IV
Reading edition
Ondanks al onze inspanning gelukte het ons niet, voor het einde van den vloed de kreek van Grand-Talibonche te bereiken; toen wij haar opvoeren, liet de eb zich reeds met kracht gevoelen. Deze kreek was een belangrijke stroom van ongeveer twaalfhonderd el breed, die eerst rechtuit liep en toen zich rechts boog; maar reeds eer wij aan die kromming kwamen, zagen wij de uitmonding van eene kleine beek, die ons, volgens de verzekering van onzen gids, tot midden in het dorp zou voeren. De avond naderde en het water zakte; wij haastten ons zoo veel mogelijk om door de eindelooze kronkelingen van deze ellendige kleine kreek heen te komen, maar weldra raakten wij op het droge en moest de boot met inspanning van alle krachten door de modder worden voortgetrokken, tot er eindelijk geen beweging meer in te krijgen was. Inmiddels hadden wij eene prauw gevonden, die ons van groote dienst had kunnen zijn, indien het water niet zoo laag ware geweest. Gelukkig was het dorp niet meer dan zeshonderd el verwijderd. Daar ik in het minst geen lust had om in de boot te overnachten, uit aanmerking van de muskieten en ook uit vrees voor een onweder, dat ons waarschijnlijk, en voor de koorts, die ons zeker overvallen zou, zeide ik tot den heer Beeckman, dat ik den tocht door de modder wagen zou, om met de manschappen en het materieel het dorp te bereiken. Mijn uitmuntende reisgenoot zag er eerst wel tegen op om met zijn verlakte laarsjes—parijsch fabrikaat—door de modder te waden, maar toen hij mij met onweerstaanbare kalmte door het moeras zag stappen, volgde hij mijn voorbeeld. Toch speet het mij niet, dat het inmiddels donker was geworden, want toen wij te Grand-Talibonche kwamen, zagen wij er zoo uit, dat bij dag onze waardigheid daaronder zeker zou geleden hebben.—De hoofden van Talibonche wachtten ons, en Tomba-Coeyé, zeer verheugd ons weer te zien, stelde ons aan elkander voor. Te midden der menigte kwam een heer aanloopen, zoo zwart als roet, maar onberispelijk als een gentleman gekleed. Hij bood ons in het engelsch zijne diensten aan; zijne hut stond op het strand en zijne vrouw maakte met behulp van sponsen en doeken onze kleederen schoon.
Terwijl onze manschappen met het materieel der boot in aantocht waren, bewonderde ik de schoonheid van het landschap. Op den achtergrond verhieven zich reusachtige boomen, wier kolossale afmetingen nog beter uitkwamen bij een blik op enkele hutten, langs den oever der kreek verspreid; Simons, die op hoornen bliezen en met flambouwen heen en weer liepen, maakten een tooverachtig fantastisch effect. De opperhoofden vormden eene eerewacht en hunne houding getuigde van de meest vriendschappelijke gezindheid: zij brachten ons naar eene zeer ruime hut, waar wij al ons materieel konden bergen. De levensmiddelen werden op kisten neergezet; de laptots maakten buiten vuur aan en tegen negen uur gebruikten wij ons avondmaal, waarnaar onze magen sterk verlangden.

Aanlegplaats te Grand-Talibonche
Grand-Talibonche is eene kleine stad: het getal der inwoners schat ik op niet veel minder dan duizend. Zij gaan evenzoo gekleed als de Bagas, met wie wij bereids kennis hebben gemaakt; maar de vrouwen geven bewijs van meer coquetterie dan hare zusters in de andere dorpen: zij versieren haar koord en het daaraan bevestigde lapje met kleine glasparelen. De huizen zijn fraaier dan elders; zij vormen vrij regelmatige straten en pleinen; ook verdient de zindelijkheid der bewoners [134] wel bijzondere vermelding. Men vervaardigt in het dorp aardewerk en bereidt ook palmolie; dit laatste is ook bij voorkeur de taak der oude vrouwen. Wij zagen dat alles den volgenden morgen, terwijl wij op de komst wachtten van de sloep, waarmede ons van de Goëland levensmiddelen voor ons zelven en geschenken voor de opperhoofden werden gezonden.
In Grand-Talibonche woonden vijftien slavenhandelaars, wier hutten versierd waren met den langen bamboestengel, waaraan een lap wit katoen was bevestigd. Dat is, zooals ik zeide, hun uithangteeken.
Op de straten was het druk en levendig genoeg: hier kwamen vrouwen met schoven rijst aandragen, en stapelden die binnen een soort van schuthokken boven elkander, waar zij bleven liggen tot de korrels er uit werden gedorscht; ginds zag men andere vrouwen, die naar de bron gingen, met kruiken van smaakvollen vorm op het hoofd. Voor een der hutten stonden in de zon bruine korven of manden met hoogroode vruchten gevuld; daarnaast zat een jong meisje die zich liet kappen. Over het algemeen voerden de mannen niets uit; wij zagen er enkelen voorbijgaan met eene stevige liane in de hand, waarvan zij zich bedienen om in de palmboomen te klimmen.
Omstreeks den middag hadden wij een palaber met de hoofden; toen de conferentie was afgeloopen, gingen wij eene wandeling maken door de groote palmengaarden, waaruit de rijkdom van het dorp bestaat en waardoor zorgvuldig onderhouden paden loopen. Inmiddels begon het water weer met den vloed te wassen; de vrouwen spoedden zich naar het strand om te gaan visschen; zij waren gewapend met netten en droegen manden op haar rug. Dit alles liet Dinah en den heer Beeckman vrij koel; zij verlangden hartelijk naar het oogenblik van vertrek. Zij gingen in de sloep en ik bleef achter met de boot, wachtende tot zij weder vlot werd. Toen nam ik afscheid van onze nieuwe vrienden; ik gaf hun geschenken en verzekerde hun, dat ik hunne gastvrije ontvangst nooit zou vergeten. Van hun kant gaven zij mij eenige fetishen; ik waardeerde die giften des te meer, omdat de negers in den regel niet mild zijn. Men waarschuwde ons nogmaals, vooral geen vertrouwen te stellen in Carimoe en wij vertrokken.
Bij ons vertrek had evenwel nog een incident plaats. Carimoe scheen, toen wij langs Kassan voeren, met zijne prauwen een aanval te willen wagen; maar de afstand, die ons van hem scheidde, stelde mij volkomen gerust over de mogelijke gevolgen van een zeegevecht, en uit medelijden weerhield ik mij, hem eenige kogels toe te zenden, die wellicht sommigen van zijne aanhangers aan den oever hadden kunnen treffen. Onze kalme en rustige houding noopte hem waarschijnlijk tot voorzichtigheid: althans hij liet onze boot ongemoeid doorvaren, hoewel de verdediging eigenlijk op mij alleen aankwam, daar de laptots nu juist geene gevaarlijke schutters zijn.
Ik had het genoegen, de sloep in te halen, die eenige uren vroeger vertrokken was, maar die met tegenstroomingen te worstelen had. Toen mijn vriend Beeckman aan boord van de Goëland verscheen, was onze boot reeds onttuigd.
Om in het hart van het land der Bagas door te dringen, zou men den Catako moeten opvaren, maar de mond van deze rivier is geheel versperd met zandbanken en rotsen, die de vaart uiterst moeielijk maken. Kleine kotters alleen kunnen zich in deze wateren wagen, en raken dan nog bij eb aan den grond. Het kwam mij daarom beter voor, de reis te voet te doen en met prauwen de verschillende dorpen te bezoeken; wij moesten dan beginnen met de Rio-Nuñez op te varen tot op het punt, waar de weg begint, die van Casasocoboely naar Catako loopt.
Ik vertrok dus van het Zandeiland en stoomde eerst naar Victoria, dat de eenige plek is waar men zoet water in overvloed vindt; want ik vergat te zeggen, dat het water van de Rio-Nuñez alleen in den regentijd drinkbaar is. Juist in die dagen kwam de luitenant-gouverneur Bayol, aan boord van de Ardent, terug van de Cassini; hij vertoefde slechts kort en vertrok weer naar den Congo, na mij eenige instructies te hebben gegeven. Na zijn vertrek voer ik de Rio-Nuñez op tot Bel-Air.
Dit tochtje vordert, wanneer men het getij meê heeft, niet veel meer dan twee uren. Wij varen langs het dorp Casasocoboely, waarvan de bevolking door luide toejuichingen hulde bewijst aan prins Dinah. Zijne zuster, de vluchtelinge, kan, bij het wederzien harer geboorteplaats, hare aandoeningen niet bedwingen; in hare vreugde beloofde zij mij eene extra-kip. Ik ankerde hier niet, uithoofde van de hevigheid van den stroom, die mij naar de bank voerde, waarop, als ter waarschuwing, nog de overblijfselen zichtbaar waren van het wrak van een prachtigen driemaster, maar vervolgde den tocht en wierp het anker uit voor de factorie van Bel-Air.
De lezers zullen niet van mij verlangen, dat ik hun dag voor dag verslag doe van al mijne verrichtingen en van mijne talrijke palabers met de hoofden; maar daar het mijn doel was, hun in het algemeen een denkbeeld te geven van de Rio-Nuñez, zal ik nu het een en ander mededeelen omtrent de Naloes, de Mandiforé en misschien nog omtrent enkele andere zaken en andere stammen. Van de Bagas zullen wij verder nu maar zwijgen; ik heb voldoende bewezen, dat men deze lieden gelasterd heeft, toen men hen afschilderde als wilde barbaren, zonder een zweem van beschaving, bloeddorstig en trouweloos; zij zijn veeleer vreedzaam, arbeidzaam en eenvoudig in hunne min of meer aartsvaderlijke levenswijze.
Bel-Air is eene fransche factorie, waarvan de directeur, de heer Gruichard, voormalig koopvaardij kapitein, als een type van de kolonisten op de kust van Afrika mag gelden. Hij stelde zich welwillend tot mijne beschikking en was aanstonds bereid, mij alle mogelijke inlichtingen te geven. Bijna al deze afrikaansche factoriën gelijken op elkaâr. Doorgaans bestaan zij uit eene omheinde ruimte, waarbinnen zich pakhuizen en een klein [135] woonhuis bevinden, waar de bedienden, gekleed met witte tunieken en met kleine strooien mutsen op het hoofd, tusschen de bedrijven door, ook in het klein handel drijven. Voor de woning liggen de vaartuigen aan een soort steiger. Des nachts worden de poorten gesloten, en een waker schiet van tijd tot tijd een geweer af, om de dieven op een afstand te houden.—De handel is zeer eenvoudig en bepaalt zich meestal tot ruilhandel. Als de rijstoogst is afgeloopen, komen de negers de rijst inruilen tegen stoffen en andere europeesche produkten; valt dan de regentijd in, dan ontbreekt het hun aan voedsel, dan gaan zij kokosnoten plukken, die zij naar de factorie brengen en waarvoor zij weder in ruil de rijst ontvangen, die zij eenige maanden vroeger verkocht hebben. Ik behoef niet te zeggen, dat het juist niet de negers zijn, die bij dezen ruilhandel de beste zaken maken.
Een kleine stoomboot vaart geregeld tusschen Victoria en Sierra-Leone: zij behoort aan de maatschappij van den Senegal. Ook verschijnt hier elke maand eene stoomboot, die tusschen Dakar en Sierra-Leone vaart en onderweg alle noordelijke rivieren aandoet.
Het meest bekende en gezochte produkt van het land is koffie, onder den naam van koffie van Rio-Nuñez bekend. De boon is kleiner dan die van mokka koffie en heeft een heerlijken geur. Ongelukkig is deze plant in het land zelve vrij schaarsch; men vindt haar daarentegen in overvloed in Pengo. Een ander voortbrengsel is de zoogenaamde kolanoot (sterculia acuminata), die in Senegambië en geheel westelijk Afrika eene zeer belangrijke rol speelt. De negers schrijven aan die noot de wonderbaarlijkste eigenschappen toe: zij weert de koorts af, lescht den dorst en is over het algemeen een geneesmiddel tegen allerlei kwalen. De boom is heilig; hij die hem aanraakt wordt somwijlen met den dood gestraft. Er zijn twee soorten: de eene draagt roode, de andere witte noten. Wanneer een opperhoofd, na een palaber, u witte noten zendt, is het een teeken dat hij uw vriend wil zijn; roode noten daarentegen gelden bijna voor eene oorlogsverklaring.
Dinah had aan boord een zijner bloedverwanten achtergelaten, die een weinig fransch sprak en dien ik Leopold noemde, omdat ik zijn inlandschen naam niet onthouden kon. Ik ging met hem aan land om een bezoek te brengen aan de Naloes van de dorpen Catongron en Samia, in de nabijheid dor factorie. Mannen en vrouwen zijn hier betamelijk gekleed, en Leopold stelde mij met veel komplimenten aan verschillende zijner vrienden voor. De huizen zijn rond en hebben de gedaante van bijenkorven, maar met eene soort van veranda, waarin men de versche lucht kan genieten, zonder hinder van zon of regen; in de huizen ziet men enkele europeesche meubelen. Op onze wandelingen ontmoetten wij dikwijls negers, wier voorkomen aanmerkelijk van dat der Naloes verschilde. Eens dat wij weder zulk een paar ontmoetten, die mijn gids toevallig kende, maakte ik daarvan gebruik om een gesprek aan te knoopen. De man heette Issa, de vrouw Kadé; zij waren Foelahs. Issa en Kadé zagen er niet kwaad uit: zij gaven ons eenige vruchten van de néré ten geschenke. Deze weinig bekende plant vormt het hoofdbestanddeel der voeding voor de volksstammen van den Boven-Niger, van Timbo, van de streken langs den Senegal en de Rio-Nuñez. Zij is van onschatbare waarde voor de karavanen, die in deze streken voor het vervoeren der koopwaren geen lastdieren, maar slaven gebruiken.
Het dorp Bel-Air onderscheidt zich door iets zeer bijzonders; men vindt er ambachtslieden. In de eerste plaats een smid: de smederij is hoogst eenvoudig, maar een wonder voor het land. Zij bestaat uit een soort van loods of afdak, waar een zeker aantal Oeolofs bijeenkomen, gekleed met den nationalen witten boeboe; een hunner zit tusschen twee blazen van geitenvel, waarop hij beurtelings drukt, om de lucht te drijven door een houten buis en aldus het kolenvuur aan te wakkeren; de anderen omringen een hoogst eenvoudig aambeeld, waarop nu en dan een stuk gloeiend ijzer gelegd wordt, dat met een lichten hamer wordt geslagen. Allen zitten op den grond en voeren in den regel niets uit.—De andere werkplaats is even eenvoudig. Ook daar zijn de werklieden Oeolofs of negers van Saint-Louis; zij vervaardigen allerlei voorwerpen van leder, zooals sabelscheden en dergelijken, die somwijlen met aardige figuren versierd zijn.
Ik had den koning der Landoemans laten ontbieden, om den vrede tusschen hem en de Naloes tot stand te brengen en de kwestie der grenzen te regelen, die al sedert jaren aanhangig was en telkens tot vijandelijkheden aanleiding gaf. In afwachting van zijne komst begaf ik mij naar Casasocoboely, om een bezoek te brengen aan koning Yoera-Towel, die door ziekte verhinderd was mij zijne opwachting te komen maken. Dit dorp is wel het beschaafdste, dat ik nog gezien had; het is door palissaden omringd, met afzonderlijke poorten voor de soldaten; is men door de poort gegaan, dan loopt de weg tusschen twee aarden wallen, met schietgaten voorzien. Elke aanzienlijke bewoont eene soort van citadel, door muren omringd, waarbinnen eenige hutten staan. De oude Yoera had, om ons te ontvangen, de uniform van een adelborst aangetrokken; de arme man had een oog verloren in den krijg tegen de Landoemans, op wie hij zeer verbitterd was. Hij was zeer verheugd, toen ik hem mededeelde dat de oorlog nu zou ophouden; maar hij voegde er bij dat hij te oud was en wel spoedig zou sterven, hetgeen ook inderdaad twee of drie maanden later gebeurde. Hij gaf mij ook eene verklaring van de wet der troonsopvolging in zijne familie. Hij was de derde zoon van Towel, die omstreeks 1830 regeerde; toen Towel stierf, volgde zijn oudste zoon Salifoe hem op; na diens dood ging de kroon over op zijn jongeren broeder Samenaba, en toen deze stierf, kwam de beurt aan Yoera. Ware zijn jongste broeder Carimoe niet gestorven, dan zou die Yoera hebben moeten opvolgen; maar nu deze lijn was uitgestorven, keerde men terug tot de afstammelingen van den oudsten zoon van den ouden Towel, namelijk tot [136] de zoons van Salifoe, beginnende met Dinah en vervolgens zijne broeders. De vermoedelijke erfgenamen van den troon zijn dus nu Dinah, Sayon, Tokba. Ik zag in het dorp eene hut, waar Yoera eene zijner dochters had laten begraven, die hij bijzonder had liefgehad. Het was voor de eerste maal, dat ik bij de afrikaansche negers iets als een graftombe zag.
Aan boord teruggekeerd, wachtte ik nog eenige dagen op de komst van den koning der Landoemans, Menga Sera, die eindelijk toch verscheen. Het gelukte mij, eene verzoening met de Naloes te bewerken en de grenzen tusschen de beide mogendheden, die elkander sedert lang het bezit van het dorp Caboey betwistten, vast te stellen. De koning Sera droeg een eigenaardig fantastisch kostuum, waarvan een gestikte kamerjapon het hoofdsieraad uitmaakte. De griotten van prins Dinah werden niet moede, dit prachtstuk te prijzen. Deze griotten zijn de officiëele zangers van de vorsten en aanzienlijken; zij vormen eene soort van afzonderlijke kaste en hebben niet het recht de woningen van een vrij man binnen te treden. Zij zijn dikwijls zeer rijk, want zij verstaan bij uitnemendheid de kunst, door vleierijen en complimenten giften van hunne meesters af te bedelen. Hun gezang is zeer eentonig en wordt begeleid door een soort van zeer eenvoudige guitaar.

Poort van Casasocoboely.
Nadat ook deze zaak geregeld was, maakte ik met den heer Beeckman een uitstapje naar Boké, den versten post in het binnenland. Dit dorp ligt op een heuvel, waarvan de hellingen met goed onderhouden tuinen bedekt zijn; eene dichte haag van scherpe doornen dient als verdedigingsmiddel. Van binnen vindt men, op een fraai pleintje, het monument van René Caillé, den beroemden reiziger, die van hier uit naar Tomboektoe en verder naar Algerië trok.
Aldus mij gekweten hebbende van mijne zending, keerde ik naar boord van de Goëland en vervolgens naar Frankrijk terug.