← Table of contents
Het portret van Dorian Gray

X.

Elizabeth Couperus-Baud translation

Toen de knecht binnenkwam, zag hij hem onderzoekend aan, zich afvragend of hij er aan gedacht zoû hebben achter het scherm te gluren. De man stond onbewegelijk en wachtte af. Dorian stak een cigarette op, ging voor den spiegel staan en wierp een blik er in. Hij kon zoo juist de weêrkaatsing van Victors gezicht zien. Met een placide masker van dienstbaarheid. Van hem was dus nog niets te vreezen. Maar het was altijd goed op zijne hoede te zijn.

Langzaam verzocht hij hem de huishoudster bij zich te laten komen, vervolgens naar den lijstenmaker te gaan en hem te vragen twee knechts te zenden. Het scheen hem toe, dat toen de knecht de kamer verliet, zijne oogen naar het scherm dwaalden. Of verbeeldde hij het zich maar?

Kort daarop ritselde Mrs. Leaf in haar zwart zijden kleed, met ouderwetsche katoenen mitaines over de gerimpelde handen, de bibliotheek binnen. Hij vroeg naar den sleutel van de leerkamer.

—De oude leerkamer, Mr. Dorian? riep zij uit. Maar die is vol stof. Ik moet ze eerst schoonmaken en opruimen vóór u er in kunt. U kunt er zoo heusch niet ingaan, waarlijk niet.

—Het hoeft niet opgeruimd te worden, Leaf. Geef mij den sleutel maar.

—Maar meneer, u zal begraven worden onder de spinnewebben. Het is in geen vijf jaar open geweest. Niet meer na den dood van den ouden Lord.

Hij schrikte op bij de herinnering van zijn grootvader. Hij had geen prettig souvenir van hem.

—Dat doet er niet toe, antwoordde hij. Ik wil ze maar eens zien, dat is al. Geef mij den sleutel.

—Hier is de sleutel, meneer, sprak de oude dame, zocht met bevende onzekere vingers aan haar sleutelbos. Hier is de sleutel. Ik zal hem dadelijk van den ring afdoen. Maar u denkt er toch niet over boven uw kamer te nemen? Het is hier pas zoo netjes gemaakt.

—Neen, neen, riep hij ongeduldig. Dank je wel, Leaf. Zoo is het in orde.

Zij draalde nog eenige oogenblikken en had het erg druk over een kleinigheid in het huishouden.

Hij zuchtte en zei haar, dat zij doen mocht wat ze woû. Zij verliet de kamer glanzend in glimlachjes.

Toen de deur dicht was, stak Dorian den sleutel in zijn zak en zag in de kamer rond. Zijn oog viel op een groot purper satijnen kleed, zwaar geborduurd met goud, een prachtig stuk van de zeventiende eeuw, Venetiaansch werk, door zijn grootvader in een klooster te Bologna gevonden. Ja, dat was uitstekend geschikt om dat nare ding meê te dekken. Het had wellicht al vaak gediend als lijkkleed voor dooden. Nu zoû het iets verbergen, dat een bederf in zichzelve had, erger nog dan het bederf van den dood; iets, dat tot gruwel zoû ontbinden, maar toch nooit sterven zoû. Wat de worm was voor het lichaam, zouden zijne zonden zijn voor het geschilderde beeld. Zij zouden die schoonheid ontsieren, en die gratie doen wegrotten; zij zouden het bezoedelen en onteeren. En toch zoû het steeds blijven bestaan. Het zoû altijd blijven leven.

Hij rilde, en even voelde hij spijt Basil niet alles eerlijk gezegd te hebben. Basil zoû hem geholpen hebben Lord Henry's invloed, en de nog giftiger essences van zijn eigen temperament te niet te doen. De liefde, die Basil hem toedroeg—want het was waarlijk liefde, had niets in zich, dat niet mooi en intellectueel was. Het was niet de fyzieke bewondering van schoonheid, geboren uit de zinnen en stervende als de zinnen verzadigd zijn. Het was eene liefde als Michel Angelo, Montaigne, Shakespeare en Winckelman gekend hadden. Ja, Basil had hem kunnen redden. Maar het was nu te laat. Het verleden kon altijd uitgewischt worden door berouw, zelfopoffering of … vergeten. Maar de toekomst was onvermijdelijk. Er waren passies in hem, die zich geweldigen uitweg zouden banen, droomen, die de schimmen van zonde tot werkelijkheid zouden maken. Hij lichtte van de bank het groote purpergouden weefsel, en nam het meê achter het scherm. Was het gezicht op het doek nog slechter dan vroeger? Het scheen hem hetzelfde toe, maar zijn afschuw ervan was intenser geworden. Gouden haren, blauwe oogen, roode lippen, dat alles was er nog. Slechts de uitdrukking was veranderd. Hoe flauwtjes waren Basils verwijten geweest over Sybil Vane, vergeleken bij wat hij er in zag van veroordeeling en verwijt!—hoe flauwtjes en van hoe weinig beteekenis. Zijne eigen ziel staarde hem van het doek aan en riep hem op ten oordeel. Een trek van pijn kwam in zijn oogen en hij slingerde het kostbare lijkkleed over de schilderij. Terwijl hij dit deed, klopte men op de deur. Hij liep op en neêr, toen de knecht binnenkwam.

—De werklui zijn daar, meneer!

Hij voelde, dat hij dien man voor eenige oogenblikken kwijt moest zijn. Hij mocht niet weten, waar het portret werd gebracht.

Er was zoo iets sluiperigs in hem en hij had zulke slimme, verraderlijke oogen. Hij zette zich voor zijn schrijftafel, krabbelde een briefje aan Lord Henry, vroeg hem wat lectuur te zenden, en herinnerde hem er aan, dat zij elkaâr dien avond om kwart over achten zouden ontmoeten.

—Op antwoord wachten … sprak hij, het briefje reikend: en laat die menschen maar hier binnen.

Twee, drie minuten later werd er weêr geklopt en Mr. Hubbard, de beroemde lijstenmaker van South-Audley Street kwam binnen, met een jongen knecht, lomp van uiterlijk. Mr. Hubbard was een blozend mannetje met rosse knevels, wiens bewondering voor de kunst aanmerkelijk gekalmeerd was door de ingekankerde geldeloosheid der artisten, waarmeê hij te doen had. In den regel verliet hij nooit zijn winkel. Hij liet de menschen bij zich komen. Maar hij maakte altijd een uitzondering met Dorian Gray. Er was iets in Dorian Gray, dat iedereen betooverde. Het was alleen al genot hem te zien.

—Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray? zei hij, zich wrijvende in zijne vette, gerimpelde handen. Ik dacht maar de vrijheid te nemen zelf bij u te komen. Ik heb juist een pracht van een lijst op een verkooping gekocht. Oud-Florentijnsch, van Fonthill afkomstig, denk ik. Juist geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray.

—Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen zelf te komen, Mr. Hubbard. Ik zal zeker eens komen om de lijst te zien, hoewel ik op het oogenblik niet veel doe aan kerkelijke kunst. Maar vandaag woû ik alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel zwaar en daarom woû ik gaarne een paar werklui van u hebben.

—In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer?

—Hier, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. Kunt u het met kleed en al, zooals het nu is plaatsen? Ik ben bang, dat het anders op de gang gekrast zal worden.

—Dat zal heel goed gaan, meneer, sprak de gulle lijstenmaker en begon met zijn helper de schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan het hing, los te haken. En waar zullen wij het nu brengen, Mr. Gray?

—Ik zal u den weg wijzen, Mr. Hubbard, als u zoo goed wilt zijn mij te volgen. Of misschien is het beter, dat u vooruit gaat. Het is heelemaal op de bovenste verdieping. Wij zullen de groote trap maar opgaan, die is ruimer.

Hij hield de deur voor ze open, ze gingen de gang door en begonnen den tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu en dan moest Dorian zelve een handje meêhelpen om het gevaarte te besturen, trots het hevig protest van Mr. Hubbard, die, evenals iedere werkman er een hekel aan had, een heer iets nuttigs te zien doen.

—Het is een vrachtje, meneer, steunde het mannetje, toen zij boven aan de trap kwamen. En hij veegde zich zijn glimmend voorhoofd af.

—Ja, het is nogal zwaar, murmelde Dorian, terwijl hij de deur opende van de kamer, waar hij dit vreemd mysterie van zijn leven zoû bewaren, waar hij zijne ziel zoû verbergen voor de oogen der menschen. Hij was in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sedert ze eerst als kinderkamer en later als leerkamer was gebruikt geworden. Het was een groot, ruim vertrek, door Lord Kelso gebouwd voor het speciaal gebruik van zijn kleinzoon, dien hij om de gelijkenis met zijne moeder en om nog andere redenen altijd gehaat en zoover mogelijk van zich had gehouden. Dorian vond de kamer weinig veranderd. Daar stond de groote Italiaansche cassone, met fantastisch uitgesneden paneelen en dof vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zoo vaak verborgen had. Hier de boekenkast vol schoolboeken met ezelsooren. Aan den muur hing hetzelfde versleten Vlaamsche gobelin, waar een verkleurde koning en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers, overkapte vogels op de geharnasde polsen, voorbij reed. Hoe goed herinnerde hij zich alles nog. Oogenblik na oogenblik zijner eenzame kinderjaren kwam weêr bij hem op, terwijl hij rondzag. Hij zag de reinheid van zijn jongensleven weêr voor zich en het was hem verschrikkelijk, dat juist hier dat noodlottig portret verborgen moest worden. Hoe weinig had hij in die afgestorven dagen kunnen vermoeden, wat hem nog te wachten stond. Maar er was in het geheele huis geen andere plaats zoo veilig als deze, voor onbescheiden blikken. Hij had den sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon dat gelaat vrij verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed het er toe? Niemand zoû het zien. Hijzelve ook niet. Waarom zoû hij die afschuwelijke ontbinding zijner ziel gadeslaan? Hij behield zijn jeugd, dat was hem genoeg. En buitendien, zoû het niet kunnen, dat zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden, waarom de toekomst zoo vol schande zoû zijn. Wellicht zoû een mooie liefde zich in zijn leven weven, hem louteren, hem beschermen voor de zonden, die reeds in geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die bekoring en subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zoû de wreede trek om dien fijnen mond eens verdwijnen, zoû hij de wereld Basil Halwards meesterstuk te zien geven. Neen, dat was toch onmogelijk. Van uur tot uur, van dag tot dag werd dat beeld ouder. Het kon de afzichtelijkheid van zonden ontloopen, maar de afzichtelijkheid van ouderdom niet. De wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepooten zouden kruipen om de fletse oogen. Het haar zoû zijn glans verliezen, de mond invallen, openhangen, idioot of grof worden, zooals de monden van oude menschen. Het zoû de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen, het gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zoo streng voor hem was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden. Daar was niets aan te doen.

—Breng het maar binnen, Mr. Hubbard, sprak hij moê, zich omkeerend. Het spijt mij, dat ik u zoo lang liet wachten. Ik dacht aan iets anders.

—Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray, antwoordde de lijsten maker, die nog naar adem snakte. Waar moet het staan meneer?

—O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet ophangen. Zet het maar tegen den muur aan. Dank u.

—Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer?

Dorian ontstelde.

—Het zoû u niet interesseeren, Mr. Hubbard, sprak hij, hem vast aanziende. Hij voelde zich klaar op hem te springen, hem op den grond te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende voorhang, dat het geheim van zijn leven bedekte.

—Anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite, dat u zelf gekomen is.

—In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen, meneer. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn knecht, die terug opzag naar Dorian, met een blik van verlegen bewondering in zijn grof, leelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand gezien, die zóó mooi was.

Toen het geluid hunner voetstappen weggeklonken was, sloot Dorian de deur en stak den sleutel in zijn zak. Nu gevoelde hij zich veilig. Niemand zoû ooit het gruwelijke ding zien, geen oog zijne schande aanschouwen. Terug in de bibliotheek, zag hij, dat het juist vijf uur was, dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry, daarnaast een boek in gelen band, de omslag half gescheurd, hier en daar gevlekt. Een blad van de derde editie van de St. James Gazette lag op het theeblad. Victor was klaarblijkelijk terug. Zoû hij die mannen in de gang ontmoet, hen uitgehoord hebben wat ze gedaan hadden? Hij zoû natuurlijk de schilderij missen, had ze zeker al gemist, terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet geplaatst en er was eene leêgte aan den muur. Als Victor 's nachts eens naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken? Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had gehoord van rijke lui, die hun geheele leven waren lastig gevallen, omdat de knecht een brief gelezen, een gesprek gehoord, een kaartje met een adres opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem, een stukje kant gevonden had. Hij zuchtte, schonk zich een kop thee, opende Lord Henry's briefje. Het was eenvoudig om te zeggen, dat hij hem een courant zond en een boek, dat hem misschien interesseeren zoû en dat hij kwart over achten in de club zoû zijn. Langzaam vouwde hij de St. James Gazette open en zag ze door. Een roode potloodstreep op het vijfde blad trok zijn aandacht. Het wees op de volgende paragraaf:

"Lijkschouwing van een actrice".

"Dezen morgen heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby, district-rechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak was dat de dood door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd aan den dag gelegd voor de moeder der overledene, die zeer aangedaan was onder het afleggen van haar getuigenis en dat van Dr. Birell, die de lijkschouwing gedaan had."

Hij fronste de wenkbrauwen en het blad in tweeën scheurend, liep hij door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe leelijk was dat alles. En wat maakt leelijkheid de dingen toch hinderlijk waar. Hij was ontstemd, dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel dom van hem het zoo met rood potlood aan te streepen. Victor kon het gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engelsch voor.

Misschien had hij het gelezen en begon hij al iets ervan te denken. Maar wat kon het schelen. Wat had Dorian Gray te maken met den dood van Sybil Vane? Daar was immers niets te vreezen. Dorian Gray had haar immers niet vermoord.

Zijn blik viel op het gele boek, dat Lord Henry hem gezonden had. Wat zoû het zijn? Hij ging naar het parelkleurige, achtkantige tafeltje, dat hem altijd toescheen de arbeid te zijn van vreemde Egyptische bijen, die in zilver werken; het deeltje opnemend, wierp hij zich in een fauteuil en begon de bladen om te slaan. Spoedig was hij er in verdiept. Het was het vreemdste boek, dat hij ooit gelezen had. Het was of alle zonden der wereld in fijne sluiers als een zwijgende processie voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten. Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had, trokken hem langzaam als openbaringen voorbij.

Het was eene novelle zonder intrigue en met slechts één karakter, eene psychologische studie naar een jong Parijzenaar, die zijn leven doorbrengt met het doel in de negentiende eeuw alle passies en denkwijzen der vorige eeuwen te verwezenlijken en als het ware in zichzelven op te sommen alle verschillende fazes, door den geest der wereld doorleefd. De stijl ervan was die stijl, vol juweelen, levendig en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische uitdrukkingen en overladen beelden, die enkelen van de beste der Fransche symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als orchideeën en even subtiel van kleur. Het leven der zinnen werd beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of men las van de spiritueele extazes van een middeneeuwschen heilige of van de sombere biecht van een modern zondaar. Het was een boek vol gift. Zware geur van wierook scheen aan de bladen te hangen en de hersens te bedwelmen. Het rhytme der zinnen, de geraffineerde eentonigheid der muziek, met complexe refreinen en vaak terugkeerende maten, bracht den geest van den jongen, terwijl hij van hoofdstuk tot hoofdstuk las, in een stemming van gepeins, iets als een ziekte van gedroom, die hem onbewust maakte voor den wegstervenden dag en de binnensluipende schaduwen.

Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletste schijnsel, tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem eenige malen had gewaarschuwd, dat het al laat was, stond hij op, ging naar de andere kamer, legde het boek op het Florentijnsche tafeltje naast zijn bed en begon zich te kleeden.

Het was bijna negen uur, vóór hij in de club was, waar hij Lord Henry vond zitten, met een allervervelendst gezicht.

—Het spijt mij zoo, Harry, maar het was waarlijk jouw schuld. Je boek hield mij zoo in betoovering, dat ik den tijd vergat.

—Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zoû vinden, antwoordde Lord Henry opstaande.

—Dat heb ik niet gezegd, Harry; ik zei, dat het mij zoo betooverde. Daar is een groot verschil in.

—Zoo, heb je dat nu ontdekt? fluisterde Lord Henry. En zij gingen in de eetzaal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings