← Table of contents
Het portret van Dorian Gray

IX.

Elizabeth Couperus-Baud translation

Terwijl hij den volgenden morgen aan het ontbijt zat, werd Basil Hallward binnengelaten.

—Ik ben blij je te vinden, Dorian, begon hij ernstig; ik ben gisteren avond ook bij je geweest, maar hoorde, dat je naar de opera was. Ik wist, dat dat natuurlijk niet waar kon zijn. Maar ik had zoo gaarne geweten, waar je werkelijk was. Ik bracht een verschrikkelijken avond door, bang, dat de eene tragedie door de andere zoû gevolgd worden. Je hadt mij toch wel kunnen telegrafeeren, om bij je te komen, toen je het hoorde. Ik las het bij toeval in een vel van de Globe, die ik in de club opnam. Ik kwam toen direct hier, en was wanhopig je niet te vinden. Ik kan je niet zeggen hoe ellendig ik ben onder die geschiedenis. Ik begrijp wat je lijden moet. Maar waar was je nu toch? Ben je naar haar moeder geweest? Ik dacht een oogenblik je daar te gaan zoeken. Het adres stond in de courant. Ergens in Euston Road, niet waar? Maar ik was bang mij op te dringen bij een verdriet, waar ik niet aan helpen kon. Arme vrouw! In wat een toestand moet zij zijn! En haar eenig kind! Hoe was zij er onder?

—Beste Basil, hoe weet ik dat? fluisterde Dorian en nipte aan bleeken gelen wijn uit een doorzichtigen kelk van Venetiaansch glas met gouden facetten. Ik was in de opera. Je hadt daar ook moeten komen. Ik ontmoette voor de eerste maal Lady Gwendolen, Harry's zuster. We zaten in haar loge. Ze is allerliefst, en Patti zingt goddelijk. En spreek nu niet over akelige dingen. Als je maar niet over de dingen spreekt, is het net alsof ze niet gebeurd zijn. Ik moet je ook zeggen, dat het niet haar eenig kind is. Daar is nog een zoon, een goede kerel, geloof ik. Maar hij is niet aan het tooneel. Hij is matroos of zoo iets. En vertel me nu wat over jezelf en wat je bezig bent te schilderen.

—Je ging naar de opera? vroeg Hallward langzaam, met een klank van pijn in zijne stem. Je ging naar de opera, terwijl Sybil Vane dood lag in een treurig kamertje? Je kan me vertellen van andere vrouwen, die allerliefst waren en van Patti die goddelijk zingt, vóórdat het meisje, dat je lief hadt, nog zelfs de rust heeft om in te slapen.

—Hoû op, Basil! Ik wil het niet hooren! riep Dorian opvliegend. Je moet er niet meer over spreken. Wat gedaan is, is gedaan. Wat het verleden is, is het verleden.

—Noem je gisteren het verleden?

—Wat heeft het tijdsverloop er meê te maken? Alleen kleinzielige menschen hebben jaren noodig om zich over een emotie heen te zetten. Een man, die meester is over zichzelf, kan even gemakkelijk een einde maken aan een verdriet als een genot beginnen. Ik heb geen lust de slaaf van mijn emoties te zijn. Ik wil ze gebruiken, van ze genieten en ze beheerschen.

—Dorian, dat is afschuwelijk! Je bent heelemaal veranderd. Uiterlijk ben je nog dezelfde mooie jongen, die iederen dag in mijn atelier kwam pozeeren voor zijn portret. Maar toen was je eenvoudig, natuurlijk en hartelijk. Je was het onbedorvenste schepsel van de wereld. Nu weet ik niet wat er met je gebeurd is. Je spreekt alsof er geen hart, geen medelijden in je is. Het is de invloed van Harry, dat is duidelijk.

De jongen kreeg een kleur, en voor het venster bleef hij een oogenblik staan kijken in den groenen tuin, waardoor de zon heen flitste.

—Ik ben Harry heel veel verschuldigd, Basil, sprak hij ten laatste, meer dan aan jou. Jij leerde me alleen ijdel zijn.

—Daar ben ik nu wel voor gestraft, Dorian.

—Ik weet niet wat je wilt. Wat wil je eigenlijk?

—Ik wil den Dorian Gray, dien ik vroeger schilderde, zei Hallward treurig.

—Basil, sprak de jongen; hij ging naar hem toe en legde hem de hand op den schouder. Je komt te laat. Toen ik gisteren hoorde, dat Sybil Vane zich van kant had gemaakt …

—Van kant gemaakt! Groote God! Is dat zeker? riep Hallward, hem aanziende vol ontsteltenis.

—Maar Basil, je dacht toch niet, dat het een gewoon ongeluk was. Natuurlijk deed zij het zelf.

Hallward verborg het gelaat in de handen.

—Hoe verschrikkelijk! mompelde hij, en een rilling liep over hem.

—Neen, sprak Dorian Gray; daar is niets verschrikkelijks aan. Het is een van de meest romantische tragedies van deze eeuw. Gewoonlijk hebben acteurs en actrices de meest gewone banale levens. Ze zijn goede huisvaders of trouwe moeders, of zoo iets vervelends. Je begrijpt wat ik meen: zoo van die burgerlijke deugden. Hoe geheel anders van Sybil. Ze leefde haar mooiste tragedie. Zij was altijd een heldin. Den laatsten avond, dat zij speelde, toen jij haar gezien hebt, speelde ze slecht, omdat zij de realiteit van de liefde leerde kennen. Toen zij zag, dat liefde gedaan was, stierf zij, zooals Juliet zoû gestorven zijn. Er is iets van een martyre in haar. Haar dood heeft de pathetische nutteloosheid van het martelaarschap en heel de weggegooide schoonheid daarvan. Maar, zooals ik je al zei, je moet niet denken, dat ik zelf niet geleden heb. Als je gisteren op het juiste moment gekomen was—over half vijf of kwart voor zessen—dan zoû je me in tranen gevonden hebben. Zelfs Harry, die hier was, die mij het bericht meêdeelde, had geen idee van hetgeen ik doormaakte. Ik leed een onmenschelijk verdriet. Toen ging het voorbij. Ik kan een emotie niet repeteeren. Dat kunnen alleen sentimenteele menschen. En je bent gruwelijk onrechtvaardig, Basil. Je komt hier om mij te troosten. Nu, dat is heel lief van je. Je vindt me al getroost, en je bent woedend. Dat is toch niet erg sympathiek. Je herinnert me aan een verhaal van Harry, over een zekeren filantroop, die twintig jaar lang ijverde tegen een onrechtvaardige wet of zoo iets; ik ben vergeten wat het precies was. Eindelijk kreeg hij zijn zin en toen was hij verschrikkelijk teleurgesteld. Hij had totaal niets meer te doen, verveelde zich half dood en werd de hevigste menschenhater. Buitendien Basil, als je me werkelijk wilt troosten, dan moest je mij helpen te vergeten wat er gebeurd is, of het te beschouwen uit een artistiek oogpunt. Was het niet Grautier, die altijd schreef over "la consolation des arts"? Ik herinner me dat eens gelezen te hebben in een klein perkamenten boekje in je atelier. Wel, ik ben nu niet als die jongen, waar je meê in Marlow geweest ben, die jongen, die altijd zei, dat geel satijn hem kon troosten in alle misères van het leven. Ik hoû van mooie dingen om mij heen te zien en ze te gebruiken. Antieke brokaten, groene bronzen, lakwerk, uitgesneden ivoren, een exquize omgeving, luxe pracht, daar is in dat alles zeker veel te vinden. Maar het artistieke temperament, dat die dingen opwekken, of liever openbaren, is mij nog meer waard. Toeschouwer van je eigen leven te worden is, zooals Harry zegt, ontsnappen aan je eigen verdriet. Ik merk, dat je verbaasd bent mij zoo te hooren spreken. Je kunt je niet voorstellen hoe veranderd ik ben. Ik was een schooljongen, toen jij me leerde kennen. En nu ben ik een man. Ik heb nieuwe passies, nieuwe gedachten, nieuwe ideeën. Ik ben veranderd, maar daarom moet je niet minder van mij houden. Ik ben niet meer dezelfde, maar je moet toch mijn vriend blijven. Ik hoû natuurlijk heel veel van Harry. Maar ik voel, dat jij beter bent dan hij. Je bent niet zoo sterk,—je bent zoo bang voor het leven—maar je bent beter. En wat konden we vroeger prettig samen zijn. Laat mij niet aan mijn lot over, Basil, en wees niet boos op mij. Ik ben zooals ik ben. Daar is niets aan te doen.

De schilder voelde zich geroerd. De jongen was hem innig lief, en zijne persoonlijkheid was het hoogste motief in zijne kunst geweest. Hij had het hart niet hem nog meer verwijtingen te doen. En misschien was die onverschilligheid maar een bui die gauw zoû overdrijven. Er was zooveel moois, zooveel hoogs in hem.

—Wel, Dorian, sprak hij eindelijk met droevigen glimlach. Ik zal na vandaag niet meer met je spreken over die treurige geschiedenis. Ik hoop alleen, dat je naam er niet in genoemd zal worden. Morgen middag is het onderzoek. Ben je opgeroepen?

Dorian schudde het hoofd en een waas van ontevredenheid kwam er over zijn gelaat bij het woord "onderzoek". Er was zoo iets ruws en banaals in.

—Ze weten mijn naam niet, antwoordde hij.

—Maar zij toch wel?

—Alleen mijn voornaam, en ik ben zeker, dat zij dien nooit aan een ander zal gezegd hebben. Ze vertelde mij eens, dat iedereen erg nieuwsgierig was hoe ik heette, maar dat zij altijd antwoordde, dat mijn naam was: de "Tooverprins". Dat was lief van haar. Je moet mij een schets van Sybil maken, Basil. Ik zoû gaarne nog iets meer van haar hebben dan de herinnering aan een paar kussen en enkele lieve woordjes.

—Ik zal het probeeren, Dorian, als ik je er een pleizier meê kan doen. Maar je moet zelf nog eens voor me komen pozeeren. Ik kan niets doen zonder jou.

—Ik kan nooit meer voor jou pozeeren, Basil. Dat is onmogelijk! riep hij uit, opschrikkend.

De schilder staarde hem aan.

—Maar jongenlief, wat een nonsens! Vindt je dat portret, dat ik van je maakte niet goed? Waar is het? Waarom heb je dat scherm er voor getrokken? Laat mij het zien. Het is het beste wat ik ooit deed. Toe, neem het scherm weg, Dorian. Het is toch schande van je knecht, mijn werk zoo te verstoppen. Ik voelde, dat de kamer anders was, toen ik binnenkwam.

—Mijn knecht heeft er niets meê te maken, Basil. Je denkt toch niet, dat ik hem mijn kamer laat arrangeeren. Hij maakt soms een bouquet voor mij, dat is het eenige. Neen, ik deed het zelf. Het licht viel er zoo sterk op.

—Het licht! Dat kan niet, kerel. Het is een prachtige plaats er voor. Laat mij het eens zien.

En Hallward liep naar den hoek van de kamer. Een kreet van angst ontsnapte aan Dorian Gray's lippen; hij vloog tusschen de schilderij en het scherm.

—Basil, sprak hij, zeer bleek; je mag het niet zien. Ik wil het niet.

—Mijn eigen werk niet zien! Je meent het niet! Waarom zoû ik het niet zien? riep Hallward lachend.

—Als je probeert het te zien, Basil, dan geef ik je mijn woord van eer, dat ik nooit meer een woord tegen je spreek zoolang ik leef. Ik meen het in vollen ernst. Ik geef je geen uitlegging, en ik verzoek je er ook niet naar te vragen. Maar denk er aan, dat wanneer je dit scherm aanraakt, alles tusschen ons uit is.

Hallward stond als van den bliksem getroffen. Hij zag Dorian Gray in stomme verbazing aan. Hij had hem nooit zoo gezien. De jongen was doodsbleek van drift. Zijne handen waren gebald en de pupillen zijner oogen waren schijven blauw vuur. Hij trilde over het geheele lichaam.

—Dorian!

—Spreek niet!

—Maar wat scheelt er aan? Ik zal natuurlijk niet er naar kijken, als je het niet wilt, sprak Basil, een weinig koud, en zich omkeerend, ging hij voor het raam staan. Maar het is allerdolst, dat ik mijn eigen werk niet zien mag; vooral omdat ik het van dit najaar wil expozeeren in Parijs. Ik zal het nog moeten oververnissen en dan zie ik het toch. Waarom dus niet vandaag?

—Het expozeeren! Je wilt het expozeeren! riep Dorian Gray uit en een vreemde huivering van angst kroop over hem. Zoû zijn geheim aan de wereld overgeleverd worden. Zouden de menschen de mysteries van zijn leven staan aan te gapen? Dat kon niet zijn. Iets, hij wist niet wat, moest het verhinderen.

—Ja, daar zal je toch niets tegen hebben? Georges Petit is van plan mijn beste stukken te verzamelen voor een speciale expozitie in de rue de Sèze; de eerste week van October wordt ze geopend. Het portret zal hoogstens een maand weg zijn. Zoo lang kan je het toch wel missen, dunkt mij. Buitendien ben je dan toch de stad uit. En als je het toch achter een scherm houdt, zal het je wel niet kunnen schelen.

Dorian Gray streek zich met de hand langs het voorhoofd. Daar spikkelden zich druppels zweet. Hij voelde dat hij op den rand van een afschuwelijken afgrond stond.

—Je zei me een maand geleden, dat je het nooit woû expozeeren. Waarom ben je nu veranderd? Jullie menschen, die voor standvastig door wilt gaan, hebben evenveel grillen en nukken als anderen. Het eenige onderscheid is, dat jullie grillen erg onbeduidend zijn. Je bent toch niet vergeten, dat je me plechtig verzekerde: dat niets je zoû kunnen dwingen het naar een tentoonstelling te zenden. Je hebt tegen Harry precies hetzelfde beweerd …

Hij hield eensklaps op, een licht kwam in zijn oogen. Hij herinnerde zich, dat Lord Henry eens tot hem gezegd had; "als je iets curieus" wilt hooren, moet je Basil vragen waarom hij je portret niet wil expozeeren. Hij heeft het mij verteld en het was als een openbaring. Ja, hij, Basil, had ook een geheim! Hij zoû er hem naar vragen.

—Basil, sprak hij; hij ging voor hem staan en zag hem vlak in het gezicht; wij hebben elk een geheim. Zeg mij het jouwe en jij zult het mijne weten. Wat voor reden had je vroeger, mijn portret niet te willen expozeeren?

De schilder huiverde in weêrwil van zichzelven.

—Dorian, zoo ik het je vertelde, zoû je zeker nog minder van mij houden, dan je al doet, en je zoû mij uitlachen. Geen van beiden zoû ik kunnen verdragen. Wil je, dat ik nooit meer je portret zien zal, het is goed. Ik heb jou altijd om naar te kijken. Wil je, dat mijn beste stuk verborgen blijft voor de wereld, het is goed. Jouw vriendschap is mij meer waard dan mijn naam of mijn roem.

—Neen, Basil, je moèt het mij vertellen, drong Dorian Gray. Ik heb recht het te weten.

Zijn gevoel van angst was voorbij; nieuwsgierigheid was in de plaats gekomen. Hij was besloten Basil Hallwards geheim uit te vinden.

—Laat ons gaan zitten, Dorian, zei de schilder, een weinig verward. Laat ons gaan zitten. En antwoord mij op één vraag. Heb je in het portret iets opgemerkt, iets dat je misschien in het begin niet getroffen heeft, maar dat zich eensklaps aan je geopenbaard heeft?

—Basil! kreet de jongen, en klemde zich met trillende handen aan de armen van zijn stoel vast; hij staarde hem aan met woeste, angstige oogen.

—Je hebt het gezien. Zeg niets! Wacht tot je gehoord hebt, wat ik je te zeggen heb. Dorian, van het oogenblik, dat ik je ontmoette, had je persoonlijk een invloed op mij, als ik nooit te voren ondervonden had. Ik was overheerscht door jou; mijn ziel, mijn geest, mijn kracht was vervuld van jou. Je werd voor mij de zichtbare belichaming van dat nooit aanschouwde ideaal, waarvan de herinnering in ons artisten rondspookt als eene exquize droom. Ik aanbad je. Ik werd jaloersch van iedereen, tegen wien je sprak. Ik woû je geheel voor mij zelf hebben. Ik was alleen gelukkig als ik met jou was. Wanneer je van mij weg was, was je toch nog aanwezig in mijn kunst …! Natuurlijk heb ik je hier nooit iets van laten merken. Dat zoû onmogelijk geweest zijn. Je zoû het niet begrepen hebben. Ik begreep het zelf ook nauwlijks. Ik wist alleen, dat ik een volmaking had aanschouwd en de wereld werd wondermooi in mijn oogen, te mooi misschien, want zulke aanbiddingen zijn gevaarlijk, gevaarlijk om te verliezen, gevaarlijk om te hebben … Weken en weken gingen voorbij en ik ging meer en meer in je op. Toen kwam er een nieuwe faze. Ik had je geschilderd als Paris in een sierlijk harnas en als Adonis in een jagersvel met blinkende speer. Gekroond met zware lotosbloesems heb je gezeten vóór op de bark van Adrianus, starenden over den groenen, woeligen Nijl. Je hadt gebogen over den stillen vijver in een Grieksch woud en in het vlakke zilver van het water je eigen schoonheid bewonderd. En het was geweest wat kunst altijd zijn moest, onbewust, ideaal en ver af. Eens,—het was een dag van noodlot, denk ik nu wel,—besloot ik een portret van je te maken, zooals je werkelijk bent, niet in een kostuum uit doode eeuwen, maar in je eigen kleêren en in je eigen tijd. Of het kwam door het realisme van de methode of door zuivere bewondering van je wezen; zoo zonder sluier aan mij geopenbaard, ik kan het niet zeggen, maar ik weet, terwijl ik er aan werkte, scheen ieder vliesje, ieder vlokje kleur mijn geheim te openbaren. Ik werd bang, dat vreemden mijn aanbidding er in zouden zien. Ik voelde, Dorian, dat ik te veel van mezelven er in had gelegd. Toen nam ik mij vast voor het portret nooit te expozeeren. Je was een beetje boos, maar je begreep toen ook niet wat het voor mij was. Harry, wien ik er over sprak, lachte mij uit. Maar dat kon mij niet schelen. Toen het portret af was, en ik er alleen vóór zat, voelde ik, dat ik goed deed. Wel, een paar dagen daarna zond ik het uit mijn atelier weg, en zoodra ik de vreemde bekoring, die het uitstraalde, kwijt was, scheen het mij toe, dat ik heel dwaas was geweest er iets meer in te zien, dan dat jij een mooie jongen was, en ik tamelijk goed schilderen kon. Zelfs nu nog meen ik, dat het verkeerd is te denken, dat de passie, die men voelt onder het scheppen zichtbaar zoû zijn in het geschapene. Kunst wordt altijd veel abstracter dan onze gedachte is. Lijnen en kleuren spreken tot ons van kleuren en lijnen, dat is alles. Ik vind dikwijls, dat kunst den artist veel meer bedekt, dan dat ze hem openbaart. En toen ik dus nu dit aanbod kreeg voor Parijs, besloot ik jouw portret tot het voornaamste in mijn verzameling te maken. Het kwam nooit bij mij op, dat je weigeren zoû. Ik zie nu, dat je gelijk hebt. Het portret kan niet geëxpozeerd worden. Wees niet boos op me, Dorian, om hetgeen ik je verteld heb. Want, zooals ik eens tot Harry zei, je bent geboren om aangebeden te worden.

Dorian Gray haalde diep adem, de kleur kwam terug op zijne wangen, de glimlach op zijne lippen. Het gevaar was voorbij. Hij was voor het oogenblik veilig. Doch hij kon niet nalaten een oneindig medelijden te voelen voor den schilder, die hem deze vreemde biecht had afgelegd, en hij vroeg zichzelven af, of hij ook eens zóó overheerscht zoû worden door het wezen van een vriend. Lord Henry bezat de charme van zeer gevaarlijk te zijn. Dat was alles. Hij was te knap en te cynisch om werkelijk van te houden. Zoû er ooit iemand komen, die hem zoû vervullen met zoo eene vreemde aanbidding? Was dat een van de dingen, die het leven voor hem weggelegd had?

—Het is buitengewoon, Dorian, zei Hallward, dat je dit in het portret zoû opgemerkt hebben. Heb je het waarlijk er in gezien?

—Ik zag er iets in, antwoordde hij, iets, dat mij vreemd toescheen.

—Mag ik het nu even zien?

Dorian schudde het hoofd.

—Dat moet je mij niet vragen, Basil. Ik zoû je onmogelijk voor het portret kunnen brengen.

—Maar een anderen keer toch wel?

—Nooit.

—Wel misschien heb je gelijk. En nu adieu, Dorian. Je bent de eenige persoon, die invloed op mijn kunst gehad heeft. Wat ik ooit goed deed, heb ik aan jou te danken. Oh! je weet niet wat het mij kostte je alles te vertellen, wat ik zoo even zei.

—Maar Basil, wat heb je mij nu verteld? Eenvoudig, dat je mij te veel bewonderde. Dat is niet eens een compliment.

—Het was een biecht. Nu, dat ik die gedaan heb, is het of er iets uit mij weg is. Misschien moest een mensch nooit zijn aanbidding onder woorden brengen.

—Het was een biecht, die mij erg tegenviel.

—Maar wat verwachtte je dan, Dorian? Je hebt toch niets anders in het portret gezien, wel? Daar was immers niets anders aan te zien.

—Neen, niets anders. Waarom vraag je dat? Maar je moet niet zoo van aanbidden spreken. Wij zijn vrienden, Basil en dat moeten wij blijven.

—Je hebt Harry immers, sprak de schilder treurig.

—O Harry! lachte de jongen. Harry brengt zijn dagen door met onmogelijke dingen te zeggen, en zijn avonden met onmogelijke dingen te doen. Zoo een leven wil ik ook leiden. Maar toch geloof ik niet, dat ik naar Harry zoû gaan, als ik verdriet had. Ik zoû eerder bij jou komen, Basil.

Wil je weêr eens voor mij pozeeren?

—Onmogelijk!

—Je vernietigt mijn leven als artist door te weigeren, Dorian. Niemand ontmoet twee idealen. Enkelen maar één.

—Ik mag je niet zeggen waarom, Basil, maar ik kan nooit meer voor je pozeeren. Er is iets noodlottigs in een portret. Het heeft een leven van zichzelf. Ik zal bij je komen theedrinken, dat is even gezellig.

—Alleen voor jou, vrees ik, mompelde Hallward met een zucht van spijt. En nu, adieu. Het spijt me, dat ik het portret nog niet eens zien kan. Maar er is niets aan te doen. Ik begrijp heel goed, waarom je het liever niet wilt.

Toen hij de kamer verlaten had, glimlachte Dorian Gray. Arme Basil! hoe weinig vermoedde hij de ware reden! En hoe vreemd, dat in plaats van zijn eigen geheim te moeten openbaren, hij bijna bij toeval gedrongen was in het geheim van zijn vriend. Hoe vele dingen maakte die vreemde biecht hem nu niet duidelijk! Die dwaze buien van jaloezie, zijne hartstochtelijke toewijding, zijne buitensporige loftuitingen, zijn vreemde terughoudingen—hij begreep ze nu allen en hij voelde er spijt over. Er scheen hem iets tragisch' te schuilen in een vriendschap, met zooveel verbeelding gekleurd.

Hij zuchtte en drukte op de bel. Het portret moest verborgen worden. Hij kun niet weêr zoo aan ontdekking blootgesteld worden. Het was dom van hem het ding langer dan een uur te houden in een kamer, waarin al zijne kennisen toegang hadden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings