← Table of contents
Het Uilennest

Front matter (continued 2)

Reading edition

De heldere blauwe hemel met de kleine, zachtkens drijvende witte wolkjes kleurt zich met wonderschoone, rozeroode en goudkleurige tinten daarginds in het westen, want de zon neigt ten ondergang.

Een lichte witte nevel hangt over den Davel en verbergt de witte en gele waterlelies met de groote groene bladeren onder haar sluier.

Flauw beweegt het avondwindje de riethalmen op zijn oevers, en de kwakende kikvorschen vermengen hun geluid met den kreet van den blauwen reiger, die met zwaren wiekslag over den elzengriend strijkt.

Kwek! kwek! kwaken de eenden in het moeras, en zij kunnen rustig kwekken, want geen schot uit de vuursteengeweren van Krijn Vermeeren of Hannes Klinge zal hen nu opschrikken. De jacht is gesloten en dan wil Krijn niet, dat er een schot meer gelost zal worden. Jager is hij altijd geweest, doch nimmer strooper.

Op een houten bank onder het keukenraam zitten Hannes Klinge en zijn oude baas. Zij genieten van den schoonen lenteavond, en de blauwe rookwolkjes hunner tabakspijpen trekken langzaam weg in de reine, balsem-geurige lucht.

Zooals ze daar naast elkander op die bank zitten, kan men hun aanzien, dat ze zich tevreden en gelukkig gevoelen. Trouwens, beide mannen kunnen zich geluk wenschen met de verandering en het verblijf van Hannes in het "Uilennest".

Zoodra de jonge Gelderschman zijn werk begon als knecht van Krijn Vermeeren, deed hij dat met een vlijt en toewijding, alsof hij in plaats van een betaalden knecht de zoon des huizes was. Handig en vlug als hij was, ruimde hij overal den verwarden rommel op, en toen de sneeuw verdween, timmerde Hannes een kleine schuur achter de hooge vlierheg, en daarheen verhuisden de ottervallen, bunsingklemmen, aalkorven en alle dergelijke jacht- en visscherijbenoodigdheden. In de eerste dagen had Hannes wel eens eenige overredingskracht noodig, om van den ouden jager toestemming te verkrijgen dit of dat te veranderen.

Krijn haalde dan de breede schouders op en zei met een droeven glimlach:

"Och, mijn jongen, ik zou het maar zoo laten; het is nu reeds lang zoo geweest, en ik ben er aan gewoon." Maar als Hannes dan met zijn gemoedelijker Gelderschen tongval beweerde dat het "Uilennest" er toch bepaald niet altijd zoo had uitgezien, dan helderde het gelaat van Krijn op, en hij sprak:

"Neen, Hannes, toen mijn klein vrouwtje nog leefde, lag er hier geen stofje op den vloer en alles was helder en rein. Maar toen vrouw en zoon van mij zijn weggegaan, toen had ik geen lust meer in iets anders dan in treuren en tobben over wat onherroepelijk voor mij was verloren. Daarom, ga je gang maar, en schik het zooals je het best lijkt."

En zoo vlogen de dagen voorbij, want nimmer gaat de tijd zoo snel als wanneer het ons naar den zin gaat. En het ging hun beiden naar den zin! Dat zou men hebben kunnen zien aan Krijn Vermeeren, als hij 's avonds onder de groote schouw zijn pijp rookte en luisterde naar het gebabbel van Hannes, die bovendien nooit ledig kon wezen, en altijd wat zat te knutselen, of de geweren poetste, dat de loopen blonken als gepolijst zilver.

Dat zou men hebben kunnen hooren als Hannes overdag aan het werk was, want dan klonk soms zijn lied ver over de stille beemden, en wonderlijk genoeg (zijn vroolijk opgeruimd karakter in aanmerking genomen) waren het altijd zwaarmoedige melodieën, die hij met prachtige baritonstem zong.

Een vreemden indruk maakte het gezang van Hannes Klinge op den ouden jager, en meer dan eens bleef hij op zijn geweer geleund achter het schuurtje staan luisteren, om eerst als de zanger zweeg zijn weg te vervolgen.

Eens hoorde Krijn den Gelderschman een lied zingen, dat hem tot in de ziel ontroerde, want datzelfde lied zong eens zijn eenige zoon. Wat was die tijd reeds lang voorbij; maar hoe klaar en helder stond hij, nu hij dat lied weer hoorde zingen, den grijzen jager voor het oog.

En dan, wat een hartstochtelijk liefhebber van de jacht was Hannes! Als Krijn hem zoo gadesloeg, in zijn snelle en behendige behandeling van het geweer, dan moest de oude jager bekennen, dat hij gedurende zijn lang leven nog maar zelden een schutter had ontmoet als deze Gelderschman. Driftig en bewegelijk van natuur, bezat hij toch het onuitputtelijk geduld, dat den echten jager kenmerkt, en hij was in staat om uren lang in de sneeuw neergehurkt te blijven zitten om een armzaligen blauwen reiger onder schot te krijgen; een vogel, die overigens voor den jager weinig of geen waarde heeft.

Maar nu is de jachttijd voorbij en de met vet ingesmeerde vuursteengeweren hangen aan de dikke zolderbalken van het Uilennest.

Dezen schoonen lentedag hebben Hannes en zijn baas doorgebracht met visschen, in den Davel en de groote, woeste snoeken en de logge, donkerkleurige zeelt en zooveel andere waterbewoners, die van morgen nog vrij rondspartelden tusschen de stengels der waterplanten, zwemmen nu in de groote vischkaar, in afwachting van den handelaar, die elke week komt vragen, of Krijn iets voor hem heeft.

Maar nu is het dagwerk afgeloopen, en alles om hen heen is rustig en vredig. "Vader Krijn," zegt Hannes (want de oude jager wil niet hebben dat hij hem "baas" noemt) "vader Krijn, vindt ge het niet zonderling, dat ik mij hier zoo echt tehuis gevoel? Als ik onder de menschen verkeer, is er altijd iets, dat mij ontstemt of verbittert. Ik ben bij verschillende boeren als bouwknecht in dienst geweest en overal vond ik iets dat mij noodzaakte mijn biezen te pakken. Bij den een was het dit en bij den, ander was het dat. Toen werd ik soldaat en ik dacht dat ik thans het leven gevonden had, dat mij meer naar den zin zou wezen. Ik wilde bevordering maken en leerde wat ik kon, en in het verschiet zag ik reeds de onderofficiersstrepen schemeren. Maar de ontgoocheling volgde ras, want zoo ergens, dan zag ik hier onrecht plegen en onrecht lijden, en dat kan ik maar niet verdragen. Ik trok partij voor hen, wien onrecht werd aangedaan, en Hannes moest alweer het loodje leggen; verschillende soorten van straffen werden mij opgelegd, en ik was ten slotte mooi blij dat ik mijn paspoort te pakken had en den dienst kon verlaten.

Toen kwam ik bij Van Gulven, en hoe het mij daar gegaan is, weet ge, vader Krijn; daarom kan ik u niet dankbaar genoeg zijn, dat gij mij in het "Uilennest" hebt opgenomen, want waar zou ik, arme woelwater, anders weer terecht zijn gekomen.

Ha, ha," lachte Hannes, "wat was die rijke Van Gulven woedend, toen hij vernam, dat die gehate Gelderschman zoo kort in zijn nabijheid bleef;" en met jeugdigen overmoed vertelde hij den ouden Krijn, dat ondanks al zijn maatregelen de trotsche boer niet kon beletten, dat hij en Martha elkander nu en dan ontmoetten. En op welke listige wijze hij Martha brieven in handen wist te spelen. Ja! Trouw zouden ze elkander blijven, de rijke boerendochter en de arme jagersgezel, onwankelbare trouw, en als Martha meerderjarig was, dan kon niemand haar langer beletten zijne vrouw te worden.

Krijn Vermeeren, schudt het ruige hoofd. "Hannes," zegt hij, "je ziet de toekomst helder voor je liggen, helder en onbewolkt als een langen, schoonen zomerdag. Maar de stormen zullen komen, mijn jongen, en dan zal het moeten blijken of de verbintenis met Martha van Gulven je ten zegen of ten vloek is, want slechts in het ongeluk leert men elkanders waarde kennen. Ik zeg dit echter niet om je den blijden levensmoed te benemen, doch je vertrouwt te veel op eigen kracht en je vergeet van wien alle levensgeluk moet komen. Eens droomde ik denzelfden droom, dien jij nu droomt. Ik had het woelige, onrustige zeemanslevenden den rug toegekeerd, en hier in dit oude huis mijn anker laten vallen als in een veilige haven. En een enkele rukwind slingerde mij in een zee van jammer. Daarom, Hannes, vertrouw niet te veel op een gelukkige toekomst, want onze toekomst is in Gods hand, en wij weten niet wat Hij over ons beschikken zal . . ."

't Wordt stil op de bank voor het "Uilennest". Zwijgend rooken Krijn en Hannes hun pijpen, en als een bloedroode bol zinkt de zon weg achter de goudglanzige kim.

Enkele sterretjes pinken aan het verdonkerende blauw van den hemel, en een op buit beluste uil krast in de oude wilgen voor het huis; door het avondkoeltje gedragen, galmen de klokketonen uit het dorp ver over de velden.

"Hannes," zegt de oude jager, "Hannes, ik hoorde je een, poosje geleden een lied zingen, en dat trof mij meer dan ik je zeggen kan. Niet om het lied zelf, o, neen! maar omdat mijn Frank het zoo dikwijls placht te zingen, en ik, oude baas, leef nog zoo gaarne in dien lang verleden tijd; indien ik er verkeerd aan doe, dan moge de goede God mij zulks vergeven, maar ik kan niet anders. Het is een oud ruiterlied; wilt ge het nog eens zingen, Hannes?"

Zeker! Hannes wilde het wel zingen als het vader Krijn pleizier deed, en zijn jonge, krachtige stem klinkt ver over de stille beemden: "Drie ruiters rijden door de poort, Adé, adé, adé, Het liefje wenkt; zij rijden voort, Ja, scheiden" ja, scheiden doet wee. De wreedste scheiding is de dood, Adé, adé, adé, Hij maakt zoo menig ooglijn rood, Ja, scheiden, ja, scheiden doet wee.

Nog eenige coupletten van het aloude ruiterlied, dat waarschijnlijk reeds in de middeleeuwen gezongen werd, laat Hannes hooren; dan sterft het geluid weg in de verte, en flauw herhaalt de echo het refrein: scheiden, scheiden doet wee.

Geruimen tijd blijft de grijsaard nog op de bank zitten, maar zijn pijp is uitgegaan en mijmerend spreekt hij de echo na: "Scheiden, ja, scheiden doet wee."

En zijn breede hand op den schouder van den jonkman leggend, klinkt er blijde hoop in die ruwe, zware stem, als hij zegt:

"Dat lied spreekt wel van de smart der scheiding, de scheiding door den wreeden dood, maar niet van de hoop op wederzien, van wederzien op een plaats, waar geen scheiding meer zal zijn. Aan die hoop klem ik mij vast, Hannes, want die hoop heeft de goede God mij in het hart gelegd.

Maar kom," vervolgde Krijn, "wij zullen naar binnen gaan; de vleermuizen fladderen ons reeds om de ooren en vriend Wolf krijgt honger en slaap.

Het was een prachtige avond, Hannes; waarschijnlijk zal ik niet veel zulke Mei-avonden meer beleven."

"Waarom niet, vader Krijn," antwoordt Hannes, "ge zijt voor een man van uwe jaren bijzonder krachtig. Neen neen! wij zullen te zamen nog menige eend schieten en, menig vischje vangen; wij scheiden niet zoo spoedig."

Maar de oude jager schudt het hoofd, want er zit hem een loomheid in de beenen en een gevoel van afmatting door het geheele lichaam, die hem doen vermoeden, dat dit het begin van het einde is. Doch het verschrikt hem niet, want hij is bereid. Nu heeft de oude man de vetkaars aangestoken, en Hannes doet buiten de vensters dicht. Dan loopt de Gelderschman fluitend naar den oever van den Davel, om nog eens naar de beide schuiten te zien, die aan in den grond geslagen palen met een tamelijk lang touw vastgemeerd liggen.

De kleine platte boot dient, om er in den jachttijd mede te gaan jagen. Dan hangen de jagers droge bossen riet langs het schuitje, varen zoo ver mogelijk in het riet tusschen griend en moeras, laten de houten lokeendjes op het water drijven, en loeren met den vinger aan den trekker van den snaphaan tusschen de rietbossen door; zij zijn aldus gereed om dadelijk te kunnen vuren.

Trekt dan een troep eenden hoog in de lucht over den Davel heen, dan zien ze bijna altijd de lokeenden, en nieuwsgierig van aard, daalt de zwerm, en wil bij de houten eendjes neerstrijken. Dit is het gunstigste oogenblik voor den jager, en het donderend knallen der zware geweren doet het overschot van den troep verschrikt overal heervliegen. Hannes kan die kleine boot niet zien, of het verlangen naar de jacht overmeestert hem. Maar Krijn wil niet dat er in gesloten tijd een schot gelost wordt op den Davel, en Hannes heeft nog nooit een meester gehad dien hij zoo onvoorwaardelijk gehoorzaamt als den ouden jager uit het "Uilennest". Dat komt omdat Hannes gevoelt, dat deze man hem lief heeft.

Hij acht en eert hem als ware de man zijn eigen vader, en onlangs, toen hij op een Zaterdagavond? in H. was, en met een paar boerenknechts stond te praten, was er een, die met de bedoeling hem te krenken, op minachtender toon zeide:

"Jij hebt maar een fijnen dienst daar ginds aan den Davel, in dat krot bij dien ouden, smerigen wilddief, dat mag er van gezegd worden! Ha! Ha!" En hij lachte uitbundig om zijn eigen geestigheid. Maar hij lachte niet lang, want het gelaat van den Gelderschman wordt bloedrood van drift en met een woedenden vuistslag slingert Hannes Klinge den rauwer klant tegen de steenen van de dorpsstraat.

"Mijn meester is geen rijke boer, zooals de jouwe, ellendeling!" brult de jagersgezel, "maar hij is edel en goed en wie iets te zijnen nadeele durft zeggen in mijn tegenwoordigheid, krijgt met mij te doen, al moest het mij den kop kosten!"

Doodsbleek van schrik en met bloedende lippen tracht de boerenknecht zich buiten bereik van den woesten Gelderschman te stellen, terwijl de andere jongelieden Hannes vastgrijpen, ten einde hem van verdere gewelddaden terug te houden.

Maar deze rukt zich los en: vliegt zijn tegenstander na, die zich uit de voelen wil maken, grijpt hem in de borst, en hem geweldig heen en weer schuddend, schreeuwt hij heesch van woede:

"Je zult mij zeggen, waarom je den ouden Krijn Vermeeren zoo laag belastert, je zult het mij zeggen, anders vermoord ik je, zoowaar ik leef!"

Sidderend voor de vlammende oogen en den woesten toorn van Hannes Klinge, stamelt de boerenknecht: "Laat mij los, ach, Hannes, laat mij toch los, ik weet niets ten nadeele van Vermeeren, maar de jonge boer, de zoon van mijn baas, zei in den loop van de week tegen mij: "Arie,—zeit-ie,—Arie, als je Zaterdagavond soms Hannes Klinge in het dorp ontmoet,—zeit-ie,—vraag hem dan eens hoe het hem bevalt in zijn nieuwen dienst, bij dien ouden strooper uit het "Uilennest".

Nu schoot mij daareven die boodschap van den jongen boer in de gedachten, en toen zei ik het maar, en nu loop ik er klappen voor op."

Haperend en stotterend komt deze bekentenis er uit, en weer volgt het smeekend verzoek: "Toe Hannes, laat me nu los, ik neem terug wat ik gezegd heb, en waarlijk, ik zal geen kwaad van Krijn den Uil spreken; ik heb genoeg aan een stukgeslagen wang; mijn tanden rammelen, in mijn kaken; morgen heb ik een paar lippen als een neger, en ik meende nog wel aan de ouders van mijn Jans om het jawoord te gaan vragen; ik zal er morgen nogal lief uitzien!"

Hannes laat zijn slachtoffer los, en even snel als zijn toorn is opgekomen, verdwijnt die ook weer, en zoo onweerstaanbaar komiek is de houding van Arie, dat de Gelderschman, die daareven nog razend was van drift, nu vruchteloos kampt tegen een opkomende lachbui.

Zijn toorn is weer voorbij en de ijzeren vuisten laten Arie los, maar toch klinkt zijn stem hard, als hij tot den boerenknecht zegt: "Vertel nou aan den rooden Gerrit Dubbe, den zoon van je baas, dat je zijn boodschap gedaan hebt, maar dat hij voortaan zulke boodschappen zelf maar moet doen, want dat Hannes Klinge dat liever heeft, en of hij die sneeuwbalpartij van verleden winter al vergeten is; maar wees jij voortaan wijzer, Arie, want ik kan niet dulden, dat men iemand beleedigt, die mij lief is."

Zoo was dan deze twist afgeloopen, en na deze uitweiding, die als bewijs kan dienen hoe na de oude jager Hannes aan het hart ligt, keeren wij tot onze hoofdpersonen terug. Hannes stond nog een oogenblik op den oever van den Davel, en vond het jammer om reeds naar binnen te gaan, want de bekoring van de heerlijke frissche lucht en de plechtige stilte om hem heen hielden den jonkman geboeid.

Eindelijk toch wendt hij zich om en gaat naar binnen. Oude Krijn zet reeds brood en gebakken visch op tafel, terwijl Wolf zijn meester overal met de glinsterende oogen volgt, want hij heeft de gebakken visch gezien en loert nu op de koppen en de graten.

Eigenaardig is het, hoe lief deze hond zijn ouden meester heeft. Reeds vijf maanden is Hannes in het "Uilennest", maar het is dezen tot dusver nog niet gelukt het vertrouwen van Wolf ook maar in het minst te winnen.

De hond is hem niet vijandig gezind, maar ook niet geneigd tot eenige vertrouwelijkheid. Klopt Hannes hem op den kop, dan kijkt Wolf zijn meester aan, als wil hij vragen: "Baas, moet ik dat toelaten of niet?" Dan komt op het verweerde gelaat van Krijn een stille glimlach, en als hij dan zegt: "Hannes zal ons geen kwaad doen, Wolf," dan trekt de hond onwillig zijn kop weg, en gaat vlak bij zijn meester staan.

Hannes moet er om lachen. "Geloof mij, vader Krijn," zegt hij, terwijl hij zijn bankje bij de tafel schuift, "geloof mij, Wolf zou niets liever hooren dan het commando Pak hem! En wat zou hij den gehaten vreemdeling, die de rust is komen verstoren in het "Uilennest", aan flarden scheuren."

"Ach," antwoordt Krijn, "de hond is jarenlang mijn eenige makker geweest, want zelden kwam er iemand in mijne hut. Slechts Olbert de schaapherder bleef wel eens een uurtje bij mij praten als hij naar de stad was geweest, of des zomersavonds als hij zijn schapen langs den Davel liet weiden. En Olbert heeft er slag van om met honden om te gaan; maar al betoont Wolf den schaapherder eenige vriendschap, hij is het best in zijn schik als hij met mij alleen is. Wolf is jaloersch, en daarom is hij zoo stug; jij bent hem te veel in het "Uilennest", Hannes."

Een vluchtige gedachte komt op in de ziel van den jonkman, en den ouden jager trouwhartig in de oogen kijkend, zegt hij:

"Hebt gij geen berouw, vader Krijn, dat ge een woelwater zooals ik ben, tot uw huisgenoot gemaakt hebt?" Er klinkt eenige onrust in de stem van Hannes als hij deze vraag doet. Want in de vijf maanden, die hij hier heeft doorgebracht, is de oude man en het oude huis hem lief geworden.

Doch Krijn legt hem de hand op zijn schouder, en zegt zoo hartelijk als een vader tot zijn zoon: "Neen Hannes, ik heb er gelukkig nog geen berouw van gehad, want ik beschouw je komst hier op deze plaats als een beschikking van den goeden God, die mij, ouden eenzamen man, een metgezel zond, waarop ik in mijn ouderdom kan steunen. Want waarlijk, Hannes, ik zou je niet meer kunnen missen, zoo ben ik aan je gezelschap gewend en de goede God vergeve het mij, maar indien ik je moest missen, het zou mij zijn, als verloor ik mijn Frank ten tweeden male. Ik zou de eenzaamheid niet meer kunnen dragen."

De vetkaars brandde met flauwen schijn, en door het openstaande raam viel het vriendelijke licht der sterren. Een witte nachtvlinder fladderde om het flikkerende kaarslicht en schroeide zich telken de vlerkjes. Hannes moest er om lachen, terwijl hij met smaak zijn boterham met gebakken visch nutttigde. Maar de oude Krijn lachte niet; hij was op zijn manier een wijsgeer, en op den vlinder wijzend, die ondertusschen zijn dwazen lust met den dood had geboet, sprak hij: "Kijk Hannes, dat is nu het beeld der zonde. Als iets heerlijks en aanlokkelijks schijnt dat onnoozele lichtje den vlinder toe, en het stomme diertje wordt er zoo onweerstaanbaar door aangetrokken, dat het alle pogingen in het werk stelt om in dien lichtkring te komen en ten slotte is het einde zijn verderf. Zooals het kaarslicht den vlinder, zoo lokt de zonde den mensch. Zonder God in de wereld verschijnt het kwaad ons bijna altijd in den lichtglans der vreugde. Toen ik jong en sterk was, zooals jij nu, voer ik ter zee, zooals ik je reeds meer heb verteld, en het geld, dat ik met varen verdiende, verbraste ik aan den wal met losbandige, vroolijke gezellen.

Wij vroegen niets van het leven dan genot, en dat zochten en vonden wij slechts daar, waar de zonde ons lokte, zooals het kaarslicht den armen vlinder, die daar ligt. Hoevelen heb ik niet op mijn levensweg ontmoet, die het lot van den vlinder gedeeld hebben, wier levenskracht en gezondheid onherroepelijk werden verwoest, en voor wie de dood een weldaad was te noemen.

Zij hadden de vleugels verbrand aan dat bedrieglijk, verraderlijk licht, Hannes, maar de goede God toonde in zijn barmhartige liefde mij een ander licht,—toen alles duister was om mij heen. Dat licht straalde af van het kruis van Golgotha, en het bescheen mijn levenspad, en geve God hierboven, dat ik er in mijn stervensuur het oog op mag richten, en dat het mij tot leidstar mag zijn als de schaduwen des doods mij omringen."

Een oogenblik van stilte volgt; de oude jager schuift het overschot van het avondmaal in een grooten tinnen schotel, breekt er een paar hompen brood in en zet het voor den geduldig wachtenden hond neer.

Hannes kijkt door het raam naar buiten en staart naar de fonkelende sterren aan den zwartblauwen hemel.

De woorden van Krijn treffen zijn licht ontvankelijk gemoed, maar morgen zal hij ze weer vergeten zijn; zoo is hij.

Nu schijnen die sterren op hem neer te blikken als de reine oogen van zoovele engelen, en het uitspansel daarboven spreekt hem van Gods almacht. Onwillekeurig vouwen zich zijn gespierde handen als tot een gebed, doch het is de indruk van het oogenblik, en die indrukken vervliegen zoo ras.

"Hannes," zoo klinkt weer de diepe stem van Krijn, "Hannes, wil je mij, ouden man, een pleizier doen?"

"Zeker," zegt Hannes, "zeker, vader Krijn, als mij zulks mogelijk is, met genoegen."

Krijn rijst op van zijn bankje en gaat naar den donkeren hoek, waar de groote groen geschilderde scheepskist staat.

Na eenig zoeken en scharrelen, komt hij terug met een dik pak in de hand, en na er den lap zeildoek, waarin het gewikkeld is, te hebben afgedaan, komt er een bijbel voor den dag, waarvan de lederen band geheel beschimmeld is.

"Zie!" zegt Krijn, en er trilt diepe weemoed in zijne stem, "dit boek behoorde eens aan mijne vrouw, en zij placht er dikwijls uit voor te lezen, de arme ziel. Ik hoor haar nog zeggen: Krijn, jij en Frank willen nooit ter kerke gaan, maar wij zijn toch geen heidenen; luister daarom naar mij, dan zal ik wat voorlezen uit het heilig boek. En langzaam, hier en daar de woorden spellend, las zij ons dan vóór uit dezen bijbel. Arme ziel, zij meende het goed, maar het maakte niet veel indruk op mij. Mijn hard gemoed moest eerst verbrijzeld worden door smart en rouw.

Nu wilde ik zoo gaarne, Hannes, dat jij mij iets voorlaast uit het oude boek, want zelf kan ik het niet; ik heb het niet geleerd.

In mijn jonge jaren heb ik het niet gewild; mijn geweer en mijn vischnet waren mij genoeg, en toen ik mijn fout begon in te zien, was het te laat. Jij kunt goed lezen, Hannes, dat weet ik; wil jij nu den ouden man iets voorlezen?"

Hannes legt den bijbel voor zich op de tafel, trekt de kaars een weinig naar zich toe, en slaat de muffe, vochtige bladen om.

"Vader Krijn," zegt hij, "wat zal ik lezen, uit het Oude, of uit het Nieuwe Testament, of zal ik maar bij de eerste bladzijde beginnen?"

Het grijze hoofd van den ouden jager buigt zich over het boek en, eenige bladen omslaande wijst hij met den vinger op een vouw in een der bladen, en zegt dan:

"Deze vouw moet er door mijn vrouw in gemaakt zijn, Hannes, en waarschijnlijk is zij hier geëindigd. Nu wilde ik graag, dat je met deze bladzijde begont."

Stil, indrukwekkend stil is het in de oude jagershut en daarbuiten. Het tikken van de klok en de regelmatige, rustige ademhaling van den slapenden hond is het eenige geluid, dat de stilte stoort. Dan klinkt de heldere stem van Hannes Klinge, die sinds zijn jongensjaren geen bijbel meer in handen heeft gehad. Hij leest van het lijden, en strijden van den Heiland in Gethsemané's hof. Een strijd, die zoo zwaar was en zoo bang, dat het stof der aarde Zijn bloedzweet dronk. Van dien strijd, alléén gestreden door den Goddelijken Strijder, geheel alleen, Zijn discipelen slapend, en de verrader nabij.

Hij leest dat ontroerend gebed: Vader! indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Hij leest van den vreeslijker smaad, van de lage mishandeling, Hem aangedaan, die gedurende zijn omwandeling op aarde niets deed als goed, en Hannes begrijpt niets van 's Heilands woord tot Petrus: Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat Ik mijnen Vader nu niet bidden kan, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioen engelen bijzetten?

Waarom dan van die hemelsche macht geen gebruik gemaakt, en dien verwaten hoogepriester en die giftige farizeën, schriftgeleerden en ouderlingen niet verpletterd?

Hannes schuift, als hij het hoofdstuk heeft uitgelezen, den bijbel naar den ouden man, die in stille aandacht heeft toegeluisterd, en zegt:

"Vader Krijn, ik weet van deze dingen zoo weinig af, want het is jaren geleden, dat ik een woord in den bijbel gelezen heb, maar zeg mij, kunt gij begrijpen, dat Christus, die zóó werd gesmaad, verraden en mishandeld, geen verderf bracht over die valsche bende, daar in de zaal van Kajafas? Dan had de wereld geweten, dat Hij de machthebber was en niet zijn ellendige tegenstanders; zeg vader Krijn, begrijpt gij dat?"

Eenigszins heftig stelt Hannes Klinge deze vraag, want het onschuldig lijden van den Heer wekt in zijn hart verbittering tegen hen, die Hem dat leed doen dragen, dat leed en dat lijden, waarvan Hannes de oorzaak niet begrijpt.

Een oogenblik blijft de oude jager voor zich uit staren, als hoorde hij de tot hem gerichte vraag niet, maar dan wendt hij zich tot Hannes Klinge en de doordringende oogen van den grijsaard zien, den jonkman ernstig aan.

"Zie Hannes," zegt hij, "ik ben maar een onwetend man en Olbert de eenarm zou je een beter antwoord op deze vraag kunnen geven, dan ik, doch het komt hierop neer:

Jezus' komst op aarde, zijn leven, zijn lijden, zijn sterven, 't was alles tot behoudenis en tot heil, tot redding voor een in schuld en zonde verzonken menschheid.

Als mensch droeg Hij menschelijk lijden, Hij de Zoon van God, en geen lijden, lichamelijk en geestelijk, bleef Hem bespaard. Van zijne almacht maakte Hij slechts gebruik tot hulp en redding van menschenkinderen, nimmer tot hun verderf.

En denk je nu, Hannes Klinge, dat de menschen in Hem geloofd zouden hebben, indien Hij in de zaal van Kajafas zijn tegenstanders had verpletterd? Had de Heiland niet blinden ziende gemaakt? Geen kreupelen en lammen doen wandelen? Had Hij niet dooden opgewekt uit den eeuwigen doodsslaap, en heeft men Hem niet teekenen en wonderen zien verrichten, die alle als zoovele bewijzen waren van zijne Goddelijke almacht? Neen, Jezus Christus heeft geleefd, opdat wij zouden trachten Hem na te volgen, onder biddend opzien tot God, en Hij is gestorven als zoenoffer voor de schuld der wereld. Voor ons leed Hij, met menschelijke smart, het duldeloos lijden aan het vloekhout.

En daarom, Hannes, en vergeet dit woord van den ouden Krijn nooit, al ben je nog zoo in de zonde en schuld verzonken, en de ure komt, waarin je oprecht en met berouw in het harte je wendt tot Hem, dan is het nimmer te laat, want zelfs de moordenaar aan het kruis hoorde te midden zijner smarten en op den oever des doods zijn heerlijk woord: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."

Er zijn vele eeuwen vervlogen, sindt dat woord door den Heiland werd gesproken daar op dien bloediger kruisheuvel van Golgotha, maar wie zal ze tellen, die met schuld beladen, in eigen oog verloren menschenkinderen, voor wie dat woord ten zegen werd als alle hope hun ontviel!

Hannes, God verhoede het, maar het kan gebeuren, dat je in een toestand geraakt, waarin je geen licht meer ziet. Een toestand, als waarin ik verkeerde, toen mijn zoon verdronken en mijn vrouw gestorven was. Als alles ons begeeft, waar het hart zich aan hechtte, dan kan het zoo donker, zoo troosteloos donker zijn op ons pad, dat het leven ons een last wordt en ik ben er na aan toe geweest het leven van mij al te werpen door een schot uit mijn geweer.

De goede God wilde het niet en uit de duisternis die mij omgaf, zond Hij mij, armen zondaar, licht. En nu is het mijne bedoeling, Hannes Klinge, dat indien ooit de wanhoop je aangrijpt en je geen uitkomst meer ziet dan den dood, dat je dan zult denken aan wat de oude Krijn Vermeeren je eens heeft gezegd.

En laat ons nu gaan slapen, Hannes, want we moeten morgenochtend vóór zonsopgang reeds op, om onze palingfleuren te lichten. Goeden nacht!"

Krijn gaat naar voren en Wolf volgt hem als zijn schaduw, maar Hannes gaat naar buiten, en geruimer tijd vertoeft hij nog, en luistert in gedachten verzonken naar het kwaken der eenden en het fluiten, der otters, ginds in het moeras. Dan keert ook Hannes zich om en slentert met tragen tred naar binnen, als kan hij slechts noode scheiden van den heerlijken, lentenacht daarbuiten.

HOOFDSTUK VII.

Eenige jaren zijn vervlogen sinds den Meiavond, waarop Hannes Klinge voor het eerst in den Bijbel las voor den ouden Krijn Vermeeren, en gedurende de paar jaar, die de oude jager na dien tijd nog leefde, heeft Hannes niet veel avonden overgeslagen zonder iets uit het oude boek voor te lezen.

Krijn is gestorven, en geen eigen zoon had hem trouwer kunnen oppassen dan Hannes Klinge heeft gedaan. Een ziekbed heeft de oude jager niet gehad. Zooals met dergelijke ijzersterke gestellen dikwerf gebeurt, zoo was het ook gegaan met Krijn Vermeeren. Een langzaam verval van krachten sloopte het sterke lichaam bijna onmerkbaar, en rustig en kalm zag de grijsaard den dood naderen, die voor hem geen koning der verschrikking was. Maar voor dien tijd had hij alles wat het zijne was, vermaakt aan Hannes Klinge, want met al de liefde, die hij eens voor zijn Frank had gehad, was de kluizenaar uit het "Uilennest" zich gaan hechten aan den kloeken Gelderschman.

Toen kwam het uur van scheiden. Op een schoonen Zondagmorgen, midden in den zomer, terwijl Hannes en Olbert de schaapherder bij hem waren, stierf Krijn Vermeeren en Hannes Klinge zal dat sterfbed nimmer vergeten.

Vroeg in den morgen was de oude man ontwaakt na een rustig doorgebrachten nacht, en toen Hannes aan zijn bed kwam, verwonderde hij er zich over, dat de oogen van Krijn Vermeeren hem zoo helder en klaar aanstaarden, en opgewekt vroeg hij of vader Krijn niet iets wilde gebruiken. Maar deze schudde het hoofd, en de eens zoo zware, krachtige stem sprak nu bijna fluisterend: "Hannes, licht mij wat op en zet de deur van het binnenvertrek open; daar is het zoo zonnig en ik zal de zon dezen dag niet onder zien gaan."

Hannes begrijpt zijne bedoeling niet, maar de sterke armen om den ouden man heenslaande, zet hij hem een weinig overeind, en stopt met een zorg, die men van den ruwen jagersgezel niet zou verwacht hebben, een paar kussens achter het hoofd en den rug van den zieke.

"Waarom zoudt ge de zon van avond niet zien ondergaan, vader Krijn?" vraagt Hannes.

"Omdat ik dan zal gestorven zijn," zegt de oude man, en als de jonkman hem eenigszins verschrikt aankijkt, dan vallen hem die eigenaardige strakke trekken in het oog, welke onmiskenbaar wijzen op het naderend einde. De tranen springen Hannes in de oogen, want nu bemerkt ook hij, dat het "Uilennest" spoedig weer een doode zal herbergen.

Langzaam gaat de buitendeur open en de lange gestalte van Olbert den schaapherder verschijnt in het vertrek. Hij is gisteravond ook nog komen zien, hoe het met den ouden man ging en met zijn scherpen blik en groote ervaring heeft hij gisteren reeds gemerkt, dat het leven van den jager ras ten einde spoedt, en daarom is hij nu reeds zoo vroeg naar het "Uilennest" gekomen.

Hij groet Hannes en wendt zich dan tot Krijn. Met een oogopslag heeft hij gezien, dat de dood in aantocht is, en de lange gestalte van den: ouden soldaat buigt zich over het bed.

"Dag Olbert," zegt Krijn, "kom je afscheid nemen voor het laatst? God moge je loonen voor je trouwe vriendschap, want je waart steeds den ouden jager een goed vriend.

Jij en mijn brave Hannes zijn de eenige vrienden, die ik hier heb gehad," en zich tot Hannes wendend, zegt hij, terwijl zijn stem al zwakker klinkt:

"Hannes, houd God voor oogen en bid Hem, dat Hij je hart beware voor haat en booze driften, want dat zijn de klippen, waarop je stranden zult. Hannes, ik heb je in den korten tijd, dat je hier zijt geweest, lief gekregen als mijn zoon; hoor het woord van een stervende, en vergeet nimmer, dat geen nacht van zonde en schuld zoo donker kan zijn, dat de Heiland je niet kan redden uit die duisternis." Bijna onhoorbaar wordt de stem, en de diep weggezonken oogen sluiten zich.

Buiten zingen de vogels hun morgenlied; daar dartelen de vlinders en geuren de wilde bloemen, en over de witte vlierbloesems gonzen de gouden torren. Alles in Gods schepping ademt leven, heerlijk krachtig leven, maar in de hut van den jager gevoelt men de ontzaglijke majesteit van den naderender dood.

Flauw mompelt de stervende onverstaanbare woorden en ligt dan weer roerloos stil.

Nu en dan verstaan, de luisterende mannen wel iets van hetgeen hij zegt, maar zijn geest is verward, en blijkbaar zijn het beelden uit een lang verleden, die hem in bonte verwarring voorbijtrekken.

Dan opent hij de oogen weer, en kijkt Hannes aan met een langen blik, en daarna Olbert, om eindelijk een wijle te blijven staren op zijn trouwen hond, die zoo lang zijn eenige metgezel was, hier in het "Uilennest." Het is als vangt de hond dien blik op, want dadelijk springt het dier tegen de hooge bedstede op en legt den ruigen poot op den arm van zijn meester; en er komt iets als een glimlach op het gelaat van Krijn Vermeeren, want nu is zijn geest weer helder.

"Hannes," fluistert hij, "Hannes, zul je goed voor Wolf zorgen? Het stomme dier zal den ouden man zoo missen. Het wordt zoo donker; Frank, mijn Frank, waar ben je," mompelt hij, terwijl zijn geest zich weer naar het verleden wendt.

Dan verheft zich zijn stem weer en hij roept klagend en angstig: "Frank! het wak! het wak!"

Het snijdt Hannes door de ziel, en hij grijpt de klamme hand van den stervende, en zich over hem heen buigend vraagt hij:

"Vader Krijn, kent ge mij nog?"

"Ja, Hannes, zien kan ik je niet meer, want alles is zoo donker, maar ik hoor je stem. Zul je den ouden man niet spoedig vergeten, Hannes? En zul je mijn bijbel gebruiken? O Hannes, moge uw stervensuur zijn zooals het mijne!"

"Olbert," zegt de stervende met stamelende tong, "Olbert, blijf een vriend voor Hannes en wijs hem naar boven, want jij hebt den Heiland lief."

Nu strekt de oude man zich uit, zijn trekken worden strakker en de reutelende ademhaling wordt flauwer en flauwer.

Nog eenmaal openen zich zijn oogen en hoe zacht ook gesproken, Hannes hoort het toch en het zijn de laatste woorden van Krijn Vermeeren: "Licht, Hannes; nu wordt het licht." Dan volgt een snik en de oude jager uit het "Uilennest" is huiswaarts gegaan.

HOOFDSTUK VIII.

Na den dood van Vermeeren bleef Hannes geheel alleen in het "Uilennest," en dreef de zaken voor eigen rekening, en hoewel er weinig gelegenheid was voor hem om Martha van Gulven te spreken te krijgen, zoo wist hij toch, dat zij hem trouw bleef.

Op een avond in November zat Hannes bij het houtvuur onder de groote schouw, en twee jonge langharige honden duikelden spelend over den vloer. Met de pijp tusschen de sterke tanden zat Hannes te lachen om hun dartel spel. Wolf, de trouwe hond van Krijn Vermeeren, had zijn ouden meester niet lang overleefd; want toen de oude jager naar zijn laatste rustplaats werd gebracht, volgde de hond zijn dooden meester naar het kerkhof, en toen de groeve was dichtgeworpen en de weinige mannen, die den ouden jager de laatste eer hadden bewezen, het kerkhof verlieten, toen volgde Wolf met hangenden kop Hannes Klinge naar het "Uilennest".

Daar ging het dier voor de ledige bedstede liggen en deed eenige oogenblikken een akelig gehuil hooren, en welke pogingen Hannes ook deed om hem van daar weg te krijgen, het gelukte niet. De smart van den armen hond sneed den Gelderschman door de ziel, en hij poogde met vriendelijke woorden en lekkere beetjes Wolf afleiding te verschaffen, maar noch het één noch het ander mocht baten; het dier at of dronk niet.

Soms rees hij overeind, liep de deur uit en dwaalde om de hut heen, ging op den oever van den Davel staan en huilde droevig; dan keerde hij weer naar zijn plaatsje voor de ledige bedstede terug, en de blik, waarmede hij Hannes Klinge aanzag, deed dezen de tranen in de oogen komen, want ondanks zijn kloeke gestalte en zijn vermetel, onbevreesd karakter, had Hannes toch een week gemoed.

Zes dagen na den dood van zijn meester begroef de nieuwe eigenaar van het "Uilennest" den trouwen metgezel van Krijn Vermeeren onder de vlierheg, aan den oever van den Davel.

Hannes schafte zich twee jonge honden aan, en nu zit hij, zijn pijp rookend, lachend toe te zien, hoe zij elkander in de lange noren bijten, en als de jager ze met met den voet op zij schuift, zullen ze in het vuur van hun spel nog in den brandenden haard terechtkomen.

Daar hoort Hannes een paar tikken op de voordeur. Wie mag dat zijn? Olbert de eenarm, die hem nogal eens komt opzoeken, kan het niet zijn, want die komt altijd aan den achterkant binnen.

"Zwijg toch, drommelsche honden!" roept Hannes luid, en nog luider roept hij in de richting van de voordeur: "kom maar binnen!"

Hij is opgerezen van zijn bankje (want stoelen zoekt men vruchteloos in het "Uilennest") neemt de kaars van de tafel en laat het flauwe licht in de voorkamer schijnen.

Met eenige moeite gelukt het den buitenstaande de deur te openen en een net gekleed heer steekt vriendelijk glimlachend het hoofd naar binnen.

"Goedenavond," klinkt het op beschaafden toon. "Ben ik hier terecht bij den jager Johannes Klinge?"

"Jawel, mijnheer," zegt Hannes, "kom binnen. Een stoel kan ik u niet aanbieden," vervolgt de jager met ruwe gastvrijheid, "want dien heb ik niet; maar als ge dit bankje voor lief nemen wilt, dan kunt ge hier bij het vuur plaats nemen, want het is buiten nevelig en guur."

De vreemdeling kijkt met snellen blik om zich heen en er is iets in zijn oogopslag, dat Hannes niet bevalt.

Vreesachtig blijft zijn oog op de beide honden rusten, die hun dartel spel gestaakt hebben en nu brommend voor hem staan; en ook de geweren, die boven zijn hoofd aan de dikke zolderbalken hangen, en welker blanke loopen schitteren in den gloed van het haardvuur, schijnen hem vrees in te boezeroen.

"Ga gerust zitten, mijnheer," zegt Hannes, "mijn geweren zijn niet geladen, en de honden zijn jonge snuiters, die zullen u waarlijk niet bijten, dus ga maar rustig zitten, en vertel mij wat u in den avond naar het "Uilennest" voert. En gij, Tromp en Turk, maakt dat je in je hoek komt, marsch, op je plaats!"

Gehoorzaam vlijen de honden zich in hun hoek; de vreemde heer neemt voorzichtig plaats op het bankje, en terwijl de jager een versche pijp stopt, begint hij het doel van zijn komst te verklaren.

"Baas Klinge," begint hij, "ik ben hier gekomen om u een voorstel te doen, een voorstel, dat u vrij wat voordeel kan bezorgen als ge er op wilt ingaan. Het huisje met het stukje grond hier is uw onbelast eigendom, nietwaar?"

"Ja, dat is het," zegt Hannes en kijkt den vreemden heer scherp in de oogen.

Deze slaat de oogen, neer, als kan hij dien doordringender blik niet best verdragen en met radde tong vervolgt hij: "Kijk, baas Klinge, ik weet iemand die veel zin heeft om eigenaar van het "Uilennest" te worden en nu ben ik als tusschenpersoon hier, ten einde van u te hooren of ge geneigd zijt om voor goed geld dit oude nest te verkoopen.

Welnu, hoe denkt ge over deze zaak, vraag eens geld, en het zou mij wel hard verwonderen, indien wij niet tot een goed resultaat kwamen."

Er speelt een glimlach op het gebruinde gelaat van den jager, en kortaf vraagt hij: "Wie zijt gij, mijnheer? En wie is uw lastgever?"

Deze vraag had de heer niet verwacht, en eenigszins aarzelend antwoordt hij, dat hij een zaakwaarnemer is uit D., maar den naam van zijn lastgever wilde hij liever niet noemen.

Doch dit was, vervolgde hij, ook van minder belang, want indien de jager met hem tot een overeenkomst kwam, dan had hij met niemand anders noodig. De koopsom zou dan ten huize van een notaris in de stad contant worden betaald.

"Nu, Klinge, wat zeg je van mijn voorstel; verkoop dezen ouden bouwval voor goed geld, vriend; ge zult er waarschijnlijk nimmer de kans weer voor krijgen. Komaan, laat eens hooren, wat ge voor het "Uilennest" vraagt; dan zal ik zien of wij het eens kunnen worden."

Zoo sprak de vreemde heer, en om de lippen van Hannes Klinge speelt een bittere glimlach, en in zijn heldere oogen komt een toornige gloed. Hard en dreigend klinkt zijn stem als hij tot den vreemdeling zegt:

"Luister eens, mijnheer. Ge ziet mij voor een lompen boer aan, nietwaar? Nu, dit zal ik niet tegenspreken, want er zijn een massa dingen, waarvan een man als ik niet veel begrijpt; maar zoo dom als uw lastgever schijnt te denken dat ik ben, is Hannes Klinge toch niet. Wat het "Uilennest" mij waard is, kan zelfs de rijke Van Gulven niet betalen! Verstaat gij dat, mijnheer?

Al wilde hij mij zijn groote hoeve, het schoone "Zorgwijk", in ruil afstaan voor deze hut, die gij een bouwval noemt, dan nog zou ik weigeren, want hier verdien ik mijn brood als een vrij man en ik behoef niemand naar de oogen te zien, en dat is mijn ideaal, begrijpt ge dat, vreemdeling? En als ik mij nu eens liet verlokken om deze plaats aan u of aan Van Gulven te verkoopen, dan zoudt ge misschien denken: Hannes Klinge kan hier aan den Davel wel een ander stukje grond koopen om er een huisje op te laten bouwen, en zoo zijn jagers- en visschershandwerk verder uitoefenen; maar dan kent ge boer Van Gulven niet.

Op beide oevers van den Davel behoort het bouwland, de weidevelden en het griendgewas aan Van Gulven of aan zijn vrienden, die het gepacht hebben. Het "Uilennest" alleen behoort hem niet, en als de rijke boer daar de hand op kon leggen, wel, dan was er voor den armen jager hier geen andere woonplaats te vinden dan ginds in het moeras bij de otters en meerkolven. Zeg gij nu," vervolgt de jager driftig, "zeg gij nu aan hem, die u zond, dat als hij Hannes Klinge wil verdrijven uit deze streek, hij andere maatregelen moet nemen, want deze list is te doorzichtig, begrepen?"

De zaakwaarnemer heeft onwillekeurig zijn bankje wat uit de nabijheid van den Gelderschman geschoven, en zijn gladde welbespraaktheid laat hem in den steek, als hij de scherpe, toornige blikken van den jager op zich voelt rusten.

Een onbehaaglijk gevoel heeft zich van hem meester gemaakt hier in deze vreemde, sombere omgeving.

De uilen laten hun gillend gekras hooren van uit de oude wilgen, de honden brommen in hun hoek, en die forsche jonkman, met zijn toornige oogen en driftige stem, maakte het hem ook al niet gemakkelijk.

Hij beschouwt zijn poging als mislukt en acht het niet geraden verder bij Hannes Klinge aan te dringen; daarom maakt hij zijn afscheid kort en vertrekt.

HOOFDSTUK IX.

Intusschen bleek het Hannes wederom, dat Van Gulven geen moeite spaarde om zich van hem te ontdoen. Maar de rijke boer, die gewoon was alles voor zijn wil te zien bukken, moest ook nog ondervinden, dat aan zijn vaderlijk gezag, dat hij zoo despotisch placht uit te oefenen, een einde kwam, want ondanks alles en allen volgde Martha den jager als zijn wettige vrouw naar het "Uilennest."

Zwaar, ontzettend zwaar was het offer, dat Martha aan haar liefde voor Hannes Klinge bracht, en stilzwijgend gaan wij de tooneelen van twist en huiselijk leed voorbij, die daar afgespeeld waren op het schoone "Zorgwijk", eer het huwelijk van Martha een voldongen feit was.

Een razende, tierende, dreigende vader. Een zwakke, bevende, weenende moeder, en een halsstarrige, onbuigzame dochter.

"Nooit zoolang ik leef, zult ge weer een voet op "Zorgwijk" zetten, al stondt ge ook bedelend om een stuk brood voor de poort, dat zweer ik!" had Van Gulven tot Martha gezegd. "En dien avonturier daar ginds aan den Davel zal ik vandaag of morgen weten te treffen, zoo waar ik leef. Er zal een tijd komen, dat gij zoudt wenschen dien Gelderschman nimmer te hebben gezien, want van dit oogenblik af erken ik u niet meer als mijn dochter. Gij onteert den naam Van Gulven."

Weenend en snikkend had hare moeder haar gesmeekt, het toch niet tot zulk een uiterste te laten komen, maar vaders zin te doen en te buigen voor zijn wil. Maar noch het smeeken harer moeder, noch het dreigen van haar vader had iets kunnen baten. Martha werd de vrouw van den jager, en niets dan de kleeren, die zij aan het lijf had, bracht de rijke boerendochter mede ten huwelijk. Dat was juist wat Hannes Klinge gewild had, want de arme jager begeerde het geld niet van den rijken boer. Vischnet en geweer verschaften hem het noodige, en meer begeerde Hannes Klinge niet.

Doch Olbert de schaapherder had een ernstig woord met hem gesproken, en van Olbert kon Hannes alles verdragen, zonder ooit in toorn op te stuiven; want hij wist, dat hij in Olbert een vriend had, die slechts zijn bestwil bedoelde, al kon hij niet altijd de strenge levensopvatting van den ouden soldaat volgen of begrijpen.

"Hannes, mijn jongen," had Olbert gezegd, "er staat geschreven: Eert uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga, en tegen den uitdrukkelijker wil van haar vader is Martha je vrouw geworden, en toornig en met hardheid heeft ze het ouderlijk huis verlaten; dat kan nooit goed zijn.

O, ik weet wat je zeggen wilt, Hannes, en ik weet ook, dat Van Gulven hard is en onbuigzaam, trotsch en aanmatigend, maar ondanks alles is en blijft hij toch de vader uwer vrouw. En als de dood hem nu eens wegrukte, Hannes, en de laatste woorden, die hij tot zijn eenig kind gesproken had, waren woorden van toorn en bitterheid geweest, zou dat niet vreeselijk zijn voor Martha en zou het geen schaduw werpen op haar jonge leven en ook op het uwe? Daarom, Hannes, het gedane wordt niet ongedaan, maar vergeld hem nimmer kwaad voor kwaad. Bedenk eens, Martha is zijn eenig kind, en ongetwijfeld heeft hij haar lief, zóó lief, als een man van zijn karakter een dochter liefhebben kan; en zijn plan was haar door een huwelijk met den eenigen zoon van den schatrijken Dubbe tot de rijkste boerin van het dorp te maken. Dat plan hebt gij verijdeld; hij beschouwt u als den verstoorder van zijn huiselijk geluk. Blijf daarom op den achtergrond, maar laat nu Martha, als er wat tijd is verloopen, trachten, met geduld en liefde den toorn van haar vader te overwinnen."

Hannes Klinge had stilzwijgend toegeluisterd, terwijl de schaapherder sprak, maar toen Olbert zweeg haalde hij de schouders op en zeide, dat hij Martha volkomen vrij liet hoe zij in dit geval wilde handelen. "Maar wat mij betreft," voegde de jager er bij, "ik verlang van hem slechts, dat hij mij met vrede laat. Wee hem, als hij mij met zijn vijandschap in den weg komt; dan zal hij Hannes Klinge nog nader leeren kennen."

Olbert had het hoofd geschud en nog eenmaal raadde hij den jager aan, zijn hart niet te verharden. Toen volgde hij zijne kudde, die door den ruigharigen Spits reeds den weg langs den Davel opgedreven was, en door de zomeravondlucht klonk helder en klaar de zilveren klank der klokjes, die de grootste hamels om den hals droegen.

In het begin werd er op het dorp en in den omtrek druk gepraat over het huwelijk van Hannes Klinge en Martha van Gulven, maar ook de onvermoeidste tongen raken eindelijk over een onderwerp uitgeput, en de alles effenende tijd rolt er over heen. En even vergeten als in den tijd van Krijn Vermeeren lag het "Uilennest" achter de oude wilgen, aan den oever van den Davel.

Maar zoowel uitwendig als inwendig is de oude jagershut veranderd, verjongd als het ware.

Alles buitenshuis is netjes door de vaardige hand van Hannes Klinge opgeknapt, en op het erf voor het huisje heeft de jager het eertijds geheel verwilderde grasveld van distelen en ander hoog opschietend onkruid gezuiverd, en nu is er voedsel voor een geit en eenige schapen te vinden; terwijl achter het huis een goed onderhouden moestuin de bewoners van het "Uilennest" ruimschoots van groenten voorziet.

Weelde was er niet in 't oude huisje, en voor Martha was het verschil met "Zorgwijk" hemelsbreed; maar de ruwe tafel van vader Krijn en zijn houten bankjes onder de schouw zult ge er niet meer vinden.

Eenvoudig, hoogst eenvoudig is het in de jagershut, maar alles blinkt van frischheid en getuigt levendig van de vlijt der kloeke huisvrouw.

Martha is een echte dochter van het oude Hollandsche boerenras. Opgegroeid in weelde, terwijl de rijkdom van haar vader groot genoeg was, zijn eenige dochter van allen arbeid vrij te stellen, had ze toch het huiselijk werk geleerd, dat op een groote boerderij te leeren valt, en dit kwam haar thans uitmuntend te stade.

Hannes en Martha hadden tot dusver gelukkig geleefd, en de vroolijke jager deed soms den eenzamen omtrek weergalmen van zijn liederen, waarvan zijn voorraad onuitputtelijk scheen.

Twee kinderen werden in den loop der jaren in het "Uilennest" geboren, en groeiden op zoo gezond en krachtig als de wilde bloemen langs den Davel.

Een grooter contrast dan tusschen deze beide kinderen was bijna niet denkbaar; niet alleen wat het uiterlijk betreft, maar ook hun geaardheid was geheel van elkander verschillend.

Zwart als een raaf waren het haar en de oogen van den knaap, terwijl zijn twee jaar jonger zusje een goudblond engeltje geleek.

Maar van dat oogenblik dat Gerard, zoo heette de knaap, eenig besef kreeg der dingen van zijn kleine wereld, had hij zich vol liefde aan zijn klein zusje gehecht.

En toen ze opgroeiden, speelden ze steeds te zamen, en het was voor den jongen een bitter verdriet, toen hij naar de dorpsschool moest en kleine Lize nog bij moeder bleef.

Het schoolgaan was Gerard een gruwel en de knaap geleek een jonge wolf in gevangenschap. Meer dan eens was Hannes Klinge genoodzaakt den bengel op te sporen als hij de school ontvlucht was en weggekropen zat in de griend of ergens in een korenveld.

Maar zijn vader ontsnappen kon de vluchteling niet, want de jager floot zijn honden en die hadden dan spoedig het spoor van den kleinen baas gevonden, en de straf, die dan onmiddellijk volgde, heugde Gerard lang, want de hand van den jager was niet van de zachtste.

Schuw en terughoudend van aard als hij was, werd de arme knaap altijd geplaagd en getergd door de jongens van het dorp, die hem scholden voor "Gert den Uil". Doch evenals de vogel van den nacht de sterke klauwen uitslaat, als hij door andere vogels wordt vervolgd, zoo kon Gerard dikwijls zijn belagers plotseling te lijf gaan, en dan vocht hij als de roofvogel, wiens naam men hem gaf.

Geheel anders was het met kleine Lize gesteld. Bekoorlijker, lieftalliger schepseltje was niet denkbaar. Bloeiend als een lentebloem te midden der wilde bloemen, waarmede zij speelde, kon niemand haar zonder acht te slaan op het lieve kind voorbijgaan. En als zij, toen zij wat grooter was geworden, met zilverreine stem de aardige liedjes zong, die haar vader haar geleerd had, dan klom in het hart van Hannes Klinge de gedachte wel eens op: "Ik ben een gelukkig man, maar ben ik er den goeden God wel dankbaar voor?" En dan trad menigwerf de herinnering aan vader Krijn met kracht naar voren. Aan den ouden man, die op deze plek hetzelfde leven had geleefd als Hannes nu. Die ook hier vrouw en kind had lief gehad met al de kracht van dat sterke hart, dat zijn levensgeluk zoovele jaren had overleefd.

De rampspoed was over den ouden jager gekomen, en als nu mij ook eens moest blijken hoe broos en vergankelijk aardsch geluk is, hoe zal ik dat dan dragen? Dan zocht de jager des avonds na afloop van zijne dagtaak den ouden bijbel van Krijn Vermeeren op, en las vrouw en kinderen iets voor uit het heilig boek.

Doch dergelijke indrukken vervliegen zoo snel, en meestal werd de bijbel vergeten; want als Hannes Klinge zijn blozende vrouw en kerngezonde kinderen aanzag, dan week alle onrust uit zijn hart, en vroolijk klonk weer zijn lied.

Des Zondags bracht hij, als het mooi weer was, den avond met vrouw en kinderen nog wel eens door bij Olbert den eenarm, op de Schaapskooi.

Dan ging het heele gezin in de groote visschersboot, en met krachtige slagen roeide Hannes dan den Davel uit tot de plek, waar de eeuwenoude noteboomen het dak van de Schaapskooi overschaduwen.

Hoe hartelijk en vriendelijk ontvingen de schaapherder en zijn goede Sanne dan den jager en zijn gezin. En hoe gezellig was het op de groote houten bank onder het breede lommer der noteboomen. Dan vertelde de oude soldaat van zijne krijgstochten en de gevaren op het oorlogsveld; van de vreemde landen, die hij had bezocht, en de vreemde dingen, die hij had beleefd. En altijd wist de oude man aan te toonen, dat Gods almacht alles bestuurt, zijn wijsheid alles regeert.

Dan vloog de tijd voorbij, en allen luisterden met onverdeelde aandacht naar den oude; maar bovenal des jagers zoon Gerard hing aan de lippen van den verteller, en als deze verhaalde van stormloopende grenadiers en ten aanval rennende huzaren, of dragonders, dan fonkelden zijn zwarte oogen, en des nachts droomde hij van plunderende soldaten en brandende steden en dorpen.

HOOFDSTUK X.

Hannes kwam zelden in het dorp, maar als hij er kwam, gebeurde het wel eens, dat hij Van Gulven tegenkwam, want in de nauwe dorpsstraat kon men elkander niet ongemerkt voorbijloopen.

Dan werd het gelaat van den rijken boer donkerrood van drift en met afgewenden blik liep hij den jager voorbij, die zich in zijn volle lengte oprichtte, en met trotsch gelaat, in het volle besef zijner onafhankelijkheid, den vader zijner vrouw voorbijliep.

In het begin had Martha wel eenige pogingen gedaan, om zich met hare ouders te verzoenen, maar alles was afgestuit op de onverzettelijkheid van Van Gulven, en Martha had spoedig de hoop opgegeven het steenen hart van haar vader te vermurwen.

Toen stierf na een korte, doch hevige ziekte hare moeder, en toen Martha kort voor den dood harer moeder van Olbert den schaapherder vernam, dat hare moeder in zorgelijke omstandigheden verkeerde, ach toen brak haar bijna het harte, want al had hare moeder zich nimmer durven kanten tegen het despotisch karakter van haar man, ze had toch haar dochter altijd innig liefgehad, en Martha besloot toegang te vragen op "Zorgwijk".

In den laten herfstavond klopte zij aan de poort van de boerderij aan. Ze was geheel alleen, want haar man kon haar niet vergezellen; de kinderen waren nog te klein om in het "Uilennest" alleen achtergelaten te worden. Wat was het stil op de hoeve; slechts het zuchten van den wind door de boomen en het doffe loeien van een os in den stal werd gehoord.

Hoe bonst en klopt haar hart, nu zij op de plek staat, waar zij als kind heeft gespeeld, waar haar jong leven is voorbijgegaan in zonneschijn en geluk. Nu staat ze voor de deur en durft niet zonder kloppen binnen te gaan in haar ouderlijk huis.

Daar nadert iemand door de gang om op haar kloppen de deur te openen, en zij kent dien tred; het is de zware pas van boer Van Gulven.

De deur gaat open, en het licht van de ganglantaarn valt op haar angstig gelaat; met één oogopslag heeft de boer zijn dochter herkend. Het is of zijn hooge gestalte nog langer wordt, en Martha merkt op, hoe bleek zijn gelaatskleur is, en dat zijn oogen diep in de kassen zijn gezonken.

Maar ach, hoe barsch en dreigend klinkt zijn stem als hij vraagt, of liever haar toesnauwt:

"Wat wil je hier; wat zoek je?"

"Vader," zegt Martha, en de trotsche boerendochter vouwt smeekend de handen, "vader, laat mij bij moeder. De menschen hebben me verteld, dat ze zoo ziek is, ach, laat mij toch bij haar!"

Eén oogenblik aarzelt de boer, maar ook slechts een oogenblik. Dan klinkt het dof van zijne lippen: "Mijne vrouw is een uur geleden gestorven, dus ik blijf als een eenzaam man achter hier op de hoeve."

Onbeschrijfelijke bitterheid ligt er in de stem van den rijken boer, maar de slag die hem trof doet geen enkele snaar van vaderliefde of mededoogen trillen in zijn hardvochtig gemoed.

"Groote God," gilt Martha, "is moeder dood? Vader, laat mij door, ik wil haar zien! Ik wil mijn moeder zien, dat moogt ge mij niet beletten. Heb ik dan zulk een misdaad gepleegd, dat ik een man gehuwd heb van nederigen stand? Een man met een eerlijk hart, maar zonder geld? O vader, laat mij toch om Gods wil door, en ik zal, als gij het niet wilt, geen voet meer op "Zorgwijk" zetten!"

Wie zal zeggen wat er omging in het hart van Van Gulven, toen zijn eenig kind hem zoo smeekte bij het lijk van haar moeder te worden toegelaten? God alleen peilt de donkere diepte van het menschelijk hart, maar gekrenkte hoogmoed en grenzenlooze trots behaalden de overwinning, en Martha ruw terugduwend, schreeuwt hij:

"Er uit! Ga naar dien vent daarginds aan den Davel, om wiens wil je het leven van je ouders hebt vergald. Er uit!"

En met dreunenden slag valt de deur dicht en Martha hoort, dat de zware ijzeren grendels er voor geschoven worden.

Als versuft staat ze tegen den deurpost geleund, en de koude avondwind, die haar langs het voorhoofd strijkt, doet haar goed, want het hamert en klopt daarbinnen als zou haar hoofd bersten.

Daar wordt een hand op haar arm gelegd, en een vriendelijke stem zegt zacht:

"Martha, het is verschrikkelijk, zooals uw vader u behandelt. Ik heb alles gehoord wat er gesproken is, maar gij kent hem; als hij eenmaal beleedigd is, dan weet hij van vergeven noch vergeten; doch zijn eenige dochter terugstooten, als zij smeekt om het lijk harer moeder te zien, zie, dat is goddeloos en hij zal zijne straf niet ontgaan."

Het is Geertje, de meid van "Zorgwijk", die voor het zolderraam alles gehoord heeft wat Van Gulven met zijn dochter sprak, en nu is ze stil door de achterdeur naar buiten gegaan, en haar zachte, vriendelijke stem doet de arme verstootene goed.

Geertje is een wees, en reeds als kind op "Zorgwijk" gekomen, want Martha's moeder had medelijden met de hulpelooze kleine gehad, wier ouders bijna gelijktijdig door de cholera werden weggerukt. Ze was met Martha opgegroeid, en de rijke boerendochter had de arme wees altijd zusterlijke liefde betoond. Zij was getuige geweest van menigen huiselijken twist tusschen Martha en haar vader over Hannes Klinge, en beefde Martha niet, Geertje beefde voor haar.

Zij was de steun en de troost van de boerin van "Zorgwijk" geweest, toen Martha gehuwd was, en zij had gewaakt en haar opgepast tot het stervensoogenblik toe, en als de zieke haar bang vragend aankeek in een oogenblik van helder bewustzijn, dan had ze de arme moeder toegefluisterd: "Ik zal het Martha doen weten, dat ge zoo ziek zijt, en dan zal Martha komen, dat weet ik zeker."

Toen had Geertje Dirk den stalknecht gevraagd of hij geen kans zag Olbert den eenarm op te dragen de tijding aan Martha te brengen, en Dirk, die voor Geertje zijn leven zou gewaagd hebben, had een paard uit de weide gehaald, en was spoorslags naar de Schaapskooi gereden, waar hij den ouden soldaat dadelijk bereid vond aan zijn opdracht te voldoen.

Dirk was ongemerkt teruggekomen, en dat was zijn geluk, want had de boer van "Zorgwijk" geweten, dat de stalknecht zonder vragen een paard had genomen voor het doel, waarvoor hij het had gebruikt, zonder twijfel had hij Dirk weggejaagd.

En toch was Martha te laat gekomen, want terwijl Dirk wegreed, strekte de dood reeds de koude hand naar zijn offer uit.

"Geertje," had de stervende vrouw gefluisterd, "Geertje, bid voor mij; bid voor mijn Martha, en ook voor hem."

Met "hem" bedoelde de stervende vrouw haar man, die, toen hij het woord "bidden" hoorde, zich over haar heen boog en vroeg of hij den dominee zou laten halen, maar zij schudde het hoofd en murmelde: "Geertje, ach, Geertje, bid voor ons." Toen had Geertje de handen gevouwen en uit de diepte van haar kinderlijk vroom gemoed klom haar gebed, om licht en hulpe voor de stervende, om steun op den levensweg voor de afwezige dochter, om troost en bemoediging voor den achterblijvenden man.

En terwijl dat gebed opklom tot den troon der genade, was boer Van Gulven de kamer uitgegaan, want het kloppertje daarbinnen maakte het hem zoo bang, en toen hij weer binnenkwam, lag de zieke rustig en stil, doch het leven spoedde ten einde, en bijna onmerkbaar scheidde de ziel zich van het stof.

Dat alles verhaalde Geertje met door tranen afgebroken stem aan Martha, met wie zij een eindweegs meegewandeld was tot buiten de poort van "Zorgwijk".

Zwijgend hoorde Martha haar aan, en slechts de jagende boezem en het bleeke gelaat getuigden van de ontroering harer ziel, want geen traan was in haar oog.

Daar naderde een jonge, forsche man; het was Dirk de stalknecht, en terwijl hij aan de pet tikte voor de dochter van zijn baas, vroeg hij op zachten toon, of hij haar wilde vergezellen naar het "Uilennest", want de donkere weg langs den Davel was geen weg voor een vrouw alleen om in den laten avond te bewandelen.

Doch Martha schudde beslist het hoofd, en zei: "Neen Dirk, je bent een goede jongen, maar ik wil je niet in ongelegenheid brengen; als je baas te weten kwam, dat je de vrouw van Hannes Klinge een dienst bewezen hadt, dan was je denkelijk den langsten tijd op "Zorgwijk" geweest."

Het hart van Geertje werd diep getroffen door den harden, bitteren toon, waarop Martha die laatste woorden sprak, en zij begreep, dat Van Gulven op dit oogenblik het hart van zijn eenig kind had verloren, en indien God het niet verhoedde, verloren voor altijd.

"Dat durf ik wel wagen, vrouw Klinge," zegt Dirk. "Wat zou Hannes wel van mij denken, als ik zijn vrouw in den laten avond alleen het donkere onveilige pad naar het "Uilennest" liet gaan? Neen, daarvoor, kent hij Dirk te goed."

Op dat oogenblik weerklonk een vroolijk geblaf en twee langharige jachthonden drukten de ruige koppen tegen Martha aan.

Dirk en Geertje schrokken, en de stalknecht sloeg de hand aan zijn mes, doch Martha schrok niet, want zij herkende de honden oogenblikkelijk.

"Ziet ge, Dirk? Hier is voor mij reeds geleide genoeg en met hen ga ik veilig naar huis.

De arme jager uit het "Uilennest" zendt mij zijn trouwe honden, om mij veilig te voeren in zijn hut, want hij kan zelf niet komen, hij durft onze kinderen niet alleen achterlaten.

Goddank, dat ik nog man en kinderen bezit, die ik liefheb en die mij liefhebben, want ouders heb ik niet meer, die heb ik dezen dag beiden verloren."

"Ach, Martha," zegt Geertje met zachte stem en tranen in de oogen "ach, Martha, zoo moogt ge niet spreken. Uw goede moeder wilde dezen middag in haar stervensure, dat ik ook zou bidden voor hem, voor uw vader, en al heeft hij u zooeven hard en wreed behandeld, hij blijft immers toch uw vader. Martha, bid den goeden God, dat hij uw hart beware voor haat en verbittering, want dat kan tot niets anders leiden dan tot wroeging en spot." De vrouw van den jager echter wees met den vinger naar "Zorgwijk" en koud kwam het over haar lippen: "Die man heeft den vadernaam verbeurd; een mensch die zoo handelt met zijn eigen kind, is niet waard, dat hij den vadernaam draagt." En met verheffing van stem roept ze de rondspringende honden.

"Hier Tromp! Kom Turk, wij gaan naar het "Uilennest"."

Zij drukt een kus op Geertjes wang, reikt Dirk de hand, werpt nog een somberen blik op de schoone bezitting van Van Gulven, en verdwijnt met haar honden in het donker.

HOOFDSTUK XI.

Hannes Klinge zit intusschen met eenige onrust in het hart bij zijn kinderen in 't "Uilennest". Reeds geruimen tijd geleden is Martha naar het dorp vertrokken, en Hannes weet niet, wanneer zij terug zal komen, en hij kort den tijd met netten knoopen, waaraan Gerard zijn vader trouw helpt. De kleine blonde Lize voert een gesprek met de beide jachthonden, waarvan er een zijn ruigen kop op de knie van het kind heeft gelegd, terwijl de andere gedurig tegen haar opspringt.

"Schei toch uit, Turk!" roept Lize, "en houd je rustig zooals Tromp, terwijl ik je wat vertel!" en de kleine meid vervolgt haar verhaal, telkens lastig gevallen door Turk, die geregeld zijn plagerijen voortzet.

Hannes moet ondanks zijn onrust toch lachen, en zijn net neerwerpend, zegt hij: "Kom Gert, wij zullen er maar mee eindigen, want het wordt voor Lieske tijd om te gaan slapen. En jij moest ook maar gaan, dan mag je morgenochtend vroeg met mij mee om palingfleuren te gaan lichten. Wat zeg je daarvan, Gert?"

Gert zei niet veel, maar zijn zwarte oogen glinsteren en verraden. duidelijk genoeg, dat het voorstel hem best naar den zin is.

Niets deed de jongen liever dan met zijn vader medegaan en dezen behulpzaam zijn in de uitoefening van zijn beroep. Met hartstochtelijke liefde hing Gerard zijn vader aan, en niets maakte hem gelukkiger dan samen op den Davel om te zwerven in de boot.

Reikhalzend wachtte hij den tijd af, dat hij de school zou kunnen verlaten, en als hij dan vader een paar jaar zou hebben vergezeld bij jacht en vischvangst, dan zou deze het kleine geweer voor hem in orde maken, en dat was het toppunt zijner wenschen. Gerard helpt de kleine Lize bij het ontkleeden, nu moeder er niet is, en als de kleine voor haar bedje knielt en haar kinderlijk gebed uitspreekt, dan ontroert de ruwe jager, zonder dat hij zich rekenschap kan geven waarom. Hij tilt het blondkopje op en drukt haar aan zijn hart. "Vader," zegt de kleine, "u bidt toch zeker ook voor u gaat slapen, nietwaar? Want oom Olbert vertelt mij zoo mooi van den goeden God, die ons alles geeft wat wij behoeven en altijd voor ons zorgt en waakt, maar dan moeten ook alle menschen Hem dankbaar zijn en bidden. Vader," vervolgt het kind, en de onschuldige blauwe kinderoogen zien den man ernstig aan, "Vader, waarom vertelt u mij nooit van God en van de engelen in den Hemel, zooals oom Olbert dat doet?"

"Je moet nu gaan slapen, Lieske," antwoordt Hannes. "Gert is ook gereed, en Tromp en Turk kruipen ook in hun hoekje, zie je wel?"

Hannes legt zijn kind in haar bedje en dekt haar zorgvuldig toe; en als ook Gerard zich ter ruste heeft gelegd, wordt het stil, doodstil in de oude jagershut.

Strak voor zich uitsturend zit Hannes op zijn stoel, en de woorden. van zijn kind, in onnoozelheid gesproken, trillen na in het hart van den vader. Heeft het kind bij toeval gevraagd: "Vader, bidt u ook voor u gaat slapen?" Of is er dan werkelijk een hoogere macht, die zijn kind die woorden deed spreken?

Nooit heeft hij ernstig over deze dingen gedacht, en hoewel hij nimmer een vloeker of spotter was, zijn vroolijke, lichtzinnige levensopvatting deed hem toch altijd twijfelen en verwerpen.

Het leven als boerenknecht en soldaat, dat hij geleid had eer hij bij Van Gulven kwam, was niet erg geschikt geweest om den jongeling op te voeden in het licht van het Evangelie, en bij Van Gulven nam men het ook zoo nauw niet, want al ging de boer ook trouw ter kerke en al vorderde hij zulks ook van zijn huisgenooten, Hannes wist veel te goed, dat het hart van den boer geen deel had aan zijn vertoon van godsvrucht.

Toen was hij in aanraking gekomen met den schaapherder; in hem had hij voor het eerst een man ontmoet, voor wiens godsdienstig gevoel hij eerbied had.

Maar bij dien eerbied kwam toch steeds de gedachte, dat de man, wiens jeugd was voorbijgegaan te midden van de gruwelen des oorlogs, van het eene uiterste tot het andere was overgeslagen, met andere woorden, Hannes Klinge beschouwde Olbert den eenarm als een vromen dweper, die, als hij Roomsch geweest was, zijn leven zou hebben versleten tusschen de muren eener kloostercel, om met vasten en bidden boete te doen voor de zonden zijner jeugd. En Krijn Vermeeren? Zeker, dat was een vroom en eenvoudig man en Hannes had hem liefgehad als een goed zoon zijn vader, maar was dat geen man geweest, die van een gelukkig gezin alleen overbleef, als een ontredderd schip op de levenszee? Die, toen alles hem ontviel wat hij liefhad, niets meer van de wereld daarbuiten wilde weten, en zich geheel terugtrok in de eenzaamheid? Wiens hart zich afwendde van alles wat hem vroeger toelokte, en die zijn troost zocht en vond in het ongeziene en geheimzinnige, dat volgens Hannes zooveel reden overliet tot twijfel.

En toch, wat staat die heldere Zondagmorgen hem weer klaar voor den geest, die Zondagmorgen, waarop de oude jager is gestorven, en nu in dit stille avonduur is het hem als hoort hij weer den stervende stamelen: "Hannes, zul je den ouden man niet vergeten en zul je mijn bijbel gebruiken?" En daarna: "O, Hannes, moge uw stervensuur zijn zooals het mijne."

Neen, vergeten zou hij Krijn Vermeeren niet; maar, den ouden bijbel gebruiken, dat deed Hannes toch niet veel. Martha had het altijd zoo druk met hare huiselijke bezigheden en zorgen, dat er voor bijbellezen geen tijd kon overschieten, en daarom bleef het woord van God in het "Uilennest" een gesloten boek. "Moge uw sterfbed zijn als het mijne," had de oude jager gezegd, en deze gedachte verontrustte Hannes in dit oogenblik, want Krijn Vermeeren was gestorven in het onwankelbaar geloof aan God en zijn Woord, en hoe zou het hem gaan indien zijn ure kwam?

Buiten krasten de uilen in de oude boomen, en Hannes wordt onrustig.

Waar Martha toch zoo lang blijft? Hij staat op en gaat naar buiten. Wat is het donker en kil, en hoe wild jagen de donkere wolken langs het zwerk. Ik wilde wel, dat Martha al thuis was, want wie zal haar vergezellen op den langen, donkeren weg langs den Davel, als ze huiswaarts keert. Wacht, daar schiet den jager iets te binnen. Hij fluit, kort en scherp, en, dadelijk staan de beide honden voor hem.

Hij klopt ze op den kop, en zegt dan op bevelenden toon: "Tromp, Turk, het is verloren, zoek de vrouw," nog eens herhaalt hij: "Zoek de vrouw, het is verloren;" dan snellen de jachthonden het donkere pad op, al snuivend met de koppen dicht langs den grond.

Hannes gaat weer naar binnen, terwijl hij mompelt: "Ik wou dat Martha maar weer thuis was." Hij zet zich op zijn oude plaats, en weer moet hij denken aan de woorden van zijn kleine Lize: "Vader, bidt u wel voor u gaat slapen?"

Hoe ernstig had zijn vroolijk klein blondkopje dat gevraagd; en in den jager sprak een stem, die hem er op wees, dat hij slechts een der twee wegen kon bewandelen: den weg des behouds, of het pad des verderfs. Ook denkt hij aan het woord, dat de Heiland eens sprak:

"Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven."

Ja, Olbert de eenarm en Krijn de jager, zij waren tot Hem gegaan, toen zij vermoeid en beladen waren door tegenspoed, en zij hadden rust gevonden. Rust voor hun ziel en steun en kracht op den levensweg.

Nog geruimen tijd zit Hannes in gedachten verzonken, maar plotseling staat hij op, als hondengeblaf tot hem doordringt, en, naderende voetstappen de terugkomst aanduiden van de vrouw des huizes.

Hannes opent spoedig de deur en Martha treedt met haar honden binnen. Zij ontdoet zich van haar zwart wollen doek. Dan laat ze zich op een stoel neervallen naast Hannes en haar hoofd verbergend aan zijn breede borst, weent zij bitter, terwijl snikken haar schoone, krachtige gestalte doen schokken.

De jager laat haar geduldig uitschreien en vraagt eindelijk op zachten toon:

"Is je lieve moeder gestorven, Martha? En ben je aan haar sterfbed geweest? Kom, vertel mij eens alles; dat zal je smart verlichten."

De vrouw richt zich op en wischt haar tranen af. Nu eerst bemerkt Hannes een trek van verbittering op haar gelaat, en weer vraagt hij:

"Kom Martha, vertel mij nu, hoe je het hebt gevonden op "Zorgwijk"."

Eindelijk vindt zij woorden, en nu vertelt ze onder hartstochtelijk snikken, dat hare moeder reeds was gestorven, toen zij op "Zorgwijk" was aangekomen. Zij spreekt van haar angst en aarzeling om te kloppen aan de deur van haar ouderlijk huis. Zij vertelt, hoe haar hart bonsde, toen ze den welbekenden stap van haar vader hoorde weerklinken in de lange gang, en woordelijk verhaalt ze het gesprek met haar vader; woordelijk, want dat gesprek bewaart zij bij zichzelve maar al te duidelijk.

En als dan de jager hoort, hoe wreed en hardvochtig de rijke boer zijn eenig kind verstiet, en haar den toegang weigerde tot het doodsbed harer moeder, dan maakt een vreeselijke woede zich van Hannes meester. Dreunend slaat zijn gespierde vuist op de tafel, zoodat de honden opspringen in hun slaap, en de zwarte merel die in een teenen kooi aan den wand hangt, angstig begint te fladderen. De oude bijbel valt op den grond, maar Hannes slaat er geen acht op; de goede voornemens, die hij daareven nog had, zij vervliegen als een rookdamp voor dien storm van toorn, die daarbinnen woedt, in het hart van den jager.

"Dat is een beleediging, die men de vrouw van Hannes Klinge niet straffeloos aandoet," brulde de jager. "Barend van Gulven zal mij nog nader leeren kennen, al moest ik er voor gehangen worden. Terwijl je doode moeder boven de aarde staat, zal ik niets tegen hem ondernemen, maar daarna, wee hem! Om mij, om mij alleen heeft hij je verstooten, en dat wisten wij van te voren. Dat kan ik ook gemakkelijk dragen, want ik begeer niets van hem, maar jou te behandelen als een landloopster, zie, dat kan ik niet verkroppen, en dat zal ik hem betaald zetten!"

Weenend tracht Martha den razenden man tot bedaren te brengen, want hoewel niet spoedig vervaard, slaat haar nu toch de schrik om het hart, en ze gevoelt, dat deze luchthartige, vroolijke, zorgelooze man in zijn ontembare drift tot alles in staat is, en zij beeft, wanneer zij er aan denkt, dat hij in zulk een opgewonden toestand vandaag of morgen aan haar vader rekenschap zal vragen over hetgeen dezen noodlottiger avond op "Zorgwijk" is voorgevallen.

HOOFDSTUK XII.

Er is een schaduw gevallen op het gelukkig huiselijk leven van de bewoners van het "Uilennest". Hannes Klinge is stiller dan gewoonlijk en het zingen gaat hem niet van harte, want de wraakzucht woelt daarbinnen in zijn gemoed, en waar de duivel van den haat heeft postgevat, daar verdwijnen vroolijkheid en levenslust.

Wat Van Gulven hem persoonlijk had aangedaan, had hij nog kunnen verdragen, maar dat deze zijn vrouw zoo smadelijk had behandeld, dat zou den rijken boer berouwen.

Verschillende wraakplannen had Hannes reeds beraamd, doch ook even spoedig weer verworpen, want op den achtergrond van al deze plannen grijnsde hem de gevangenis tegen.

Ook Martha was veranderd, en was er voorheen wel eens een twistwoord tusschen de beide echtgenooten gewisseld, dan was het toch nooit van beteekenis geweest, en gewoonlijk eindigde het krakeel in een grap, waar zoowel Martha als Hannes om lachten.

Doch thans was dat anders, want hoewel Martha het haar vader niet vergeven kon, wilde zij toch niet, dat Hannes wraak nam voor het leed, dat Van Gulven haar had aangedaan op den sterfdag harer moeder, en zij verlangde van Hannes, dat deze geen woord zou reppen van de ongelukkige geschiedenis. Doch tegen zijn gewoonte bleef de jager halsstarrig bij zijn plan, om Van Gulven tenminste zijn meening te zeggen over diens onwaardig gedrag.

Verwijtingen en tranen van de vrouw, toornige en ruwe woorden van den man waren het gevolg van een en ander, en een schaduw verdonkerde het eens zoo zonnige geluk van Hannes Klinge en de zijnen.

't Is Vrijdagavond, en donker, somber Novemberweer. In den namiddag heeft het geregend, doch nu is 't droog, hoewel de rieten daken der boerenhoeven in het dorp H. nog aanhoudend druipen en de windvlagen de modderplassen in de hobbelige dorpsstraat doen rimpelen.

Van straatverlichting was in den tijd, waarin ons verhaal speelt, nog volstrekt geen sprake, maar toch is aan een huis in de kom van het dorp een lantaarn met een eindje vetkaars er in aan den muur bevestigd.

Het bedoelde huis is de dorpsherberg, en het flikkerend, bevend kaarslicht beschijnt een verroest uithangbord, waarop een zwarte vogel geschilderd is met uitgespreide vlerken.

Het onderschrift verklaart ons den naam van den vogel en tevens dien van de herberg. "In den zwarten Arend" staat er met vergulde letters onder den vogel, en de kastelein oefent behalve zijn gewoon bedrijf ook dat van barbier uit. Het is nog vroeg in den avond, en in de ruime gelagkamer is nog niemand aanwezig dan Govert Kemp, de kastelein, die alvast de kruiken bier gereed zet en de lange Goudsche pijpen in het rekje schikt. De dikke, gemoedelijke herbergier weet precies welke gasten er iederen avond te wachten zijn, en 's Vrijdagsavonds dan komen zijn aanzienlijkste klanten!

Het is de avond, waarop de vlasboeren van het dorp zich laten scheren, hun lange pijpen rooken en hun kruiken bier drinken.

Het kan er soms al te levendig toegaan in den "Zwarten Arend", als het zware bier den boeren naar het hoofd stijgt en de anders nogal dikke tongen losmaakt. Juist is baas Kemp met zijn voorbereidende werkzaamheden klaargekomen, als de buitendeur opengaat en de kloeke gestalte van een man binnenstapt, op den voet gevolgd door twee langharige jachthonden.

Zooals hij daar staat, is hij een toonbeeld van mannelijke kracht en gezondheid.

De regendroppels glinsteren nog op de muts van ottervel en in den blonden baard, die het gebruinde gelaat voor een groot deel bedekt.

"Goeden avond, Govert Kemp," klinkt het op helderen toon; "echt Novemberweer, maar toch zit er vorst in de lucht als ik mij niet vergis, geloof je dat ook niet?"

"Zoo Hannes Klinge, ben je daar ook eens?" is de eenigszins verwonderde vraag van den kastelein, want Hannes, die vroeger nogal dikwijls de herberg van Govert Kemp placht te bezoeken, was er sinds langen tijd niet geweest.

"Och," zegt de jager, terwijl hij zich in een der halfdonkere hoeken op een stoel zet, "wat zal ik je zeggen. Mij laten scheren is niet meer noodig, want ik laat alles maar groeien, en op het "Uilennest" vind ik alles waar ik behagen in schep. Dus waarom zou ik naar het dorp komen als ik er niet noodig heb? Maar thans moest ik bij den vischhandelaar zijn, dus ik dacht zoo: ik ga baas Kemp nog eens opzoeken in den "Zwarten Arend". Mogelijk ontmoet ik er wel oude kennissen, met wie ik dan eens een hartig woordje wisselen kan."

Eenigszins onrustig ziet de kastelein zijn bezoeker aan; de jager heeft iets in zijn blik, dat Govert Kemp niet bevalt, ondanks de op schertsender toon gesproken woorden.

"Ja," zegt Kemp, "oude kennissen zul je hier van avond wel ontmoeten, maar of het kennissen zijn, die je naar den zin zullen wezen, dat betwijfel ik sterk, Hannes Klinge; want 's Vrijdagsavonds komen hier de boeren van het dorp om zich te laten scheren en een kruik bier te drinken, en . . . en . . . ik dacht zoo, hm . . . dat wil zeggen . . ."

"Dat wil zeggen," valt de jager den kastelein ruw in de rede, "dat wil zeggen, dat je liever hadt dat ik opkraste, voordat je rijke klanten binnenkomen, want er zijn er onder, die Hannes Klinge liever niet zien. Maar ik blijf je toch nog een poosje gezelschap houden. Geef mij een glas brandewijn."

Govert Kemp schenkt den brandewijn uit een dikbuikige karaf, en als hij den jager het glas overreikt, dan wenscht hij van harte, dat Hannes goed en wel in het "Uilennest" zat. Bij ondervinding weet de kastelein, hoe gevaarlijk het sterke vocht is voor mannen, in wier hart de wraakzucht gloeit, en op een dorp als H. kennen de menschen elkanders omstandigheden veel te goed, dan dat er bij den kastelein uit den "Zwarten Arend" de minste twijfel zou bestaan of Hannes Klinge is met een opzettelijk plan naar hier gekomen. Govert Kemp beeft voor de mogelijke gevolgen van een twist tusschen den vermeteler jager en den trotschen, verwaten Van Gulven.

In het dorp was het ruchtbaar geworden, dat de boer van "Zorgwijk" zijn eenig kind den toegang geweigerd had tot het sterfbed harer moeder, en de verontwaardiging was algemeen geweest.

Men sprak er schande van, en men riep er wraak over, doch—achter den rug van Barend van Gulven, en inmiddels haastte men zich om den rijken boer zijne deelneming te betuigen in het smartelijk verlies, dat hem trof door den dood zijner vrouw.

Toch waren er wel op het dorp, die hem onomwonden hunne afkeuring over zijn gedrag deden gevoelen, en één dezer was de predikant van het dorp.

Met diepen ernst en zonder omwegen had de leeraar hem gewezen op het goddelooze zijner handelwijze, doch het had slechts dit ten gevolge, dat Van Gulven hem de deur wees en niet meer ter kerke kwam.

Een half uur ongeveer had Hannes Klinge in de herberg vertoefd, toen van lieverlede de gasten begonnen te komen.

Vreemd kijken de boeren op, als ze den jager met zijn beide honden in dien duisteren hoek zien zitten, maar niemand knoopt een gesprek met hem aan. De binnenkomenden gaan bij elkaar zitten aan de groote langwerpig vierkante tafel bij de schouw, en zijn spoedig in druk gesprek gewikkeld over den prijs van het vlas, over de lage markt der winteraardappelen en dergelijke onderwerpen.

Daar komt weer iemand binnen, die met zulk een kracht de deur achter zich toetrekt, dat de glaasjes in het oude buffet rammelen.

"Goeden avond samen," zoo klinkt zijn zware stem door de gelagkamer. "Wie te drommel zit daar ginds in dien hoek met zijn honden alleen? Ha," vervolgt de man, "ben jij het, Hannes Klinge? Durf je je mooie Martha zoo alleen laten in 't "Uilennest"? Je komt toch je prachtigen baard niet laten afscheren? Dat moet je niet doen, mijn jongen, er zitten hier al genoeg met gladgeschrapte vollemaansgezichten of oudewijventronies.

Kemp! Geef me een kruik oud bier."

De man gaat aan het tafeltje zitten bij Hannes Klinge. Het is een reusachtige, zwaargebouwde kerel, met hoogrood gelaat, en vollen, donkeren baard. Hij draagt, evenals Hannes, hooge laarzen, die van onder tot boven met modder zijn bespat, terwijl de dikke doornenstok met looden knop, dien hij in de hand draagt, meer op een wapen dan op een wandelstok gelijkt.

Hannes Klinge kent hem goed; het is Sijmen, de ossenkooper, die stad en land afreist, om ossen te koopen en te verkoopen, en die doorgaans aan den sterken leeren riem, dien hij om zijn middel draagt, een goed gevulden geldbuidel heeft hangen.

Maar Sijmen loopt onbevreesd bij nacht en bij ontijd op de eenzaamste wegen, want hij vertrouwt op zijn stok en zijn geweldige lichaamskracht, en hij lacht met landloopers, aanranders, en dergelijk gespuis.

Spoedig is de ossenkooper met Hannes in druk gesprek en ondanks de vroolijke zorgeloosheid, die Sijmen kenmerkt, is hij toch een man met veel menschenkennis, en spoedig genoeg heeft hij bemerkt, wat Hannes, die anders altijd bij vrouw en kinderen blijft, naar de herberg heeft gevoerd. Hoewel hij nu zelf naar huis verlangt, en nog een uur loopens van zijn woning verwijderd is, blijft hij toch nog talmen, want het staat hem niet aan, dat de jager het eene glas brandewijn na het andere uitdrinkt.

Weer gaat de deur open en twee mannen treden binnen. In het scherpe oog van den jager flikkert het, alsof er een stuk wild onder zijn schot komt. Op één van die twee heeft hij zitten wachten. Het is de boer van "Zorgwijk", en de man die hem vergezelt is zijn boezemvriend, de roode Gerrit Dubbe, tevens zijn kwade geest, die altijd zijn trots weet op te wekken, en zijn haat te prikkelen.

Nimmer ook zou het zoover met Van Gulven gekomen zijn, als niet de lastertong van den rooden Judas, die zoowel Hannes Klinge als diens vrouw haat met een doodelijken haat, gestadig had gefluisterd en gefleemd.

Zoowel Dubbe als Van Gulven bemerkten den jager daar in den hoek, en het gelaat van den laatste wordt een oogenblik vaalbleek. Hij begrijpt heel goed, dat Hannes Klinge iets in zijn schild voert.

Doch zijn ontsteltenis duurt slechts een oogenblik; de jager is alleen met zijn honden, en de tien of twaalf boeren, die om de groote tafel zitten, zijn allen op zijn hand, en zullen hem niet in den steek laten als Hannes Klinge soms iets wil ondernemen.

Met schetterende stem commandeert Gerrit Dubbe twee kruiken oud bier met suiker, en terwijl de waardin, die de klanten bedient, het verlangde brengt, geeft Govert Kemp den boer, dien hij onder handen heeft, een veeg met zijn scheermes in de kin, wat den getroffene driftig de vraag doet uiten of Goof van zijn verstand beroofd is. Maar de kastelein had Van Gulven en Gerrit Dubbe hooren binnenkomen, en dat deed hem beven, want nu zou weldra blijken wat de jager van het "Uilennest" in zijn, schild voerde. Kemp plakt een groote pleister op de kin van het boertje, en verontschuldigt zich door te zeggen dat het mes uitschoot.

Het wordt opmerkelijk stil in de gelagkamer. Het gesprek om de groote tafel, straks nog zoo levendig, verflauwt. Wat er gesproken wordt, klinkt gedwongen, terwijl er onder de boeren wel zijn, die wenschen thuis bij moeder de vrouw te zitten. Anderen daarentegen hebben heimelijk schik in het geval. Hun rondglurende oogen hebben den blik van den jager wel opgemerkt, dien dezen op Van Gulven wierp, toen hij binnenkwam. Ze hebben den rijken boer ook zien verbleeken, en als straks een twist losbarst tusschen Hannes Klinge en den boer van "Zorgwijk", dan zullen ze als één man partij kiezen tegen den woesten Gelderschman, die altijd in het dorp de rust verstoorde, en die per slot van rekening de rijkste boerendochter nog meevoerde naar zijn krot. Zij woelen met de handen in hun wijde broekzakken en zoeken naar de stalen tabaksdoozen. Want de jager is geen kerel, dien men met bloote handen kan aanpakken. En dan die twee sterke honden, die zijn ook niet te verachten, terwijl het niet onmogelijk is, dat Sijmen de ossenkooper op de hand van Hannes Klinge is. Doch geen nood, ze zijn talrijk genoeg en Gerrit Dubbe telt voor twee.

"Wat zijn jullie toch allemaal stil vanavond!" zoo schettert de roode Gerrit, en hij schenkt zijn bier uit de kruik in zijn glas. Maar ook zijn handen schijnen te beven, want het bier vloeit over den rand van het glas op de tafel.

"Dat komt zeker," vervolgt Dubbe, "omdat er van avond één hier is, die hier niet behoort. Maar dat is niets; als ons dat verveelt, dan smijten we hem er uit, want het spreekwoord zegt: Geen uilen bij bonte kraaien, en op uilen zijn we hier niet gesteld."

Allen lachen om de aardigheid van Gerrit Dubbe, maar Sijmen de ossenkooper lacht niet. Het stuit hem geweldig tegen de borst, dat de roode Gerrit zonder de minste aanleiding zijn hatelijke woorden uitschettert en hij steekt zijn misnoegen niet onder stoelen of banken.

"Daar heb je gelijk in, Gerrit Dubbe," zoo klinkt de zware stem van Sijmen, "daar heb je gelijk in, als iemand je verveelt, dat je hem de deur uitsmijt, maar dan moet je niet in het meervoud spreken, man, en niet zeggen, dan smijten we hem de deur uit, maar het zelf en alleen doen, als je kunt. Ik twijfel er echter sterk aan of je den man, dien je thans in den weg zit, wel gemakkelijk alleen buiten de deur zoudt krijgen!"

Thans springt Hannes Klinge recht overeind, en zich voor de tafel plaatsend, waaraan de boeren zitten, zegt hij, oogenschijnlijk kalm:

"Gerrit Dubbe heeft gelijk, als hij zegt, dat er één in den "Zwarten Arend" is, die er niet behoort, en hij had er gerust bij kunnen voegen: "Hannes Klinge behoort hier niet, want ik behoor in het "Uilennest" bij vrouw en kinderen, en ik zou waarlijk je gezelschap niet gezocht hebben, als ik niet iets te zeggen had, dat mij van het hart moet.

Maar niet tot jou heb ik iets te zeggen, Gerrit Dubbe! Want dan spreek ik onder vier oogen met je en dan zal het je beste dag niet zijn, kameraad!"

Scherp en doordringend zijn de blauwe oogen van den jager op den rooden Gerrit gericht, en deze kent maar al te goed dien dreigenden, doorborenden blik, en hij slaat de gluiperige oogen neer.

"Neen," vervolgt Hannes Klinge, "wat ik te zeggen heb, dat zeg ik tot u, Barend van Gulven, en allen die hier zijn zullen het mede aanhooren!" De manhafte spreker doet nog een pas nader en buigt zich wat over tot zijn tegenpartij, en met den vinger van de rechterhand op Van Gulven wijzend, klinkt zijn stem als een trompet door de gelagkamer, terwijl allen zwijgend den koenen spreker aanstaren: "Barend van Gulven, je hebt je dochter verstooten omdat zij ondanks je verbod een arm maar eerlijk man getrouwd heeft en dat kan ik begrijpen, want jij gevoelt je hier koning in het dorp. Maar wat ik niet kan begrijpen is, dat je je kind, je eenig kind, de deur uitwerpt als ze haar moeder wil zien, die op haar sterfbed om haar kind roept! Dat zal je op de ziel branden zoo lang je leeft, want dat is meer dan hardvochtige trots, dat is een laffe, erbarmelijke misdaad, en ik, je schoonzoon, de man van je dochter, ik ben hier gekomen om je te zeggen, dat je een ellendeling bent! Een lage, wreede ellendeling!"

"Er uit met hem! Slaat hem dood!" zoo brult thans de roode Gerrit Dubbe, en grijpt de zware bierkruik in de groote sterke vuist.

"Er uit! Slaat dood den Uil!" schreeuwen de boeren, die op de hand van Van Gulven zijn, en rukken de stalen tabaksdoozen uit den zak.

Angstig schreeuwend vlucht de waardin uit het buffet, terwijl de kastelein, anders voor geen klein geruchtje vervaard, den boer dien hij juist heeft ingezeept laat zitten, en angstig zijn glaswerk tracht te redden. Hannes Klinge had zich voorgenomen kalm te blijven, en slechts Van Gulven zijn meening te zeggen, om zich daarna onmiddellijk huiswaarts te begeven. Maar het driftige, opvliegende karakter van den jager spot met alle goede voornemens, en nu hij ziet, dat allen tegen hem zijn, nu ontbrandt zijn razende woede.

"Ha! Nu durft gij den Uil aan, laffe kerels!"

"Twintig tegen één," zoo dondert de jager zijn tegenstanders toe, "maar komt op! De Uil is niet bang! Nog voor geen twintig kraaien!" Een woest tooneel volgt, tafels en banken worden omgesmeten, glazen en kruiken rinkelen en breken. De bierkruik, door Gerrit Dubbe naar Hannes Klinge geworpen, mist haar doel, maar treft den spiegel, die kletterend van den wand stort.

Te midden van het geraas vliegt Sijmen de ossenkooper naar voren, en zijn zware laarzen doen den vloer dreunen.

"Terug, bloodaards!" buldert de reus, "met u allen tegen een enkelen man, gij oude wijven. Wie hem aanraakt, sla ik te pletter," en dreigend zwaait hij den doornenstok met den geweldigen looden knop boven zijn hoofd.

"Slaat hem dood! Slaat hen beiden dood!" roept Gerrit Dubbe. Blind van haat en woede grijpt hij weer een bierkruik, maar Hannes Klinge heeft, alle heerschappij over zich zelf verliezend, zijn mes getrokken, en terwijl de bloeddorst hem uit de bliksemende oogen straalt, springt hij met de vlugheid van een panter over de omvergeworpen tafel heen, en zijn honden volgen hem met overeindstaande haren.

Er gaat een angstkreet op onder de boeren, en allen vliegen achteruit.

Sijmen tracht Hannes nog te grijpen; maar vruchteloos, en indien geen Hoogere macht tusschenbeiden komt, dan zal het mes van den jager zijn weg vinden naar het hart van Gerrit Dubbe.

Reeds grijpt hij met de linkerhand den rechterarm van den rooden Gerrit, waarin deze de kruik houdt, en de gespierde rechterhand met het scherpe mes vliegt omhoog voor den doodelijken stoot, als plotseling een lange gestalte zich tusschen de vechtenden werpt, en over den schouder van Gerrit Dubbe heen, de hand van den jager terzijde slaat, zoodat de moordende messteek zijn doel mist.

"Houd op, ongelukkige dwaas!" roept Olbert de schaapherder, want deze was het; "houd op, en denk aan je vrouw en je onschuldige kinderen!"

De verschijning van den "eenarm" werkte op de opgewonden lieden als olie op de golven van een onstuimige zee, en zoodra heeft Hannes Klinge niet bemerkt dat het Olbert is, die zijn hand terzijde sloeg, of hij laat het reeds weer opgeheven mes zinken, en roept met forsche stem zijn honden terug, die Gerrit Dubbe aanvliegen.

"Los Tromp! Hier Turk!" en hun meester onmiddellijk gehoorzamend, laten ze Gerrit Dubbe los, maar blijven dreigend grommen.

Bleek als een doode richt Dubbe zich op. Zijn buis is door de honden aan flarden gescheurd, en op zijn broek vertoonen zich groote bloedvlekken, die wel aantoonen, dat de nijdige dieren hem duchtig te pakken hebben gehad.

Een der boeren is door een stokslag van Sijmen op den arm getroffen, en hij zal dien arm in de eerste zes weken niet kunnen gebruiken. Maar op dit oogenblik bekommert zich niemand om hem. Hoog boven allen uit staat de veteraan van Napoleon, die in zijn leven reeds zoo menig bloedig tooneel heeft aanschouwd. Hij is opzettelijk hierheen gekomen, want Martha had haar zoon, haar Gerard, naar de schaapskooi gezonden om te vragen of vader ook bij Olbert was.

Dadelijk was toen de gedachte bij hem opgekomen, dat Hannes Klinge zich veel langer ophield in het dorp dan deze gewoon was, en daar hij wist, dat de jager de beleediging zijner vrouw door haar vader niet kon verkroppen, duchtte de schaapherder onheil, en besloot hij, om, zooals hij dat noemde, op verkenning uit te gaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings