Het Vrije Rusland. (continued 3)
Reading edition
De volgelingen van dezen nieuwen apostel verwerpen alle mysteriën en sacramenten, alle uiterlijke teekenen en symbolen van Godsvereering. Zij leven in vrede met de wereld, helpen elkander zooveel in hun vermogen is, en gehoorzamen onvoorwaardelijk aan de bevelen van eene door hen gekozen heilige maagd: de door de zonde gevallen mensch kan, naar hunne meening, alleen eene vrouw en maagd als voorganger en leeraar erkennen. Het ware hoofd der sekte is dan ook eene boerenvrouw, Anicia genaamd, woonachtig in het dorp Perewoz, in het gouvernement van Tambow; zij staat niet alleen boven Peter Mironoff zelf, maar ook boven den Zaligmaker en Sint-Nicolaas.
De godsdienstoefeningen dezer sekte, die in het geheim, met gesloten deuren gehouden worden, beginnen en eindigen met gezang, begeleid door eene eigenaardige soort van kort afgebroken muziek, en vergezeld van dansen en springen. De vormen der eeredienst zijn gedeeltelijk aan de moskee ontleent. Zij bidden staande, buigen zich nu en dan met het aangezicht ter aarde, en onthouden zich van het teeken des kruises. Evenals alle dissidenten zonder onderscheid, zijn ook deze sektarissen vijandig gekant tegen den officiëelen staat, niet minder dan tegen de officiëele kerk.
Het duurde een geruimen tijd, eer Peter en zijne volgelingen bij de politie werden aangeklaagd; en nu zij er zich eenmaal mede heeft gemoeid, en de profeet en de maagd in de gevangenis zitten, weet de regeering niet best wat te doen. Bijna alle mannen en vrouwen toch, die beschuldigd werden leden te zijn van deze onwettige en godslasterlijke sekte, staan in de provincie Simbirsk bekend als lieden van een onberispelijken wandel. De hoofden der sekte staan bijzonder hoog aangeschreven, niet alleen als trouwe kerkgangers, maar zelfs als ijverige medearbeiders der geestelijkheid. Zij die door de politie op vermoeden werden gevat, waren in den regel in het bezit van een door den pope afgegeven certificaat, ten bewijze dat zij regelmatig ter biecht kwamen en hoogtijd hielden. Moeder Anicia, in haar dorp gevangen genomen, werd ten scherpste ondervraagd; maar toch men heeft niets tot haar nadeel kunnen vinden. Zij is veertig jaar oud, en, hoewel sedert negentien jaar gehuwd, nog altijd maagd: en al hare buren verklaren eenstemmig dat zij een onberispelijk voorbeeldig leven heeft geleid. Toch geeft de politie de zaak nog niet op: Peter en Anicia vertoeven nog altijd in den kerker: het proces is nog steeds aanhangig, en zal hoogstwaarschijnlijk daarmede eindigen, dat de model-soldaat en de onberispelijke boerin hun verder leven in een der Siberische mijnen zullen slijten.
Te Moskou verhaalde men mij van een sekte, die zeker wel de zonderlingste van allen mag worden genoemd: de zoogenaamde Napoleonisten. Hun haat tegen het rijk en de officiëele kerk heeft hen er toe gebracht, den geduchtsten vijand, dien Rusland in de laatste tijden gehad heeft, Napoleon I, als een soort van messias, als een beschermgod van het Slavonische ras, te vereeren. Natuurlijk dienen zij dit weinig vaderlandslievend geloof geheim te houden; ook laten zij niemand bij hunne godsdienstoefeningen toe. Toch beweert men dat zij een vast aaneengeschakeld genootschap vormen, en dat hun aantal gedurig toeneemt. Zij vergaderen met gesloten deuren, onder het oog der politie; maar zoovele sekten te Moskou doen hetzelfde, dat deze omstandigheid op zich zelf niet zoo bijzonder vreemd is. Naar men zegt, hebben zij in hunne woning een soort van altaar, waarop het borstbeeld van Napoleon staat, en waarvoor zij nederknielen. Zij houden zich overtuigd, dat hun messias nog in leven is; volgens hen, zou hij aan de handen zijner vijanden zijn ontkomen, en van St.-Helena naar Midden-Azië zijn gevlucht, waar hij nu zijn verblijf houdt te Irkutsk, nabij het meer Baïkal, op de grenzen van chineesch Tartarije. Vandaar zal hij te zijner tijd wederkomen, aan de onderlinge twisten der vele sekten een einde maken, zich aan de spitse van een machtig leger stellen, en de aanhangers van Satan, dat wil zeggen de regeerende dynastie en hare dienaren, slaan met de scherpte des zwaards.
XII.
De oud-geloovigen.
Al deze zonderlinge secten en geheime genootschappen zouden weinig gewicht in de schaal leggen, en hoogstens als merkwaardige uitingen van deels politiek, deels godsdienstig fanatisme de aandacht verdienen, indien zij enkel op zich zelf stonden, en niet veelmeer teekenen waren van een algemeen verspreide kwaal in het groote rijk. Hun aller gemeenschappelijke levensbodem, waarin zij wortelen, is de felle, diep verborgen afkeer van de officiëele orthodoxe kerk.
Buiten Rusland zijn er maar weinig menschen, die kennis dragen van het bestaan eener andere, populaire kerk nevens de officiëele; en nog minder is het bekend dat deze beide kerken in rustelooze vijandschap en bitteren strijd met elkander zijn gewikkeld. Toch mag dit feit geen oogenblik worden voorbijgezien door ieder, die zich rekenschap wil geven van de wezenlijke gesteldheid en de ontwikkeling van het russische rijk.
De aanhangers dezer populaire kerk zijn de zoogenaamde oud-geloovigen, dat wil zeggen: zij, die de voorgewende hervormingen van den patriarch Nikon verwerpen, en de oude, van de vaderen overgeleverde liturgie hebben behouden. „Gij zult in ons land, zeide een priester van het oude geloof tot mij, een kerk van Byzantium en eene kerk van Bethlehem vinden; eene oude leer en eene nieuwe leer; een stelsel van menschelijke inzetting en een van God gegeven Evangelie.”
Niemand heeft tot dusverre het juiste getal opgegeven van hen, die als oud-geloovigen zich van de staatskerk hebben afgescheiden. De regeering heeft somwijlen den schijn aangenomen, als wilde zij hen als dissenters behandelen; maar nooit heeft men den moed gehad, hen officieel onder de ketters en sektarissen te begrijpen. Men heeft hen beurtelings gehaat, gevreesd, gevleid, mishandeld; spionnen hebben hen bespied; de politie heeft hen in de gevangenis geworpen; ministers hebben hen door schitterende aanbiedingen pogen te verlokken; maar nooit heeft men het gewaagd hen te tellen, want de regeering zelve deinsde terug voor de waarheid, die dan onverbiddelijk aan het licht zou komen. Een andere en betere geest heerscht tegenwoordig in het Winterpaleis: men sluit de oogen niet langer voor de werkelijkheid: en deze groote kwestie—verreweg de belangrijkste van alle binnenlandsche kwestiën—wordt, met ernst en ijver, naar alle zijden onderzocht en toegelicht. De regeering is tot de overtuiging gekomen, dat in Rusland niets van wezenlijk belang tot stand kan worden gebracht, zonder de medewerking der oud-geloovigen; en bij elken grooten maatregel treedt, in regeeringskringen, de vraag op den voorgrond: „Wat zullen de oud-geloovigen daarvan zeggen?”
Een russische bisschop, die veel in zijn vaderland gereisd had, verzekerde mij, dat het getal der oud-geloovigen tien à elf millioen beloopt; een minister van staat schatte hun aantal zelfs op zestien of zeventien millioen. Een priester van Kèm ging nog verder. „De helft der bevolking, zeide hij, behoort tot het oude geloof; en zoodra ons eenmaal vrijheid geschonken wordt, zal drie vierde gedeelte van het volk tot ons behooren.” Voor zoover mijne eigen ervaring reikt, ben ik geneigd, dien priester gelijk te geven. Een Duitscher, die dertig jaren in Rusland heeft gewoond en het volk goed kende, maar, als Lutheraan, vreemd is aan de onderlinge twisten der sekten, schrijft mij dienaangaande: „Mijne ondervinding heeft mij geleerd, dat, de bevolking in haar geheel genomen, vier van de vijf menschen òf nu reeds oud-geloovigen zijn, òf zich de volgende week daarbij zouden aansluiten, indien zij slechts de zekerheid hadden dat de regeering hen met vrede zou laten.” Dit houd ik voor overdrijving; maar ik word telkens meer bevestigd in mijne overtuiging, dat de oud-geloovigen het eigenlijke russische volk zijn; terwijl de orthodoxen weinig anders zijn dan eene sekte, waartoe het hof, de adel en de geestelijkheid behooren, en die daarom, voor het oogenblik nog, de macht in handen heeft.
Bijna al de boeren in het noorden zijn oud-geloovigen; bijna al de Kozakken van den Don, de helft der inwoners van Nishny-Nowgorod en van Kazan, de meeste kooplieden van Moskou, zijn aanhangers van het oude geloof. In één woord, de voornaamste handelaars en industriëelen, de aanzienlijkste bankiers, de mannen, die in menig opzicht aan het hoofd der maatschappelijke beweging staan en aan wie ongetwijfeld de naaste toekomst behoort, zijn oud-geloovigen.
Gij wandelt door de straten van Moskou, waar telkens uwe aandacht wordt getrokken door de edele pracht der bijkans vorstelijke woningen. Gij vraagt uwen gids: „Aan wien behoort dit huis?”—„Aan Moronzoff.—„Wie is dat?”—„O, mijnheer, Moronzoff is de rijkste man in Moskou; de grootste industriëel van Rusland. Vijftigduizend man vinden werk in zijne fabrieken. Hij is een oud-geloovige.”
„En wie woont hier?”—„Soldatenkoff”.—„Wie is dat?”—„Een schatrijk koopman en een groot industriëel: een van de invloedrijkste mannen in Rusland. Hij is een oud-geloovige.”
„En van wien is dat paleis daar?”—„Dat behoort aan jonkvrouw Rokhmanoff. Zij is onze miss Burdett Coutts; misschien niet zoo rijk, maar vooral niet minder ijverig om goed te doen. Zoo als ge ziet, bewoont zij een prachtig huis; men vindt er niet minder dan dertig receptiekamers, voor de ontvangst van gasten. Ook zij is een oud-geloovige.”
En zoo gaat het voort, van den morgen tot den avond. Gij gaat naar de bazars:—de meeste en fraaiste winkels zijn van oud-geloovigen; naar de universiteit:—de meeste beurzen zijn door oud-geloovigen gesticht; naar de hospitalen:—zij worden grootendeels door oud-geloovigen onderhouden. De oud-russische deugden—en ook de oud-russische ondeugden—gij zult ze vinden bij deze oud-geloovigen: niet bij de maar al te zeer overbeschaafde en ontzenuwde aanhangers der officiëele eeredienst.—„In Rusland, zeide mij eens een scherpzinnig opmerker, zijn er verschillende vormen van eeredienst: een ritus voor het paleis, voor het klooster, voor het kamp; een prachtige en schitterende ritus, misschien geschikt voor keizers en vorsten, maar zeker niet voor de arme visschers langs de kusten der IJszee.”

Een dorpsmuziekant.
De oud-geloovige is zoowel in zijne godsdienstoefening als in het dagelijksch leven, hoogst eenvoudig en een voorstander van het oude: echt conservatief, zoowel in den goeden als in den kwaden zin. Hij heeft een afkeer van alles wat nieuw is, en omdat het nieuw is: zoowel van eene synode van monniken, als van eene op vreemden grond gestichte hoofdstad. Zijne vaderen gebruikten geen suiker in hunne thee: hij dus ook niet; zij kenden geen gas: de nieuwerwetsche verlichting is ook hem een gruwel. Het is voor hem voldoende, dat het een of ander in vroeger tijd aan zijne voorvaderen onbekend was, om het nu ook onvoorwaardelijk te verwerpen. Deze oud-geloovigen zijn niet minder vijandig gezind jegens het tegenwoordig regeeringsstelsel dan jegens de officiëele kerk. De getrouwe Rus behoort voor den regeerenden monarch te bidden als voor een goed keizer en een goed christen; maar velen van deze oud-geloovigen willen voor den regeerenden monarch in het geheel niet bidden. Sommigen willen wel voor hem bidden als tsaar, maar niet als keizer; doch niemand zal voor hem bidden als voor een christen. Zij houden zijn recht op de kroon voor minstens twijfelachtig. Het woord keizer, zeggen zij, beteekent vorst der duisternis; de dubbele arend is een symbool van den boozen geest; de autocratische regeering is het rijk van den antichrist.
De oorsprong dezer groote, diepgaande scheuring in het maatschappelijk en zedelijk leven des russischen volks valt omstreeks de helft der zeventiende eeuw, in de dagen van den patriarch Nikon: een man, die misschien een niet minder beslissenden invloed op het toekomstig lot van Rusland heeft uitgeoefend, dan de groote tsaar zelf, die, naar het zeggen der oud-geloovigen, zijn natuurlijke zoon was.
In de eerste helft der zeventiende eeuw alzoo, landde een man van middelbaren leeftijd en van een streng somber uiterlijk, aan het klooster te Solowetsk, om op het graf van den heiligen Filippus te bidden en een schuilplaats bij de monniken te vragen. Naar zijn zeggen, was hij de zoon van een boerenarbeider uit een dorp nabij Nishny-Nowgorod, zelf ook landbouwer en gehuwd. In zijne jeugd had hij eenigen tijd in een klooster doorgebracht; en na tien jaren in den echtelijken staat te hebben geleefd, had hij zijne vrouw overgehaald, den sluier te nemen en de bruid des Heeren te worden. Hij had haar in het klooster van Sint-Alexis te Moskou achtergelaten, en zelf zijne schreden gericht naar het onherbergzame, ijzige noorden.
Op het eiland Anzersk, waar tegenwoordig de hoeve staat, leefden destijds eenige kluizenaars, die den vreemden pelgrim in hun midden opnamen. Daar trok hij het monnikskleed aan, en veranderde zijn wereldlijken naam in dien van Nikon; maar hij was zoo onhandelbaar van aard, dat hij weldra met zijn superieur overhoop lag, als vroeger met zijne vrouw. Eleazar, de stichter van deze kluis, wenschte zijne eenvoudige kerk van dennenstammen door eene steenen kerk te vervangen, en toog met Nikon naar Moskou om daarvoor de noodige gelden bijeen te brengen. Zij twistten met elkander onder weg; zij twistten na hunne terugkomst. Eindelijk joegen de monniken den lastigen gast weg; zij zetten hem in eene schuit, gaven hem brood en water mede, en lieten hem vrij om te gaan werwaarts hij wilde, mits hij slechts nooit terugkwam. De stroom wierp hem op een rots, in de baai van Onega; Nikon richtte daar een kruis op, en legde de gelofte af dat hij daar eene kerk zou bouwen, indien de heilige-maagd hem wilde helpen om zijne fortuin te maken.

Een koopman te Moskou.
Op het vasteland aangekomen, werd hij weldra het hoofd van een gezelschap kluizenaars, die zich aan de oevers van het meer Kodjeozersk, in de provincie Olonetz, hadden gevestigd. Daar opende zich voor hem de weg naar macht en aanzien: eene toevallige omstandigheid bracht hem in aanraking met Tsaar Alexis: en hij maakte een zoo overweldigenden indruk op dien niet zeer scherpzinnigen vorst, dat hij binnen weinige jaren alle rangen der kerkelijke hiërarchie doorliep, en achtervolgens tot archimandriet, bisschop, metropolitaan en eindelijk tot patriarch werd verheven.
Nikon, in wien een ondragelijke hoogmoed met sluwe geslepenheid gepaard ging, nam zich voor, het bestuur der kerk met vaster hand te voeren, dan zijne zwakke en onbeteekenende voorgangers hadden gedaan. Met zijne plompe gestalte, zijn grof opgezet gelaat, zijn rooden neus, zijn doffen blik, had Nikon meer weg van een frieschen boer, dan van een russischen monnik; maar toch was hij een hartstochtelijk minnaar van praal en vertooning, en zwol zijn hart van grenzenloozen trots als hij, in de kathedraal, nevens den tsaar op zijn troon zat. De half-barbaarsche glans en pracht, die de byzantijnsche geestelijkheid, zelfs onder de turksche heerschappij, bleef tentoonspreiden, bekoorde zijn oog en hart; en het werd zijn ijverigst streven, den statigen en omslachtigen byzantijnschen ritus ook in zijne kerk in te voeren, zonder te bedenken dat hij, aldus tot de dagen van het oostersche rijk teruggaande, zich de Grieken in hun smadelijkst verval ten voorbeeld nam. Zijne eerste maatregelen waren niet ondoordacht. Hij zond eenige schrijvers naar den berg Athos, die vandaar afschriften medebrachten van de echte exemplaren der oudste gewijde boeken; deze liet hij in het slavonisch vertalen, en met de liturgische boeken, die toen in gebruik waren, vergelijken. Het bleek daarbij, dat in den aangenomen tekst fouten waren ingeslopen: waarom hij zijn schrijvers opdroeg, voor hem eene nieuwe uitgave van de Schrift en van de formulieren te bewerken, waarin de betere lezingen zouden worden opgenomen. Maar verder reikt zijne verdienste ook niet. Nikon verstond geen grieksch; dit belette hem evenwel niet, toen de nieuwe bewerking, over welker verdiensten hij natuurlijk niet oordeelen kon, voltooid was, dit boek met gezag aan de kerk op te leggen. De kerk opperde bedenkingen: Nikon riep de hulp van den tsaar in. De priesters verzetten zich tegen deze inmenging van het wereldlijk gezag: Nikon leverde de weerspannige geestelijkheid over in handen van de politie. Alexis stond hem met al zijne macht bij, om zijn plan te helpen verwezenlijken. Toch stuitte men op een fellen tegenstand, niet alleen in de steden en op het platte land, maar ook in den regeeringsraad, in de kloosters, in de kerk. De boeren en de popen waren al even weinig ingenomen met de veranderingen, die hij wilde maken. De formulieren waren oud en eerwaardig; hunne taal klonk als muziek in aller oor; de woorden zelf schenen bijna goddelijk; sinds onheugelijke tijden waren deze boeken bij de heilige dienst gebruikt; twintig geslachten waren volgens deze liturgie gedoopt, gehuwd en teraardebesteld... Waarom moesten deze heilige boeken nu eensklaps worden weggeworpen, en door anderen, van vreemd maaksel bovendien, vervangen? Nikon beweerde wel dat de nieuwe beter waren: maar hoe kon hij dat weten? De patriarch was nu juist geen kritikus; velen betwistten hem zelfs den naam van een geleerd man. In plaats van nu langzamerhand, door overreding en zachte middelen, de lieden voor zijne hervormingsplannen te winnen, voerde hij al deze nieuwigheden plotseling en met geweld in. Zelfs bleef het nog niet bij zulke tekstveranderingen: hij veranderde ook den ouden vorm van het kruis; hij raakte aan de sacramenten; hij voerde eene nieuwe wijze van zegening in en wijzigde de teekenen op het gewijde brood. Op bevel van den tsaar, die de ver strekkende gevolgen van deze maatregelen niet kon overzien, werden nu deze nieuwe formulieren, deze nieuwe liturgie en geheel deze nieuwe ritus in alle kerken en kloosters van het gansche land ingevoerd. De kerk van Nikon was van nu voortaan de officiëele Staatskerk.
De meerderheid des volks en der geestelijkheid bleef evenwel aan de overgeleverde liturgie getrouw, en verzette zich standvastig tegen alle nieuwigheden. Dit was vooral het geval op het platte land, en met name in de noordelijke provinciën, waar de invloed van het hof zich maar weinig deed gelden. Ook de kloosters boden aanvankelijk tegenstand, en vooral het groote klooster in de Witte-zee. Toen de nieuwe formulieren van Nikon te Solowetsk bekend werden, waren de broederen eenstemmig in hun besluit om ze te verwerpen. De archimandriet alleen, die zich door zijn officiëel karakter gebonden achtte, koos partij voor den patriarch en den tsaar; maar de broeders zetten hun onwilligen archimandriet in eene boot, en voerden hem naar Kèm. Daarop riepen zij het kapittel te zamen, en kozen twee uit hun midden, Azaria en Gerontius, wien zij de leiding van de huishoudelijke aangelegenheden des kloosters opdroegen. Al de Kozakken in het fort voegden zich bij hen; en bijgestaan door de bewoners der nabijgelegen kust, die met hen eenstemmig dachten, volhardden de monniken van Solowetsk, gedurende meer dan tien jaren, in hun gewapend verzet tegen de officiëele kerk. Alleen het verraad bracht hen eindelijk ten onder. De orthodoxe schrijvers, die deze gebeurtenissen verhalen, verzekeren dat de belegeraars, toen zij zich eindelijk van Solowetsk meester maakten, stiptelijk de wetten van den oorlog in acht nemen. Alleen diegenen, die met de wapens in de hand gegrepen werden, werden terdoodgebracht; de anderen werden in vergelegen kloosters overgeplaatst, waar zij bleven, tot zij zich aan het wettig gezag onderworpen hadden. Maar de visschers en landlieden langs de kusten der IJszee bezitten nog oude boeken, waarin de zaak eenigszins anders wordt voorgesteld. Een oude landman haalde eens zulk een boek uit een verborgen put onder den vloer zijner keuken te voorschijn, en wees mij een passage in rooden en zwarten inkt, waar te lezen stond dat al de monniken in het weerspannige klooster tot den laatsten man om het leven werden gebracht.
De zegepraal der belegeraars was voor de natie een groot verlies. Deze overwinning verdeelde de russische kerk in twee vijandige partijen, en de treurige triomf van Nikon heeft waarschijnlijk nog niet al zijne vruchten gedragen. Sinds dien noodlottigen dag staat de eene helft van het volk in vijandschap tegenover de andere; de staatsgodsdienst is in de oogen van millioenen eene gruwelijke ketterij, en de gemeenschappelijke souverein het opperhoofd eener vervolgzieke synode van monniken. Ook in andere opzichten droeg Nikons werk zeer wrange vruchten. De russische kerk werd van hare vrijheid, en daarmede van hare levenskracht, beroofd; al zeer spoedig loste zij zich op in den staat, en verving het wereldlijk gezag de plaats der kerkelijke overheid. Nauwelijks was Nikon ten grave gedaald, of het patriarchaat werd afgeschaft; de keizer trad op als het wettig hoofd der kerk, die welhaast niets meer was dan eene staatsinstelling, een deel der regeeringsmachinerie. Het ideaal, waarnaar het absolutisme altijd heeft gestreefd, en waarnaar het in onze dagen met vernieuwden ijver streeft: de vereeniging van geestelijk en wereldlijk gezag in ééne hand, de volstrekte onderwerping der kerk aan den staat, onder welke schoonschijnende, huichelachtige leuzen ook aanvankelijk vermomd;—dit ideaal werd in Rusland bijna bereikt. Met welk gevolg, weet ieder, die de russische maatschappij van nabij heeft gadegeslagen; en wij zouden wel wenschen, dat zij die zich in oprechtheid vrienden der vrijheid wanen, en, de beteekenis van den strijd onzer dagen niet doorziende, partij kiezen voor den staat tegen de kerk, een weinig meer acht gaven op de les, die hier zoo duidelijk voor ieder spreekt.
De orthodoxe kerk is sedert eene staatskerk, in den slechtsten zin des woords, geworden: zij heerscht over de gewetens, breidt hare grenzen uit en verdrukt de dissidenten, bij dit alles geholpen en gesteund door den wereldlijken arm. Heerschzuchtig en onverdraagzaam, verbiedt zij de lezing van den bijbel, het zelfstandig onderzoek, de vrijheid der gedachte, zonder zelf eenig teeken van leven of ontwikkeling te geven. De oud-geloovigen op hun beurt ondervinden evenzeer de nadeelige gevolgen der afscheiding: niet enkel door de vervolgingen, waaraan hunne „onbekeerlijkheid” hen steeds blootstelt, maar nog meer door de afzondering, waarin zij noodwendig geplaatst zijn. Door dit isolement toch werden zij er van zelf toe gebracht, hunne goede eigenschappen te overdrijven, en een buitensporig gewicht te hechten aan oude gebruiken en oude formulieren. Zij leven in eene eigenaardige verouderde wereld, vreemd aan de begrippen, de denkbeelden en behoeften van den nieuweren tijd, dien zij niet begrijpen, en daarom ook niet waardeeren of liefhebben. Volgens hunne strenge eenzijdige begrippen, begon de heerschappij van den antichrist met Nikon: sedert dien tijd draagt alles wat in het land geschiedt den stempel van onwaarheid en ontrouw.
Evenals de jood en de muzelman, zoo is ook de oud-geloovige, althans een van de strenge richting, dadelijk op het eerste gezicht kenbaar. Ik stond eens met een mijner russische bekenden op de binnenplaats van een posthuis, waar eenige pelgrims bezig waren met eten en drinken. „Zie dien man daar” zeide mijn vriend, „dat is een oud-geloovige.”
„Waaraan ziet ge dat?”
„Zie maar, hoe hij met verachtelijk schouderophalen de aardappelen uit zijn schotel wegwerpt. Dat is een teeken. Ook gebruikt hij geen suiker bij zijn thee; een tweede teeken. Hoogstwaarschijnlijk zal hij ook niet rooken.”
„Zijn dat dan alle kenmerken van een oud-geloovige?”
„Ja; althans in deze noordelijke streken. Te Moskou, Nishny en Kazan is men minder nauwgezet—vooral wat het drinken en rooken betreft; de kozakken van den Don zijn op die punten nog ruimer van geweten.”
„Zijn die kozakken ook oud-geloovigen?”
„Bijna allen; maar onder de regeering van Nicolaas werden geen pogingen gespaard om hen te bekeeren; en aangezien deze kozakken aan de krijgswet onderworpen zijn, stonden hun officieren allerlei middelen ten dienste om hen te dwingen zich aan den wil des keizers te onderwerpen. De hetmans schikten zich naar het geloof van den tsaar; van de minderen lieten er velen zich overhalen om eene officiëele mis bij te wonen. Maar de meerderheid bleef onverzettelijk, en menige fiksche jonkman uit het land aan den Don is naar den Kaukasus uitgeweken, liever dan zijn voorvaderlijk geloof te verloochenen. Ook bij de kozakken moet ge u niet, door den schijn laten bedriegen: want ondanks de ijverige pogingen van popen en politiedienaren, is de grootste helft der kozakken aan hunne oude liturgie getrouw gebleven; en de vrees van hen, door te sterke pressie, tot verzet te prikkelen, heeft in den laatsten tijd de regeering bewogen, meer verdraagzaamheid in acht te nemen.”
XIV.
De wegen.—In het woud.—Russische dorpen.
Hij, die gewoon is op reis niet meer dan het volstrekt noodige mede te nemen, zal op zijne tochten door Rusland dikwijls in verlegenheid geraken, vooral als zijn weg hem door de wouden of de steppen voert. De toebereidselen voor een reis zijn hier een zaak van groot gewicht en van veel overleg. De reiziger heeft te zorgen voor allerlei dingen, waaraan hij in andere landen niet behoeft te denken: kaarsen en kussens, messen en vorken en honderd andere zaken. Twee artikelen bovenal kan hij niet ontberen—een bed en een samovar (trekpot).
Mijn weg van de IJszee tot de zuidelijke hellingen van den Oeral, en van de straat van Jenikale tot de golf van Riga, loopt over land en meer, over heuvel en heide, door het woud en de steppen. Ik moet mij daarbij afwisselend bedienen van alle middelen van vervoer, die in het land in gebruik zijn: droshkis, wagens, schuiten, tarantassen, stoombooten, sleden en spoorwegen. Van Solowetsk voer ik naar Archangel met de boot, die de benoodigdheden voor het klooster haalt. Vader Johannes was zelf aan boord; het was fraai weder; de overtocht werd in den bepaalden tijd volbracht. Van Archangel naar Wietegra, een afstand van achthonderd wersten, heb ik vijf á zes dagen en nachten met postpaarden te rijden door een onmetelijk woud van beuken en dennen. Hier beginnen mijne tribulatiën. Eerst, gehaspel met de politie over mijn podorodjna, een soort van pas, door de politie afgegeven, en waarbij den reiziger het recht wordt toegekend om, tegen een bepaalden prijs, aan de posthuizen paarden te vorderen. Men begrijpt niet, waarom ik niet, als iedereen, met een boot de Dwina opvaar, in plaats van door een land te trekken, waar haast geen wegen zijn. Mijn antwoord, dat ik het dorp Kholmogory, de geboorteplaats van den dichter Lomonosoff, wil bezoeken, bevredigt de politie maar half. Wat is daaraan te zien? Eindelijk echter geeft zij toe: de pordorodjna wordt geteekend. Nu komt de tweede vraag—die van het voertuig: een wagen, een kar of een slede? Er zijn geen diligences: niets dan een karretje, juist groot genoeg om een brievenzak en een knaap te bergen, en dat tweemaal in de week naar de hoofdstad vertrekt. Niemand anders dan de postillon kan daarvan gebruik maken; de vreemdeling moet dus zelf voor een vervoermiddel zorgen: en zijne keus is beperkt tot een kar, eene tarantasse of een slede, welke laatste natuurlijk alleen in den winter bruikbaar is. Ik kies de tarantasse.
Een tarantasse is een beter soort kar, voorzien van een slijkbord, een kap en een trede. Zij heeft geen veeren; want veeren zijn onderhevig aan breken: en wanneer dit ongeval u overkwam in een streek, waar ge mijlen en mijlen in den omtrek geen enkele menschelijke woning vindt, zou de ramp onherstelbaar wezen. De eenvoudige bak rust op balken, ruwe pijnstammen, van de takken en bladeren beroofd, met de bijl gehouwen, en bevestigd aan de assen van twee paar wielen, die negen of tien voet van elkander verwijderd zijn. Een lederen huif en kap beschermen eenigszins tegen den regen: niet veel echter, want de snijdende windvlagen en geweldige stortbuien dringen overal door. Het aartsvaderlijke voertuig is licht en luchtig; noch voor de vervaardiging, noch voor de herstelling wordt bijzondere kunstvaardigheid vereischt. Het kan wel gebeuren, dat, bij het voortdurend hossen en stooten, een der balken breekt; geen nood: gij houdt even aan den boschrand stil; de voerman hakt een denneboom om, stroopt er de takken en bladeren af—en ziedaar, de zaak is weêr in orde! Binnen een half uur is de schade hersteld.
Ik wenschte de tarantasse tot Petersburg, of althans tot Wietegra, te huren: maar de eigenaar was daartoe niet te bewegen. Ik moest dan het rijtuig koopen: maar dit ging niet, want wat zou ik, eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, met de tarantasse uitvoeren? De engelsche consul redde mij uit de verlegenheid: hij gaf mij zijn bediende Dimitri mede, die het rijtuig weder terug zou brengen. De eigenaar nam daarmede genoegen.
De tarantasse staat voor de deur: een ledige bak, waarin onze bagage geborgen wordt; eerst de grootere stukken, hoedendoos, geweerkist, koffer; dan bossen hooi, om de ledig gebleven ruimten en openingen op te vullen, gevlochten koorden van stroo, om den boel bijeen te houden, over dit alles ons bed, onze mantels en pelzen. In de hoeken en openingen vinden vervolgens een houthakkersbijl, een kabeltouw, een kluwen garen, een zak met spijkers, een pot met vet, een korf met brood en wijn, een stuk gebraden vleesch, een trekpot en een sigarenkoker, eene meer of minder geschikte plaats.
Wij vertrekken met de eerste schemering, ten einde bij het aanbreken van den dag aan het veer over de Dwina te zijn; onder de hoeven onzer paarden spat het slijk naar alle kanten, en kraakt het houten plaveisel der straten van Archangel.—„Vaarwel! Pas op de wolven en op de roovers! Vaarwel! goede reis!” klinkt het uit een dozijn monden:—en de vriendelijke, half bevrozen stad ligt achter ons.
Den ganschen nacht rijden wij, onder een donkeren hemel, nu en dan flauwelijk door een enkele ster verlicht, langs een doodschen akelig-eentonigen weg: dennen ter rechterzijde, dennen ter linkerzijde, dennen voor ons, dennen overal. Wij hotsen door een dorp, en wekken eenige rondzwervende honden uit hun slaap; wij komen aan het veer, en steken de rivier over op een vlot; wij rijden over steenen en door zand; wij waden door poelen en moerassen; nachten, dagen achtereen; altijd door onze weg vervolgende te midden der sombere bosschen, waar nu de verdorde bladeren bij hopen den grond bedekken, en ronddwarrelen bij iederen windvlaag, die huilende door het woud vaart. De eene dag van dezen tocht is volkomen gelijk aan den anderen. Zoo ver wij zien kunnen, strekt zich een open baan, ongeveer dertig ellen breed, voor ons uit. De dennen en beuken gelijken allen op elkander; de dorpen zijn nog meer aan elkaar gelijk dan de boomen. De eenige verandering is in de gesteldheid van den weg: afwisselend zand of moeras, gras of boomstammen. Op een afstand van duizend wersten, zijn er honderd met boomstammen geplaveid; tweehonderd wersten zijn zand; driehonderd gras; vierhonderd slijk en moeras. Wij spotten met de Russen, die spoorwegen aanleggen in streken, waar geen straatweg en zelfs geen gewoon pad te vinden is. Ten onrechte: een ijzeren baan is juist de meest natuurlijke weg in deze wouden, waar steenen uiterst zeldzaam zijn.
Is het rijden door het zand al erg genoeg, dit is niets bij hetgeen u te wachten staat, als ge aan de boomstammen komt. Op zekeren nacht kon ik het niet langer uithouden; ik troostte mij met de gedachte, dat onze bagage slecht was ingepakt, en dat eene andere schikking ons meer gemak zou bezorgen. Mijn koffer vooral eischt dringend eene andere plaats. Daar hij mij bij dag voor bank, en de nachts voor bed dient, speelt hij een voorname rol in onze kleine komedie; maar geene verschikking van de andere voorwerpen, geen opvullen met hooi of stroo, geen overdekken met mantels en pelzen, kan dien oproerigen koffer tot rust brengen. Hij glijdt en schudt en woelt onder mij, en springt op bij elken schok. Wij beproeven hem vast te binden met koorden en touwen en riemen: niets helpt—hij blijft even onrustig. Wat mijn rug en mijn lenden daarbij te lijden hadden, zal ik maar niet pogen te schetsen!
Goddank!—wij zijn eindelijk te Kholmogory! Op een hoogte langs de rivier gebouwd, vroolijk en vriendelijk met zijn gouden kruis, zijn grasrijke paden, zijn witte en rooskleurige huizen, zijn booten aan den oever, zijn zandige vlakten in het verschiet, ligt daar het fraaie dorp, ruim en luchtig. Hier ziet ge een kerk, ginds een klooster, schitterend van kleuren en verguldsels; de huizen zien er netter en welvarender uit, dan doorgaans in zulke vlekken het geval is. Zooals, het daar voor u oprijst, met dien donkeren gordel van dennen- en beukenwouden, is Kholmogory inderdaad waardig de geboorteplaats te zijn van een volksdichter als Lomonosoff.

Het Kremlin te Moskou.
Tusschen Kholmogory en Kargopol, tusschen Kargopol en Wietegra, vindt men niets dan dorpen: op dezen ganschen langen weg van minstens vierhonderd mijlen lengte, ontmoet ge geene enkele verzameling van huizen, waaraan ge met eenigen schijn van waarheid den naam van stad zoudt kunnen geven. De heirbaan loopt maar altijd voort: nu eens langs de oevers der rivier, dan weder zich verliezende in de diepten van het woud; doch steeds onafgebroken, als een smal lint, voortgaande van het noorden naar het zuiden. Niets stuit dien eentonigen weg: hij steekt de rivieren over, hij vervolgt zijn loop over steenen, moerassen en veengronden; hij kruipt voort over gebroken rotsen; hij bestijgt de lage heuvelen, en daalt af in de vochtige valleien. De voerman, trotsch op zijn vier paarden, met touwen en kettingen naast elkander voor de tarantasse gespannen, jaagt rusteloos voort, als gold het een helschen wedloop met den booze, in de hoop, dat hij daarvoor een extra kop thee verdienen zal. Dit harde rijden is trouwens eene vaste gewoonte bij de russische koetsiers, die er zich op beroemen, dat zij het iemand, voor tien kopekken, groen en geel voor de oogen kunnen doen worden. Dag aan dag, van den vroegen morgen tot den laten avond, rennen wij voort door moerassen en dennenwouden. Nergens is een sloot, een dijk, een haag, een omheining te bespeuren: geen enkel teeken dat de grond aan iemand toebehoort. In vliegende vaart hollen wij voorbij een groot houtvuur, waar omheen een groep armelijk gekleede lieden zitten, die ons op onvriendelijken toon groeten, terwijl sommigen opstaan om ons na te oogen.
„Wat zijn dat voor lieden, Dimitri?”
„Landloopers. Waarschijnlijk zijn het vluchtelingen.”
„Vluchtelingen? Waarvoor vluchten zij dan?”
„Ja, dat zijn zonderlinge lui, die niet werken willen, zich aan wet noch gebod storen, en zich nergens willen vestigen. Gij kunt ze hier overal in de bosschen vinden: het zijn ware wilden. Te Kargopol zult gij er wel meer van hooren.”
In deze stad, aan de rivier de Onega, in het gouvernement Olonetz gelegen, vernam ik meer bijzonderheden omtrent deze landloopers, die inderdaad een lastig en gevaarlijk slag van menschen zijn. Ook in Nowgorod en in Kazan hoor ik van deze zwervende bevolking spreken, die in een groot deel des rijks verspreid is: een verschijnsel, op zich zelf reeds een kwaad, maar als teeken van den maatschappelijken toestand nog veel bedenkelijker. In de gouvernementen, Jaroslaw, Archangel, Wologda, Nowgorod, Kostroma en Perm, zwerven gansche benden dezer onrustige, weerspannige vagebonden rond. Zij zijn nomaden, in den waren zin des woords. Zij verlaten hunne huizen en landerijen, doen afstand van hunne rechten als boeren of burgers, kleeden zich in lompen, nemen den pelgrimsstaf ter hand, verbreken alle banden der familie, trekken zich in het diepst van het woud terug, en wonen in moerassen en zandwoestijnen, in openbare vijandschap met de maatschappij, de kerk en den staat. Sommigen doen inderdaad geen kwaad: zij brengen hunne dagen door in sluimering en hunne nachten in gebed, terwijl de boeren hen van spijs en drank voorzien; maar ook al bepaalt zich hun verzet tegen de gevestigde orde van zaken alleen tot zulk een lijdelijken wederstand, dan nog is dit een bedenkelijk verschijnsel. Deze lieden willen niet arbeiden voor de spijze, die vergaat; zij weigeren zich te onderwerpen aan de bevelen der overheid; zij erkennen de wet niet, waaronder zij leven. Zij beweren dat het tegenwoordige regeeringsstelsel een werk des duivels is; de tsaar is voor hen de vorst der duisternis; zijn raadslieden en de heeren van zijn hof zijn valsche getuigen en gevallen heiligen. Zij zelf willen niets gemeens hebben met de booze wereld, waarvan zij vlieden, zooals Abraham vlood van de ten ondergang gedoemde steden der vlakte.
Naar het schijnt hebben deze nomaden, althans in sommige provinciën, eene eigene organisatie, met opperhoofden aan wie zij gehoorzamen, als ook bepaalde plaatsen van bijeenkomst en gemeenschappelijke Godsvereering. Doorgaans vinden zij steun en hulp bij de boeren, hetzij dan uit werkelijke sympathie, hetzij uit vrees voor wraakoefening. Zeer zelden vinden zij de deur der hoeve voor zich gesloten; en bijna nooit wordt een aanklacht tegen hen bij de politie ingediend. Zelfs in die streken, waar zij, naar men zegt, nu en dan plunderen en gewelddadigheden plegen, valt het uiterst moeilijk iets omtrent hen te vernemen, en vindt vooral de politie niet de minste medewerking.
Niemand zal ontkennen dat, vooral in de ernstige crisis waarin de russische maatschappij thans verkeert, zulk een staat van zaken een wezenlijk gevaar oplevert. De geest, die deze benden avonturiers bezielt, en hen drijft zich aldus vijandig tegenover de maatschappij en hare inzettingen te plaatsen, en feitelijk tot den chaos der barbaarschheid terug te keeren, is zekerlijk een der moeilijkste hinderpalen, die eene waarlijk vrijzinnige en hervormingsgezinde regeering op haar weg ontmoeten kan. Tegenover dit onrustbarend verschijnsel rijzen ernstige vragen op. Is de russische boer inderdaad rijp voor vrijheid en zelfbestuur, alleen door de gehoorzaamheid aan de wet beperkt? Indien de ondervinding mocht bewijzen, dat een aanzienlijk deel der landelijke bevolking in Rusland zich over dezen hartstocht voor een zwervend nomadenleven laat vervoeren,—zooals sommigen hopen en velen vreezen—dan is de proeve van emancipatie, door den tegenwoordigen tsaar genomen, mislukt, en is de burgerlijke vrijheid misschien voor meer dan honderd jaren verloren. De keizer heeft eene bijzondere commissie benoemd, om de door de regeering ingewonnen berichten en rapporten betreffende deze zaak te onderzoeken. Dat onderzoek is nog niet afgeloopen; naar het schijnt heeft de commissie nog tot geen besluit kunnen komen, en geen middel aan de hand weten te doen om het voortwoekerend kwaad te stuiten.
Inmiddels gaat ons het eene dorp na het andere voorbij!
Deze russische dorpen gelijken zoozeer op elkander, dat wie er een gezien heeft, er honderden heeft gezien; hebt ge er twee verschillende gezien, dan kent gij ze allen. Het doet er weinig toe, of het model groot of klein is, van hout of van leem gebouwd, in het woud verscholen of te midden der naakte steppen geplaatst: gij zult overal dezelfde vormen en dezelfde groepeering van woningen vinden, duizende malen herhaald. Er zijn slechts twee verschillende typen van dorpen: die van Groot- en die van Klein-Rusland; van de eerste vindt ge de beste voorbeelden in de omstreken van Moskou; van de laatste in den omtrek van Kiew.
Een groot-russisch dorp bestaat uit twee rijen hutten, door eene breede en vuile straat gescheiden. Elk huis staat op zich zelf; het getal dezer woningen wisselt af van tien tot honderd. Van geheel gelijkvormige dennestammen opgetrokken, die op dezelfde wijze gehouwen en saamgevoegd zijn, zijn de huizen onderling volkomen gelijk, alleen behoudens het verschil in grootte. De woning van het dorpshoofd is grooter dan de anderen; daarop volgt die van den slijter, de brandewijnkroeg. Vier ruwe wanden, waarvan de gaten en spleten met mos zijn toegestopt, en waarin een paar deuren en eenige vensters zijn uitgehouwen; een schuin oploopend, vooruitstekend dak—ziedaar het uiterlijke. Van binnen geen andere vloer dan de naakte bodem; de zoldering bestaat uit dennen balken en planken. Verf is eene onbekende weelde; het duurt dan ook niet lang, of de wanden en de gevel zien bijna geheel zwart door den regen en den rook. De ruimte tusschen de huizen ligt geheel open: een vuile modderpoel, waarin de varkens zich welbehagelijk rondwentelen, en de nijdige wolfshonden grommen en vechten. De zoogenaamde straat is met planken bevloerd. Hier en daar prijkt eene enkele woning met een soort van balkon, een koestal, en zelfs met eene bovenverdieping. Nabij het dorp verrijst een kapel, eveneens van boomstammen gebouwd en met planken gedekt; maar hier vindt ge, zoo al niet verguldsel, dan ten minste eene mengeling van kleuren. De wanden der kapel zijn wit geschilderd, het dak is groen; en misschien heeft een of andere rijke boer, voor zijne rekening, het kruis laten vergulden.
Rondom deze akelige woningen strekken zich de weinig minder akelige velden en akkers uit, die de dorpelingen met hun zweet besproeien. Vlak, laag, zonder hagen of eenige afsluiting, missen die akkers, in hunne naakte eentonigheid, schier alle poëzie; nergens een welriekende rozenheg, nergens een boomgaard, niets dat aan een thuis, eene eigene woning, herinnert. De moestuinen hebben niets van tuinen: zij zijn niets meer dan regelmatig afgedeelde stukken grond, waarop groenten geteeld worden. Geen enkel bloempje verkwikt in deze wildernis uw oog.
In Klein-Rusland, in de oude poolsche provinciën van het westen en het zuiden, vindt ge een andere type van dorpen. In plaats van de vuile, berookte boomstammen, eene schilderachtige mengeling van groen en wit; in plaats van de regelmatig op eene rij gezette blokhuizen, eene groep woningen, te midden van het geboomte verspreid. De huizen zijn meest van aarde en biezen gebouwd; het dak is met stroo gedekt; de wanden zijn met kalk bestreken; een haag van biezen en doornen omgeeft die gansche groep. Is elk huis op zich zelf ook klein, het heeft toch zijn voorplaats en zijn tuin. Er zijn geen straten in het dorp; de haag heeft slechts twee openingen, eene ten noorden, en eene ten zuiden; en zoo ge van de eene opening naar de andere wilt gaan, moet ge een aantal paden of stegen doorkruisen, met doornen hagen en biezen omzoomd, en bevolkt door nijdige, gevaarlijke honden. Het schijnt wel, dat ieder hier volle vrijheid had om zijn huis te bouwen, waar hij wilde, alleen zorg dragende dat zijn erf binnen de algemeene omwalling bleef. Zulke dorpen, zonder eenig plan gebouwd, en waarin ieder huis door een tuin is omringd, beslaan natuurlijk eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds; sommige dorpen der Kozakken doen in omvang voor geen matige stad onder. Natuurlijk heeft ieder dorp zijn kerk, wier rijke kleurenpracht en eigenaardige bouworde de bekoorlijkheid van het landschap verhoogen.
In de wijde landstreek tusschen Kiew aan de Dnjeper en Kalatsh aan den Don, behooren al de dorpen tot deze tweede type. Het verschil met de groot-russische dorpen ligt zoowel in het huis als in den tuin; en dit verschil wijst op eene andere opvoeding, misschien wel op een ander ras. De Groot-Russen zijn schroomvallig, zachtaardig en meegaand van karakter; zij sluiten zich gaarne aaneen, en trachten zooveel mogelijk bij elkander te blijven en in eene soort van gemeenschap van goederen te leven. De Klein-Russen daarentegen zijn levendig, prikkelbaar, ondernemend van aard; zij zijn gaarne hun eigen meester en heer, en staan liefst op zich zelf, ten einde gelegenheid te hebben om al hunne krachten en talenten te kunnen ontplooien. Een inwoner van Groot-Rusland voert zijne bruid naar de ouderlijke woning; een inwoner van Klein-Rusland geleidt haar liefst zijn eigen huis binnen.
Het woud duikt achter ons weg in eindeloos verschiet, en wordt dunner en dunner. Wij ontmoeten eene vrouw, alleen in haar eenvoudige kar gezeten; straks komt ons een wagen tegemoet, door soldaten te voet begeleid, en waarmede gevangenen, die deels geboeid zijn, onder opzicht van eene oude vrouw worden vervoerd. De zorg voor de dienst langs de wegen is, bij wijze van heeredienst, aan de dorpen opgelegd; wanneer een reisgezelschap in een dorp aankomt, moet de oudste of hoofdman zorgen voor het noodige—wagens, paarden, voerlieden—zooals in de podorodjna staat geschreven. Maar zeer dikwijls gebeurt het, dat er in het dorp geen andere mannen te vinden zijn dan knapen of grijsaards. De volwassen mannen zijn verre, verre weg: zij zwerven als visschers door de Poolzee; zij hakken hout in de wouden rondom Kargopol; zij zijn op de bever- en vossenjacht in het Oeralgebergte, en laten hunne vrouwen maanden lang alleen achter.

De groote klok en de toren van Iwan Wilikoï te Moskou.
Dorpen, dorpen en nog eens dorpen! Wij ontmoeten nogmaals een boerewagen, door soldaten begeleid en waarin een gevangene geboeid ligt; uit het kreupelhout gluurt ons een wolf aan; een pelgrim gaat ons voorbij, op weg naar Solowetsk; wij rennen langs een troep spelende jongens, wier kleederen op dit oogenblik in de wasch schijnen te zijn; daar staat, half omvergevallen, een gebroken wagen; straks doet het woeste geblaf van eenige honden ons opschrikken; en dan gaat het weer, uren achtereen, door het stille zwijgende woud. Toch komt een straal van liefelijkheid en poëzie ook deze eenzame streken verhelderen en bezielen. Een geurige, frissche koelte doet de bladeren zachtkens ritselen; de lucht is helder; en zijn de lijnen ook bijna allen vlak en effen, de hemel is blauw, en de zon giet haar gouden stralen over het landschap uit. Dikwerf prijken de oude boomstammen met de fraaiste kleurschakeeringen, en de zwevende koeltjes ruischen als muziek door de hooge dennen. Hier en daar groet u van verre, in het lommer verscholen, een schilderachtig klooster. Daar ginds is een boschbrand uitgebarsten; de bleekroode vlammen verheffen zich hoog in de lucht, half gehuld in dikke wolken van purperkleurigen rook. Een open plek, getuige van een vroegeren brand, straalt in al de kleurenpracht der liefelijkste herfstbloemen. Een aanvallig kind, met blonde krullen en zachte blauwe oogen, staat langs den weg, en groet ons met bijna oostersche bevalligheid. Daar ritselt en klatert een beek dwars door de afgevallen bladeren. Nieuwe groepen: eene vrouw, met eene kom melk in de hand; meisjes, die in het heldere riviertje haar linnengoed spoelen, onder het oog van het Onze-Lieve-Vrouwenbeeld. Overal zijn de lieden wel is waar eenigszins plomp en ruw, maar inderdaad godsdienstig en wellevend; in hunne donkere wouden richten zij kruisen en kapellen op, en maken alzoo de sombere vervelende wegen tot lichtende sporen, die de gedachten ten hemel heffen.
Wij houden stil in een dorp, aan den oever van een klein donker meer.
XV.
Patriarchale zeden.—Een staat in den staat.
„Hoe nu, kan ik hier vóór den avond geen paarden krijgen?”
„Zoo als gij ziet,” antwoordde de oudste glimlachend, „het is hier feest vandaag; er wordt eene bruiloft gevierd, en de patriarch geeft, eene groote partij ter eere van het huwelijk van Vanka met Nadia.”

Eene russische vrouw.
„Nadia! Dat ’s een mooie naam! Dus kunnen we toch van avond paarden krijgen, niet waar?—Wie zijn dat daar? Aha, de kerk! Komt, laat ons daarheen gaan en de kroning zien. Is die Vanka een flinke, knappe jongen?”
„Ja; of liever hij zal het eenmaal zijn. Vanka is een knaap van zeventien jaar, die voor achttien doorgaat—de bij de wet vereischte leeftijd. Maar och, hij telt bij dit alles weinig mede.”
„Maar waarom trouwt hij dan?”
„Omdat de patriarch het verlangt. Daniël heeft hulp noodig in zijn huishouding. De oude Daan, moet ge weten, is Vanka’s vader; en het oude moedertje is zoo afgesloofd, dat zij niet veelmeer is dan vel over been. Zij is tien jaar ouder dan hij, en de patriarch heeft eene jonge vrouw noodig, die hij naar hartelust bevelen kan, eene die vlug en bij de hand is, die zijne koe kan melken, zijn kachel aanmaken en zijn thee zetten.”
„Het is hem dus eigenlijk te doen om eene goede dienstmeid?”
„Ja, juist, eene goede dienstmeid: en die zal hij in Nadia gevonden hebben.”
„Het is dus geen huwelijk uit liefde?”
„Och, zooals doorgaans. De knaap, hoe jong ook, is naar men zegt toch verliefd geweest; want de jongens zijn mal en de meisjes zijn slim; maar hij was niet verliefd op de vrouw, die zijn vader voor hem gekozen heeft.”
„Woonde zijne beminde hier in het dorp?”
„Ja; zij heet Lousha: eene aardige flinke meid, met ronde blauwe oogen en lippen om te kussen, maar zonder een roebel in de wereld. Nadia daarentegen brengt vijf koperen samovars en vijftien zilveren lepels ten huwelijk. Die zilveren lepels veroverden het hart van den ouden Daan.”
„En wat zegt Vanka wel van dit huwelijk?”
„Niets; wat kan hij zeggen? De patriarch heeft alles beredderd, de lepels gekeurd, de bruid aangenomen, het feest aangelegd en den dag voor het huwelijk bepaald.”
„Rusland is wel het beloofde land voor vaders!”
„Ieder op zijn beurt; eerst de vader, later de zoon. Te zijner tijd zal Vanka ook een patriarch zijn. De zoon is niets, zoolang zijn vader nog leeft.”
„Zelfs niet, als het er op aankomt zich eene vrouw te kiezen?”
„Neen; juist het minst als hij eene vrouw moet kiezen. Zooals gij ziet, zijn onze zeden nog ouderwetsch en eenvoudig, zooals die in den bijbel beschreven zijn. De huisvader is koning in zijne eigene woning, als de patriarchen van ouds; en hebt gij ooit gelezen dat, in de dagen der aartsvaders, de jonge lieden het land afliepen, om zich naar eigen begeerte eene vrouw te zoeken? Onze patriarch regelt dat; hij en de koppelaarster.”
„De koppelaarster! Wie is dat?”
„Eene oude vrouw, die in gindsche hut nabij de brug woont; een arm oud wijf, die waarzegt en uit kaarten de toekomst voorspelt; die als tusschenpersoon optreedt in de liefdesgeschiedenissen der jonge meisjes, huwelijken bekonkelt, en door allen als een tooverheks gevreesd wordt.”
„Is er in ieder dorp zulk eene koppelaarster?”
„Neen; sommige dorpen zijn daarvoor te arm; want deze oude wijven laten zich goed betalen. Die het wat verder in de kunst gebracht hebben, vestigen zich in de steden, waar zij nog voordeeliger zaken kunnen doen. Die tooverheksen in de steden hebben macht over de planeten; de onzen moeten zich met kaarten behelpen.”
„Gelooft ge waarlijk dat zij macht hebben over de planeten?”
„Wie zal dat uitmaken? Wij zien dat zij macht hebben over mannen en vrouwen: en toch heeft ieder mensch zijn eigen planeet en zijn eigen beschermengel. De meisjes, die de hulp der koppelaarster inroepen, geven haar een lijst van al wat zij bezitten—zooveel samovars, zooveel linnen, zooveel huisraad. Het gebeurt niet dikwijls dat zij ook zilveren lepels bezitten. De patriarchen gaan naar de tooverheks, om die lijsten in te zien. Een slimme kwant, zooals die oude Daan, gaat liefst ’s avonds tegen de schemering, als niemand hem ziet, naar hare woning, zet zijn flesch brandewijn op de tafel, en noodigt de oude tot drinken. „Kom, moedertje,” meesmuilt hij, „haal uw lijst eens voor den dag, en laat ons wat praten.”—„Wat zoekt ge, vader Daniël?” grijnst het wijf.—„Een vrouw voor Vanka, moedertje, een vrouw. Kom, drink eens, dat zal je goed doen; en nu—met het boek voor den dag. Ik wil eene flinke meid met een aardig duitje.”—„Aha,” zegt de heks, met haar hand aan het glas; „ge wilt mijn boek zien! Wel, vadertje, ik heb hier twee knappe deerns—aardige meisjes, en niet onbemiddeld ook; zij zijn beiden juist voor Vanka geschikt. Hier is Lousha: een aardig ding, maar geen huisraad; blauwe oogen, maar nog geen twintig; tandjes als parelen, maar..... Blieft ge er niet van gediend? Waarom niet?—Nu, zooals ge wilt; ik prijs mijn waren aan; het staat u vrij, die al of niet te nemen. Lousha is een aardige meid—gij behoeft niet zoo laag op haar neer te zien!—Zie hier, hier is Dounia; welgemaakt, een fiksche, stevige meid; zij gaf nooit stof tot praten, en had maar één vrijer in haar leven, eens buurmans zoon. Wat ze meebrengt? Dounia is zelf een lot uit de loterij—zij eet heel weinig, en werkt als een paard. Zij heeft vier samovars.—Niet gediend? Wel nu, gij treft het bijzonder van avond, vadertje. Hier is Nadia;”—en nu volgt de geschiedenis van haar samovars en haar zilveren lepels.”
„En zoo wordt de zaak beklonken?”
„Men betaalt den pope het verschuldigde; de dag voor de huwelijksplechtigheid wordt bepaald, en alles is gedaan—uitgenomen het feest, het drinken en de hoofdpijn als napret.”
„Vertel mij nu eens iets van Nadia.”
„Vindt ge Nadia zulk een mooie naam? Ik geef de voorkeur aan Marfousha. Mijne vrouw heet Marfa; als kind werd zij Marfousha genoemd.”
„Is Nadia jong en mooi?”
„Jong? Ze is negen-en-twintig jaar. Mooi? Ze is zoo bruin als leer.”
„Negen-en-twintig, en Vanka zeventien!”
„Maar zij is groot en fiksch gespierd; sterk als een muilezel, en kan den heelen dag, met weinig eten, blijven doorwerken.”
„Dat zou goed zijn, als er een slaaf werd verlangd, om het land om te spitten of een wagen te besturen.”
„Maar dat wil de patriarch ook: eene dienstmeid voor zich zelven, en eene echtgenoote voor zijn zoon.”
„Hoe kwam Vanka er toe, haar aan te nemen?”
„Daniël toonde hem haar zilveren lepels; haar blinkende trekpotten, en haar kist vol huisraad. De jongen ziet al die fraaiigheden met begeerige oogen aan. Lousha is afwezig, en de oude man geeft een wenk. De bruid omhelst Vanka—en de zaak is in orde.”
„Arme Lousha! waar is zij vandaag?”
„Zij blijft op het veld om nog wat te groeien. Zij is nog niet sterk genoeg om te trouwen. Zij zou voor haar man en voor haar schoonvader niet kunnen werken, zooals eene vrouw behoort te doen. Het is veel beter voor haar, nog wat te wachten. Op haar negen-en-twintigste jaar zal zij evengroot en sterk zijn als Nadia; dan zal zij geschikt zijn voor het huwelijk, want dan zullen de wilde haren er wat uit zijn.”
Wij wandelen over de met planken bevloerde straat, van het posthuis naar de kerk, die geheel opgevuld is met mannen en vrouwen in hun zondagskleed: de vrouwen en meisjes in roode jurken met bont omzoomd, en soms wel met zilvergalon versierd; de mannen in nette overjassen en ronde bonte mutsen, met gouden kwasten en een roode punt. De plechtigheid is bijna voleindigd; de priester heeft het huwelijk, in den naam van God, gesloten; de jonggehuwden treden uit het heiligdom met hunne kronen van klatergoud op het hoofd. De koning geleidt zijne koningin, die er zeker oud genoeg uitziet om zijne moeder te zijn. Men hoort hier in Rusland zooveel spreken van de rechten van den echtgenoot, en van de zonderlinge eigenaardigheid der vrouwen, die het als een bewijs van liefde beschouwen, wanneer hare mannen haar slaan,—dat onwillekeurig de vraag oprijst, hoelang het nog wel duren moet eer ook Vanka zijne vrouw zal kunnen slaan. Vooreerst gaat dat nog niet, dat is duidelijk; men zou daarom kunnen twijfelen aan hun echtelijk geluk, wisten wij niet dat, bij gebreke van Vanka, de patriarch niet verzuimen zal van zijn zweep gebruik te maken.
De forsch gespierde bruid, met haar vergulde kroon op het hoofd, in stijf brokaat gehuld en zich blijkbaar van de waarde harer vijftien zilveren lepels bewust, wandelt statig langs de slijkerige straat, naar hare nieuwe woning.
De kroegen—er zijn er twee in het dorp, ten behoeve van tachtig of negentig zielen—zijn vol luidruchtig gezelschap. De brandewijnflesch gaat rusteloos rond. Groote, baardige mannen omhelzen elkander, en drukken hunne glazen tegen de borst; terwijl de knapen en meisjes, schroomvallig en zwijgend, naar een open plaats gaan, waar het feest met een dans zal worden besloten. Dit landelijk bal is wel een kijkje waard. Een kring van dorpelingen, ouden en jongen, schaart zich in het rond, om van de pret getuige te zijn. De dansers staan van elkander afgezonderd: hier een groepje jongelieden, daar een groepje meisjes: allen ernstig en doodstil. Eindelijk laat zich een fluit hooren; een der jonkers neemt zijn muts af, en noodigt met eene buiging zijne danseres uit. Geeft het meisje aan die uitnoodiging gehoor, dan wuift zij met haar zakdoek; de jonkman treedt op haar toe, vat de punt van den zakdoek, en draait met zijn meisje in de rondte. Niemand spreekt een woord, niemand lacht. Stijf geregen en in haar opgeschikte kleeding ingeperst, kan het meisje zich niet dan met moeite bewegen; zij draait om en om zonder dat haar danser ooit hare hand aanraakt. De melankolieke fluit speelt maar altijd voort, uren achtereen, op dezelfde eentonige wijs; en de schoone, die gedurende het gansche bal haar decorum het best bewaart, geen woord spreekt en geen lach haar lippen laat plooien, heeft, naar het oordeel der omstanders, boven allen de prijs verdiend!—De mannen praten en lachen onder elkander: maar zoodra zij de vrouwen naderen, zijn zij met stomheid geslagen, en maken enkel gebaren met hunne mutsen; deze zwijgende uitnoodiging wordt door het wuiven met den zakdoek beantwoord, doch ook zonder dat het meisje den mond open doet. Dit ronddraaien duurt voort, tot de tijd is gekomen om naar bed te gaan, wanneer de mannen, opgewonden door de drank, indien al niet door de liefde, wat los op hun beenen beginnen te staan en allerlei onwelluidende kreten en liederen aanheffen.
De patriarch zit in zijn huis, en brengt den avond genoegelijk door, in gezelschap van Nadia en haar zilveren lepels.
Ook al is haar echtgenoot een volwassen man, moet de vrouw toch haar intrek nemen onder het ouderlijk dak, en zich aan den regel van het ouderlijk huis onderwerpen. Verlangt zij mede haar deel van de groentesoep en van de podding van gerstemeel, om niet te spreken van een nieuw jakje nu en dan, dan moet zij haar best doen om het haar schoonvader naar den zin te maken: en dit kan zij niet doen, indien zij niet onverwaardelijk aan zijne bevelen gehoorzaamt. De grieksche kerk laat geen echtscheiding toe: eenmaal getrouwd, zijn de echtgenooten voor hun leven verbonden;—gelukkig zijn de eischen niet hoog, en heeft geen der beide partijen veel overlast van een te sterke verbeelding, zoodat zij zich in den regel tamelijk wel in hun lot schikken, en zich alleen ongelukkig gevoelen als de boonen mislukken of de patriarch wat al te druk gebruik maakt van zijn zweep.
„Verdedigt een man zijne vrouw dan niet?”
„Neen,” antwoord de oudste, „niet tegenover zijn vader.”
Een patriarch, huisvader, is onbeperkt gebieder in zijn huis en gezin; niemand heeft het recht daar tusschenbeiden te komen: noch het dorpshoofd, noch zelfs de keizerlijke rechter. Hij staat boven de wet. Zijn hut is niet alleen een kasteel, maar een kerk: al wat hij binnen die gewijde wanden verricht, is onaantastbaar en heilig.
„Maar als nu de vrouw bij haar man bescherming zoekt tegen mishandeling?”
„De man moet zich onderwerpen, Wat zoudt ge dan verlangen? Twee heeren onder één dak? Dan zou het huis spoedig in duigen vallen.”
„Dus geven de jonge mannen altijd toe?”
„Wat zouden zij dan moeten doen? Moet men den ouderdom niet eeren? Geeft de ondervinding geen aanspraak op den voorrang? Kan een man een lang leven achter zich hebben, zonder met de jaren ook wijsheid te vergaderen? Naar men zegt, zal dit alles eerlang veranderen; dan zullen de jongelieden het huis regeeren, en de patriarchen hun baard verbergen. Maar niet in mijn tijd! niet in mijn tijd!”
„Onderwerpen de vrouwen zich gewillig aan de bevelen van den patriarch?”
„Zij moeten wel. Veronderstel dat Nadia door den ouden Daan geslagen wordt. Zij komt tot mij, en toont mij haar schouders, die bont en blauw zijn. Ik beleg eene vergadering van patriarchen om hare aanklacht te hooren. Wat zal de uitkomst daarvan zijn? Zij vertelt hun, dat haar vader haar slaat, en toont de litteekenen. De patriarchen vragen haar, waarom zij geslagen werd? Zij bekent, dat zij ongehoorzaam is geweest, toen haar schoonvader haar het een of ander gelastte: misschien wel iets, dat hij niet behoorde te vorderen, en dat zij niet gehouden was te doen. Maar het beginsel des gezags, dit voelt men, staat daarbij op het spel: want is de patriarch niet langer gebieder in zijn huis, hoe zal dan de oudste zijn dorp, de gouverneur zijne provincie, de tsaar het rijk regeeren? Alle soorten en vormen van gezag hangen te zamen, en staan of vallen met elkander. De patriarchen zijn dus van meening dat de vrouw eene zottin is, en dat een tweede dracht slagen haar goed zal doen.”
„Kunnen zij niet bevelen, dat zij gegeeseld worde?”
„Tegenwoordig niet; de wet verbiedt het; dat wil zeggen, in het openbaar. In zijn eigen huis mag Daniël, zoo vaak het hem goeddunkt, Nadia geeselen.”
De wet waarbij dit geeselen der vrouwen in het openbaar verboden wordt, is door den tegenwoordigen keizer uitgevaardigd, en behoort mede tot het groot geheel van maatschappelijke hervormingen, die hij tot stand poogt te brengen. Zij is niet populair in het dorp, waar zij beschouwd wordt als een inbreuk op de rechten der mannen, omdat zij de patriarchen belet, naar goedvinden met de vrouwen te handelen. Sedert deze wet het geeselen der vrouwen in het openbaar heeft afgeschaft, hebben de mannen nieuwe middelen van bestraffing uitgedacht: zij houden zich overtuigd, dat een geeseling met gesloten deuren niet veel helpt, omdat daarbij de eer der schuldige ongerept blijft. Wat zij alzoo uitgevonden hebben, blijkt uit hetgeen een nieuwsblad verhaalt.—Euphrosine M—, de vrouw van een boer in het gouvernement Kherson, werd door haar echtgenoot van ontrouw beschuldigd. De man roept eene vergadering van patriarchen bijeen, die zijne aanklacht aanhooren, en, zonder verdere getuigenis, zonder de vrouw toe te laten zich te verdedigen, haar veroordeelen om, op klaarlichten dag, in tegenwoordigheid van al hare vrienden, moedernaakt door het dorp te worden geleid! Dit vonnis werd op een kouden dag, bij vorst, ten uitvoer gelegd. Toch kon de ongelukkige, wier schuld niet bewezen was, van de uitspraak van deze dorpsrechtbank niet in hooger beroep komen. Want een dorp is een zelfstandige macht; in den vollen zin des woords, een staat in den staat, eene republiek, die door eigen wetten en zelf gekozen opperhoofden bestuurd wordt.
In westelijk Europa is een dorp niet anders dan eene stad in het klein, waar een zeker aantal lieden van verschillenden stand gevestigd zijn, die volkomen vrijheid hebben om, zoo zij dit verkiezen, naar elders te gaan. Een russisch dorp daarentegen is een verzameling van hutten, die allen bewoond worden door menschen van denzelfden stand en hetzelfde beroep; menschen, wien het niet vrij staat zich te verwijderen van den akker, dien zij bebouwen; die met elkander hetzelfde lot deelen, en hunne landen onder dezelfde verplichtingen bezitten; die als belasting eene gemeenschappelijke som betalen, en te zamen een zeker aantal recruten voor de militaire dienst moeten leveren.
Deze dorpsrepublieken zijn in bijzonderen zin aan Groot-Rusland eigen, waar het eigenlijke echt russische volk woont. Men vindt ze noch in Finland en de Oostzee-provinciën, noch in Astrakhan, Siberië en Kazan, noch in Kiew, Podolië, de Ukraine, en evenmin in de kaukasische provinciën. Waar ge deze landelijke republieken aantreft, kunt ge met zekerheid weten, dat ge u op echt-russischen bodem, en te midden van het oud-russische volk bevindt. De provinciën, die ze bezitten, zijn velen in aantal, groot in omvang, en rijk aan vaderlandsche deugden, en met trouwe liefde aan den voorvaderlijken grond en de voorvaderlijke inzettingen gehecht. Zij reiken van de muren van Smolensk tot nabij Wiatka; van de golf van Onega tot de Kozakken-koloniën aan den Don: eene landstreek, vijf of zesmalen zoo groot als Frankrijk, het oude rijk van Iwan den Verschrikkelijke, dat aloude echte Rusland rondom zijne vier hoofdsteden—Nowgorod, Wladimir, Moskou en Pskow—gegroept.
Een dorpsrepubliek is eene vereeniging van boeren, die als het ware een groot gezin vormen, maar op hun eigen land en onder hun eigen oversten leven, die naar oude overgeleverde wetten het bestuur voeren. Een zeker aantal mannen, een van stand en van beroep, hebben zich met gemeenschappelijk goedvinden op dezelfde plaats gevestigd, een dorp gebouwd, een oudste gekozen, die met zeer uitgestrekte macht is bekleed; het land, bij het dorp behoorende, is aller gemeenschappelijke bezitting, niet ieders bijzondere persoonlijke eigendom; zij wonen nabij elkander, in hutten van dezelfde grootte en gedaante, naast en tegenover elkaar op twee rijen geplaatst. Behoefte aan verdediging tegen de gemeenschappelijke vijanden, hetzij dan menschen, wilde dieren, of vernielende natuurverschijnselen, was ongetwijfeld de eerste aanleiding tot deze soort van vereenigingen, waarvan het groote doel, ook nu nog, onderling hulpbetoon is.
De grondslag en onmisbare voorwaarde dezer eigenaardige inrichting is het communaal grondbezit. Geen dezer boeren bezit den grond in zijn eigen naam en krachtens eigen recht, maar allen bezitten dien gezamenlijk, in naam van allen, en wel voor altijd en in gelijke deelen. Het huisgezin, bestaande uit man en vrouw, is de maatschappelijke éénheid: en ieder huisgezin heeft recht op een billijk aandeel in de algemeene bezitting: op zooveel akker-, op zooveel bosch-, op zooveel tuingrond, naar evenredigheid der grootte van de bezitting en de talrijkheid der deelgerechtigden. Om de drie jaren vervallen alle bestaande titels en indeelingen, en grijpt eene nieuwe verdeeling plaats. Daar de gemeente eene zuivere republiek is, waar alle hoofden van huisgezinnen gelijk zijn en geheel gelijke rechten hebben, moet ieder zijne stem uitbrengen in den raad, en moet, bij de verdeeling van het land, ook zorgvuldig op alle aanspraken worden gelet. Het geheel wordt in zoovele deelen gesplitst, als er huisgezinnen in het dorp zijn, waarbij tevens gelet wordt op de hoedanigheid van den grond en den meerderen of minderen afstand van de woning.
Maar evenals de behoeften, waarin voorzien moest worden, verder reiken dan het dorp, zoo heeft ook het beginsel van associatie zijne werking verder uitgestrekt. Acht of tien gemeenten vereenigen zich, en vormen te zamen een soort van kanton of kerspel; tien of twaalf kantons vormen op hunne beurt een wolost of distrikt. Deze afdeelingen hebben wederom haar eigen bestuur en organisatie, en zijn ook metterdaad zelfstandige republieken.
Sinds overoude tijden zijn de leden dezer landelijke democratiën in het bezit van zekere rechten, waarvan de oorsprong misschien betwistbaar is, maar waaraan een wijs en voorzichtig staatsman toch niet dan bij volstrekte noodzakelijkheid raken zal. Zij kiezen hunne eigene overheden, hebben hunne eigene rechtbanken, en leggen eigenmachtig boeten en straffen op. Zij beleggen openbare vergaderingen, waar de gemeenschappelijke belangen en aangelegenheden besproken en besluiten genomen worden. Zij hebben macht over alle leden der vereeniging, onverschillig of die rijk dan wel arm zijn. Zij mogen hunne oudsten afzetten, en anderen in hunne plaats benoemen. Zulk een boersche republiek is eigenlijk niet anders dan eene uitbreiding van het patriarchale huisgezin, en daarom in het bezit van rechten en bevoegdheden, die de keizer niet gegeven heeft, en die hij ook niet durft ontnemen.
Het dorpsopperhoofd voert den titel van oudste, starosta. Hij wordt door de boeren uit hun midden gekozen, en wel voor den tijd van drie jaren; echter brengt de gewoonte mede, dat hij na verloop van dien tijd weder herkozen wordt; en het is niet zeldzaam dat iemand deze waardigheid van zijn veertigste jaar tot aan zijn dood bekleedt. Ieder is als starost verkiesbaar: maar de regel is dat de rijkste boer daartoe gekozen wordt, en de vreemdeling, die in een of ander dorp den oudste wil spreken, zal zich maar zelden vergissen als hij zijne tarantasse voor het grootse huis doet stilstaan.—Moet er een starost gekozen worden, dan komen de boeren samen in eene kapel, in een schuur of in de herberg; zij fluisteren elkander den naam van den uitverkorene in het oor; dan volgt een luid gejuich en handgeklap; en wanneer de man hunner keuze het hoofd heeft gebogen, ten teeken dat hij zijne benoeming aanneemt dan drukt men elkander de hand, en wordt de plechtigheid besloten met een drinkgelag. Hoewel zijne betrekking als een eerambt beschouwd, en dus niet bezoldigd wordt, is de starost niettemin de verantwoordelijke persoon, die voor alles heeft te zorgen, en wien elk onheil en elke ongeregeldheid verweten wordt. Somwijlen, maar niet dikwijls, tracht een rijke boer zich aan de keuze te onttrekken; doch de gemeente heeft recht op de dienstvaardigheid en toewijding harer leden, en wie weigert aan haar roepstem te beantwoorden, moet boete betalen.

Vrouwenklooster te Moskou.
Deze door het dorpsparlement verkozen magistraatspersoon is bekleed met een hoogst eigenaardig, moeilijk te omschrijven gezag: hij is half burgemeester, in den europeeschen zin, en half sheikh, in de arabische beteekenis van dat woord. Hij is een door de wet erkende overheidspersoon, en tevens een soort van familiehoofd, een patriarch, die vaderlijke rechten uitoefent. Sommige van zijne functiën liggen geheel buiten de wet, ja zijn daarmede zelfs in strijd. Zoo heeft een starost, in zijn vierschaar gezeten, het recht behouden, iemand tot den knoet te veroordeelen. Niemand anders in geheel Rusland; noch de landheer op zijne goederen, noch de generaal in zijn kamp, noch de koopman in zijn winkel, noch de reiziger in zijn slede, heeft het recht zijn onderhoorige te slaan. Dit verbod, door den tegenwoordigen keizer uitgevaardigd, wordt streng gehandhaafd: maar een starost kan, gesteund door den dorpsraad, het keizerlijk gebod straffeloos overtreden en de wet trotseeren.
Hoewel de rechten dezer gemeenten in de laatste jaren eenigermate zijn ingekort, zijn zij toch nog, in menig opzicht, buitengewoon groot. Is de vergadering der familiehoofden van oordeel, dat iemand niet langer waardig is, lid der gemeente te zijn, dan kan zij den veroordeelde in handen der politie overleveren, en naar de naastbijgelegen stad laten brengen. Hij is van nu voortaan een balling en zwerver. Uitgeworpen door zijne gemeente, heeft hij geen plaats meer in de maatschappij; hij kan zich niet in eene stad vestigen, noch in een ander dorp gaan wonen, hij is een vagebond, een verworpeling die buiten de menschelijke samenleving staat. De gouverneur der provincie, gesteld dat hij zich de zaak aantrekt, kan weinig voor hem doen. Hij kan de gemeente niet dwingen, den uitgeworpene weder op te nemen; zijn al de vormen behoorlijk in acht genomen, dan is de uitspraak van de dorpsvierschaar onherroepelijk; en den getroffene blijft bijna geen andere keus over, dan soldaat te worden, of zijn geluk te gaan beproeven in de mijnen van Siberië.—In ernstige gevallen, waarbij de rechtbanken betrokken zijn, heeft de gemeente het recht, het uitsproken vonnis te herzien en zelfs te vernietigen. Gesteld, iemand wordt beschuldigd een schuur in brand te hebben gestoken. Op last van den starost gegrepen en aan de politie overgeleverd, wordt bij naar de stad gebracht, waar de rechtbank is gevestigd, die zijne zaak onderzoeken moet. Na verhoor van getuigen en nauwkeurig onderzoek, wordt hij vrijgesproken. Meen nu echter niet, dat hij, krachtens deze vrijspraak, veilig naar zijne hut en zijn akker kan terugkeeren. De gemeente is bevoegd, hem niet meer in haar midden te ontvangen. De dorpsraad kan het vonnis des rechters vernietigen, de zaak nog eenmaal onderzoeken, en den man, in zijn afwezigheid, veroordeelen, niet alleen tot het verlies van zijn huis en land, maar ook van zijn stand en goeden naam.
De gemeente heeft nog andere rechten. Geen harer leden mag zijn dorp verlaten, zonder de toestemming van de vergadering en zonder een paspoort van den starost, die hem ieder oogenblik kan terugroepen, ook zonder opgave van redenen. Weigert hij te komen, dan wordt hij uit de gemeente gebannen. Bij de vergunning is tevens een termijn gesteld, gedurende welken zij geldig zal zijn: een maand, soms drie maanden, echter nooit langer dan een jaar. Is die termijn verstreken, dan moet de afwezige naar zijne gemeente terugkeeren, op straffe van door de politie te worden aangehouden als een landlooper zonder paspoort.
Eenmaal in het jaar wordt eene algemeene vergadering gehouden, waarop ieder bezitter van een huis en erve het recht heeft gehoord te worden. De stemming is geheim. Ieder lid heeft het recht een voorstel te doen, dat de oudste, die tevens de voorzitter der vergadering is, aan hare beslissing moet onderwerpen. Somwijlen wordt een onpopulaire starost afgezet, en een ander in zijne plaats gekozen. Natuurlijk ontbreekt het ook in deze dorpsparlementen niet aan punten van verschil; vooral als het op de verdeeling der landerijen, op den omslag der belastingen, de levering van recruten, het onderhoud der wegen en dergelijke zaken aankomt, kan het er soms heftig toegaan. Wat men de buitenlandsche aangelegenheden der republiek zou kunnen noemen—de groote wegen, de visscherijen, de exploitatie der wouden—wordt geregeld, niet met de keizerlijke ambtenaren, maar met de afgevaardigden van den kanton en het district (wolost), die zich op hunne beurt rechtstreeks in betrekking stellen met den gouverneur, den generaal en de hoofden der politie. De minister richt zich niet tot de afzonderlijke gemeenten, noch minder tot de individuen: wanneer het bedrag der belasting en het cijfer van het contingent zijn vastgesteld, wordt daarvan door de regeering kennis gegeven aan het district en het kanton, die voor de verdere verdeeling en levering hebben te zorgen. De kroon zendt hare bevelen: het geld wordt betaald, de manschappen worden geleverd. Dit stelsel is zoo eenvoudig en zoo afdoende, dat tot dusver niemand de hand heeft durven of willen slaan aan de rechten en de inwendige huishouding dezer republieken.
Deze gemeentelijke organisatie is iets geheel oorspronkelijks en heeft ook niets met de naburige steden te maken. De menschen, die in deze hutten leven, deze velden bebouwen, in deze wateren visschen, vormen eene maatschappij op zich zelf. Hunne wetten zijn niet anders dan overlevering en gewoonte; hunne vrijheden en rechten zijn ouder dan iemand heugt. Zij stellen zelf hunne belastingen vast, en maken hunne eigene wetten; alleen zeer ernstige gevallen uitgezonderd, spreken zij zelf recht, leggen boeten en straffen op, zenden de schuldigen naar Siberië, en roepen zoo noodig de hulp is van de overheid om hunne besluiten ten uitvoer te leggen.
Ten aanzien van het nut dezer inrichting en de wenschelijkheid om haar in stand te houden, zijn de gevoelens in Rusland verdeeld. Mannen, wier meeningen op alle andere punten uit elkander loopen, zijn eenstemmig in den lof dezer zelfstandige gemeenten. Anderen, die het in alles met elkander eens zijn, verschillen geheel ten aanzien van de deugden en gebreken dezer instelling. Velen van de bekwaamste en uitnemendste hervormers wenschen niets liever dan den bloei en de ontwikkeling dezer gemeenten: vurige aanhangers der monarchie, zoo als Samarin en Cherkaski, ijverige republikeinen, zoo als Herzen en Ogareff, zien in deze landelijke gemeenebesten de vruchtbare kiemen eener nieuwe beschaving, die zoowel voor het Oosten als voor het Westen gezegende vruchten zal dragen. Daarentegen kunnen wetenschappelijke mannen, zoo als Valouef, Bungay en Besobrasoff, in deze gemeenten niet dan kwaad zien; in hunne oogen is deze geheele inrichting niet anders dan een overblijfsel van vroegere barbaarsche tijden, dat met den voortgang der beschaving en verlichting verdwijnen moet.
Ontegenzeggelijk zijn aan dit stelsel der zelfstandige gemeenten voordeelen verbonden, die niet gering zijn te achten. De ministers van oorlog en van financiën zullen wel de eersten zijn om deze voordeelen te waardeeren: want, waar het er op aankomt, op de spoedigste en goedkoopste manier belastingen te innen en contingenten voltallig te maken, is het natuurlijk veel verkieslijker met vijftig duizend starosten dan met vijftig millioen boeren te doen te hebben. Ook de minister van justitie kan niet anders dan met welgevallen denken aan dat heirleger onbezoldigde bewakers van de openbare rust en veiligheid, wier eigenbelang het medebrengt een wakend oog te houden op allen, die gevaar loopen van het rechte pad te dwalen.—Maar deze voordeelen zijn toch slechts van ondergeschikten aard, en tot verdediging der gemeenten valt nog wat anders en wat gewichtigers te zeggen. Een stelsel van landbezit, dat aan iederen gehuwden man een aandeel in den gemeenschappelijken grond verzekert, is bij uitnemendheid geschikt tot aankweeking van dien orde- en vredelievenden, waarlijk conservatieven geest, die een onmisbaar element is in iedere maatschappij. Er is misschien geen volk op aarde, dat meer dan het russische aan oude inzettingen en gebruiken is gehecht, en vuriger den vrede wenscht. Waar ieder landbezitter is, daar is uit den aard der zaak de kanker van het pauperisme onbekend; en Rusland heeft dan ook tot dusver weinig of geen behoefte gevoeld aan armenwetten en werkhuizen, want de noodlottige kwaal, die men met deze toch altijd onvoldoende middelen poogt te bestrijden, bleef hier nog onbekend. Hier vindt ge, althans op het land, geene steeds aangroeiende klasse van niets bezittende proletariërs, die uitsluitend van den arbeid hunner handen moeten leven: ieder hoofd van een huisgezin heeft zijn eigen hut, zijn koe, zeer dikwijls zelfs zijn paard en wagen. De leden der gemeenten zijn allen onderling gelijk, en hebben volkomen dezelfde rechten en verplichtingen; zij moeten elkander bijstaan en te zamen de gemeenschappelijke lasten dragen. De luiaard of doorbrenger kan wel zich zelf ongelukkig maken, maar hij sleept althans zijn gezin en zijne kinderen niet in zijn ondergang mede. Dezen behouden hunne plaats in de gemeente, en wanneer zij volwassen zijn, ontvangen ook zij hun aandeel, en kunnen voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid een nieuw leven beginnen. De dronkaard en leeglooper sterft, zonder eene bijna onontkoombare erfenis van armoede, schande en misdaad na te laten. De gemeenten kweeken de groote deugden van ouderliefde en eerbied voor de grijsheid aan; zij houden het gevoel van broederschap en gelijkheid levendig, het heilzaam bewustzijn der onderlinge afhankelijkheid en der noodzakelijkheid van wederkeerig hulpbetoon, den geest van onverbreekbare solidariteit, die alle leden van een groot geheel behoort saam te binden. Zij werpen een zeer hechten dam op tegen het veldwinnend individualisme, dat onze westersche maatschappijen met volslagen ontbinding dreigt, en zijn tevens eene uitmuntende school voor zelfregeering en ter oefening in alle eigenschappen, die voor de verkrijging en handhaving der ware vrijheid onontbeerlijk zijn.
Daar is echter eene keerzijde. Vooreerst zijn de afzonderlijke leden der gemeente te zeer aan de willekeur hunner medegenooten overgeleverd, die van hunne macht bijwijlen erg misbruik kunnen maken. Ook voeden en onderhouden deze gemeenten een geest van bekrompen particularisme: zij maken scheiding tusschen dorpen en steden, tusschen standen en beroepen, en geven voet aan de gevaarlijke dwaling, dat er een staat in den staat kan zijn. Geheel in zijne eigene republiek levende en zich daarin als verliezende, is de boer maar al te zeer geneigd, den stedeling als een wezen van lager rang te beschouwen, die onder eene andere bedeeling leeft, en aan een ander gezag gehoorzaamt. Want in waarheid bestaat er tusschen zijne inzettingen en wetten en die der burgers van de naburige stad, een zeer groot verschil.
XVI.
De Steden—Kiew.
De steden hebben met de verdeeling van het land in kantons en distrikten niets te maken; zij staan geheel op zich zelf, en worden naar gansch andere beginselen en door andere wetten bestuurd. De burger eener stad heeft het recht, dat een boer niet heeft, om vrijelijk handel te drijven en een of ander bedrijf uit te oefenen; hij mag lid worden eener broederschap of zich in een gilde doen opnemen; maar hij is al evenzeer aan zijn bedrijf gebonden als de landbouwer aan den hem toegewezen grond. Zijne woning is dikwijls uit planken getimmerd, zijne straten zijn met hout geplaveid; maar die woning is groen of rooskleurig geschilderd, en die straten zijn ruim en netjes onderhouden. De stad is niet vrij, en heeft niet het recht, zich zelf naar eigen inzettingen te besturen: zij staat rechtstreeks onder het gezag der regeering; het dorp is eene kleine republiek, de stad is een onderdeel van het rijk en als zoodanig aan de algemeene rijkswet ondergeschikt.

Russische soldaten.
Met uitzondering van vijf of zes groote hoofdsteden, vertoonen alle russische steden volkomen hetzelfde karakter; en wanneer ge, in verschillende deelen des rijks, er twee of drie gezien hebt, dan kent gij ze alle. Neem welke stad van den tweeden rang gij wilt, in de gansche uitgestrektheid van Groot-Rusland, en overal zult gij hetzelfde vinden. Tien tegen een, dat de stad aan eene rivier ligt: dan zijn altijd de eerste voorwerpen, die uwe aandacht trekken, een klokketoren, een gevangenis, een vischmarkt, een bazar en eene kathedraal. Langs den oever, boven en beneden de stad, verrijzen kloosters. Eene schipbrug verbindt de beide oevers; en voor de eigenlijke stad ligt eene armoedige voorstad. De haven is opgevuld met schuiten en vlotten; de eerste brengen visch, de andere hout aan. Welk een drukte en beweging op de kaai! Hoe ernstig, hoe smerig, hoe armoedig zien al deze lieden er uit. Hun droefgeestige ernst is een gevolg van het klimaat; hunne smerigheid herinnert u dat gij het Oosten nadert. Zij hebben het niet ruim: de mindere man eet niet veel vleesch: zelfs op gewone dagen, als hij niet behoeft te vasten, bestaat zijn maaltijd uit een stuk roggebrood en stokvisch. Zie, wat hij al niet doen wil om een kopek machtig te worden. Een russische werkman is iemand met wien ge gaarne te doen hebt: altijd gewillig en vol goeden moed; steeds gereed om u genoegen te doen; beleefd en voorkomend: maar ge kunt er nooit op rekenen dat hij zijn woord zal houden. Van de waarde van den tijd heeft hij geen flauw begrip; en als hij beloofd heeft, u tegen tien uur in den morgen uw jas te zullen zenden, moet ge u volstrekt niet verwonderen, zoo ge dien eerst tegen elf uur des avonds krijgt. Ge kunt hem met geen mogelijkheid aan het verstand brengen, dat dit verkeerd is.
Een sterke, onaangename lucht van olie en zout, van fruit en azijn, van afval en visch komt u tegen, zoodra ge de markt betreedt. De voornaamste handelsartikelen zijn brood, zout, visch, aardewerk, tinnen schotels, spijkers en heiligenbeelden. De straat is bijna één groote modderpoel, waarboven hier en daar enkele groote steenen uitsteken. Het kost moeite, vooruit te komen; natuurlijk valt er niet aan te denken, uwe laarzen schoon te honden.—De vischvrouwen zijn forsche, kloeke gestalten, die er, in haar overjas van schapevellen en haar wijden broek van hertsleder, geheel als mannen uitzien, en bezwaarlijk van hare echtgenooten zouden zijn te onderscheiden, indien deze laatsten geen baarden hadden, waaraan iedere man in Rusland te herkennen is.
Van de winkels in den bazar ziet ge niet veel meer dan donkere openingen in den muur, die eene sterke gelijkenis vertoonen met de oude moorsche winkels te Sevilla en te Grenada; de koopman staat voor zijn toonbank, en maakt u opmerkzaam op zijn armoedigen voorraad van platen en snuisterijen, zijn potten en pannen, zijn heiligenbeelden, zijne kandelaars en zijn pakken speelkaarten. Na tarwebrood en zoute visch, zijn heiligenbeelden en speelkaarten de meest gezochte artikelen; want in Rusland is ieder even ijverig bij het kaartspel als bij het gebed: allen spelen, de edelman in zijn club, de koopman in zijn winkel, de bootsman in zijn vaartuig, de pelgrim onder het kruis langs den weg. De hartstocht voor het gebed en die voor het spel zijn misschien voor een deel uit dezelfde oorzaak te verklaren, namelijk uit een zeker bijgeloovig vertrouwen op de macht van het onzienlijke, van het bovennatuurlijke en toevallige, van hetgeen aan de gewone menschelijke berekening ontsnapt. Bijna iedereen in Rusland speelt boven zijn vermogen; en het is volstrekt geen zeldzaamheid dat een gezeten burger de speeltafel niet verlaat, dan na eerst zijn geld, dan zijn laarzen, zijn muts, zijn kaftan, in één woord zijn gansche kleeding tot zijn hemd toe, te hebben verspeeld. Spel en sterke drank zijn voor een Rus twee onwederstaanbare verzoekingen.
Maar hoezeer deze spelers ook in hun spel verdiept mogen zijn, dadelijk werpen zij toch hunne kaarten neder, nemen hunne mutsen af en vallen op hunne knieën, wanneer de priester, met zijn heiligenbeeld en zijn kruis, nadert. Het is marktdag in de stad, en de pope is op weg naar den een of anderen nieuw geopenden winkel in den bazar; dien hij zegenen moet. Zulk een wijding is eene zeer eigenaardige plechtigheid, vol aantrekkelijke, roerende poëzie. De pope, vooraf gewaarschuwd, bepaalt den dag en het uur, zoodat de vrienden en buren gelegenheid hebben, de plechtigheid bij te wonen. Is het oogenblik nu gekomen, dan neemt de priester zijn kruis van het altaar; een koorknaap ontsteekt den wierook; en voorafgegaan door een voorlezer en diaken, gaat de priester naar de woning, tusschen twee rijen van knielende mannen en vrouwen, waarvan de meesten hem, opstaande, volgen, ten einde bij de inzegening tegenwoordig te zijn.
In het huis of den winkel gekomen, reinigt de priester eerst het vertrek door het uitspreken van een formuliergebed; dan zegent hij den eigenaar of bewoner, en wijdt eindelijk het gebouw door op de eereplaats het beeld op te hangen van den patroon des bewoners, zoodat voortaan niets in deze woning geschieden kan, dan onder het oog en als in tegenwoordigheid van dien beschermheilige. Hoe weinig beteekenend ook als kunstwerken, oefenen toch deze beelden een machtigen invloed uit. Niet ver van Tambow woonde eene oude dame, die hare eigenhoorigen met zeldzame hardvochtigheid behandelde, tot eindelijk de ongelukkigen, door voortdurende mishandelingen tot wanhoop gedreven, op zekeren nacht in hare kamer drongen, en haar aankondigden dat zij sterven moest. Van haar bed springende, greep zij haastig het heilige beeld, dat aan den wand hing, en hield dit haar aanvallers voor, hen uittartende om de Moeder Gods te slaan. Van ontzag bevangen, lieten zij hunne knuppels zakken en vloden uit het huis. De onvoorzichtige vrouw, door deze zegepraal verblind, hangt nu het beeld weder aan den muur, slaat haar overkleed om, en gaat naar buiten, haar lijfeigenen achterna;—en deze, ziende dat zij haren talisman niet meer bij zich heeft, vallen met luid geschreeuw op haar aan en dooden haar.
Bij eene wandeling door de stad, kunt ge niet nalaten getroffen te worden door het groote aantal drankwinkels en de menigte beschonkenen, die gij ontmoet. De tegenwoordige keizer heeft den brandewijn—waarvan de verkoop een staatsmonopolie is—met water doen aanlengen, en den prijs van een glas op vijf kopeks in plaats van vijftien bepaald. Die verandering valt niet in den smaak der echte drinkebroers, die hun aangelengden brandewijn minachtend dechofka—een koopje—noemen; maar eenvoudiger zielen zijn den tsaar dankbaar voor zijne gave. „Is hij niet goed, onze tsaar, zeggen zij, dat hij ons drie glazen geeft voor hetzelfde geld als vroeger een glas kostte?”—Toch, hoe slap hij wezen moge, is eene betrekkelijk kleine hoeveelheid brandewijn voldoende om den Rus van de been te helpen; want zijn maag is leeg, zijne zenuwen zijn verslapt, en zijn bloed is arm. Ware hij beter gevoed, dan zou hij minder behoefte aan prikkelende dranken hebben. Gelukkig zijn de Russen, als zij dronken zijn, over het algemeen niet twistziek; zij lachen en zingen, en hebben eene onweêrstaanbare behoefte elkander te omhelzen, wat meermalen tot dwaze tooneelen aanleiding geeft.
De oudste en voornaamste steden van Rusland, hare heilige plaatsen en metropolen, lang voordat het Kremlin aan de oevers der Moskowa, of het Winterpaleis aan de boorden der Newa verrees; hare gewijde en door de dichterlijke legende verheerlijkte steden, zijn nog altijd Kiew en Nowgorod: de eerste de grondzuil van haar geloof, de andere van haar wereldlijke macht. Te Kiew verheft zich de vergulde koepel, die nog altijd getuigt van de bekeering van Rusland tot de Kerk van Christus; in het Kremlin van Nowgorod prijkt de bronzen groep, opgericht bij de gedachtenisviering van het duizendjarig bestaan des rijks.
Kiew, de oudste russische bisschopszetel, ligt niet in eigenlijk Rusland, en verschillende geschiedschrijvers hebben haar, niet geheel ten onrechte, als eene poolsche stad beschouwd. De inwoners zijn Ruthenen, en de stad zelf was eeuwen lang eene schitterende parel in de kroon der Jagellonen. De vlakte, die zich, onafzienbaar ver, voor de poorten van Kiew uitstrekt, is de steppe van Ukraine, het vaderland der Kozakken: het land der hetmannen en van Mazeppa, rijk aan dramatische legenden, aan hartstochtelijke liederen, ter eere der vrijheid en van het wilde nomadenleven. Het volk behoort tot den poolschen stam, en de zeden zijn poolsch. Toch staat hier de bakermat dier kerk, die geheel het maatschappelijk en huiselijk leven in Rusland naar haar beeld gevormd, van haar geest doordrongen heeft.
De stad bestaat uit drie wijken of liever drie afzonderlijke steden: Podol, Vitch-Gorod en Petchersk. Alle drie zijn opgevuld met kantoren, magazijnen, bureaux, winkels, kloosters; maar toch is Podol meer bepaaldelijk de zetel van den handel en de nijverheid; Vitch-Gorod is de officiëele wijk, waar de regeeringscollegiën zijn gevestigd; Petchersk is de heilige stad, het doelwit der pelgrims. Deze drie steden verheffen zich op eene steile hoogte, aan den oever van den Dnjeper; zij tellen eene bevolking van ongeveer zeventig duizend zielen, en bevatten, in twee verschillende heiligdommen, de stoffelijke overblijfselen van dien heidenschen Grootvorst, die sedert haar voornaamste heilige is geworden.
Kiew is eene stad van legenden en wondervolle gebeurtenissen. Wat al herinneringen dringen zich hier aan uwe geest op: de prediking van Sint-Andreas, de teedere vroomheid van Sinte-Olga, de bekeering van Sint-Wladimir, de inval der Mongolen, de poolsche overheersching, de herovering en bevrijding door Peter den Groote. De omliggende provinciën zijn niet minder rijk in geschiedkundige herinneringen. De Ukraine, het vaderland van Mazeppa en Gonta, weet te verhalen van stroop- en plundertochten, van vijandelijke overvallen en verrassingen, van geplunderde steden en geblakerde woningen, van blijde zegetochten en van overhaaste vlucht. Elk dorp heeft hier zijne eigene legende; iedere stad haar eigen heldenzang van liefde en krijg. Het geheele land is vol herinneringen, leeft als ’t ware een eigen romantisch leven. Hier, waar die kapel verrijst, werd een grootvorst vermoord; deze heuvel is de grafstede van eene tartaarsche horde; op gindsche vlakte werd een veldslag tegen de Polen geleverd. De mannen zijn krachtiger en opgewekter; de huizen zijn beter gebouwd, en de velden beter bearbeid, dan in het oosten en noorden. De muziek is levendiger, de brandewijn sterker, de liefde vuriger, de haat onverzoenlijker, dan elders in het groote rijk.
Evenals alle steden van zuidelijke Rusland, viel ook Kiew in de macht van Batoe-Khan, den mongoolschen veroveraar, en zuchtte eeuwen lang onder de ijzeren roede der aziatische begs. Deze begs waren afgodendienaars; en onder hunne heerschappij moesten de kinderen van Sint-Wladimir bittere beproevingen ondergaan: maar Kiew mag er zich op beroemen dat zij, ook in de donkerste dagen der vervolging, in haar nederige kerken en onderaardsche katakomben, het heilige vuur des geloofs voor volslagen vernietiging heeft bewaard.—Aan den voet van twee hooge heuvels, op drie mijlen afstands van Vitch-Gorod, waar Wladimir zijn harem bouwde en een standbeeld oprichtte ter eere van zijn heidenschen afgod, hadden eenige christelijke kluizenaars, Antonius, Feodosius en hunne volgelingen, zich in de rots cellen en woningen uitgehouwen, waar zij jaren lang een godzalig leven leidden en als heiligen stierven. De plaats waar deze onderaardsche woningen werden aangelegd, ontving den naam van Petchersk naar het woord petchera, dat kelder beteekent. Mettertijd verrezen twee kloosters boven die cellen, waar de vrome kluizenaars hadden geleefd; die kloosters werden aan Antonius en Feodosius gewijd, nu de beschermheiligen van Kiew geworden, en weldra alom vereerd als de vaders van allen, die in Rusland het kloosterleven omhelzen.
Met graszoden belegde en met boomen beplante glooiingen scheiden het eerste klooster, dat van Antonius, aan de eene zijde van de oude stad, en aan de andere zijde van het klooster van Feodosius. De beide groote kloosters, in een edelen stijl gebouwd, behooren wel tot de schoonste en statigste bouwgewrochten in oostelijk Europa. Vergulde koepels en torens verheffen zich boven ieder heiligdom; de muren zijn beschilderd met tafereelen uit de levens der heiligen. De grond zelf is hier heilig. Meer dan honderd kluizenaars sluimeren in de katakomben; en onder den grond, in al de vele nissen in den donkeren muur, rusten heiligen, wier lichamen, naar het zeggen der monniken, onverderfelijk zijn. In het klooster van Sint-Antonius toont men u den schedel van Sint-Wladimir: dat wil zeggen, een stuk fluweel, waarin zijn hoofd gewikkeld is. Men verzekert u, dat de huid nog ongerimpeld, de spieren nog veerkrachtig, het geheele hoofd nog ongeschonden en welriekend is. Het is natuurlijk voor een vreemdeling niet wel mogelijk, zich van de waarheid dezer bewering te overtuigen: hetzij ten aanzien van het hoofd van Sint-Wladimir, hetzij ten aanzien der honderde lijken, die in de onderaardsche gangen en gewelven worden bewaard. Ge bekomt toch niets anders te zien, dan een lijkkist, een fluweelen kleed en een opschrift in het Slavonisch; alles hangt dus af van de mate van geloof, die gij medebrengt. Vijftig duizend pelgrims, voornamelijk Ruthenen uit de volkrijke provinciën Podolië, Kiew en Wolhynië, trekken iederen zomer in bedevaart naar deze heilige plaatsen.
Toen Kiew het juk der Tartaren had afgeschud, maakten de wisselvallige kansen van den oorlog haar tot eene poolsche stad, in plaats van eene moskovische, zooals zij eigenlijk was. Losgerukt van den oostelijken tak van den grooten slavischen volksstam, werd zij bij den westelijken ingelijfd. Nooit was Kiew russisch geweest, zooals Moskou russisch was; eene ruwe, barbaarsche stad, met eene bevolking van handelaars en boeren, en de zetel van een half tartaarsch hof; en nu zij dus in rechtstreeksche verbinding met het Westen werd gebracht, werd zij gaandeweg een tweede Praag. Eeuwen lang kweekte zij in haar schoot de kunsten en wetenschappen der westersche beschaving; en toen zij door Peter den Groote weder met Rusland werd vereenigd, was zij niet alleen de schoonste parel in zijne kroon, maar ook een vereenigingspunt voor alle takken en afdeelingen der groote slavische nationaliteit.
Geen andere binnenlandsche stad van Rusland is zoo schilderachtig en zoo gunstig gelegen. Van haar hooge heuvelen overziet zij de wijd uitgestrekte steppe, en beheerscht zij den statigen, koninklijken stroom. Zij is de hoofd- en havenstad van de Ukraine; zij raakt Polen met haar rechter-, Rusland met haar linkerhand; zij steunt tegen Gallicië en Moldavië, en keert haar aangezicht naar Servië en Bulgarije. Zij is, als het ware, een kort begrip der geheele Slavische wereld. Haar bevolking bestaat voor een derde uit Moskovieten, voor een derde uit Russen, voor een derde uit Polen; zij herbergt in haar schoot de belijders der orthodoxe kerk, benevens katholieken en Vereenigde-Grieken. Meer dan eenige andere stad in Europa, zou Kiew aanspraak hebben op den rang van hoofdstad van het groote Slavische rijk, wanneer de droom van het Panslavisme immer voor verwezenlijking vatbaar was.

Zaal in het Kremlin te Moskou.
Op dit oogenblik schijnt die verwezenlijking verder verwijderd dan ooit. Tot voor korten tijd vormden de panslavistische droomers eene afzonderlijke partij in den staat; en nog op dit oogenblik hebben zij aan het hof vermogende vrienden. Hun leus is, Panslavonië voor de Slavoniërs; of liever, de verschillende stammen van den grooten slavischen stam,—één staat, onder één hoofd: de slavische eenheid alzoo. Twee jaren geleden, riepen de leiders van deze partij te Moskou een congres bijeen, waarop zij in de eerste plaats hunne landgenooten uitnoodigden, van de Witte- tot de Zwarte-zee, van den Weichsel tot den Amoer; en voorts vertegenwoordigers van alle slavische stammen, die onder vreemden schepter leven:—de Czechen van Praag, de Polen van Krakau, de Bulgaren van Sjoemla, de Montenegrijnen van Cettinje, de Serviërs van Belgrado; maar juist deze algemeene vergadering te Moskou deed de oogen van verstandige en gematigde mannen opengaan voor de onpraktische en zelfs gevaarlijke zijde van dit panslavistisch streven. Op den bodem ligt een diep gewortelde afkeer van het eigenlijke russische leven, zooals het in den loop des tijds geworden is. Deze droomers zien verlangend uit naar andere vormen, die, zooals zij zeggen, door een hooger en edeler nationaal leven zullen worden bezield.
Evenals de oud-geloovigen, willen ook de Panslavisten niets weten van den keizer, en kennen zij alleen den tsaar. Ook voor hen is Peter de Groote de Antichrist, en het welslagen zijner doortastende hervormingen beschouwen zij als een tijdelijke zegepraal van den booze. Daarom kanten de Panslavisten zich tegen alles wat Peter heeft gedaan, en tegen bijna alles wat zijne opvolgers op den troon hebben verricht. Zij wenschen alle vreemde elementen uit hun midden weg te doen: zij verlangen hunne oude nationale hoofdstad terug; zij vragen vrijheid om hunne baarden te laten groeien, om bonte mutsen en hooge laarzen te dragen, zonder deswege bespot of gekweld te worden. Zoowel de oud-russische als de jong-russische partij verzet zich echter tegen het streven dezer panslavistische dweepers, die, terwijl zij breken met het verleden van Rusland sedert de laatste anderhalve eeuw, tegelijk alle denkbeelden en vorderingen der westersche beschaving hardnekkig verwerpen, en een onmogelijke hersenschim najagen, waaraan zij alle wezenlijke en praktische verbeteringen en hervormingen opofferen.

Het oude paleis van den Grooten-Khan te Baktshi-Seraï.
XVII.
De Ballingschap.—De siberiërs.
De jongste opstand in Polen was gedempt, en wederom werden gansche scharen van gevangenen naar de uiterste grenzen van het rijk, naar Archangel, naar den Kaukasus en Siberië gevoerd. Echter heeft de tegenwoordige regeering het deportatie-stelsel aanmerkelijk verzacht; en de openbare werken van Archangel hebben voor een poos de plaats ingenomen, die vroeger, in de publieke opinie, aan de beruchte mijnen van Siberië toekwam. Meen echter niet dat de groote aziatische wildernis als plaats van verbanning is opgegeven: nog altijd worden vele groote misdadigers en ook enkele ongelukkige staatkundige overtreders naar gene zijde van den Oeral gezonden. Maar het stelsel is in den laatsten tijd aanmerkelijk gewijzigd en verzacht; en de naam van Siberië boezemt ook niet meer dien geheimzinnigen schrik in, die vroeger daaraan onafscheidelijk was. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, geheele scharen van jongelieden te ontmoeten, die van Mesen en Archangel uitgaan om de hellingen van den Oeral te beklimmen, en hunne fortuin te gaan beproeven in Siberië.
De wetenschap heeft, immers voor een groot deel, de gewaande verschrikkingen, die Siberië als een duistere nevel omhulden, verdreven. Gemeenschapswegen zijn geopend en hebben met de inlandsche stammen nadere betrekkingen aangeknoopt. Tomsk, waarvan de naam alleen vroeger het bloed in de aderen verstijven deed, is nu gebleken eene fraaie, aangename stad te zijn, schilderachtig gelegen in eene groene vallei, aan den voet van statige heuvelen. Zij ligt niet ver van Perm, dat bijna als eene verwijderde voorstad van Kazan kan worden beschouwd. Binnen weinige maanden zal de spoorweg, die Perm met Tomsk moet verbinden, gereed zijn.
Ook is men langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat aan eene strafkolonie geen lang leven is bereid, of althans dat zij vrij spoedig haar eigenlijk karakter verliezen moet. De mensch kan zich overal eene woning bereiden: en zoodra die woning inderdaad de zijne is, zijn eigen huiselijke haard, heeft zij ook daardoor opgehouden zijn kerker te zijn. Het ligt in den aard van iedere strafkolonie, dat zij eindelijk een gevaar oplevert voor het moederland: en een door Polen bevolkt Siberië zou voor het russische rijk eene voortdurende bedreiging zijn, een tweede Polen in het oosten. Zelfs nu zien sommige al te bezorgde lieden met bekommering den tijd te gemoet, dat de zonen der staatkundige ballingen alle invloedrijke posten in Azië zullen bekleeden, en verbeelden zij zich dat Siberië eenmaal Rusland behandelen zal, zooals de Vereenigde-Staten Engeland hebben behandeld.