V.
Reading edition
Gorden wij ons thans aan tot een bezoek in de talrijke galerijen, waar de meesterstukken der antieke kunst worden bewaard, en beginnen wij die lange reis, naar chronologische volgorde, met de oudste tijden. Gregorius XVI heeft het vatikaan verrijkt met twee verzamelingen, die ons lange reeksen van eeuwen terugvoeren, verder zelfs dan den tijd, waarvan de historie heugenis heeft tot den oorsprong der kunst in het verre Oosten en in het alaude Latium. Ik bedoel het egyptische museum en het etrurische museum, beiden door dezen geleerden en kunstlievenden paus gesticht.
Wij begeven ons eerst naar de egyptische verzameling.
Ik weet niet, of het vatikaansche museum, evenals dat van den onderkoning van Egypte te Boulak, afbeeldingen bezit uit den tijd van Chephren, den Pharao van de vierde dynastie, die de tweede pyramide heeft gebouwd, en wiens peinzend gelaat heugenis heeft van misschien vijftig eeuwen. Maar het museum bezit toch enkele monumenten van het zoogenaamde nieuwe rijk, te beginnen met Amasis, den stichter van de achttiende dynastie; dat wil zeggen omstreeks 1700 Bladzijde 79jaren vóór Christus. Tot dit tijdvak behoort de voortreffelijk bewaarde mummie—al te goed bewaard, want haar aanblik is afschuwelijk—van een priester van Ammon, op wiens borst de naam Amosis geschreven staat. In de groote zaal vindt men een standbeeld van graniet, dat, naar men zegt, de moeder voorstelt van dien beroemden held en veroveraar der negentiende dynastie, van dien Ramses II, dien de Grieken Sesostris noemden, en wiens zoon Menephtha getuige was van den uittocht der Israëlieten. Dit beeld is opgegraven in de tuinen van Sallustius; het merkwaardige kapsel, met den sperwer versierd, en de fijne bearbeiding prenten de herinnering aan dit kunstwerk in uw geheugen. De kolossale sarkophagen in den vestibule zijn misschien niet ouder dan het begin der acht-en-twintigste dynastie, toen Egypte, voor eene korte poos van het perzische juk ontslagen, onder den eersten Nectanebos zijne onafhankelijkheid herwon: uit dezen tijd zijn een aantal fraaie sarkophagen bekend. Een daarvan is echter stellig ouder, die namelijk van een priester, Neith-Mah genoemd, die ten tijde van Psammetichus leefde, toen, volgens Herodotus, de stad Saïs het middelpunt werd eener nieuwe beschaving, die zich niet langer stelselmatig van alle aanraking met vreemden afsloot. De Egyptenaren knoopten betrekkingen aan met de Grieken; ook is de helleensche invloed, reeds lang vóór het macedonische tijdperk, in hunne kunst zeer merkbaar. Uit de laatste tijden van het dusgenaamde nieuwe rijk, dus nog altijd vóór de perzische verovering, dagteekenen waarschijnlijk de twee fraaie leeuwen die langen tijd de fontein van Acqua-Felice hebben versierd, en in 1443 nabij het Pantheon werden opgegraven. Tot dienzelfden tijd behooren waarschijnlijk twee vrouwenbeelden, in halve grootte; de eene is gehuld in een fijn en nauwsluitend gazen gewaad, hare trekken hebben eene zonderlinge, geheimzinnige uitdrukking: het is of hare lippen zich zullen openen, om u een of ander geheim toe te fluisteren. De andere, met een sluier om het hoofd, en in een soort van peplum gedrapeerd, draagt een hoorn des overvloeds in hare hand; ook in dit beeld is het egyptische karakter niet te miskennen, maar toch veel minder sterk uitkomende.
Van de Papyrussen heb ik alleen te spreken om de voortreffelijke schikking van deze collectie te roemen, en om uwe aandacht te vestigen op een menigte kleinere voorwerpen, in de zalen, die naar de Papyrussen voeren. Daar vindt ge, emailwerk, bronzen versierselen, beeldjes van hout en gebakken aarde, afgodsbeelden, dieren, vazen, huisraad, enkele mummies van katten, en dergelijke meer. Ik herinner mij vooral een grooten kever van jaspis, gedagteekend uit het twaalfde jaar der regeering van Amenophis III, uit de achttiende dynastie; uit het opschrift op dezen kever blijkt, dat te dier tijde (omstreeks 1600 jaar vóór Christus) het rijk zich uitstrekte van Mesopotamië tot aan het land van Karo, bij het tegenwoordige Abessinië. Het egyptische museum van het Vatikaan kan, bij voorbeeld, met dat in den Louvre niet op eene lijn worden gesteld, vooral wat betreft de monumenten van zeer ouden tijd; maar het munt uit door grooter verscheidenheid en vergunt u beter, een blik te werpen op het intieme leven van dit merkwaardige en geheimzinnige volk. Ook is de schikking der voorwerpen minder streng wetenschappelijk misschien, maar zeker veel bevalliger en uitlokkender. Zelfs hij, die uit bloote nieuwsgierigheid deze zalen doorwandelt, zal zich toch telkens door het een of ander aangetrokken gevoelen.
Gregorius XVI heeft de zeer gelukkige gedachte gehad, de egyptische pastiches, dat wil zeggen de navolgingen van egyptische kunst, die tijdens het keizerrijk en vooral onder Hadrianus, zeer in de mode waren, in eene afzonderlijke afdeeling bijeen te brengen. Eene vergelijking tusschen deze gewrochten en de monumenten van echte oud-egyptische kunst is uiterst leerzaam. Al deze beelden hebben eene zaak gemeen: zij missen dat onbedriegelijke cachet, dat alleen ware, oorspronkelijke kunst eigen is, evenals de geur der natuurlijke bloem niet kan worden nagebootst. Deze beelden zijn stom en dood, en wekken geene enkele gedachte bij u op; hun gelaat, hunne houding, alles verraadt toeleg en berekening. Deze beelden zijn niet waar. Gezwegen nog van de verschillende wijzen van bewerking, waaraan men meestal niet denkt en die toch van zoo overwegenden invloed zijn op het geheele karakter van het kunstwerk, moeten wij niet vergeten dat deze Osiris- Ptah- en Horusbeelden van Hadrianus niet meer de type teruggeven van een bepaald ras; hetgeen de oude Egyptenaars, zelfs onbewust, wel deden. Het zijn dus niet veelmeer dan poppen, fraai bewerkt somwijlen, zonder twijfel, maar wier waarde toch eigenlijk afhankelijk is van de kostbaarheid der stof en de moeilijkheden van uitvoering, die de kunstenaar te overwinnen had. Eigenlijk behooren zij tot de rubriek der voorwerpen van de industriëele kunst, de dienares van mode en smaak, wier werken met deze voorbijgaan. Maar hebben wij, bij een blik op onze eigene kunstwerken, wel het recht zoo laag op deze pastiches neer te zien?
Na een vluchtig bezoek aan het egyptische museum, waar wij de overblijfselen voor ons hebben eener kunst, ten deele ouder dan de geschreven overleveringen en historische berichten, willen wij een blik werpen op de monumenten der etrurische kunst, weinig minder merkwaardig. Ook dit volk der Etruriërs of Etrusken is voor ons—eigenlijk nog veelmeer dan de Egyptenaars—in ondoordringbaar duister gehuld. Wij weten weinig van zijne herkomst, vermoedelijk uit aziatisch Griekenland; bijna niets van zijne geschiedenis, dan alleen waar zij in aanraking komt met die der Romeinen, die de Etrusken onderwierpen; niets van hunne taal, waarvan ons geen andere gedenkstukken zijn overgebleven, dan enkele kleine, nog niet ontcijferde opschriften. Alleen weten wij dat de Etrusken, voor de historische tijden, in het tegenwoordige Toskane en een deel van het oude Latium waren gevestigd; dat zij een betrekkelijk hoogen trap van beschaving, blijkbaar door grieksche invloeden beheerscht, moeten hebben bereikt; en dat hunne kunst ook bij de Romeinen Bladzijde 80in eere is gebleven, tot zij door de hoogere grieksche verdrongen werd.

De Bracchio Nuovo in het Vatikaan.
Op onzen weg van het egyptische naar het etrurische museum kunnen wij reeds een blik werpen op de grieksche wereld, hier zoo schitterend vertegenwoordigd. Hoe gehaast ge ook zijn moogt, het zal u wel onmogelijk wezen niet eenige oogenblikken te toeven in eene zaal, die als het ware een vestibule vormt, Bladzijde 81aan bijna alle kanten open is; en met een prachtige driedubbele trap prijkt, die naar de bovengalerijen voert. Naar welke zijde ge hier uwe blikken richt, overal schemeren u wonderen tegen. Maar ik dien u wel eene meer volledige beschrijving van deze zaal—bij uitnemendheid schoon onder de vele verwonderlijk schoone zalen van het vatikaan—te geven.
De zaal heeft den vorm van een grieksch kruis, waaraan zij ook haar naam ontleend: het is een dier meesterstukken van bouwkunst, zooals de achttiende eeuw ze bijwijlen wist te scheppen, en die volkomen beantwoorden aan de voorstelling, die wij ons van de antieke paleizen vormen. De veelkleurige mozaïek in het midden; de kolommen van koralijn en groen porfier, die het gewelf en de zijwanden der marmeren trappen dragen; de bas-reliefs ter wederzijde van den middelsten boog; de groen granieten vaas op den architraaf, die de hoogere gewelven zoo goed doet uitkomen; de eenvoudig smaakvolle versiering van de fries; de sphinxen aan den voet der trappen; die gelukkige verdeeling en inrichting, die u vergunt, onder verschillend licht, drie verdiepingen wedijverende in pracht met een enkelen blik te omvatten; die veelkleurige, met zoo juisten takt aangebrachte marmers; de wondervolle harmonie en rustige beweging van het geheel, waar alle deelen samenstemmen: dit alles maakt een onbeschrijfelijken indruk. Ge kunt u hier inderdaad in eene klassieke godenwoning, een voorhof van den Olympus, denken: en het zou u bijna niet verwonderen, indien eene of andere grieksche gestalte, een Alcibiades of eene Phryne, u tegentrad. Dit uitnemend kunststuk werd onder Pius VI, door Camporese en Simonetti gebouwd.

De tuinen van het Vatikaan.
Na hier onze oogen verkwikt te hebben, bestijgen wij de trappen, die naar het etrurisch museum, mede eene schepping van paus Gregorius XVI, voeren.
Deze verzameling is misschien nog wel zoo merkwaardig als de egyptische. De etrurische kunst, wier oorsprong en ontwikkeling zich in den nacht der tijden verliest, heeft slechts eene verwijderde verwantschap met de kunst van het oude Egypte. Voor deze etruskische scheppingen staat ge niet in stomme verbazing als voor een onbegrepen raadsel, stil, zooals voor de beelden van Thebe en Memphis; men heeft hier niet meer te doen met goden en menschen van een ander geslacht, die ons altijd vreemd blijven, en in hunne strenge afgeslotenheid, als met zeker medelijden, op ons schijnen neer te zien. De Etrusken, uit Azië afkomstig en op italiaanschen bodem overgeplant, staan ons nader; de beweging, de uitdrukking waarnaar hunne kunstenaars streven, zijn aan onzen eigen smaak, aan ons eigen begrip van kunst, verwant; de onderscheidene gelaatstrekken zijn voor ons begrijpelijk: wij herkennen Bladzijde 82daarin onze eigene gemoedsbewegingen en aandoeningen.
De opgravingen hebben eene menigte voorwerpen aan het licht gebracht, die in het gewone dagelijksche leven werden gebruikt: daardoor is dit museum voor onze kennis der Etrusken ongeveer van dezelfde beteekenis, als het pompeïsche museum te Napels voor die der romeinen uit de eerste eeuw. In de kleinere beeldhouwwerken, zooals bas-reliefs, bronzen, voorwerpen van terracotta, lijkbussen en dergelijke, schijnt mij de eisch der ideale schoonheid ondergeschikt te zijn gemaakt aan de uitdrukking van het gelaat, aan de uiting van zekere gedachte, evenals wij dit in de middeleeuwsche kunst opmerken; bij de versiering der vazen schijnt men zich daarentegen meer te hebben toegelegd op het heroïsche in den stijl, altijd met behoud van eene zuiver opgevatte en weergegeven handeling. Dit eigenaardig karakter valt vooral in het oog, wanneer zooals hier is geschied, etrurische vazen naast grieksche ten toon worden gesteld.
De inscripties onder de beelden zijn, zooals ik zeide, tot dusver nog niet ontcijferd. Daar ook de catalogus van dit museum nog niet verschenen is, zullen wij ons bepalen tot eene vluchtige aanteekening omtrent sommige voorwerpen, die meer bijzonder mijne belangstelling hebben opgewekt.
Reeds dadelijk bij het binnentreden in de galerij wordt uwe opmerkzaamheid getrokken door vier groote sarkophagen, waarvan twee uit steen zijn gehouwen. Op het deksel van de eene tombe ligt het beeld van den doode, door zijne vrouw en kinderen omgeven; het bas-relief langs den wand verbeeld een menschenoffer. Op den tweeden sarkophaag rust een priester, door de teekenen zijner waardigheid omringd. De beide anderen, van gebakken aarde (terracotta) vervaardigd, prijken insgelijks met liggende figuren. Door den stijl, door de schikking, maar vooral door den omtrek der beelden, herinneren deze monumenten aan de kunstwerken der middeleeuwen; men zou bijna denken, dat, in het midden der twaalfde eeuw, de bewoners van Chiusi, Arezzo, Cornetto en de zuidelijk gelegen streken, plotseling de traditie der Grieken en Romeinen ter zijde zettende, als bij instinkt, de oud-vaderlandsche etruskische kunst tot hun model hebben gekozen. De borstbeelden boeien u vooral door de uitdrukking van het gelaat, ik herinner mij er met name twee van terracotta, die men bijna voor de portretten van blond engelsche misses zou aanzien. Zie ginds dat bronzen standbeeld te Todi opgegraven; doet die krijgsman, met zijn gevleugelden helmkam en zijn borstharnas, met zijne fiere houding en gebiedenden blik u niet denken aan een of anderen baron of kruisridder? De beelden van goden en genieën dragen daarentegen een zoo echt oostersch karakter, dat ge in uwe verbeelding plotseling naar het hart van Indië wordt teruggevoerd. Vergeet vooral gindsche Biga niet, een op twee wielen rustenden wagen, van hout met koper overtrokken; de as der wielen is met baviaankoppen versierd. Zulk een antiquiteit is niet alleen zeer merkwaardig, maar ook uiterst zeldzaam. Deze wagen, waaraan zelfs de dissel niet ontbreekt, is ongeschonden opgedolven.—Voortdurend treft ons, bij het beschouwen der monumenten van etruskische kunst, dat eigenaardig karakter van oorspronkelijkheid gepaard aan eene groote mate van ontvankelijkheid voor vreemde invloeden. Staat in de oudste perioden deze kunst meer onder den invloed van de oostersche, met name van de egyptische, in later tijdvakken is de heerschappij van het grieksche kunstideaal, in zijne verschillende ontwikkelingen, onmiskenbaar: in die mate zelfs, dat vele echt etruskische werken herhaaldelijk voor grieksch zijn aangezien. En toch blijft er, ondanks die zeer zichtbare navolging, in deze kunstscheppingen iets eigenaardigs, iets oorspronkelijks, dat, uit een zuiver esthetisch oogpunt, hare waarde dikwerf niet verhoogt, maar haar daarentegen dubbel merkwaardig maakt als openbaringen van den eigenlijken geest van dit volk, welks geschiedenis en leven nog, in zoo menig opzicht, voor ons in duister is gehuld.
Dit museum is rijk aan allerlei huisraad en voorwerpen van dagelijksch gebruik: zetels, bedden, spiegels, vazen, wapenen, potten, komfooren en gereedschap van allerlei aard. De opgravingen van Cerae, van Tarquiniës, van Volsci, van Bolsena, hebben boven verwachting een rijken oogst opgeleverd: te beginnen met de wel leesbare, maar in eene onbekende taal vervatte opschriften, tot de schoonste vazen uit het oudste tijdperk der etruskische kunst. Te Cerea heeft men in eene enkele grafkamer behalve aardewerk en een volledig stel keukengereedschap, ook al de sieraden van eene waarschijnlijk aanzienlijke familie gevonden: eene vondst, waaraan in den jongsten tijd, het ontstaan der mode van etrurische sieraden is te danken. Om den bezoeker een zoo volledig mogelijk denkbeeld van deze grafkamers te geven, heeft men hier, in het museum, de grafkamer van Cerae nagebootst. De juweelen en sieraden zijn in groote glazen kasten geplaatst, die beweegbaar zijn, en die ge zoo kunt draaien, dat ge alles onder een behoorlijk licht zien kunt. Eene zoo doelmatige inrichting zoekt men tot dusver, buiten de vatikaansche museums, vergeefs: hier is alles in de eerste plaats berekend voor het genoegen van den bezoeker, om een aangenamen, bevredigenden indruk te weeg te brengen; elders moeten dergelijke overwegingen in den regel wijken voor de onverbiddelijke eischen van eene of andere wetenschappelijke classificatie, indien al de voorwerpen niet, als in een winkel, op elkander zijn getast en door de opeenhooping zelve onzichtbaar worden.