DE BUIKPOOTIGEN (Gastropoda).
Reading edition
Iedereen kent vertegenwoordigers van deze klasse onder den naam van Slakken, dieren met meer buik dan kop, die met moeite op hun platte zool voortkruipen, het asymmetrische, spiraalswijs gewonden huis, dat den ingewandenzak bevat, op den rug dragen en van oudsher beschouwd worden als zinnebeelden van langzaamheid en trage, vervelende bedachtzaamheid.
Wegens het bezit van een meer of minder duidelijk begrensden kop heeft men de Slakken ook wel Kopdragers (Cephalophora) genoemd. Zij stemmen in dit opzicht, zooals reeds gebleken is, overeen met de Cephalopoden, die zich van haar door het bezit van armen om de mondopening onderscheiden. Dat het bezit van een kop een belangrijk kenmerk van de Slakken is, blijkt reeds bij oppervlakkige vergelijking van deze dieren met de Mossels, waaraan men tevergeefs naar een kop zou zoeken; deze staan hierdoor op veel lageren trap van organisatie en toonen dit door haar leven. Hoogst eigenaardig is ook de „slakkengang.” Deze beweging komt tot stand door de werking van de zoolvormige, gespierde schijf, van den voet, die vooral bij de Naakte Slakken, waar zij zich over de geheele buikzijde van ’t lichaam uitstrekt, bijzonder duidelijk in ’t oog valt. Aan dit orgaan danken de Slakken den naam van Buikpootigen (Gastropoda). Wanneer men een Slak op een stuk vensterglas laat kruipen en dit omkeert, ziet men, terwijl het dier zijn gelijkmatige beweging voortzet, in ’t midden van de zool rimpels en groeven, die zich „als de golven der zee,” gelijk Swammerdam zegt, van den kop naar den staart voortplanten. Een Landslak zal tevens het door haar gevolgde pad bedekken met een als zilver glinsterende laag van slijm; het dier scheidt deze stof uit om minder hinder te hebben van de oneffenheden. De Waterslakken bewegen zich geheel op dezelfde wijze, kruipen over den zeebodem, beklimmen steile rotsmassa’s of dwalen in hare schuilplaatsen tusschen zeeplanten en koralen rond. Bovendien kan men aan al onze Land- en Waterslakken opmerken, welke eigenaardigheden de mantel, die bij alle Weekdieren zulk eene belangrijke rol speelt, in deze klasse vertoont. Bij de Huisjesslakken vormt hij van voren een dikke plooi, die als een kraag over den kop kan worden getrokken, en van achteren een soort van breukzak, die een groot deel van de ingewanden bevat; bij de meeste Naakte Slakken onderscheidt hij zich niet duidelijk van de overige lichaams-bekleedselen; hoe echter zijn vorm moge zijn, nooit is hij aan de buikzijde gesloten.
De Slakken zijn voor ’t meerendeel waterdieren; de meeste bewonen de zee. Zeeslakken ontmoet men in ieder gebied, te beginnen bij het uiterste deel van de kust, dat nog geregeld door de golven bespoeld wordt, tot in de open zee op alle diepten. Geen enkele Zeeslak heeft zich boven de ademhaling door kieuwen verheven; alle Longslakken leven in het zoetwater of op het land.
Voor het begrijpen van de beschrijving van een Slak is eenige bekendheid met den bouw en de samenstelling van haar schelp noodzakelijk. Het voornaamste bestanddeel van alle Weekdierschelpen is koolzure kalk; de hoeveelheid dezer stof wisselt in de schelpen van de hedendaagsche Slakken van 95 tot 98 percent af; het gehalte aan organische stof (conchioline) bedraagt ongeveer 1.5 percent.
Om den vorm van een slakkenhuis in ’t algemeen te leeren kennen, zou men als type de voorkeur kunnen geven aan de schelp van de grootste Europeesche Landslak, van de Wijngaardslak (Helix pomatia). Daar echter deze soort hier te lande zeldzaam is (men vindt haar hier en daar in de duinen, ook in Gaasterland en Limburg) en waarschijnlijk van elders werd ingevoerd, zullen wij liever de zeer algemeene, doch aanmerkelijk kleinere Tuinslak (Helix nemoralis) als voorbeeld nemen. De meeste verschijnselen, die wij nu te bespreken hebben, komen trouwens bij beide soorten voor. Wanneer men een slakkenhuis met de spits (of top) naar zich toe en met het grondvlak (de basis) op de tafel plaatst, heeft het denzelfden stand, als wanneer het nog bewoond wordt door het (in dit geval van ons af kruipende) dier, zoodat men zich gemakkelijk rekenschap kan geven van de uitdrukkingen vóór (of onder), achter (of boven), links en rechts: de buitenrand van den mond (of opening) der schelp is nu rechts gelegen. Wanneer men het huisje met de spits omhoog en de opening naar zich toe in de hand houdt, ziet men de omgangen van rechts naar links afdalen. Onze schelpen zijn dus rechts gewonden, evenals die van de meeste Slakken. Slechts enkele geslachten—b.v. de Blaashorenslakken (Physa) en de Spoelhoornslakken (Clausilia)—zijn geregeld links gewonden. Bij uitzondering vindt men ook bij allerlei andere geslachten en soorten exemplaren, die door een links gewonden huisje van den regel afwijken, b.v. bij Wijngaardslakken.—Aan den rand van den naar ons toegekeerden mond der schelp onderscheidt men twee gedeelten: rechterrand, buitenrand of buitenlip en linkerrand, binnenrand of binnenlip (welker onderste deel spilrand heet). Bij de schelpen, die wij als voorbeelden kozen, zijn beide lippen gescheiden, althans van boven, waar het uiteinde van de naad (de uitwendig zichtbare verbindingslijn der omgangen) de grens vormt. (Zelden, o.a. bij Cyclostoma en Scalaria vormen beide randen een onverdeelde, meestal cirkelvormige of ovale lijn.) De echte binnenlip is steeds, zooals in ons geval, kenbaar aan een (soms zeer dun) kalklaagje van afwijkende geaardheid, dat, zich over het midden van het grondvlak der schelp uitbreidend, het zoogenaamde eelt vormt. Op de hierdoor bedekte plek zou anders, zooals bij sommige huisjes van de Wijngaardslak werkelijk geschiedt, een opening (of althans een nauwe spleet) overblijven. De navel (of navelspleet) gaat hier echter niet verder dan de laatste omgang (valsche navel). Wanneer echter de spiraalswijze kronkelingen van de kegelvormige buis, waaruit men zich het slakkenhuis gevormd kan denken, nergens geheel tot aan de as van de spiraal reiken, maar hier een ruimte overlaten, zal de schelp een kanaal hebben, dat zich van het grondvlak tot bij de spits uitstrekt (echte navel). Aan een stevige strandschelp, b.v. de Gewone Wulk (Buccinum undatum), die volgens de as is doorgezaagd of afgeslepen, merkt men een massieve spil op; bij genavelde schelpen, b.v. de Verrekijkerslak (Solarium perspectivum), zal men een doorboorde spil vinden.—De buitenlip heet recht, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, een voortzetting vormt van den laatsten omgang, omgeslagen, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, naar buiten, ingerold, wanneer zij naar binnen omgebogen is.—Van enkele regelmatig gewonden schelpen zijn de omgangen in ’t geheel niet met elkander in aanraking; een voorbeeld hiervan is de Echte Wenteltrap (Scalaria pretiosa), die door de schelpenverzamelaars op zeer hoogen prijs wordt gesteld.—Alle omgangen, met uitzondering van den laatsten, vormen gezamenlijk de winding. De kern, het alleroudste deel van de schelp, vertoont soms een afwijkenden vorm.—De Wijngaardslak, de Tuinslak en de meeste van hare talrijke verwanten sluiten den mond van het huisje alleen gedurende den winterslaap met een deksel, dat in ’t voorjaar wordt afgeworpen; bij de Wijngaardslak is het verkalkt; bij de Tuinslak en andere Landslakken vliezig. Een blijvend deksel kan ieder, die niet aan zee woont, te zien krijgen bij de Moerashoornslak (Paludina). Deze draagt op de rugzijde van den voet een hoornachtige plaat; bij vele andere Slakken is het deksel verkalkt en vertoont, evenals het huisje, omgangen als gevolg van de voortdurende vergrooting. Overal waar de omgeving beurtelings uit lucht en uit water bestaat, is het deksel het eenvoudigste middel voor de Slak om zich volkomen terug te trekken in de voor vloeistoffen ondoordringbare schelp en deze waterdicht te sluiten. Het dier kan door het vocht, dat zich nog in zijn woning bevindt, in ’t leven blijven en zonder eenige levenswerkzaamheid een gunstiger tijd afwachten. Daarom zijn o.a. alle Strandslakken van een deksel voorzien.
EERSTE ORDE.
DE VINPOOTIGEN (Pteropoda).
De Vinpootigen (Pteropoda) staan op een aanmerkelijk lageren trap van organisatie dan de overige Slakken; hun lichaamsbouw biedt verscheidene eigenaardigheden aan, die in een algemeen overzicht van de klasse niet konden worden opgenomen, zonder dit onduidelijk te maken en aanleiding te geven tot een verkeerde voorstelling. Bovendien vertoonen de Vinpootigen eenige verwantschap met de overigens zooveel hooger bewerktuigde Cephalopoden. Bepaaldelijk geldt dit van die, welker achterlichaam door een mantel omhuld is; ook kan als zoodanig gelden het maaksel van den trechter bij Nautilus, welks beide lobben met de vinnen der Pteropoden vergeleken kunnen worden.

Hyalaea tridentata. Ware grootte.
De kop, die bij de echte Slakken zich kenmerkt door het bezit van mond en lippen, van voelers en oogen, die vóór het overige lichaam uitsteekt en er dikwijls zeer duidelijk door een hals van gescheiden is, valt bij de Vinpootigen veel minder in ’t oog. De plaats waar men hem moet zoeken, is alleen aangeduid door de mondopening. In zijn omgeving staan 1 à 3 paren voelers, die echter bij vele soorten zeer klein zijn en ook wel geheel kunnen ontbreken. Bij nauwkeurige vergelijking van de inwendige organen der Vinpootigen met die der overige Slakken, merkt men overal punten van overeenkomst op. Werkelijk karakteristiek zijn alleen de organen, waaraan de naam der orde ontleend is, de vleugel- of vinvormige, zijwaarts gerichte aanhangsels, van het voorste of kopgedeelte van ’t lichaam, of van de streek, die den hals der Echte Slakken vertegenwoordigt. Deze dunne, vliezige platen, die men met de zijstukken van den voet der Slakken vergelijken kan, zijn voorzien van spiervezels, die elkander kruisen; zij worden op gelijke wijze en dikwijls ook even snel als vlinder-vleugels op en neer bewogen. De Pteropoden zijn daarom bij de visschers van de Middellandsche Zee onder den zeer eigenaardigen naam van „Zeevlinders” (Farfalle di mare) bekend. Alleen door voortdurend op deze wijze te roeien kunnen zij vooruitkomen of op dezelfde plaats blijven. De rustelooze beweging der vinnen geschiedt zonder merkbare inspanning en leidt uitmuntend tot het beoogde doel; al naar den stand der roeiorganen zwemt het dier rechtuit, naar boven of naar beneden; intusschen behoudt het lichaam steeds een rechten of weinig hellenden stand.
De Vinpootigen zijn over alle zeeën, van de pool tot den equator, verbreid. Hun teere lichaamsbouw en hunne vinnen stempelen hen tot bewoners van de open zee. Dat men hen soms ook in de nabijheid van de kust aantreft, b.v. bij Nizza en Messina, hangt grootendeels van de zeestroomingen af. Hoewel zij in de Middellandsche Zee dikwijls op ’t midden van den dag aan de oppervlakte van de zee gevangen worden, zijn toch de meeste soorten nacht- en schemeringdieren; vooral op meer zuidelijke breedten staat hun komst aan de oppervlakte in verband met het verdwijnen van het directe zonlicht. Zoodra tusschen de tropen de schemering begint, verschijnen allerlei kleine Heteropoden en Pteropoden. De groote soorten vangt men echter niet, voordat het volslagen nacht geworden is. Kort daarna verdwijnen alle in dezelfde volgorde, als zij gekomen zijn, zoodat men omstreeks middernacht nog slechts weinige individuën in de bovenste waterlaag waarneemt. Soms blijft een enkele tot aan den morgen; na zonsopgang echter zoekt men zoowel aan den waterspiegel als in de diepte, zoover het gezicht reikt, te vergeefs naar een Vinpootige. Iedere soort houdt zich bij ’t komen en het gaan aan vaste uren of liever aan bepaalde graden van duisternis.
De Pteropoden zijn vleescheters; behalve op allerlei Weekdieren, maken zij jacht op de kleine Schaaldieren, die in ontzaglijke menigte de bovenste waterlaag bevolken.
De Schelpdragende Vinpootigen (Thecosomata) hebben een weinig ontwikkelden, dikwijls niet herkenbaren kop en slechts sporen van voelers; de vinnen blijven steeds in samenhang met de „middellob”, een onparig orgaan, dat den voet der overige Slakken vervangt. Tot deze onderorde behoort de familie der Hyaleaceën, welker vinnen tot aan den oorsprong van elkander gescheiden en alleen met het onderste deel van haar buitenrand met de middellob min of meer versmolten zijn. In de dunne, hoornachtige of verkalkte schelp, die het lichaam omgeeft, kunnen de vinnen geheel teruggetrokken worden.
Bij Hyalaea is de schelp nagenoeg bolvormig, doch van achteren van spitse uitsteeksels voorzien; van voren heeft zij een nauwe opening, van achteren twee spleten, die het ademhalingswater naar en van de kieuwen voeren; door iedere spleet steken twee tamelijk groote aanhangsels van den mantel uit, die deels naar de rugzijde, deels naar de buikzijde omgeslagen zijn en, zoolang het dier leeft, de schelp bedekken. Bij dit geslacht zijn geen andere zintuigen gevonden dan gehoorblaasjes.
Cleodora en Creseis hebben een wijde opening aan de langwerpige schelp, die bij gene kantig, bij deze rond en kegelvormig is. De korte voelers in den nek dragen oogstipjes.
De familie der Cymbuliaceën kenmerkt zich door de aanzienlijke grootte van de breed aangehechte vinnen en door het bezit van een platte „schelp”, die uit een doorzichtige stof bestaat en in normalen toestand door een lob van den mantel volkomen bedekt is; dit deel van den mantel scheurt echter zeer licht en is slechts zelden bij de gevangen exemplaren onbeschadigd gebleven. De weeke, kraakbeenachtige schelp bestaat uit een organische stof.
Van de familie der Limacinaceën, die zich door de spiraalswijs gewonden schelp onderscheidt, zijn een vijftiental soorten uit allerlei zeeën bekend. Een daarvan is Limacina arctica van de Groenlandsche kust, een slakje van 4 mM. middellijn, dat het voornaamste voedsel uitmaakt van den Vinvisch (Balaenoptera boops) en van den Groenlandschen Walvisch, (Balaena mysticetus).

Clio flavescens. Een weinig vergroot.
De Naakte Vinpootigen (Gymnosomata) missen de schelp en hebben aan den duidelijk begrensden kop 1 of 2 paar tentakels, die bij Pneumodermon zuignappen dragen en hierdoor aan de armen der Tweekieuwige Cephalopoden herinneren. Tusschen de plaatsen van aanhechting der beide vinnen aan den hals, doch niet er mede verbonden, bevindt zich de onparige afdeeling van den voet. Deze is bij de Clioniden hoefijzervormig en soms met een aanhangsel uitgerust. De leden van het geslacht Clio kunnen, als zij zich naar de diepte willen begeven, de vinnen plooien en ze, met den geheelen kop en hals, in het achterlijf terugtrekken. De 2.5 à 3.5 cM. lange Noordsche Clio, het Walvischaas (Clio borealis) die vooral in de Groenlandsche Zee zeer veelvuldig voorkomt, maakt het gewone voedsel uit van vele Roofvisschen, van de Drieteenige Meeuw en ook van de zooeven genoemde Cetaceën.
TWEEDE ORDE.
DE ACHTERKIEUWIGEN (Opisthobranchia).
Wij noodigen den lezer uit zich in gedachten te verplaatsen naar de kustwateren van Zuid-Europa, waar draadvormige, struikachtige en aan bladen herinnerende algen, gemengd met grove wieren, bonte weiden vormend, den zeebodem bekleeden met een bekoorlijk plantentapijt. Een prachtig schouwspel levert het kristalheldere water op, wanneer men, in een langzaam voortdrijvende boot gezeten, in de diepte staart. Het wemelt hier van Weekdieren. Boven onze Aardslakken, waaraan de meeste door hun naakt lichaam herinneren, munten zij gewoonlijk uit door de meerdere sierlijkheid van hun lichaamsbouw, door veelvormige, als kieuwen dienende aanhangselen en door bontere kleuren. Vele van de fraaie wezens, die over de waterplanten zich langzaam voortbewegen behooren tot de orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia). Haar naam ontleenen deze Zeeslakken, waarvan sommige door de huid, de meeste echter door kieuwen ademen, aan de plaats, die deze ademhalingsorganen innemen ten opzichte van het hart. Het bloed, dat uit de kieuwen komt, begeeft zich door een naar voren gerichte buis naar de voorkamer van het hart en wordt van hier naar de nog verder naar voren liggende kamer gevoerd. Bijna zonder uitzondering zijn zij langwerpig van vorm en naakt. Slechts enkele familiën onderscheiden zich door het bezit van een schildvormige of gewonden schelp, die echter steeds minder volkomen ontwikkeld is dan bij de Voorkieuwigen. Bij verreweg de meeste strekt zich vóór den mond een huidplooi uit, de „voorhoofdschijf”, die een overblijfsel is van het „kopscherm”, het bewegingsorgaan der larven, en in twee „lipvoelers” eindigt; iets verder achterwaarts bevinden zich bij sommige geslachten op het voorste deel van den rug een paar zoogenaamde „reukvoelers”. In tegenstelling met nagenoeg alle Voorkieuwigen zijn de Achterkieuwigen steeds tweeslachtig.
Deze orde omvat ongeveer 1000 bekende soorten, die door lichaamsbouw, vorm en levenswijze zeer uiteenloopen. De hoogst ontwikkelde—de Bedektkieuwigen (Tectibranchiata)—bezitten een mantel, die de kieuwen meer of minder volkomen bedekt, en meestal ook een uitwendige of inwendige schelp. Bij andere daarentegen zijn deze typische eigenaardigheden van de Weekdieren min of meer verloren gegaan; de kieuwen zijn onbedekt of zelfs niet aanwezig bij vele vormen, die hierdoor een duidelijke toenadering tot de Platwormen vertoonen. Deze laagst ontwikkelde Achterkieuwigen worden onder den naam van Naaktkieuwigen (Nudibranchiata) in een onderorde samengevat.
Tot de Bedektkieuwigen behoort o.a. de familie der Bullaceën. Deze hebben op den rug aan de rechterzijde een vedervormige, door den mantel bedekte kieuw. Bijna zonder uitzondering bezitten zij een uitwendige schelp, die dikwijls zoo groot is, dat het geheele dier zich er in verbergen kan.
De Gewone Kogelslak (Acera bullata), die de Oostzee, de Noordzee en de Middellandsche Zee bewoont, heeft een langwerpig, bijna rolvormig lichaam; de kop is van boven naar onderen afgeplat en loopt van voren stomp uit; de voelers zijn met de voorhoofdschijf vereenigd. De voet heeft groote, afgeronde zijlobben, die het grootste deel van de schelp kunnen bedekken. Het draadvormig aanhangsel van den achterrand van den mantel, dat van achteren uit den schelpmond naar buiten treedt, kan uitgestrekt en teruggetrokken worden. De schelp is dun, hoornachtig, veerkrachtig en eivormig. Groote exemplaren van deze soort strekken zich bij ’t kruipen tot 40 mM. lengte uit. Hun krachtig ontwikkelde voet is bovendien voor het zwemmen geschikt. Bij het rustende of kruipende dier zijn de vrije zijlobben van den voet naar boven omgeslagen, zoodat zij niet slechts de zijden van het lichaam, maar ook den middelrug en een deel van de schelp, bovendien met den rand elkander, bedekken. Als men deze Slak plaagt of uit het water neemt, verkort zij het lichaam zoo sterk, dat het, op een driehoekig stukje van de schelp na, geheel door den voet omhuld wordt. Het geheele dier is dan een weeke, slijmerige kogel; hieraan dankt het zijn naam.

Gewone Kogelslak (Acera bullata). Dubbele grootte.
In de bocht van Kiel komt deze soort op slijkerige, met zeegras begroeide gronden veelvuldig voor; de grootste exemplaren vindt men er in den winter en in de lente; zij voeden zich met bruine, rottende plantendeelen; in het aquarium eten zij bovendien ook vleesch. Hier beginnen zij reeds in Januari eieren te leggen; in de bocht van Kiel vonden Meijer en Möbius in Mei en Juni deze eieren in zoo groote hoeveelheid op het zeegras, dat zij ze bij handenvol uit het sleepnet konden opscheppen.
Zelden ziet men de Kogelslakken zwemmen; bij deze zeer eigenaardige bewegingswijze leveren zij een zeer fraai schouwspel op: het is, alsof zij gaan vliegen. De gele schelp wordt al vlugger en verder, beurtelings naar voren en achteren verschoven; het voorste deel van het lichaam wordt rhytmisch gebogen, de zijlobben van den voet bewegen zich afwisselend zijwaarts en rugwaarts, al verder en krachtiger, totdat eindelijk de neerwaartsche slagen het geheele lichaam van den bodem opheffen. Nu stijgt het dier, afwisselend voor- en achterover schommelend, al hooger en hooger in ’t water op en neemt bij ’t zweven in het heldere vocht allerlei elegante houdingen aan. Als deze bewegingen het krachtigst geschieden, doen de zijlobben van den voet 2 à 3 krachtige slagen in de seconde en verwijderen zich zoo ver van ’t lichaam, dat zij te zamen een van onderen holle vlakte vormen.
Bij andere leden van dezelfde familie, o.a. bij de Opene Zeeamandel (Philine aperta), wordt de schelp geheel door den mantel omhuld, zijn de zijlobben van den voet zijwaarts gestrekt en verdikt en ontbreken de voelers aan den kop. Deze soort wordt in de Oostzee en voorts van de Noordsche kust tot in de Adriatische Zee gevonden; bij ’t kruipen rekt zij zich tot een lengte van 20 mM. uit. De dunne, 9 mM. hooge, 7 mM. breede, zeer wijdmondige, weinig gewonden schelp is melkwit, eenigszins doorschijnend en parelmoerglanzig.
Veelvuldiger leeft in de Noordzee bij onze kust de Stompe Obliehorenslak (Utriculus obtusus), wiens vrij stevige, ondoorschijnende, 10 mM. lange, 5 mM. breede schelp bijna rolrond is, aan de spits geknot, met korte, ingedrukte uit 4 à 5 omgangen bestaande winding en een van boven nauwen, van onderen eivormigen mond.
De Zeehazen (Aplysiaceae) hebben een inwendige, zeer weinig ontwikkelde (of in ’t geheel geen) schelp. Het eerstgenoemde geval doet zich voor bij den Gewonen Zeehaas (Aplysia depilans), die in den tijd der Romeinsche keizers in verhalen betreffende toovenarij een groote rol speelde. De ouden hielden hem ten onrechte voor zeer vergiftig; zelfs door het zoeken van deze dieren stelde men zich aan de verdenking van gifmengerij bloot. Domitianus werd beschuldigd zijn broeder Titus met een uit Zeehazen bereiden gifdrank om ’t leven te hebben gebracht.

Gewone Zeehaas (Aplysia depilans). Ware grootte.
De naam is ontleend aan den vorm der voelers: twee platte, driehoekige worden in nagenoeg horizontale richting vooruitgestoken en dienen voor het zoeken van den weg en het betasten van ’t voedsel; de beide andere staan overeind en gelijken sprekend op een paar hazenooren. De oogen zijn vóór de achterste voelers gelegen. Op het midden van den rug ligt de schildvormige mantel, die een flauw gewelfde, soms geheel hoornachtige, soms verkalkte schelp bevat. De mantelholte eindigt van achteren in een korte buis; hierdoor komt het water bij de kieuw, welker buitenste slippen gewoonlijk aan de rechterzijde buiten de mondholte uitsteken, maar, evenals het grootste deel van den rug, bedekt kunnen worden door twee vleugelvormige huidplooien, die het dier gewoonlijk naar boven gericht houdt en golvend beweegt. Ook zijn zij uitstekend geschikt voor ’t zwemmen, een bewegingswijze, waarvan het dier slechts zelden gebruik maakt. Wanneer de Zeehaas ongestoord over steenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid gespannen. Zoodra men hem aanvat en in een glas met water overbrengt, werpt hij, behalve het vocht, dat zijn lichaam deed opzwellen, ook een donkerviolette vloeistof uit, die zich gelijkmatig door het water verdeelt en in zoo groote hoeveelheid uit de randen van den mantel ontwijkt, dat het dier geheel onzichtbaar wordt. Ziegler noemt deze vloeistof een sterke oplossing van anilinerood en analineviolet en zegt, dat zij op drieërlei wijze als verdedigingsmiddel dient: zij onttrekt het dier aan de oogen zijner vijanden door het water troebel te maken, bezit giftige eigenschappen en verbreidt een walgelijken reuk. De stank van Aplysia depilans, den 20 à 25 cM. langen Zeehaas der Zuid-Europeesche kusten, is echter volgens andere onderzoekers, niet zoo hevig, als veelvuldig beweerd wordt; ook werd door hen volstrekt geen brandig gevoel waargenomen aan de deelen van de huid, die met den Zeehaas in aanraking kwamen. Blijkbaar is het dier beter dan zijn reputatie; zeer zeker verdient het niet den naam depilans (de „ontharende”), daar de bewering der Italiaansche visschers, dat het hoofdhaar van den persoon, die de Zeehaas aanraakt, uitvalt, ongegrond is. Wel schijnt het waar te zijn, dat verwante soorten, die de tropische zeeën bewonen, door de prikkeling, die zij bij aanraking teweegbrengen, aan brandnetels herinneren.
De Aplysiën herinneren niet slechts door hun uitwendige gedaante en hun voedsel, maar ook door de in vele afdeelingen gescheiden maag aan plantenetende Zoogdieren. Steeds vindt men den Zeehaas dan ook grazend, meestal op grove wieren. Aplysia depilans komt dikwijls zoo hoog op het strand, dat zij bij eb in kleine plasjes achterblijft, die haar ternauwernood kunnen bevochtigen; zij komt echter ook op diepten van verscheidene vademen voor.
Bij de Zijdekieuwigen (Pleurobranchiaceae) ligt de kieuw niet verborgen onder den schildvormigen mantel, maar bijna vrij in de groeve tusschen den voet en den mantelrand, waaronder zij bij het saamgetrokken dier verborgen is; evenals bij de vorige familiën, is zij vedervormig en rechts gelegen. Bij sommige soorten ontbreekt de schelp, bij de overige is zij schildvormig en plat, nu eens uitwendig en verkalkt, dan weer inwendig en hoornachtig. Het laatstgenoemde geval doet zich voor bij Pleurobranchus. Deze heeft een platten, nagenoeg eivormigen voet, die bij sommige soorten breeder is en aan alle zijden uitsteekt voorbij het door een vleezig mantelschild bedekte lichaam, dat er als een eivormig gewelf op rust. Minder breed dan het lichaam is de voet bij Pleurobranchus aurantiacus en P. ocellatus, die de Middellandsche Zee bewonen. Onder den voorrand van het mantelschild ontspringen twee holle voelers, die uit een opgerolde, dunne plaat bestaan, waarop bij den oorsprong twee zeer kleine, zwarte stipjes (de oogen) voorkomen. Onder de voelers, doch nog boven den mond, ligt een driezijdige, naar voren zich verbreedende huidplooi (het mondscherm).
De kruipende Slak vervormt haar lichaam in overeenstemming met alle oneffenheden van het voorwerp, waarover zij zich voortbeweegt; de weekheid van de weefsels maakt deze telkens herhaalde gedaanteveranderingen mogelijk. In dezen toestand zijn de voelers, het mondscherm en de kieuw steeds gestrekt. Het mondscherm is rijk aan zenuwen en dient als tastorgaan. De zoogenaamde rugvoelers ziet men nooit iets betasten en blijven steeds achterwaarts gericht. Zij worden, zooals reeds vroeger gezegd is, als reukorganen beschouwd. Daar zij den vorm hebben van een aan beide einden geopende buis, waardoor onophoudelijk een stroom water wordt geleid, ten gevolge van de werking der microscopische trilharen, die de binnenste oppervlakte bekleeden, beantwoorden deze voelers in hooge mate aan de voorstelling, die men door beschouwing van andere dieren van reukorganen verkrijgt.
Pleurobranchus heeft de gewoonte bij aanraking en bij ’t opheffen van den steen, waaronder hij verborgen is, tot een bol in te krimpen en zich te laten vallen. Den verzamelaar komt dit goed te pas, daar het hem onmogelijk zou zijn, deze teere Slak onbeschadigd van de steenen en uit hunne spleten op te nemen, indien zij, gelijk zoovele andere Weekdieren, zich trachtte te redden door de stevige vasthechting van den voet.
Soortenrijker dan de vorige onderorde is die der Naaktkieuwigen (Nudibranchiata). Zij hebben gedurende het embryonale leven in den larvetoestand een fijne schelp, maar verliezen deze reeds vroegtijdig; het volkomen ontwikkelde dier is naakt, bezit geen spoor van een schelp. De meeste hebben op den rug kwast-, boom- of bladvormige kieuwen, die echter altijd onbedekt blijven.
Bij de Doris-achtige Naaktkieuwigen (Dorididae) vormen de veder- of bladvormige kieuwen een fraaie ster of rozet om de aarsopening, die zich midden op het achterste deel van den rug bevindt. Vele soorten kunnen de kieuwen in een gemeenschappelijke holte terug trekken. Terugtrekbaar in afzonderlijke holten zijn ook de rugvoelers, althans bij de Sterslakken (Doris), een van de soortenrijkste geslachten van de geheele onderorde. Deze dieren hebben een langwerpig rond lichaam, aan de rugzijde bol en geheel bedekt door den mantel, die zich tot vóór den kop en voorbij den rand van den voet uitstrekt. Hun huid bevat kalkkorrels van eigenaardigen vorm.
Een drietal soorten van dit geslacht werden in de Noordzee bij onze kust waargenomen, o.a. de 3 cM. lange, grauwwitte Wrattige Sterslak (Doris stellata), door Bomme in de vorige eeuw ontdekt en als „Egeltje met een ster op den snuit” beschreven. De hierachter afgebeelde soort kan een lengte van ruim 20 mM. bereiken en werd vooral in de lente en den herfst op een zandigen en steenachtigen bodem in de Bocht van Kiel aangetroffen op wieren en zeegras. Hier vindt men in September en October hare eieren, tot snoeren vereenigd door een helder slijm.
Bij een aantal geslachten, die gezamenlijk de familie der Aeolididen vormen, zijn de kieuwen over den geheelen rug verdeeld, op reeksen geplaatst en van zeer verschillende gedaante: bij sommige geslachten vertakt, bij andere enkelvoudig.

Weekwrattige Sterslak (Doris pilosa). Vergroot volgens den onderstaanden maatstaf.

Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens). Vergroot.
De Boompjesslakken (Dendronotus) hebben op den rug symmetrisch gerangschikte, boomvormig vertakte aanhangsels. Een van de fraaiste Naaktkieuwigen is de Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens), die een lengte van bijna 35 mM. kan bereiken. Zij valt duidelijk in ’t oog door haar vleeschroode grondkleur. Haar zeer slank en naar achteren allengs spitser wordend lichaam bekoort het oog het meest door de daarboven uitstekende, boomvormig vertakte kieuwen, die ten getale van 7 à 9 dicht bij den voorrand van den kop in een halven cirkel gerangschikt zijn en waarvan ook nog 5 of 6 paar langs den rug verspreid liggen. Ook de voelers hebben een vertakten stam, waarin zij teruggetrokken kunnen worden. Deze Slak kruipt liever op de dunne spitsen der algen dan op den bodem rond. Dikwijls zit zij aan de uiterste spits van een tak met vrij naar boven gericht voorlijf en wendt dit, als een Spanrups, nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde om een vast voorwerp te zoeken, waarop zij verder kan kruipen. Wanneer zij bij den waterspiegel zwemt, wordt de voet afwisselend zooveel mogelijk verbreed en gootvormig opgevouwen, zoodat de zijranden dicht bij elkander liggen. De boomvormige kieuwen, die bij ’t zwemmen naar buiten en naar onderen overhangen, hellen een weinig achterover, als het dier met gestrekt lichaam rechtuit kruipt, en wijken in alle richtingen uiteen, als het lichaam zich kromt. Algemeen wordt deze Slak wegens haar slanke gestalte, teere kleur, zachte, sierlijke beweging en niet het minst wegens de fijne, gemakkelijk in schommeling gerakende boompjes, die haar rug versieren, als een van de bekoorlijkste zeedieren beschouwd. Aan alle noordelijke kusten komt zij vrij algemeen voor; door Bomme werd zij „Hartshoorn-gelijk getakt Zeeslakje” genoemd. Bij Kiel vond men haar het veelvuldigst in den winter op de boomen, die ten behoeve van de mosselteelt in het binnenste deel van de Bocht zijn geplaatst. In een aquarium met rottende en versche planten kan men haar lang in ’t leven houden.

Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa). Ware grootte.
De kern van de geheele familie wordt gevormd door het geslacht der Draadslakken (Aeolis), die zich vooral kenmerken door het bezit van symmetrisch gerangschikte papillen op den rug. Deze uitwassen zijn, behalve als ademhalingsorganen, ook in andere opzichten van zeer groot belang. In iedere papil dringt n.l. een buis door, die van onderen met het boomvormig vertakte spijskanaal samenhangt en door zijn samenstelling zich doet kennen als een deel van de lever, welk orgaan hier dus op een zeer eigenaardige wijze uiteengespreid is. De leverbuis staat in gemeenschap met een zakje in het bovenste deel van de papil, welk zakje gevuld is met „netelcellen”, nietig kleine blaasjes, waaruit een draad te voorschijn kan komen, die een prikkelende werking uitoefent op het wezen, dat er door getroffen wordt. Waarschijnlijk treden deze netelcellen door een opening aan ’t einde van de papil in grooten getale naar buiten om als wapens te dienen, wanneer de Slak andere dieren aanvalt, of zich tegen hen moet verweren.
De Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa), wordt in de Kielsche Bocht ruim 5, aan onze en de Engelsche kust echter wel 15 cM. lang. Meestal is zij bruinachtig grijs van kleur. Zij kruipt langzaam en zit dikwijls stil. Zeldzamer dan andere Draadslakken begeeft zij zich naar de oppervlakte om te zwemmen. Haar voedsel bestaat uit dierlijke stoffen, vooral uit Actiniën (Zee-anemonen). Kleine exemplaren van Actinia plumosa vat zij aan bij den rand van den voet en vreet hun een halvemaanvormig gat in ’t lijf, dat zij aanhoudend vergroot. Eindelijk omgeeft zij met den sterk uitgezetten mond het geheele overschot van den buit en verzwelgt het langzamerhand zonder eenige uitwendig zichtbare slikbewegingen.

Sluierslak (Tethys fimbria). Ware grootte.
Uitsluitend in het Middellandsche-Zee-gebied leeft de Sluierslak (Tethys fimbria) zoo genoemd wegens haar groot, niervormig „kopscherm”; dit is ontstaan uit het bewegingswerktuig, dat bij de Weekdieren gedurende den larvetoestand algemeen voorkomt, meestal gedurende de volgende ontwikkelingsperioden groote wijzigingen ondergaat, minder sterk groeit dan de overige lichaamsdeelen en bij vele groepen zelfs spoorloos verdwijnt. De Sluierslak, die door de plaatsing harer kieuwen aan Dendronotes herinnert, kan 30 cM. lang worden. Van haar leven in de gevangenschap geeft Grabe, naar aanleiding van een door hem te Triëst waargenomen exemplaar, de volgende aanschouwelijke beschrijving: „Het volkomen gave dier bezat aan de zijden van den rug alle aanhangsels, die vroeger als parasieten werden beschouwd. Deze waren ongeveer peer- of peenvormig, sterk gezwollen, aan den oorsprong een weinig ingesnoerd, onmiddellijk voor de kieuwen langs de zijden van den rug bij paren gerangschikt, namen naar achteren in grootte af en werden als roeiorganen uitgespreid en bewogen. Het eveneens gezwollen lichaam, dat, gelijk de kieuwen, bijna kleurloos en doorzichtig was, stak vreemd af bij de aanhangsels met hun lichtrooden top en donker-, bijna zwartachtig roode middenvlek en bij de zwartachtige, door een onregelmatigen, witten rand omringde oogvlekken der bovenzijde. Op den rug liggend, wentelde het dier zich onophoudelijk en met een zekere gratie heen en weer, waarbij het zich zoo sterk kromde, dat het uiteinde van het lichaam de zijranden van het kopscherm aanraakte. Het groote kopscherm was bijna geheel naar boven en naar achteren omgeslagen; de zijranden der van onderen geheel holle voetschijf waren benedenwaarts en naar binnen gekromd en zoo dicht bijeengelegen, dat er hoogstens een smalle groeve tusschen overbleef, zoo zij elkander niet aanraakten. In deze houding geleek het dier op een hamer, waarvan het ineengekrompen kopscherm den kop en de steel den romp voorstelt. Toen het tot kalmte kwam, breidde het den voet uit en gaf aan dit orgaan den vorm van een diepen, ovalen schotel, welks rand aan de zijden hooger was dan van voren en van achteren. In het donker verbreidde het een sterk phosphoresceerend licht, niet slechts als ik het dier aanraakte, maar ook als ik eenvoudig de hand door het water bewoog. Ieder die de heftige bewegingen van deze Tethys heeft gezien, zal niet meer, gelijk gewoonlijk geschiedt, alle Weekdieren flegmatisch noemen.”
*

Groene Fluweelslak (Elysia viridis). Vergroot.
De Fluweelslakken (Elysia) bezitten geen als kieuwen dienende aanhangsels; de voet is smal; twee aan ’t achtereinde ineenvloeiende huidplooien aan de zijden van het lichaam spelen bij de ademhaling een belangrijke rol. De onduidelijk begrensde kop draagt twee voelers, die overlangs opgerold zijn en dus een van boven en aan de zijde geopende buis vormen.
Van de Middellandsche Zee tot bij de kusten van Noord-Europa ontmoet men de prachtig getooide Groene Fluweelslak (Elysia viridis). De kop, de voelers en de voorrug zijn, evenals de buitenhelft der bladachtige uitbreidingen van den achterrug, grootendeels fluweelachtig zwart, soms met groene, soms met bruine tint; de hoofdkleur van den voet is olijfgroen. Hier en daar komen sneeuwwitte vlekken voor; metaalachtig glinsterende, groenachtig blauwe en roodachtig witte stipjes zijn over de geheele oppervlakte verspreid; bij honderdvoudige vergrooting blijkt, dat dit verschijnsel teweeggebracht wordt door dunwandige cellen, welker inhoud het licht met een prachtige, smaragdgroene en saffierblauwe kleur terugkaatst. Twee andere soorten van kleine cellen veroorzaken een zilverachtigen of een helder koperachtigen glans.
Bij zijne bewegingen neemt dit diertje zeer verschillende vormen aan. Terwijl het over den bodem kruipt, strekt het zich gewoonlijk recht uit, en glijdt betrekkelijk snel voort. Wanneer het daarentegen langs den loodrechten wand van een aquariumbak omhoogkruipt, dienen dikwijls de huidlappen met een deel van de zool voor de aanhechting; dikwijls zelfs wordt het lichaam kurketrekkervormig gewrongen, zoodat deelen van den buik en van den rug gelijktijdig den weg aanraken. Deze Slak scheidt veel slijm af, die men, na aanraking van haar huid met een staafje of penseel, in lange draden tot boven het water kan uittrekken. Aan zulke slijmdraden hangt zij soms vrij te midden van het water.
DERDE ORDE.
DE LONGSLAKKEN (Pulmonata).
Alle Landslakken en de meeste Zoetwaterslakken ademen lucht. De mantel vormt in de nekstreek een holte, welke bij de Naakte Slakken en bij de Huisjesslakken met rechts gewonden schelp lucht ontvangt door een aan de rechterzijde gelegen opening; de zolder van deze holte, de binnenste laag van den mantel, bevat een dicht netwerk van bloedvaten. Terwijl de Slak kruipt, is het ademgat duidelijk zichtbaar. Het wordt nauwer en verdwijnt, wanneer men de Slak aanraakt en in haar huisje drijft; kort nadat zij zich teruggetrokken heeft, ziet men dit gat echter opnieuw verschijnen in de buurt van den spilrand. Natuurlijk moeten de in ’t water levende Longslakken aan de oppervlakte komen om te ademen; evenals de Landslakken, stikken zij, indien men haar de gelegenheid beneemt op deze wijze haar behoefte aan lucht te bevredigen.
Dat de lichaamsbouw van de Naakte Slakken met die van de Huisjesslakken overeenstemt, hoewel beide in uitzicht zeer verschillen, blijkt spoedig uit de nadere vergelijking van een Limax-soort met een Tuinslak of Wijngaardslak (Helix). Bij Limax is het achter den kop gelegen deel van den voet van boven niet vrij, maar verbonden met den zak, die de ingewanden bevat. Dit deel van het lichaam nu is bij Helix spiraalsgewijs gewonden en blijft steeds verborgen in het huisje; met de schelp is het slechts door één spier verbonden; deze, de spilspier, ontspringt boven de eerste winding aan de spil; door haar samentrekking keert het dier in het huisje terug.
Om een Slak te ontleden doode men haar bij voorkeur onder water door haar op een glazen plaat te laten kruipen, deze om te keeren en hiermede een tot boven den rand gevuld glas water te bedekken; men kan haar ook in volkomen uitgestrekten toestand gedurende 10 à 12 seconden aan de werking van kokend water blootstellen. Zeer ondoelmatig is het haar in spiritus te dooden, daar zij hierdoor te sterk inkrimpt. De Huisjesslakken, die in kokend water gelegen hebben, kan men gemakkelijk uit haar schelp draaien, daar de spilspier er nu niet meer aan vastzit. Het ontleden moet onder water geschieden, in een ondiep bakje, welks platte bodem bedekt is met een plaat kurk, waaraan het doode dier in uitgestrekten toestand met spelden wordt vastgestoken. Daar wij reeds aan het levende dier het ademgat hebben leeren kennen, gaan wij van hier uit en knippen de mantelholte open. De dikke ader, die haar bloed ontvangt uit de talrijke fijnere vaten, welke een netwerk vormen in den zolder van de long, volgen wij tot aan de linkerzijde, waar zij uitmondt in de voorkamer van het hart. Het bloed begeeft zich van de voorkamer naar de kamer en wordt van hier door de aorta en hare takken naar alle deelen van het lichaam gevoerd. Alle Weekdieren hebben een arterieel hart: dit orgaan ontvangt het bloed uit de ademhalingsorganen. Het hart van de Visschen daarentegen zendt het bloed, dat voor het onderhouden van het lichaam gediend heeft, naar de ademhalingsorganen en heet daarom „veneus”.
De mondholte met de haar omgevende dikke spiermassa heet slokdarmhoofd; aan het gehemelte, achter de lip, is de bijna halvemaanvormige, overlangs gerimpelde kaak vastgehecht. Het zeer samengestelde orgaan, dat men wegens zijn ligging op den bodem van de mondholte tong noemt, draagt een wrijfplaat (radula); deze kan gemakkelijk verwijderd worden uit de scheede, waarin zij zich terugtrekt en levert dan een fraai microscopisch preparaat op. Zij is n.l. bezet met een groot aantal dwarse reeksen van tandjes, grootendeels samengesteld uit chitine. Alle Koppootigen en Slakken hebben zulk een wrijfplaat, van welker aanwezigheid en doel men zich het best kan overtuigen door te letten op inheemsche Zoetwaterslakken, die men in slootwater houdt. De binnenste oppervlakte van het glas is na verloop van eenige dagen bedekt met een laag van microscopisch kleine, groene plantjes; bijna aanhoudend ziet men de Slakken bezig, de bedoelde algen, die haar tot voedsel dienen, van het glas af te likken of liever af te vijlen door de tong beurtelings uit te steken en terug te trekken. Wegens de belangrijkheid van dit orgaan voor het leven van de Slakken zijn de hieraan ontleende kenmerken uitmuntend geschikt voor de onderscheiding van familiën en geslachten. De verschillende gedaante en rangschikking van de tandjes, staat in verband met de soort van voedsel en de levenswijze. De wrijfplaat kan gemakkelijk bewaard en nog na vele tientallen van jaren uit het intusschen verdroogde dier afgezonderd worden.—Op het slokdarmhoofd volgt de dunne slokdarm, die in de onverdeelde maag eindigt. Hierop liggen de speekselklieren. Onmiddellijk achter de maag bevindt zich de lever; deze omhult eenige kronkelingen van den darm, die zich als endeldarm naar voren richt en naast het ademgat eindigt. Hier mondt ook de afvoerbuis van de nier uit. De toestellen tot het bevredigen van gastronomische neigingen zijn dus bij de Slakken goed ontwikkeld.—De oogen aan den top der groote voelhorens werden reeds door Swammerdam zorgvuldig beschreven. Twee gehoorblaasjes liggen tegen den onderkant van den slokdarmring. Deze bevat 3 paar zenuwknoopen: de bovenslokdarmknoopen, de voetknoopen en de kieuwknoopen; de beide laatste paren bevinden zich onder den slokdarm.—Alle Longslakken zijn tweeslachtig (hermaphrodiet) en leggen na paring eieren.
Ook voor de levensverrichtingen der Landslakken is een vochtige omgeving volstrekt noodig. De Naakte Slakken—en de Slakken welker schelp het lichaam slechts voor een klein deel bedekt (b.v. Testacella)—bezwijken spoedig in een droge ruimte; in een kartonnen doos b.v. kunnen de kleine soorten geen 24 uur in ’t leven blijven. Over ’t algemeen schijnen de bewoners van glanzige, doorschijnende schelpen (Vitrina b.v.) veel vocht noodig te hebben. Ook alle Slakken welker huisjes een harige opperhuid hebben (b.v. vele Helix-soorten van de groep Fruticicola), houden van een natte woonplaats. Daarentegen onderscheiden zich de Landslakken, die goed aan de droogte weerstand bieden, door een ondoorzichtige, doffe schelp, waaraan de opperhuid nagenoeg ontbreekt.
Over ’t algemeen oefent de warmte, binnen zekere grenzen, op de Slakken een gunstigen invloed uit, voorzoover zij het uitdrogen niet bevordert. In enkele warme bronnen leven sommige soorten nog bij een temperatuur van meer dan 50° C., andere kunnen een zeer lagen warmtegraad verdragen. In koude en gematigde gewesten weten de Slakken aan den schadelijken invloed van den winter te ontkomen door het afsluiten van de schelp met deksels en door het verblijf in een doelmatige schuilplaats, waar zij in winterslaap verkeeren. Een hierop gelijkende zomerslaap hebben de Landslakken der keerkringsgewesten evenals vele Reptiliën en Insecten. Ook in dit geval kruipen zij in den grond of maken gebruik van toevluchtsoorden onder steenen en takken.
Daar alle slakkenhuizen verkalkt zijn en de hiervoor benoodigde materiaal in het voedsel aan het organisme moet worden toegevoerd, kunnen op plaatsen waar de bodem volkomen vrij van kalk is, geen Huisjesslakken bestaan. Op den omvang van het verbreidingsgebied der soort, op de talrijkheid der individuën, op de stevigheid, kleur en doorschijnendheid van de schelp heeft daarom de geaardheid van den bodem grooten invloed. De Slakken, die op graniet en dergelijke weinig kalk bevattende gesteenten leven, hebben huisjes, die wegens hun grooter gehalte aan organische stoffen levendiger gekleurd, doorschijnender en dunwandiger zijn, dan die van leden van dezelfde soort, welke op kalkvrije gronden leven. De opperhuid, die veel meer organische stof bevat dan de daaronder liggende parelmoerlaag, is bij beide nagenoeg even sterk, de parelmoerlaag daarentegen bij exemplaren op granietgrond veel minder sterk ontwikkeld.
De schelpenverzamelaar vindt nuttige wenken in hetgeen Roszmäszler van de verblijfplaatsen en van het verzamelen der Landslakken zegt: „Vele soorten kruipen bij voorkeur op planten rond en houden zich het meest op aan de onderzijde van bladen en in de hoekpunten van takken; andere leven op en onder afgevallen bladen, nog andere meer verborgen onder het dichte moskleed, dat steenen en boomstammen bedekt; eenige treft men zelfs aan in gezelschap van Aardwormen en Duizendpooten, dikwijls onder een zoo grooten steen, dat het moeielijk te begrijpen is, hoe een teer dier met brooze schelp onder dit zware voorwerp geraakt. Sommige Slakken schijnen zich hier nog niet veilig te achten en leiden een volkomen onderaardsch leven.
„Daar de Landslakken bijna geen ander dan plantaardig voedsel gebruiken, komen de meeste op of althans bij planten voor; zij zijn merkbaar talrijker in bosschen met breedbladige dan in de met naaldbladige boomen. Ook hier geldt de regel, dat vlakke gewesten rijker zijn aan Slakken dan bergstreken. Steeds vond ik ze minder veelvuldig in bergwouden dan in vochtige bosschen van de vlakte.—Nooit leven de Slakken op aanzienlijke hoogte in de boomen; liever bewonen zij laag kreupelhout, of vestigen zich in bosschen op kruiden of op den bodem. Hoe dichter en schaduwrijker het struikgewas is, hoe gedekter en vochtiger de plaats, waar het groeit, des te meer kans heeft men er Slakken te vinden. Het liefst bewonen zij echter boschjes, waar b.v. kornoeljes, braamstruiken, eschdoornen en hazelaars, door hopstengels omrankt en met andere hoogopschietende kruiden als ’t ware doorgroeid zijn. Bij droog weer zijn zij hier niet gemakkelijk te vinden, wel na een warme regenbui. Alle komen dan uit hare schuilhoeken te voorschijn, om zich te laven aan de regendruppels, die van de bladen en takken afhangen, en zich te verfrisschen in de heerlijke koelte. Wie zich niet bekommert om de vallende druppels, de schrammende doornen en de brandende netels, kan nu een groote menigte Slakken verzamelen.
„Na het afzoeken van de takken en bladen van zulke struiken, verzuime men niet, den bodem er om heen, die gewoonlijk met mos, steenen en afgevallen bladen bedekt is, zorgvuldig te doorzoeken: verscheidene hier levende zeldzame soorten, o.a. de Glashorenslakken (Vitrina), komen niet dikwijls te voorschijn. De levende heggen komen nog het meest overeen met de zooeven genoemde boschjes, wat rijkdom aan Slakken betreft. Vooral heggen van vochtige en laag gelegen tuinen zijn in den regel, en meer bepaaldelijk na een regenbui, sterk bevolkt. In tuinen kan men echter ook wel op andere plaatsen met goed gevolg Slakken zoeken. De buksboom- (of zoogenaamde „palm”-) randen rondom bloemperken verschaffen vooral bij warm en droog weer een koele verblijfplaats aan deze dieren, die men ook vindt in hoeken, waar onkruid groeit en afval ligt, op plaatsen waar het uitgewiede onkruid neergeworpen wordt, kortom op alle rommelige, donkere en vochtige plekken.”
Van de 6000 levende soorten, die (behalve ongeveer 700 fossielen) de orde der Longslakken vormen, behooren 5800 tot de onderorde der Landslakken (Stylommatophora), die al of niet een huisje bezitten en oogen hebben aan den top van twee (in den regel door instulping terugtrekbare) „oogvoelers”; verder naar voren en naar onderen staan gewoonlijk nog twee kleinere „lipvoelers”.
Tot de familie der Heliciden (Helicidae) brengt men niet minder dan 5000 levende soorten, waarvan meer dan 1800 behooren tot het geslacht der Echte Slakken (Helix), dat in een groot aantal ondergeslachten verdeeld wordt. Alle Heliciden hebben een goed ontwikkelde, spiraalswijs gewonden, uitwendige schelp, die bij de meeste (althans bij alle leden van het typische geslacht) ruim genoeg is om het geheele dier te bevatten, maar overigens allerlei vormen kan vertoonen: bij sommige plat (nagenoeg schijfvormig), bij andere spits en lang (torenvormig) is. De kop draagt 4 voelers. De bewapening van de mondholte bestaat uit een stevige, boogvormige, geribde kaak en een wrijfplaat met zeer talrijke, gelijke, min of meer vierkante tandjes. Bij Helix is de mond van de schelp scheef, halvemaanvormig of rondachtig; de mondranden zijn gescheiden, de binnenlip wordt door den voorlaatsten omgang gevormd. De grootste Europeesche soort is de reeds genoemde Wijngaardslak [Helix (Helicogena) pomatia]. Haar groote, bolvormige, buikige, geelachtige of bruinachtige schelp is „bedekt doorboord”, heeft een nauwen „bedekten navel”, daar deze door een binnenwaartsche uitbreiding van den spilrand gesloten is. Zij bepaalt zich volstrekt niet tot de wijngaarden, hoewel zij zich in ’t voorjaar gaarne vergast op de knoppen der wijnstokken en op deze wijze een aanzienlijke schade kan aanrichten; men vindt haar overal in de droge, vooral in heuvelachtige oorden, waar grassen en struiken groeien. Omdat zij groot is en gegeten wordt, heeft deze Slak veelvuldiger dan andere leden van haar geslacht voor onderzoekingen gediend. Zij en de meer zuidwaarts wonende Ruige Wijngaardslak (Helix adspersa) behooren tot die soorten, welke in den herfst, bij voorkeur op een met mos bedekte plaats, 20 à 30 cM. diep in den grond kruipen en den mond van het huisje met een stevig verkalkt deksel sluiten. Het dier trekt zich vervolgens nog tamelijk ver achter het deksel in de schelp terug en brengt in de tusschenruimte een of meer vliezige dwarsschotten aan. Gedurende den minstens 6 maanden aanhoudenden tijd van afzondering, duren de ademhaling en de hartwerking onverpoosd voort. Wel mist het kalkdeksel de opening, die men er bij eenige andere soorten in aantreft, maar het is zoo poreus, dat door dezen wand en door de overige dunne vliezen de gasuitwisseling ongehinderd kan plaats hebben. De warmte van de maanden April en Mei wekt de Slak tot nieuw leven op; het hart begint vlugger te slaan; vermoedelijk noopt de vermeerderde behoefte aan lucht het (zeer zeker ook door een hevigen honger gekwelde) dier tot het openen van het huisje; dit geschiedt door den voet tegen de vliezige deksels te plaatsen, waardoor deze niet stukgestooten, maar zonder moeite losgeweekt worden; ook het oplichten van het kalkdeksel vereischt geen groote inspanning.
In ’t laatst van den zomer graaft de Wijngaardslak een kuiltje van 7 à 8 cM. diepte voor het bergen van de 60 à 80 eieren, die zij in 1 of 2 dagen legt. Het eierennest is niet gemakkelijk te vinden, tenzij onmiddellijk na het leggen aan de kleur van den grond, waarmede het kuiltje dichtgemaakt is. Ieder ei heeft 6 à 8 mM. middellijn en is omgeven door een witte, met kalkkristallen doormengde en hierdoor stevige schaal. De ontwikkeling van de kiem duurt ongeveer 26 dagen.
De Wijngaardslak is sinds lang in Zwitserland, Zuid-Duitschland en Oostenrijk, vooral in den vastentijd, een zeer gezochte spijs. Nog steeds wordt zij in Zwitserland en langs den Donau opzettelijk voor dit doel in zoogenaamde „slakkentuinen” met koolbladen enz. gemest. Gewoonlijk brengt men haar eerst op de markt, nadat zij de schelp met een winterdeksel gesloten heeft. De handel in dit artikel is echter niet meer zoo levendig als vroeger, toen uit de omstreken van Ulm iederen winter meer dan 4 millioen Wijngaardslakken in vaten van 10000 stuks langs den Donau tot voorbij Weenen stroomafwaarts werden gevoerd.
Zeer algemeen komen hier te lande drie groote soorten voor, die ongeveer hetzelfde verbreidingsgsbied hebben als de Wijngaardslak, maar aanmerkelijk kleiner zijn. De Heesterslak [Helix (Arionta) arbustorum] heeft een bedekt doorboord, zeer gedrongen bolvormig, glanzig huisje, van (gemiddeld) 21 mM. middellijn en 18 mM. hoogte; de 5 à 6 bolle omgangen nemen snel in grootte toe. De mond is maanvormig en gerond; zij wordt door den voorlaatsten omgang weinig uitgesneden; de mondrand is omgeslagen, verdikt en aan de binnenzijde glanzig wit. Van buiten is de schelp kastanjebruin met een groot aantal kleine, onregelmatig verspreide (soms op dwarsreeksen geplaatste), stroogele vlammetjes en zigzagstrepen; gewoonlijk loopt iets boven het midden van den laatsten omgang en langs den naad der winding een bruine band. Het dier is blauwzwart met lichtere, bruingrijze zool; twee donkere strepen op den rug gaan van de oogvoelers uit; deze zijn aan den top lichter van kleur. De Heesterslak wordt, evenals de beide volgende soorten, in tuinen, kreupelhout en heggen op beschaduwde, vochtige plaatsen gevonden, ook op den grond en op lage planten.
De Tuinslak [Helix (Tachea) nemoralis] heeft een breeder en minder bolvormig huisje dan de vorige soort (gemiddelde middellijn 23, hoogte 17 mM.); het is ongenaveld en heeft 5 à 6 geleidelijk in grootte toenemende, tamelijk bolle omgangen. De mond is breed, eenigszins afgerond en wordt door den voorlaatsten omgang zwak boogvormig uitgesneden: de mondrand is een weinig omgeslagen; de mondzoom kastanjebruin met een bijna zwarte lip. Van buiten is de schelp meestal citroengeel (soms bruinrood, geelgroen, olijfbruin of wit), gewoonlijk met donkerder banden (meestal 5 op den laatsten, van deze alleen de 3 bovenste op iederen vroegeren omgang); ook door de afwezigheid, het samenvloeien of het afgebroken zijn van sommige of van alle banden onderscheiden zich de talrijke variëteiten, die men van deze soort aantreft. Met haar komt door vorm, kleur en teekening van het huisje de eveneens sterk varieerende Witlippige Tuinslak [Helix (Tachea) hortensis] overeen; zij is kenbaar aan den bijna altijd zuiver witten mondzoom van het in den regel dunnere huisje, wordt vooral in tuinen en in de vlakte minder talrijk gevonden dan de vorige soort en houdt over ’t algemeen van vochtiger oorden; noordwaarts en bovenwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich verder uit; ten zuiden van de Alpen en de Pyreneën komt zij niet voor.
*
De Veelvraatslakken (Bulimus) komen in levenswijze met de Echte Slakken overeen, doch zijn over ’t algemeen grooter; het huisje is langwerpiger (ei- of torenvormig), de mond meer verlengd; ook dit geslacht is zeer rijk aan soorten (meer dan 1000). Slechts enkele bewonen Europa, vele daarentegen de keerkringsgewesten, vooral Zuid-Amerika, o.a. de Eivormige Veelvraatslak (Bulimus ovatus), die te Rio de Janeiro gegeten wordt en een horen van 12 cM. hoogte heeft, en de Langwerpige Veelvraatslak (Bulimus oblongus), welker 10 cM. hooge schelpen in Paraguay zoo talrijk zijn, dat men er kalk van brandt.

Agaathorenslak van Mauritius (Achatina mauritiania). Ware grootte.
Nog grootere Landslakken bevat het geslacht der Agaathorens (Achatina), dat meer nog dan het vorige tot de warme luchtstreken beperkt is. Het dier onderscheidt zich door den plat en spits eindigenden voet, zijn woning door de vrije, van onderen afgeknotte spil. De Patrijsslak (Achatina perdix), die op vette weiden in West-Afrika leeft, wordt 16 cM. hoog; de helft van deze hoogte bereikt de hierboven afgebeelde soort, die op Mauritius en Madagaskar door zijn vraatzucht in tuinen en plantages schade aanricht. Evenals van vele andere Bulimus- en Achatina-soorten, is haar schelp fraai gekleurd en geteekend; de van geelachtig wit tot geelachtig bruin varieerende grond heeft roodbruine, afgebrokene, overlangsche vlammen; de mond is wit, met bruin gerande buitenlip.
Onder afgevallen bladen, mos, rottend hout of steenen en in het gras leeft bij ons op vochtige, beschaduwde plaatsen de geelachtig hoornkleurige, 6 mM. hooge Glanzige Agaathoornslak (Achatina lubrica, Bulimus lubricus), welker langwerpig eivormig, zeer glad, doorschijnend schelpje een scheef peervormigen mond en een weinig afgeknotte spil heeft. Zij is een van de weinige soorten, welker verbreidingsgebied zich rondom de pool, n.l. over geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika, uitstrekt.
Zeer vochtige oorden bewonen de meeste Amberhorenslakken (Succinea); dit blijkt reeds uit de zeer wijde opening van de dunne, uit weinige omgangen bestaande schelp. De behoefte aan water is ongelijk en evenredig aan de grootte van den schelpmond. Deze is het grootst bij de goudgele Succinea Pfeifferi, die niet, gelijk de barnsteenkleurige Gewone Amberhorenslak (Succinea putris, fig. 2) aan waterkanten en op vochtige weiden blijft, maar dikwijls te water gaat en hier als een Poelslak rondzwemt.

1) Doorzichtige Glashorenslak (Vitrina pellucida). 2) Gewone Amberhorenslak (Succinea putris).—Ware grootte.
Een soortgelijke betrekking tusschen de levenswijze en den vorm der schelp merkt men op bij de inheemsche Glashorenslakken (Vitrina), die zich met rottende stoffen (vermoedelijk met de hierin levende bacteriën en diertjes) voeden en soms elkander verslinden. De winding van het dunne, doorzichtige schelpje is min of meer bedekt door een ver buiten den schelp tredenden lob van den mantel, die aan de rechterzijde naar boven en achteren omgeslagen is. De kleinste schelpmond heeft Vitrina pellucida (fig. 1), de grootste Vitrina elongata. De laatstgenoemde bewoont uitsluitend zeer vochtige bosschen en houdt zich het meest op aan de oevers van beken, tusschen het mos en de bovenste humuslaag, waarin zij gedurende de heete zomermaanden zeer diep doordringt. Vitrina pellucida daarentegen wordt ook nog wel gevonden op veel ongunstiger plaatsen, die in tijden van droogte gedurende den geheelen dag aan de zonnehitte blootgesteld zijn.
De beide volgende geslachten geven aan droge oorden de voorkeur en zijn in de kalksteengebergten van de Alpen en van Zuid-Europa het sterkst vertegenwoordigd. De meeste Tonhorentjes (Pupa) zijn niet langer dan 10 à 15 mM., niet weinige microscopisch klein, geen hunner hooger dan 25 mM. De schelp is ei- of rolvormig, de mond meestal door tandvormige uitwassen vernauwd. Deze strekken zich in den vorm van plooien bovenwaarts uit in het langere, slankere en spitsere huisje van de Spoelhorenslakken (Clausilia), dat, zoodra het dier zich terugtrekt, gesloten wordt door een kalkplaatje, het „luikje”, dat precies in den mond past en aan den spilrand een opening overlaat, waardoor de lucht de ademholte kan bereiken. Het luikje is door een veerkrachtig, naar boven gericht „steeltje” aan de spil bevestigd en wordt bij het naar buiten komen van het dier opgenomen in de „nis”, een tusschenruimte van twee plooien der spil. Voor het bewonen van oorden, waar langdurige tijdperken van droogte voorkomen, zijn deze Slakken uitmuntend geschikt, daar zij maanden achtereen in haar huisje verborgen kunnen blijven. Exemplaren van de Dalmatische Clausilia amissana, die in Mei ingezameld en tot in den herfst van het volgende jaar op een droge plaats bewaard werden, bleken toen na bevochtiging nog in leven te zijn. Hier te lande vindt men het 3 mM. hooge Mos-tonhorentje (Pupa muscorum) op droge weiden en heigrond, den 16 à 20 mM. hoogen Tweetandigen Spoelhoren (Clausilia biplicata) onder mos op muren en in bosschen.

Gewone Aardslak (Arion empiricorem). Ware grootte.—De soortnaam (empiricus beteekent hier „kwakzalver”) doelt op het gebruik, dat van dit dier gemaakt wordt (of werd) als geneesmiddel. Simroth zegt, dat ook thans nog in de Hartz van Slakken met suiker bestrooid een stroop bereid en bij borstaandoeningen ingenomen wordt.—Deze soort is op jeugdigen leeftijd witachtig groen, in volwassen toestand rood (Arion rufus) of zwartbruin tot zwart (Arion ater); de zoom van den voet blijft gewoonlijk rood. De grootste exemplaren zijn 100 mM. lang en 25 mM. breed.
*
Onder den naam van Naakte Slakken (Limacidae) vatten wij alle Longslakken samen, die in ’t geheel geen schelp bezitten, of, verborgen in het mantelschild, dat het voorste deel van den romp aan de rugzijde bedekt, een klein kalkplaatje (Limax) of eenige onsamenhangende kalkkorrels (Arion) hebben. Door het maaksel van de tong en de ligging van het ademgat en van de geslachtsopening stemmen de Limaciden met de Heliciden volkomen overeen. Ter vervanging van de uitwendige schelp, die de Heliciden tegen plotselinge weersveranderingen beveiligt, wordt bij de Limaciden door besproeiing van de oppervlakte een vermindering van het vochtgehalte der huid door verdamping voorkomen. Deze eigenaardige inrichting is bij een groot exemplaar van de Gewone Aardslak (Arion empiricorum) duidelijk waar te nemen. Het mantelschild is taai en korrelig, omgeven door een groeve, van voren verwijd tot een soort van muts, waaronder de kop geborgen kan worden. Van de rand van het mantelschild gaan straalsgewijs diepe groeven uit, die op den rug de grootste diepte en lengte hebben en door scherp gekielde kammen gescheiden zijn. Zij eindigen boven den bodem in de groeve, die den zoom van den voet begrenst; het vocht, dat door deze kanalen stroomt, vloeit dus niet onmiddellijk weg. Het geheele stelsel is bedekt met slijm, dat door de tallooze eencellige slijmklieren van de huid afgescheiden wordt, maar bevat ook nog een andere vloeistof, die men bij onzachte aanraking van een rustig kruipende Slak als een melkachtige stroom naast het ademgat (uit de nieropening) naar buiten ziet komen. Dit vocht, dat, behalve het product van de nier, ook water bevat (daar de nier water uit de lichaamsholte kan opnemen) en misschien ten deele direct uit de bloedvaten afkomstig is, stroomt door de groeven naar beneden en (ten gevolge van een capillaire werking), ook in de ringvormige goot om het mantelschild en van hier in het kanalenstelsel op den rug. De geheele oppervlakte van de Slak wordt dus door tal van greppels van vocht voorzien, dat, langzaam naar beneden vloeiend, verdampt. Door samentrekking van het lichaam worden de groeven nauwer en dieper, hetgeen de verdamping vertraagt. Niet bij alle Naakte Slakken is het bevloeiingsstelsel zoo volkomen als bij de bovengenoemde soort. De schadelijkste van alle, de 3 à 4 cM. lange Grauwe Veldslak of Akkeraardslak (Limax agrestis) heeft geen uitpuilende rimpels, maar een gladde, door fijne groefjes in veelhoekige velden verdeelde huid, en is daarom minder dan andere tegen droogte bestand. Alleen bij vochtig weer verlaat zij, over dag zoowel als ’s avonds en ’s nachts, hare schuilplaats om zich te voeden met allerlei jonge gekweekte planten; als de zon schijnt verbergt zij zich onder steenen, planken, bladen en in den grond.—De beide belangrijke geslachten Limax en Arion verschillen, behalve door de mate van ontwikkeling van de schelp, ook door de plaatsing van het ademgat, dat bij Arion vóór, bij Limax achter het midden van het mantelschild gelegen is; bovendien komen bij het laatstgenoemde geslacht op het mantelschild concentrische golflijnen voor en is het achterste deel van den rug gekield. De Groote Aardslak (Limax maximus) is op witachtig grijzen of zwarten grond met donkerder of lichtere overlangsche strepen of reeksen van vlekken geteekend; de kiel op den rug is witachtig, geel of roodachtig. Zij bereikt dezelfde grootte als de Gewone Aardslak. Deze komt vooral in bosschen voor, ’t zij dan in de zwarte, ’t zij in de roode verscheidenheid. „In Groningen,” schrijft Prof. Ritzema Bos, „ziet men bijna altijd eerstgenoemde, in Gelderland meer laatstgenoemde verscheidenheid. In bosschen komt evenzeer de Groote Aardslak voor, welke Slak tevens degene is, welke in vochtige kelders het meest wordt aangetroffen. In tuinen vindt men zoowel de Akkeraardslak als de Tuinaardslak (Arion fuscus) en de Gewone (zwarte of roode) Aardslak. Op bouwland is de Akkeraardslak verreweg het meest algemeen. In ’t algemeen kan gezegd worden, dat op alle mogelijke vochtige plaatsen elke soort van Slakken aangetroffen kan worden. Alle kunnen schadelijk worden, vooral wanneer zij jonge gewassen aantasten. Sommige soorten leven doorgaans in bosschen van paddestoelen en uitwerpselen, terwijl zij daarnevens boombast of verschillende onkruiden (paardenbloem, weegbree) vreten.”
De Slakken zijn zeer vruchtbaar. De Grauwe Veldslak begint in Augustus eieren te leggen en zet dezen arbeid, zoolang het vochtig weer blijft, gedurende den herfst voort. In ’t geheel brengt zij er wel 400 ter wereld, die men, slechts dun bedekt, bij hoopjes van 6 tot 15, vooral in de schaduw, aan den voet van tuinmuren b.v., aantreft. In Augustus komen de jongen na 3 of 4 weken uit; de eieren, die laat in het jaar gelegd worden, overwinteren, gelijk ook de Slakken zelve doen.
De Ongesteeldoogigen (Basommatophora) hebben geen oogvoelers, wel 2 lipvoelers, die niet ingestulpt kunnen worden.
Tot deze onderorde behoort de familie der Oorslakken (Auriculidae), welker leden (voor het meerendeel in den heeten aardgordel), behalve aan de oevers van zout- en zoetwatermeeren en van de zee, ook op andere zeer vochtige plaatsen, doch niet in het water leven.
Belangrijker is voor ons de familie der Waterlongslakken (Limnaeidae). Bij het typische geslacht der Poelslakken (Limnaeus) merkt men afgeplatte, driehoekige voelers op. De schelp is rechts gewonden, meestal dun en doorschijnend; de omgangen nemen zeer snel in wijdte toe; de laatste maakt meestal het aanzienlijkste deel van het huisje uit; met hem vergeleken is de winding soms zeer onbeduidend. De Poelslakken bewonen bij voorkeur zeer zacht water, in welks slijkerigen bodem allerlei waterplanten welig groeien. Behalve op stengels of bladen en over den bodem, ziet men deze dieren dikwijls ook langs den waterspiegel kruipen, waaraan zij met den voet hangen, terwijl het huisje naar beneden gericht is; deze beweging merkt men ook bij vele andere Buikpootigen op.
De Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis), die in stilstaand water overal veelvuldig gevonden wordt, is de grootste van haar geslacht en van alle inheemsche Zoetwaterslakken; haar huisje is 6 à 7 cM. hoog. Dit dier, welks grondkleur van vuil geelachtig grijs tot donker olijfgroen afwisselt, is met geelachtige stipjes als bezaaid; de voet heeft steeds een donkerder kleur, met lichten rand.

Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis). Ware grootte.
Bij de Poelslakken merkt men tusschen de grootte van den schelpmond en de levenswijze een soortgelijk verband op als bij de Vitrinen en de Succiniden. De huisjes van de Gewone en van de Moeras-poelslak (Limnaeus palustris), die beide moerassen en ander stilstaand water bewonen, hebben een betrekkelijk kleine opening en een betrekkelijk groote winding. Bij andere soorten is de schelpmond grooter en de winding in dezelfde verhouding kleiner; aan ’t einde van deze reeks staat bij ons de Oorvormige Poelslak (Limnaeus auricularis), met een schelp, die nagenoeg geheel door den laatsten omgang wordt gevormd en waarvan de mond een nagenoeg 4-maal zoo grooten omtrek heeft als de overige schelp. De laatstgenoemde soort wordt in meer bewogen water gevonden; hare verwanten, die nog verder in dezelfde richting voortgeschreden zijn, bewonen de stille bochten van de Zwitsersche meeren en de zoogenaamde doode armen van rivieren.
Alle Limneën hechten hare eieren in samenhangende, wormvormige of ovale scholen aan allerlei in ’t water liggende voorwerpen, meestal aan de onderzijde van drijvende bladen van waterplanten. Dikwijls brengt één dier, van Mei tot Augustus, een 20-tal van deze scholen voort, die ieder 20 à 130 eieren bevatten. Zoowel het eierenleggen als de ontwikkeling van de met trilhaarorganen uitgeruste en zich bewegende kiemen kan men gemakkelijk bij exemplaren in een aquarium waarnemen.
Overal waar Limneën zich ophouden, zal men ook Schijfhorenslakken (Planorbis) aantreffen. Het huisje heeft de gedaante van een schijf, waaraan men zoowel van boven als van onderen de omgangen kan onderscheiden, daar zij een vlakke spiraal vormen. De winding steekt niet of weinig uit; soms zelfs is de bovenzijde hol, de onderzijde vlak. Enkele hebben een wijd genavelden horen, zooals de grootste en meest voorkomende, inheemsche soort—de Gewone Schijfhoren (Planorbis corneus)—, die een middellijn van 31 en een hoogte van 12 mM. kan bereiken. Bij vele soorten heeft de laatste omgang een meer of minder scherpe kiel. Het tamelijk slanke dier heeft een van voren afgeronden kop met twee samentrekbare, lange, borstelvormige voelers. De tamelijk korte voet is van voren afgeknot, van achteren afgerond. Van haar woonplaats, levenswijze en beweging valt ongeveer hetzelfde te zeggen als van Limnaeus. De Schijfhorenslakken bewonen voor ’t meerendeel het noordelijk halfrond en den gematigden aardgordel. Zij leggen de eieren op soortgelijke wijze als de Limneën, doch vereenigen ze niet tot langwerpige, maar tot ronde, platte scholen.
De Beek-kaphoren (Ancylus fluviatilis) en de Poel-kaphoren (Acroloxus lacustris), die beide ook tot onze fauna behooren, hebben een napvormig huisje, dat slechts zwakke sporen van asymmetrie vertoont, doordat bij de eerstgenoemde soort de spits een weinig naar rechts, bij de laatstgenoemde zeer weinig naar links afwijkt; bij gene is de eivormige schelpmond 5 mM. lang en 4 mM. breed, bij deze 7.5 mM. lang en gemiddeld 3 mM. breed, doch van achteren smaller dan van voren. Zij leiden een zeer eenvormig en lui leven, de eerste in stroomend, de tweede in stilstaand zoetwater: gewoonlijk vindt men het huisje stijf aangedrukt tegen bladen en steenen. Geen der overige Land- en Zoetwaterslakken heeft een schelp van zulk een vorm; wel komen soortgelijke huisjes bij Slakken in Spanje, Amerika, Cuba en Nieuw-Zeeland voor.
VIERDE ORDE.
DE KIELSLAKKEN (Heteropoda).

Atlanta Peronii. 7-voudig vergroot.
Evenals de Vinpootigen, bewonen de Kielslakken de open zee. Haar geleiachtig, doorzichtig lichaam is naakt, of wordt door een teere, doorzichtige schelp beschut. Deze orde omvat slechts een 60-tal soorten en biedt veel minder verscheidenheid van vormen aan dan de beide vorige groepen van Slakken, die op het land, in het zoetwater en op de plantenwereld van de kustzee veel meer verschillende levensomstandigheden hebben ontmoet. In de nabijheid van deze past nog het best de familie der Atlanten (Atlantidae), diertjes van eenige mM. middellijn, die iedereen op het eerste gezicht als Slakken herkennen zal. De kop is verlengd tot een snuit, aan welks einde zich de mondopening bevindt. Het bovenste, aan een kruin herinnerende deel van den kop geeft de belangrijkste zenuwcentra en de zintuigen van dit bijna waterheldere dier te aanschouwen, n.l. de bovenslokdarmknoopen, de gehoorblaasjes, de hoog ontwikkelde oogen en (vóór deze) de voelers. Daar wij reeds bij vele Vinpootigen en Voorkieuwigen een voet leerden kennen, die door overlangsche of dwarse groeven in afdeelingen is gesplitst, hebben wij slechts één stap verder te doen om de voor ’t kruipen dienende zool der meeste Buikpootigen te vervormen in het op een geheel andere wijze werkende bewegingsorgaan van Atlanta en van de meeste Kielslakken. Wij zien hier—in plaats van den breeden, meestal onmiddellijk met den kop samenhangenden voet—van den kop door een diepe bocht gescheiden, een lichaamsdeel, waaraan drie afdeelingen zijn op te merken. De eerste is zijdelings samengedrukt tot een voor ’t zwemmen geschikt orgaan, dat kiel wordt genoemd. Het kan zich uitmuntend bewegen; het dier roeit zich er op soortgelijke wijze mede voort als de matroos, die achter in een boot met één riem staat te pagaaien. Onmiddellijk achter de kiel bevindt zich een zuignap, waarmede de Kielslak zich aan den bodem, in de regel echter aan voorwerpen, die vrij in ’t water drijven, vooral aan wieren, vasthecht. De derde of achterste afdeeling is bij Atlanta eveneens zeer sterk ontwikkeld; het is de staart met het platte hoornachtige deksel op den rug, waarmede onze Heteropode, evenals vele andere Slakken, haar schelp kan sluiten.
De Atlanten komen in alle zeeën tusschen de keerkringen en van de beide gematigde aardgordels in grooten getale voor. Het best bekend zijn de beide soorten, die (met vele andere bewoners van de open zee) door storm en strooming dikwijls in de straat van Messina worden gedreven, n.l. Atlanta Peronii, welker schelp licht hoorngeel gekleurd en eenigszins buigzaam is, en Atlanta Kerandsenii, met een bijna glasheldere, brooze schelp. De middellijn van de grootste huisjes bedraagt bij deze soort 10, bij gene 9 mM.
Als de Atlanten verontrust worden, of om een andere reden zich naar de diepte willen begeven, trekken zij zich geheel in de schelp terug. De kop wordt het eerst geborgen, dan volgt, na plooiing, de kiel en ten slotte het achterste deel van den voet, dat met zijn deksel den mond der schelp geheel aanvult. De eieren drijven tot lange snoeren vereenigd, in ’t water.
Carinaria gelijkt in sommige opzichten op Atlanta, maar nadert door andere belangrijke eigenaardigheden meer tot den derden hoofdvorm der Kielslakken. Ook bij dit geslacht is een schelp aanwezig, die echter buitengewoon dun en glasachtig is. Zij bestaat uit omgangen, die alle in één vlak gelegen zijn en zoo snel in wijdte toenemen, dat de laatste veel meer ruimte inneemt dan alle overige te zamen genomen. Hierin is echter alleen plaats voor de zoogenaamde „kern”, die uit de lever en den kluwenvormige darm bestaat; de kieuwen steken voorbij den rand der schelp uit. Een spoelvormige massa, aan welker voorste uiteinde de kop voorkomt en waarvan het achterste stuk met de derde afdeeling van den voet van Atlanta vergeleken moet worden, maakt het grootste deel van het lichaam uit. Bij den oorsprong van den kop ziet men twee lange, spitse voeldraden, waarachter de oogen liggen.
Dat de liefhebbers van conchyliën zich, evenals andere verzamelaars, soms groote opofferingen getroosten, om in het bezit van een zeldzaam voorwerp te geraken, blijkt uit de prijs van f 1200, die indertijd voor een schelp van een Indische Carinaria werd betaald.
Volkomen naakt zijn de Kielslakken van het geslacht Pterotrachea; de ingewandenkern, die bij haar den vorm van een tarwekorrel heeft, wordt niet door een afzonderlijke, breukzakvormige uitstulping van den mantel omgeven en is niet door een schelp bedekt. Overigens gelijken deze Slakken veel op de leden van het vorige geslacht. Het lange, cilindervormige lichaam loopt van voren uit in een dunnen, meestal knievormig gebogen snuit en eindigt van achteren in een spitsen staart. De onderzijde is van een bijlvormige vin voorzien.
De Pterotracheën zijn, evenals al hare verwanten, vraatzuchtige roofdieren. Meestal tot groote scholen vereenigd en bij ’t zwemmen den rug naar onderen, de kiel naar boven richtend, bewegen zij, naar buit zoekend, den snuit heen en weer; de tong wordt beurtelings uitgestoken en in opgerolden toestand teruggetrokken, hare zijtanden als tangen vóór de mondopening geopend en gesloten. Met deze grijporganen wordt de buit, die vooral uit Visschen, kleine Schaaldieren en Kwallen bestaat, gegrepen, vastgehouden en langzamerhand in het spijskanaal getrokken.
VIJFDE ORDE.
DE VOORKIEUWIGEN (Prosobranchia).
Deze orde, die alle overige in omvang overtreft, daar er ongeveer 9000 levende en 6000 fossiele soorten van bekend zijn, omvat nagenoeg alle door een stevig huisje omhulde Zeeslakken, bovendien echter eenige honderden Zoetwaterslakken (Paludinidae) en een duizendtal op het land levende, door longen ademende soorten (Neurobranchiata). Met uitzondering van de laatstgenoemde, hebben alle leden dezer orde kieuwen. Ter beschutting van de ademhalingswerktuigen vormt de mantel een plooi of een holte, die door een gat, een inham of een buis met de buitenwereld in gemeenschap staat. Ieder, die met den lichaamsbouw van een Longslak kennis heeft gemaakt, begrijpt zonder moeite de ligging der organen van andere Buikpootigen. Ter verklaring van de eigenaardigheden der Voorkieuwigen kan de nevenstaande afbeelding van een uit haar huisje genomen Zeeslak dienen.

Litoridina Gaudichaudii (mannetje); de kieuwholte is opengesneden en de mantel c naar links omgeslagen:—a) Mond. p) Voet. m) Spilspier. c) Mantel. d) Aarsopening. f) Slijmklier. e) Nier. g) Kieuw (hiernaast de bijkieuw). h) Hart. b, b) Voortplantingsorganen—Ware grootte.
Voor aan den kop zien wij een tamelijk langen snuit (a), aan welks einde zich de mondopening bevindt. Zulk een snuit, die niet ingestulpt, maar gewoonlijk wel verkort kan worden, komt bij vele leden dezer orde voor. De (soms zeer lange) buisvormige slurf, die bij andere Voorkieuwigen uit den snuit te voorschijn kan komen en aan ’t einde de mondopening draagt, is van spieren voorzien, die haar kunnen terugtrekken. De voet (p) is verbonden met de spilspier (m), waardoor het dier aan zijn schelp bevestigd is. Daar de mantelholte aan de rechterzijde opengesneden is, kan men de belangrijke organen zien, die aan de binnenste oppervlakte van den (hier naar links omgeslagen) mantel (c) voorkomen. Wanneer de organen nog op hun gewone plaats liggen, vindt men het meest naar rechts den endeldarm met de aarsopening (d). Daarnaast ligt een klier, die gewoonlijk slijmklier (f) wordt genoemd. Zij kan bij deze Slakken een buitengewoon groote hoeveelheid van een taaie, slijmerige stof afscheiden, die soms als verdedigingsmiddel dienst doet. Meer naar links ligt de kamvormige kieuw (g), die eigenlijk bij de rechterlichaamshelft behoort, maar sterk naar de linkerzijde verschoven is; de linkerkieuw of „bijkieuw” is weinig ontwikkeld; het hart (h) is achter de kieuw gelegen en uit een kamer en een voorkamer samengesteld. Alle Slakken, waar, zooals hier, de kieuw vóór het hart—en dus de voorkamer, die het bloed uit de kieuw ontvangt, vóór de kamer—geplaatst is, worden Voorkieuwigen genoemd. Bij een groot aantal geslachten bezit de voet een opening, waardoor dit lichaamsdeel, zoodra het buiten de schelp te voorschijn komt, water opneemt in een sterk vertakt kanalenstelsel, dat ook met de lichaamsholte, die veneus bloed bevat, in gemeenschap staat. Hierdoor verkrijgt de voet een omvang veel grooter dan die van het huisje, waarin hij, na het laten wegvloeien van het water, gemakkelijk geborgen kan worden. Met uitzondering van de Pluimdragers (Valvata) zijn alle leden der orde éénslachtig.
Verreweg de meeste Voorkieuwigen (ongeveer 5800 levende en 4000 fossiele soorten) behooren tot de onderorde der Kamkieuwigen (Ctenobranchiata). Deze hebben, evenals het zooeven tot voorbeeld gekozen dier, in de op den nek liggende ademholte een groote kieuw en daarnaast een kleinere, de bijkieuw. Bij vele Kamkieuwigen (o.a. bij Murex) is de mantel aan de linkerzijde verlengd tot een „adembuis” of „sipho”, die het water naar de mantelholte geleidt. Zij, die dit aanvoerkanaal missen, hebben in den regel geen terugtrekbare slurf (wel een niet terugtrekbaren snuit) en voeden zich met plantaardige stoffen. De overige, die dierlijk voedsel gebruiken, zijn meestal in het bezit van een adembuis en van een slurf. Het eerst zullen wij die familiën bespreken, welke, wegens het gemis van een sipho, aan de schelp een gaafrandigen mond, zonder kanaal of insnijding hebben (Holostomata). Voor ’t meerendeel zijn deze Slakken planteneters.
De Moeras-kieuwslakken (Paludinaceae) bewonen stilstaand en stroomend zoetwater; zij hebben een korten, niet terugtrekbaren snuit, gelegen tusschen twee lange en slanke voelers, naast welker oorsprong (aan de buitenzijde), meestal op zeer korte steeltjes, de oogen geplaatst zijn. De lange, smalle wrijfplaat bestaat uit 7 overlangsche reeksen van tanden (1 middelplaat en aan weerszijden 3 zijplaten in elke dwarsreeks). Alle Slakken met zulk een tong heeten Bandtongigen (Taenioglossa).
De Moerashorenslakken (Paludina) hebben een eivormige of buikig-kegelvormige schelp met zeer bolle, door een diepen naad vereenigde omgangen en een hoornachtigen, concentrisch gestreepten deksel. De Paludinen leven in slooten, poelen, plassen en rivieren, vooral in het noordelijk halfrond. Meestal vindt men ze op den bodem van ’t water, kruipend over den modder of langs de stengels en bladen van de hier groeiende planten. Bij warm, zonnig weer komen zij ook wel aan de oppervlakte, waar zij soms, evenals de Poelslakken, met naar beneden gericht huisje langs den waterspiegel kruipen. Het lichaam kan niet zoo ver als bij deze buiten de schelp komen; op het deksel, dat boven het achterste deel van den voet vastzit, rust dan het bolle gedeelte van den laatsten omgang. Bij het terugkeeren in het huisje wordt de voet middendoor gevouwen en als een boek dichtgeslagen. De grootste inheemsche soort, de Levendbarende Moerashorenslak (Paludina vivipara) is bijna 4 cM. hoog. Gedurende den geheelen zomer vindt men den eierenzak van het wijfje gevuld met kiemen en eieren, die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling verkeeren, daar er slechts één jong te gelijk ter wereld wordt gebracht; dit heeft bij de geboorte een huisje van 4 omgangen, dat 6 mM. hoog en even breed is; de bovenzijde van iederen omgang heeft een kiel, waarop lange borstelige haren staan, die in den regel zeer spoedig geheel verdwijnen.

Levendbarende Moerashorenslak (Paludina vivipara); links: een mannetje; rechts: een wijfje; in het midden een exemplaar, dat het embryonale stekelkleed veel langer dan gewoonlijk behouden heeft. Ware grootte.
Ook de 3 cM. hooge Gestreepte Moerashorenslak (Paludina achatina) brengt levende jongen ter wereld. Zij houdt zich bij voorkeur op in stroomend water en komt in de Elbe, de Spree, den Rijn en de Donau voor.
De Kogelslakken (Ampullaria), die de Paludinen op het zuidelijk halfrond vervangen, onderscheiden zich van alle overige Slakken door het gelijktijdig bezit van een longholte en een kieuwholte, waardoor zij maanden lang buiten het water kunnen leven. De longholte is boven de kieuwholte gelegen en wordt in het water door een klep gesloten. De 75 mM. hooge Gestreepte Kogelslak (Ampullaria fasciata), die in Oost-Indië, zoowel in rivieren als op slijkerige rijstvelden leeft, wordt veelvuldig ingezameld en als spijs gebruikt.
Tot dezelfde familie en tot onze fauna behooren, behalve sommige Diepslakken (Bitynia), die, evenals de vorige, een verkalkt deksel hebben, doch overigens veel op Paludinen gelijken, ook nog eenige Pluimdragers (Valvata); deze zijn merkwaardig wegens hun tweeslachtigheid en bovendien, doordat de vedervormige kieuw uit de mantelholte naar buiten treedt en door het kruipende dier omhoog gericht gedragen wordt.
De nu volgende geslachten, die men gewoonlijk onder den naam van Oeverslakken (Litorinaceae) samenvat, naderen tot de vorige door den lichaamsvorm van het volwassen dier; de ontwikkelingsgang is echter samengestelder, doordat de jongen, evenals nagenoeg alle Zeeslakken, met twee groote, gewimperde mondlappen (het kopscherm) zijn uitgerust; hiermede kunnen zij vlug zwemmen. Het soortenrijke geslacht der Zeewier- of Drijfhorentjes (Rissoa) bevat geen andere dan kleine vertegenwoordigers, met slurfvormige, van voren ingesneden snuit, die half zoo lang is als de beide draadvormige voelers. De meeste hebben een kegel- à torenvormige schelp met eivormigen mond en hierin passend, hoornachtig deksel. Hun hoofdvoedsel bestaat uit zeewieren; zij worden daarom in de laminariën-zone het veelvuldigst aangetroffen. Zij bewegen zich flink, kruipen tamelijk vlug en richten intusschen de voelers beurtelings naar achteren en naar voren. Eenige soorten kunnen zich met naar beneden gericht huisje en naar boven gerichten voet langs den waterspiegel bewegen. Het 4 mM. hooge Kleine Zeewierhorentje (Rissoa parva) spint kleverige draden, waarmede het zich aan waterplanten vasthecht om beter bestand te zijn tegen den aandrang van het water en om veiliger zijn standplaats te kunnen verlaten. Deze Slakken worden op zeer verschillende diepten (tot op 105 vademen) gevonden, doch voor ’t meerendeel op geringer afstand van den waterspiegel. Dat haar eigenlijk vaderland het zuidelijke deel van de noordelijke gematigde zone is, blijkt uit de talrijkheid, grootte en ontwikkeling van de soorten, die de Middellandsche Zee bewonen.
Een amphibische levenswijze hebben de Alikruiken (Litorina), daar zij een groot deel van haar leven doorbrengen boven den waterspiegel in den oevergordel, die slechts door den vloed (of soms alleen door de toppen der golven bij hoog water) bereikt wordt. Meer dan 100 soorten van dit geslacht uit alle zeeën zijn bekend. De dikrandige, porseleinachtige schelp is in den regel nagenoeg bolvormig. Het dier heeft een korten, ronden snuit en lange, draadvormige voelers, aan welker basis de oogen gezeten zijn.
Een van de algemeenste en verst verbreide Strandslakken van het noordelijk halfrond is de 25 mM. hooge Gewone Alikruik of Kreukel (Litorina litorea), die in ondiep water op blaaswieren, steenen en paalwerk leeft. Zij beweegt zich langzaam; bij ’t kruipen werken de beide helften van den voet afwisselend. Haar voedsel bestaat zoowel uit plantaardige als uit dierlijke stoffen. In de Oostzee vindt men deze soort tot op de oostkust van Bornholm en Rugen. Verder oostwaards wordt ook voor haar het zoutgehalte van deze zee te gering. Aan de kusten van Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt zij in menigte voor, zoo ook in den Atlantischen Oceaan, van Groenland en het noordoosten van Amerika tot Portugal. Men vindt haar in de Witte Zee zoowel als in de Adriatische Zee. Bij groote hoeveelheden worden deze Slakken o.a. aan onze kusten gevangen en door de kustbewoners gegeten of naar andere landen uitgevoerd. De Gewone Alikruik legt eieren; de Ruwe Alikruik (Litorea rudis) brengt gedurende het geheele warme seizoen levende jongen ter wereld.
Indien alleen op de wijze van ademhaling werd gelet, zouden de Slakken, die men onder den naam Netkieuwigen (Neurobranchiata) samenvat, bij de Longslakken geplaatst moeten worden, omdat zij geen kieuw, maar een long bezitten. In alle overige opzichten stemmen zij echter met de Voorkieuwigen overeen. Zij hebben twee, niet voor instulping (wel voor verkorting) geschikte voelers, aan welker basis de oogen staan. Een slurf ontbreekt altijd; maar de snuit is lang en bevat een wrijfplaat, welker maaksel met die der Bandtongigen overeenkomt. Voor het sluiten van de steeds spiraalswijs gewonden schelp bezitten zij een hoornachtig of verkalkt deksel, dat door het uitgestrekte dier op den rug van ’t achterste deel van den voet wordt medegedragen. Zij zijn geen hermaphrodieten, zooals de Longslakken, maar eenslachtig, zooals nagenoeg alle Voorkieuwigen. Alle leven op het land, vooral in vochtige keerkringsgewesten.
De belangrijkste familie is die der Kringmondslakken (Cyclostomidae), waarvan ongeveer 900 levende soorten bekend zijn. Slechts enkele van deze bewonen ook Midden-Europa, n.l. Frankrijk, Zwitserland en het zuidelijke deel van Midden-Duitschland. De eenige die ook in Nederland heet voor te komen, is de Sierlijke Rondmondhoren (Cyclostoma elegans), zoo genoemd wegens het traliewerk van zeer regelmatige, uitpuilende spiraallijnen en fijne, daartusschen gelegen dwarsstrepen op de geelachtig violet-grijze of donker vleeschkleurige, 10 à 15 mM. hooge schelp. Deze is bij alle leden van haar geslacht dun en uit ronde omgangen samengesteld; de afgerond eivormige mond is volkomen gaafrandig, wordt in ’t geheel niet ingesneden door den laatsten omgang, zoodat de binnen- en buitenlip overal samenhangen. De schelp is meestal kegelvormig, zelden plat; meestal eng genaveld en van een diepen naad voorzien. De genoemde Slak is zeer schuw, trekt zich bij de minste, haar ongewoon voorkomende aanraking in haar huisje terug en sluit dit met het zeer stevige, harde deksel. Alle Cyclostomen zijn over dag werkzaam en begeven zich ’s avonds in het goed gesloten huisje ter ruste.
Het soortenrijke geslacht der Tepelhorens (Natica) vormt de kern van een gelijknamige familie (Naticidae). Hoewel zij op planteneters gelijken (daar hun bol- of eivormige schelp geen kanaal of inham heeft aan den half-cirkelvormigen mond), voeden zij zich met dierlijke stoffen; de buitenlip is scherp, aan de binnenzijde glad, de binnenlip eeltachtig verdikt. De zijstukken van den uitgestoken voet, die door het opnemen van water buitengewoon sterk in omvang kan toenemen, bedekken het geheele huisje; bovendien gebruikt de Slak dit orgaan om er mede in ’t zand te graven en om er haar prooi geheel mede te bedekken. Zij valt n.l. dikwijls andere Weekdieren (Slakken en Mossels) aan, en boort hun met de wrijfplaat een cirkelrond gat in de schelp. Naar men zegt, helpt zij mede bij het uit den weg ruimen van doode Visschen en andere aan ’t strand gespoelde dieren. Zeer merkwaardig is haar eierennest, dat men lang voor een soort van polypenstok heeft gehouden. Het heeft den vorm van een breede schelp, ter dikte van een sinaasappelschil, die met den mond op den bodem rust en aan de eene zijde open is; het bestaat uit aaneengekleefd zand en kan gemakkelijk zonder te breken gebogen worden, zoolang het vochtig is. Wanneer men er doorheen kijkt, ziet men een menigte kleine cellen op afwisselende reeksen. Elke cel bevat een geleiachtig ei met gele kern, de schelp van de kiem. In het midden van den zomer kan men op ieder strand, waarop zich een Natica-soort ophoudt, zulke eierennesten vinden. De Gewone Tepelhoorn (Natica monilifera) van onze kust is 27 mM. breed.
Ieder die zich op een rotsachtige zeekust met het inzamelen van planten bezig houdt en, om geen hinder te hebben van ’t water, schoenen en kousen uittrekt, loopt niet zelden gevaar zich de voeten bloedend te verwonden. Er zijn plaatsen, waar de bodem dicht bedekt is met meer of minder onregelmatig gewonden, zeer stevige kalkkokers, welker mond zoo scherp is, dat slechts vurige belangstelling in de wetenschap de pijn leert verdragen van het loopen op dezen als ’t ware uit doornen en messen samengestelden weg. De bedoelde schelpen, die men allicht voor woningen van Kokerwormen zou houden, zijn afkomstig van Wormslakken (Vermetus). Dit valt moeielijk af te leiden uit de ledige schelpen, die bij de meeste soorten (b.v. bij Vermetus triqueter uit de Middellandsche Zee) wit en bij de Gewone Wormslak (V. lumbricalis) aan de westkust van Afrika roodachtig geel en doorschijnend zijn. Het oudste gedeelte is regelmatig spiraalswijs gewonden en steeds aan den bodem vastgehecht. Met den bewoner kan men het best kennis maken door een stuk van den rotsachtigen zeebodem, waaraan eenige van deze dieren vastgehecht zijn, los te rukken en het thuis in een grooten bak met zeewater te plaatsen. De Wormslak kan zich zeer diep in haar schelp terugtrekken. Als zij op het punt staat te voorschijn te komen, ziet men eerst boven de opening een soort van stop uitpuilen, welks afgeronde en gladde bovenvlakte met een hoornachtig plaatje bedekt is. Bij vele Zeeslakken zien de voet en het deksel er zóó uit, wanneer het dier zich zoo sterk mogelijk heeft saamgetrokken. De voet van onze soort behoudt echter dezen vorm ook in gestrekten toestand. Op den voet volgt een plompen, door de sterk ontwikkelde slikorganen uitgezetten kop, die door het bezit van voelers, met oogen aan hun basis, den waren aard van het dier verraadt. De beide voorste, draadvormige organen zijn geen voelers, maar eenvoudig verlengstukken van de lip. De kop kan gemakkelijk waargenomen worden, omdat dit dier, moediger dan andere Slakken, zich bij aanraking niet in het huisje terugtrekt, maar van weeke voorwerpen, die men het voorhoudt, stukken afbijt; harde voorwerpen worden met den mond omvat en stevig vastgehouden. Waarschijnlijk zijn de Wormslakken diereneters, die de Wormen en Schaaldieren, welke altijd in haar onmiddellijke nabijheid voorkomen, buitmaken.

Gewone Wormslak (Vermetus lumbricalis). Een weinig vergroot.
De eieren worden door het wijfje ten getale van 10 à 30 in cocons geborgen, die ieder door tusschenkomst van een kort steeltje, aan den binnenwand van de schelp bevestigd zijn. De oudste van deze cocons bevindt zich het dichtst bij den mond van het huisje en heeft den grootsten omvang, daar deze toeneemt, naarmate de ontwikkeling der kiemen voortschrijdt. Niet bij alle groepen van Slakken vormen de organen zich in volkomen gelijke volgorde; toch ontstaan gewoonlijk de voet en het zoogenaamde kopscherm het eerst en vertoonen ook de mantel en de schelp zich zeer spoedig. Het kopscherm bestaat uit een paar halfcirkelvormige lobben aan weerszijden van den mond; haar rand is met lange wimpers bezet. Deze verschaffen reeds aan de kiem in het ei een spiraalsgewijze beweging. De voet van de jonge Wormslak is bij het verlaten van het ei zoo goed ontwikkeld, als van eenige Slak verwacht kan worden. Behalve aan het kopscherm, is zij als een Echte Slak kenbaar aan de sierlijke, rechts gewonden schelp. Zoo uitgerust verlaat zij de eischaal en den cocon en zwemt, gelijk alle Zeeslakken, met behulp van het kopscherm vrij rond. Na verloop van eenigen tijd verdwijnen eerst de wimpers en later de overige deelen van haar zwemorgaan; waarschijnlijk blijft zij daarna nog een tijdlang kruipen en voegt in deze perioden van vrij leven nog eenige omgangen aan haar huisje toe. Eindelijk krimpt ook de voet in; de schelp hecht zich op een nog onbekende wijze aan het gesteente en groeit verder uit tot een onregelmatig gewonden buis, welker omgangen elkander niet raken.
De Wormslakken worden door sommigen als een afzonderlijke familie beschouwd (Vermetaceae), door anderen met de Penhorenslakken (Turritellaceae) vereenigd. Bij het typische geslacht Turritella, waarvan één soort—de Gewone Penhoren (Turritella communis)—ook (hoewel zeldzaam) in de Noordzee aangetroffen wordt, is het huisje torenvormig, met talrijke (hoogstens 30), meestal geribde omgangen; ook de spiraallijn die de vergrooting van het hoornachtige deksel verraadt, vertoont vele windingen. De kop is tot een langen, platten, van voren uitgesneden en met wratjes bezetten snuit verlengd; de mantelrand en een huidplooi dwars om den nek zijn met franje omzoomd. Van deze familie zijn ongeveer 40 soorten bekend; de meeste en de grootste bewonen de keerkringszeeën. Alle zijn diereneters, maar trage, zelden buiten haar schelp te voorschijn komende schepsels.
*
Bij de overige Bandtongige Kamkieuwigen is de mantelrand uitgegroeid tot een voor de ademhaling dienende, gootvormige lob (ademsipho) en de opening van de schelp bijgevolg voorzien van een insnijding of kanaal; zij heeten daarom Siphonostomata, hebben een gewonden schelp, die meestal met een (hoornachtig) deksel gesloten kan worden, leven in de zee en zijn voor ’t meerendeel diereneters.
De familie, waarvan de Porseleinhorenslakken (Cypraea) de kern vormen (Cypraeidae), zou men met het oog op de economische beteekenis der Kauris de belangrijkste van de geheele klasse kunnen noemen. De buitenste (jongste) omgangen bedekken de oudere nagenoeg geheel, zoodat deze niet zichtbaar (ingewikkeld) zijn. Evenals hare verwanten, hebben deze Slakken een tamelijk dikken kop met korte slurfen, lange, slanke, dicht bijeen gezeten voelers, aan welker basis, op een knobbel aan de buitenzijde, de oogen voorkomen. De mantel strekt zich naar weerszijden zeer ver uit en kan naar boven omgeslagen worden, zoodat het huisje er grootendeels of geheel door bedekt is. Wegens den eigenaardigen glans, dien de schelp hieraan ontleent en wegens hare soms zeer schitterende en bonte, soms zeer teere kleuren nemen de Porseleinhorens een voorname plaats in onder de aantrekkelijkheden eener conchyliënverzameling. Misschien heeft geen enkel geslacht van oudsher zooveel belangstelling gewekt; de reden hiervoor is zoowel in de veelvuldigheid dezer conchyliën als in haar werkelijk zeer fraai uiterlijk te vinden. In alle oorden van de wereld en zelfs bij zeer onbeschaafde volken dienen zij ter versiering van woningen en van kleederen; op grond van een overoude conventie zijn sommige soorten in verscheidene landen als pasmunt in gebruik. Om verschillende redenen verdienen de Porseleinhorens de voorkeur die hun betoond wordt: zij bekoren het oog door de fijne afronding hunner vormen, kunnen gemakkelijk een spiegelgladde oppervlakte verkrijgen, doen in hardheid voor marmer niet onder en prijken met schitterende kleuren. Ook uit een wetenschappelijk oogpunt trekken zij de aandacht, daar de schelp bij toenemenden leeftijd op in ’t oogvallende wijze van vorm verandert. Bij het jonge dier is zij dunwandig en heeft een wijden mond met ongetande lippen; bij de volwassen Slak is de mond lang en smal, aan beide einden diep ingesneden (tuitvormig); terwijl tevens beide lippen getand zijn.
De belangrijkste soort van het geheele geslacht is de Kauri (Cypraea moneta). Deze wordt 1½ à 2 cM. lang, is wit- of geelachtig, breed eivormig en van achteren aan weerszijden van twee stompe knobbels voorzien. Het talrijkst vindt men haar op de kust der Maledivische eilanden, waar zij, volgens berichten uit vroegeren tijd, 2-maal in de maand, 3 dagen na nieuwe maan en 3 dagen na volle maan, ingezameld wordt. Van hier wordt zij gedeeltelijk naar Bengalen en Siam, vooral echter naar Afrika verscheept. De hoofdstapelplaats voor den Afrikaanschen kauri-handel is Zanzibar. Van Afrika’s oostkust begeven zich sedert eeuwen groote karavanen met dit artikel, dat geld en koopwaar is, naar het binnenland. Bij scheepsladingen worden deze schelpjes door Europeesche schepen van Zanzibar afgehaald en aan de westkust tegen de producten des lands, stofgoud, ivoor, palmolie, ingeruild. In Goere vertegenwoordigden 700000 Kauris een waarde van 594 gulden, 1180 stuks dus 1 gulden; de inkomsten van den vorst bedroegen 30 millioen Kauris per jaar. De waarde is natuurlijk aan koers onderhevig en hangt af van den aanvoer en van de transportkosten. Gewoonlijk zijn zij bij honderd aan een koord geregen om het tellen gemakkelijker te maken. Op vele plaatsen is dit echter niet gebruikelijk; zoodat de duizenden een voor een afgeteld moeten worden. Zoolang de Nederlanders Ceylon bezaten, was dit eiland de belangrijkste stapelplaats voor den handel in Kauris; van hier werden zij in korven, in balen die ieder 12000 stuks bevatten, of (naar Guinea) in vaten verzonden. Een tijdlang werd met behulp van Kauris de geheele Afrikaansche slavenhandel gedreven. Voor 12000 pond van dit artikel konden 500 à 600 slaven gekocht worden. Tegen het midden van de 8e eeuw was de prijs reeds verdubbeld; later werden de kustdistricten met Kauri-geld overstroomd en kwamen voor deze schelpen andere ruilmiddelen in de plaats.

Kauri (Cypraea moneta). Ware grootte.
Merkwaardige soorten uit den Indischen Oceaan zijn: de 10 cM. hooge Argus (Cypraea argus), welker geelachtig witte schelp van boven met bruine, op oogen gelijkende ringen, van onderen met 4 groote bruine vlekken geteekend is;—de 8 cM. hooge Groote Slangenkop (Cypraea mauritiana), welker eivormige schelp van boven bultig, van achteren neergedrukt, van onderen plat en grootendeels effen zwartbruin is, doch een roodbruine bovenzijde, met geelachtig witte, verspreide vlekken heeft;—de 4 cM. hooge Kleine Slangenkop (Cypraea caput serpentis), die van de vorige verschilt door de dicht bijeenstaande, als ’t ware een netwerk vormende, witte vlekken;—de 10 cM. hooge Tijgerslak (Cypraea tigris), welker van boven en van onderen even sterk gewelfde schelp van onderen wit is, doch een blauwachtig witte bovenzijde heeft met talrijke, zwartachtig bruine, groote, uitvloeiende vlekken en een overlangsche, rechte, roestbruine streep in ’t midden.
De Tritonshorenslakken (Tritoniidae) hebben een grooten kop, die tusschen de lange, kegelvormige voelers vooruitsteekt. Deze dragen de oogen aan de buitenzijde ongeveer op halverhoogte. Een tamelijk lange snuit kan door de mondspleet, aan de onderzijde van den kop, uitgestoken worden. De schelp is langwerpig eivormig of bijna torenvormig, met hooge spiraalwinding, overlangs loopende verdikkingen op iederen omgang en een tamelijk lang, recht kanaal aan den mond. Het voornaamste geslacht is dat der Kinkhorens of Trompetslakken (Tritonium). In de Middellandsche Zee leeft de Knobbelige Kinkhoren (Tritonium nodiferum), welker schelp, de Buccina der oude Romeinen, door hen als krijgstrompet gebruikt werd en ook thans nog de trompet is van de Italiaansche jagers en visschers. Voor ’t zelfde doel dient de even groote Tritonshoren (Tritonium tritonis) bij de kustbewoners van den Indischen Oceaan. De naam „kinkhoren” is ontleend aan het geluid, dat men hoort, wanneer men den mond van de schelp voor het oor houdt. Dit geluid, dat ook wel „het bruischen van de zee” wordt genoemd, hoort men trouwens aan alle niet-te-kleine Slakkenhuizen, daar deze een goede resonansbodem opleveren voor het mengelmoes van tonen van ieder gedruisch. Eenig gedruisch moet er zijn, opdat men een geluid zal hooren; bij absolute stilte zwijgt ook de Tritonshoren. Veelvuldig ziet men deze schelp voorgesteld op schilderijen, beeldengroepen en reliefs uit den rococo-tijd.
In meer dan één opzicht zijn de Tonhorenslakken (Doliidae) merkwaardig. Haar schelp is dunwandig, buikig, dikwijls bijna bolrond, de mond wijd, de buitenlip meestal verdikt en over haar geheele lengte gekorven. Het dier heeft een langwerpig-eivormigen, grooten en dikken voet, die door het opnemen van water sterk in omvang kan toenemen. De kop is plat en breed, zijn voorrand tusschen de voelers bijna rechtlijnig. Deze zijn lang en dragen de oogen aan de buitenzijde op hun verdikt grondstuk. De adembuis is dik, tamelijk lang en wordt boven de schelp teruggebogen.—De 11 cM. hooge Tonslak (Dolium perdix) uit de Middellandsche Zee is de grootste Slak van dit gebied. Toen Prof. Troschel te Messina met dierkundige onderzoekingen bezig was, bracht men hem een groot, levend exemplaar van deze soort, dat bij aanraking de slurf een halve voet ver uitstak en onmiddellijk door de mondopening een straal van een waterheldere vloeistof een voet ver uitspoot. Tot zijn groote verbazing zag Troschel, dat deze vloeistof overal, waar zij op den uit kalksteen bestaanden vloer neerkwam, een opbruisching veroorzaakte en dus geen speeksel, maar een sterk zuur was. Het bleek, dat zij 3 à 4 percent vrij zwavelzuur en 0.3 percent vrij zoutzuur bevat en dat deze zuren afgescheiden worden door een afzonderlijke klier, die naast de eigenlijke speekselklier ligt. Het doel van deze verrichting, die, naar Panceri heeft aangetoond, ook bij een aantal soorten van de geslachten Cassis, Cassidaria en Tritonium voorkomt, is onbekend.—Onderzoekingen op kunsthistorisch gebied hebben tot het vermoeden geleid, dat de schelp van de Tonslak het voorbeeld is geweest van de spiraalswijze versieringen van de Ionische zuil.