor een of ander bedrijf of kunst te bezitten, dan vindt hij zoowel bij zijne geestelijke overheid als bij zijne medebroeders alle aanmoediging om zijne roeping te volgen, en de vruchten van zijn arbeid Gode te wijden. De eene pope is landbouwer; een ander schilder; een derde visscher; deze zoekt geneeskundige kruiden; die kopiëert oude handschriften een derde bindt boeken in, enz.
Van al deze beroepen is dat van onderwijzer niet het minst begeerlijke. De kinderen, die te Solowetsk ter school worden gezonden, blijven er minstens een jaar, en somwijlen langer. De inrichting der school is hoogst eenvoudig, en het onderwijs bepaalt zich tot het volstrekt noodige: trouwens de school is ook hier een getrouw beeld van den toestand des lands; voedsel en ligging verschillen niet veel van hetgeen ge in iedere isba (boerenwoning) vinden kunt. Wanneer een knaap, na verloop van zijn leertijd, in het klooster wenscht te blijven, kan hij zich als werkman verhuren, hetzij op de landhoeven of bij de visscherij. In den zomer ontvangt hij het voedsel der monniken: brood, visch en kaas; des winters krijgt hij gerookt schapenvleesch—eene lekkernij, waarvan zijne meesters niet proeven mogen. Velen van deze knapen blijven hun leven lang op het eiland; zij mogen niet huwen, maar zijn daarentegen van kost en inwoning verzekerd, vrij van de militaire dienst en van alle huiselijke zorgen. Enkelen treden in den geestelijken stand. Keeren zij later in de wereld terug, dan strekt hun verleden hun tot aanbeveling voor het verkrijgen van eene of andere betrekking; in ieder geval weten zij hun eigen weg te vinden, want een jonkman, die eenige jaren te Solowetsk heeft doorgebracht, heeft niet alleen geleerd zich zelven te helpen, zijn eigen eten te bereiden en zijne kleederen te maken, maar verstaat ook altijd een of meer ambachten, waarmede hij den kost verdienen kan.

De tarantasse.
X.
De zwarte geestelijkheid.
Bijna alle Russen van aanzienlijken of beschaafden stand zien met verachting neder op hunne ordens-geestelijken, op de zoogenaamde Zwarte geestelijkheid, aldus genoemd naar de kleur van hun gewaad. Zij beschouwen de kloosterlingen in het algemeen als een hoop onbeschaafde lieden, als onwetende, zedelooze leegloopers, die tot niets dienstig zijn, en die, hoe eer hoe beter, behooren opgeruimd te worden. „Weg met de monniken en kloosters!” is het wachtwoord van verreweg de meeste jonge vrijzinnige Russen.
En zij die aldus spreken, zijn niet altijd spotters en ongeloovigen, verklaarde vijanden van iedere godsdienstige overtuiging, van elke geestelijke of kerkelijke instelling. Neen, zeer dikwijls zijn het ernstige mannen, die hunne kerk liefhebben, den priester hunner parochie gaarne ondersteunen, en die niets liever wenschen dan hun vaderland den eersten rang onder de christelijke mogendheden te zien innemen. In Rusland, zeggen zij, leven tienduizend monniken: eene overtollige, om niet te zeggen schadelijke bevolking; het beste wat men zou kunnen doen; is, er soldaten van te maken, opdat zij ten minste het land van eenig nut zijn.

Keizer Alexander II bezoekt het klooster van Solowetsk.
Deze niet altijd billijke vijandschap der beschaafde klassen tegen de kloosterlingen vindt eenigermate hare verklaring in den hardnekkigen tegenstand, dien schier te allen tijde iedere maatregel tot hervorming, hetzij op staatkundig, hetzij op kerkelijk gebied, bij de monniken heeft ontmoet. Om zich van deze stemming der gemoederen en den aard der bestaande spanning volledig rekenschap te kunnen geven, is het noodig den omvang en den oorsprong van de macht der monniken van naderbij te bestudeeren. De afdwaling van ons eigenlijk onderwerp zal slechts schijnbaar zijn: onze studie zelf zal ons naar Solowetsk terugvoeren.
Een woestijn met kloosters bezaaid;—de naam zou niet slecht passen voor de gansche onmetelijke landstreek, die van de Poolzee tot de tartaarsche steppen reikt. Voor Nieuw-Rusland, voor de gouvernementen van Kazan en de Krim, voor de streken langs de Beneden-Wolga en voor Siberië, ware deze beschrijving onjuist: maar het eigenlijke Groot-Rusland is voor de monniken een waar paradijs. Van Kem aan den oever der Witte-zee tot Bjelgorod aan de grenzen der Ukraine,—een afstand van omstreeks duizend (engelsche) mijlen;—en van Pskow, nabij het meer Peïpus, tot Wassil aan de Wolga—een afstand van ongeveer zevenhonderd mijlen—is het gansche land als overdekt met kloosters, klinkt u overal het welluidend klokgelui tegen.
Ge kunt u moeilijk iets treurigers en naargeestigers denken dan een russisch woud, tenzij dan eene russische vlakte. Het woud is eene opeenvolging van dwergachtige berken en pijnen; de boomen zijn allen genoegzaam even hoog en even dik; de eentonige donkere lijn wordt slechts nu en dan afgebroken door een stinkend moeras of een vaalkleurig, levenloos meer. De vlakte is eene onafzienbare hei, zonder eene enkele verheffing van den grond, zonder een enkelen boom, zonder eene enkele stad, op eene uitgestrektheid van misschien honderd mijlen; eene naakte hei, met schraal, armelijk, bruin gras begroeid; en hier en daar met eene verzameling van ellendige leemen hutten, in modder en slijk verzonken, waaraan de naam van dorp kwalijk voegt. De schrikkelijke eenvormigheid van zoodanig landschap ware niet uit te houden, indien niet telkens het oog van den reiziger geboeid, zijn hart verkwikt werd, door het gezicht van een klooster, dat op een open plek in het woud, aan den zoom der eenzame vlakte, zijn stralend kruis en schitterend bemaalde torens ten hemel heft; een klooster met zijn krans van groen, zijn wit-gepleisterden voorgevel, zijn groep van vergulde of beschilderde koepels. De wouden rondom Kargopol, de moerassen langs het meer Ilmen, de vlakke velden rondom Moskou, danken aan de kloosters kleur en leven; terwijl zoo menig kleiner convent, wegduikende in de schemerende diepte des wouds, of den eenzamen rivieroever verlevendigende, met vroolijken ernst den reiziger groet.
De oude steden van Groot-Rusland—Nowgorod, Moskou, Pskow, Wladimir,—zijn veel rijker aan kloosters dan hare mededingers van later tijd. De oevers van de rivier de Wolchow, die de oudste metropolis van Rusland besproeit, zijn over eene uitgestrektheid van vele mijlen boven en beneden de stad, met oude godsdienstige gestichten bezaaid. De voorsteden van Nowgorod prijken met de prachtige kloosters van Sint-George, Sint-Cyrillus en Sint-Antonius van Rome. Moskou is omgeven van een breeden krans van kloosters en abdijen—Simonoff, Donskoï, Troïtza, Danieloff, Alexiewski, Iwanowski, en nog vele anderen; Pskow heeft haar prachtig convent der katakomben, in heerlijkheid ternauwernood onderdoende voor het klooster van gelijken naam te Kiew.
Evenwel is het er verre van, dat al deze vrome stichtingen juist uit vroeger tijd zouden dagteekenen. Rusland verkeert nog in het tijdperk, waarin godsdienstige geestdrift een der machtigste drijfveeren in het leven des volks en der individuen is:—een tijdperk, dat aan den middeleeuwschen heldentijd der germaansche wereld denken doet. Wat echter voor ons, behoudens enkele uitzonderingen, tot het verleden behoort, is hier nog eene zeer levende werkelijkheid, wier kracht en invloed zich telkens openbaart. Ik wil daarvan een voorbeeld aanvoeren.
In het jaar 1803 werd in eene der ellendige hutten van het kleine dorp Pretchistoi, nabij de stad Wladimir, een lijfeigene geboren, van zoo lagen stand dat zijn geslachtsnaam in vergetelheid is geraakt. Jaren lang leefde hij, als andere eigenhoorigen, op het landgoed van zijn heer; hij huwde twee malen een meisje van zijn eigen stand, en won drie zonen, die voorspoedig opgroeiden. Tot dusverre was zijn leven gelijk geweest aan dat zijner lotgenooten; maar toen hij, op zeven-en-dertig jarigen leeftijd, voor de tweede maal weduwnaar geworden, door zijn heer werd vrijgelaten, verliet hij zijn dorp en begaf zich naar Troïtza, nabij Moskou. Daar nam hij den naam van Filippus aan, kleedde zich in een pij en kap, en groef voor zich zelven een hol onder den grond. In deze onderaardsche woning sleet hij vijf jaren; toen zocht hij een ander verblijf op, nog beter aan zijn wenschen beantwoordende, en wel op het kerkhof, te midden der graven van het klooster; daar bracht hij twintig jaren door. Hij had zijne vrijheid te lief, om zich door het afleggen der kloostergelofte daarvan te berooven: maar door de ondervinding geleerd, dat ook in Rusland, als elders, in spijt van het spreekwoord, de pij den monnik maakt, kleedde hij zich in grof sergie en omgordde zijne lendenen met een zware ketting. Aldus uitgedost toog hij naar Moskou, naar den metropolitaan Philarethes, vroeg dien prelaat om zijn zegen, en tevens om de vergunning zijn naam te mogen aannemen. De aartsbisschop schiep behagen in dien zonderlingen bedelmonnik, en willigde zijn verzoek in: en van dat oogenblik werd de voormalige lijfeigene van Pretchistoi door den ganschen omtrek bekend als Philarethes-Ouchka (Philarethes de Kleine).
Het kerkhof van Troïtza ligt op eene stille eenzame plek, aan den oever van een schilderachtig meer, omgeven door donkere bosschen. Te midden dezer groenende grafheuvelen sloeg de monnik zijne kluis op. In het klooster van Troïtza kocht hij, voor twee kopeks per stuk, eenige kruisen en heiligenbeelden; hij ging daarmede door de straten en langs de huizen van Moskou, en deelde ze, met zijn zegen, aan de lieden uit, zonder iets te vragen, maar aannemende wat men goed vond hem te geven. De een schonk hem een roebel, een ander tien, een derde honderd: iedere gave was hem welkom. Weldra had hij een niet onaardig kapitaaltje in de bank. De prenten brachten hem meer op dan de kruisen; want, naar de algemeene overtuiging des volks, brengen de eersten zegen aan, terwijl de anderen boden zijn van ongeluk. Schonk Philarethes aan eene of andere vrome vrouw een kruis, dan keerde zij huiswaarts, bezwaard van harte. Het symbool des christelijken geloofs is in Rusland nog niet afgedaald tot den rang van een gewoon sieraad of toilet-artikel. Geene russische boerin zou het in de gedachte komen, zich met een kruis op te tooien; ook zoekt ge het vergeefs als ornament in de woningen der aanzienlijken. De priester draagt een kruis; het kruis straalt op de kerktorens en koepels: maar zeldzaam zult ge het gewijde teeken, hetzij in schilder- of beeldhouwwerk, in een gewoon huis vinden. Toch draagt iedere rechtgeloovige Rus een kruis, dat hij nooit aflegt—het is dat, hetwelk hem bij zijn doop om den hals wordt gehangen; maar dit is geen sieraad.
Zonderling in kleeding, manieren en spreekwijze, droeg Philarethes-Ouchka noch schoenen noch kousen; in plaats van de gewone russische begroeting: „Het ga u wel!” sprak hij de lieden aan met de woorden: „Uw engelbewaarder geve u een blijden dag!” In zijne cel en op al zijne tochten was hij steeds vergezeld door een ander, niet minder zonderling personage, Iwanouchka, Johannes de Kleine (familiaar Jantje) genoemd, die nooit sprak, maar altijd zong. Iwanouchka zong in zijne cel, zong op den weg, zong langs de huizen, zong in de kerk. Aan den toon waarop hij zong, herkende men de gemoedsstemming van zijn meester; en uit het zingen van Iwanouchka kon menige arme, eenvoudige vrouw reeds vooraf berekenen of zij van Philarethes dien dag een kruis of een heiligenbeeldje te wachten had.
Vooral bij den kleinen, neringdoenden burgerstand stond de kluizenaar in groot aanzien. De meer aanzienlijke dames hielden zich op een afstand: niet omdat hij geld van haar vroeg, maar omdat hij hare mooie kamers vuil maakte. De uiterlijke verschijning van den vromen man was toch niets minder dan bevallig: maar zijne verregaande onreinheid, zijne verroeste ketting, zijne met stof en vuiligheid bedekte huid, zijne ongekamde haren, waren, in de oogen zijner trouwe volgelingen, zoo vele teekenen zijner uitnemende heiligheid. De vrouwen der kooplieden en winkeliers van Moskou dweepten met hem. Eene dame verhaalde mij eens, dat toen zij op zekeren dag een bezoek ging afleggen bij eene harer vriendinnen, de echtgenoote eens koopmans van het eerste gilde van Moskou, zij deze voor den kluizenaar geknield vond, bezig zijne voeten te wasschen. En dit was niet maar een ijdele beleefdheidsvorm: want Philarethes liep barrevoets, en de straten van Moskou zijn met harde keien geplaveid en bij uitnemendheid morsig. Zekere bejaarde juffer Seribrikoff placht er zich op te beroemen, dat het haar eenmaal vergund was geweest, de wonden van den heiligen man te reinigen. Jonge bruiden baden hem op hare bruiloft te verschijnen: want bij zulke gelegenheden was hij vaak gewoon te profeteeren; en met godsdienstigen eerbied werden de duistere woorden opgevangen, waarin de aanduiding van het toekomstig lot der jonggehuwden lag opgesloten. Op zekeren dag was hij op de bruiloft van Gospodin Sorokin, een der rijkste inwoners van Moskou; plotseling wendde hij zich tot de bruid en sprak: „Als de feesten voorbij zijn, zult ge uw man met honing moeten zalven.” Niemand begreep wat hij zeggen wilde; maar drie dagen later was Sorokin een lijk: nu was de zin der voorspelling openbaar, want bij eene russische begrafenis mag geen honing ontbreken. Natuurlijk won het geloof aan de profetische gave van Philarethes, door zulk een opzienbarend feit, niet weinig in kracht.
Eene zijner ijverigste en vermogendste volgelingen, Mevrouw Loguinoff, schonk hem eene aanzienlijke som gelds, om daarvoor een klooster en een kerk te bouwen; en toen deze heiligdommen te midden der graf heuvelen van Troïtza waren verrezen, scheen de taak van den bedelmonnik voltooid. Toch waren de laatste levensjaren van Philarethes-Ouchka niet de gelukkigste. Zijn machtige beschermheer was gestorven; en Innocentius, de nieuwe metropolitaan, een ernstig man, vol ijver voor zijn geloof, had weinig op met de zonderlinge praktijken van den kluizenaar, en verklaarde zich tegen hem. Philarethes verliet nu zijn klooster en trok naar het dorp Tcheglowe, in het gouvernement Toela, waar hij een nieuw klooster bouwde. Daar stierf hij in 1868, ruim vijf-en-zestig jaren oud. De beide door hem gestichte kloosters worden nu door gewone monniken bewoond.
Dergelijke verschijnselen mogen zeker wel als ongezonde openbaringen van het godsdienstig leven worden beschouwd. Toch zoekt de zwarte geestelijkheid daarin een wapen tegen de spotternijen en aanvallen eener vijandig gezinde wereld, die aan dezen staat van zaken een einde maken wil. In dien strijd is het voordeel tot dusverre aan de zijde der monniken. De liberale opinie en de moderne wetenschap zijn hun vijandig; maar deze beide machten zijn in Rusland, immers bij de overgroote meerderheid des volks, nog in geenen deele inheemsch, zij staan, in zekeren zin, buiten het nationale leven. Daarentegen hebben de monniken op hunne zijde de traditie, de ingewortelde gewoonte, de overgeleverde piëteit. Ook beschikken zij over alle hooge kerkelijke betrekkingen, en over zeer groote levende krachten op allerlei gebied. De vrouwen zijn voor hen; voor hen is ook de meerderheid der landelijke bevolking. Te allen tijde hebben de vrouwen zich bijzonder aangetrokken gevoeld door de monniken, wier gelofte hen bindt allen omgang met haar te vermijden; en er zijn weinig steden in Rusland, waar men u niet weet te verhalen van een of anderen eerwaarden vader, die, even als Philarethes de Kleine, door eene gansche schare van lieve discipelinnen gevolgd en gevierd werd.
De monniken hebben niet alleen alle geestelijke macht in handen, maar de elementen zelf, waaruit deze macht is samengesteld, zijn in hun bezit. Hunner zijn de kloosters, de katakomben, de heilige plaatsen. Zij bewaren de beenderen der heiligen; uit hun midden komen nieuwe heiligen voort. In het gouden boek der russische kerk komt geen enkele naam voor van een gekanoniseerden wereldlijken priester. De monniken bezitten de gave der zelfverloochening en de gave der wonderen—twee zoo machtige en invloedrijke factoren in een land als Rusland.
Zelfverloochening is voor den Rus het onbedriegelijkst merk van het ware geloof, de hoogste kroon van een Gode gewijd leven. Ook deze eerste en edelste aller deugden neemt echter dikwerf zonderlinge vormen aan. In het vorige jaar (1868) stierf in het krankzinnigengesticht te Moskou een man, Iwan Jacowlewitch genaamd, eene zonderlinge vermaardheid verworven had. Velen hielden hem voor krankzinnig; anderen vereerden hem als een heilige. Daar de eersten de meerderheid hadden, sloten zij hem op, en hielden hem tot aan zijn dood onder geneeskundige behandeling en toezicht.
Deze Iwan, burger der kleine stad Cherkosowo, achtte zich geroepen, zijne gezondheid, en alle gemakken en genietingen des levens den Heer ten offer te brengen. Op jeugdigen leeftijd reeds legde hij de plechtige gelofte af, nimmer zijn aangezicht te zullen wasschen, noch zijne haren te kammen; nimmer zijne lompen te zullen afleggen; nimmer op een stoel of bank te gaan zitten; nimmer aan een tafel te eten, noch een mes of vork te gebruiken. Krachtens deze gelofte leefde hij als een hond, op den grond liggende en zijne spijzen opslurpeude. Toen men hem in het krankzinnigengesticht bracht, werd hij behoorlijk gewasschen en van nieuwe kleederen voorzien: maar aanstonds verontreinigde hij die, en zijne oppassers kwamen spoedig tot de overtuiging, dat het onmogelijk was hem zindelijk te houden.

Elia Kovielin.
Inmiddels ging de roep van hem uit door de gansche stad, en het duurde niet lang, of de cel van Iwan Jacowlewitch was eene gevierde bedevaartsplek geworden. Niet alleen dienstmeiden en boerinnen, maar deftige burgervrouwen, kwamen hem dagelijks opzoeken, brachten hem allerlei lekkernijen, gaven hem geld ten geschenke, en vertelden hem hare dierbaarste geheimen. Op den grond gezeten, staarde hij met half wezenloozen blik zijne bezoekers aan, en mompelde eenige onsamenhangende woorden, die zijne hoorders, met de uiterste inspanning, trachtten te verstaan en te ontcijferen. Somwijlen maakte hij balletjes van de kruimels zijner koekjes; en wanneer kranken bij hem genezing kwamen zoeken, stopte hij hun deze vuile pillen in den mond. Deze man nu heette „uitzinnig om des Heeren wil.”
De directeur van het gesticht liet hem naar eene ruime kamer overbrengen, waar hij zijne bezoekers kon ontvangen. Men wist dat hij stapelgek was; dat dit drukke bezoek en die gedurige aandoeningen allernadeeligst voor hem waren: maar de toeloop was zoo groot en de begeerte van het publiek om hem te zien zoo levendig, dat de uitspraken der wetenschap en de regelen van het gesticht daarvoor zwichten moesten. Toen de arme krankzinnige eindelijk stierf, was de ontsteltenis onder de lagere volksklasse in Moskou algemeen; en eenigen tijd na zijn dood las men in het Dagblad van Moskou eene oproeping, om voor dien man in zijne geboorteplaats een gedenkteeken op te richten.
In den regel neemt echter deze zucht voor zelfverloochening een anderen, minder aanstootelijken vorm aan: dien van afzondering van de wereld. Het kluizenaarsleven geldt als het Gode gevallige leven bij uitnemendheid. Alle afdeelingen der oostersche kerk—de armenische, de koptische, de grieksche—werken deze richting in de hand: maar geene andere kerk kan op zulk eene menigte kluizenaars wijzen als de russische. Haar kalender wemelt van de namen van kluizenaars en asceten; en hetgeen men van de ontberingen en zelfkastijdingen dezer lieden verhaalt, is somwijlen bijna ongeloofelijk. Zoo vertelt men van zekere zuster Maria, die zich in een rotsspleet liet opsluiten; zij kreeg haar voedsel door een gat in de rots, en bracht twaalf jaren in dit levend graf door.
Ongeveer veertig mijlen van Moskou, niet verre van de abdij van Troïtza, bevindt zich eene soort van monniken-kolonie, Gethsemané genaamd en bestaande uit een klooster en katakomben, door een meer van elkander gescheiden. Het klooster, een type van armoede en ellende, is van ruwe boomstammen opgetrokken, die ternauwernood geverfd zijn. Nergens is een spoor van goud of zilver te bespeuren; alle sieraden zijn van cypressenhout. De monniken dragen tabbaarden van de gemeenste sergie, en voeden zich met de schraalste spijs. Geene vrouw mag deze heilige plek betreden, dan eenmaal in het jaar, op den dag van Maria-Hemelvaart.—Aan gene zijde van het meer bevinden zich de katakomben, diep in den grond uitgegraven. Wij staan voor de nauwe opening, die naar deze onderaardsche verblijven voert, en steken ieder onze kaarsen aan; een monnik maakt het teeken des kruises, prevelt eenige onverstaanbare woorden, en daalt de smalle trap af. Wij volgen langzaam, een voor een, zwijgend, zoo dicht mogelijk langs den muur voortgaande. Eene benauwde lucht komt ons tegen; een zonderling dof geluid treft onze ooren; wij ademen met moeite in dezen zwaren, bedorven dampkring. De kaarsen flikkeren en branden al flauwer in de dikke duisternis. In een smallen gang zien wij enkele getraliede vensters, nauwe openingen en met ijzer beslagen deuren: dit zijn toegangen naar cellen. Het gewelf is doortrokken van vocht; op den grond kruipen allerlei ongedierten.

Een oud-geloovige.
„Hush!” fluistert de monnik, als wij langs enkele getraliede vensters en met ijzer beslagen deuren heen gaan, als vreesde hij dat wij de rust der dooden zouden storen.—„Wat is dit voor eene opening in den muur?”—De monnik staat stil en beweegt zijn spookachtigen fakkel. „Een cel, zegt hij; hier ligt een goede man. Hush! zijne ziel is nu bij God!”—„Dood?”—„Dood voor de wereld—ja.”—„Hoe lang is hij hier?”—„Hoe lang?—Elf jaar en langer.”
Wij gaan met eene huivering voorbij dit levend graf, en treden weldra uit den nauwen gang in eene kleine kerk. De lamp brandt voor het altaar; twee monniken liggen geknield, met het aangezicht ter aarde; een priester zingt, op doffen toon, de liturgie. Achter dit kerkje bevindt zich de heilige put, waarvan het water, naar men zegt, heilzaam is voor lichaam en ziel.—Toen wij weer boven waren gekomen, vroegen wij nadere inlichtingen omtrent den kluizenaar, die langer dan elf jaar in dit onderaardsche hol zou hebben doorgebracht; wij vernamen nu dat hij van tijd tot tijd uit zijn graf verrijst, om de kloosterklok te luiden, hout te halen, en zich op de hoogte te houden van hetgeen er al zoo omgaat.
Maar deze begeerte naar zelfverloochening openbaart zich ook nog op andere, minder sombere wijze. In de kloosterhoven van Solowetsk kunt ge een zonderling wezen zien, in lompen gehuld, zich voedende met afval en op den grond slapende, die, zonder de gelofte te hebben afgelegd, toch als behoorende tot de monnikenorde wordt beschouwd. Hij rekent zijn leven eene verbeurde weldaad, en wijdt zich zelven dagelijks ten offer. Hij streeft naar de afzichtelijkste verworpenheid, en wil in zijn eigen persoon de nietigheid en de ellende van al het aardsche zichtbaar vertoonen. Deze wonderlijke man wordt vooral door de pelgrims uit de lagere volksklasse in hooge eere gehouden en bijna als een heilige beschouwd, vader Nikita—zoo heet hij—is nog geen vier-en-een-halven voet hoog: in Rusland vooral mag hij dus met recht een dwerg worden genoemd. Een dunne grijze baard, verwarde haren, een donkerkleurig gelaat, en kleine scherpe oogen—ziedaar zijn portret. Nooit besmet hij zijn lichaam door de aanraking met water of zeep; nooit kamt hij zijn haren of zijn baard: wat toch is de mensch, dat hij zich zou verhoovaardigen op zijn vleesch? Zijne kleeding bestaat uit vodden en lompen; want hij versmaadt het betamelijke en warme gewaad van den monnik. Heeft hij dringende behoefte aan eenig kleedingstuk, dan gaat hij niet naar het magazijn, maar naar de bergplaats waar de afgedragen kleederen worden bewaard, en vraagt van den monnik, met het opzicht daarover belast, de versleten en weggeworpen plunje van een of anderen armen broeder. In het klooster staat eene cel tot zijne beschikking: maar ook een houten bank en een strooien peluw zijn nog veel te goed voor een wezen van stof en slijk; en ten teeken zijner diepe onwaardigheid, brengt hij den dag door op de kaai, den nacht op de binnenplaats van het klooster. Nooit heeft hij zich laten overhalen in den reefter nevens de andere monniken plaats te nemen: kaas, roggebrood, stokvisch zijn voor hem ongeoorloofde lekkernijen; maar wanneer de maaltijd is afgeloopen en de tafels afgeveegd, sluipt hij naar de spijskamer, zamelt de weggeworpen brokken en afgekloven beenderen op, en stilt zijn honger met hetgeen de boeren en bedelaars hebben laten liggen.
In de kerk wil hij nooit zijne plaats onder de andere geloovigen innemen; nimmer wil hij door de heilige-poort gaan. Als de dienst is begonnen, sluipt hij naar een donkeren hoek der kerk, en luistert, met het aangezicht op de steenen, naar de gebeden en lofzangen. Het is hem een genot door de menigte geschopt of vertreden te worden. Hij maakt zich tot aller dienaar, en is immer gereed elk bevel, door wien ook gegeven, te volvoeren; ontdekt hij onder de schare een of anderen schooier, zoo vuil en ellendig dat iedereen hem schuwt, dan zoekt hij dien verlatene op en groet hem als zijn meester. In den winter, als de sneeuw in dichte lagen den grond bedekt, slaapt hij op de binnenplaats in de open lucht; des zomers, als de hitte op het hoogst is geklommen, gaat hij blootshoofds in de zon liggen. Wie hem bespot, mishandelt, besteelt, is zijn vriend. Als alle lieden van zijn stand, is hij verzot op geld: maar juist dezen hartstocht maakt hij dienstbaar aan de loutering zijner ziel: hij vlecht korfjes van berkenschors, en verkoopt die, voor twee kopeks het stuk, aan matrozen en pelgrims; hij wikkelt het kopergeld in een vuillapje of stuk papier, en verbergt het hier of daar onder een steen, in de hoop dat iemand het zal zien en het geld zal wegnemen.
Uitnemender nog dan de gave der zelfopoffering, is de gave der wonderen, en ook deze beweert de zwarte geestelijkheid te bezitten. Hare wonderen behooren niet tot een ver verleden, maar tot de geschiedenis van den dag; zij geschieden niet in het verborgen, in een of anderen vergeten hoek, maar op klaarlichten dag, in groote steden, ten aanschouwe der gansche wereld. Ook hiervan een paar voorbeelden.
Seraphim, een koopman van Kursk, verliet zijne vrouw, zijne kinderen en zijn handel, en werd monnik. Hij trok naar het klooster, de Woestijn van Sarow genaamd, in het gouvernement van Tambow; daar groef hij een gat in den grond, waarin hij verblijf hield en overnachtte. Het gebeurde op zekeren tijd dat dieven hem overvielen; zij sloegen en mishandelden hem, maar bevindende dat hij niets bezat, begrepen zij dat zij met een heilige te doen hadden. Weldra ging nu het gerucht van hem heinde en verre uit; van alle kanten kwamen de geloovigen hem bezoeken, geschenken medebrengende van brood, kleederen en geld, die hij allen aannam, om ze vervolgens aan de armen uit te deelen. Zijne woestijn werd welhaast eene volkrijke plaats, en het klooster van Sarow werd door het gansche land beroemd.—Op tien mijlen afstands van zijne eigene kluis, stichtte Seraphim een tweede klooster voor vrouwen. Van een edelman ontving hij een stuk gronds ten geschenke; kooplieden gaven hem het noodige geld: want zijne gunst werd begeerlijker geacht dat het bezit van geld of goed. Schoone en aanzienlijke vrouwen kwamen hem bezoeken; zij namen haar intrek in het huis, dat hij voor haar had gesticht, en waar zij van de wereld afgezonderd konden leven, zonder zich door de kloostergelofte voor altijd te verbinden. Eindelijk gebeurde er een wonder. Eene lamp, die voor eene beeltenis der Heilige-Maagd hing, ging plotseling uit, terwijl Seraphim op den grond lag geknield; het werd duister in de kapel; de pelgrims voelden zich onthutst; toen eensklaps, tot verbazing van allen die het zagen, een lichtstraal van de schilderij uitgaande de lamp weder deed ontbranden!—Een tweede wonder volgde spoedig. Op zekeren dag stond eene schare armen voor Seraphim’s cel; wachtende op brood. Hij zag zijn voorraad na, en bespeurde dat hij maar twee brooden had: wat zou hij met twee brooden aanvangen tegenover deze hongerige schare? Hij riep tot God—en zie, twintig brooden lagen op zijne tafel! Sedert ging er geen jaar voorbij, zonder dat er een of ander wonder te Sarow gebeurde; de voorbeelden van genezing waren talrijk; en voor zijne cel verdrongen zich kreupelen en blinden, dooven en stommen, om door hem verlost te worden van hunne kwalen.
Seraphim stierf in 1833; toch geschieden er nog voortdurend wonderen op zijn graf, tot op dezen dag. Reeds door het volk heilig geacht, wacht hij zijne plechtige canonisatie nog slechts van de kerk. Iedere nieuwe keizer maakt een heilige, zooals in Turkije iedere nieuwe sultan een moskee bouwt; en de publieke opinie wijst Seraphim aan als den man, die zijne heiligverklaring van Alexander III wacht.
Nog beroemder is Tikhon, weleer bisschop van Woronesj, thans een erkende heilige van de orthodoxe kerk: Tikhon is de officiëele heilige van de tegenwoordige regeering; hij dankt zijne canonisatie aan den regeerenden keizer.
Timotheus Sokoloff, de zoon van een armen voorlezer in eene dorpskerk, werd in het jaar 1724 in de provincie Nowgorod geboren, die aan Rusland zoo vele heiligen geschonken heeft. De voorlezer had een groot gezin en een gering inkomen. Timotheus werd al vroeg bij een boer op eene naburige hoeve in dienst gedaan. Des daags op het veld arbeidende, des nachts in de schuren toevende, weinig slapende en nog minder etende, wist hij toch gelegenheid te vinden om lezen en schrijven te leeren. Hij werd nu naar eene pas geopende school te Nowgorod gezonden, waar hij zoo ijverig leerde en arbeidde, en zoo groote vorderingen maakte, dat hij, na afloop van zijn leertijd, tot onderwijzer bij die school werd benoemd. Maar zijn hart was niet bij het onderwijs. Reeds als kind was het zijn lust, gewijde liederen te zingen, de mis bij te wonen, alleen te zijn met zijne boeken; mitsdien vermeed hij zooveel mogelijk den omgang met menschen en schuwde hij de vermaken der jeugd. Een gezicht bepaalde zijne keus voor zijn volgend leven. „Toen ik nog onderwijzer in de school was,—zoo verhaalde hij later aan een vriend—placht ik geheele nachten op te zitten, lezende en peinzende. Op zekeren nacht in Mei, begaf ik mij naar buiten. Het was prachtig weder, en een heldere, onbewolkte lucht. Ik zag naar de fonkelende sterren, en heilige gedachten van eeuwig leven en hemelsche heerlijkheid rezen in mijne ziel op. Plotseling opende zich de hemel voor mijn blik: een gezicht, in geen menschelijke taal weder te geven. Mijn gansche hart werd als van zaligheid overstroomd; en van dat oogenblik kende ik geen vuriger begeerte dan de wereld te verlaten.”
Weinige jaren nadat hij de monnikspij aangetogen en zijn wereldlijken naam Timotheus voor dien van Tikhon verwisseld had, werd hij uit zijne nederige cel geroepen om den bisschoppelijken zetel te bestijgen, eerst te Nowgorod, later te Woronesj. Het bisdom van Woronesj, aan de grenzen der tartaarsche steppen gelegen, had eene zeer eigenaardige, half wilde bevolking: Kozakken, Kalmukken, Malo-Russen: een wonderlijk mengelmoes van allerlei stammen, die een zwervend leven leidden, lui, roofzuchtig, aan dronkenschap en onmatigheid ten prooi. De geestelijkheid was misschien nog dieper gezonken dan de leeken. Woronesj bezat geene scholen; de popen konden ter nauwernood lezen; de heilige dienst werd slecht en oneerbiedig afgeraffeld. De geheele bevolking was in allerlei zonde en ongerechtigheid verzonken. Tikhon aanvaardde, met zeldzamen moed, den strijd tegen deze overmacht des kwaads, en tastte het in den wortel aan, beginnende met de geestelijkheid. Ten einde den priesterlijken stand te verheffen, en hen die zich daarvoor voorbereidden, achting voor zich zelf in te boezemen, verbood hij het gebruikelijke geeselen op de seminariën. Deze hervorming was slechts een voorteeken van hetgeen volgen zou. Langzamerhand wist hij door leer en voorbeeld zijne geestelijkheid te bekeeren; hij noopte hen als priesters te leven, alle onmatigheid en ongerechtigheid te schuwen, en zich als ware dienstknechten Gods te gedragen. Binnen twee jaren hervormde hij de scholen en zuiverde hij de kerk. Met niet minder zorg waakte hij over de hem toevertrouwde kudde; ook daar ging hij het kwaad te keer. Meermalen moest hij harde woorden spreken: maar zoo groot was de eerbied, dien allen voor den goeden, ernstigen bisschop gevoelden; dat niemand zijn gebod dorst te overtreden. „Gij moet doen wat Tikhon u zegt,” spraken de burgers en landlieden menigmaal tot elkander; „anders zal hij u bij God verklagen.” De bisschop zelf ging allen voor. Hij kleedde zich zoo eenvoudig mogelijk; hij gebruikte de meest alledaagsche spijzen; de wijn werd onaangeroerd van zijne tafel naar de zieken gezonden. Hij was de vriend der armen, en ging alleen dan de rijken bezoeken, wanneer geen ellendigen of ongelukkigen zijne hulp behoefden. Het geheim van Tikhon’s macht lag in zijn onberispelijken wandel, in zijne medelijdende teederheid, in zijn edel liefhebbend hart:—trouwens, waar elders schuilt de macht van alle waarlijk edelen en goeden, van alle echte volgelingen des Heeren? „Gebrek aan liefde, placht de waardige herder te zeggen, is de oorzaak van al onze ellende; hadden wij onze broeders hartelijker lief, het zou ons lichter vallen smart en moeite te dragen; de liefde weet alle leed en alle pijn te verzachten en te genezen.”
Zoo leefde hij twee jaren in Nowgorod, vijf jaren in Woronesj, tot een zegen voor allen, die hem leerden kennen: toen werd de begeerte naar afzondering hem te sterk. Hij legde den herdersstaf neder, verliet zijn bisschoppelijk paleis, en trok zich terug in het klooster van Zadonsk, eene kleine stad aan de Don, waar hij zich onledig hield met schrijven en het bezoeken van armen. Maar ook nu was zijn arbeid gezegend en rijk aan gevolgen: Tikhon was een der eersten, zoo niet de eerste, die openlijk optrad als voorspraak en pleitbezorger voor de lijfeigenen. Vijftien deelen van zijne hand hebben het licht gezien; naar men zegt, zijn er nog vijftien deelen in handschrift aanwezig; en sommigen van deze werken hebben vijftig herdrukken beleefd. Zijne grootste verdienste als schrijver bestaat wel hierin, dat hij de vrijlating der lijfeigenen voorzag, voorbereidde en onvermoeid verdedigde en aanprees.
Vijftien jaren lang leidde hij het leven van een heilige. Als vriend en voorspraak der verdrukte lijfeigenen, ging hij op zekeren dag naar het kasteel van een prins in den omtrek van Woronesj, om dezen te onderhouden over het ongelijk dat zijn onderhoorigen werd aangedaan, en hem om Jezus wil te bidden, medelijden te hebben met de armen. Tikhon zeide ronduit wat hij te zeggen had; de prins maakte zich boos; het kwam tot vrij hooge woorden, en in een oogenblik van drift gaf de prins hem een slag in het aangezicht. Tikhon stond op en verliet het huis; maar toen hij een eind weegs was voortgegaan, begon hij te begrijpen dat hij zelf verkeerd had gehandeld, niet minder dan zijn beleediger. Deze man, zoo sprak hij bij zich zelf, heeft iets gedaan, waarover hij, als zijn drift voorbij is, zich zal schamen; en wie heeft aanleiding gegeven tot deze booze daad? „Het was mijne schuld,” antwoordde de boetprediker, keerde zich om en ging terug naar het kasteel. Daar wierp Tikhon zich aan de voeten van den prins, hem vergeving vragende omdat hij hem tot toorn had geprikkeld en tot zonde verleid. De prins was, door deze onverwachte verschijning, zoo getroffen, dat hij zich nevens den monnik op de knieën wierp, diens handen kussend, en zijne vergiffenis en zegen afsmeekende. Van dien dag was de prins een ander mensch, door geheel de provincie bekend en geliefd als een vriend en vader zijner onderhoorigen.
Tikhon bereikte den ouderdom van tachtig jaren. Voor zijn dood voorspelde hij aan de broederen van zijn klooster nauwkeurig den dag van zijn sterven: en deze voorspelling werd letterlijk vervuld. Hij werd in de kloosterkerk begraven, en weldra stroomden van alle kanten scharen van bedevaartgangers naar zijne grafstede. Want van het gebeente des heiligen mans ging kracht uit tot genezing der kranken: de kreupelen werden gezond, de blinden ziende, de gebogenen opgericht. De stemme des volks vorderde de heiligverklaring van dezen vriend der lijfeigenen; en de tegenwoordige keizer, aan die roepstem gehoor gevende, noodigde de heilige synode uit, het voor de canonisatie gevorderde onderzoek in te stellen. Eene commissie werd benoemd; de zaak werd onderzocht; de wonderen worden bewezen; vervolgens werd het graf geopend. Een geur van bloemen steeg uit de lijkkist op; het lichaam was ongeschonden, bloeiend en frisch: het besluit der canonisatie werd geteekend in het jaar 1861, het jaar der groote emancipatie. Tikhons naam is onafscheidelijk aan dien maatregel verbonden.
Maar het grootste wonder uit dien nieuweren tijd, het schitterendst bewijs der bijzondere bescherming Gods over het heilige Rusland, is de verdediging van Solowetsk door de moedermaagd, toen de engelsch-fransche vloot in 1854 de heilige-eilanden bedreigde.
Zoodra te Petersburg de tijding was ontvangen, dat eene engelsche vloot naar de Poolzee koers had gezet, werden door het ministerie van oorlog de gewone maatregelen van tegenweer genomen, voor zoover dat, in de bestaande omstandigheden, mogelijk was. Zes oude stukken vestinggeschut, die eene plaats in een museum hadden verdiend, werden van Archangel naar het klooster gezonden, tegelijk met vijf artilleristen en vijftig liniesoldaten, uit het invaliden-corps gekozen. Aan het hoofd dezer krijgsmacht stond een officier, die echter spoedig overleed, juist toen de engelsche schepen in de Witte-zee waren gekomen.
In hun eersten schrik hadden de monniken de kostbare gewaden en kerksieraden, de charters en edelgesteenten naar de steden in het binnenland gezonden, vader Alexander, de archimandriet, had gebeden en bijzondere diensten in de verschillende kerken en kapellen uitgeschreven; hij zelf bediende de mis voor de graven van Savatius en Zosimus, in de krypt der kathedraal, en ook voor de wonderdoende afbeelding der heilige maagd, door Savatius naar het eiland gebracht. Naarmate de tijdingen onrustbarender werden en het gevaar naderde, sterkte de archimandriet de broederen door toespraak en vermaning, hen opwekkende al hun vertrouwen op God te stellen en van hem alleen de hulpe te verwachten.

Ontginning van een russisch woud.
In den morgen van dinsdag, 18 Juli 1854, berichtten de wachters dat twee fregatten kaap Beluga waren omzeild;—de archimandriet schreef een driedaagsche vasten uit. De beide fregatten wierpen het anker uit, op zeven mijlen afstands van de kust:—de archimandriet beval dat de kloosterklok zou worden geluid voor eene bijzondere dienst ter eere der Allerheiligste Moeder Gods. Als een der oude hebreeuwsche koningen, ontdeed hij zich van zijn plechtgewaad, vernederde zich voor het oog der eerwaarde vaders, en bad voor de graven van Savatius en Zosimus geknield. Toen nam hij het wonderdoende beeld der Panagia (de Alheilige, bijnaam der Maagd Maria in de oostersche kerk) van den wand, en droeg dit in statigen ommegang langs de wallen, gevolgd door al de monniken. En zie—de beide fregatten lichtten het anker, en verwijderden zich.
Echter, daar de schepen in het richting van Kem waren weggestoomd, bestond er alle reden om te vreezen, dat zij terug zouden komen. De vaandrig Niconowitsj, die het bevel over de kompagnie invaliden op zich had genomen, ging op verkenning van het strand uit, twee drieponders door het zand met zich medevoerende; terwijl een aantal pelgrims en werklieden zich vrijwillig aanboden om de wacht te betrekken. Niconowitsj wierp, van zand en graszoden, eene soort van batterij op, waarachter hij zijn geschut plaatste; ook werden acht kleine veldstukjes op de torens en wallen geplaatst, waarna de monniken hunne gebeden hervatten.
Den volgenden dag werd een donkere rookkolom in de heldere zomerlucht zichtbaar. De twee schepen, die weldra bleken de Brisk en de Miranda te zijn, stoomden de baai binnen. De Brisk begon den aanval: zij vuurde met schroot op het klooster. Het scheelde weinig, of de archimandriet, die op de kaai stond, ware door een kogel getroffen; de monniken, verschrikt door het ratelend geschut, vloden naar het binnenplein, en sloten de heilige-poort achter zich toe.
Een zekere Drushlewski, een onderofficier, die met tien man en een kanon in den Weverstoren stond, beantwoordde het vuur der Engelschen; waarop het fregat, zich naar den toren keerende, dezen de volle laag gaf. Drushlewski raapte den hem toegeworpen handschoen op; maar daar hij slechts weinig buskruit had, spaarde hij zijne krachten en berekende zijne slagen. De Brisk vuurde dertig malen; slechts driemalen werd het kanon in den Weverstoren afgeschoten. Het laatste schot deed het engelsche fregat afdeinzen: de kogel was in de zijde van het schip gedrongen en had een man gedood.
De nacht werd in gebeden doorwaakt. De archimandriet kuste Drushlewski, en gaf aan allen, die in de Weverstoren waren geweest, zijn zegen. Toen de zon aan de kimme verdwenen was, waren de fregatten uit het gezicht; maar toch was niemand gerust; het gevaar was nog niet geweken.
De volgende dag, donderdag 20 Juli, was een der grootste heiligedagen in den russischen kalender: het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouwe van Kazan: een dag waarop in geheel Rusland geen ploeg door het land gedreven, geen fabriek geopend, geen school gehouden wordt. Evenals naar gewoonte, werden, ten half drie in den morgen, de metten in de kathedraal gezongen; juist was het Te Deum geëindigd, toen een sloep, de witte vlag voerende, van de Brisk afstak en naar de kaai voer. Zij bracht een brief voor den archimandriet, waarbij de overgave van het klooster werd geëischt, met bepaling tevens dat de bevelhebber in persoon zijn zwaard moest overgeven, en dat het garnizoen krijgsgevangen zou worden. De engelsche admiraal Ommaney waarschuwde den archimandriet, dat wanneer een schot van de wallen werd gelost, het bombardement onmiddellijk zou beginnen. De archimandriet zeide, dat hij zijn antwoord aan den admiraal zou zenden. Dit antwoord was eene uitdrukkelijke weigering om de sleutels van het klooster over te geven; een pelgrim, Soltikoff genaamd, werd met de overbrenging belast.
De admiraal las den brief, en verklaarde dat alle verdere onderhandeling overbodig was, en het bombardement aanstonds zou beginnen. Met moeite stond hij eenig uitstel toe; nauwelijks had Soltikoff de heilige-poort bereikt, of de eerste bom vloog over de wallen van het klooster. Het was nu kwartier over zevenen. Juist toen de engelsche schepen hun vuur openden, riep de kloosterklok de monniken ten gebede. Bommen, kogels en granaten daalden in suizende vaart en met ratelend gerucht, als een hagelbui, op de muren en koepels neder; rusteloos woedde de verdelgende oorlogsorkaan daar buiten: toch werd de heilige dienst den ganschen dag door onverpoosd voortgezet, en zweeg in den tempel de stem des gebeds geen oogenblik! Terwijl de schare geknield lag, sloeg een bom in den koepel van de kathedraal, vernielde de houten kap, en deed de zoldering naar beneden tuimelen. De balken vatten vuur; de gansche kerk werd met rook gevuld; de vensters rammelden, de deuren vlogen open; het gansche gebouw dreunde en sidderde op zijne grondslagen;—de ontzette schare wierp zich met het gelaat op de steenen. Een man alleen behield zijne tegenwoordigheid van geest. Voor de koninklijke poort staande, riep de archimandriet zijn kinderen toe: „Blijft! blijft! Weest niet verschrikt; de Heer zal de zijnen bewaren!”—Opziende, zagen de monniken en pelgrims den eerwaardigen grijsaard, staande voor het altaar, kalm en onversaagd, terwijl groote tranen langs zijne wangen biggelden. Dit gezicht bezielde hen met nieuwen moed. Zij sprongen op, haalden water, doofden de vlammen uit, ruimden de neergestorte planken en balken weg; en nadat de kerk gereinigd was, bogen zij zich op nieuw ter aarde en baden.
Voor de graven van Savatius en Zosimus werd de dienst den ganschen dag voortgezet. Eenmaal trof een kogel het altaar; de dienstdoende pope sprong terug; de gemeente boog in ontzetting het aangezicht ter aarde. Ieder dacht dat zijn laatste uur gekomen was; en in hunne bekommering vroegen velen om het laatste sakrament. Vader Varnau zette zich in den biechtstoel, nam de geloovigen de biecht af, en diende het sakrament toe. De archimandriet was de eerste, die belijdenis zijner zonden deed, en het lichaam des Heeren genoot. De popen en andere broeders volgden; toen de pelgrims, de soldaten, de vrouwen, en nadat allen de absolutie ontvangen hadden, knielden zij neder voor de altaren en bij de graven van Filippus, Savatius en Zosimus, en in de kapel der moeder Gods. Inmiddels zweeg de donder van het geschut niet, en raasde de wilde storm van ijzer en vuur onophoudelijk over het sidderende klooster.
Het was middag geworden. Daar luidden nogmaals de kloosterklokken: de monniken en pelgrims verzamelden zich op den wal en schaarden zich daar in rijen voor de groote processie. De monniken openden den langen trein; op hen volgden de pelgrims, daarachter kwamen de vrouwen en kinderen. Toen zij allen gereed waren, nam de archimandriet de wonderdoende beeltenis der heilige maagd, die nevens het altaar hing, en het groote, hoog vereerde crucifix. Het kruis in de rechter, de madonna met de linkerhand gevat houdende, plaatste hij zich aan het hoofd der schare en leidde haar langs de wallen, onder het vuur des vijands. De groote klok luidde, de monniken en pelgrims hieven hun psalmen aan. Kogels en granaten vlogen snorrend over hen heen; de muren sidderden; de pannen stoven in splinters van de daken. Nabij den hoektoren aan het Heilige-meer gekomen, moest de processie stilhouden: een granaat had den windmolen getroffen en de wieken in brand gestoken. Psalmen zingende en luide biddende, wachtten allen tot het vuur was uitgebrand, en vervolgden daarna hun tocht. Een weinig verder, vloog een bom midden door den muur, steenen, balken en planken verpletterende en voortslingerende tot midden onder de processie: die daardoor in tweeën werd gebroken. „Gaat voort!” riep de archimandriet, met zijn kruis zwaaiende,—en de schare ging voort, altijd voort.—Bij den Weverstoren gekomen, riep de archimandriet den monnik Gennadius, en gaf hem het kruis, met last om daarmede in den toren te gaan, en het beeld des Heilands door de soldaten te doen kussen.
Thans zou er een wonder geschieden. De processie had den Weverstoren verlaten, en een open plek bereikt, die zij over moest steken onder het geweldige vuur des vijands en den vernielenden kogelregen. Geen menschelijk wezen kon ongestraft dat vuur trotseeren, tenzij dat eene bovenaardsche macht hem beschermde. Nu zou het geloof dezer onverschrokken mannen inderdaad op de proef worden gesteld. Een oogenblik stond de processie stil; maar de aarzeling duurde ook slechts een oogenblik. De archimandriet, de beeltenis der moedermaagd opheffende, trad onbeschroomd in die dwarrelwolk van stof en rook; de monniken en pelgrims, de vrouwen en kinderen volgden, luide hunne lofzangen zingende.—En zie—de bommen en granaten der engelsche schepen weken van haar baan, dwarrelden boven de koepels en torens, en stortten neder in het Heilige-meer achter het klooster. Aller oogen aanschouwden het wonder; en uit aller harten steeg, met heilige ontroering, de dank tot onze-lieve-vrouwe, de machtige en zegepralende Panagia!
De fregatten hielden af en verwijderden zich, om niet weder terug te keeren; overwonnen en te schande gemaakt, hoewel niet door menschelijke macht. Niemand in het klooster had eenig letsel bekomen, niettegenstaande het woedende bombardement langer dan een halven dag geduurd had.
De tijding van dezen onwaardigen en heiligschennenden aanval vloog, als een elektrieke schok, door het gansche groote rijk, overal de heftigste gemoedsbewegingen in het leven roepende. De gewaarwording, die de geloovige Rus bij dit bericht moest ondervinden, laat zich het best vergelijken met hetgeen in ons gemoed zou omgaan op het vernemen der tijding dat een of andere turksche pâsha de kerk van het Heilige-graf te Jeruzalem had laten bombardeeren. Verbazing, verontwaardiging, woede kookten in aller hart; tot straks de blijde mare kwam dat deze hemeltergende aanslag was mislukt en geheel te schande gemaakt. Sinds dat wonderjaar is de glorie van Solowetsk hooger dan ooit geklommen: eene bedevaart naar het klooster op het Heilige-eiland geldt voor bijna even verdienstelijk als een pelgrimage naar Bethlehem en het graf des Heeren. Boeren en landlieden gaven het voorbeeld; monarchen en vorsten volgden. Alexander III is in bedevaart naar Solowetsk getogen; zijn broeder Constantijn is hem gevolgd; twee van ’s keizers zonen zullen eerlang denzelfden tocht aanvaarden. Men zegt zelfs dat de keizerin de gelofte heeft afgelegd, het graf van Savatius te zullen bezoeken, indien de hemel haar hare gezondheid wedergeeft.

Een russisch dorp.
XI.
De russische sekten.
De vreemdeling, die niet aan den uiterlijken schijn der dingen blijft hangen, en niet enkel de officiëele waarheid als de alleen geldende aanneemt, zal weldra tot de ontdekking komen, dat in de diepte der russische maatschappij vijandige elementen aan het woelen en gisten zijn: een conflict van vrij wat meer beteekenis, dan de meer of minder openlijk gevoerde strijd tusschen de wereldlijke geestelijkheid en de kloosterlingen. Ook in Rusland bestaan er partijen, die, overeenkomstig den geheelen maatschappelijken toestand en het standpunt van ontwikkeling, waarop het russische volk staat, tegelijk een kerkelijk en een staatkundig karakter hebben: sekten in de eerste plaats, maar tevens ook politieke factiën. Trouwens, de orthodoxe kerk is eene staatsinstelling, waarvan de keizer het erkende hoofd is; wie zich dus van haar afscheidt, keert zich tegelijk, in meerdere of mindere mate, tegen de regeering zelve.
Keizer Nikolaas wilde er niet gaarne van hooren, dat een zijner onderdanen van zijne kerk afvallig was geworden; hij trachtte zich het onaangename feit, dat er toch werkelijk dissidenten waren, zooveel mogelijk te ontveinzen; vooral het naar buiten geheim te houden. Nu, wat de meester niet wilde vernemen, trachtten de ministers ook niet te zien. De tsaar beroemde er zich gaarne op, dat millioenen Muzelmannen, Joden en Boeddhisten in vrede onder zijn schepter leefden; maar dat een zijner eigene landgenooten zich veroorloofde in godsdienstige overtuiging met den keizer te verschillen, stond in zijne oogen bijna met oproer en hoogverraad gelijk. De kerk had nu eenmaal vastgesteld wat ieder te gelooven had, den eenigen weg afgebakend om aan het eeuwig verderf te ontkomen: daaraan moesten nu ook allen zich houden. Had de keizer zelf niet gezworen, dat hij dit geloof zou eerbiedigen en handhaven? Zoolang Nikolaas leefde, behoorde het in het Winterpaleis tot den goeden toon, niet meer aan het bestaan der vroegere sekten te gelooven: men deed het voorkomen, alsof zij allen verdwenen waren, en er in het gansche rijk inderdaad niet meer dan ééne christelijke kerk bestond. Misschien is keizer Nikolaas de eeuwigheid ingegaan, zonder ooit de waarheid te hebben vernomen omtrent die vele duizende menschen, die, naar het heette, voor zijne ongenade als versmolten waren.
Intusschen won, buiten het Winterpaleis en de officiëele kerkelijke kringen, de afscheiding in kracht en tal, gedurende de geheele regeering van den tsaar. Ongetwijfeld keerden enkelen in den schoot der orthodoxe kerk terug—maar door geweld gedwongen. Doch dergelijke maatregelen mogen sommigen ontrouw doen worden aan hun geloof: zij, voor wie dat geloof waarlijk ernst, eene zaak des harten was, waren op deze wijze niet te winnen, al moesten zij bittere tijden doorleven. Eene godsdienstige overtuiging wordt niet waarlijk overwonnen door het bestormen van de bedehuizen harer belijders; en de dertigjarige vervolging heeft niet anders uitgewerkt, dan dat de dissidenten heden ten dage talrijker, welvarender, vaster aaneengesloten zijn, dan toen keizer Nikolaas den troon beklom.
Het is misschien niet gemakkelijk, het in opzettelijke zelfmisleiding verder te brengen, dan in deze officiëele lijst geschiedt. Vier groepen alzoo, en niet meer? Maar de waarheid is, dat de russische raskolniken (dissenters, afgescheidenen) zich wel in honderd sekten verdeelen. Ook de rangschikking is zonderling, en berust op geen enkelen redelijken grond. De Worstelaars van den geest, die het eerst worden genoemd, zijn noch eene oude, noch eene machtige sekte. De Melkëters zijn van lateren oorsprong dan de Geeselaars en de Gesnedenen; ook dragen deze beide laatste sekten een geheel ander karakter dan de beide eerstgenoemden, die, in sommige opzichten, met de Methodisten en Puriteinen zijn te vergelijken. De Khlystis zijn niet zoo talrijk als de Skoptzis, hoewel zij hoogstwaarschijnlijk de Doukhobortzis in aantal overtreffen.
De oorsprong der Khlystis moet wellicht in de dertiende of veertiende eeuw worden gezocht; niemand schijnt daarvan met juistheid iets te weten; volgens sommigen zou de sekte in de eerste jaren van tsaar Alexis Michaelowitsch, dat is dus omstreeks de helft der zeventiende eeuw, zijn ontstaan. Zij zelf noemen Christus als de stichter hunner sekte. De Skoptzis zijn nog ouder; zij zijn zeer talrijk en over het algemeen zeer vermogend, maar houden zorgvuldig alles wat hun geloof en hunne gebruiken betreft, geheim. Zij noemen zich zelf Beliegolubis, witte duiven, en gelooven, naar het schijnt, aan eene voortdurende incarnatie van Christus: een dezer laatste verschijningen van den Heiland was, volgens hen, tsaar Peter III, dien zij allen bijzondere eer bewijzen.
Doch deze vier groepen zijn, heden ten dage, niet meer de belangrijkste; wel bestaan zij nog altijd, komen voor in officiëele lijsten en verslagen, worden besproken in boeken en verhandelingen; maar zij zijn, in zekeren zin, historische sekten, die tot een vroegeren tijd behooren, en voor wie, zooals het gaat, de tijd van aanvallende propaganda grootendeels voorbij is. De altijd werkzame schismatieke geest gaat nog voortdurend voort, zich in andere, nieuwere vormen te openbaren. Naarmate het onderwijs algemeener wordt, vermenigvuldigen zich de sekten. Een pope zeide eens tot mij: „Hetgeen in onzen tijd gebeurt, verbaast en bedroeft mij. Ik wil gaarne van deze eeuw het beste denken: maar het is mijne doorgaande ervaring, dat zoodra een boer kan lezen en voor zich zelf begint te denken, hij onvermijdelijk een ketter wordt.”—Er heerscht in de russische maatschappij, in de russische kerk, eene sterke beweging, eene machtige gisting: een voorgevoel van de naderende crisis vervult de gemoederen der menschen met vrees en hoop, met twijfel en dorst naar zekerheid; het is of allen, in angstige spanning, uitzien naar eene openbaring van boven, die aan de bestaande onzekerheid en verwarring een einde zal maken. Vandaar, dat ieder stoutmoedige dweeper of listige bedrieger, die zich zelf voor een profeet durft uitgeven, aanstonds eene schare van volgelingen vindt. Deze verschijnselen zijn teekenen der tijden, die met de diepste bewegingen in de wereld der geesten, met den historischen ontwikkelingsgang des volks, samenhangen, en getuigen van bestaande behoeften, die op deze wijze bevrediging zoeken. De meesten dezer sekten hebben zoowel een politiek als een godsdienstig karakter. Inlichtingen, die ik in verschillende, ver verwijderde provinciën van het groote rijk heb ingewonnen, stellen mij in staat het een en ander mede te deelen omtrent godsdienstige genootschappen van zoo jongen datum, dat zelfs in Rusland hunne namen nog ternauwernood bekend zijn.
In het jaar 1868 vormde zich plotseling in de stad Atkarsk, in het gouvernement Saratow en in het bisdom van Tsaritzin, eene nieuwe sekte. Zestien personen scheidden zich van de orthodoxe kerk af, zonder daarvan kennis te geven aan hun pope; zij stichtten eene nieuwe godsdienst, en begonnen, op hunne wijze, het Evangelie te prediken. Heiligenbeelden en altaarstukken beschouwen zij als afgoden; het brood en de wijn des avondmaals hebben, volgens hen, hun tijd gehad. Zij zeiden van Christus zelf den last ontvangen te hebben om te onderwijzen, te prediken, te lijden en eene kerk te stichten. Om aan die goddelijke lastgeving te voldoen, begaven zij zich naar de rivier de Wolga, dompelden elkander in hare wateren, namen een anderen naam aan, en hielden te zamen een plechtig feest. Dit gebeurde midden in den winter, op asch-woensdag, 26 Februari, toen de wateren van de Wolga met ijs waren bedekt, waarin gaten gehouwen moesten worden.—Deze nieuwe apostelen der waarheid geven zich zelf den bescheiden naam van kleine-christenen. Zij hebben geen priesters, geen formulieren, geen beelden; gebruiken geen hostiën en geen gewijde olie. In plaats van het gewijde brood, eten zij een soort van koeken, in vorm en omvang aan een half-stuivers broodje gelijk, die zij als een bijzondere gave van God vereeren, en waaraan zij allerlei geheimzinnige krachten en bovennatuurlijke vermogens toeschrijven.
Zoodra de bisschop van Tsaritzin van deze beweging onder zijne kudde hoorde, richtte hij een schrijven aan graaf Tolstoï, den minister van onderwijs, die aanstonds zijne bevelen zond naar de plaatselijke politie. De nieuwe sektarissen moesten nauwkeurig worden gadegeslagen; geen indompelingen in het ijs mochten meer worden toegelaten; met het bakken der gewijde koeken mocht niet worden voortgegaan. Elke prediking van deze nieuwe leer moest onmiddellijk worden verboden; de bisschop moest geraadpleegd worden omtrent hetgeen verder tegen de sektarissen te doen viel. Al deze bevelen werden stiptelijk uitgevoerd; de politie bereikte ook hier het gewone resultaat van hare ijverige pogingen: de ketterij der kleine-christenen wint met den dag veld.
Datzelfde jaar 1868 was getuige van de opkomst van nog eene andere sekte. De gouverneur van Kherson vernam, tot zijne verbazing, dat eenige boeren in zijne provincie door de politie in hechtenis waren genomen om de zeker niet alledaagsche reden, dat zij zich veel te goed en te ordentelijk gedroegen voor lieden van hun stand. Naar men zeide, dronken die boeren geen sterken drank, vloekten niet, logen niet, waren niemand iets schuldig, en gingen ook niet ter biecht om den pope hunne zonden te belijden. Niemand begreep daar iets van; en de politie, geërgerd dat zij niets ten nadeele van die lieden vinden kon, nam ze allen met een slag gevangen, zette ze in den kerker, en berichtte den gouverneur welke vermoedens bij haar waren gerezen.
Deze al te deugdzame boeren waren broeders, Ratushni genaamd, woonachtig in het dorp Osnowa, waar zij eenig land in eigendom bezaten. Osnowa ligt in de nabijheid van een kleine stad, Ananiew genaamd, waar een eenvoudig burger, Vonsarski, woonde, die ook bij de politie met een zwarte kool stond aangeschreven, omdat ook hij een veel te braaf man was voor zijn stand. Vonsarski betaalde zijn schulden, en brak nooit zijn woord; hij leefde in vrede met zijne vrouw,—en verscheen nooit ter kerk. Hij werd dus ook gevangen genomen, tot de gouverneur uitspraak zou hebben gedaan.
Naar men zegt, had de politie gehandeld op aansporing van de monniken. Al was er op het oogenblik met grond niets tegen de gevangenen in te brengen, toch hoopte men dat op het gerucht hunner gevangenneming, de tongen los zouden worden, en dan wellicht het een of ander uit zou lekken, waaruit met fatsoen eene niet al te dwaze beschuldiging tegen deze lieden ware samen te stellen.
De Ratushni’s en Vonsarski stonden bekend als verlichte mannen; men wist ook dat zij meermalen in aanraking waren geweest met de hernhuttersche kolonisten in het zuiden van Rusland. Het gaf reeds ergernis genoeg, dat zij blijkbaar de voorkeur gaven aan de wijze waarop deze vreemdelingen hunne paarden optuigden en hunne ossen voor den wagen spanden. Bovendien was er alleszins grond voor het vermoeden, dat zij geen onbepaalde bewonderaars waren van de organisatie der landelijke gemeenten, maar een ander stelsel wenschten, dat meer ruimte liet voor de betooning van rechtvaardige en waarlijk godsdienstige onderlinge liefde en behulpzaamheid. Men gaf hun om die reden den naam van Helpers. Maar hun voornaamste misdaad was toch altijd hunne minachting voor de kerkelijke ceremoniën, en hun zucht voor huiselijke godsdienstoefening, zonder inmenging van den pope.
De gouverneur van Kherson aarzelde geen oogenblik wat te doen: hij liet de gevangenen aanstonds in vrijheid stellen. De monniken beschuldigden hem nu van medeplichtigheid aan ketterij, en noemden hem een scheurmaker; maar hij wees hen op paragraaf elf van de keizerlijke ukase betreffende de dissenters, waarin met zoovele woorden te lezen staat dat ieder mag gelooven wat zijn geweten hem gebiedt, en deswege geen overlast zal lijden, zoolang hij door zijne pogingen om anderen te bekeeren geen onrust en ergernis verwekt. De prins voegde er de vermaning bij, dat de geestelijkheid, indien zij hare roeping waardiglijk wilde vervullen, zich beijveren moest om de afgedwaalde schapen weder tot de kudde terug te voeren.
In de omstreken van Kazan hoorde ik voor het eerst spreken van een nieuwe sekte, die in het gouvernement Wjatka was ontstaan, en der regeering vele moeilijkheden dreigde te veroorzaken. De aanhangers dezer sekte waren arme boeren, die zich verbeeldden dat zij een aangeboren recht op den grond hadden, en het dus eene ongehoorde tyrannie was, van hen de betaling van pacht te vorderen. Het kanton Mostowinsk, in het district Sarapul, was het tooneel dezer beweging. De provincie Wjatka, aan de aziatische grenzen gelegen, heeft eene zeer gemengde bevolking, uit Russen, Finnen, Basjkiren, Tartaren bestaande; in hare diepe, moeilijk toegankelijke dalen vindt men belijders van bijna iedere godsdienst: christenen, mohammedanen, boeddhisten, heidenen; onder allerlei namen en vormen. In deze eene provincie tieren zeker twintig verschillende christelijke sekten; en daar alle vreemdelingen en afgodendienaars in dat gouvernement het recht hebben om door hunne eigene hoofden te worden geregeerd, is het geen gemakkelijke taak de ketterij in al hare verwarde vertakkingen na te gaan. Maar eene sekte als deze kon kwalijk verborgen blijven. Willen zij hun plicht betrachten en hun leeraar gehoorzamen, dan moesten deze sektarissen voor de wereld optreden, hunne leer bekend maken en verdedigen: dit was het noodzakelijk gevolg hunner bekeering; en toen dan ook de tijd voor het betalen der pacht gekomen was, weigerden zij de betaling. Evenals alle kroonboeren (en deze hervormers waren allen voormalige kroonboeren) hadden zij hunne woningen en een zeker stuk land in eigendom ontvangen, onder voorwaarde dat zij, gedurende zekeren tijd, eene zeer matige rente zouden betalen. Nu weigerden zij dit en wel om godsdienstige redenen.

Een russische postillon.
De gouverneur van Wjatka, hierover ongerust, schreef naar Petersburg om nadere instructies. Hem werd gelast, een onderzoek in te stellen, de leiders gevangen te nemen; en zorgvuldig te waken tegen elk begin van verzet of oproerigheid. Ongeveer tweehonderd wanbetalers werden door de politie gevangen genomen, in afdeelingen gesplist en ondervraagd. Eenigen werden, op voorspraak van den gouverneur, weder ontslagen; maar toen ik Kazan verliet, waren drie-en-twintig dezer wanbetalers nog altijd in de gevangenis. Men kon hun maar niet aan het verstand brengen dat zij dwaalden; zij wilden zich niet verbinden, hunne leer niet verder te verspreiden; en, wat nog het ergste van alles was, zij bleven hardnekkig de voldoening der op hun land klevende rente weigeren. Wat moet een praktisch staatsman aanvangen met lieden, die, uit gemoedsbezwaren, de betaling van belasting en pacht weigeren?
Bij mijne komst in de provincie Simbirsk had ieder den mond vol van een zonderlinge soort van lieden, wier bestaan eerst onlangs was ontdekt. Een zekere Peter Mironoff, een gewoon soldaat, had zich opgeworpen als stichter eener nieuwe godsdienst, waarvan de belijdenis en gebruiken zeer geheim moesten worden gehouden, en die zelfs geen naam droeg. Deze Peter stond als een braaf, oppassend man bekend; hij was vroom, ernstig, ordelijk en betamelijk in zijn gedrag; als soldaat ontbrak hij nooit bij de exercitiën; als biechteling gaf hij zijn pope nimmer reden tot klachten. Niemand verwachtte van hem iets bijzonders. Naar men zegt, begon hij met veertien zijner makkers te bekeeren, die zich allen bij eede verbonden, dat zij de hun geopenbaarde waarheid geheim zouden houden; dat zij zooveel mogelijk alle aanleiding tot achterdocht zonden vermijden; dat zij, des noods, ballingschap, pijniging en zelfs den dood zouden ondergaan, maar nooit de geheime leer openbaren.

Een pope in vol ornaat.
Peter, die zelf niets geleerd heeft en dus hoegenaamd geen eerbied heeft voor boeken, is een verklaarde vijand van alle formulieren, van alle liturgiën, van alle levensbeschrijvingen der heiligen. Volgens hem, zijn lezen en schrijven gevaarlijke verleidingen en dwalingen: de overlevering, door eene levende persoonlijkheid bewaard en verkondigd, is voor hem de echte bron en toetssteen der waarheid. Hoewel hij ijvert tegen alle kruisen en beelden, hangt toch een zilveren heiligenbeeld, op eene zeer zichtbare plaats, in zijne kamer, en draagt hij voortdurend een koperen kruis om zijn hals. Hij leert zijn discipelen, dat de ware godsdienst bestaat in een voortdurenden strijd tegen het vleesch, en schrijft daarom zeer strenge vasten en onthouding voor. Als zij vasten, moeten zij zich volstrekt van alle spijze onthouden, om den Heer niet te bespotten; en zelfs wanneer zij aan de physieke behoeften des lichaams moeten voldoen, behooren zij toch alle overtollige weelde, als den uitverkorenen niet voegende, te vermijden, zooals het gebruik van vleesch en wijn, van melk en eieren, van olie en visch. Hij waarschuwt de jongelieden tegen de zonde van het huwelijk, en vermaant de gehuwden, met elkander als broeders en zusters te leven, in reinheid en vrede, zooals de engelen in den hemel. Volgens Peter is het menschelijk hart vol van goede en kwade beginselen en neigingen; hij houdt zich overtuigd dat het mogelijk is, het kwaad door het goed te overwinnen; vasten en bidden zijn de eenige en ook afdoende middelen om de booze geesten te verdrijven, die over het vleesch heerschappij voeren.