Front matter (continued 4)
Reading edition
"Blijf hier, Dirk," zegt Van Gulven, "blijf hier, want het kon wel eens misloopen tusschen Gerrit Dubbe en mij. De schurk moet van "Zorgwijk" af; hij heeft er lang genoeg de lucht bedorven."
Paars van drift rukt de boer de deur open en zich vlak voor Gerrit Dubbe plaatsend, buldert hij hem toe: "Heb ik je niet gezegd, dat ik niets meer met je te doen wilde hebben? Wat zoek je dan nog hier! Ellendige Judas, er is hier voor jou niets meer te doen. Ik, arme dwaas, heb mij door je valsche tong laten ompraten, en het eind van de zaak is, dat ik mijn kind, mijn eenige dochter, voorgoed verloren heb. Een trotsche, verwaande kerel was ik altijd, maar jij hebt een misdadiger van mij gemaakt. Voort, zeg ik je, de poort van "Zorgwijk" uit, en vertoon je nooit weer hier!"
Op zulk een luiden toon had de boer die woorden uitgebruld, dat een paar daglooners, die in de schuur aan het dorschen waren, met hun dorschvlegels in de hand naar buiten kwamen loopen, niet wetend wat er gaande was.
In het eerst stond Gerrit Dubbe verbluft, want op zulk een ontvangst had hij niet gerekend, maar daarna riep hij smadelijk:
"Wat! Is dat de dank, omdat ik u altijd terzijde heb gestaan? Gij noemt u zelven een dwaas en dat zijt ge ook. Nu alles gegaan is, zooals we het wenschten, nu krabbelt ge terug, en stelt u aan als een gek, gij . . ."
"Hierheen" mannen!" schreeuwt Van Gulven en wenkt de beide daglooners bij zich.
"Gooi hem de poort uit, Dirk en maak de honden los!"
"Niets liever dan dat, baas!" roept de knecht, en Dirk, die in lichaamskracht bijna tegen den rooden Gerrit is opgewassen, grijpt hem oogenblikkelijk in de borst.
De daglooners, jonge, krachtige kerels, pakken ook aan, en hoewel Dubbe woedend van zich afslaat, moet hij toch ras het onderspit delven, want met vereende krachten werpt men hem buiten de poort, die dreunend achter hem dicht geworpen wordt.
Na dien dag vertoonde Gerrit Dubbe zich niet meer op "Zorgwijk", maar zooveel te meer in den "Zwarten Arend". Govert Kemp rekende hem onder zijn beste klanten en deed al het mogelijke, om den ruwen, hatelijken kerel te vrind te houden.
Nu gebeurde het wel eens, dat deze of gene, die niet tot de vrienden van Gerrit behoorde, het gesprek op Van Gulven bracht, om zoodoende Dubbe tot toorn te prikkelen, waarbij men echter wel zorgde niet te ver te gaan, want Gerrit was op het dorp nog altijd een gevreesde kerel. Bij zulke gelegenheden vergat hij soms zijn gewone sluwheid, en liet hij zich wel eens ontvallen, dat hij het vandaag of morgen den boer van "Zorgwijk" wel betaald zou zetten, dat deze hem door zijn knechts van zijn erf had doen smijten.
De boeren lachten er om en beschouwden die bedreiging als gewone snoeverij. Maar toch, velen dachten er later anders over.
't Was in den nazomer; het hooi was in de schuren geborgen, en het koren was voor het grootste deel binnen. Den ganschen dag hadden de zwaarbeladen wagens af- en aangereden, en de sterke paarden, zoowel als daglooners en knechten van "Zorgwijk", waren, vermoeid door den zwaren arbeid, vroeg ter ruste gegaan.
Vooral Dirk had dezen dag hard gewerkt, want hij had eigenlijk het beheer over de hoeve, en het zij tot zijn eer gezegd, hij behartigde de zaken van zijn meester alsof het zijn eigene waren.
Van Gulven had van lieverlede alles aan hem overgelaten, en de man, die vroeger voor een der meest ervaren boeren uit de streek gold, liet nu alles aan vreemden over. Hij had er geen lust meer in; het was of zijn veerkracht verlamd was, zoo drukte hem het gevoel zijner schuld.
Geen arme echter werd ledig van zijn deur gezonden, en zijn volk betaalde hij beter dan eenige boer in den omtrek.
Bijna met niemand sprak hij meer, doch het liefst had hij Geertje om zich heen, die een paar jaar geleden met Dirk was getrouwd, en op het erf van "Zorgwijk" woonde in de aardige met wingerd begroeide woning rechts van de inrijpoort.
Hun huwelijk was tot dusver kinderloos, dus Geertje kon haar functie als huishoudster op "Zorgwijk" blijven vervullen, en ze deed dat, en verzorgde haar stillen, treurigen meester met al de trouw van haar vroom en liefderijk gemoed. Toen dezen avond de arbeid was afgeloopen, was Dirk nog even bij Van Gulven gekomen, om over het werk voor den volgenden dag te spreken, en toen hij en Geertje zich naar hun huisje begaven, bleef Van Gulven nog rooken. Ten slotte gaat ook de boer ter ruste en een paar uur later heerscht er zoowel in als om de hoeve een kalme, vredige rust.
Omstreeks middernacht doet de oude nachtwacht van het dorp zijne gewone ronde, en nauwelijks dreunen twaalf klokslagen van den toren, of zijn eentonige roep: "Twaalf heit de klok! de klok heit twaalf!" galmt door de dorpsstraat.
Nu is hij recht over het voetpad van "Zorgwijk", en eensklaps valt zijn oog op een rookwolkje, dat opstijgt boven het dak van een der groote schuren, die vastgebouwd is aan het woonhuis.
Een oogenblik nog blijft hij staan, en wrijft zich de oogen uit; maar als hij ziet, dat de rook toeneemt, en rossig gekleurd naar boven kringelt, dan stormt hij, zoo snel zijn stramme beenen het hem toelaten, het voetpad af, en tegen de ijzeren poort van de hoeve bonzend, schreeuwt hij met geweldige stem: "Brand! Brand!"
Doch de menschen slapen vast, en eerst als de groote waakhonden van "Zorgwijk" met woedend geblaf het geroep van Brand! Brand! beantwoorden, dan wordt Geertje wakker, en zich oprichtend in haar bed, denkt ze: wat gaan de honden toch aan!
"Brand! Brand!" klinkt het door den stillen nacht. "Dirk! Dirk!" roept Geertje en schudt haar man bij den schouder heen en: weer. "Er is brand, er uit!"
"Waar is er brand, waar zoo?" Dirk rijst slaapdronken overeind, doch nu dringt ook hem het brandgeroep van buiten in de ooren en dat maakt hem in eens klaar wakker.
Dadelijk staat hij op den vloer, en snel den grendel van de bovendeur schuivend, werpt hij die wijd open.
De geurige, frissche lucht van den zomernacht dringt naar binnen, maar Dirk let daar niet veel op, want wat hij ziet, doet hem een oogenblik van schrik verstijven.
Uit alle openingen en reten in de groote schuur perst de rook naar buiten en door de kleine raampjes schijnt de roode vuurgloed, en ziet men al reeds de flikkerende vlammen dansen.
"Geertje, Geertje, "Zorgwijk" staat in brand!" en vliegensvlug trekt Dirk zijn bombazijnen broek aan, steekt de bloote voeten in de klompen, en vliegt naar buiten. Als mokers bonzen zijn vuisten op de gesloten vensterluiken, waar hij weet, dat de slaapkamer van Van Gulven is.
"Brand! Baas, er uit!" schreeuwt Dirk, en zijn vuistslagen doen het raamkozijn dreunen. Op dit oogenblik barsten de vlammen met vreeslijk geweld uit het dak der schuur, en grijpen oogenblikkelijk 't woonhuis aan. "Ik kom, Dirk!" zoo roept Van Gulven en opent de deur.
In hemd en broek, evenals Dirk, komt de boer naar buiten en staart verbijsterd in den loeienden vuurpoel. Verstikkende hitte en een regen van vonken drijven Dirk en Van Gulven weg van voor het huis. Gelukkig konden de jonge knecht en de twee meiden door den stal ontvluchten, zoodat er zich geen menschenlevens meer in gevaar bevonden.
Nu opent Dirk de poort der hoeve, en tot dadelijke hulp bereid, dringt een aantal dorpelingen naar binnen, en met iedere minuut vermeerdert hun getal.
Akelig klinkt het klokgeklep door den omtrek, en alle wegen en paden, die naar het dorp leiden, zijn bedekt met halfgekleede menschen, en hier en daar jaagt een boerenzoon te paard in galop over den weg.
Heel het dorp is op de been; de burgemeester en veldwachter Durling praten druk met Van Gulven en vorschen naar de oorzaak van den brand. Maar de boer kon geen opheldering geven, en Dirk evenmin; doch de knecht kon toch niet nalaten, om ronduit als zijn meening te kennen te geven, dat hier misdaad in het spel is, want er is dat gedeelte van de schuur, waar de brand begonnen is, den ganschen dag niemand geweest.
Hierdoor vervalt het vermoeden van den burgemeester, dat soms een smeulende vonk uit een tabakspijp den brand veroorzaakt zou hebben. Doch het is nu geen tijd om vermoedens uit te spreken: men wil nog redden wat er te redden valt.
Twee keer hebben Van Gulven en Dirk een moedige poging gewaagd, om in de woonkamer van de hoeve door te dringen, want de boer heeft veel, zeer veel geldswaarde in het eikenhouten kabinet. Maar de geweldige rook en de ontzettende hitte drijven de beide mannen spoedig terug, en ze moeten hun pogingen opgeven.
Niets, letterlijk niets kan men redden als het huisje waarin Dirk en Geertje wonen, en de heerlijk rijzende dageraad beschijnt een tooneel van jammerlijke verwoesting. Van het trotsche, schoone "Zorgwijk" is niets meer over als de knechtswoning; het overige is een vlammende, rookende puinhoop.
Met starren blik en, bleek van vermoeienis staart Van Gulven in de verwarde massa, en als Geertje haar hand op zijn schouder legt en hem vraagt om mee te gaan in haar huisje, dan volgt de boer haar willoos als een kind.
Dirk is nog op het erf en blijft onvermoeid in de weer; en als Van Gulven met Geertje alleen in haar huisje is, dan legt de boer de armen op de witgeschuurde tafel, en in den stoel van Dirk neerzinkend buigt hij het hoofd op zijn armen en weent bittere tranen.
Ook Geertje snikt, en zij gevoelt diep medelijden met den man, die nu zoo door zijn droefheid en het gevoel van verlatenheid is overmand.
"Geertje," zegt Van Gulven eindelijk en richt zich op, "Geertje, ik stel mij niet te flink aan, maar ik had maar drie dingen op de wereld lief: mijn Martha, mijn trots en het erfgoed mijner vaderen, en alles heb ik verloren, en het ergste is, verloren door eigen schuld."
"Ach baas," zegt Geertje, "het is Gods wil, en daaronder moet de mensch zich immers buigen; alles kan immers nog terecht komen, als dat naar Zijn welbehagen is;" en het eenvoudige vrouwtje vond woorden van troost, die den voor anderen zoo stuggen, ongenaakbaren man weer, zoo al niet opbeurden, toch tot kalmte brachten.
HOOFDSTUK XVIII.
Het is daags voor het Kerstfeest, en nog vroeg in den morgen, want de torenklok van H. sloeg daar juist negen slagen.
Die slagen, hoe doen ze het hart trillen van den man, die daar met kloeken tred den met sneeuw bedekten landweg volgt, welke zich met grillige bochten langs den Davel slingert.
Het is onze oude bekende, Hannes Klinge, en die klokketonen, zij klinken hem in het oor als vriendenstemmen, die hem toeroepen: Welkom thuis! want Hannes is op weg naar de Schaapskooi; daar is alles wat hem lief is op aarde. O, wat gaat er niet om in het hart van dien man, nu hij weer denzelfden weg betreedt, dien hij voor vijf jaren, geboeid en door politiemannen met geladen karabijn begeleid, in tegenovergestelde richting bewandelde.
Ze behooren tot het verleden, de vijf eindeloos lange jaren, die hij doorbracht in de gevangenis te Leeuwarden. Hoe dikwijls staarde hij niet de zwaluw na, die rondzwierde in het stukje blauwe lucht, dat hij zien kon door het raampje zijner cel, met heimwee in de ziel naar de vrijheid en nameloos verlangen naar vrouw en kinderen.
Maar toch, die sombere cel, ginds in Leeuwarden, zij zal toch altijd bij Hannes in dankbare herinnering blijven, want daar was het, dat het heerlijk licht van boven neerdaalde in zijn wanhopig hart.
Daar was het, dat hij leerde bidden, leerde hopen, en daar ook leerde hij vergeven, van ganscher hart vergeven, hun, die hem met hun vijandschap het leven hadden vergald.
Het was voorbij, het lag alles achter hem, en met volle teugen ademt hij de frissche reine lucht der vrijheid in.
Op de Schaapskooi verwacht men hem eerst tegen den avond, maar Hannes heeft zijn reis zoo veel mogelijk bekort, is gisteravond laat en zeer vermoeid in de stad D. aangekomen, en heeft er den nacht in een goedkoop logement doorgebracht.
Reeds vroeg in den morgen is hij op weg gegaan, en nu brengt iedere voetstap hem nader bij de zijnen.
Wat ritselt het dorre riet aan den zoom van het meer, en hoor, ginds kwaken wilde eenden in een wak; wat al herinneringen roept dat geluid niet wakker. Doch geen lokkend eendengekwaak zal Hannes meer doen stroopen. "Neen," mompelt de eenzame wandelaar, "neen, werken wil ik, eerlijk en hard werken voor vrouw en kinderen." De breede borst zet zich uit bij die gedachte, want Hannes is vast besloten alles te doen wat hij kan, om eerlijk door de wereld te komen, en hij steunt niet op eigen kracht, zooals hij vroeger placht te doen, maar hij heeft geleerd in de harde leerschool van het lijden, slechts hulp te wachten van boven. Nu wordt zijn gang trager en daar bij die kromming van den weg blijft hij stilstaan, want vóór hem, daar ligt het "Uilennest", nog precies als voorheen, verscholen achter de oude wilgen.
Een troep kraaien, die zich op de besneeuwde takken heeft neergezet, vliegt krassend op, en zoo op een afstand gezien, heeft deze plek hetzelfde verlaten en sombere aanzien, als op den winteravond, toen Hannes doodelijk vermoeid in storm en sneeuwjacht aanklopte bij den ouden jager Krijn Vermeeren.
Hannes komt nader en loopt achter de hut om: hier staat hij op zijn eigen grond. Maar ach, de hut is een bouwval geworden, en door het ingezonken dak hebben sneeuw en regen vrijen toegang naar binnen. Hij staart door de gebroken ruiten in het achtervertrek, en het is hem, als zag hij op de beschimmelde roode tegels den grooten bloedplas nog, waarin op dien vreeslijker nacht Abbe Durling lag. Neen, er is niets wat Hannes Klinge hier nog boeit, en met snellen tred laat hij het "Uilennest" achter zich. Nu nadert hij met kloppend hart de Schaapskooi, en in de verte ziet hij de oude ontzaglijke noteboomen oprijzen en hun machtige takken zich uitstrekken over het rieten dak.
Dat dak, waaronder de zijnen hem wachten, vol trouwe liefde. De noordenwind blaast ijskoud over de vlakte, maar Hannes voelt geen koude. Warm en dankbaar klopt hem het hart, en zijn lippen murmelen: "O God, geef dat ik hun, die om mijnentwil hebben geleden, hun trouwe liefde kan vergelden in de toekomst."
Daar klinken bijlslagen, krachtig en snel, en Hannes denkt: dat kan de oude Olbert met één hand nooit doen. Maar hij kan den houthakker niet zien, want de hooge doornheg verbergt hem voor zijn oog. Hannes loopt achter de heg om, en blijft voor het houten poortje, dat toegang verleent tot het erf van Olbert, staan.
Nu kan hij den houthakker zien, die met den rug naar hem toe staat, en in zijn ijver niet op het geluid der voetstappen heeft gelet. 't Is een rijzig, slank gebouwd jongeling, en het is een genot, te zien, met welk een gemak hij de zware bijl hanteert, en hoe bij iederen slag de spaanders van den knoestiger iepen boomtronk vliegen.
Onbeweeglijk als een steenen beeld, blijft de schamel gekleede man voor het poortje staan, en staart onafgebroken naar den jongen houthakker.
Daar wendt deze zich om, ten einde een wegspringenden spaander op te rapen, en als Hannes Klinge het donkere gelaat met de boven den neus ineengegroeide wenkbrauwen ziet, dan kan de vader zich niet langer inhouden. "Gert, mijn jongen," roept hij, en een oogenblik staat deze hem met de bijl in de hand aan te staren. Maar dan werpt hij de bijl op den grond, springt als een hert over het poortje en zijn armen om den hals van zijn vader slaande, klinkt zijn jubelende stem als een klok door de stilte van den wintermorgen:
"Vader! vader! Zijt gij weer thuis! Goddank, Goddank!
Moeder! Lize! Olbert! hier is vader."
De eerste, die naar buiten komt snellen, is Martha, en als ze een blik werpt op den bleeken, ernstigen man, die den linkerarm om zijn kloeken zoon heeft geslagen, dan grijpt ze zijn rechterhand, en haar hoofd op zijn breeden schouder leggend, snikt ze haar vreugde uit in een stroom van tranen. Sterk is ze geweest, die stoere boerendochter, in haar leed, maar de vreugde van het weerzien doet haar schreien als een kind. En ook Hannes is de ontroering te machtig, en als ook Lize hem omhelst, zijn blonde lieveling, en haar hoofdje verbergt aan zijn borst, dan druppelen de tranen op haar blonde lokken. "O, mijn God, ik dank U!" is alles wat hij op dit oogenblik zeggen kan.
"Welkom thuis, Hannes Klinge, welkom op de Schaapskooi!" zoo klinkt de diepe basstem van Olbert, en dadelijk laat hij er op volgen:
"Martha, en gij kinderen, laat hem los en komt allen binnen, want de wind blaast grimmig uit het Noorden." Vroolijk en schertsend zijn die woorden gesproken, maar de stem van den grijsaard trilde en zijn oog was vochtig geworden bij den aanblik van het wederzien van Hannes Klinge en de zijnen.
Met beide handen grijpt Hannes de magere hand van Olbert en zegt:
"Nooit, nooit zal ik u kunnen vergelden, Olbert, wat ge voor de mijnen geweest zijt, toen ze door mijn misdaad in het ongeluk gestort waren; dat moge God u loonen, want dat ik hen zoo gezond en gelukkig terug mag zien na die vijf eindeloos lange jaren, zie, dat dank ik naast God aan u, want wie zou zich anders over hen hebben ontfermd!"
"O," vervolgt Hannes, op den ledigen leunstoel bij den haard wijzend, waar vrouw Sanne placht te zitten, "o, dat de oude vrouw dit oogenblik niet mocht beleven; het zou haar zulk een genoegen geweest zijn, doch het heeft niet zoo mogen zijn; Olbert, wat zult ge haar missen!"
"Het was Gods wil, Hannes, en wat Hij doet is welgedaan; doch gij dankt mij voor hetgeen ik voor uw vrouw en kinderen deed, maar doe dat niet, want ik moet hun dankbaar zijn.
Geen eigen dochter had mijn goede Sanne liefderijker kunnen verplegen gedurende haar kort ziekbed, dan Martha, en hoe had ik, oude man, het na het sterven van mijn vrouw zonder hen moeten stellen? En dan uw Gert? Is hij het niet, die op de Schaapskooi alles in orde houdt? Het schaapherdersleven is voor een jonkman van zijn slag geen leven, zooals hij het zou wenschen, maar uit liefde voor mij zorgt hij voor mijn kudde en voor huis en hof, zooals een eigen zoon het doorgaans niet doet.
En dan Lize, is zij mij niet als de leeuwerik in de lente; niets hoor ik liever dan haar lied en haar lach. Neen, Hannes Klinge, Hem willen wij danken, Hem, den Vader der lichten, die u redde van wanhoop en zelfmoord. Hem willen wij danken en Hem alleen."
En het dankgebed van den grijzen, veteraan stijgt op tot den troon van den Allerhoogste, die Hannes Klinge, na zulk een wreede scheiding, weer had doen huiswaarts keeren.
De dag vloog voorbij, en Olbert liet Martha het beste wat de Schaapskooi opleverde, koken en braden, "want," zeide de oude man, "heden moet het feest zijn op de Schaapskooi, en morgen, dan vieren wij als God wil dat heerlijke schoone feest, waarvan de engelen zongen: Vrede op aarde, in menschen een welbehagen."
HOOFDSTUK XIX.
Toen de schaapherder een oogenblik met Hannes alleen was, en de avondschemering het groote woonvertrek in halfduister hulde, boog hij zich naar Hannes toe, en hem in de oogen ziende, vraagt hij plotseling: "Is er volkomen vergiffenis in je hart, Hannes Klinge, voor hen, die eens zwaar tegen je hebben misdreven? Kun je met een gerust hart bidden: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren? Zeg mij, kun je dat?" En Hannes antwoordt met vaste stem: "Ja, God zij gedankt, dat kan ik."
"Dan is het goed en dan zal er, als ik mij niet vergis, nog iemand een gelukkig Kerstfeest kunnen vieren met ons."
Nu treedt Gert het vertrek binnen met een armvol brandhout, en stapelt dat netjes op in een hoek van de breede schouw, terwijl Martha en Lize in de warme, gezellige kamer de tafel in orde maken. Daarna wordt de koperen tuitlamp aangestoken en de vensterluiken gesloten.
"Gert!" zegt Olbert, "laten we eens gaan zien, dat die twee oude rammen niet bij elkaar kunnen komen, want anders loopt het weer op vechten uit," en als na een poosje Olbert weer terugkomt, dan zegt hij:
"Martha, Gert moet na de koffie nog even voor mij naar het dorp, dus schenk maar vast in, dan zijn we vroeg klaar, en hebben nog een gezelligen avond voor ons."
Het gebeurde wel meer, dat Gert voor den ouden man des avonds naar het dorp moest, maar dat het nu juist van avond was, verwonderde Martha wel eenigszins. Doch hij zou spoedig weer terug zijn, en ze sloeg er verder geen acht op.
Wat een onuitsprekelijk genot was het voor den man die vijf jaren lang in de gevangenis zijn tabakspijp had moeten ontberen, en nu weer de rookwolken naar boven zag kringelen uit de pijp, die Martha zoo zorgvuldig voor hem had bewaard. Zooveel had men elkander te vertellen, dat niemand er acht op sloeg dat Gert al weer terug had kunnen zijn. Eindelijk merkte Hannes op, dat de jongen nogal lang wegbleef, maar op hetzelfde oogenblik werd reeds de klink van de buitendeur gelicht.
"Daar is hij al," zei Martha, maar laat er verwonderd op volgen: "Hij is niet alleen; wien ter wereld zal hij nu medebrengen?" Een oogenblik gestommel in het donkere portaaltje, dan gaat de binnendeur open en in het licht van het haardvuur en de lamp staat Gert, en naast hem, met gebogen hoofd, een bejaard man van hooge gestalte en met grijs haar.
"Vader, moeder," zegt Gert, en zijn jonge stem trilt van aandoening, "zie, hier breng ik grootvader bij u."
Stil, doodstil blijft het een oogenblik in de kamer, en Hannes Klinge is nog bleeker geworden, dan hij reeds was. Maar Martha stijgt het bloed naar het hoofd, want plotseling staat dat tooneel van voor vijf jaren haar weer voor den geest, toen men haar Hannes met geboeide handen wegvoerde. Maar de trek van zielelijden op het gelaat van haar vader, zijn vergrijsde haren, en de hulpelooze blik in die vroeger zoo gebiedende oogen, onderdrukken haar opkomenden toorn.
"Barend van Gulven," zegt Hannes Klinge, en geen zweem van toorn klinkt in zijn kalme stem, "mijn jongen, mijn Gert, heeft u hier gebracht, en wat het doel uwer komst is, weet ik niet, maar mij, armen, en bij de menschen in het dorp verachten man, zijt ge welkom."
"Hannes, Martha, het gedane ongedaan maken kan ik niet; het eenige wat ik doen kan, is u vergiffenis vragen voor al het kwaad, en voor al het lijden, dat ik u in mijn goddeloozen trots heb aangedaan.
Hannes," vervolgt Van Gulven, "Hannes, die vijf jaren, die gij door mijne schuld in de gevangenis hebt doorgebracht, heb ik doorgebracht in wroeging en bitter berouw, en ik geloof, dat zulks zwaarder is te dragen dan tuchthuisstraf.
O! Hannes, o! Martha, vergeef mij wat ik u misdeed, ik ben zoo alleen; ik gevoel mij zoo ellendig; het leven schijnt mij zoo zwaar en toch zoo ledig.
Om u, Martha, om u, mijn eenig kind, tot de rijkste boerin van het dorp te maken, daarom heb ik Hannes verstooten, en omdat gij u niet wildet buigen, heb ik u beiden opgeofferd aan mijn grenzenloozen trots. Alles heb ik op het spel gezet, en alles heb ik verloren, en dat is recht. "Zorgwijk" is verbrand, en Gerrit Dubbe heeft mijn huis in brand gestoken. Dat staat bij mij vast, al kon de rechter het hem niet bewijzen. God is rechtvaardig."
"Maar ook genadig," zegt Hannes Klinge, diep bewogen. "Eens heb ik u naar het leven gestaan, Van Gulven; maar de goede God hier boven wilde uw dood niet. Hij wilde niet, dat ik een moordenaar werd, maar Hij wil, dat we met berouw in het harte Hem smeeken om hulp en licht op ons levenspad. En mij gaf Hij licht, en daarom kan ik uit den grond van mijn hart zeggen: Reik mij de hand, en alles is vergeven en vergeten."
En de boer grijpt de hand van Hannes Klinge, hij wil iets zeggen, maar zijn stem stokt hem in de keel en het hoofd nog dieper buigend, barst hij in tranen los.
Maar nu ook voelt Martha haar laatsten zweem van wrok verdwijnen, want nog nimmer had ze een traan in het oog van haar vader gezien, en terwijl langs haar eigen wangen de heldere droppels afbiggelen, gaat ze naast Hannes staan, en zegt: "Ween niet, vader, maar dank God; want nu kan alles nog ten beste keeren."
"Had mijn Sanne dat eens mogen zien," mompelt Olbert voor zich heen, en zegt: "Zie! dit is een schoone voorbereiding voor het feest, dat morgen aanbreekt, en gij zult, hoop ik, nog lang aan dezen avond denken, ook als de oude schaapherder de eeuwige rust is ingegaan."
Wat was het gezellig daar om die tafel in de oude Schaapskooi, en al was het buiten koud en donker, daar binnen klopten de harten warm en daar was het zonnig.
Doch het werd laat en men moest scheiden. "Ik ga vader tot het dorp vergezellen," sprak Hannes. "En ik ga met u en grootvader mee," roept Gert, en dat vader en grootvader, zie, dat doet het hart van Barend van Gulven trillen van blijde ontroering, want nu gevoelt hij zich niet meer alleen op de wereld.
Buiten is de lucht opgeklaard, en de sterren schitteren aan den hemel. De bijna volle maan verlicht den Davel met zijn ritselenden rietzoom en Van Gulven vindt het buiten in het maanlicht een geschikte plaats om vrijuit te vragen en te zeggen wat hem op het hart ligt.
"Kijk, Hannes," zoo begint hij, "ik heb je van avond verteld, dat ik bij Geertje en Dirk inwoon, sinds den brand, die "Zorgwijk" verwoestte. Ik heb veel geld verloren, want ik kon niets redden; doch hoewel niet schatrijk meer zooals voorheen, ben ik toch voor een boer nog een bemiddeld man te noemen. In een groote schuur, die ik van een boer in het dorp heb gehuurd, en die ik als stal heb laten inrichten, bevindt zich nog veel vee, dat door Dirk en mij, met behulp van Geertje en een melkmeid, wordt verzorgd.
Nu moet Dirk iederen dag met den wagen naar de stad rijden, dus je begrijpt dat er werk genoeg is. Blijf jij nu bij mij, Hannes? Gert heeft zijn werk op de Schaapskooi en dan kan Geertje thuis blijven."
Wonderlijk, nu de last hem van het hart is, ontwaakt in den boer weer dadelijk de oude veerkracht. Hannes neemt het voorstel van zijn schoonvader dankbaar aan, en Van Gulven wrijft zich in de handen. "Nu heb ik nog iets, Hannes, maar als je dat niet aanstaat, moet je het mij openhartig zeggen, staat het je wèl aan, spreek er dan met Martha en met Olbert over, want de schaapherder is een wijs en braaf man."
Ondanks de koude, die geen der drie mannen schijnt te gevoelen, blijft Van Gulven staan op het pad. "Zie Hannes," zegt hij, "ik had een vreemd plan in mijn gedachten eer uw Gert mij dezen avond kwam opzoeken. Ik was niet van zins om "Zorgwijk" weer te laten opbouwen, maar ik had bij mij zelven het besluit genomen, om alles wat hier mijn eigendom is, te verkoopen, en een nieuw leven te beginnen, ver, ver van hier. In een woord, Hannes, ik wilde naar Amerika, en als jij met vrouw en kinderen mee wilt trekken, dan wil ik nog gaan, maar niet zonder jou, want nu wij elkander hebben gevonden, zullen wij, zoo God wil, niet weer scheiden. Voor uitrusting en overtocht zal ik zorgen. Ik koop van de Amerikaansche regeering een stuk boschgrond, ergens in de Westelijke Staten, en we bouwen een blokhuis in de wildernis.
Het zal een hard leven zijn in het eerst, Hannes; we zullen moeten werken met de bijl in de hand en de buks over den schouder, maar we zullen er vrij zijn.
Ik ben drie en zestig jaar oud," vervolgt de boer, "maar ik gevoel mij nog krachtig genoeg om zwaren arbeid te verrichten, en met twee zulke kerels als jij en Gert, en met mijn Martha en haar frissche gezonde dochter om mij heen, o, dan vrees ik de gevaren en de eenzaamheid van het woud niet, en met Gods hulp beginnen wij daarginds een nieuw en beter leven."
Hannes wil wat zeggen, maar Van Gulven merkt op, dat hij nu nog geen antwoord verlangt.
"Neen, Hannes," zegt hij, "spreek er met Martha en met Olbert over en deel mij na rijp beraad je besluit mede. En nog iets wilde ik je vragen. In geen jaren ben ik des Zondags ter kerke geweest, want ik gevoelde er mij niet thuis, maar nu, Hannes, is het mij een behoefte om morgen in Zijn huis den goeden God te danken, die mij, armen dwaas, mijn kinderen terug deed vinden, die ik door eigen schuld verloor.
Nu wenschte ik, Hannes, dat jij met Martha en Gert en Lize mij hier kwaamt afhalen, en dan gezamenlijk met mij ter kerke gingt, want ik wil voor God en de menschen toonen, dat mijn hart overvloeit van geluk.
En nu ben ik thuis; daar ligt de puinhoop, die eens "Zorgwijk" was, maar dat verlies valt mij nu niet zwaar meer te dragen; ga nu maar gauw terug naar de Schaapskooi; goeden nacht en tot morgen, je gaat immers mede, Hannes?"
"Ja, vader, met vreugde; goeden nacht!"
Vriendelijk schijnt den volgenden dag het winterzonnetje op de hard bevroren sneeuw van het pad dat naar de dorpskerk voert, en het klokgelui, dat ver over het stille dorp weergalmt, noodigt op dezen schoonen Kerstmorgen de menschen in Gods huis.
Schuifelend en stommelend vullen zich langzamerhand de banken; een met ouderwetsch snijwerk rijkversierde bank echter is nog ledig, en die bank was sinds jaar en dag altijd ledig, want zij behoort aan Barend van Gulven. Maar al kwam de boer nooit ter kerk, toch betaalde hij ieder jaar precies op tijd het verschuldigde bedrag.
Plotseling wordt het stil in het kerkgebouw; het stommelen houdt op, en aller oogen vestigen zich op de bank van de familie Van Gulven.
In kloeke houding en met een glans op het gelaat, opent Van Gulven de met snijwerk versierde deur van zijn bank, en op hem volgt een bleeke, forsche man; daarna Martha en dan de hooge, slanke gestalte van Gert Klinge; en eindelijk ook de schoone blonde Lize.
Fluisterend gaat de naam van Hannes Klinge van bank tot bank, en die hem persoonlijk niet gekend hebben, kunnen niet gelooven, dat die man met dat bleeke, kalme gelaat, en de geduchte strooper uit het "Uilennest" een en dezelfde persoon zijn.
Doch het gefluister verstomt, want de machtige tonen van het orgel vullen met hun forsche klanken het kerkgebouw, en helder als een klok klinkt de stem van Hannes Klinge, als hij uit volle borst Psalm 68 vers 10 medezingt: Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag bij dag Met Zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid, Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil; Hij schenkt uit goedheid, zonder peil, Ons 't eeuwig, zalig leven; Hij kan, en wil, en zal in nood, Zelfs bij het naad'ren van den dood, Volkomen uitkomst geven.
Eenvoudig en aangrijpend schoon predikte de leeraar over dien nacht, waarin het koor der Engelen het Vrede op aarde zong, daarginds in Efratha's velden; toen het Kindeke werd geboren in den stal te Bethlehem. Het Kindeke, dat het offerlam zou worden, dat de schuld der wereld zou torsen.
In stille ontroering luisterde Hannes Klinge, en toen eindelijk de slotzang gezongen werd en de predikant daarvoor opgaf het tweede vers van den 98en Psalm, toen was het hart van den sterken man te vol, en hij kon niet medezingen, maar uit zijn ziel steeg een danktoon op tot God.
Buiten, bij het verlaten der kerk, weken de menschen eenigszins schuw ter zijde, toen Hannes Klinge met Van Gulven en de anderen voorbijgingen op het kerkpad. Want Hannes Klinge had immers vijf jaren in het tuchthuis doorgebracht. Doch één man ging niet terzijde, want dwars door de kerkgangers heen, kwam Abbe Durling, de veldwachter, op Hannes toe, en gulhartig de hand uitstekend, klinkt het vroolijk: "Welkom thuis, Klinge!" En Hannes vat die trouwe hand, en Abbe Durling diep in de oogen starend, zegt hij:
"Voor dien handdruk zal ik je mijn leven lang dankbaar zijn, want nu weet ik, dat mijn oude korporaal mij de treurigste daad van heel mijn leven vergeven heeft, en nu is alles goed. God zij daarvoor gedankt."
"Kom," sprak Van Gulven, "kom, veldwachter, gij zijt vandaag mijn gast en ge vergezelt ons naar de woning van Dirk, mijn knecht. Het is er niet zoo mooi als weleer op "Zorgwijk", maar nu woont er liefde en vriendschap, en die heb ik door eigen schuld lang moeten ontberen."
Het werd voor allen een recht gelukkige dag, en aan den avond, toen men scheidde, verklaarde Hannes, dat dit het schoonste Kerstfeest was, dat hij ooit vierde.
Het was het laatste Kerstfeest in het vaderland, want na rijp beraad had men besloten om den tocht naar Amerika te ondernemen. "Het is het beste," had de oude schaapherder gezegd, "wat ge doen kunt, want hier in het dorp zal men nimmer vergeten, dat ge eens voor poging tot moord in de gevangenis hebt gezeten, en na jaren zou men het soms uw kinderen nog verwijten. Het is het beste," herhaalde de oude man, "maar God weet, hoe zwaar het mij valt van u te scheiden, want ik heb u allen lief."
En het grijze hoofd van Olbert zinkt hem dieper op de borst en een nevel komt over zijn nog heldere oogen, maar dadelijk staat Gert naast hem. "Ik blijf bij u, oom Olbert," zegt hij, "want ge kunt mij immers niet missen?" Hoe verwarmt dat woord van den kloeken jongen het hart van den grijsaard, maar hij schudt het hoofd: "Neen, neen, mijn jongen, gij moet met vader en moeder mee naar 't verre land, want spoedig gaat Olbert de eenarm ook naar huis, naar Sanne, die hem wacht." Van Gulven heeft echter aan alles gedacht, en wat hij voorstelt, wordt door allen dankbaar aanvaard. Dirk en Geertje zullen op de Schaapskooi komen, en Dirk zal Gert vervangen, terwijl Geertje, de vrome, zachtmoedige Geertje, voor den ouden man zal zorgen, als een eigen dochter voor haar ouden vader.
Toen eenmaal dat besluit vaststond, zou men het voorjaar afwachten, en dan vertrekken.
Maar door alle beslommeringen, die Van Gulven had met het verkoopen van vee en vaste goederen, werd het zomer, eer men met alles gereed was.
Ook Hannes Klinge was het gelukt het plekje grond, dat zijn eigendom was, te verkoopen, en wel aan Sijmen den ossenkooper, die het gebruiken wilde voor stieren-weide.
Eindelijk is het uur van scheiden daar. Heerlijk schoon is de Julimorgen, nu de wagen met koffers en reisbenoodigdheden voor de Schaapskooi gereed staat. Een lichte nevel hangt nog boven den Davel, en de leeuwerik, die opstijgt uit het roggeveld, jubelt zijn morgenlied; de schapen blaten in den stal, want zij verlangen naar de bloemige dreven daarbuiten en in de groote noteboomen kirren de woudduiven; alles, alles in de schoone schepping Gods baadt in zomerweelde en zonneglans. Maar scheiden doet wee en al bedwingt Hannes zijn aandoening, hij kan het niet helpen, dat zijn oog vochtig wordt, als hij Olbert voor het laatst de hand drukt. En Martha en Lize weerhouden hunne tranen niet, en als allen op den wagen geklommen zijn en hunne plaatsen hebben ingenomen, dan springt Gert er nog af, en drukt nog eenmaal den veteraan van Napoleon de magere hand. "Altijd, altijd zal ik aan u blijven denken, oom Olbert," zegt hij, maar zijn stem smoort in een snik. Dan wendt hij zich om, en springt als een vogel zoo vlug achter op den wagen. "God behoede u allen," roept Olbert hun nog na. "Vort," zegt Dirk tot zijn paard, en de wagen rolt den landweg uit en het is Hannes Klinge, alsof iedere plek hier langs den Davel hem een vaarwel toeroept. O, wat al herinneringen, nu hij met de zijnen de plek voorbijrijdt, waar eens het "Uilennest" stond!
De hut is verdwenen, de oude wilgen zijn uitgerooid, en het jonge gras ontkiemt op de plek, waar Hannes eenmaal aanklopte bij den ouden jager.
Maar de bijbel van Krijn Vermeeren gaat mee; die zal hem vergezellen naar de wildernissen van het verre Westen. Twee psalmversen heeft Hannes daarin met een potloodstreep gemerkt, en dat zijn de verzen vijf en zeven van den honderd-zestienden psalm.