DE PLAATKIEUWIGEN (Lamellibranchiata). (continued 2)
Reading edition
De veelvuldig voorkomende, aan beide einden openstaande schelpen van de Gapers (Mya) hebben een grooten, loodrecht op het middenvlak gerichten, lepelvormigen tand onder het slot van de linker klep. De Strandgaper (Mya arenaria) heeft een 10 cM. lange, 6.5 cM. hooge, langwerpig ovale schelp. De Stompe Gaper, in Zuid-Holland Kussentje genoemd (Mya truncata), is kenbaar aan de sterk afgeknotte, wijd openstaande achterzijde van de overigens eivormige, zeer bolle, 6.5 cM. lange, 5 cM. hooge schelp. De mantel is bijna geheel gesloten; door een kleine spleet aan de voorzijde kan de korte, kegelvormige voet uitgestoken worden; de lange, dikke siphonen zijn onderling vergroeid en met een dikke opperhuid bedekt. Het dier is zoo ver bedolven in ’t zandige strand, dat alleen het met franje bezette uiteinde van de schijnbaar enkelvoudige mantelbuis zichtbaar is. Zoodra het door voetstappen of aanraking verontrust wordt, verdwijnt het geheel in zijn hol. Op den vlakken grond kunnen de Gapers zich achterwaarts bewegen door den voet achtereenvolgens te krommen en te strekken. In sommige streken van Engeland en Noord-Amerika worden deze dieren door de armste volksklasse gegeten; ook dienen zij als lokaas bij de vischvangst.
De Mesheften (Solen) gelijken door hun levenswijze veel op de Gapers en hebben, evenals zij, een van voren en van achteren openstaande schelp. Deze is scheedevormig verlengd en meestal met een dikke, bruine opperhuid bekleed. De dikke, rolronde, aan ’t einde knotsvormige voet wordt door de voorste spleet van den mantel naar buiten gestoken en is een uitmuntend graafwerktuig in het lichte zand van den oever. De kustbewoners van de Middellandsche Zee eten deze Weekdieren, die zij Capa lunga en Capa di Deo noemen. Men vangt het Mesheft, dat men voorzichtig genaderd heeft, door het, als een gravenden Mol, met de spade omhoog te werpen, of door in het gat, waarin het vlug tot op 0.5 M. diepte afdaalt, een dunne, in een knop eindigende, ijzeren stang te steken, waaraan men het dier kan optrekken, indien de knop tot in de schelp is doorgedrongen. Aan de Middel-Europeesche kusten komen drie soorten voor: de (bij ons zeer zeldzame) 125 mM. lange, 21 mM. hooge Rechte Messcheede (Solen vagina), de sterk gekromde, 93 mM. lange, 12 mM. hooge Zwaardscheede (Solen ensis) en het 200 mM. lange, 25 mM. hooge Tafelmesheft (Solen siliqua).
De Steenborers of Pholaden, aan de Zuid-Hollandsche kust Wiegen, op Walcheren Boerinnehoedjes genoemd (Pholas), wijken door schelpvorm en lichaamsbouw aanmerkelijk af van alle overige Plaatkieuwigen. De schelp is langwerpig van vorm en van achteren open. De beide schelpkleppen zijn op een zeer eigenaardige wijze met elkander verbonden, hebben ieder van binnen een lepelvormig uitsteeksel, hetwelk aan den slottand van de linker schelpklep van Mya herinnert. De rugrand van iedere schelpklep is in de slotstreek omgeslagen en vormt een plaatvormig uitsteeksel met een aantal openingen, dienende tot het doorlaten van spierbundels, die zich hechten aan een paar los op den rug liggende, bijkomende schelpstukken. Bij de Gewone Pholade (Pholas dactylus) en vele van hare verwanten zijn er twee (ongerekend het lange en smalle stuk, dat er achter gelegen is), bij andere slechts één. Door deze inrichting wordt een vollediger afsluiting aan de rugzijde verkregen, terwijl het dier de voorste gedeelten van de beide slotranden van elkander verwijdert, hetgeen noodig is voor het boren. Hiervoor dienen bij alle soorten reeksen van uitsteekseltjes en tandjes aan de buitenzijde van de schelp, welker voorste oppervlakte hierdoor op een groote rasp gelijkt. Op deze wijze boren zij horizontale gangen in zachte gesteenten en hout; het dier vangt deze werkzaamheid aan op zeer jeugdigen leeftijd, dadelijk na het verlaten van den larvetoestand, terwijl het nog zeer klein is, en zet haar levenslang voort. Het maakt de gang voortdurend dieper en wijder, maar kan haar niet verlaten, daar het zich niet kan omkeeren en de eerste gevormde deelen van de woning de nauwste zijn. Alleen de siphonen treden door de opening van de gang naar buiten en kunnen er geheel in teruggetrokken worden. — Naar het schijnt, kan de voet bij het graven van gangen in weeke stoffen dienst doen. Volgens sommigen spelen bij ’t boren kiezelsplintertjes in den voet en ’t voorste deel van den mantel een rol. Van een bijtende vloeistof heeft men nooit eenig spoor kunnen ontdekken.
Een andere eigenaardigheid van de Pholaden is het lichtgevend vermogen, dat zich, evenals bij andere op deze wijze begaafde dieren, eerst na prikkeling openbaart. Wanneer men een Pholade aanvat en beweegt, komen als ’t ware wolkjes uit haar lichaam te voorschijn, die langzamerhand het omgevende water lichtgevend maken. Zij bestaan uit een slijm, dat aan alle voorwerpen, waarmede het in aanraking komt, blijft hangen, en door bepaalde organen van betrekkelijk geringen omvang wordt uitgescheiden.

Gewone Pholade (Pholas dactylus):—1. Schelp.—2. Het dier zonder de schelp. Het langwerpige lichaam heeft een bijna gesloten mantel, van voren eindigend in 2 slippen (a), waarop een dunner gedeelte (b) volgt en verder een deel, dat verscheidene spieren (g, f) bevat, ook die (c), welke voor het terugtrekken van de lange siphonen dienen. In het ronde, trommelvormige deel bevindt zich een cirkelronde opening, waarin men den voet (h) opmerkt; deze is zeer krachtig, kort en breed; het plaatvormig uiteinde schijnt o.a. ook als zuignap dienst te doen. De onregelmatige lap (e) is de opperhuid, die de schelp van achteren sluit.—Ware grootte.
De tot dusver genoemde Borende Schelpdieren (Pholadidae) richten geen schade van eenige beteekenis aan. In hooge mate schadelijk voor alle houten voorwerpen, die een tijdlang door zeewater omgeven blijven, zijn echter andere leden van dezelfde familie, die het geslacht der Paalwormen (Teredo) vormen. Vooral in het paalwerk van zeeweringen, havens, bruggen, richten deze dieren groote verwoestingen aan. Den onjuisten naam van Wormen danken zij aan hun buitengewoon langwerpig lichaam; slechts het kleine, gezwollene, voorste lichaamsdeel is met een gelijkkleppige schelp bedekt. Elke schelpklep bestaat uit drie afdeelingen: de voorste is lepelvormig en veel smaller dan de middelste, die eveneens breeder is dan het achter- of halsgedeelte, dat bij het levende dier steeds bedekt is door een plooi van den mantel, welke zich, zoolang het dier niet boort, over de geheele schelp uitbreidt. Evenals bij de Pholaden, ontbreken het slot en de slotband; de schelpkleppen zijn slechts in een punt aan de buikzijde met elkander in aanraking en laten van voren en van achteren een wijde opening over. De voorste omvat een mantelspleet, dienende voor het uitsteken van den kleinen, cilindrischen voet, met welks afgeknot voorste uiteinde het dier zich gedurende het boren vasthecht. Van achteren loopt het wormvormige lichaam uit in twee siphonen van ongelijke lengte: de kortste voorziet het lichaam van water en voedsel; de langste verwijdert, behalve het water, dat voor de ademhaling gediend heeft, de uitwerpselen, de jonge larven en het houtboorsel, dat door de werking der schelpkleppen ontstond. Het knagen geschiedt namelijk niet met het doel om voedsel, maar uitsluitend om een woning te verkrijgen. Bij den oorsprong der mantelbuizen komen twee kalkplaatjes (paletten) voor en bevat het lichaam een krachtige, ringvormige sluitspier. Ook bevindt zich hier een dwarsspier, die vermoedelijk met de achterste sluitspier der overige Tweespierige Plaatkieuwigen vergeleken moet worden. De voorste is in de schelp gelegen. Aan het door Paalwormen aangetaste houtwerk merkt men uitwendig slechts kleine, 1 à 1.5 mM. wijde, scheef in het hout doordringende gaatjes op, waaruit de beide mantelbuizen te voorschijn komen, zoolang het dier ongestoord wordt gelaten. De gang in het hout wordt allengs wijder en eindigt blind op de plaats, waar de schelp zich bevindt. Van binnen is zij bekleed met een witte kalklaag, door den mantel aan zijn oppervlakte uitgescheiden. Een verbinding van het dier met deze buis komt alleen voor ter plaatse, waar de paletten zich bevinden. De ruimte in iedere gang wordt geheel ingenomen door den Paalworm, die in volwassen toestand meestal 8 cM. lang is. Voor het boren is geen draaiende, maar een heen en weer gaande beweging (het beurtelings openen en sluiten der schelp) noodig. Beide bewegingen zijn een gevolg van spiersamentrekking: de sluitspieren werken, evenals bij de Pholaden, op een binnenwaarts gericht uitsteeksel van iedere schelpklep; die, welke voor ’t openen dienen, hechten zich aan de buitenste oppervlakte der schelp. De samenwerking van beide spieren met die van den voet brengt een zeer langzame draaiing van het dier om zijn as teweeg; deze heeft alleen ten doel een ander aanhechtingspunt te verkrijgen voor den voet, die, als zuignap werkend, het dier naar den bodem van de gang trekt en de raspende randen der schelpkleppen tegen het hout drukt. Het lepelvormig gedeelte van iedere klep is n.l. voorzien van uiterst fijne, op reeksen geplaatste, wigvormige tandjes (ongeveer 100 op 1 mM.), die loodrecht staan op de richting der iets grootere tandjes (ongeveer 30 op 1 mM.), die aan het middelste schelpgedeelte voorkomen. (Op een zeer groote, 7.5 mM. lange schelpklep telde men 4000 tandjes op de 40 onderling evenwijdige rijen). Het hout wordt dus achtereenvolgens in 2 richtingen getroffen en als ’t ware in vierkante stukjes gesneden, fijn genoeg om het darmkanaal en de kloak-sipho te passeeren. Naarmate de tandjes afslijten, komen er nieuwe te voorschijn op een volgende groeistreep. De gangen, die aanvankelijk scheef naar binnen gericht zijn, worden weldra geheel in de richting van de houtvezels voortgezet en wijken hiervan alleen af, als de nabijheid van een andere gang dit noodig maakt. Nooit snijden twee gangen elkander, hoewel zij ten slotte zoo dicht bijeenliggen, dat er slechts een dun tusschenschot overblijft en het hout, dat van buiten nagenoeg gaaf schijnt, doch van binnen in een sponsachtige massa veranderd is, geen weerstand meer kan bieden. Natuurlijk strekt de vernieling zich niet hooger uit dan halftij (d. i. op de hoogte midden tusschen gewoon hoog- en laagwater), daar de siphonen steeds in schoon zeewater moeten uitmonden. De volwassen Worm kan hoogstens 3 à 4 dagen buiten ’t hout in zeewater leven; in hout, dat niet met zeewater in aanraking is, sterft hij binnen 24 uur.

Paalworm (Teredo fatalis); ware grootte.—Rechts: de larve; vergr.—De bevruchte eieren ontwikkelen zich in de mantelholte van het wijfje tot kleine larven, die, voorzien van een als zwemorgaan dienend kopscherm en van een tweekleppige schelp, door de kloakopening het lichaam van de moeder verlaten. In de Noordzee komen zij ongeveer in ’t einde van Juni voor. Weldra vestigen zij zich in een spleet van een paal en veranderen reeds in 8 à 14 dagen in uiterst kleine Paalwormen, die geheel den vorm van het volwassen dier hebben en beginnen nu de gang te boren, die zij niet meer zullen verlaten.
Ook in den tegenwoordigen tijd richt de Paalworm dikwijls groote schade aan; vele middelen worden aangewend om haar te voorkomen. Het houtwerk van sluizen wordt gewoonlijk tweemaal goed geteerd, daarna met grauw papier of vilt overdekt en eindelijk met koperen platen bekleed. De kosten hiervan bedragen ongeveer f 13 per M2.—Ook de houten zeeschepen worden tegenwoordig algemeen gekoperd. Bij visschersvaartuigen kan men dit niet doen, daar de netten aan de hoeken der koperen platen blijven haken en hierdoor schade lijden zouden. Van zulke vaartuigen wordt, wanneer zij op het strand of op de helling droog liggen, de huid schoongeschrapt, afgebrand en vervolgens geteerd. Deze bewerking wordt 2- of 3-maal per jaar in ’t warme seizoen toegepast.—Palen worden door een roestkorst beveiligd en te dien einde, van halftij of iets hooger tot 0.75 M. diepte in den grond, zorgvuldig beslagen met smeedijzeren wormnagels: groote met een kop van 3 à 4 cM. middellijn en, voor ’t vullen van de hiertusschen overblijvende openingen, kleine met een kop van 2 cM. middellijn. De kosten van deze bewerking worden op f 5.40 per M2 geraamd.—Ook door een voldoende inpersing van creosootolie (± 300 L. per M3 hout) wordt de beschadiging door den Paalworm voorkomen. Wegens de groote kosten van dit voorbehoedmiddel zal—vooral bij palen, die ver boven water staan en diep in den grond steken—het creotoseeren het oude bespijkeren met wormnagels nog wel niet op den achtergrond dringen.
De Gastrochaenaceën bewonen in volwassen toestand een door den mantel gevormde, slechts aan één einde geopende kalkkoker, die op verschillende wijzen beschut wordt. Het achterste deel van het langwerpige lichaam bestaat uit twee over haar geheele lengte vergroeide siphonen; overigens heeft de zakvormige mantel geen andere opening dan die waardoor, dicht bij het vooreinde, de zeer kleine voet wordt uitgestoken. De dunne, van voren wijd gapende schelp is op verre na niet voldoende tot berging van de weeke deelen en mist steeds aan de binnenzijde der kleppen het uitsteeksel, waardoor de leden der vorige familie zich onderscheiden. De 2 cM. lange Gastrochaena modiolina die bij de Engelsche kust in rotsspleten leeft, voegt kleine steentjes en schelpgruis bijeen tot een fleschvormig nest, dat de schelp geheel omgeeft; zij bekleedt het van binnen met een dunne kalklaag. Met uitzondering van den hals, die voor het uitsteken der siphonen geopend blijft, is het nest geheel gesloten. Ditzelfde dier kan, naar het schijnt, ook een gat boren in het gesteente, waarbinnen het zich met een koker omgeeft, evenals zijne verwanten doen in oesterschelpen, koralen, opeenhoopingen van Zeepokken, enz.

A. Scheededragende Gieterschelp (Aspergillum vaginiferum), na verwijdering van de 12 à 15 cM. lange kalkkoker. Het dier verkeert in sterk samengetrokken toestand. De geheel gesloten mantel (a) eindigt van voren (naar onderen met betrekking tot den zeebodem) in een soort van schijf, met een fijne spleet (c) in het midden, tegenover een spleet in den kalkkoker. Iets verder naar achteren (bij b) bevindt zich een fijne opening voor het uitsteken van den spits eindigenden, kleinen voet. De achterste helft van den mantel vertoont dwarse rimpels en aan ’t einde de siphonale openingen (e). Deze soort bewoont de Roode Zee.—B. Voorste (in ’t zand bedolven) deel van de Javaansche Gieterschelp (Aspergillum javanum). Ware grootte. Het geheele dier wordt 13 à 16 cM. lang.
Een nog zonderlinger voorkomen hebben de Gieterschelpen (Aspergillum), zoo genoemd naar den vorm van den als woning dienenden kalkkoker; deze is n.l. van onderen afgesloten (B) door een schijf, welke op een sprei van een gieter gelijkt. De spleetvormige opening in ’t midden van de schijf is omgeven door een aantal holle buisjes, die langs den rand de grootste lengte bereiken en, naar men vermoedt, dienen voor het uitsteken van draadvormige deelen van den mantel. De beide schelpkleppen zijn zeer klein gebleven en op korten afstand van het onderste uiteinde van den koker met deze vergroeid. De koker heeft den vorm van een cilinder of van een afgeknotten kegel en is voor drie vierde van haar lengte in het zand van den zeebodem verborgen; door de opening aan het bovenste deel steken de uiteinden der siphonen uit. Van dit geslacht zijn een twintigtal levende soorten bekend, die de warme zeeën van het oostelijk halfrond bewonen. Het noordelijkste deel van haar verbreidingsgebied is de Roode Zee.