STELLINGEN. (continued 3)
J. Ph. (Jean Philippe) Vogel translation
In ’t kort: berisping is zeer licht te krijg,
de deugden van den rechter blijven ver.
Want een rechter moet immers
’t Wetboek kennend, bekwaam in ’t nagaan van bedrog,
welsprekend, niet toornig zijn,
Bij vriend, vreemd’ en verwant gelijk zijn van gedrag,
na onderzoek uitspraak doen,
Arglistigen een schrik, der zwakken toeverlaat,
rechtvaardig, van hebzucht vrij,
Bij uitweg aan de hoogste waarheid† ’t hart gehecht,
afwerend des konings toorn.
Gildemeester en Griffier.
„Ook een edele heeft gebreken” zegt men. Is dit zoo, dan kan men ook zeggen: „In het maanlicht zelfs is duisternis.”
Rechter.
Waarde bode, ga ons voor naar de rechtszaal.
Bode.
Kom dan, heeren van het gerecht, kom. (Gaat het tooneel rond.) Dit is de rechtszaal, treedt dus binnen, heeren van het gerecht. (Allen zetten zich neder.†)
Rechter.
Waarde bode, ga naar buiten en verneem, wie een zaak heeft in te dienen.
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Gaat naar buiten.) Edelen, de rechters vragen: „Wie heeft hier een zaak in te dienen?”
Koningszwager (verheugd).
De rechter is gekomen! (Met trots rondloopend.) Ik, een uitstekend mensch, een man, een Vâsudeva, des konings zwager, des konings schoonbroeder heb een zaak in te dienen.
Bode (ontsteld).
O wee, het allereerst heeft des konings zwager een zaak in te dienen. Welnu, Edele, wacht een oogenblikje, intusschen zal ik het den rechters melden. (Tot hen gaande.) Edelen, daar is de zwager des konings bij de terechtzitting verschenen, om een zaak in te dienen.
Rechter.
Hoe, het allereerst heeft de zwager des konings een zaak in te dienen. Gelijk bij zonsopgang een verduistering voorspelt dat den val van een groot man. Bode, wij zullen heden zeer veel hebben af te handelen. Mijn waarde, ga naar buiten en zeg hem: „Ga, uw rechtszaak wordt heden niet onderzocht.”
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Gaat naar buiten en begeeft zich tot den koningszwager.) Edele, de rechters zeggen: „Ga, uw rechtszaak wordt heden niet onderzocht.”†
Koningszwager (toornig).
Wat, mijn rechtszaak wordt niet onderzocht! Als ze niet onderzocht wordt, dan zal ik het zeggen aan mijn zwager, koning Pâlaka, den gemaal van mijn zuster, en ik zal het zeggen aan mijn zuster en aan moedertje, ik zal dezen rechter wegjagen en een anderen rechter aanstellen. (Wil gaan.)
Bode.
Edele koningszwager, wacht een oogenblikje, intusschen zal ik het den rechters melden. (Tot den rechter gaande.) De koningszwager is toornig en zegt: (Herhaalt wat door hem gezegd is.)
Rechter.
Tot alles kan men den dwaas in staat achten. Wil hem dus zeggen: „Kom, uw rechtszaak wordt onderzocht.”
Bode (tot den koningszwager gaande).
Edele, de rechters zeggen: „Kom, uw rechtszaak wordt onderzocht.” UEd. trede dus binnen.
Koningszwager (verheugd bij zich zelf).
Kijk, eerst zegt hij: „Ze wordt niet onderzocht” en nu: „Ze wordt onderzocht”. Dus zijn de rechters zeker wel heel bevreesd; alles, wat ik zal zeggen, zal ik hen doen gelooven. Komaan, ik treed binnen. (Binnengaande en nadertredend.) Wij zijn zeer welvarend, ook U kan ik welvaren wenschen of ook niet.
Rechter (bij zich zelf).
O, wat een stevige beschaafdheid van dien aanklager! (Luid.) Wil plaats nemen.
Koningszwager.
Wel, mij zelf behoort de grond toe; dus waar het mij behaagt, daar zal ik gaan zitten. (Tot den gildemeester.) Hier ga ik zitten. (Tot den bode.) Neen, hier ga ik zitten.† (Zijn hand op het hoofd van den rechter leggend.) Hier ga ik zitten. (Zet zich op den grond neder.)
Rechter.
U heeft een zaak in te dienen?
Koningszwager.
Zeker.
Rechter.
Draag dan de zaak voor.
Koningszwager.
Ik zal ze U aan het oor zeggen. Ik ben geboren in een zoo groot geslacht, dat den omvang heeft van een schoteltje.
’s Konings schoonvader is mijn vader,
de koning is mijn vaders schoonzoon,
Ik ben de zwager van den koning,
de koning is mijn zusters man.
Rechter.
Dat alles is bekend.
Waartoe van afkomst gesproken? Hier komt het op karakter aan.
Doornige boomen gedijen op goeden akker des te meer.
Wil dus de zaak mededeelen.
Koningszwager.
Goed, ik zal spreken. Ook al had ik misdaan, hij zou toch niets tegen mij uitrichten. De gemaal dan van mijn zuster heeft mij als blijk zijner tevredenheid het schoonste van alle parken, het oude park Pushpakarandaka geschonken, om er te spelen en het te bewaken en ik ga er dagelijks heen, om toe te zien, om het te doen droog houden, te doen wieden, om het te doen verzorgen, om het te doen snoeien.† Door een schikking van ’t Noodlot zie ik, of zie ik niet het lichaam van een vrouw liggen.
Rechter.
En is bekend, wie de vrouw was, die daar was omgekomen?
Koningszwager.
O heeren van het gerecht, hoe zou ik haar niet kennen, zulk een vrouw, het kleinood der stad, met sieraden voor honderd suvarna’s? Door den een of anderen onmensch is Vasantasenâ ter wille van haar weinigje geld in het verlaten, oude park Pushpakarandaka gevoerd† en door des armstriks gewelddadigheid gedood. Niet door mij! (Na half te hebben uitgesproken, legt hij zijn hand op den mond.†)
Rechter.
Ach, die zorgeloosheid der stadswachters! Hoor, gildemeester en griffier, dat „Niet door mij!” moet als eerste punt van het rechtsgeding worden opgeteekend.
Griffier.
Zooals UEd. beveelt. (Doet aldus.) Edele, het is opgeteekend.
Koningszwager (bij zich zelf).
O wee, als een gulzige rijstebrijklonteneter† heb ik mij zelf in ’t verderf gestort. Komaan dan! (Luid.) Hoe nu, heeren van het gerecht, zeg ik niet, dat ik haar slechts heb gezien? Wat maakt ge dan zulk misbaar? (Wischt met den voet het opgeteekende uit.)
Rechter.
Hoe weet ge, dat zij om haar geld met den armstrik is omgebracht?
Koningszwager.
Wel, dat maak ik op uit de sterk gezwollen strepen aan haar hals en daaruit, dat de plaatsen, waar men sieraden draagt, zonder goud waren.
Gildemeester en Griffier.
Dat komt wel uit.
Koningszwager (bij zich zelf).
Goddank, ik ben herleefd!
Gildemeester en Griffier.
Wie is in dit geding betrokken?
Rechter.
De behandeling is hier tweeledig.
Gildemeester en Griffier.
Hoe zoo?
Rechter.
Door het nagaan der woorden en door het nagaan der feiten. De behandeling door het nagaan der woorden, die gaat uit van aanklagers en beklaagden. Die door het nagaan der feiten, moet door het inzicht van den rechter tot een einde worden gebracht.
Gildemeester en Griffier.
Dan is Vasantasenâ’s moeder in de zaak betrokken.
Rechter.
Zoo is het. Waarde bode, roep de moeder van Vasantasenâ hier, zonder haar te doen ontstellen.
Bode.
Zoo zij het. (Af; komt op met de moeder der hetaere.) Volg mij, Edele.
Oude.
Mijn meisje is naar de woning van een vriend gegaan, om haar jeugd te genieten. En nu zegt deze goede man: „Kom mede, de rechter laat U roepen.” Dus gevoel ik mij als door een flauwte vermeesterd, mijn hart beeft. Edele, ga mij voor naar de rechtszaal.
Bode.
Volg mij, Edele. (Beiden gaan het tooneel rond.) Dit is de rechtszaal. UEd. trede hier binnen. (Beiden treden binnen.)
Oude (naderend).
Welvaren zij U, Edelachtbaren.
Rechter.
Mijn waarde, welkom, zet U neder.
Oude.
Zoo zij het. (Zet zich neder.)
Koningszwager (smalend).
Zoo ben je daar, oude koppelaarster, ben je daar!
Rechter.
Wel, gij zijt dus de moeder van Vasantasenâ?
Oude.
Zeker.
Rechter.
Waar is Vasantasenâ dan op dit oogenblik heengegaan?
Oude.
Naar het huis van een vriend.
Rechter.
Hoe heet haar vriend?
Oude (bij zich zelf).
Dit is toch al te beschamend. (Luid.) Dat mag wel een man uit het volk vragen, maar niet een rechter.
Rechter.
Laat uw schaamte varen; het geding vraagt het.
Gildemeester en Griffier.
Het geding vraagt het, er steekt geen kwaad in; zeg het.
Oude.
Hoe, het geding! Luistert dan, Edelachtbaren. Hij is de kleinzoon van den veemheer Vinayadatta, de zoon van Sâgaradatta, heilvol van benaming, de edele Cârudatta genaamd, en woont in de wijk der gildemeesters; daar geniet mijn meisje de vreugde van haar jeugd.
Koningszwager.
Gij hoort het, Edelen! Laten die woorden worden opgeteekend; met Cârudatta is mijn rechtsstrijd.
Gildemeester en Griffier.
Cârudatta haar vriend! Daar steekt geen kwaad in.
Rechter.
Cârudatta is nu in het geding betrokken.
Gildemeester en Griffier.
Dat is wel zoo.
Rechter.
Dhanadatta! „Vasantasenâ is naar het huis van den edelen Cârudatta gegaan”, dat moet ge als eerste punt van het geding opteekenen. Hoe, zelfs de edele Cârudatta moet door ons worden ontboden! Maar neen, het rechtsgeding ontbiedt hem. Waarde bode, ga, ontbied den edelen Cârudatta, omzichtig, zonder hem te verschrikken of te doen ontstellen en met de noodige onderscheiding. Zeg hem: „Daar gij ter sprake zijt gebracht, wenscht de rechter U te zien.”
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Af; komt op met Cârudatta.) Volg mij, Edele.
Cârudatta (nadenkend).
Daar mij de koning volkomen
door afkomst en geaardheid kent,
Toont waarlijk deze dagvaarding
wantrouwen in mijn levenslot.
(Gissend, bij zich zelf.)
Zou ’t dan bekend zijn, dat die man, nu bevrijd van banden,
Zijns weegs gegaan, op eenen wagen door mij ontvoerd is?
Of heeft het, ziende door verspieders, de vorst vernomen,
Dat dus ik henenga, als war’ ik een aangeklaagde!
Maar kom, wat baten deze overwegingen! Laat ik naar de rechtszaal gaan. Waarde bode, wijs mij den weg naar het gerecht.
Bode.
UEd. volge mij. (Beiden gaan het tooneel rond.)
Cârudatta (bevreesd).
Wat is dat daar!
Met rauw geluid hoor ik dien vogel krassen†,
’s ministers dienaren mij plotsling roepen,
En ’t linker oog voel ik geweldig trillen;
’t zijn kwade teekenen, die mij beangsten.
Bode.
UEd. volge mij behoedzaam† zonder ontsteltenis.
Cârudatta (gaat het tooneel rond en ziet om zich heen).
Op een verdorden boom zittend
en naar den Zonnegod gewend,
Vestigt op mij, ongetwijfeld,
een kraai haar gruwlijk linker oog.
(Weer elders heenziende.) O zie, die slang!
Op mij den blik gericht,
glanzend als bhṛnga*-zwarte zalf,†
Met gifttand-viertal blank
en trillend-uitgestrekte tong,
Schiet toornig op mij toe,
met kronk’lend opgeblazen lijf,
Die bochtenganger-vorst,
die in mijn weg te slapen lag.
En nog dit:
Mijn voet glijdt uit en niet heel vochtig is de grond,
Ook trilt mijn oog en telkens beeft mijn linker arm,
En gindsche vogel krijscht terwijl herhaalde maal,
Spelt een zeer wreeden dood—hier baat geen overleg!
De Goden mogen het nochtans ten goede wenden.
Bode.
UEd. volge mij, dit is de rechtszaal, UEd. trede binnen.
Cârudatta (binnentredend en naar alle zijden rondziende).
O, hoe vol luister is de rechtszaal! want hier
Met in gepeins verdiept-verzonken mantri’s als met water,
met boden als met golf en schelpen overvol,
Met rondom staande spieders als dolfijn en krokodillen,
verblijf van olifant en paard* als wild gediert,
Met velerlei krijschende klagers als met vogels prijkend,†
als ware het door slangen, door griffiers bewoond,
Is het Paleis*, met oevers, vastgestampt uit levenswijsheid,†
door boosgezinden aan den Oceaan gelijk.
Het zij zoo! (Binnentredend, geeft hij te kennen, dat hij het hoofd stoot; gissend.)
Wel, wat is dat weer!
Ik voel het linker oog trillen,
de weg is door een slang versperd,
Bovendien krijscht er een vogel,
moog nochtans ’t Noodlot gunstig zijn.
Laat ik binnentreden. (Treedt binnen.)
Rechter.
Dat is dus Cârudatta.
Met oogen, breed tot in de hoeken, van neus verheven,
Is dit gelaat geen vat van zonden, die reden missen.†
Bij koeien, olifanten, paarden en ook bij menschen
Verloochent ’t uiterlijk den aard niet, daaraan gelijkend.
Cârudatta.
Den rechters heil! En gij, beambten, gaat het U wèl?
Rechter (in verlegenheid).
UEd. zij welkom. Waarde bode, breng ZEd. een zetel.
Bode (een zetel brengend).
Hier is een zetel, UEd. neme plaats. (Cârudatta neemt plaats.)
Koningszwager (toornig).
Ben je daar, vrouwenmoordenaar, ben je daar! Wat een behoorlijke rechtsspraak, wat een billijke rechtsspraak, dat aan een vrouwenmoordenaar een zetel wordt gegeven! (Op hoogen toon.) Het zij zoo, men geve hem een zetel!
Rechter.
Edele Cârudatta, bestaat tusschen U en de dochter van deze edele vrouw genegenheid of vriendschap?†
Cârudatta.
Van welke?
Rechter.
Van deze. (Wijst op de moeder van Vasantasenâ.)
Cârudatta (opstaande).
Edele, ik groet U.
Oude.
Zoon, ik wensch U lang leven. (Bij zich zelf.) Dat is dus Cârudatta; goed geborgen is dan de jeugd van mijn meisje.
Rechter.
Edele, de hetaere is uw vriendin? (Cârudatta toont verlegenheid.)
Koningszwager.
Laat uit verlegenheid of vrees
de valschaard zijn gedrag verhelen!
Nu zelf om geld hij heeft gedood,
verheelt hij ’t niet, de groote heer.†
Gildemeester en Griffier.
Edele Cârudatta, spreek! Laat uw verlegenheid varen; dit is immers een rechtsgeding.
Cârudatta.
O rechters, hoe zou ik zoo iets kunnen zeggen: „De hetaere is mijn vriendin”? En toch, mijn jeugd misdoet hierin, niet mijn wandel.
Rechter.
Dit rechtsgeding is vol stoornis,
begeef de schaamte van uw hart;
’t Komt slechts op moed aan; spreek waarheid!
misleiding wordt hier niet aanvaard.
Laat uw schaamte varen, het rechtsgeding vraagt het U.
Cârudatta.
Rechter, met wien heb ik een geding?
Koningszwager (op hoogen toon).
Met mij, met mij hebt ge een geding.
Cârudatta.
Een geding met U is voor mij zeer moeilijk te verdragen.
Koningszwager.
O vrouwenmoordenaar, gij hebt Vasantasenâ gedood, die met honderden juweelen was versierd, en thans verheelt gij het, daar gij een aartsbedrieger zijt.
Cârudatta.
Onzin spreekt ge.†
Rechter.
Edele Cârudatta, genoeg daarvan! Spreek waarheid; is de hetaere uw vriendin?
Cârudatta.
Ja, zoo is het.
Rechter.
Edele, waar is Vasantasenâ?
Cârudatta.
Naar huis gegaan.
Gildemeester en Griffier.
Hoe gegaan? wanneer gegaan? en door wien begeleid?
Cârudatta (bij zich zelf).
Moet ik zeggen: „Zij is heimelijk gegaan”?
Gildemeester en Griffier.
Edele, spreek.
Cârudatta.
Zij is naar huis gegaan; wat zal ik meer zeggen?
Koningszwager.
In het oude park Pushpakarandaka, dat mij behoort, hebt gij haar gebracht, en om haar beetje geld met des armstriks gewelddadigheid gedood, en nu zegt ge: „Zij is naar huis gegaan.”
Cârudatta.
Gij, met uw ongerijmde taal!
Gij zijt door ’t water niet besprenkeld der regenwolken;
Nochtans des câsha’s* vleugelpunten geheel gelijkend,
Komt dit uw aangezicht intusschen vergeefs, Geachte!
Gelijk een lotus in den winter, tot glanzeloosheid.†
Rechter (zacht tot gildemeester en griffier).
Der bergen koning* opheffen,
’t doorklieven van den Oceaan,
Ja, met de hand den wind grijpen,
is Cârudatta’s lastering!
(Luid.) Het is immers de edele Cârudatta; hoe zou hij een misdaad bedrijven?
Met oogen, breed tot in de hoeken, van neus verheven,
Is dit gelaat geen vat van zonden, die reden missen.
Bij koeien, olifanten, paarden en ook bij menschen
Verloochent ’t uiterlijk den aard niet, daaraan gelijkend.
Koningszwager.
Waarom wordt de rechtszaak zoo partijdig onderzocht?
Rechter.
Ga heen, dwaas!
Gij, lage man, spreekt van den zin der Veda’s
en nog niet uitgevallen is uw tong!
Op ’t midden van den dag ziet gij de zon aan
en niet terstond is uw gezicht verblind!
In vlammend vuur waagt gij de hand te steken
en zij verbrandt niet ’t eigen oogenblik!
Van goeden naam berooft gij Cârudatta
en zie, d’aarde verslindt uw lichaam niet!
Hoe zou de edele Cârudatta een misdaad bedrijven?
Hij, die der zee slechts had gelaten der wat’ren rijzing,*
Zijn schatten, zonder ze te tellen, heeft weggeschonken,
Hoe zou die voorraadsschuur van deugden, die hooggezinde,
Om geld een euveldaad bedrijven, een vijand haatlijk!
Koningszwager.
Waarom wordt de rechtszaak zoo partijdig onderzocht?
Oude.
Nietswaardige, die man, die, daar een goudkistje, dat hem was toevertrouwd, des nachts door dieven was gestolen, daarvoor een paarlensnoer geeft, het puik der vier oceanen, die zou nu, ter wille van geld, dat misdrijf bedrijven! Ach zoon! Kom toch, mijn dochter! (Zij weent.)
Rechter.
Edele Cârudatta, is zij te voet gegaan of met een wagen?
Cârudatta.
Zij is immers niet in mijn bijzijn gegaan. Dus weet ik niet, of zij te voet gegaan is of met een wagen.
Vîraka (opkomend, wrevelig).
Nu ’k door des voetstoots hoon en smaad
een zware veet’ had opgevat,
Is deze kommervolle nacht,
hoe ook, tot lichten dag gemaakt.
Laat ik mij naar de rechtszaal begeven. (Met het gebaar van binnentreden.) Geluk, Edelachtbaren.
Rechter.
Wel zie, de hoofdman der stadswacht Vîraka! Vîraka, wat is de reden van uw komst?
Vîraka.
Wel, toen ik in de verwarring bij zijn ontsnapping ′Aryaka achtervolg en daar er een gesloten wagen rijdt, overleg, hem achtervolg en zeg: „Wel, hij is door U gevisiteerd, hij moet ook door mij gevisiteerd worden”, toen ben ik door Candana, den overste, met den voet gestooten. Nu gij dit gehoord hebt, staat aan U, Edelachtbaren, de beslissing.
Rechter.
Mijn waarde, weet ge, van wien die wagen was?
Vîraka.
Van dezen, den edelen Cârudatta. „Vasantasenâ bevindt zich er in en wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd om zich te vermeien”, zoo is door den voerman gesproken.
Koningszwager.
Hebt gij ’t wederom gehoord, Edelachtbaren?
Rechter.
Ach, verslonden wordt door Râhu*
die maan van vlekkeloozen schijn.
Door nederstorting des oevers
het klare water wordt bevuild.
Vîraka, later zullen wij hier uw zaak onderzoeken. Bestijg het paard, dat aan de deur van de rechtszaal staat, ga naar het oude park Pushpakarandaka en zie, of daar een omgekomen vrouw is of niet.
Vîraka.
Zooals UEd. beveelt (Af; weder opkomend.) Ik ben gegaan en heb er het lijk van een vrouw gezien, dat door de roofdieren verscheurd werd.
Gildemeester en Griffier.
Hoe weet ge, dat het ’t lijk van een vrouw was?
Vîraka.
Dat heb ik gezien aan hetgeen over was van de haren, de armen, de handen en de voeten.
Rechter.
Ach, hoe lastig is in de wereld† de rechtsspraak!
Hoe meer, hoe meer dit nauwgezet wordt nagegaan,
hoe meer, hoe meer bezwaarlijk het bevonden wordt;
De rechtsgeleerdheid is volkomen uitgeput,
’t verstand beklemd zit als een koe in een moeras.
Cârudatta (bij zich zelf).
Als op een bloem zich, bij haar eerst ontluiken,
de bijenzwermen storten om te drinken,
Zoo bij een man ook in den tijd van onheil
vermeerd’ren met de leemten zich de rampen.†
Rechter.
Edele Cârudatta, gij moet waarheid spreken.
Cârudatta.
Wat een boosaardig man, afgunstig op anders deugden,
Door haat verblind en hier ten zeerste gezind tot moordlust,
Wat, door de schuld van zijn geboorte, hij valsch’lijk aanbrengt,
Moet dat dan aangenomen worden en niet betwijfeld?†
En ook:
Ik, die zelfs nimmer een liane, getooid met bloesem,
Tot mij zal trekken om de bloem en den bloesem plukken,
Hoe dan, ’t als bijenvleug’len glanzend, heel-lange hoofdhaar
Aangrijpend, zoude ik een weenende vrouwe dooden?
Koningszwager.
Welnu, heeren van het gerecht, wat onderzoekt gij de zaak zoo partijdig, dat nog steeds die nietswaardige Cârudatta op een zetel mag blijven zitten?
Rechter.
Waarde bode, zoo moet ge doen. (De bode doet aldus.)
Cârudatta.
Bedenkt U wel, o rechters, bedenkt U wel. (Verlaat den zetel en zet zich op den grond.)
Koningszwager (bij zich zelf, van vreugde dansend).
Kijk, zoo is het kwaad, door mij gedaan, op een anders hoofd neergekomen. Dus, waar Cârudattaka zit, daar ga ik nu zitten. (Doet aldus.) Cârudatta, zie mij aan, zie mij aan! Zeg dan toch: „Zij is door mij gedood.”
Cârudatta.
O, rechters!
Wat een boosaardig man, afgunstig op anders deugden,
Door haat verblind en hier ten zeerste gezind tot moordlust,
Wat, door de schuld van zijn geboorte, hij valsch’lijk aanbrengt,
Moet dat dan aangenomen worden en niet betwijfeld?
(Zuchtend, bij zich zelf.)
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’U nog immer in ’t grootste onheil.†
Maitreya is door mij tot Vasantasenâ gezonden, om bericht van haar in te winnen en haar de sieraden terug te geven, die zij hem had geschonken voor een wagentje. Waarom toeft hij dan?
(Dan komt de Vidûshaka op met de sieraden.)
Vidûshaka.
Ik ben door den edelen Cârudatta tot Vasantasenâ gezonden, daarheen de sieraden medenemend, met de woorden: „Edele Maitreya, door Vasantasenâ is de kleine Rohasena, met haar eigen sieraad versierd, tot zijn moeder gezonden; hij moet sieraden geven, maar niet aannemen†; overhandig ze haar dus.” Laat ik dus tot Vasantasenâ gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen; in de ruimte.*) Hé, daar is Meester Rebhila. Wel, Meester Rebhila, hoe ziet ge zoo geheel ontsteld? (Luistert.) Wat zegt ge? „De edele Cârudatta is voor het gerecht geroepen!” Dan moet het wel een zaak gelden van niet gering belang. (Denkt na.) Ik zal dan later naar het huis van Vasantasenâ gaan. Laat ik nu eens naar de rechtszaal gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is de rechtszaal, laat ik binnentreden. (Treedt binnen.) Geluk, heeren van het gerecht! Waar is mijn lieve vriend?
Rechter.
Wel, hier staat hij.
Vidûshaka.
Vriend, heil zij U.
Cârudatta.
Het moge zoo zijn.
Vidûshaka.
Zijt ge welvarend?
Cârudatta.
Ook dit moge zoo zijn.
Vidûshaka.
Maar vriend, hoe ziet ge zoo geheel ontsteld? en waarom zijt ge gedaagd?
Cârudatta.
Vriend!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen and’re wereld weet,
Een vrouw of Rati*, om ’t even†—
de rest zal deze doen verstaan.
Vidûshaka.
Wat, wat?
Cârudatta (aan zijn oor).
Zoo is het.
Vidûshaka.
Wie zegt dat?
Cârudatta (wijst door een wenk den koningszwager aan).
Niet deze ongelukkige, die het middel is, het Noodlot klaagt mij aan.
Vidûshaka.
Waarom zegt ge niet: „Zij is naar huis gegaan”?
Cârudatta.
Schoon het gezegd wordt, door de schuld van mijn levenslot wordt het niet aangenomen.
Vidûshaka.
Hoe nu, Edelen! Deze man, door wien Ujjayinî is versierd met kloosters, lusttuinen en godshuizen, die de stad bevesten,† met vijvers en putten, die zou ter wille van een beetje geld zulk een misdaad bedrijven! (Toornig.) Wel, wel, bastaard, koningszwager Samsthânaka, bandelooze, bron van beschuldigingen, met veel goud getooide aap! Zeg dan, zeg dan in mijn gezicht, hoe zou mijn lieve vriend, die niet eens een bloeiende mâdhavî-rank* nederbuigt, om de bloemen te plukken, want door het nederbuigen mocht soms een jonge twijg breken, hoe zou hij zulk een misdaad bedrijven, met beide werelden in strijd! Wacht, koppelaarsterszoon, wacht, wacht! Ik zal met dezen stok, die even krom is als je hart, je hoofd in honderd stukken slaan.
Koningszwager (toornig).
Hoort toch, hoort toch, Edelachtbaren. Met Cârudattaka heb ik een rechtsstrijd of een geding; waarom wil jij dan, kraaienpootschedelkop! mijn hoofd in honderd stukken slaan? Neen, neen, slavinnenzoon, verwenschte Brahmanenjongen.
(De Vidûshaka, zijn stok opheffend, herhaalt zijn vorig gezegde. De koningszwager, toornig opstaande, slaat hem. De Vidûshaka slaat weerom. Zij slaan elkander. Uit den gordel van den Vidûshaka vallen de sieraden.)
Koningszwager (ze grijpend en beziende, verbaasd).
Ziet toch, Edelen, dit zijn immers de sieraden der ongelukkige. (Op Cârudatta wijzend.) Om dit beetje geld is ze gedood en omgebracht.
(De rechters blijven allen met het hoofd naar omlaag gewend.)
Cârudatta (zacht tot den Vidûshaka).
Deze menigte sieraden,
op zoodanigen tijd gezien,
Door vijandschap van ons Noodlot
gevallen, brengen ons ten val.
Vidûshaka.
Maar waarom vertelt ge niet, hoe de zaak zich heeft toegedragen?
Cârudatta.
Vriend!
Zwak is het oog van den heerscher,
de werk’lijkheid aanschouwt het niet,
Wie slechts van armoe kan spreken,
hem wacht een schandelijke dood.†
Rechter.
Helaas, helaas!
Wijl, met Angâraka strijdend,
Bṛhaspati is uitgeput,*
Is die planeet nog daarnevens
verrezen, een komeet gelijk.
Gildemeester en Griffier (tot de moeder van Vasantasenâ).
UEd. bezie dit goudkistje eens opmerkzaam, of het hetzelfde is of niet.
Oude (het beziende).
Het is gelijkend, maar niet hetzelfde.
Koningszwager.
O oude koppelaarster, met de oogen hebt gij het gezegd en met de stem verzwegen.
Oude.
Nietswaardige, ga heen.
Gildemeester en Griffier.
Spreek niet lichtvaardig; is het hetzelfde of niet?
Oude.
Edele, door des kunstenaars bekwaamheid boeit het het oog, toch is het niet hetzelfde.
Rechter.
Mijn waarde, kent ge deze sieraden?
Oude.
Ik zeg het immers. Neen, neen, ik heb het niet herkend†, maar mogelijk is het door een kunstenaar nagemaakt.
Rechter.
Zie, gildemeester!
Wel komen immers overeen onderscheiden zaken
In vorm en kunstige gesteldheid, het sieraad eigen.
Want ’t maaksel ziende, imiteert het het gild der kunst’naars
En ziet, door vaardigheid der handen, men overeenkomst.
Gildemeester en Griffier.
Zijn die sieraden van den edelen Cârudatta?
Cârudatta.
Neen, neen.
Gildemeester en Griffier.
Van wien dan?
Cârudatta.
Van de dochter dezer achtenswaardige.
Gildemeester en Griffier.
Hoe zijn ze van haar afgeraakt?
Cârudatta.
Zoo is het gebeurd, ja, dat is het.
Gildemeester en Griffier.
Edele Cârudatta, ge moet nu waarheid spreken. Zie, zie:
Door waarheid toch wordt heil verworven,
die waarheid spreekt, valt niet in zonde;
Waarheid—het zijn maar twee syllaben;
verheel niet waarheid door bedrog!
Cârudatta.
De sieraden als sieraden ken ik niet; maar wel weet ik, dat ze uit ons huis hier zijn gebracht.
Koningszwager.
Eerst hebt gij haar in het park gevoerd en gedood en thans verheelt gij het, daar gij een aartsbedrieger zijt.
Rechter.
Edele Cârudatta, gij moet de waarheid spreken.
Thans zullen harde zweepslagen
op dit uw lichaam, al te teer,
Vrijelijk vallen, zóó vallen
de wenschen tevens van ons hart.
Cârudatta.
In een geslacht van onschuld’gen
geboren, vindt m’ in mij geen schuld;
Maar indien schuld ondersteld wordt,
wat baat, dat ik onschuldig ben?
(Bij zich zelf.) En het is mij niet te doen om het leven, nu ik van Vasantasenâ ben gescheiden. (Luid.) Welnu, waartoe vele woorden!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen wereld-tweetal weet,
Een vrouw of Rati, om ’t even†—
de rest zal deze doen verstaan.
Koningszwager.
Omgebracht; komaan, zeg gij ook: „Omgebracht”.
Cârudatta.
Door U is het gezegd.
Koningszwager.
Luistert, luistert, hooge heeren, door dezen is zij omgebracht. Moet nu niet, daar hierdoor alle twijfel is afgesneden, deze schamele Cârudatta aan den lijve worden gestraft?
Rechter.
Bode, het is, gelijk des konings zwager gezegd heeft. Hé, wachters, grijpt dien Cârudatta. (De wachters grijpen hem.)
Oude.
Weest genadig, weest genadig, Edelachtbaren! Die man, die daar een goudkistje enz. (Herhaalt het vroeger gezegde.) Al is dan mijn meisje omgebracht, toch wensch ik hem een lang leven. En nog dit: Het geding loopt tusschen klager en beklaagde. Ik ben de aanklaagster†, laat hem dus vrij.
Koningszwager.
Ga heen, slavinnendochter, ga heen; wat hebt ge met hem noodig?
Rechter.
Edele, gij moet gaan. Hé, wachters, voert haar naar buiten.
Oude.
Ach kind, ach zoontje! (Weenende af.)
Koningszwager (bij zich zelf).
Ik heb tegenover hem mijner waardig gehandeld, nu ga ik heen. (Af.)
Rechter.
Edele Cârudatta, in de uitspraak hebben wij te beslissen, in het overige de koning. Toch moet ge, bode, koning Pâlaka doen weten:
Men mag, sprak Manu*, niet dooden
dezen misdadigen Brahmaan;
Maar, met behoud van vermogen,
is hij te bannen uit dit rijk.†
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Af; weder opkomend, onder tranen.) Edelen, ik ben daarheen gegaan.† Koning Pâlaka zegt: „Hem, door wien om haar beetje geld Vasantasenâ is omgebracht, moet gij, diezelfde† sieraden aan den hals gebonden, onder trommelslag, naar de zuider-begraafplaats voeren en aan den paal breken.† Ieder ander, die zulk een misdaad bedrijft, zal met deze onteerende straf worden getuchtigd.”
Cârudatta.
Ach, zonder overleg handelt koning Pâlaka! En toch:
In zulk een vuur van rechtspleging
door hun raadslieden neergestort,
Komen immers met recht vorsten
in een beklagenswaarden staat.
En ook:
Door zulke buitengewone
schenders van ’t koninklijk gebod
Worden en zijn reeds duizenden
onschuldigen ter dood gebracht.
Vriend Maitreya, ga, groet uit mijn naam moeder* voor het laatst. En bescherm mijn zoon Rohasena.
Vidûshaka.
Waarom den boom beschermen, als de wortel is afgehouwen!
Cârudatta.
Spreek niet aldus.
Van hen, die dez’ wereld verlieten,
is ’t lijflijk evenbeeld de zoon.
Die liefde, die g’ in mij steldet,
zij Rohasena toegewijd.
Vidûshaka.
Ik, die uw lieve vriend ben, zal het leven, dat door U is verlaten, voortzetten.
Cârudatta.
Laat mij Rohasena nog eens zien.
Vidûshaka.
Dat is gepast.
Rechter.
Waarde bode, ge moet dien Brahmanenjongen wegvoeren. (De bode doet aldus.)
Rechter.
Hé daar, hé, aan de Cândâla’s* moet bevel worden gegeven. (De wachters laten Cârudatta los en treden allen af.)
Bode.
UEd. kome hierheen.
Cârudatta (droevig).
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach, gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’ U nog immer in ’t grootste onheil.
(In de ruimte.)
Zoo door gif, water, weegschaal, vuur,
mijn onderzoek nog wordt geëischt,*
Mag op mijn lichaam dan de zaag
onachtzaam worden toegepast?†
En toch reeds op eens vijands woord
brengt ge mij, een Brahmaan, ter dood!
Gij valt in ’t midden van de hel,
van kind en kindskind vergezeld.*
Ik kom al. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje” het negende Bedrijf, „Het Geding” genaamd.

(Dan komt Cârudatta op, begeleid door een paar Cândâla’s.)
Beiden.†
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Hier is de edele Cârudatta, die
Met karavîra-snoer* omhangen,
door ons, beulsknechten, aangegrepen,
Gelijk een lamp met weinig olie,
allengs, allengs zijn einde nadert.
Cârudatta (verslagen).
Mijn lichaam, met der oogen vocht begoten,
Door stof verdroogd, bekleed met grafsteebloemen,
Gezalfd met sandel†, meenen, walglijk krassend,
De raven als een offer te verslinden.
Cândâla’s.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Wat ziet ge naar den goeden man,
dien dragers van de bijl des Doods doen sterven,
Dien boom van edelaardigheid,
waarin als vogels brave lieden wonen?
Kom dan, Cârudatta, kom!
Cârudatta.
Onbegrijpelijk is toch de werking van der menschen lot, daar ik tot zulk een toestand ben geraakt!
Door handenvol† van rood sandel,
op alle leden uitgespreid,
En bestrooid met gestampt poeder
ben ik, mensch, offerdier gemaakt!
(Voor zich uit ziende.) Ach, welk een verschil onder de menschen!
Want wanneer dezen dit mijn lichaam aanzien,
„Wee ’t sterflijke”, zoo spreken zij bekommerd†
En daar zij niet vermogen, mij te redden,
zeggen de burgers: „Hij verwerv’ den hemel.”
Cândâla’s.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Wat kijkt ge?
Indra’s banier, die wordt voorbijgedragen,*
’t baren van koeien, samenkomst van sterren†
En d’ ondergang van ’t leven van een brave—
deze vier dingen moet men niet aanschouwen.
De ééne.
Wel ′Ahinta, zie toch, zie!
Daar hij, voortreflijkste der stad,
op last van ’t Noodlot wordt gedood,
Is het nu, dat de hemel weent,
of valt er regen† zonder wolk?
De tweede.
Wel, Goha!
Het is niet, dat de hemel weent,
noch valt er regen zonder wolk:
Een wolk—het is der vrouwen schaar—
valt neer in stroomen oogenvocht.
En ook:
Daar over hem, die wordt ten doode heengevoerd, een ieder weent,
Verrijst, door oogenvocht besproeid, het stof niet van den wagenweg.
Cârudatta (rondziende, droevig).
Die vrouwen, die, zich in ’t paleis bevindend,
door ’t venster halverweg te voorschijn komen,
Zij roepen mij: „Ach, Cârudatta!” tegen,
tranen vergietend als door watergeulen.
Cândâla’s.
Kom dan, Cârudatta, kom! Dit is de plaats der afkondiging. Slaat de trommel, verkondigt de afkondiging.
Beiden.
Hoort, Edelen, hoort! Deze is de kleinzoon van den veemheer Vinayadatta, de zoon van Sâgaradatta, de edele Cârudatta genaamd. Door dezen nu, misdadig handelend, is de hetaere Vasantasenâ, ter wille van haar beetje geld, in het verlaten, oude park Pushpakarandaka gevoerd en door des armstriks gewelddadigheid gedood. Deze is in bezit van het gestolene gegrepen en heeft zelf bekend. Toen is door koning Pâlaka aan ons gelast, hem te doen sterven. Indien een ander zulk een misdrijf, strijdig met beide werelden, bedrijft, zal koning Pâlaka ook hem op gelijke wijze straffen.
Cârudatta (moedeloos, bij zich zelf).
Mijn naam, gelouterd door ontelbar’ offers, eens uitblinkend
Door ’t prev’len van gebeden in een reeks van tempels,
Wordt, nu ik in den staat des doods verkeer, door booze mannen,
Die des-onwaardig zijn, in dez’ afkondiging verkondigd.
(Opziende, de ooren dichtstoppend.) Ach, Vasantasenâ!
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
Beiden.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Dit schatvertrek van deugd-juweelen,
der braven reddingsbrug uit rampen,
Een kleinood, schoon geen goud bevattend,
wordt van de stad thans weggevoerd.
En verder:
Op aard’ is immers iedereen
opmerkzaam voor wie in geluk verkeeren,
Voor menschen, die gevallen zijn,
is een, die vriendschap doet, niet licht te vinden.
Cârudatta (overal heenziende).
Daar ginds, met ’t overkleed ’t gelaat bedekkend,
Gaan immers verder van mij voort mijn vrienden:
Ook vreemd’ is maag† van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.
Cândâla’s.
Er is ruimte gemaakt, de hoofdstraat is vrij. Voert hem dus heen, die met het teeken der terdoodveroordeelden is voorzien.
Cârudatta.
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’U nog immer in ’t grootste onheil.
Stem achter het tooneel.
Ach vader! Ach lieve vriend!
Cârudatta (luisterend, droevig).
O hoofd uwer kaste, ik wensch van U een geschenk te ontvangen.
Cândâla’s.
Uit onze hand neemt ge een geschenk aan?
Cârudatta.
Dat kwaad zij verre!*—Niet onbezonnen handelend, slecht van gedrag als Pâlaka is de Cândâla. Dus ter wille van het volgend leven vraag ik, het gelaat van mijn zoon te zien.
Cândâla’s.
Aldus geschiede.
Achter het tooneel.
Ach vader, ach vadertje!
Cârudatta (luisterend, droevig).
O hoofd uwer kaste, enz. (Herhaalt het vorige.)
Cândâla.
Laat hij hier komen.
Tweede.
Laat hij hier komen.
Beiden.
Hé, burgers, maakt een oogenblik ruimte; laat de edele Cârudatta het gelaat van zijn zoon zien. (Naar de kleedkamer gewend.) Edele, hierheen, hierheen. Kom nader, kind, kom nader. (Dan komt met het kind de Vidûshaka op.)
Vidûshaka.
Haast U, haast U, lieve jongen; uw vader wordt heengevoerd om gedood te worden.
Jongen.
Ach vader, ach vadertje!
Vidûshaka.
Ach, lieve vriend, waar moet ik U zien!
Cârudatta (zoon en vriend ziende).
Ach zoon, ach vriend! (Droevig.) O helaas!
Langen tijd zal ik voorzeker
in d’and’re wereld dorstig zijn;
Al te klein immers voor ’t water,
dat ons geplengd zij, is dit vat.*†
Wat zal ik mijn zoon geven? (Zich zelf beschouwend, het offerkoord* ziende.) Ah, dit is ten minste van mij.
Schoon niet van goud, niet van paarlen,
is ’t der Brahmanen lijfsieraad,
Waarmede aan Goden en Vad’ren
’t verschuldigd deel wordt toegebracht.
(Geeft het offerkoord.)
Cândâla.
Kom dan, Cârudatta, kom!
De tweede.
Wel, gij spreekt den edelen Cârudatta toe met zijn naam zonder begeleidend woord! Zie:
Bij opgang en bij ondergang,†
en nacht en dag, met ongestoorden loop,
Gaat, als een band’loos merrieveulen,
naar haar believen de Noodwendigheid.
En nog dit:
Zijn zijn benamingen dan dor?
Moet men niet, nederbuigend, eer bewijzen?†
Is, ook wanneer haar Râhu* grijpt,
de Maan den menschen niet vereerenswaard?
Jongen.
Zeg eens, Cândâla’s, waar voert gij vadertje heen?
Cârudatta.
Kind!
Wijl ’k om den hals den karavîra-krans draag,
’t spit op den schouder, in het hart den kommer,
Ga ’k thans ter strafplaats heen, als naar de slachtbank
een bok, dien men bij ’t offerfeest zal binden.
Cândâla.
Niet wij toch zijn Cândâla’s,
schoon voormaals uit Cândâla-stam geboren,
Zij, die een ed’le krenken,
dat zijn de slechten, ja, dat zijn Cândâla’s.
Jongen.
Maar waarom wilt ge vadertje dooden?
Cândâla.
Hieraan heeft des konings bevel schuld, niet wij.
Jongen.
Doodt mij, laat vadertje vrij.
Cândâla.
Leef mij lang, daar ge zóó spreekt.
Cârudatta (onder tranen zijn zoon omhelzend).
Die liefde—z’ is de bezitting
gelijkelijk van rijk en arm;
Zonder uçîra* of sandel,
is zij een balsem voor het hart.
Wijl ’k om den hals den karavîra-krans draag,
’t spit op den schouder, in het hart den kommer,
Ga ’k thans ter strafplaats heen, als naar de slachtbank
een bok, dien men bij ’t offerfeest zal binden.
(Rondziende, bij zich zelf.)
Daar ginds, met ’t overkleed ’t gelaat bedekkend,
Gaan immers verder van mij voort mijn vrienden:
Ook vreemd’ is maag van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.
Vidûshaka.
O goede menschen, laat mijn lieven vriend Cârudatta vrij, doodt mij.
Cârudatta.
Dat kwaad zij verre! (Rondziende, bij zich zelf.) Ik begrijp het.†
Ook vreemd’ is maag van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.†
(Luid.)
Die vrouwen, die, zich in ’t paleis bevindend,
door ’t venster halverweg te voorschijn komen,
Zij roepen mij: „Ach, Cârudatta!” tegen,
tranen vergietend als door watergeulen.
Cândâla.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Wat ziet ge naar den goeden man,
die door de schande levens hoop verloor?
Hij is een gouden kruik gelijk,
in een put zinkend, met gebroken koord.
Cârudatta (droevig).
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
De andere.
Kom, maak weder het vonnis bekend. (De Cândâla doet aldus.)
Cârudatta.
Rampspoed mij bracht tot dez’ oned’len toestand,
Waar winst zelfs heeten mag dit levenseinde,†
En dez’ afkondiging mijn geest verbijstert,
Nu ’k hooren moet: „Zij is door U verslagen.”
(Dan verschijnt Sthâvaraka, geboeid, op het paleis.)
Sthâvaraka (de bekendmaking vernemend, ontsteld).
Hoe, onschuldig wordt Cârudatta ter dood gebracht! Ik ben door mijn meester met een keten geboeid. Komaan, ik zal schreeuwen. Hoort, Edelen, hoort!† Ik, booswicht, heb heden door een verwisseling der wagens Vasantasenâ naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd. Toen is zij door mijn meester—„Gij bemint mij niet,” zeide hij—met des armstriks gewelddadigheid gedood, maar niet door dezen edele. Hoe, door den afstand hoort niemand mij. Wat zal ik dan doen? Zal ik mij zelf laten vallen? (Denkt na.) Indien ik zoo doe, dan wordt de edele Cârudatta niet ter dood gebracht. Komaan, hier van den omgang van den paleistoren door dit oude venster zal ik mij nederwerpen. Beter, dat ik sterf, dan deze boom, waar als vogels welgeborenen een toevlucht vinden, de edele Cârudatta. Indien ik zóó omkom, is de andere wereld door mij verworven. (Laat zich zelf vallen.) Wel kijk, ik ben niet omgekomen, gebroken is mijn keten! Laat ik dan het geroep der Cândâla’s volgen. (Rondziende en toeloopend.) Hé daar, Cândâla’s, ruimte, ruimte!
Beide Cândâla’s.
Hé, wie vraagt daar ruimte?
Slaaf.
Luistert. (Herhaalt het vroeger gezegde.)
Cârudatta.
Wel!
Wie is dat, die op zulk tijdstip,
nu ’k in den strik des Doods verwijl,
Gelijk, als droogte ’t graan† teistert,
een regenwolk—verschenen is!
Nu, ge hebt het vernomen!
Niet bevreesd voor den dood ben ik,
maar zie, geschandvlekt is mijn naam!
Gezuiverd toch, is mij ’t sterven
als de geboorte van een zoon.
En nog dit:
Hij, wien ’k geen vijandschap aandeed,
nietig, van al te klein verstand,
Heeft als een pijl, met gif besmeerd,
zelf een besmette, mij besmet.
Beide Cândâla’s.
Sthâvaraka, spreekt ge waarheid?
Slaaf.
Ik spreek waarheid. Ook ben ik, opdat ik het niemand zou vertellen, met een keten geboeid en op den omgang van den paleistoren opgesloten.
Koningszwager (opkomend, verheugd).
Met zuur en bitter vleesch gespijsd, met groente, soep en visch,
Genoot ik rijstebrij en rijst van rijst aan eigen disch.†
(Luisterend.) Van een gebarsten koperen klok is het geluid van de stem der Cândâla’s en daar de luide klank van doodstrom en pauken wordt gehoord, maak ik daaruit op, dat de armoedige Cârudattaka naar de plaats der terechtstelling wordt gevoerd. Dat wil ik zien. De ondergang van een vijand is waarlijk een groote voldoening voor het hart. Ook heb ik gehoord, dat wie een vijand ziet ombrengen, in een volgende geboorte geen oogziekte zal hebben. Ik heb immers evenals een worm, die in den knoop van een lotusstengel† is doorgedrongen, een leemte zoekend, den ondergang van den armoedigen Cârudatta bewerkt. Thans wil ik op den omgang van den toren van mijn paleis klimmen, om mijn heldendaad te aanschouwen. (Doet aldus en ziet rond.) Wel, wel, wat een gedrang van menschen†, omdat die armoedige Cârudatta wordt ter dood gebracht; wanneer eens een voortreffelijk, uitstekend mensch, zooals wij, werd ter dood gebracht, hoe zou het dan wel zijn! (Uitziende.) Wel, daar wordt hij, als een jonge stier opgetooid, in zuidelijke richting heengevoerd. Maar waarom is nabij den omgang van mijn paleistoren de bekendmaking verstomd† en opgehouden? (Toeziende.) Hoe, en de slaaf Sthâvaraka is niet hier! Als hij maar niet, vanhier weggeloopen, het geheim heeft verbroken. Laat ik hem zoeken. (Hij daalt af en komt nader.)
Slaaf (hem ziende).
Hooge heeren, daar is hij zelf!
Beide Cândâla’s.
Gaat uit den weg, maakt ruimte,
sluit de poort, weest stil! Daar nadert
Een booze stier, gewapend
met der driestheid spitse hoornen.
Koningszwager.
Hé daar, ruimte, maakt ruimte! (Nader gekomen.) Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, kom, laten we gaan.
Slaaf.
Wel, wel, onedele, na Vasantasenikâ te hebben gedood, zijt ge nog niet tevreden en nu zijt ge van zins, dien Wenschboom van wie hem lief zijn, den edelen Cârudatta te doen sterven.
Koningszwager.
Ik, die een pot met paarlen gelijk, dood immers geen vrouw!
Allen.
Ja, door U is zij gedood, niet door den edelen Cârudatta.
Koningszwager.
Wie zegt dat?
Allen (op den slaaf wijzend).
Wel, deze brave man.
Koningszwager (ter zijde, bevreesd).
O wee, o wee! ik heb den slaaf Sthâvaraka niet goed geboeid.† En hij was immers getuige van mijn misdaad. (Denkt na.) Laat ik zóó doen. (Luid.) Het is onwaar, hooge heeren. Wel, dezen slaaf heb ik bij het stelen van goud gevat, geslagen en gedood; is dan alles waar, wat hij zegt, dien ik mij dus tot vijand heb gemaakt? (Hij reikt heimelijk den slaaf een armband toe; zacht†.) Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, neem dit en spreek anders.
Slaaf (hem aannemend).
Ziet, ziet, hooge heeren, met goud wil hij mij verlokken.
Koningszwager (hem den armband ontrukkend).
Dit is het goud, waarom ik hem heb geboeid. (Toornig.) Zie, Cândâla’s, omdat hij, in de schatkamer aangesteld, goud stal, heb ik hem gedood en geslagen. En wanneer ge het niet gelooft, ziet dan zijn rug maar eens.
Cândâla’s (ziende).
Uitstekend spreekt hij. Wat bazelt niet een slaaf, die zijn meester niet meer genegen is?†
Slaaf.
Helaas, zóó is het slaafschap, dat voor de waarheid het bij niemand geloof kan vinden. (Droevig.) Edele Cârudatta, zoo groot is mijn macht! (Valt hem te voet.)
Cârudatta.
Sta op, o gij, die U ontfermt eens gevallen braven,
Belangloos volgend een gedrag, den verwant betamend.†
Wel groote moeite ge gedaan hebt tot mijn bevrijding,
Maar ’t Noodlot weigert—wat is meer nog van U te eischen?†
Cândâla’s.
Heer, drijf dien slaaf met slagen vanhier.
Koningszwager.
Ga heen dan. (Drijft hem heen.) Nu, Cândâla’s, wat talmt ge, brengt dezen man ter dood.
Cândâla’s.
Zoo ge haast maakt, breng hem dan zelf ter dood.
Rohasena.
O Cândâla’s, doodt mij, laat vadertje vrij.
Koningszwager.
Doodt hem met zijn zoon.
Cârudatta.
Van dien dwaas kan men alles verwachten. Ga dus, mijn zoon, tot uwe moeder.
Rohasena.
Wat moet ik dan doen?
Cârudatta.
Ga met uw moeder nog heden, kind, naar een kluizenaarsverblijf,
Dat niet door schuld van uw vader, mijn zoon, ’t U evenzoo verga.
Vriend, ga dus met hem vanhier.
Vidûshaka.
Maar vriend, weet ge dan zoo zeker, dat ik zonder U het leven zal behouden?
Cârudatta.
Vriend, zoolang uw bestaan onafhankelijk is, past het U niet, het leven te verlaten.
Vidûshaka (bij zich zelf).
Dat is niet gepast.† En toch, door mijn lieven vriend verlaten, kan ik niet blijven leven. Dus zal ik den jongen aan de Brahmaansche overgeven en door afstand van het leven mijn lieven vriend volgen. (Luid.) Nu, vriend, ik zal hem spoedig wegbrengen. (Onder omhelzingen valt hij hem te voet; ook de jongen valt weenend ter aarde.)
Koningszwager.
Komaan, zeg ik niet: „Breng Cârudattaka met zijn zoontje om”?
(Cârudatta toont schrik.)
Cândâla’s.
De koning heeft ons immers niet bevolen: „Brengt hem met zijn zoontje om.” Ga dus heen, jongen, ga heen. (Zij doen hem heengaan.)
Cândâla’s.
Dit is de derde plaats der afkondiging; slaat de trommel. (Verkondigen het vroeger gezegde.)
Koningszwager (bij zich zelf).
Hoe, de burgers gelooven het niet! (Luid.) Hé daar, Cârudatta, Brahmanenjongen, dit burgervolk gelooft het niet. Zeg dus met uw eigen tong: „Door mij is Vasantasenâ omgebracht.” (Cârudatta bewaart het stilzwijgen.) Hé, Cândâla’s, de kerel spreekt niet, de Brahmanenjongen Cârudatta. Doet hem dus spreken, door hem met een snerpend stuk gespleten bamboes of met een ketting te ranselen.
Cândâla (dreigend hem te slaan).
Kom, edele Cârudatta, spreek!
Cârudatta (droevig).
Hoewel vervallen in dez’ Oceaan van ramp,
Bevangt geen sid’ring, geen ontsteltenis mijn geest;
Alleen het vuur verteert mij van der menschen blaam,
Daar ’k zeggen moet: „Door mij is zij gedood.”†
(De koningszwager weder als te voren.)
Cârudatta.
Hoort, burgers!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen and’re wereld weet,
Een vrouw of Rati, om ’t even—
de rest zal deze doen verstaan.
Koningszwager.
Omgebracht.
Cârudatta.
Het zij zoo.
Cândâla.
Komaan, het is thans uw beurt om ter dood te brengen.
De tweede.
Neen, de uwe.
De eerste.
Welnu, laten we een berekening maken. (Zij maken herhaaldelijk een berekening.) Nu, indien het mijn beurt is om ter dood te brengen, dan moet hij nog een oogenblikje wachten.
De tweede.
Waarom?
De eerste.
Wel, toen mijn vader ten hemel ging, heeft hij tot mij gezegd: „Mijn zoon, Vîraka, wanneer de beurt der terechtstelling aan U komt, moet gij den terdoodveroordeelde niet terstond om ’t leven brengen.”
De tweede.
En waarom?
De eerste.
Misschien zal een of ander braaf man geld geven en den veroordeelde vrij koopen. Misschien wordt den koning een zoon geboren, daardoor† worden alle veroordeelden in vrijheid gesteld. Misschien verbreekt een olifant zijn kluister, en wordt in die verwarring de veroordeelde bevrijd. Misschien heeft er een koningsverwisseling plaats, daardoor worden alle veroordeelden in vrijheid gesteld.
Koningszwager.
Wat, wat, er zou een koningsverwisseling plaats hebben!
Cândâla.
Kom, laten we een berekening maken, aan wien de beurt der terechtstelling is.
Koningszwager.
Komaan, brengt Cârudattaka spoedig ter dood. (Na deze woorden blijft hij met den slaaf afgezonderd staan).
Cândâla.
Edele Cârudatta, des konings bevel draagt schuld, niet wij, Cândâla’s. Gedenk dan, wat te gedenken valt.
Cârudatta.
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht†, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis, of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
Welnu, waar moet ik thans heengaan?
Cândâla (naar voren wijzend).
Zie, daar vertoont zich de zuider-begraafplaats, bij het zien waarvan de terdoodveroordeelden spoedig het leven verliezen. Zie, zie:
Van een lijk sleuren, zich rekkend, jakhalzen d’ééne helft in ’t rond,
D’ and’re helft, aan den paal hangend, vertoont een grijns† van schaterlach.
Cârudatta.
Ach, verloren ben ik, ongelukkige! (Zet zich ontroerd neder.)
Koningszwager.
Ik zal nog niet heengaan, ik wil eerst Cârudattaka zien ter dood brengen. (Gaat het tooneel rond en ziet.) Hoe, hij is neergezeten!
Cândâla.
Cârudatta, zijt ge bevreesd?
Cârudatta (haastig opstaande).
Dwaas!
Niet bevreesd voor den dood ben ik,
maar zie, geschandvlekt is mijn naam!
Gezuiverd toch, is mij ’t sterven
als de geboorte van een zoon.
Cândâla.
Edele Cârudatta, ook Maan en Zon, die aan het hemelvlak verwijlen, vinden den ondergang, hoeveel te eer wezens, die den dood vreezen of menschen. Op aarde† is de één opgestaan, om te vallen, de ander gevallen om weder op te staan. Opstaande en vallend, heeft ieder weder wisseling van gewaad. Overleg deze dingen in uw hart en bemoedig U zelven.† (Tot den Cândâla.) Dit is de vierde plaats der afkondiging, laat ons dus het vonnis afkondigen. (Zij kondigen weder op gelijke wijze het vonnis af.)
Cârudatta.
Ach, geliefde Vasantasenâ!
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen, †
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
(Dan komt, ontsteld, Vasantasenâ op met den bedelmonnik.)
Bedelmonnik.
Wel menschen! terwijl ik Vasantasenikâ, die ten ontijde geheel was uitgeput, heb verkwikt en geleid, ben ik gesteund door mijn bedelmonnikschap. Dienstmaagd, waarheen zal ik U geleiden?
Vasantasenâ.
Naar het huis van den edelen Cârudatta. Verheug mij door zijn aanblik, gelijk den nachtlotus door den aanblik der maan.
Bedelmonnik (bij zich zelf).
Langs welken weg zal ik daar komen? (Denkt na.) Ik ga langs de hoofdstraat. Dienstmaagd, volg mij, dit is de hoofdstraat. (Luisterend.) Wat is dat voor een groot rumoer, dat op de hoofdstraat gehoord wordt?
Vasantasenâ (voor zich uit ziende).
Hoe, daar vóór staat een groote menigte volks. Edele, verneem eens, wat dat toch is. Als een ongelijk-geladen vrachtschip† helt Ujjayinî naar ééne zijde over.
Cândâla.
Dit is de laatste plaats der afkondiging; slaat dus de trommel, verkondigt de afkondiging. (Doet aldus.) Nu, Cârudatta, wees voorbereid, vrees niet; snel wordt ge ter dood gebracht.
Cârudatta.
Verheven Godheden!
Bedelmonnik (het hoorend, ontsteld).
Dienstmaagd, omdat gij door Cârudatta zoudt gedood zijn, wordt Cârudatta heengevoerd om terechtgesteld te worden.
Vasantasenâ (ontsteld).
O wee, o wee! Hoe, om mij, ongelukkige, wordt de edele Cârudatta omgebracht. Kom, wijs mij snel, snel den weg.
Bedelmonnik.
Haast U, haast U, Dienstmaagd van den Buddha, om den edelen Cârudatta, nog levend, te vertroosten. Edelen, ruimte, maakt ruimte!
Vasantasenâ.
Ruimte, ruimte!
Cândâla.
Edele Cârudatta, des meesters bevel draagt schuld; gedenk dan, wat te gedenken valt.
Cârudatta.
Waartoe vele woorden!
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
Cândâla (het zwaard trekkend).
Edele Cârudatta, blijf met het gelaat omhoog, onbeweeglijk staan; U doodend met éénen slag, voeren wij U ten hemel. (Cârudatta blijft aldus staan.)
Cândâla (wil den slag toebrengen en doet, alsof hem het zwaard uit de hand valt).
Hoe nu!
Het zwaard, getrokken in gramschap,
met de vuist bij de greep gevat,
Waarom is gevallen ter aarde
het wreede, bliksemende zwaard?
Daar dit is gebeurd, vermoed ik, dat Cârudatta heden niet zal sterven. Verhevene, die op den Sahya woont*, wees genadig, wees genadig! Voorwaar, mocht Cârudatta bevrijd worden, dan zoudt gij den stam der Cândâla’s hebben gelukkig gemaakt.
De andere.
Doen wij, zooals ons bevolen is.
De eerste.
Het zij zoo, laten wij aldus doen. (Beiden willen Cârudatta op den paal plaatsen.)
Cârudatta.
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
De Bedelmonnik en Vasantasenâ (het ziende).
Edelen, houdt op, houdt op! Edelen, hier ben ik, ongelukkige, om wie deze wordt ter dood gebracht.
Cândâla (haar ziende).
Wie is toch deze, die met op den schouder vallenden lokkenlast
„Houdt op, houdt op!” roepend, met opgeheven hand hierhenen snelt!
Vasantasenâ.
Edele Cârudatta, wat is dit? (Valt hem aan de borst.)
Bedelmonnik.
Edele Cârudatta, wat is dit? (Valt hem te voet.)†
Cândâla (bevreesd nader komend).
Hoe, Vasantasenâ! Hij is dus wel terecht† niet door ons omgebracht!
Bedelmonnik (opstaande).
Zie, de edele Cârudatta leeft.
Cândâla.
Hij leve honderd jaar!
Vasantasenâ (verheugd).
Ik ben herleefd.
Cândâla.
Laten wij het gebeurde aan den koning melden, die zich in den offertuin bevindt. (Zij gaan heen.)
Koningszwager (Vasantasenâ ziende, bevreesd).
O wee, wie heeft die slavinnendochter doen herleven? Het is met mij gedaan. Komaan, ik ga op de vlucht. (Hij gaat op de vlucht.)
Cândâla.
Welnu, luidt niet des konings bevel aan ons: „Brengt hem ter dood, door wien deze hetaere is omgebracht”?† Laat ons dus den koningszwager zoeken. (Af.)
Cârudatta (verbaasd).
Wie is zij,
Die, terwijl ’t zwaard was geheven,
’k mij in den muil des Doods bevond,
Gelijk, als droogte ’t graan teistert,
een regenbui—verschenen is!
(Haar aanziende.)
Is dit een andere Vasantasenâ,
is zij het zelf, verschenen uit den hemel,
Of ziet mijn geest haar slechts in zijn verbijst’ring,
of is Vasantasenâ nog in leven?
En toch:
Is z’uit den hemel, mijn leven
willende redden, weergekeerd,
Of is ’t, in vorm haar gelijkend,
een ander, die verschenen is?
Vasantasenâ (onder tranen opstaande en hem te voet vallend).
Edele Cârudatta, ik ben het zelf, de slechte, om wie gij in dezen onwaardigen toestand zijt geraakt.
Achter het tooneel.
O wonder, o wonder! Vasantasenâ leeft! (Allen herhalen het.)
Cârudatta (het hoorend, schielijk opstaande, het genot der aanraking te kennen gevend, met gesloten oogen).
Geliefde, gij zijt Vasantasenâ!
Vasantasenâ.
Die ben ik, ongelukkige.
Cârudatta (haar aanschouwend, verheugd).
Hoe, Vasantasenâ zelve! (Vol vreugde.)
Vanwaar toch is zij, den boezem
badend in stroomen tranenvocht,
Gelijk de Wijsheid† verschenen
mij, in de macht des Doods geraakt!
Geliefde Vasantasenâ!
Om uwentwil ten doode prijsgegeven,
is dit mijn lichaam ook door U behouden;
O macht van der gelieven samenkomen!
een doode zelfs zoude voorwaar herleven.†
En ook, geliefde, zie!
Dit rood’ een bruidegoms gewaad schijnt, en deze bloemkrans
Schijnt, door de komst van de geliefde, de krans eens bruigoms,†
En evenzoo zijn deze klanken der doodentrommel
Thans aan der bruiloftstrommel klanken gelijk geworden.
Vasantasenâ.
Wat heeft UEd. hier door al te groote edelmoedigheid bewerkt!
Cârudatta.
Geliefde! zeggende, dat gij door mij waart gedood,
Heeft mij een machtige vijand,
die reeds met mij in veete was,
Hij, die ter helle zal varen,
op weinig na ten val gebracht.
Vasantasenâ (de ooren dichtstoppend).
Dat kwaad zij verre! Door hem ben ik omgebracht, door den koningszwager.
Cârudatta (den bedelmonnik ziende).
En wie is deze?
Vasantasenâ.
Door dien onedele omgebracht, heeft deze edele mij doen herleven.
Cârudatta.
Wie zijt gij, zonder oorzaak een vriend?
Bedelmonnik.
UEd. herkent mij niet? Ik ben immers de wrijfmeester van UEd., bedreven in het wrijven der voeten; door spelers gegrepen, ben ik door deze Dienstmaagd, als UEd. toebehoorend, met een sieraad losgekocht. En door die vertwijfeling, waartoe het spel mij bracht, ben ik monnik van den Çâkya geworden. Deze edele, door een verwisseling der wagens in het oude park Pushpakarandaka gekomen, is door dien onedele—„Gij acht mij niet veel” zeide hij—door des armstriks gewelddadigheid gedood.†
Achter het tooneel (rumoer).
Hij overwint, Hij-met-den-stierenvaan, Stoorder van Daksha’s offer;
Dan overwint de Splijter, Die-met-zes-gezichten, Kraunca’s Vijand;
Dan overwint† geheel de wijde aarde, wier banier de blanke
Kailâsa is, ′Aryaka, die den sterken vijand nedervelde.*
(Çarvilaka komt haastig op.)
Çarvilaka.
Nu ik dien slechten koning Pâlaka verslagen
En tot zijn koningschap snel ′Aryaka gezalfd heb,
Zal ik, zijn laatst† bevel eerbiediglijk aanvaardend,
Thans Cârudatta, die in rampspoed is, bevrijden.
Toen hij dien schelm, van heir en vriend verlaten,
Geveld, de burgers zeer gerustgesteld had,
Heeft hij geheel ’t bewind des lands verworven,
’s Vijands bewind: ’t bewind eens Godenhaters*.
(Naar voren ziende.) Komaan, hij moet zich daar bevinden, waar die verzameling van volk is. Moge toch dit begin van ′Aryaka’s heerschappij vrucht dragen door het leven van Cârudatta. (Haastiger nader komend.) Gaat op zij, schelmen! (Hem ziende, verheugd.) Zie†, Cârudatta is nog in leven met Vasantasenâ; dan zijn de hartewenschen van onzen meester vervuld.
Goddank! aan eenen eindeloozen Oceaan van ramp
Ontkomen door de liefste, hooggezind, door deugd bewaard,†
Als door een schip, ten langen lest’ ik hem aanschouw,
Als de maan rijk aan schijnsel, van verduistering bevrijd.
Maar ik, die een groote zonde bedreef, hoe zal ik hem wel naderen? Maar kom! Oprechtheid is altijd goed. (Hem openlijk naderend met opgeheven handen.) Edele Cârudatta!
Cârudatta.
Wie is toch deze achtenswaardige?
Çarvilaka.
Ik, die uw huis heb verbroken, ’t U toevertrouwde pand ontroofd,
Ik, aan een hoofdzonde schuldig, ga U thans om bescherming aan.
Cârudatta.
Vriend, niet aldus! Gij hebt mij daardoor vertrouwen betoond. (Omhelst hem.)
Çarvilaka.
En nog dit:
′Aryaka, edel van wandel, behouder van zijn stam en eer,
Heeft, als een rund, bij het offer den boozen Pâlaka geveld.
Cârudatta.
Wat?
Çarvilaka.
Die op uw wagen geklommen, te voren uw bescherming zocht,
Als een rund, bij ’t bereid’ offer heeft hij thans Pâlaka geveld.
Cârudatta.
Çarvilaka, is dat die ′Aryaka, die door Pâlaka van het veepark heengevoerd, zonder reden in den toren werd opgesloten en door U bevrijd?
Çarvilaka.
Gelijk UEd. gezegd heeft.
Cârudatta.
Dat is ons lief, zeer lief.
Çarvilaka.
Nauwelijks te Ujjayinî in zijn heerschappij bevestigd, heeft uw vriend ′Aryaka U het koningschap verleend aan den oever der Venâ te Kuçâvatî. Aanvaard dan dit eerste blijk van genegenheid van uw vriend. (Zich omwendend.) Hé daar, brengt dien booswicht hier, den valschen koningszwager.
Achter het tooneel.
Zooals Çarvilaka beveelt!
Çarvilaka.
Edele, koning ′Aryaka doet U dit weten: „Ik heb door uwe deugden het koningschap verworven; dus moet gij het aannemen.”
Cârudatta.
Door onze deugden het koningschap verworven!
Achter het tooneel.
Hé daar, koningszwagertje, kom hier, kom hier! Geniet de vrucht van uw schanddaden. (Dan komt de koningszwager op, door stadswachters bewaakt, de armen op den rug gebonden.)
Koningszwager.
O wee!
Ofschoon ver weggeloopen als een losgebroken ezel,
Ben ’k hier gebracht, gebonden als een lage en gemeene† hond.
(Naar alle kanten ziende.) Rondom is de koningszwager ingesloten! Bij wien zal ik, onbeschermde, nu bescherming zoeken? (Denkt na.) Komaan, ik zal tot hem om bescherming gaan, die de redding is van wie bescherming vragen. (Hem naderend.) Edele Cârudatta, red mij, red mij! (Valt hem te voet.)
Achter het tooneel.
Edele Cârudatta, laat hem, laat hem, dooden wij hem!
Koningszwager.
O beschermer van onbeschermden, red mij!
Cârudatta (medelijdend).
Ach, veiligheid, veiligheid hem, die bescherming zoekt.
Çarvilaka (opgewonden).
Ah! voert dien man weg van Cârudatta’s zijde! (Tot Cârudatta.) Zeg toch, wat met dien booswicht moet worden uitgevoerd.
Moet men geboeid hem voortsleepen,
moet hij door honden zijn verteerd,
Of aan den strafpaal gestoken
of door de zaag vanééngescheurd?
Cârudatta.
Wat ik zeg, wordt dat gedaan?
Çarvilaka.
Zonder twijfel.
Koningszwager.
Groote Heer, Cârudatta, ik zoek bescherming. Red mij, red mij! Doe dat, wat uwer waardig is. Ik zal niet weer lasteren.
De burgers achter het tooneel.
Doodt hem, waarom laat men den zondaar in ’t leven!
(Vasantasenâ neemt den doodskrans van Cârudatta’s hals en werpt hem den koningszwager om).
Koningszwager.
Slavinnendochter, wees genadig, wees genadig! Ik zal niet weer moorden. Dus red mij.
Çarvilaka.
Komaan, voert hem weg. Edele Cârudatta, beveel; wat moet met dien booswicht worden uitgevoerd?
Cârudatta.
Wat ik zeg, wordt dat gedaan?
Çarvilaka.
Zonder twijfel.
Cârudatta.
In waarheid?
Çarvilaka.
In waarheid.
Cârudatta.
In dat geval moet men hem spoedig.…
Çarvilaka.
Ter dood brengen?
Cârudatta.
Neen, neen, vrijlaten!
Çarvilaka.
Om welke reden?
Cârudatta.
Een vijand, die misdeed, die bescherming zoekt, die ons te voet is gevallen, mag niet met het zwaard worden verslagen.
Çarvilaka.
Laat hij dan door de honden worden opgegeten.
Cârudatta.
Neen, neen, door weldaden moet men hem verslaan.
Çarvilaka.
O wonder, wat zal ik doen? UEd. spreke.†
Cârudatta.
Dan moet men hem vrijlaten.
Koningszwager (vrijgelaten).
O hé, ik ben herleefd! (Met de stadswachters af.)†
Çarvilaka.
Edele Vasantasenâ, in zijn tevredenheid verblijdt de koning U met den naam van gemalin.
Vasantasenâ.
Edele, mijn wensch is vervuld.
Çarvilaka (na Vasantasenâ te hebben gesluierd*, tot Cârudatta).
Edele, wat moet met dezen bedelmonnik worden gedaan?
Cârudatta.
Bedelmonnik, wat wordt door U op prijs gesteld?
Bedelmonnik.
Nu ik zulk een wisselvalligheid heb gezien, ben ik het monniksleven dubbel gaan op prijs stellen.
Cârudatta.
Vriend, zijn besluit staat vast. Dus worde hij tot hoofd gemaakt over alle kloosters des lands.
Çarvilaka.
Gelijk UEd. heeft gezegd.
Bedelmonnik.
Dat is ons lief, zeer lief.
Vasantasenâ.
Thans ben ik herleefd!
Çarvilaka.
Wat moet met Sthâvaraka worden gedaan?
Cârudatta.
De brave man worde uit de slavernij ontslagen. Laten de Cândâla’s hoofden van alle Cândâla’s worden. Candanaka verwerve het ambt van politiemeester des lands en van den koningszwager blijve de bezigheid, gelijk die vroeger was.
Çarvilaka.
Zoo zij het, gelijk UEd. gezegd heeft. Maar hem moet ge aan ons overlaten, dan breng ik hem ter dood.
Cârudatta.
Veiligheid hem, die bescherming zoekt. Een vijand, die misdeed, enz. (Herhaalt hij.)
Çarvilaka.
Zeg mij dan; waarmede kan ik U nog verblijden?
Cârudatta.
Van nu af aan is ons de hoogste blijdschap.
Want mijn naam is gezuiverd,
en, te voet mij gevallen,
deze vijand ontslagen;
Zijn benijders ontwort’lend,
beheerscht mijn geliefde vriend,
′Aryaka d’ aard’ als koning;
De geliefde herkreeg ik;
met mij, den geliefden vriend,
zijt, mijn vriend, gij vereenigd.
Wat is dan te verwerven,
wat nog ov’rig gebleven,
dat ik thans U zou vragen?†
’t Lot maakt sommigen leeg en sommigen gevuld,
voert and’ren tot hoogheid weer;
Doet ook som’gen den weg ten ondergang betreen,
voert and’ren, die bijster zijn;
Wijl ’t in ’s werelds bestand een samenstel vertoont
van wat elkaar strijdig is,
Speelt ’t Noodlot met den mensch, als hadde het te doen
met kruikjes aan ’t waterrad.
Nochtans geschiede dit:
Mogen de koeien melkrijk,
de aard’ alom bedekt zijn
met welig-groeiend koren;
Parjanya* tijdig reg’nen,
mogen er winden waaien,
die aller geest verblijden,
De scheps’len zich verheugen,
rechtvaardige Brahmanen
gestadiglijk geliefd zijn;
Hoeden, in praal regeerend,
hun vijanden verdelgend,
gerechte vorsten d’aarde!
(Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje” het tiende Bedrijf, „Het Besluit” genaamd.
En hier is geëindigd „Het leemen Wagentje”.
HEIL!