← Table of contents
Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

XVI.

Reading edition

De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij Vaprijsken naar 't dorp om den dokter.

Eerst tegen avond kwam hij aan.

"Och Hiere! menier den dokteur, 'k hè toch zeu stijf noar ou verlangd, want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht.

"Joa joa moar.... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne kier ziek," banaalde hij troostend.

Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had.

"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken."

"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den dokteur?" angstvraagde Rozeke.

"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal," antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij hè 't fleurus en we moeten oppassen dat 't gien longontstekijng 'n wordt,"

"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen. "O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!"

"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij hè hij da woarschijnlijk al nen tijd in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen, voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen. Niets eten,—maar daar zou hij ook wel niet naar talen—en, als hij dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden ochtend vroeg zou hij terugkomen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings