← Table of contents
Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

XXIII.

Reading edition

Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen van zijn akker.—Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen, als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.

Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als die waaronder Alfons kwijnde.

Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven 't hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon, gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige onderdanen waren.

"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?—Moar al da wirk hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."

De barones werd bijna boos.

"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kùnt genezen."

Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar even dankbaar aan.

"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt," verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."

"'t Moe nòù wel goan; ge 'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de dorpsdokter in 't midden.

"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk 'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.

Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou, hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij eenmaal vertrokken was.

"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen voor alles zorgen," zei de barones.

"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien Fransch!" zei Rozeke bezwaard.

"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."

Zij zwegen.—Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:

"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde. Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."

Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings