Front matter (continued 3)
Reading edition
Hij zond Gert terug naar het "Uilennest" met de boodschap aan Martha, dat ze gerust kon zijn, want dat hij zelf naar het dorp zou gaan om te zien waar Hannes Klinge vertoefde. De toedracht der zaak goed overleggende, begaf de schaapherder zich regelrecht naar de dorpsherberg. Het rumoer van het losbrekend gevecht wees hem den weg, en hij kwam ter rechter tijd, een seconde later, en waarschijnlijk was er een doode of doodelijk gewonde in den "Zwarten Arend" gevallen.
Doch met Gods hulp was het hem gelukt den storm te doen bedaren en waarschijnlijk zou er niet gemakkelijk iemand gevonden zijn, die grooter invloed uitoefende dan deze man.
In het gansche dorp stond Olbert de schaapherder bekend om zijn oprechte godsvrucht, en zijn groote ervaring op het gebied van landbouw en veeteelt. Bij alle belangrijke dingen won men zijn raad in, en niemand klopte tevergeefs bij hem aan.
Voor de armen een helper in den nood en voor den rijke een onpartijdige raadsman, was hij bij alle weldenkende lieden in het dorp geacht en bemind, waarbij nog een soort van bijgeloovige vrees kwam, als zou de schaapherder over geheimzinnige krachten en gaven kunnen beschikken.
Het is vreemd, zoo stil als het wordt in de straks nog zoo rumoerige herberg. Sijmen loopt op Olbert toe en drukt den schaapherder hartelijk de hand.
"God zij gedankt," zegt de ruwe ossenkooper, "dat je zoo kloek tusschenbeiden kwaamt, want zoo waar ik leef, er zou een moord gepleegd zijn, en niemand zou het hebben kunnen beletten! Die wilde jager heeft den duivel in het lijf als men hem boos maakt, en nooit zal ik vergeten hoe hij over die tafel sprong, met het mes in de vuist en zijn honden achter hem aan. Gerrit Dubbe," vervolgt Sijmen, "je moogt Olbert den schaapherder ook wel bedanken, want die heeft je leven gered. Jij hebt dezen twist gezocht en zonder de hulp van Olbert zou de jager je het mes door het lichaam gejaagd, en zijn honden je verscheurd hebben."
"Neen, Sijmen, neen," zegt de eenarm, "niet mij komt dank toe, maar Hem, die mij hierheen zond ter rechter tijd. Die niet wilde dat jij, Gerrit Dubbe, zoudt sterven in je zonden. Hij geeft je nog tijd je af te wenden van je zondige wegen.
Die wind zaait, zal storm oogsten, en God zal oordeelen."
Allen zijn beschaamd en niemand spreekt een woord, maar Van Gulven wordt nog bleeker dan daar straks, nu de geheimzinnige, diepliggende oogen van den schaapherder hem strak aanstaren.
Waarschuwend strekt Olbert den langen, mageren arm naar hem uit en zegt: "Barend van Gulven, ook voor u zullen er andere tijden aanbreken; er komt een tijd, dat ge niet meer als de rijke boer van "Zorgwijk" zult staan, want bij den grooten Rechter hierboven geldt aardsche rijkdom voor niets: maar als ge voor den rechterstoel van den Rechtvaardige wordt geroepen, zult gij dan kunnen verantwoorden uw gedrag tegenover uw kind? Tegenover uw dochter, waarvoor Hannes Klinge daar straks het mes trok? Ik zeg u: neen!
Wees gewaarschuwd, Van Gulven. Op deze wereld zult ge het mogelijk van hem winnen, maar hiernamaals zal God rechten tusschen u en den jager."
Van Gulven wil iets zeggen, maar de woorden blijven hem in de keel steken, en de boer van "Zorgwijk", die anders niet licht het antwoord schuldig blijft, kan tegen dien wonderlijken schaapherder, wiens huiveringwekkende woorden hem zijns ondanks doen beven, niets uitrichten.
Reeds wendt Olbert zich tot Hannes, wiens toorn inmiddels bedaard is.
"Kom Hannes, wij gaan naar de Schaapskooi, dan kun je verder alleen naar het "Uilennest" wandelen; kom, Hannes, kom mede in de frissche lucht," herhaalt de eenarm.
Klinge knoopt zijn loshangend buis vast, en zich tot Sijmen den ossenkooper wendend, drukt hij dezen krachtig de hand, met de woorden: "Jij hebt mijn partij gekozen, Sijmen, jij alléén, en dat vergeet ik nooit! Heb je ooit hulp noodig en ik kan je helpen, dan kun je op Hannes Klinge rekenen, en wat jou betreft, Govert Kemp, het spijt mij, dat ik je zooveel last heb veroorzaakt van avond, doch ik beloof je, dat je voortaan op Vrijdagavond geen hinder meer van mij zult hebben."
De deur valt achter Olbert en den jager dicht, en zwijgend wandelen beide mannen de modderige dorpsstraat uit, en als Hannes het riet van den Davel weer hoort ruischen, en hem de stille velden omgeven, dan komt er dankbaarheid jegens Olbert in zijn hart op. En niet alleen dankbaarheid, maar ook bewondering, want Hannes denkt, dat er meer moed voor noodig is, om tot opgewonden menschen in een herberg te spreken zooals Olbert sprak, dan er in dolle, razende drift met het mes in de vuist op los te stormen. Nu staan ze voor de Schaapskooi en Hannes zegt met iets trillende in de stem:
"Olbert, gij hebt mij vanavond van de gevangenis gered, want zonder u zou ik dien "rooden Judas" hebben vermoord, en ik kan er niet aan denken, wat dan voor mij de gevolgen zouden geweest zijn. Sijmen de ossenkooper was ook bereid mij te helpen, maar zijn hulp zou voor mij de toestand niet veel beter gemaakt hebben, en zijn stok en mijn mes zouden mij mogelijken wel door de boeren heen naar buiten hebben gebracht, maar hadden mij niet buiten de gevangenis gehouden. Daarom, Olbert, dank ik u van ganscher harte; gij, oude, moedige veteraan, toondet dat ge meer waard zijt dan wij allen. Maar waarom zijn ze mij vijandig gezind? Ik verdien eerlijk mijn brood, en ik leg niemand hunner ooit iets in den weg, en toch waren, behalve Sijmen, allen tegen, mij; kunt ge dat begrijpen, Olbert?"
"Zeker kan ik dat begrijpen," is het antwoord van Olbert, "zeker begrijp ik dat. Het is de eeuwenoude geschiedenis van het aanbidden van het gouden kalf, en zoo zal het wel altijd blijven, Hannes. Wie rijk is, en macht heeft door dien rijkdom, dien hangt iedereen aan, maar wie arm is en zonder invloed, die wordt verstooten en vertrapt. Nog een enkel woord, Hannes, en dan ga ik naar binnen.
Toen het volk van Jeruzalem dacht en hoopte, dat de "rabbi van Nazareth", die zoo machtig was in woorden en werken, hen op zou heffen uit hun diep verval en de oude glorie van het huis van David zou doen herleven, toen klonken Hem jubeltonen tegemoet, en toen werden er palmtakken op zijn weg gespreid, en het Hosanna! Hosanna! gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren, Hij, die is de Koning Israëls, werd gehoord. Aardsche macht en aardsche glorie zag men in Hem, die geen aardsche macht begeerde, maar hoe ras veranderde toen het jubelend Hosanna! in het hoonend Kruis Hem! Kruis Hem!
Zoo was de wereld toen en zoo is zij nog, en indien Barend van Gulven nu eens al zijn geld en goed verloor, zoodat hij even arm was als jij nu, dan zouden dezelfde menschen, die hem nu in alles trachten ter wille te zijn, zich het eerst van hem afwenden. Doch laat dit je niet verbitteren, Hannes, er zijn immers ook andere menschen, die handelen en spreken zonder aanzien des persoons, maar bovenal, zie het in het reine te brengen met den grooten Meester, die ons het heilige voorbeeld van lijdzaamheid en liefde gaf. Nu echter ga ik naar binnen. Goeden nacht, Hannes, en bid, voor ge dezen nacht gaat slapen, dat God je moge bewaren voor twist en haat, anders konden deze je wel eens ten verderve zijn: goeden nacht!"
Alleen vervolgde Hannes het eenzame pad, waarop zelfs geen enkele star een lichtstraal zond, maar ook de meest donkere nacht zou den jager hier niet doen dolen, en in zijn ziel is het iets lichter geworden. Hij neemt zich voor, den raad van Olbert te volgen, en God te bidden om steun bij zijn voornemen, drift en wrevel te bedwingen, en kalm en rustig te blijven als der menschen haat hem vervolgt.
Met zulke gevoelens bezield, treedt hij zijn hut binnen, waar zijn vrouw op hem wacht bij het uitgedoofde vuur.
't Is koud en kil in de hut, waar het anders zoo warm en gezellig kan zijn, en het lange wachten, dat Martha niet gewoon is, heeft haar verbitterd, en ze ontvangt den jager met harde woorden en verwijtingen.
Alle goede voornemens van Hannes Klinge verdwijnen als sneeuw voor de zon, en slechts een kort oogenblik bewaart hij zijn uiterlijke kalmte. Dan volgt het eene harde woord op het andere, en het einde van de ongelukkige geschiedenis is, dat in plaats van met een gebed, de jager met een vloekwoord op de lippen zich op zijn legerstede werpt.
Had Martha door haar onverstandige verwijten Hannes Klinge niet tot toorn geprikkeld, dan had deze geen woorden gesproken, die hem later berouwden, doch op deze wijs werken de duistere machten des satans in de harten der menschenkinderen, want niet gemakkelijk laat de vorst der duisternis zijn prooi glippen.
HOOFDSTUK XIII.
Lang hebben Van Gulven en de snoode Gerrit Dubbe gepeinsd op een middel om den jager te noodzaken de streek langs den Davel te verlaten, want de boer van "Zorgwijk" zou niets liever hebben dan dat zijn dochter, die hij beschouwt als de schandvlek van zijn geslacht, met man en kroost wegtrok, ver van hier.
Reeds dikwijls was hij van plan geweest den jager veel geld te bieden, indien deze zich in een andere provincie wilde vestigen, maar steeds had de gedachte aan een trotsche weigering van Hannes Klinge hem teruggehouden. Hij herinnerde zich zeer goed, dat de Gelderschman hem eenmaal zijn geld voor de voeten had geworpen met de woorden: "Van het geld, dat uw afgod is, verlang ik geen enkelen penning!"
Dat was reeds jaren geleden, maar Van Gulven kende zijn gewezen bouwknecht te goed, om niet te vreezen dat hij datzelfde antwoord nog eens zou hooren.
Daarom had hij van dit plan afgezien, en er zich reeds in geschikt den jager in het "Uilennest" te weten, nog te meer, daar deze zich maar zelden in het dorp vertoonde, en er zich dan nog zoo kort mogelijk ophield.
Doch dit alles veranderde na de ruwe ontmoeting in den "Zwarten Arend". Hier had de jager eerst recht getoond hoe ver zijne vermetelheid wel ging, en Van Gulven, wiens vroegere vijandige gezindheid jegens den jager, sedert de zedelijke nederlaag, die hij in de herberg had geleden, tot gloeienden haat was aangewakkerd, Van Gulven dorstte naar wraak, en ging op het lage plan, dat Gerrit Dubbe hem voorstelde, bijna zonder bedenken in.
Laag en snood was het plan, dat de roode Judas den verblinden vader van Martha voorlegde, en het kwam hierop neer, dat zij Hannes Klinge, door hem zijn broodwinning te ontnemen, dwingen zouden zich elders te vestigen.
De Davel en bijna al de omringende velden en akkers behoorden sinds eeuwen aan een rijke, adellijke familie, en bijna alle boeren in de omliggende dorpen pachtten hun landerijen, van den rentmeester der familie.
Nu was de oude rentmeester gewoon geweest, sinds vele jaren eerst Krijn Vermeeren en later Hannes Klinge een geschreven volmacht of verlofbrief te geven, die dezen het recht gaven in en op den Davel te visschen, en als de jacht opengesteld werd, te jagen; want over dat recht hadden de baronnen als grondeigenaars de vrije beschikking.
Ieder jaar omstreeks het openen der jacht, begaf Hannes Klinge zich naar den rentmeester, en de vriendelijke oude heer verstrekte hem dan het bewijs, dat hem weder voor een jaar in staat stelde eerlijk zijn brood te verdienen. Dan kocht hij een jachtacte, en indien—wat wel eens gebeurde—een veldwachter hem vroeg of hij in het bezit was van een acte en verlof, dan kon Hannes, door beide stukken te vertoonen, het bewijs leveren, dat hij jager en visscher, maar geen strooper was. Doch de oude, vriendelijke rentmeester was gestorven, en een trotsche jonge man werd rentmeester in zijne plaats.
Tot dezen man begaf zich—eenige weken voor den tijd, dat Hannes Klinge gewoon was zijn verlofbrief te gaan halen—de boer van "Zorgwijk", en stelde zich voor als de grootste pachter van het domein.
Toen wist Van Gulven het gesprek te brengen op de jacht en de visscherij van den Davel en hij stelde den jager uit het "Uilennest" aan den rentmeester voor als een woesten, twistzieken kerel, wiens tegenwoordigheid een gevaar opleverde voor de rust van het dorp en daarna liet hij doorschemeren, dat het jacht- en vischrecht op den Davel hem, Barend van Gulven, wel eenige honderden guldens waard zou zijn.
De rentmeester, die wel trotsch, maar toch onbemiddeld was, ging op deze eerlooze aanbieding in, en met een verlofbrief voor het volgend jachtseizoen in den zak verliet de boer van "Zorgwijk" de spreekkamer van den rentmeester. Een paar weken later ging Hannes Klinge argeloos om zijn verlofbrief vragen, en ontving de verpletterende mededeeling, dat de permissie reeds vergeven was. Toen Hannes zich beriep op oude rechten, die sinds onheuglijke tijden de bewoners van het "Uilennest" van de landheeren hadden genoten, glimlachte de rentmeester, en voegde Hannes toe, dat dergelijke rechten of liever gunsten, niet werden verleend aan kroegloopers en twistzoekers, zooals hij, maar aan ordelijke en geachte burgers.
O, het was den armen jager maar al te duidelijk wie de rentmeester bedoelde met ordelijke, geachte burgers.
De geheele toeleg, waarvan hij het slachtoffer was, stond hem helder en klaar voor oogen.
"Mijnheer!" sprak hij, "wij zullen er niet veel woorden over wisselen, maar het is niet omdat ik een kroeglooper of twistzoeker ben, maar het is omdat Hannes Klinge arm, en de man, die mijn ondergang zoekt, rijk is. Daarom, en daarom alleen word ik uit mijn broodwinning gestooten. Waarom ook niet? Voor een handvol geld worden wel grooter laagheden bedreven dan deze." Hoe bitter, hoe bevend van ingehouden toorn klonken die woorden uit den mond van den jager, en de rentmeester gevoelde zich niet op zijn gemak onder dien doorborenden blik, en hij was maar blijde, dat Hannes Klinge zich plotseling omkeerde en zonder een enkel woord te spreken de deur uitging.
Ja, die Van Gulven had wel gelijk. Dit was bepaald een gevaarlijke kerel, en het was maar goed dat men hem noodzaakte de streek te verlaten, en de rentmeester lachte en stak een versche sigaar op.
HOOFDSTUK XIV.
Toen brak er een, donkere tijd aan voor de bewoners van het "Uilennest".
Martha wilde, dat Hannes het "Uilennest" verkocht en wegtrok van hier, omdat er voor hem geen brood meer was te verdienen, op het plekje grond, dat hun eigendom was; maar Hannes werd woedend als zijn vrouw daarvan sprak.
Hij wilde niet bukken voor de dwingelandij van haar vader, riep hij toornig, als Martha sprak van heengaan; neen, men zou den "Uil" niet zoo gemakkelijk uit zijn nest drijven, en zoo lang hem nog droog brood overbleef, zou hij standhouden aan den Davel.
Toen kocht Hannes een oude hondenkar, laadde er wat late groenten uit zijn moestuin op, en spande er zijn beide jachthonden voor—die hij met veel moeite en geduld had geleerd de kar te trekken. Zoo reed hij dan des morgens vroeg naar de stad en keerde des middags weer met de ledige kar huiswaarts.
Voorts vlocht de handige kerel manden van wilgetwijgen, en sneed klompen van wilgenhout. Doch hoewel hij met een en ander nogal wat geld verdiende, was dat op den duur toch niet toereikend voor het onderhoud van zijn gezin. Maar wijken van de plek grond, die hij lief had, dat deed Hannes Klinge niet, en toen hij zag, dat de armoede zijn intocht deed in het "Uilennest", toen, greep hij naar zijn jachtroer en in den, stillen nacht, wanneer het maanlicht de moerassen van den Davel bescheen, dan knalde het oude geweer van Krijn Vermeeren.
Strijd had het hem gekost, om van een eerlijk jager een strooper te worden. Strijd in zijn binnenste en strijd in zijn huisgezin, want Martha was er met kracht tegen opgekomen, maar de stem in zijn gemoed bracht Hannes tot zwijgen door zichzelven vrij te pleiten met de redeneering, dat men hem er toe dwong, en dat de nood hem dreef. En als Martha sprak van haar angst en onrust, als hij bij nacht en ontijd omdoolde in het moeras, waar een enkele mistred hem kon doen verzinken in de peilloos diepe modder, dan lachte Hannes, maar het was een harde, bittere lach.
Waren de nachten donker, dan legde hij lijnen uit met haken waaraan als lokaas een kleine kikvorsch was geslagen; en eer de dageraad gloorde in het oosten, dreef de strooper met onhoorbaren riemslag zijn boot over het pikzwarte water van den Davel en lichtte zijn fleuren.
Dan gingen de groote snoeken en armdikke palingen zijn boot in en van daar naar het "Uilennest", en zoowel het gestroopte wild als de visch vervoerde Hannes in zijn hondenkar onder klompen of manden verborgen, des morgens vroeg naar de stad, waar hij het altijd aan den man wist te brengen.
Op de Schaapskooi bij Olbert kwam Hannes niet veel meer. Hij kon den blik van den "eenarm" niet verdragen, want die blik drong hem tot in de ziel.
"Hannes! Hannes!" had Olbert gezegd, "je gaat een wis verderf tegemoet, want het is in het dorp geen geheim meer, dat Hannes Klinge stroopt in den Davel; laat dat heilloos handwerk varen, en tracht met Gods hulp elders werk en brood te vinden. Dit leven loopt uit op ellende en berouw."
Maar Hannes luisterde niet naar dezen vriendenraad en voegde Olbert toe, dat men hem niet zoo gemakkelijk snappen zou, want dat hij den Davel kende als niemand anders.
"Van Gulven heeft mij wel een nederlaag bezorgd, maar nog lang niet ten onder gebracht, en liever versmoor ik in de modder van den Davel," klonk het knarsetandend, "dan dat ik voor dien rijken schurk het veld ruim, en het "Uilennest" verlaat."
Olbert schudde het hoofd. "Hannes," klonk het ernstig, "lees je nog wel eens in het boek van den ouden Krijn Vermeeren?"
"Dat deed ik in gelukkige tijden, thans heb ik er geen lust meer in.
Wat zal het mij trouwens ook baten? Alles, alles is tegen mij. Laat mij ook maar aan mijn lot over, Olbert, wij passen niet meer bij elkander, want jij bent een eerlijk man en ik ben een strooper en wilddief, maar vloek over hen, die het mij hebben gemaakt!"
Toen wendde hij zich om, groette Olbert met de hand en verwijderde zich met snellen tred.
"Ik zal voor je bidden, Hannes, dat God je behoede, en je doe keeren op het pad des verderfs. Hannes, laat je raden; denk aan Martha, denk aan je onschuldige kinderen; luister naar goeden raad."
Maar Hannes luisterde niet, en snelde voort zonder meer om te zien. Sinds dien dag vermeed hij den schaapherder.
Thuis was Hannes ook niet meer zooals voorheen. Vroeger placht den ganschen dag zijn vroolijk lied te klinken bij zijn arbeid, en het was zijn lust te spelen met zijn kinderen, met hen te stoeien, of te luisteren naar het babbelen van zijn kleine Lize. Nu kon hij soms urenlang in het haardvuur zitten staren met een diepen rimpel tusschen de oogen, zonder dat hij bemerkte dat zijn pijp was uitgegaan, en als Lize dan haar handje op zijn forschen arm legde en haar blond kopje tegen hem aandrukte, dan kwam er wel dadelijk een zachtere trek op zijn gelaat, en dan tilde hij het kind op zijn knie, maar de gulle vroolijkheid van vroeger, zie, die was verdwenen. Waar haat en wraakzucht eenmaal post hebben gevat in het menschelijk hart, daar verdwijnen langzamerhand de zachtere gewaarwordingen, om plaats te maken voor wrevel en onrust.
Onder deze omstandigheden gingen een paar jaren voorbij, en overal in den omtrek was het bekend, dat Hannes Klinge hoofdzakelijk met stroopen den kost verdiende, en reeds meer dan eens was hij door de rijksveldwachters scherp vervolgd. Doch zijne behendigheid en groote kennis van het gevaarlijk terrein hadden hem tot dusver met hun pogingen doen spotten.
Nu was er evenwel een nieuwe rijksveldwachter op het dorp gekomen, en op een zomermorgen, toen Hannes op het grasveld voor zijn woning naar zijn vier schapen stond te kijken, en een plekje zocht waar hij de geit zou vastzetten, kwam de veldwachter het smalle voetpad afwandelen, dat door het grasveld naar het "Uilennest" liep.
De strooper hoorde de naderende voetstappen, en zijn scherp oog gleed vorschend over den naderender man met de blinkende knoopen.
Het was een kloeke kerel, wien de blauwe uniform uitmuntend kleedde, terwijl op het open, goedige gelaat, ondanks den zwaren blonden knevel, bijna altijd een vriendelijke trek om de lippen speelde. Nu staat de veldwachter voor Hannes Klinge, en dezen in het gelaat kijkend, zegt hij: "Ben ik dan in vijftien jaar tijds zoo veranderd, dat je mij niet meer kent, Hannes Klinge?
Dat jij veranderd bent met je vollen baard zul je toch wel gelooven; maar onder duizend zou ik je hebben herkend!"
Thans herkent ook Hannes den veldwachter, en de oude, gulhartige vroolijkheid glinstert in zijn blauwe oogen, en trekt als een zonnestraal over zijn gebaard gezicht.
"Durling! Korporaal Durling! Hoe te drommel is het mogelijk, dat ik den langen Durling niet spoediger herkende! Mijn slaapkameraad uit de oude kazerne! Maar je bent er niet minder op geworden, sinds onze wegen uit elkander liepen. Kom, laten we binnengaan! je moet eens met mijn vrouw kennis maken, als je ten minste tijd hebt, en mijn armoedige hut je niet te gering is. Je zult misschien al wel weten dat men deze plaats het "Uilennest" noemt en mij "den Uil"?"
Op dit oogenblik komt Martha, met den voederbak voor de kippen in de hand, naar buiten, en als haar oog op den veldwachter valt, dan kan ze een beweging van schrik niet onderdrukken.
Het is Durling niet ontgaan, dat de vrouw van kleur verschoot, toen ze hem zag, en de oorzaak daarvan is hem maar al te goed bekend, want men heeft niet verzuimd hem in te lichten aangaande den bewoner van het "Uilennest" en diens woest en ontembaar karakter.
"Kijk moeder!" zegt Hannes op monteren toon, "dat is nu korporaal Durling, van wien ik je wel eens iets verteld heb, en die mijn slaapkameraad was gedurende mijn soldatenleven in het garnizoen te G. Nu is hij hier veldwachter geworden: dat had je vijftien jaar geleden niet kunnen, denken, Durling; maar kom, moeder heeft de koffie klaar, en wij keuvelen een uurtje, en stoppen een pijp." Ook Martha noodigde hem binnen, en hoewel Durling verzekerde dat hij aan zijn tijd gebonden was en hun geen last wilde veroorzaken, men hield niet op voordat de veldwachter met een kop dampende koffie voor zich in de ezellige keuken van de oude jagershut zat.
Heerlijk scheen het zonnetje door de kleine ruitjes en door de openstaande bovendeur drong de geur van bloeiende vlier en witte rozen binnen. In het riet langs den Davel zong de rietvink, en van uit de oude wilgen, waarin bij nacht de uilen krasten, klonk nu de vèr klinkende roep van den merel.
"Wat is het hier heerlijk stil en rustig op dezen Zondagmorgen," sprak Durling, "en wat geuren die rozenstruiken en de vlier; waarlijk, zoo had ik mij het "Uilennest" en zijn bewoners niet voorgesteld."
En toen, ernstig wordend, keek Durling Hannes Klinge in de oogen en sprak:
"Klinge! men vertelt in het dorp leelijke dingen van je, en het is niet bij toeval dat ik je ben komen opzoeken. Luister naar mij, Hannes Klinge, ik kom als vriend, als een oprecht vriend. Wij kennen elkaar uit onze jeugd, of liever uit onze vroolijke jongelingsjaren, en ik verzeker je, dat de veldwachter Durling nog precies dezelfde is als korporaal Durling voorheen. Welnu, laat je dan van een oud vriend raden en word niet boos als ik openhartig spreek, want waarlijk, ik heb je bestwil op 't oog. Hannes Klinge," vervolgt Durling met nadruk, "laat het stroopen varen of het wordt je ongeluk, en al gelukt het je nu al een tijd lang, door behendigheid en list uit de handen der politie te blijven, op den duur loopt het toch mis.
Ik wil nog verder gaan," vervolgt hij, "en je iets zeggen, dat ik als veldwachter eigenlijk niet zeggen mag; maar ik zou het zoo hard vinden voor ons beiden, als ik later genoodzaakt was—en ik zal er toe genoodzaakt worden—je te vervolgen, als de jager het wild; maar een boer uit H., wiens naam ik niet noemen wil, schijnt het er op gezet te hebben, dat je betrapt wordt; hij heeft mij een goede belooning toegezegd, indien het mij gelukte de hand op je te leggen. Stroop niet meer, Hannes, waarlijk, het zou mij hard vallen, maar indien wij elkander na dezen dag op den Davel ontmoeten, en je hebt geweer of vischtuig bij je, zoowaar ik leef, Abbe Durling zal zijn plicht doen; want mijn eed blijf ik getrouw, al moest ik er voor sterven."
Terwijl de veldwachter sprak, staarde Hannes onafgewend voor zich; slechts toen Durling sprak van den boer, die hem geld beloofde voor het vangen van den strooper, flikkerde zijn oog en groefde zich een dreigende rimpel tusschen de wenkbrauwen; hij wist maar al te goed wie die boer was. Ook Martha wist het en het sneed haar door de ziel, want ondanks alles was de boer van "Zorgwijk" toch haar vader.
"Hannes," sprak ze met zachte stem, "doe het toch niet meer. Laat ons weggaan van hier, want waarlijk een inwendige stem zegt het mij, wij gaan ons ongeluk tegemoet. Luister naar Durling, hij handelt edel en als een oprecht vriend; al moet je als daglooner je brood verdienen, ik zal zonder morren de armoede met je dragen; hier neemt het een slecht einde, dat gevoel ik."
Hannes wendt zich, zonder Martha te antwoorden, tot Durling.
"Ben je getrouwd, kameraad?"
"Neen," is het antwoord, "ik zorg voor mijn oude moeder; wij wonen gezellig te zamen, en zoo lang de oude vrouw leeft, blijven we bij elkaar."
Er is iets warms in de trouwhartige oogen van den veldwachter als hij van zijn oude moeder spreekt en onwillekeurig gevoelt Martha achting voor dezen man.
"Heb je," zegt de voormalige jager, "heb je in het dorp, waar de menschen zooveel goeds van mij vertellen, de geschiedenis van mijn huwelijk niet vernomen?"
"Neen," is het antwoord, "van je huwelijk sprak de boer niet, die mij inlichtingen verschafte, en ik kan ook niet vatten wat dit met het stroopen te maken heeft; of staat het er soms mede in verband?"
Martha had zich even naar buiten begeven om de kippen—die luid om hun voeder kakelden,—van het noodige te voorzien, en intusschen vertelde Hannes in het kort zijn geschiedenis, sinds den tijd, dat hij den militairen dienst had verlaten en als bouwknecht op "Zorgwijk" kwam.
Toen hij uitgesproken had, sprong Durling op, en riep: "Dan is de man, die een prijs op je hoofd stelde, de vader van je vrouw? Arme, arme kerel, men heeft je het leven hier zwaar genoeg gemaakt; maar toch, thans heeft hij het recht op zijn zijde, en het is dwaas van je om tegen den stroom in te zwemmen, want waarlijk, je gaat te gronde en je sleept je vrouw en kinderen met je in het verderf, en dat mag je niet doen, kameraad! Dat mag je niet doen! Daarvoor heeft vooral zij te veel voor je opgeofferd." Oog in oog staan daar die beide kloeke mannen voor elkander, en Durling steekt de hand uit. "Zeg, dat je niet meer stroopen zult, Hannes, geef me er de hand op, en ik ga gerust heen, want je woord heb je nimmer gebroken. Buig voor de overmacht en werk eerlijk voor vrouw en kind. Voor een kerel als jij is overal werk en brood te vinden; kom, sla toe!"
Een oogenblik aarzelt Hannes, en, voert een harden strijd in zijn gemoed, maar het is ook maar één oogenblik. Dan behaalt de duivel van haat en trots de overwinning in zijn ziel, en terwijl het onstuimige bloed zijn gelaat donkerrood kleurt, klinkt het knarsetandend:
"Dus vluchten zou ik; als een geslagen hond mij uit de voeten maken, met hun spottend gelach achter mij? Dit plekje grond verlaten, waar mijn kinderen geboren zijn en waar ik gelukkig was, toen ik er eerlijk mijn brood verdiende? Ha! Dan was het doel bereikt, als de verachte Uil uit zijn nest gejaagd was, maar nog liever sterf ik met het geweer in de hand of versmoor ik in het moeras, dan dat ik als een lafhartige bloodaard mij uit de voeten maak.
Neen! Duizendmaal neen, ik zal stroopen, nu men mij het jagen onmogelijk heeft gemaakt, en ik zal het volhouden hier zoo lang ik maar eenigszins kan."
"Dan zul je het aan jezelven te wijten hebben, Hannes Klinge, als het ongeluk over je komt," zegt de veldwachter ernstig. "Als vriend ben ik tot je gekomen en je wilt mijn raad niet aannemen. Nu ga ik weg, maar dit moet ik je nog zeggen: Indien wij elkander bij nacht of bij dag op den Davel ontmoeten, terwijl jij op stroopen uit zijt, dan ben ik niet je oude kameraad Abbe Durling, maar een rijksveldwachter, die zijn plicht zal doen al moest hij er voor sterven."
Hij groet met de hand en zonder omzien stapt hij het voetpad af en slaat den weg in naar het dorp. Maar Hannes kijkt hem na, totdat de lange slanke gestalte verdwijnt in een kromming van den landweg, en hij heeft een gevoel in de borst, alsof hij dien man moest naloopen en hem de hand drukken, die hij daareven heeft geweigerd. Het was een vriendenhand, die hij had teruggestooten. Maar Hannes bleef waar hij was; valsche schaamte hield hem terug, en in zijn hart was het onvrede. En onvrede was het in zijn gezin, want Martha verweet hem met scherpe woorden en tranen van spijt in de oogen, dat hij alle menschen, die het goed met hem meenden, van zich afstiet, en het geluk van vrouw en kinderen opofferde aan zijn haat en aan den hartstocht voor de jacht, want ook het laatste was een machtige beweegreden, die Hannes aan het "Uilennest" boeide.
Ontevreden op zichzelven en op de gansche wereld, antwoordde hij met harde woorden, om eindelijk driftig de deur achter zich toewerpend naar den oever van den Davel te loopen.
Neen, Hannes Klinge was niet met hardheid tot rede te brengen, dat beproefde boer Van Gulven reeds jaren lang tevergeefs, en ook zijn dochter Martha zou er niets mede bereiken.
Terwijl een vriendelijk woord zelden zijn uitwerking op hem miste, was hij dadelijk tot verzet gereed, als hij dacht dat men hem ergens toe wilde dwingen.
Het bewijs van vriendschap van den nobelen veldwachter had hem aan het wankelen gebracht, en indien Martha met zachtheid en liefde hem had gevraagd het met Durling in het reine te brengen, en diens welgemeenden raad op te volgen, mogelijk had hij gehoor gegeven aan de stem zijner vrouw, die hij ondanks haar heftig karakter toch hartelijk liefhad.
Maar het mocht niet zoo zijn.
De almachtige Bestuurder aller dingen had het anders over Hannes Klinge besloten, en deze zou het verkeerde pad bewandelen, totdat voor hem het "tot hiertoe en niet verder" zou weerklinken. Lang uitgestrekt ligt hij onder den bloeienden vlierstruik, vlak aan den waterkant in het geurige gras, en kijkt naar den blauwen hemel, waar hoog in de lucht de zwaluwen rondzwerven.
Het zachte zomerkoeltje, dat langs zijn brandend voorhoofd strijkt, verkwikt hem, maar daarbinnen in zijn borst gloeit iets, dat door geen zomerwindje te verkoelen is.
Het is de haat en de bitterheid, waartegen Olbert de schaapherder hem reeds jaren geleden had gewaarschuwd.
Uit de verte klinken klokketonen door den stillen omtrek, en de strooper luistert er naar totdat de laatste klanken zijn weggestorven in de verte, en het is hem als spreken die sabbatstonen woorden tot hem van waarschuwing en van zacht verwijt. "Kom dan! Kom dan! Zoo schijnt de kerkklok te roepen," mompelt Hannes, en hij denkt aan den tijd, toen hij nog bij Krijn Vermeeren was.
Dan ging hij des Zondagsmorgens wel ter kerke, want dan was Martha van Gulven er ook, en daar kon de boer van "Zorgwijk" hem niet weren.
En als hij dan weer terug was in het "Uilennest", dan moest de oude jager weten welken tekst de dominee behandeld had, en Hannes moest hem dan het hoofdstuk, waarin die tekst stond, voorlezen, en een der psalmen zingen die men dien morgen in de kerk gezongen had.
Maar Krijn was dáárheen gegaan, van waar niemand wederkeert, en Hannes had langzamerhand het kerkgaan verzuimd, en nu had hij er sinds jaren geen voet meer over den dorpel gezet.
"Waarom ook," mompelt hij bitter; "een strooper zooals ik moet zich niet vertoonen, waar zooveel goede menschen bijeen zijn."
En toch, dat klokgelui op dezen schoonen morgen doet een snaar trillen in zijn hart, en wekt een gevoel op, alsof hij moest breken met zijn tegenwoordig bestaan, en een ander, een nieuw leven beginnen. "Kon ik maar weg," mompelt hij, ver weg, naar Amerika.
Daar moeten nog eindelooze bosschen zijn, waarin het wemelt van wild. Daar zou ik heen willen, daar was ik mogelijk vrij.
En Martha zou mij met vreugde volgen, dat weet ik zeker. Maar ik heb geen geld voor den overtocht, al verkocht ik het "Uilennest". Want nu het jacht- en vischrecht in handen van Van Gulven is, heeft dit armelijke boeltje geen waarde meer."
Dus peinzend en tobbend is hij zoo in gedachten verzonken, dat hij den lichten tred van zijn Lieske niet hoort op het mollige gras, en niets van haar aanwezigheid bemerkt, voordat ze haar handje op zijn breeden schouder legt.
"Vader, ach, waarom bent u toch zoo boos? Kom binnen, moeder heeft de boterhammen klaar; maar moeder is zoo stil, en Gert wil niet met mij spelen. Vader," vervolgt het kind, "houdt u niet veel meer van Lieske en van moeder en Gert? U kijkt nooit meer naar mijn bloemen in mijn tuintje, en u wilt ook nooit meer voor mij zingen; houdt u niet meer van ons?"
Het kind is bij hem neergeknield, en als hij haar bevende lipjes ziet en de tranen in de onschuldige blauwe oogjes ziet parelen, dan gevoelt Hannes Klinge, dat het leven, dat hij thans leidt, hem waarschijnlijk op wroeging en berouw zal komen te staan.
Doch de klacht van zijn kind, dat hij lief heeft als het licht zijner oogen, snijdt hem door de ziel, en opspringend neemt hij haar in zijn armen.
"Neen, neen, Lieske, vader is niet boos; maar zingen kan ik nu niet; doch zing jij eens een liedje voor mij, dan gaan we als het uit is naar binnen om onze boterhammen te eten."
Kinderleed is als een zomerwolkje, dat ras verdwijnt en Lieske droogt haar tranen af en zegt: "Weet u wat ik zingen zal, vader: ik zal het schoone lied zingen, dat Olbert de schaapherder mij heeft geleerd," en met een stem als een zilveren klokje zoo helder en zuiver heft het kind aan: Heer, ai maak mij Uwe wegen Door Uw woord en geest bekend; Leer mij hoe die zijn gelegen, En waarheen G' Uw treden wendt. Leid mij in Uw waarheid, leer IJvrig mij Uw wet betrachten, Want Gij zijt mijn heil, o Heer, 'k Blijf U al den dag verwachten."
"Je hebt het mooi gezongen, Lieske," zegt Hannes, als het kind hem vraagt of hij het niet een mooi lied vindt, maar er is hem een brok in de keel geschoten en hij kan zelf niet begrijpen, waarom hij vandaag zoo weekhartig is.
Met het meisje op den arm gaat hij naar binnen, maar voor hij Lize neerzet heeft hij haar beloofd, dat ze van middag, als moeder wil, naar de Schaapskooi zullen gaan met het schuitje.
Maar moeder gaf er geen antwoord op, en bleef zwijgend en norsch, en dat verbitterde Hannes weer. Zoo verliep de schoone Sabbatdag voor de bewoners van het Uilennest somber en treurig, want waar twist en tweedracht woont, daar wijkt het huiselijk geluk.
HOOFDSTUK XV.
De zomer ging voorbij en de herfst heeft alreeds met zijn stormvlagen het dorrende loof der elzenstruiken in het zwarte water van den Davel gejaagd.
't Is nog betrekkelijk vroeg in den avond, doch reeds valt de schemering snel, want de lucht is donker en bewolkt. Voor de deur van zijne hut staat Hannes Klinge en neemt opmerkzaam en met kennersblik de lucht waar, en het schijnt, dat het onderzoek hem nogal bevredigt, want hij mompelt binnensmonds: "De wind loopt breed; hij is bijna door het noordwesten heen, en het zou mij geweldig tegenvallen" als de maan het niet opklaart, en dan wordt het een bij uitstek gunstige nacht."
Nog een wijle blijft de strooper staan en de felle, steeds krachtiger wordende wind, die de wolkgevaarten vaneen scheurt en langs het zwerk doet jagen, schijnt hem niet te hinderen, maar als men binnen de lamp opsteekt en de lichtschijn door de ruitjes naar buiten valt, dan draait Hannes zich om, sluit de groene blinden en gaat in huis.
Het is gezellig en warm in de hut. Onder de schouw branden de wilgetronken met lustig knetterende vlam, en Tromp en Turk, de jachthonden van Hannes, liggen er knipoogend en dommelend naar te kijken. Moeder snijdt de dikke boterhammen, en Lize legt de breikous, waaraan ze heeft zitten werken, op het kleine kastje in den hoek, waar eenmaal de groote kist van Krijn Vermeeren stond.
Gert was bezig geweest van een oude laars riempjes te snijden voor zijn schaatsen, want hij hoopte op een vroeg invallenden winter, ten einde schaatsen te kunnen rijden op den Davel; daarom maakte hij al vast zijn spulletjes in orde.
Terwijl in de hut de maaltijd gebruikt wordt, is de wind nog in kracht toegenomen.
"Hu," zegt de tienjarige Lize, "hoor den wind eens huilen in den schoorsteen; en wat schreeuwen de uilen weer akelig in de boomen."
Het kind huivert en drukt zich dichter tegen haar vader aan, die in gedachten verzonken naast haar zit; maar Gerard huivert niet; hij vindt dat krassen der uilen en het huilen van den wind wel prettig, en zijn vader met zijn zwarte fonkelende oogen strak aanstarend, vraagt hij op gedempten toon: "Vader, neem mij vanavond meê!"
Maar de jongen schrikt terug voor den oogopslag van den man en het klinkt op harden toon:
"Vraag mij dat nooit meer, Gert, verstaat ge! Vraag dat nooit meer,"—doch op vriendelijken toon laat Hannes er op volgen:
"Gert, je moet maar vlijtig manden maken en ook het klompenmaker zal ik je leeren. Verder stoelenmatten en stroo vlechten, dan kun je, als mij eens iets overkwam, voor moeder werken."
Treurig schudde de knaap het hoofd, en met de oogen gericht op het lange geweer van zijn vader, bromt hij binnensmonds: "Jager wil ik worden en visscher op den Davel."
Hannes slaat geen acht op het gemompel van Gerard, maar Martha heeft het wel gehoord en het gaat haar als een mes door de ziel.
"Als mij eens iets overkwam," had Hannes gezegd, en Martha gevoelde, dat bange vrees haar hart bekroop.
Ze wist wel, dat het al eenige keeren op het kantje af geweest was, of de politie had de hand op haar man gelegd, en haar hart beefde bij de gedachte, indien er iets dergelijks moest plaats vinden. Want ze kende Hannes veel te goed, om niet te weten, dat hij zich in dat geval met kracht zou verzetten, en wat zou dan het einde zijn?
En dan haar jongen? Ach, zijn hart was bij zijn vader. Hij wist wel waar deze 's nachts op uitging, en als moeder en zusje reeds lang waren ingeslapen, dan luisterde Gert, terwijl hij uit het geopende dakvenstertje tuurde; en niet eer ging de jongen slapen voordat hij in de verte het schot van zijn vader had hooren dreunen.
De avond vloog om, want Hannes hielp Gert aan zijn schaatsen, en kleine Lize—het zonnetje in het "Uilennest"—breide, keuvelde en zong, en was zoo vroolijk en levenslustig als een jong vogeltje. Eindelijk zijn de schaatsen klaar, en Gert is den koning te rijk; al wel driemaal heeft hij gevraagd: "Vader, zou het gaan vriezen? Ik heb al koppels wilde ganzen zien vliegen, en ze vlogen in een v; dat beteekent vorst, nietwaar vader?"
"Ja zeker," zegt Hannes, "dat kan wel zijn; en ik geloof wel dat er vorst in de lucht zit, Gert. Maar het wordt al laat, moeder! Zoudt ge de pap niet opscheppen?"
Martha rijst op van haar stoel; zwijgend zet ze de borden op tafel, en schept het avondeten op.
De wind loeit nog om de hut, en Hannes gaat naar buiten, om de lucht nog eens waar te nemen. "De maan is op," zegt hij, als hij weer binnenkomt, "en de wind is al door het noordwesten heen."
"Dan gaat het zeker vriezen, vader," zegt Gert, en zijn donkere oogen glinsteren van pret.
Een oogenblik later rinkelen, de tinnen lepels tegen de steenen borden, en als het avondmaal afgeloopen is gaan Gert en Lize naar bed.
"Nacht vader, nacht moeder," zegt Gert, en vlug als de eekhoorn wipt hij de steile ladder op, die naar den zolder voert, waar hij zijn slaapplaats heeft. Lize is gewoon, reeds van haar vroegste kinderjaren af, als ze gaat slapen, vader en moeder een kus te geven en die gewoonte heeft ze altijd volgehouden. Eerst gaat ze naar haar moeder, en dan trippelt zij op de bloote voetjes naar Hannes, en als het kind haar vader goeden nacht kust, dan drukt hij haar aan zijn borst, alsof hij haar voor langen tijd moest verlaten.
Nu de kinderen slapen, wordt het stil in de hut. Hannes neemt het zware geweer van den haak, krijgt kruithoorn en hageltasch, en, na het slot van de buks zorgvuldig te hebben onderzocht, begint hij het vuurwapen te laden.
De ijzeren laadstok rammelt in den loop, als Hannes de kruitlading met een papieren prop vaststampt, en de bij het haardvuur dommelende honden worden er wakker van.
De strooper neemt vervolgens wat fijnen hagel uit zijn tasch, maar eer hij dien in den geweerloop laat glijden, mompelt hij bij zichzelven:
"Er zijn ganzen op den Davel; laat ik er een paar loopers bij doen," en twee looden kogels voor den dag halend, voegt hij die bij den hagel en nu gaan ze gezamenlijk den loop in, daar weer een papierprop bovenop, versch kruit op de pan, en het oude geweer van Krijn Vermeeren is gereed,—voor het laatste schot!
Zwijgend had Martha hare bezigheden verricht, en zij huivert, als de windvlagen door de oude wilgen voor de hut huilen.
"Hannes!" zegt ze, en haar stem klinkt zachter dan gewoonlijk, "Hannes, ach, ga dezen nacht niet stroopen; blijf vannacht thuis; hoor de wind eens razen buiten. Wat moet ik beginnen met mijn twee kinderen, als je eens een ongeluk overkwam; geloof mij, het loopt mis. Olbert den eenarm zegt het en ook Durling de veldwachter heeft het je gezegd. Blijf thuis, Hannes; en ga rustig slapen, wil je?"
Maar Hannes Klinge wilde niet; hij had het er op gezet, en hij dreef zijn wil door.
"Dezen avond nog, moeder, en dan is het uit; ik word dit leven moede, maar dezen avond ga ik er nog op uit. Er zijn ganzen op den Davel en ik zou mij hard vergissen, als ik er met zulk een gunstige gelegenheid geen onder schot kreeg. Kom Martha, wees niet bang en ga rustig slapen; even na middernacht ben ik weer terug."
Martha zweeg en zuchtte. Wat zou ze trouwens ook nog zeggen? Ze wist veel te goed, dat Hannes van zijn voornemen niet was af te brengen, vooral niet, nu hij ganzen had gezien.
Hij trekt de lange laarzen aan, hangt kruithoorn en hageltasch aan zijn riem, grijpt de buks en stapt naar buiten, op den voet gevolgd door zijn honden. Aan den oever van den, Davel blijft hij stilstaan. De wind stoot met korte vlagen, en de wolken jagen langs het zwerk als krijgers die ten aanval spoeden.
De maan is op, en als de wolken haar niet bedekken, straalt het witte licht op het zwarte water van het meer en het dorrende riet aan den oever. Nu schiet de kleine boot met den strooper en zijn honden onhoorbaar over het water, en zorgvuldig stuurt Hannes zijn vaartuigje zoo kort mogelijk langs het riet, zoodat hij in de schaduw daarvan volkomen onopgemerkt blijft.
Na eenigen tijd de oeverlijn te hebben gevolgd, laat Hannes een poosje de riemen rusten; de maan is voor een oogenblik achter de wolken vandaan en bij haar licht staren de valkenoogen van den strooper naar den anderen oever, waar dichte elzenstruiken en riet, biezen en waterplanten het grondeloos diepe moeras bedekken. Dat punt was het doel, maar eer hij overstak, wilde hij de omgeving verkennen, en, als dan weer een wolk de maan bedekte, dadelijk naar den overkant roeien, om zoo min mogelijk in het licht te komen. Want hoe het kwam, weet hij niet, maar een onverklaarbaar gevoel waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt. Een reiger snelt met zwaren wiekslag over hem heen, en den ervaren jager vliegt de gedachte door het hoofd:
Dat is onraad, want een reiger vliegt maar zelden op in den nacht als hij niet gestoord wordt; en de gedachte bekruipt hem of hij niet terug zal keeren naar het "Uilennest", naar vrouw en kinderen.
Daar gaggelen de ganzen in de verte, en Hannes mompelt: Niet bang zijn; die reiger kan door een otter zijn opgejaagd, en platzak terugkeeren; deed ik nog nimmer—dus voorwaarts.
En voorwaarts gaat het in het pikdonker, want een donkere wolk bedekt de maan.
De wind loeit en het water golft en klotst, want Hannes heeft den beschermenden rietzoom achter zich, en in het midden van den Davel oefent de wind zijn volle kracht uit.
Nu vaart de strooper onder de takken der elzenstruiken door en de vreemde, scherpe geuren, die opstijgen uit het moeras, omgeven hem; de geluiden van den nacht, aan Hannes zoo goed bekend, klinken om hem heen.
Watervogels, die onder de afhangende takken met den kop onder de vlerken zitten te slapen, schrikken op, en kwakend en krijschend scheren zij zich laag over het water weg, of duiken onder.
Een groote nachtuil fladdert gillend uit de elzentakken, maar dat alles verschrikt Hannes niet, doch iets anders jaagt den strooper het bloed sneller door de aderen en doet hem aarzelend de riemen intrekken, en onwillekeurig grijpt zijn hand naar de buks.
"Ha, ha," sist hij tusschen de tanden, "het is weer om Hannes te doen, maar ze hebben hem nog niet." Zijn honden beginnen te brommen, zij ruiken onraad, en het bijna onmerkbaar geluid, dat den strooper verdacht voorgekomen is, herhaalt zich.
Het is het zachte kabbelen van het water tegen de planken eener boot, en dat Hannes zich niet vergist heeft, blijkt onmiddellijk, want een donderende stem kommandeert: "Je riemen in, en geef je over; in naam der wet! Als je je verzet, schieten we je over boord."
Een groote boot schiet van onder de overhangende elzentakken te voorschijn en in het maanlicht blinken blanke karabijnloopen.
Drie mannen in uniform bevinden zich in de boot; twee er van zitten aan de riemen en de derde staat voorin met de karabijn in den aanslag.
De eerste gedachte van Hannes Klinge is: met een paar riemslagen naar het moeras roeien en overboord springen met het geweer in de vuist, en zoo trachten om, door het griendhout gedekt, in veiligheid te komen.
Doch het is hem onmogelijk aan dit plan gevolg te geven, want de snel naderende boot der politiemannen snijdt hem den uitweg af.
Maar geen, enkel oogenblik komt de gedachte in Hannes op zich over te geven, en de sterke tanden knarsend op elkander klemmend, doet hij zijn kleine boot als een tol ronddraaien, om haar daarna met al de kracht zijner stalen spieren in de richting van het "Uilennest" voort te drijven.
Een vreeselijke wedren volgt.
Roepend en dreigend, dat hij zal schieten, beveelt de brigadier, die voor in de politieboot staat, om oogenblikkelijk te stoppen, maar de Gelderschman stoort er zich niet aan, wel wetend dat er niet op hem geschoten zal worden als hij geen verzet pleegt.
Pijlsnel vliegt de kleine boot over het zwarte, woelige water; de wind brult als een hongerig roofdier, en vlokken schuim spatten, in het gelaat van den strooper.
Maar ook de politiemannen spannen alle krachten in, doch gaandeweg wordt de afstand tusschen de beide booten grooter, en Hannes begint weer ruimer te ademen, want hij is nu vlak bij het "Uilennest", en indien het hem gelukt dwars over te steken, en den beschermenden rietzoom van den linkeroever te bereiken, dan is hij gered.
Daar is de bodem niet moerassig en hij zal niet aarzelen om buiten boord te springen als hij zijn boot zoo ver mogelijk in het riet geroeid heeft.
De duisternis begunstigt zijn vlucht, want eer de beambten in de politieboot zijn toeleg doorzien, heeft Klinge den donkeren rietzoom van den reddenden oever vlak voor zich. Een grimmige lach krult zijn gebaarde lippen en een gevoel van fiere zegepraal doortintelt het hart van den strooper. Doch Hannes lachte te vroeg. Voor een wijle drijft de wind de wolken, die de maan bedekken, terzijde, en bij het bleeke schijnsel ziet hij vlak voor zich een tweede boot en ook daarin ziet hij uniformknoopen glimmen, terwijl een blanke karabijnloop op zijn borst is gericht. Doch hij ziet nog meer. Eén man zit aan de riemen en een ander staat naast den veldwachter; die beide mannen dragen geen uniform, en Hannes herkent ze onmiddellijk.
Die aan de riemen zit is Gerrit Dubbe en naast den veldwachter staat Barend van Gulven, de boer van "Zorgwijk", de vader van zijn Martha, de man, dien hij als bouwknecht zoo trouw gediend heeft, en die hem nu zonder genade in het verderf storten zal.
Woedend raast de stormwind in dezen onstuimigen nacht, maar hoe hevig ook zijn geweld is, nog vreeselijker stormt het in de ziel van Hannes Klinge.
"Je riemen in, en geef je over!" zoo klinkt een forsche stem.
Het antwoord laat zich niet wachten. "Nooit! Nooit!" brult de strooper, en zijn riemen wegwerpend springt hij op en grijpt de zwaargeladen buks.
"Het uur van afrekening heeft geslagen, Barend van Gulven," zoo schalt zijn stem en het klinkt als een trompet over het water.
Angstgeschreeuw gaat op uit de boot, waarin Van Gulven staat. Het zijn de beide boeren, die schreeuwen. De veldwachter echter brengt bliksemsnel den vinger aan den trekker, en de scherpe knal van een karabijnschot kraakt; dadelijk gevolgd door een losbranding, die den omtrek doet daveren.
Een akelige gil snerpt over het meer; de blanke karabijn valt in het water, en ruggelings achterover stort de lange gestalte van den veldwachter in de boot.
Het schot, door Hannes Klinge afgevuurd en voor Van Gulven bestemd, heeft den veldwachter in de volle borst getroffen, en toen hij viel, herkende Hannes Klinge, bij het licht van den vuurstraal uit zijn buks, zijn voormaliger kameraad, korporaal Durling.
Verlammende vertwijfeling grijpt hem aan, en een oogenblik staat hij radeloos in zijn schommelende boot.
"Vuur!" hoorde hij den brigadier in de politieboot achter hem kommandeeren, en de karabijnkogels fluiten om hem heen.
Jankend wentelt een zijner honden, door een karabijnkogel doorboord, zich aan zijn voeten.
Nu slingert de strooper de noodlottige buks ver van zich af, en het oude geweer van vader Krijn zinkt weg in de diepe modder van den Davel.
Dan stort Hannes zich uit zijn boot, en het zwarte water van het meer sluit zich boven hem.
De loeiende storm verwaait den kruitdamp en maakt de forsche stem van den brigadier bijna onverstaanbaar.
"Roeit onmiddellijk naar den oever!" schreeuwt hij tot Gerrit Dubbe en Van Gulven, die beiden radeloos over het lichaam van den veldwachter Durling staan gebogen. Zij trachten den ongelukkige op te heffen, maar hun onhandige pogingen en de felle windvlagen doen de boot bijna omslaan.
"Roeit naar den oever, boerenkerels!" brult de brigadier weer, "en laat den man stil op den bodem van de schuit liggen. Daar bij dat riet zullen wij even zoeken naar den moordenaar," vervolgt hij, "maar hij zal wel op den bodem liggen, want één van onze kogels heeft hem bepaald getroffen."
De veldwachters roeien naar de plek, waar zooeven Hannes overboord ging, maar hoewel de maan weer helder schijnt, vinden ze niets als de boot van den strooper. De wind had het schuitje in het riet gedreven en toen de brigadier het vastgreep, vond hij op den bodem het lijk van den trouwen Turk, een der honden van Hannes.
Het schuitje werd vastgemaakt achter de politieboot, en toen ging men zoo snel mogelijk de boot achterna, waarin Gerrit Dubbe en de boer van "Zorgwijk" hun treurigen last vervoerden.
"Roeit naar den oever," had de brigadier bevolen, maar men kon hier slechts op één plek den oever bereiken, want op slechts één plaats is het riet verwijderd, zoodat men als het ware door een klein haventje naar den oever kan varen; en dit haventje hebben zij nu bereikt.
Doch zij aarzelen om naar binnen te roeien. Van Gulven, wiens geweten hem aanklaagt als de oorzaak van al deze ellende, zegt, met op elkander klapperende tanden—want hij als een koortslijder—: "Hier niet inroeien; niet naar het "Uilennest". Groote God, ik durf Martha niet onder de oogen te komen. Ik had nooit naar je moeten luisteren, Gerrit Dubbe, nooit, want jij hebt mijn hart vergiftigd met je opstokerij. Ik, ellendige dwaas, wat heb ik nu bereikt? O, waartoe heb ik mij laten verleiden, jou valsche verrader, maar nu is het te laat!"
"Wat sammel je toch," klonk weer de stem van den brigadier, "roei dan door; begrijp je niet, dat iedere minuut voor den gewonde kostbaar is, als hij tenminste nog leeft!"
Met snellen riemslag is de boot der politiemannen naderbij gekomen en door het volle maanlicht helder beschenen, ligt daar het "Uilennest".
Toen haar man was weggegaan, bleef Martha bij het uitgedoofde haardvuur zitten. De onrust, die haar verteerde, belette haar zich ter ruste te begeven, zooals zij anders deed, als Hannes des nachts ging stroopen.
Traag kruipen voor de wachtende vrouw de minuten om; somber en treurig lijkt alles om haar heen in de oude hut, waar zij—de rijke boerendochter van weleer—toch eens zoo gelukkig was, toen Hannes nog als eerlijk jager ruimschoots zijn brood verdiende.
Buiten huilt de stormwind en krassen de uilen, en de eenzame vrouw laat haar gedachten den vrijen loop.
Driftig en oploopend was hij altijd geweest, doch viel er vroeger wel eens een hard woord, dan maakte Hannes het weer dadelijk goed door zijn gulle, hartelijke vroolijkheid, zoodat Martha onmogelijk boos op hem kon blijven. En hoe teer en bezorgd was die oogenschijnlijk zoo ruwe man, indien hij dacht, dat vrouw of kinderen iets deerde.
Ach, hoe was dat alles veranderd in den laatsten tijd. Geen lied of geen lach kwamen hem meer over de lippen, of het was een bittere lach, die Martha pijn deed aan het hart.
Het was de haat, de bittere haat, die hem in de borst woelde; de wraakzucht tegen hen, die hem zoo wreed vervolgden. Daarom, en daarom alleen hield hij het heillooze stroopen vol, alle gevaar trotseerend, want hij kon niet buigen en wilde niet wijken voor Barend van Gulven. Het moest slecht afloopen, het kon niet anders. Olbert de eenarm heeft het haar onverholen gezegd, en hij heeft het Hannes ook gezegd; Martha weet het wel, maar Hannes wil niet meer luisteren naar Olbert, en hij ontwijkt hem zooveel mogelijk.
Doch kan de brave schaapherder geen invloed meer uitoefenen op den strooper, hij doet het op zijn kinderen, en Gert en Lize zijn dikwijls op de Schaapskooi, want de oude soldaat van Napoleon en vrouw Sanne hebben de kinderen hartelijk lief.
En zie, dat heeft Hannes graag; zelf komt hij niet meer op de Schaapskooi, want hij kan het doordringend oog van den ouden man niet verdragen; hij wil die waarschuwende en vermanende stem niet meer hooren, maar niet lang geleden hoorde Martha hem tot Gert zeggen:
"Gert, jongen, je moet goed naar Olbert den schaapherder luisteren en nooit vergeten wat hij je leert; dan zal het je goed gaan in de wereld."
En als kleine Lize des avonds voor haar bedje knielde, en de woorden van het kinderlijk gebed—door Olbert haar geleerd—Hannes in de ooren klonken, dan kon Martha soms bemerken, dat het hem ontroerde.
"Ik wou dat ik kon gelooven, zooals Krijn Vermeeren geloofde, of zooals Olbert," had hij eens tot Martha gezegd; "maar ik kan niet."
O! hoe schuldig gevoelde zich de peinzende vrouw. Nooit had ze getracht haar man en kinderen op te wekken tot opzien naar boven, nooit hen gewezen op het kruis van Golgotha.
Het werd Martha bang om het hart. Ze denkt aan haar moeder, hoe die op haar sterfbed tot Geertje, de meid van "Zorgwijk", had gezegd: "Geertje, bid voor mijn Martha en ook voor vader."
"Zou ik ook voor vader kunnen bidden?" vraagt Martha zichzelve af, en zij denkt aan het leed, dat hij over haar en over haar gezin bracht en hoorbaar mompelt zij: "neen, dát kan ik niet."
De wind huilt door den schoorsteen en doet de vlam van de koperen tuitlamp op de tafel flikkeren; het wordt koud in de hut, maar toch gaat Martha niet naar bed.
Hier wil zij wachten op haar man; wachten totdat hij terugkeert van zijn laatsten strooptocht, want hij heeft gezegd, dat het voor het laatst was, en Martha zal hem aan zijn woord houden. Zij wil den angst van dezen nacht niet weer doorleven.
Overmorgen is het Zondag, en dan zal zij Hannes trachten over te halen om met haar en de kinderen naar de Schaapskooi te gaan, zooals ze het vroeger deden in betere dagen; en ze zal hem vragen voortaan iederen avond iets voor te lezen uit het oude boek van vader Krijn. ja, dat zal ik doen, denkt de arme Martha en eindelijk, als gaf deze gedachte haar rust, dommelt ze peinzensmoede in op haar stoel bij den uitgedoofden haard.
"Hoe lang ze zoo sluimerde, wist ze later niet meer, maar eensklaps vliegt ze overeind.
Duidelijk heeft ze twee elkander onmiddellijk opvolgende geweerschoten hooren knallen, en een radelooze angst maakt zich van haar meester. Het eene schot klonk kort en scherp, en het andere dreunde als een donderslag; dat tweede schot kwam uit de buks van Hannes, want Martha kende dat geluid maar al te goed, maar wie vuurde het eerste af?
Daar kwam Gert op zijn bloote voeten de ladder afsnellen. Bleek als een doode zag de knaap. "Moeder," riep hij, "moeder, vader vecht op den Davel! Ik heb uit het zolderraampje geluisterd en ik heb hooren roepen en schreeuwen. En vaders stem heb ik ook gehoord. "Nooit! nooit!" riep hij, en toen werd er tweemaal geschoten; ik heb de kruitvlammen over het water zien flikkeren!"
Martha werpt de deur uit den grendel, en snelt naar buiten, en Gert, zijn klompen aan de bloote voeten trekkend, volgt haar. Dwars door den moestuin snellend, loopen beiden naar den oever van den Davel, waar het zwarte water tegen den oever klotst.
Duidelijk hooren moeder en zoon het verwarde geschreeuw der politiemannen, en dan knallen weer drie karabijnschoten.
"O, God! Erbarming!" gilt Martha. "Gert, daarginds wordt je vader doodgeschoten. O, Heer, wees ons genadig," en de anders zoo kloeke vrouw zinkt op de knieën in het lange gras, door schrik en angst overmand.
Een oogenblik is het als zou ze haar bewustzijn verliezen, maar ze springt weer overeind en grijpt Gert bij den schouder. Want de knaap, die kan zwemmen als een eend, wil te water om zich zoo mogelijk bij zijn vader te voegen, en de ongelukkige vrouw heeft moeite genoeg om de jongen van zijn dolzinnig voornemen af te houden. Het geluid van riemslagen en verwarde mannenstemmen, nadert den oever, en eerst komt de eene boot het haventje binnen en daarna de andere.
Een straal van hoop dringt Martha door het hart. Mogelijk hebben de veldwachters Hannes overmand, en brengen, hem nu geboeid of gewond aan wal, maar even snel, als de hoop kwam, is ze ook weer verdwenen, want de man, die men voorzichtig aan wal draagt, is in uniform. Geen, woord kan ze uitbrengen, zoo heeft de schrik haar bevangen, maar Gert—anders zoo bedeesd tegenover vreemden—grijpt den brigadier bij de mouw en huilt: "Waar is vader? Waar is vader, o zeg toch waar mijn vader is!"
Er klinkt zulk een angst uit de stem van den knaap, dat de brigadier, die wel ruw, maar in den grond van zijn hart niet ongevoelig is, er door getroffen wordt.
"Als de man, die onzen makker neergeschoten heeft, je vader was, jongen, dan is het niet best met hem," is het ontwijkend antwoord van den brigadier, en Gert voelt een schok door zijn hart gaan, want op dit oogenblik wordt hem duidelijk, dat hij door zijn vraag zijn vader als het ware aan den politieman verraadt; hij zegt geen woord meer.
"Vrouw," zoo wendt de brigadier zich tot Martha, "wij hebben hier een zwaar gewonde, dien wij niet verder kunnen vervoeren, en nu willen we hem naar binnen dragen, in de hut, en hem voorzichtig op een paar dekens leggen. Hebt ge die voor ons?" Bevelend klonk zijn stem, en het antwoord wachtte hij niet af.
Van de roeiriemen heeft men een draagbaar gemaakt, en daarop ligt lang uitgestrekt het lichaam van den man, wiens borst den kogel opving, die voor Barend van Gulven was bestemd.
Helder valt het licht der maan op de doodsbleeke trekken, en een dof kreunen wringt zich uit de doorboorde borst.
Wat gaat er om in Martha's ziel, als zij den gewonde herkent? O, daar lag een man, die een uur geleden nog vol moed en levenskracht was, en nu op den rand van het graf zich bevindt. De man, die zoo trouwhartig en vriendschappelijk Hannes was komen waarschuwen en vermanen om toch het verboden pad niet langer te bewandelen. Nu lag hij daar neergeveld in zijn volle kracht als een eik door het bliksemvuur. Neergeveld door den kogel van haar Hannes, en Martha begint te gelooven, dat deze het misschien ontkomen is, en nu verscholen zit ergens in het moeras. En dan is haar Hannes een moordenaar. En wie maakte hem tot moordenaar?
De man, die daar het arme slachtoffer van zijn plicht mede naar binnen draagt, dezen, en dezen alleen beschouwt ze als den moordenaar, en den bewerker van al het leed, dat haar getroffen heeft; van al de ellende en van al den jammer, dien ze als een zwarte wolk op zich ziet aanstormen. Een verschrikkelijke gramschap tegen haar vader verdringt voor een oogenblik elk ander gevoel in het hart der ongelukkige vrouw.
Haastig opent ze de deur van de hut, en de dekens van haar bed op den grond spreidend, helpt ze wat ze helpen kan.
Als men den armen Durling heeft neergelegd, slaat Van Gulven—die tot dusver de oogen strak naar den grond heeft gericht—zijn blikken in het rond, en in zijn onrustig kloppend hart komt de gedachte op, hoe het toch mogelijk is, dat zijne Martha het rijke "Zorgwijk" kon prijs geven voor deze armoedige hut.
Het is of zijn dochter die gedachte leest op zijn bleek, ontsteld gelaat; en haar vlammende blik wijst hem de deur en hij gaat met gebogen hoofd. En Martha volgt hem op den voet.
Daar staan die beide menschen, elkander zoo na in het bloed, voor 't oude "Uilennest" tegenover elkander, en angst en toorn hebben zoodanig de overhand in de ziel der vrouw, dat er—hoewel haar lippen, bewegen, bijna geen geluid uit haar toegenepen keel komt.
Eindelijk kan ze spreken.
"Waar is Hannes?" zoo klinkt het op heeschen toon. "Waar is Hannes; gij weet het, zeg mij de waarheid, is hij ontkomen? Of—of—is . . ."
De stem begeeft haar weer, en de radelooze angst in haar zwarte oogen doet haar vader huiveren.
"Martha!" stamelt hij eindelijk, "dat het zoo erg zou afloopen had ik niet kunnen denken, maar Hannes is niet ontkomen. Hij schoot op mij en trof den veldwachter, en toen schoten de anderen hem overboord."
"Gij! Gij! Gij zijt zijn moordenaar! Weg van hier, ellendeling; gij hebt mijn man in den dood gedreven en ook het bloed van den veldwachter komt op uw hoofd. Weg! Weg!"
En Barend van Gulven ging weg. Als door duizend angsten gejaagd, zoo snelde de boer van "Zorgwijk" onder de wilgen door den landweg over, en toen dwars door de velden in tegenovergestelde richting van het "Uilennest" voort, zoo snel hem de beenen konden dragen.
Toen Gerrit Dubbe hem dezen morgen voorstelde mee deel te nemen aan de jacht op den strooper, had Van Gulven in het eerst geweigerd en gezegd, dat de heele geschiedenis hem geducht tegen de borst stuitte. Maar de valsche verleider wist wel hoe hij den rampzaligen man moest overhalen.
"Als wij vanavond met de veldwachters medegaan, dan kan het niet missen, of Hannes Klinge loopt in de val.
Ik heb alles reeds met den brigadier afgesproken, en als we hem snappen, gaat hij gewis achter de tralies. Men neemt hem zijn geweer af, en ook zijn boot wordt in beslag genomen. Dus als hij terugkeert is het jagen voorgoed voorbij, want geld om geweer of boot te koopen heeft hij niet. Dan moet hij wel opkrassen, en gij zijt van den kerel af, die uw ouden goeden naam te schande maakte."
Doch Van Gulven schudde het hoofd en zeide: "Denk je, dat Hannes, als hij niet ontkomen kan, zich zal overgeven? Neen, dan ken je hem niet, of je bent de geschiedenis van de herberg vergeten, waar Olbert de schaapherder je redde van zijn mes, en waar zijn honden je bijna verscheurden. Neen, hij zal vechten zeg ik je, en wee dengene, die dan tegenover hem staat."
"Juist," zegt de roode verleider, "juist, nu begrijpt ge het goed, en weet ge wat de uitslag zal zijn? Niet? Nu, luister dan eens goed. Ik ben van morgen bij den brigadier aan huis geweest en heb daar alles besproken; en hoewel de man norsch en onvriendelijk tegen mij was, heb ik hem toch tot mijn plan overgehaald. Ik heb hem ook goed onder het oog gebracht met welk een gevaarlijken klant we te doen hadden, maar daar lachte de oude vuurvreter om.
"Wat, gevaarlijk," bromde hij, "als de kerel durft dreigen, schieten we hem oogenblikkelijk een karabijnkogel door de ribben."
"Begrijpt ge me nu, Van Gulven? Hannes Klinge zal dreigen—en dan zal hij zijn verdiende loon krijgen, en nooit meer zal hij zijn honden op mij aanhitsen, of u in een volle herberg den mantel uitborstelen. En als alles voorbij is, dan krijgt gij uw Martha weer thuis, want waar moet zij anders met haar kinderen heen?
Dan zijt gij niet langer eenzaam en verlaten op "Zorgwijk", zooals nu, en als er een paar jaartjes overheen zijn gegaan dan zal zij, en iedereen hier in het dorp, Hannes Klinge vergeten hebben."
Zoo sprak de schurk, en de rampzalige vader ging, hoewel schoorvoetend en met heimelijker tegenzin, op het eerlooze voorstel in; zooals hij zich altijd door den man had laten ompraten, die al wat goed in hem was langzamerhand had vergiftigd.
En nu is het goddelooze plan ten uitvoer gebracht, en de door zijn wanhopige dochter van haar erf verjaagde vader overziet, terwijl hij door nacht en duisternis over de ongebaande velden vlucht, zijn schuld, zijn gansche zware schuld, en berouw en wroeging grijpen hem aan: die vreeselijke aanklagers van het ontwaakt geweten.
Hoe anders had alles kunnen zijn, als hij zijn Martha niet had verstooten en Hannes niet had gehaat, doch nu? "Te laat," jammerde de boer van "Zorgwijk", "te laat!"
Als Martha de hut weer binnengaat, dan hoort zij den brigadier tot Gerrit Dubbe zeggen:
"Gauw kerel, loop als de wind naar het dorp en breng zoo spoedig mogelijk den dokter hierheen!
Hebt ge paard en wagen? Ja? Nu, dan kunt ge met den dokter terugkomen, zoo hard het beest draven kan."
"Ik zal doen wat ik kan, brigadier," is het antwoord, en de roode Dubbe gaat Martha rakelings voorbij, de deur der hut uit en het is de vrouw als zag zij een triomfeerenden lach op zijn, terugstootend gelaat.
O, dezen verschrikkelijken nacht zal ze nimmer vergeten, en zij kan nog maar niet gelooven, dat het niet alles slechts een nare, bange droom is.
De walmende pit van de koperen tuitlamp verlicht met haar flikkerend schijnsel de jagershut; de uniformknoopen der politiemannen glimmen als goud, en de karabijnen, die in den hoek bij den haard zijn neergezet, blinken;—ook valt er nog een lichtstraal op het lijkbleeke gelaat van den neergeschoten man, die in zijn volle lengte ligt uitgestrekt op een paar dekens. Spreekt dat licht van leven, of zal de doodelijk gewonde het oog nooit weder opslaan? De brigadier met het verweerde gelaat en den grijzen knevel knipt met vaste hand de uniform op de gewonde borst open, en Martha deinst terug, als ze ziet hoe het donkere bloed in breede golf langs de borst naar beneden vloeit. Aan de rechterzijde vindt men het kleine ronde gat, dat door een der beide kogels—waarmede Hannes, behalve met den lichten hagel, zijn geweer had geladen—is veroorzaakt.
De brigadier en de beide veldwachters buigen zich over den kreunenden man heen, en de eerste zegt: "Het zal mij medevallen als de arme kerel de zon nog ziet opgaan; de rechterlong is doorboord, en wij kunnen niet anders doen dan het bloeden trachten te stelpen."
Gert staat dicht tegen zijn moeder aangedrongen en kijkt telkens om naar de deur; maar hij zegt geen woord meer.
Kleine Lize zit overeind in haar bedje aan den anderen kant der hut, en de onschuldige blauwe kinderoogen staren vol ontzetting van den een naar den ander.
Met groote handigheid verbindt de brigadier de wond met een in reepen gescheurd beddelaken, en nauwelijks is hij er mede gereed, of het kermen van den gewonde bedaart.
Daar gaat nauwelijks hoorbaar de deur open en bleek als een doode, met verwarde haren en druipnatte kleeren staat Hannes Klinge op den dorpel van het "Uilennest".
Martha ziet hem het eerst, want ze staat vlak bij de deur.
"Groote God! Hannes!" zoo gilt ze, "en men zei, dat je was doodgeschoten!"
"Vader! vader!" schreeuwt Gert, half zinneloos van vreugde. De geweldige ontroering was te zwaar voor Martha, en als Hannes Klinge zijn sterken arm niet om haar heen had geslagen, zou ze op den grond zijn neergevallen; haar oogen sluiten zich, en Hannes mompelt: "Zoo is het goed, arme, arme vrouw." Als door den bliksem getroffen, zoo staren de rijksveldwachters den strooper aan, doch de brigadier trekt met een ruk zijn sabel uit de scheede, en dringt naar voren.
"Laat je sabel maar rusten, brigadier," merkt Hannes op, "ik ben je gevangene; ik heb onschuldig bloed vergoten, en daarom geef ik mij over; anders . . ."
En zijne vrouw, die machteloos in zijn arm hangt, naar een stoel dragend, zegt hij op kalmen toon tot zijn zoon:
"Gert, houd moeder vast; en jij, brigadier, doe je plicht."
Hij steekt beide handen vooruit en de brigadier heeft er in een oogenblik het stalen kettinkje om geslagen.
Terwijl men hem boeit, heeft de strooper het oog niet van den zwaargewonde afgewend; maar geen trek op zijn marmerbleek gelaat verraadt wat daar omgaat in de ziel van den ongelukkigen man.
Kleine Lize is uit haar bedje gekomen, en bitterlijk weenend grijpt ze haar vaders geboeide handen in haar kleine handjes, en de angst van zijn lieveling verscheurt Hannes het hart.
Voetstappen worden voor de deur gehoord, en als deze open gaat, dan treedt de lange magere gestalte van Olbert den eenarm binnen. Hij heeft de geweerschoten hooren knallen op den Davel, en die hebben den ouden soldaat van Napoleon een droeve tijding gebracht.
Onmiddellijk begreep hij wat er gebeurde, en door storm en nacht is hij gekomen, de oude schaapherder, en op het marmeren gelaat van Hannes Klinge komt voor een oogenblik een mildere trek.
"Wie bent u?" vraagt de brigadier, "en wat wilt u?"
"Ik ben een schaapherder, en een vriend van deze arme lieden," zoo klinkt de diepe, eigenaardige stem van Olbert, en zich tot Hannes wendend, vraagt hij met bewogen hart:
"Is dat bloed door jou vergoten, Hannes Klinge?" En als deze zwijgend met het hoofd knikt, dan legt de schaapherder de magere, dorre hand op den schouder van den strooper en zegt:
"Het gedane wordt niet ongedaan, en mijn raad heb je verworpen; maar luister nu naar mij:
Het is toch Durling niet, naar wiens leven je hebt gestaan?"
"Neen!" barst Hannes los. "Neen! O, als ik er Abbe Durling het leven mede kon redden, met vreugde gaf ik mijn hartebloed; maar zoolang ik dit ellendig leven nog voort moet sleepen, zal het mij een raadsel blijven, hoe het kwam, dat ik Durling trof, terwijl ik op den schurk schoot, die mijn leven vergiftigde en die mij van avond in de klem dreef als de honden een otter."
"Het is God, die alle dingen bestuurt, en het was Zijn wil, dat je je vriend in plaats van je vijand neerschoot. Buig je voor zijn macht, belijd je schuld voor den aardsche rechter, maar bovenal voor den grooten Rechter, die daar boven lucht en wolken zetelt. Vraag Hem om vergiffenis, smeek Hem om erbarming, pleit op het bloed van Jezus Christus, ook voor u op Golgotha geplengd. Vertwijfel niet; geef de wanhoop geen plaats in je hart; ook voor den moordenaar aan het kruis was genade. Bid tot God, Hannes, en Hij zal je niet verstooten."
"Ik kan niet bidden!" roept Hannes, "waarom heeft men mij ook tot het uiterste gebracht? Nu is het te laat; ik heb broederbloed vergoten!" Als een kreet van wanhoop klinkt het door de hut:
"Ik ga nu naar de gevangenis, en wie zal er zorgen voor mijn vrouw en kinderen, die mij liever waren dan het leven? Waarom, o waarom hebben de kogels mij gespaard; het ware voor de mijnen beter geweest, als ik nu op den bodem van den Davel lag bij mijn honden."
"Zwijg, Hannes!" zoo klinkt de stem van Olbert. "Zwijg, en laster niet. Ik zal voor je vrouw en kinderen zorgen, en met Gods hulp zal het hun aan niets ontbreken."
Daar ratelen wagenwielen op den landweg en een oogenblik later treedt een dokter binnen met een assistent, die een verbandkist draagt, en terwijl de geneesheer bij den gewonde neerknielt, zegt de brigadier: "Dokter, ik zal een mijner mannen hier laten, die kan u dan zoo noodig behulpzaam zijn, want ik moet vertrekken met mijn arrestant."
Martha is den aanval van flauwte weer te boven en het is de moedige, kloeke boerendochter alsof, ondanks alles, het ergste is geleden, nu Hannes maar leeft!
Daar straks, toen zij niet anders kon denken of haar man lag, door kogels doorboord, dood in de modder van den Davel, toen maakte de wanhoop haar half zinneloos en zijn plotselinge terugkeer was zelfs haar sterke zenuwen te machtig; maar nu is ze kalm.
Ze ziet den brigadier en den jongste der beide veldwachters zich gereedmaken voor hun vertrek. Ze zetten hun petten op en hangen hun karabijnen over den schouder.
"Kom!" zegt de brigadier tot Hannes, "ben je gereed?" En de arme kerel, die de oogen niet afwendt van den gewonde, keert zijn doodsbleek gelaat naar zijn vrouw; hij wil iets zeggen, maar hoewel zijn lippen zich bewegen, geen geluid wordt gehoord.
"Ach brigadier," smeekte Martha, "wees menschelijk en laat hem, voor gij met hem weggaat, toch droge kleeren aantrekken. Zie, hoe het water langs zijn lichaam druipt!"
De oude, en oogenschijnlijk hardvochtige politieman antwoordt op ruwen toon: "Het is niet erg voorzichtig een zoo gevaarlijken kerel als hij is, de boeien los te maken." Maar na een korte aarzeling herneemt hij: "Ik wil het doen, vrouw, om uwentwil; maar denk er om," klinkt het dreigend tot Hannes, "bij het minste teeken van verzet schieten wij je overhoop. Vannacht hebben we misgeschoten, maar thans zou zwemmen en duiken je niet redden."
"Kom dan, Hannes," zegt Martha, en ze loopt de ladder op naar den zolder, waar in een kast de beste kleeren van de familie hangen. Willoos volgt Hannes haar, en achter hem komt de brigadier met overgehaalden haan van zijn karabijn en den vinger aan den trekker, gereed om onmiddellijk te kunnen vuren. De andere veldwachter blijft onder aan de ladder staan, en houdt ook de karabijn vaardig.
Het duurt maar kort, en dan heeft Hannes droge plunje aan het lijf, en als Martha hem in zijn sober Zondagsch pakje tusschen de politiemannen in ziet staan, en hij gewillig de forsche handen uitsteekt om zich te laten boeien, o, dan eerst gevoelt zij, hoe dat ongelukkig schot zijn veerkracht heeft verlamd, en zijn anders zoo ontembaren moed heeft geknakt.
Daar kermt de gewonde weer luider, want de dokter heeft het verband losgemaakt en onderzoekt de wonde.
Voor het eerst sinds men hem in het "Uilennest" binnendroeg slaat hij de oogen op; maar het is een wilde, onbestemde blik, en de oogleden vallen weer dicht.
"Zal hij sterven, dokter? Ach, zeg het mij toch!" roept Hannes, maar de dokter antwoordt niet, en de brigadier legt zijn zware hand op den schouder van den geboeide, en kort klinkt zijn bevel: "Voorwaarts, niet langer talmen."
Weenend klemmen zijn beide kinderen zich aan Hannes vast, en de kleine Lize grijpt den brigadier bij de jas.
"Ach, mijnheer," smeekt het kind, "laat vader toch bij ons blijven; hij zal nooit meer schieten op den Davel, hij heeft het zelf tot moeder gezegd! Iederen avond zal ik voor u tot God bidden, maar neem dan vader niet mee!" Het is een moeilijk oogenblik voor den braven politieman, en twee groote tranen rollen in den grijzen knevel.
Maar Klinge roept met schorre stem: "Martha! Olbert! zorgt voor mijn kinderen, want ze hebben geen vader meer. Vaarwel! God sta u bij." Dan stapt hij zonder om te zien den dorpel over, maar nog hoort hij boven het schreien van zijn vrouw en kinderen de krachtige stem van den ouden veteraan: "Hannes! Bid tot God; bij Hem is erbarming." Doch al hoort hij de woorden, in zijn door bittere wanhoop verscheurd hart wekken ze geen hoop, en onder het voortstappen op den landweg hoort de brigadier zijn gevangene mompelen: "Ze hebben geen vader meer."
De wind is bedaard en de lucht is helder geworden. In de verte gaggelen de ganzen in het moeras; de maan zinkt achter de westerkim, maar ginds in het Oosten daar gloort een lichtglans, de eerste schemering van den komenden dag. Doch in het hart van Hannes Klinge daar is alle licht geweken; daar is het nacht, donkere nacht, waarin geen star der hope schijnt.
HOOFDSTUK XVI.
Weken zijn verloopen en nog steeds dobbert Abbe Durling tusschen leven en dood; doch eindelijk behaalt zijn sterk gestel en een zorgvuldige verpleging de overwinning op de zware verwonding, en als de koortsen verminderen en het bewustzijn weer helder wordt, is zijn eerste vraag geweest naar Hannes Klinge, zijn ouden makker.
En toen zijn bejaarde moeder, die hem verpleegde, antwoordde, dat de strooper in de gevangenis zat, mompelde hij: "Arme, arme kerel, moest dat het einde zijn?"
Op de stille Schaapskooi van Olbert den eenarm is het echter vrij wat levendiger geworden sinds Martha met Gert en Lize er hun intrek hebben genomen.
Reeds den eersten dag na dien vreeselijken nacht hebben Olbert en Gert, nadat de gewonde was vervoerd, alles wat waarde had en meegenomen kon worden, uit het "Uilennest" overgebracht naar de Schaapskooi en nu lag de hut eenzaam en verlaten aan den oever van den Davel. De menschen uit het dorp gingen er des avonds nooit zonder een huivering voorbij, want de plek stond bij het landvolk in een kwaden reuk.
Olbert en zijn goede Sanne toonden, wat echt Christelijke liefde vermag, en de heftige bitterheid in het gemoed van Martha maakte langzamerhand plaats voor stille berusting in haar lot.
Gert was Olbert behulpzaam in alles waar hij maar kon, en daar de dertienjarige knaap voor zijn leeftijd zeldzaam vlug en sterk was, maakte hij zich spoedig voor den ouden schaapherder onmisbaar. Lize was de lieveling van allen, en vrouw Sanne, wie de last der jaren begon te drukken, verklaarde, dat ze niet zou weten, hoe ze het zonder Martha en Lize zou moeten stellen, en dat ze het ongeluk, dat den vroegeren bewoners van het "Uilennest" getroffen had, hoofdzakelijk betreurde om den wille van Hannes. "Arm Hanneske", voegde de oude vrouw er aan toe, want zoo noemde ze Klinge altijd.
Wel mocht ze zeggen: arm Hanneske.
Lang was hij in voorarrest geweest, en het was voor Martha een kwade dag, toen eindelijk zijn zaak voor de rechtbank kwam.
Ze was bij het getuigenverhoor tegenwoordig geweest en den blik, waarmede Hannes haar aanzag, zou ze nooit vergeten; het was de blik van een wanhopig mensch, en de starre uitdrukking van zijn bleek gelaat toonde wel aan, wat het voor hem beteekende, om van zijne vrijheid beroofd te zijn.
Zonder eenige aarzeling bekende hij de door hem gepleegde daad, en met aangrijpende welsprekendheid vertelde hij wat en wie er de drijfveer van was, en ten slotte verklaarde hij met een door de volle gerechtszaal helder klinkende stem, dat hij zijn buks had afgevuurd met de bedoeling hèm te dooden, die zijn verderf gezocht had zooveel hij maar kon.
En Barend van Gulven, die in de getuigenbank zat, was ineengekrompen onder het bliksemend oog van Hannes Klinge.
"Ik heb mij overgegeven," zoo eindigt Hannes Klinge, "omdat ik een man neerschoot, die mijn vriend was. Hij heeft getoond mijn vriend te zijn, want hij trachtte mij over te halen het stroopen er aan te geven, omdat men mijn ondergang trachtte te bewerken.
Tot loon voor zijn vriendschap viel hij door mijn schot. En de straf, die gij mij oplegt, zal ik dragen—als ik kan; ik heb die verdiend."
Zoo sprak Hannes Klinge en een storm van verontwaardiging brak onder het publiek los jegens Van Gulven, en met kracht moest de talrijk aanwezige politie de orde in de zaal handhaven. De pleitrede van den advocaat was krachtig, doch maakte niet zooveel indruk als het eenvoudig doch kloek verhaal van den beschuldigde. En het einde van de zaak was, dat Hannes zich hoorde veroordeelen tot vijf jaren gevangenisstraf; een straf, die voor het ernstig misdrijf voorzeker niet te zwaar mocht genoemd worden.
"De straf, die gij mij oplegt, zal ik dragen—als ik kan," had Hannes gezegd, en deze woorden waren het, die Martha des nachts den slaap uit de oogen dreven. Wat had haar man bedoeld met dat: als ik kán?! O, zij wist maar al te goed, hoe hij de vrijheid lief had; hoe hij indertijd opging in het vrije jagersleven, en nu daarginds in Leeuwarden vijf jaren lang in een duffe cel opgesloten te zitten; zou hij in een oogenblik van wanhoop niet een eind maken aan het leven, dat hem niet langer draaglijk was?
Zou hij zich niet het hoofd verbrijzelen tegen den muur zijner cel? Dat woord: "ik zal het dragen als ik kan," vervolgde haar als een nachtmerrie, en toen ze Olbert deelgenoot maakte van haar zorg en haar vrees, toen bleek het haar, dat ook Olbert, die haar destijds naar de gerechtszaal had vergezeld, die woorden van Hannes had opgevat zooals zij, want hij had haar naar boven gewezen, en gezegd:
"Martha, wij kunnen slechts bidden, dat God hem beware en hem licht zende in de duisternis van zijn ziel. Neem een voorbeeld aan uw kleine Lize, Martha, want elken avond voor ze naar bed gaat, hoor ik haar zeggen in haar avondgebed: "Heere God, bewaar en behoed vader, die zoo ver weg is." Zie, dat is het eenige en ook het beste, dat we voor Hannes kunnen doen."
En de angst en de onrust lieten Martha geen vrede, totdat ze er toe kwam om in de eenzaamheid van den nacht haar handen te vouwen en God om hulp te smeeken voor den man, dien zij lief had. Toen keerde de kalmte terug in haar hart, en Martha koesterde weer hoop.
Reeds twee brieven had Martha hem geschreven, doch geen antwoord ontvangen. Eindelijk echter, het was reeds ver in het voorjaar, bracht de postbode van het dorp haar een brief.
Hoe klopte haar het harte, toen zij op de bank onder de groote noteboomen den omslag van den brief openscheurde.
Het was stil en vredig op dit plekje nu in den laten namiddag. Olbert en Gert waren met de schapen op het pad, ieder afzonderlijk met een kudde, want Olbert had er in den laatsten tijd vele jonge lammeren bij gekregen, en ook door aankoop zijn kudde uitgebreid. Nu weidde de zoon van Hannes de oude schapen op de verst afgelegen veldwegen en paden, en Olbert bleef met de lammeren en de moederschapen dichter bij huis. Maar eerst als de zon wegzonk achter de westerkim, keerden de herders met hun wollig vee vroolijk en welgemoed huiswaarts.
Lize bleef binnenshuis bij vrouw Sanne, en hielp de oude vrouw bij haar bezigheden, en Martha hoorde op de bank de heldere kinderstem daarbinnen praten en lachen. Overigens heerscht kalme rust en stille vrede op dezen schoonen lenteavond.
Wat zou de ongelukkige gevangene zijn vrouw en kinderen melden? Zou het een doffe klacht zijn over verloren vrijheid en levensgeluk? Zou het in zijn woorden doorschemeren, dat hij dat eenzame leven, het gevangenisleven, niet dragen kan?
Neen, reeds het eerste woord, dat Hannes schrijft, doet het hart van Martha trillen van blijde ontroering en als ze verder leest, dan verduisteren tranen haar oogen.
"Mijn goede Martha," zoo schrijft hij, "God zij gedankt, het ergste is voorbij. O, Martha, hoe zal ik u den toestand beschrijven en de wanhoop, waarin ik mij nog voor een paar dagen bevond. Als een gevangen wild dier in zijn hok liep ik uren aan uren heen en weer door mijn cel, om te trachten of ik niet door vermoeienis de kwellende gedachte aan mijn ellendig lot kon kwijt raken. Doch vruchteloos; nergens anders kon ik aan denken dan aan die vijf jaren, die ik hier moet doorbrengen. Ik, een man, die heel zijn leven doorbracht in de vrije natuur, ik moet hier tusschen deze muren verkwijnen, vijf jaren lang, met wroeging, berouw, wanhoop en haat in het hart. Donker en diep is de Davel, en zwart en peilloos de modder van het moeras, maar nog zwarter, dieper en troosteloozer lag de toekomst voor mijn verbeelding. De brieven, die gij mij schreeft, beurden mij wel een oogenblik op, maar uw liefde en trouw, de aanhankelijkheid mijner kinderen, de edele vriendschap van Olbert en zijn vrouw, dat alles deed mij nog levendiger beseffen, wat ik moest missen; mij nog smartelijker mijn verloren geluk betreuren, en ik wilde niet terugschrijven, want waarom zou ik u bezwaren met mijn ellende?
Toen kwam voor het eerst de vreeselijke verzoeking tot mij, de stem des duivels, die mij influisterde: maak er een eind aan; dit leven kunt ge immers toch niet dragen; vijf jaar lang tusschen deze sombere muren, waar iedere minuut zoo traag voortkruipt, dat het den rampzaligen gevangene een uur toeschijnt. Maak er een einde aan, het is voor uw vrouw en kinderen immers veel beter, als ge voorgoed van het wereldtooneel verdwijnt? Want wat zult ge beginnen als ge deze cel eens voorgoed verlaat, en als een tuchthuisboef terugkeert in de maatschappij?
O, Martha, vergeef het mij, en moge God het mij vergeven, maar de gedachte, dat ik om uwentwil zelfmoord moest plegen, won meer en meer veld in mijn verdoolde ziel.
Als ik er niet meer ben, dan zal Van Gulven al het mogelijke doen om zijn dochter, en om harentwil ook de kinderen, op "Zorgwijk" te krijgen, zoo dacht ik telkens, en als er dan eenige jaren over heen zijn gegaan, dan zal langzamerhand de gedachte aan Hannes Klinge verflauwen. De tijd heelt immers alle wonden?
Toen nam ik een kort besluit. Als de bewaarder zijn laatste ronde had gedaan, dan zou ik, arme dwaas, mij het hoofd tegen den muur te pletter loopen en zoo een einde maken aan een leven, dat ik in mijn overspannen zielstoestand niet langer wenschte voort te sleepen.
Nog een uur ongeveer moest ik wachten, voordat de gevangenbewaarder zijn ronde had afgelegd, en ik zette mij in doffe berusting op den rand mijner krib—die mij des nachts tot slaapplaats dient—in afwachting van zijn komst.
Boven in mijn cel bevindt zich een klein tralievenster, en als ik op mijn krib zit, dan kan ik juist een klein stukje van den hemel zien. Zoo zat ik dan te wachten, en in mijn brein vlogen de wildste en somberste gedachten in bonte verwarring dooreen, en zonder dat ik het zelf wist, bepaalde ten laatste al mijn denken zich tot één tijdstip in mijn leven. En al die verwarde gedachten en nevelachtige beelden kregen vorm en gestalte, en het was, als veranderde mijn cel in de oude woonkamer van 't "Uilennest".
Martha, was het wakend of was het droomend? Ik kan het niet zeggen; maar ik bevond mij weer in de jagershut; de ramen stonden open, en voortgedreven door de heerlijke lentelucht kwam een witte nachtvlinder naar binnen vliegen, en hij fladderde om het kaarslicht, dat op de tafel stond; want het was avond.
In zijn hoekje bij de schouw zat de oude Krijn Vermeeren en wees met z'n dikken, vereelten vinger naar den vlinder, die in de vlam der kaars den dood gevonden had, en met verbrande vlerkjes op de tafel lag.
En ik hoorde de stem van den ouden jager tot mij zeggen: "Zie Hannes, het lot van den vlinder is het beeld der zonde. Zooals het kaarslicht den vlinder lokt, zoo lokt de zonde den mensch."
En toen vertelde Krijn van zijn eigen lichtzinnige jeugd, en hoe hij met losbandige kameraden een lichtzinnig leven leidde. "Wij vroegen niets van het leven als genot," zoo sprak hij, "en dat zochten wij waar de zonde ons lokte, zooals het kaarslicht dien vlinder."
En o, Martha, de woorden, zoovele jaren geleden door Krijn Vermeeren tot mij gesproken, die woorden redden mij nu van het verderf, want ze klonken mij weer in de ooren, en ze drongen in mijn wanhopig hart.
"De goede God toonde mij in Zijne barmhartige liefde een ander licht,"—zoo sprak eens de oude jager—"toen alles duister was om mij heen. Dat licht straalde af van het kruis van Golgotha en het bescheen mijn levenspad, en geve God hierboven, dat ik er in mijn stervensuur het brekend oog op mag richten; dat het mij tot leidstar zij, als de schaduwen des doods mij omringen."
Toen riep een zware voetstap, die dreunend naderde, mij tot de werkelijkheid terug.
Het was de gevangenbewaarder, die de ronde deed. Verdwenen was het "Uilennest", verdwenen ook vader Krijn, maar zijn woorden bleven nawerken, in mijn hart.
Ik sloeg de oogen op naar mijn tralievenster, en zie, een star scheen helder en klaar door het venster in mijn cel; het licht, waarvan eens de oude jager tot mij sprak, gloorde in mijn ziel, en in plaats van, zooals ik eerst zoo vastbesloten was, mijn leven van mij af te werpen als een ondraaglijken last, knielde ik neer voor mijn krib, en ik heb God gesmeekt om genade en ontferming, om het bloed, dat ik vergoot; om de zonde, die ik heb bedreven, en om den haat, dien ik voedde in mijn hart. Martha! o, Martha! dank God voor mij, want nu kan ik alles dragen. De muren van mijn cel, zij benauwen mij niet meer; ik wil wachten en bidden, en al verlang ik naar u en mijn kinderen, ik verlang, God zij gedankt, met hope in het hart. De tijd gaat voorbij, en de jaren mijner gevangenschap zullen ook eens tot het verleden behooren. Ik weet, dat mijn kinderen aan den braven Olbert een trouwen gids zullen hebben, die hun den weg naar boven wijst, zooals hij mij steeds op het goede pad trachtte te brengen. Maar ik, onverstandige dwaas, volgde den weg, die mij ten slotte in het tuchthuis bracht.
Martha, ik eindig met schrijven, maar ik herhaal: Dank God voor mij, omdat Hij mij redde als een brandhout uit het vuur . . ."
Zoo schreef Hannes, en Martha vouwde de handen en wischte de tranen af, die langs haar wangen biggelden, tranen van dankbaarheid. De hemel scheen haar helderder toe, de glans der dalende zon tooverde schooner tinten op het ontluikende loover, en al was er weemoed in haar ziel bij de gedachte aan de lange scheiding van haar man, de bange vrees voor wat bijna werkelijkheid was geworden, de vrees dat Hannes de hand aan zijn leven zou slaan, was van haar weggenomen, en nu was er licht en zonneschijn in haar hart.
Hoe hartelijk namen Olbert en zijn vrouw deel aan de goede tijding, die uit zoo sombere plaats, als de gevangenis te Leeuwarden, tot hen gekomen was, en des avonds nam Olbert de schaapherder zijn bijbel, en met diepe ontroering luisterden Martha en hare kinderen naar de zware stem van den ouden veteraan, toen hij las van den Goeden Herder, die het verdwaalde schaap zocht op de bergen, en het in zijne armen huiswaarts droeg.
HOOFDSTUK XVII.
Jaar en dag verstreken en op de Schaapskooi had de onverbiddelijke dood een offer geëischt. Het was de goede vrouw Sanne, die na een kort ziekbed in vrede was heengegaan. En vader Olbert? Hij droeg den slag met de kalme berusting van den echten Christen, die bij alles wat hem treft van ganscher harte kan zeggen: Wat God doet, dat is welgedaan; het was zijn wil. Doch zijn haren waren zilverwit geworden, en zijn magere gestalte nog meer gebogen, want schier een menschenleven was zijne vrouw de trouwe gezellin geweest in zijne eenzaamheid.
Doch aan trouwe liefde ontbrak het den ouden man niet, want zoowel Martha als hare kinderen trachtten hem zooveel mogelijk het gemis van zijne vrouw te vergoeden, en het leven op de Schaapskooi ging in alles zijn gewonen gang.
Als zij er niet bepaald moesten zijn, kwamen de bewoners van de Schaapskooi zelden in het dorp; maar 's Zaterdagsmiddags ging Lize er altijd met haar korfje aan den arm heen, om wat er voor de volgende week noodig was, in te koopen.
Iedereen op het dorp kende het mooie, blonde kind, maar met niemand had ze omgang. Haar vader was immers de beruchte strooper uit 't "Uilennest", die voor poging tot moord in de gevangenis zat! En des avonds, als haar broeder haar af kwam halen, en zij te zamen over de dorpsstraat gingen, dan hoorden ze soms den een of anderen boerenknaap sarrend roepen:
"De uilen vliegen vandaag vroeg; het is nog helder dag!"
Maar niemand legde hun overigens ooit iets in den weg, want Gert Klinge was groot en sterk voor zijn leeftijd, en de menschen in het dorp zeiden: "Blijf dien jongen uit den weg, want hij heeft den duivel in zijn oogen, hij is net zooals zijn vader; neem je voor hem in acht, want hij is tot alles in staat."
Martha wist het wel, dat men haar kinderen vermeed in het dorp, en het deed haar pijn.
Zij had getracht, om reeds dadelijk na de gevangenneming van haar man het "Uilennest" te verkoopen, doch het was haar niet gelukt. Niemand begeerde de oude jagershut met het stukje grond, en storm en regen, sneeuwjacht en hagel, maakten het nederig huisje, waar ze toch eens zoo gelukkig was, spoedig tot een bouwval.
Op "Zorgwijk" was ook veel veranderd. De eens zoo trotsche en eerzuchtige Van Gulven was in zichzelven gekeerd en voor rijkdom en aanzien onverschillig geworden.
Toen over Hannes Klinge het vonnis was uitgesproken en Van Gulven, door de politie beschermd, weer thuis was gekomen, toen had hij een poging in het werk gesteld om Martha en haar kinderen bij zich te krijgen op "Zorgwijk".
Hij had Dirk, zijn vertrouwden knecht, naar de Schaapskooi gestuurd met een brief, doch Martha had dien in de bitterheid harer ziel ongelezen verscheurd. En tot Dirk had ze gezegd, terwijl ze hem de snippers voor de voeten wierp, dat ze liever ging bedelen om brood, dan ook maar het geringste aan te nemen van den man, die getoond had, den naam van vader onwaardig te zijn. Met deze boodschap was Dirk bij zijn meester teruggekomen, en toen hij, der waarheid getrouw, de harde woorden van Martha letterlijk overbracht, toen was een diepe zucht opgestegen uit de borst van den boer, en als in zichzelven sprekend hoorde Dirk hem mompelen: "Wat de mensch zaait, dat zal hij maaien." Terwijl de knecht zich omkeerde, om weer naar zijn werk te gaan, kwam Gerrit Dubbe fluitend het erf oploopen, met de houding van iemand, die geheel thuis is op de plaats waar hij zich bevindt.