XI.
Elizabeth Couperus-Baud translation
Gedurende verscheiden jaren kon Dorian Gray den invloed van dit boek niet van zich afschudden. Misschien is het juister te zeggen, dat hij het nooit met kracht poogde. Hij bestelde uit Parijs niet minder dan negen prachtexemplaren en liet ze in verschillende kleuren binden, opdat zo met de veranderlijke buien en wisselende stemmingen zijner natuur, die hij in het geheel niet meer scheen te kunnen beheerschen, in harmonie zouden zijn. De held, een jong Parijzenaar, in wien het romantische en het wetenschappelijke temperament zoo vreemd dooreengemengeld was, werd hem als een type van zichzelven. En inderdaad scheen het hem toe of het boek zijne eigen levensgeschiedenis bevatte, geschreven vóór hij nog geboren was.
In één opzicht was hij gelukkiger dan de fantastische held uit zijn roman. Hij kende nooit, behoefde ook trouwens nooit te kennen, dien grotesken angst, voor spiegels, gepolijste metalen en stille waters, dien de jonge Parijzenaar reeds vroeg in zijn leven leerde kennen, door het plotselinge verval van zijne, eens buitengewone, schoonheid.
Het was met bijna een wreed genot,—en misschien schuilt er in ieder genot, zoowel als in ieder genoegen een zweempje wreedheid—dat hij het laatste gedeelte van het boek las, dat gedeelte met de tragische wel wat overdreven beschrijving van het verdriet en de wanhoop van iemand, die zelve verloren had, hetgeen hij bij anderen in de wereld het meest op prijs stelde.
Want die bizondere schoonheid, welke Basil Hallward zoo bekoord had en vele anderen met hem, scheen hem nooit te verlaten. Zelfs zij, die zeer veel slechts van hem gehoord hadden,—want nu en dan kropen vreemde geruchten over zijne manier van leven in Londen rond en werden de praatjes der clubs,—ze konden niet aan zijne schande gelooven, wanneer zij hem zagen. Hij zag er altoos uit of hij zich smetteloos hield van de wereld. Ruwe woorden verstomden, als Dorian Gray de kamer binnentrad. Er was iets in de reinheid van zijn gelaat, dat het zwijgen oplegde. Zijne tegenwoordigheid alleen scheen te herinneren aan de onschuld, die anderen bezoedeld hadden. Men verwonderde zich, dat iemand zoo bekoorlijk en bevallig als hij, ontsnapte aan de besmetting eener eeuw, even gemeen als zinnelijk. Terugkeerende van eene dier geheimzinnige en langdurige afwezigheden die tot zulke vreemde gevolgtrekkingen aanleiding gaven, sloop hij vaak stil naar boven, naar de dichte kamer, opende de deur met den sleutel, die hem nu nooit meer verliet, en stond dan met een spiegel voor het portret, zag van het slechte afgeleefde gezicht op het doek naar dat mooie, jonge gelaat, dat hem uit het glas toelachte. Juist dat scherpe contrast prikkelde zijn genoegen. Hij werd meer en meer verliefd op zijn eigene schoonheid, meer en meer geïnteresseerd in het bederf zijner eigen ziel. Hij kon met de meeste zorg en somtijds met een monsterachtig afschuwelijk genoegen de slechte lijnen nagaan, die het gerimpelde voorhoofd doorgroeven, of kropen om den dikken, zinnelijken mond, en hij vroeg zich af welke eigenlijk de gruwelijkste waren, de teekenen der zonde, of die van den ouderdom. Hij hield zijn blanke handen naast de grove, gezwollen handen van het portret, en glimlachte. Hij bespotte het misvormde lichaam, die verwelkende leden.
Het is waar, er waren oogenblikken,—'s nachts, wanneer hij slapeloos lag in zijn eigen zacht geurige kamer, of in een smerig hok van de beruchte herberg bij de Dokken, waar hij vaak, onder een anderen naam, verkleed, kwam—oogenblikken, dat hij met medelijden dacht, aan de ellende, die hij over zijne ziel gebracht had, een medelijden, des te pijnlijker omdat het zuiver egoïst was. Maar oogenblikken als deze waren zeldzaam. De nieuwsgierigheid naar het leven, welke Lord Henry het eerst in hem had gewekt, toen zij samen waren in den tuin van hun vriend, scheen zich reusachtig te ontwikkelen. Hoe meer hij wist, hoe meer hij weten wilde. Hij had een dollen honger, en hoe meer hij dezen voelde, des te gulziger werd hij.
Toch was hij niet onverschillig in het vervullen van zijne plichten tegenover de wereld. Eens of twee keer in de maand gedurende den winter en iederen Woensdagavond gedurende den season stond zijn prachtig huis open voor de menschen en ontving hij de grootste musici om zijn gasten met de wonderen van hunne kunst te bekoren. Zijne kleine dinertjes, waarin Lord Henry hem trouw bijstond, waren bekend zoowel om de zorgvuldige keuze en plaatsing der invités, als om den exquizen smaak in de décoraties der tafel met fijn symfonische arrangementen van exotische bloemen, geborduurd damast en antieke gouden en zilveren servies. Velen, vooral onder de jongeren, zagen dan ook in Dorian Gray de verwezenlijking van het type, dat zij zich in Eton of Oxford gedroomd hadden; type, waarin de ontwikkeling van een geleerde samenvloeide met de distinctie en manieren van een man van de wereld.
Zijne wijze van kleeden, zijn doen en laten oefenden zeer grooten invloed uit op de jonge fatjes van de May-fair bals en de Pall-mallclub, die hem in alles wat hij deed en droeg, volgden en nadeden. En hoewel hij maar al te klaar stond om de pozitie aan te nemen, die hem dadelijk na zijne meerderjarigheid werd toegekend en werkelijk een fijn genot vond in de gedachte voor Londen te kunnen zijn, wat de auteur van den Satyricon ééns voor het keizerlijke Rome van Nero geweest was, wenschte hij toch, diep in zijn hart, iets meer te zijn dan een arbiter elegantiarum, dien men kon raadplegen over hoe te dragen een juweel, hoe te binden een das of te houden een stok. Hij zocht een nieuw schema van het leven uit te spinnen, dat beredeneerd zoû zijn van filozofie en geordend van principe, en waarin de vergeestelijking der zinnen het hoogste doel zoû zijn. De eeredienst der zinnen was dikwijls, en met zeer veel recht, veroordeeld geworden, omdat de mensch een natuurlijk instinct van vrees had voor gevoelens en passies, sterker dan hemzelven, en gevoeld met de lager geörganiseerde uiterlijkheid van het bestaan. Maar het scheen Dorian Gray, dat de ware natuur der zinnen nooit was begrepen en dat zij woest en dierlijk bleven omdat de wereld ze trachtte te onderdrukken door uithongering of ze te dooden door marteling; in plaats van te streven ze tot elementen van nieuwe spiritualiteit te herscheppen, waarin instinct voor het schoone de overheerschende karaktertrek zoû zijn. Ziende op den mensch, zich als een schim voortbewegend in de Historie, doorspookte hem een gevoel van oneindig verlies. Zooveel was er opgeofferd en met welken uitslag? Extatische, willekeurige ontzeggingen, monsterachtige zelfmartelingen en onthoudingen, voortkomend uit angst, uitloopende in eene schande, oneindig verschrikkelijker dan die, welke zij in hun onschuld hadden gezocht te ontvluchten, nu de natuur, in haar vreemde ironie, den anachoreet dreef zich te voeden samen met de dieren der wildernis en den hermiet de beesten van het veld tot makkers gaf.
Ja, er zoû, zooals Lord Henry geprofeteerd had, een nieuw Hedonisme komen, dat het leven zoû herscheppen, en redden van het ruwe harde puritanisme, zoo vreemd herlevend in onzen tijd. Het zoû natuurlijk ten dienste staan van het intellect; maar zoû het eene theorie of een systeem aannemen, waarin de opoffering eener ondervinding van passie gevraagd werd. Het doel zoû zijn: ondervinding zelve, en niet de vruchten van ondervinding, zoet of bitter, wat ze ook waren. Het zoû niet weten van ascetisme, dat de zinnen doodt of van vulgaire losbandigheid, die ze verdooft. Maar het zoû den mensch leeren zich te concentreeren op de momenten van een leven, dat zelve slechts een oogenblik is.
Men wordt wel eens wakker vóór de dag begint, na een van die droomelooze nachten, die ons doen verlangen naar den dood of naar een nacht van verschrikking en verwrongen genot; dan zweven er door de zalen van onzen geest fantomen, verschrikkelijker dan realiteit; ze trillen van leven in groteske onmogelijkheid. Dan sluipen witte vingers tusschen de gordijnen door en ze schijnen te beven. In zwarten fantastischen vorm kruipen geluidelooze schaduwen in de hoeken en blijven gedoken. Buiten het geritsel der vogels tusschen de blâren, het geluid van mannen, gaande naar hun werk, het zuchtend snikken van wind, ver komende over de bergen, dwalende om het stille huis, als vreesde hij den slaap te wekken uit zijn zwartpurperen grot. Dunne grijzige, gazige sluiers trekken op, na elkaâr; vorm en kleur klaren op; de dag schept de wereld opnieuw. De fletse, bleeke spiegels krijgen hun geleend leven terug. De uitgebrande kaarsen staan, waar wij ze lieten; er naast ligt het half opengesneden boek, dat ons boeide, de verwelkte bloem, die wij droegen, den brief, dien wij te dikwijls al lazen. Niets schijnt ouder geworden. Uit de onware schaduwen van den Nacht komt het werkelijke leven terug, dat wij kennen. Wij moeten het opnemen, waar wij het lieten liggen en over ons komt een benauwend gevoel van de noodzakelijkheid van energie in dien tredmolen van stereotype gewoontetjes; we krijgen een dol verlangen, dat onze oogen zich op een morgen openen op een wereld in het donker hernieuwd, wereld, waarin de dingen frissche kleur en nieuw geheim hebben, wereld, waarin het verleden geen plaats heeft, waarin de herinnering in ieder geval geen leed meer kan doen.
Het scheppen van werelden als deze scheen Dorian Gray het ware doel, minstens één der ware doeleinden, van het leven te zijn, en in zijn jacht naar sensaties, die zouden zijn zoowel nieuw als zalig, schiep hij zich dikwijls stemmingen, vreemd aan zijne natuur; zoo hij dan hare kleur in zich had opgenomen en zijner geestelijke nieuwsgierigheid voldaan had, schudde hij ze af met die vreemde onverschilligheid, die niet onvereenigbaar is met een temperament vol heftigheden, dikwijls zelfs—meenen moderne psychologen—een bewijs daarvan.
Het praatje liep eens, dat hij tot den Roomsch-Katholieken godsdienst zoû overgaan en de Roomsch-Katholieke ritualiën hadden zeker altijd een groote aantrekkelijkheid voor hem gehad. Het dagelijksche Offer, meer verschrikkelijk waar dan al de offers der antieke wereld, roerde hem door de grootsche verwerping van wat de zinnen bewijsbaar wilden, door den primitiven eenvoud zijner essence, door de eeuwige pathos der menschelijke tragedie, die het bracht in symbool. Hij vond het zalig neêr te knielen op het koude marmer, te zien naar den priester; in zijnen stijven, gebloemden dalmatiek; met witte handen schoof hij den voorhang van den tabernakel weg, hief de juweelen lantaren van den monstrans op, den bleeken ouwel er in, die het panis coelestis, het brood der Engelen is; in het misgewaad van de passie van Christus, brak hij de Hostie in den kelk, sloeg zich de borst om zijne zonden. De walmende wierookvaten, die ernstige jongens in hun kant en scharlaken, als groote gouden bloemen de lucht inzwaaiden, hadden fijne bekoring voor hem. En als hij dan wegging, zag hij met wonder naar de zwarte biechtstoelen, voelde den wensch in zich: in de grijze schaduw van een pilaar te zitten, te hooren naar de mannen en vrouwen, die voor het gesloten rasterwerk fluisterden hun ware leven.
Maar hij had nooit de dwaasheid zijne intellectueele ontwikkeling te doen ophouden door het aannemen van eenig geloof of systeem. Mysticisme, met zijn wondere kracht van gewone dingen een schijn van vreemdheid en onzegbaarheid te geven, bekoorde hem voor een tijd; voor een tijd gaf hij zich over aan de materialistische leerstellingen van de Darwinistische beweging in Duitschland, en vond er een genoegen in gedachten en passies der menschen terug te brengen tot een parelachtig celletje der hersenen, tot eene witte zenuw in het lichaam. Maar geen theorie van het leven scheen hem zoo belangrijk toe als het Leven zelve. Hij voelde intens, hoe dor iedere geestelijke berekening is, zonder actie en ondervinding. Hij voelde, dat de zinnen, zoo goed als de ziel, spiritueele mysteries konden openbaren.
En zoo maakte hij nu een studie van geuren, van de geheimen hunner samenstelling; hij distilleerde zwaar geurende oliën en brandde welriekende harsen van het Oosten.
Hij zag, dat iedere stemming der ziel zijn evenwicht vond in het leven der zinnen, trachtte nu dier ware verhoudingen te kennen, onderzocht wat er toch is in wierook, dat mystiek doet werken, in amber, dat passies wekt, in nardus, dat doet walgen, in de aloë, dat de melancholie der ziel verdrijft.
Een ander maal wijdde hij zich der muziek, gaf vreemde concerten, in een lang vertrek met antieke ruitjes, purpergouden zoldering, muren van olijfgroen lakwerk; woeste zigeuners tokkelden er hartstochtelijke melodieën op kleine cithers; ernstige Tunisiërs, in gele châles, plukten er aan de gespannen snaren van reusachtige luiten; grinnikende negers sloegen er eentonig op koperen trommen; magere hindoes, met witte tulbanden, op purperen matjes, bliezen er op lange fluitjes van riet; zij betooverden er reusachtige slangen, gehorende pythons. Hij verzamelde uit alle deelen der wereld de vreemdste instrumenten, die men vinden kon. Hij bezat de geheimzinnige juruparis van de Rio-Negro Indianen, die de vrouwen niet zien mogen, de jonge lieden eerst na veel vasten en geeseling; de kruiken der Peruanen, die met het schelle geluid van vogels klinken; de fluiten van menschenbeenderen, zooals Alfonso de Ovalle in Chili ze hoorde; de klankvolle groene jaspis-steenen, die men vindt bij Cuzco, die een toon geven van wonderlijke zoetheid. De lange clarin der Mexicanen; de speler blaast er niet in, maar zuigt er door de lucht op; de schorre ture der Amazone-stammen; de schildwachten blazen ze; ze zitten in hooge boomen; men hoort ze drie mijlen ver; de teponaztli, met twee trillende tongen van hout; geslagen wordt ze met stokken, die gesmeerd zijn met gom uit melkig sap van planten; de yotlbellen der Azteken: in trossen hangen ze neêr als druiven; de groote cylindertrom, met slangenvel: Bernal Diaz zag dien met Cortes in den Mexcicaanschen tempel en hij beschreef zoo mooi er den klagenden klank van.
Het fantastische karakter dier instrumenten bekoorde hem en hij vond het zalig te zien dat Kunst, zoowel als Natuur, hare monsters bezit: dingen, beestelijk van vorm, afschuwelijk van toon.
Toen de studie van juweelen. Hij verscheen op een gekostumeerd bal als Anne de Joyeuse, admiraal van Frankrijk, vijfhonderdzestig parelen op zijn kostuum. Deze voorliefde behield hij jaren; ze verliet hem nooit geheel en al. Hij hield van het roode goud in den zonnesteen, de parelige blankheid van den maansteen, de gebroken regenboog in de melkwitte opaal. Fabelachtige legenden vond hij uit van juweelen. In Alphonso's Clericalis Disciplina komt eene slang voor met oogen van echt hyacinth; Alexander, overwinnaar van Emathia, vond in de valleien van den Jordaan slangen met snoeren van smaragd, die hun groeiden op den rug. De granaat verdreef de demonen, de spiegelsteen wies en kromp in met de maan. De bezoar, gevonden in het hart van een Arabisch hert, was een talisman tegen de pest.
Toen borduursels en gobelins, die fresco's der kille kamers van het Noorden. En terwijl hij zich hierin verdiepte, werd hij bijna treurig gestemd door het bederf, dat de tijd bracht in alle mooie dingen. Hij, tenminste was dat ontkomen! Geen winter verstijfde zijn gelaat, bevroor de frisschheid zijner jeugd. Hoe anders was dat met dingen van materie! Waar waren zij gebleven? Waar was het groote crocuskleurig kleed, waarop de goden vochten tegen de reuzen, gewerkt door bruine meisjes van Athena? Waar, het ontzettende velum, dat Nero gehangen had voor het Colosseum in Rome, dat Titanische zeil van purper, met de sterrenlucht en Apollo in een kar, getrokken door witte, goudgestrengde rossen? Hij wenschte te zien de tafelkleeden van den Priester van de Zon, waarop alle lekkernijen en spijzen voor een feest, het lijkkleed van Chilperic met drie honderd gouden bijen. Een geheel jaar lang verzamelde hij de mooiste weefselen, die hij krijgen kon: teedere Delhi mousselines met gouden palmen en regenbogende vleugels van kevers; Dacca-gazen; in het Oosten noemt men ze: geweven lucht en stroomende wateren en avonddauw; vreemd geteekende kleeden van Java; rijk gele Chineesche gordijnen; sluiers van laciswerk uit Hongarije; Siciliaansche brokaten; stijve Spaansche fluweelen; Georgische borduursels met gouden hoeken; Japansche Foukousas met groenig goud en kleurige vogels. En dan zijns speciale passie voor Kerkelijke gewaden, als voor alles wat tot de Kerk in betrekking stond.
Al deze schatten, alles wat hij in zijn mooi huis verzamelde, alles was voor hem: middel van vergetelheid; alles werd hem rage, waardoor hij voor een tijd trachtte te ontkomen aan den angst, die hem soms te zwaar scheen om te dragen. Aan den muur van de eenzame, geslotene kamer, waar hij zoovele zijner jongensjaren had doorgebracht, had hij met eigen hand dat ontzettende portret gehangen; de veranderende trekken ervan toonden hem de schande van zijn leven zoo duidelijk! Er voor hing het purpergouden lijkkleed, als een gordijn. Soms gingen er weken voorbij, zonder dat hij daar kwam; dan vergat hij dat geschilderd beeld van gruwel, hervond hij zijne luchthartigheid, zijne vroolijkheid, zijn hartstochtelijk opgaan in het leven. Dan, op eens, sloop hij 's nachts weg uit zijn huis naar een van die verschrikkelijke plaatsen bij Blue Gate Fields en bleef daar dagen achtereen, tot hij weggejaagd werd. Teruggekomen, zette hij zich voor zijn portret, het beeld, en zichzelven vervloekend; vaak ook vervuld met een trots van individualiteit, die de halve bekoring is der zonde; dan lachte hij met geheim genoegen over de misvormde schaduw, gedoemd den last te dragen die de zijne was. Enkele jaren later kon hij zelfs niet lang uit Engeland wegblijven, verkocht hij zoowel de villa, die hij in Trouville samen met Lord Henry bewoonde, als het kleine, wit ommuurde huis in Algiers, waar hij zoovele winters had doorgebracht. Hij kon niet gescheiden zijn van het portret, dat zooveel in zijn leven was; ook vreesde hij, dat iemand in zijne afwezigheid de kamer zoû binnendringen, in weêrwil van hare bewerkelijke sloten en grendels.
Hij begreep wel, dat men er toch niets van zoude begrijpen. Het was waar, dat het portret nog onder al die laagheid en leelijkheid sprekend op hem geleek, maar wat gaf dat? Hij had het immers niet geschilderd? Wat kon het hem schelen hoe afschuwelijk en vol schande dit er uit zag! Zelfs al vertelde hij zijn geheim, niemand zoû het gelooven. En toch was hij bang. Soms op zijn groot buiten in Nottinghamshire, feestvierend met zijne vrienden, jongelui van de wereld, ieder verbazende door de lichtzinnige luxe, de schitterende splendeur zijner levenswijze, verliet hij in eens zijne gasten, vloog hij naar de stad om te zien of iemand aan de deur geweest was, of het portret er nog hing. Als het eens gestolen was! De gedachte alleen maakte hem koud van angst. De wereld zoû zijn geheim dan weten. Misschien vermoedde de wereld al iets!
Want al bekoorde hij velen, er waren er toch die hem wantrouwden. Hij werd bijna gedeballoteerd uit de West-End Club, waarvan hij toch, om geboorte en pozitie, volkomen recht had lid te zijn; men vertelde, dat, geïntroduceerd in de rookkamer van den Churchill, de Hertog van Berwick en een andere heer zeer gemarqueerd op waren gestaan, waren heengegaan. Vreemde geschiedenissen liepen over hem om. Er werd verteld, dat hij gezien was, vloekende met vreemde matrozen in White-Chapel, dat hij omging met dieven en valsche munters, ingewijd was in al hunne geheimen. Zijne geheimzinnige verdwijningen werden ruchtbaar; wanneer hij zich dan weêr vertoonde, fluisterde men in hoekjes of ging hem voorbij vol minachting, zag hem aan met koude, doordringende blikken als wilde men zijn geheim weten. Van zulke veronachtzamingen of beleedigingen nam hij natuurlijk geen notitie; voor de meesten waren zijne openhartige, gulle manieren, zijn glimlach vol innemendheid, zijne jeugd vol bekoring, die hem nooit scheen te verlaten, het beste antwoord op alle lasterpraat. Maar opmerkelijk was het, dat zij, die het meest intiem met hem geweest waren, hem later vermeden. Vrouwen, die hem aangebeden, voor hem wereld en conventie getrotseerd hadden, ze werden bleek van schaamte en afschuw, als Dorian Gray binnenkwam! In de oogen van velen echter verhoogden deze gefluisterde schandaaltjes nog de vreemde en gevaarlijke bekoring, die van hem uitging. Zijn rijkdom gaf hem veiligheid. De wereld, de gecivilizeerde wereld ten minste, wil nooit gaarne gelooven ten nadeele van iemand, die rijk is en weet in te nemen. Zij voelt als bij instinct, dat goede manieren meer waard zijn dan moraliteit en in haar oordeel weegt de hoogste respectabiliteit niet op tegen het bezit van een goeden kok. En eigenlijk is het ook een schrale troost te hooren, dat iemand bij wien men een slecht diner of slechten wijn gehad heeft, een onberispelijk leven leidt. De stelregels voor het leven van de wereld, zijn of moeten dezelfde zijn als die van de kunst. Vorm is vereischte. Kunst moet zoowel de waardigheid als de onwerkelijkheid eener ceremonie hebben, en het onware karakter van een romantisch voordoen vereenigen met die geestigheid en schoonheid, waardoor zulk voordoen ons bekoort. Is onoprechtheid dan zoo iets vreeselijks? Ze is immers maar eene manier om onze persoonlijkheid te vermenigvuldigen. Dit was ten minste Dorian Gray's oordeel. Hij verwonderde zich over de kleinzieligheid van hen, die beweren dat de Ikheid in een mensch, iets primitiefs blijvends, standvastigs is, ééne essence. Voor hem was een mensch een wezen met myriaden levens en myriaden sensaties, complexe veelvuldigheid vreemder overervingen van gedachte en passie, het lichaam bezet door afzichtelijkste ziekten der dooden zelve.
Hij hield ervan te dwalen door de holle, koude schilderijengalerij van zijn kasteel, te zien naar de verschillende portretten van hen, wier bloed vloeide door zijne aderen. Hier Philip Herbert, door Francis Osborne, in zijne memories uit de Regeering van Koningin Elizabeth en Koning James beschreven: "Iemand door het hof vertroeteld om zijn knap uiterlijk, dat hij niet lang behield." Leidde hij soms het leven van den jongen Herbert? Was een vreemde, giftige kiem gekropen van lichaam tot lichaam, totdat ze nu in het zijne was? Was het door onbewuste herinnering aan de verloren schoonheid, dat hij zoo plotseling, zonder reden, dien wensch geuit had in Basil Hallwards atelier? Daar, in een rood met goud geborduurd wambuis, in overrok vol juweelen, goudgerande kraag en polsbanden, Sir Anthony Sherard, de zilver-en-zwarte wapenrusting aan zijne voeten opgehoopt. Had die minnaar van Giovanna van Napels hem een erfenis van zonde en schande nagelaten? Waren zijne eigen handelingen slechts droomen geweest voor den doode, die ze niet tot werkelijkheid had durven maken? Hier glimlachte Lady Elizabeth Devereux. Een gazen coiffe, parelen keurs, roze puntmouwen. Een bloem in haar linkerhand, in haar rechter een geëmailleerde keten van witte en roze rozen. Op een tafel naast haar een mandoline, een appel. Groote groene rozetten op haar kleine puntige schoentjes. Hij kende haar leven en de zonderlinge geschiedenissen over haar minnaars. Had hij iets van haar temperament in zich? Die matte ovale oogen blikten hem zoo vreemd toe. En wat had hij van George Willoughby, met zijn gepoeierde pruik en mouches. Hoe slecht zag hij er uit! Het gezicht was stuursch en tanig, de zinnelijke lippen minachtend samengetrokken. Fijne kanten vielen over de magere, gele handen, overladen met ringen. Hij was een dandy geweest in de achttiende eeuw en een vriend van Lord Ferrars. Dan de tweede Lord Beckenham, een vriend van den Prins Regent uit zijne wildste dagen, getuige bij diens geheim huwelijk met Mr. Fitzherbet. Hoe trotsch en knap was hij, met zijne bruine krullen en zijn overmoedige houding! Welke passies had hij hem nagelaten? De wereld had hem een schandvlek genoemd. Hij had de orgieën van Carlton House geleid. De orde van den Kouseband schitterde op zijn borst. Naast hem het portret zijner vrouw, een bleeke, dunlippige dame in het zwart. Ook haar bloed stroomde in het zijne. Hoe vreemd scheen dat alles! En dan zijne moeder, met haar Lady-Hamiltongezichtje en haar van wijn vochtige lippen; hij wist wat hij van haar had: zijne schoonheid, en zijne passie voor de schoonheid van anderen. Zij lachte hem toe in haar los Bacchante-kleed. Druivenbladeren had zij in het haar. Het purpervocht stortte uit den beker in haar hand. De kleuren van de schilderij waren verbleekt, maar de oogen waren nog prachtig in diepte en schittering. Zij schenen hem te volgen, overal waar hij ging. En dan had een mensch nog voorouders van literatuur, zoowel als van zijn eigen geslacht, en nader nog in type en temperament, van nòg meer invloed. Er waren oogenblikken, dat het Dorian Gray scheen, of de geheele historie slechts een kort begrip was van zijn eigen leven, niet als hij het leefde door daden en omstandigheid, maar als hij het zich schiep in verbeelding en passie. Hij voelde, dat hij ze allen kende, die vreemde, verschrikkelijke spelers van het wereldtooneel, die de zonde hadden zoo heerlijk, het kwaad zoo subtiel gemaakt. Het scheen hem, dat op mysterieuze wijze hunne levens waren zijn eigen leven geweest. Ook de held uit zijn roman had deze curieuze sensatie doorleefd. In het zevende hoofdstuk vertelde hij: als Tiberius, gekroond met laurieren, dat de bliksem hem niet trof, gezeten te hebben in den tuin van Capri; hij las er de schandelijke boeken van Elefantis, dwergen en pauwen rondom hem heen, vol statigheid; als Caligula had hij gedronken met knechten in den stal, had gegeten uit de ivoren ruif van een paard, met juweelen getuigd; als Heliogabalus had hij geverfd het gelaat, gezeten aan het spinnewiel met vrouwen, en de Maan gehaald van Carthago en haar in mystisch huwelijk gegeven aan de Zon.
Telkens en telkens herlas Dorian Gray dit fantastisch hoofdstuk; ook de twee volgende, waar, als in tapijtwerk en email, de verschrikkelijke schoone beelden stonden van hen, die door zonde of bloed of spleen, monsterachtig waren geworden en krankzinnig. Filippo, hertog van Milaan, die zijne vrouw vermoordde en haar lippen wreef met een purper vergif, dat haar minnaar den dood mocht kussen van het ding, dat hij liefkoosde. Pietro Riario, de jonge Kardinaal-Aartsbisschop van Florence, kind en geliefde van Sixtus IV, zijne schoonheid alleen gelijk aan zijn verderf en die Leonora van Arragon ontving in een paviljoen van witte en roze zijde, gevuld met nymfen en centauren, en die een knaap vergulde om hem te doen zijn op een feest Ganymedes of Hylas; Karel VI, die zijn broêrs vrouw zóó had bemind, dat een lepra hem waarschuwde voor de krankzinnigheid, die hem bedreigde, en die, zijne hersens ziek en vreemd, slechts kalm kon worden met Saraceensche kaarten, waarop beelden van liefde van dood en van dolheid …
Er was afschuwelijke bekoring in alle dezen. Hij zag ze 's nachts vóór zich, en overdag spookten zij in zijne verbeelding. De Renaissance kende vele wijzen van vergiftiging door een helm, een aangestoken toorts, door geborduurde handschoenen, een waaier met juweelen, en een keten van amber. Dorian Gray was vergiftigd door een boek.