XLV.
Reading edition
Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor geen van beiden had verwezenlijkt.—En toen was 't uit, de grijze dood stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid, zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.
Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.—En eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ... bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.
"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar ongelukkig jong leven.—De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige jonge vrouw.
Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.
Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne, wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe, het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst gevouwen. —O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen, die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren wierook rondom haar ten hemel stegen.
Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen, naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't stille nonnetje begeleid.