← Table of contents
Het land der Bagas en de Rio-Nuñez

II

Reading edition

In het begin van 1885 lag aan den linkeroever van de Nuñez, op het punt waar de monding aanvangt, een rooversnest, waarvan de bewoners den handel grootelijks bemoeilijkten en benadeelden. Dat was Catinoe, en het opperhoofd der bende heette Bokar. Het adviesjacht de Héron, kommandant Néron, en het adviesjacht de Ardent, kommandant Aubert, verdreven en doodden die bandieten en verbrandden hunne dorpen. Inmiddels was het adviesjacht de Goëland, waarvan ik de eer had kommandant te zijn; afgezonden om de andere schepen te helpen, maar bij onze komst was alles reeds afgeloopen, en bleef ons niets anders over dan het voeren der diplomatieke onderhandelingen, om den koning der Naloes, Yoera Towel, ook door de andere stammen te doen erkennen; wij moesten voorts de grenzen bepalen tusschen het gebied der Landoemans en dat der Naloes, waarover sinds tien à vijftien jaren onophoudelijk getwist werd; eindelijk moesten wij trachten de geheele landstreek onder fransch protektoraat te brengen. Deze zending, die ons door den luitenant-gouverneur, den heer Bayol, was opgedragen, opende ons eene uitmuntende gelegenheid om de inboorlingen dezer streken van nabij gade te slaan en te leeren kennen.

Nu wij het tooneel onzer werkzaamheid vluchtig hebben aangeduid, mogen wij ook wel iets zeggen van het schip.

De Goëland was eene raderboot, ongeveer zestig meters lang, wit geverft, met een rood boord; de schoorsteen en de masten waren lichtbruin. Het schip maakte een aardig effect tusschen het al te eentonige groen van het landschap langs den oever. De bemanning bestond uit vier-en-twintig [123] koppen, waarvan meer dan de helft zwarte matrozen van den Senegal. Deze lieden, laptots genoemd, stonden onder het bevel van korporaals, die den wonderlijken naam van gourmets (lekkerbekken) droegen, hoewel zij hetzelfde eten kregen als de anderen. De sergeanten waren bekend onder den naam van rivier kapiteins. Allen waren niet weinig trotsch op hunne titels, en deden over het algemeen hun best om de smaakvolle uniform onzer zeelieden naar behooren te dragen. Met de schoenen echter konden zij niet best overweg. Onze loods heette Seymoe; hij was een voortreffelijk man met een buitengewoon scherp gezicht, die zeer belangrijke diensten bewezen heeft, en die niet minder nauwgezet was in het waarnemen van zijn dienst aan boord, als in de vervulling zijner godsdienstplichten, overeenkomstig de voorschriften van den Koran. Maar hij kon niet goed verdragen, dat men lichtvaardig sprak over zijn geloof. Slechts eens heb ik hem uit zijn humeur gezien: hij had ons juist over den drempel van de Cazamance gebracht, en ik zeide tot hem: “Het is een geluk voor een kapitein, een goed Muzelman als gij aan boord te hebben: gij wijst mij altijd de ware richting van Mekka, en ik kan daarnaar mijn kompas regelen, om de riviermonden niet te missen.”—Ook was hij er niet dan met groote moeite toe te brengen om zijn portret te laten maken.

De Goëland lag voor anker voor het dorp Camfarandi aan de samenvloeiing van de Rio-Nuñez en van een der voornaamste killen of kreeken. Aan alle kanten zag men wortelboomen; naar den zeekant het zoogenoemde Duivelseiland en de eerste boomen van Petit-Talibonche. Aan de overzijde, aan den rechteroever der rivier, stond het huis van den franschen tolgaarder, die uit zijne woning tot in zee kon zien. Daarachter verhief zich een bosch, dat de helling bedekte van een kleinen heuvel, waarachter de engelsche factorie Victoria lag. Te midden van het donkergroen der boomen kwamen de blauwachtige zinken daken der pakhuizen schilderachtig uit.—Nabij de factorie lagen prauwen, wachtende op de lading van koopwaren; terwijl mooie grijze apen tot vlak bij den aanlegsteiger slopen om de uit de zakken gevallen zaadkorrels weg te rapen.

Aan den linkeroever der rivier, wat hoogerop, kon men met een kijker de verwoeste tatas van het dorp Catinoe zien, en eenige lijken, die door de gieren werden verslonden. Reusachtige boomen overschaduwden dit tafreel van verwoesting, en de stilte des doods had het rumoer van de afrikaansche vesting vervangen.—Op den rechteroever gaf het dorp Camfarandi, achter de factorie Victoria, ook niet veel meer dan ruïnen te aanschouwen; maar de inwoners hadden althans door eene overhaaste vlucht hun leven gered.

Ik had het anker uitgeworpen voor Victoria, dat ik in zekeren zin als mijn hoofdkwartier beschouwde. Dit punt is inderdaad de sleutel der rivier, die zich hier eensklaps aanmerkelijk verbreedt, en vormt met Boké de twee strategische stellingen van het land. Men zou het ook tot uitgangspunt kunnen maken van een spoorweg naar Foetah, die naar Senegal en den Niger zou loopen. Reeds nu verschijnen de engelsche booten geregeld te Victoria; wat zou het dan zijn?

Op het dek heen en weer wandelende, sprak ik daarover met mijn luitenant, toen wij een aantal prauwen gewaar werden, die naar ons toekwamen, voorafgegaan door eene groote pinas, waarin bijna geheel naakte negers gezeten waren, die, in plaats van met riemen, met rondhouten roeiden en luid schreeuwende op de banken sprongen, daarbij de zonderlingste bewegingen makende. Voorop zaten twee vrouwen, die met alle geweld op de tamtams sloegen; achter in de boot zaten eenige fantastisch toegetakelde heeren—afrikaansche heeren altijd!—boven wier hoofden zonneschermen werden gehouden. Een muziekant sloeg met grooten ernst op een instrument, bestaande uit stukjes hout op eene rij boven uitgeholde kalebassen gespannen: dit soort van harmonica is langs deze geheele kust algemeen in gebruik. De heer Beeckman, de gezagvoerder in het district van de Rio-Nuñez, die bij ons aan boord was gekomen, deelde mij mede, dat Dinah Salifoe, de vermoedelijke troonopvolger van den koning der Naloes, zich in de boot bevond. Kort daarop verscheen de prins op het dek, terwijl hij zijn parapluie toesloeg en den onderstuurman eerbiedig groette.

Dinah Salifoe is tegenwoordig, na den dood van Yoera, koning van de Naloes en de Bagas, protektor van de Mandi-Foré, vriend en beschermeling van Frankrijk. Hij verdient dus wel, dat wij hem wat van naderbij beschouwen.

Behalve de parapluie, waarvan wij reeds gesproken hebben, droeg de prins, ter gelegenheid van dit plechtig bezoek, een wit hemd, een das, een zwarten pantalon, lage schoenen, sokken, en—waarom weet ik niet—een blauwen bril, die misschien oorzaak was van de vergissing, waardoor hij den tweeden stuurman voor den kommandant aanzag. Op zijn hoofd droeg hij eene hooge witte muts met twee gekleurde banden boven elkander. Maar het kostuum van Dinah zou niet kompleet zijn geweest, zoo hij niet over alles een rooskleurige, met goud geborduurde dalmatiek, in den vorm van een senegalsche boeboe, had gedragen.

Neem een oud beddelaken, werp dat over uw schouders, steek uw hoofd daardoor, en naai de twee afhangende einden aan elkander, maak van voren een ruimen zak, en gij hebt een boeboe. Dit hoogst eenvoudige kleedingstuk, dat zelfs op reis gemakkelijk te vervaardigen is, wordt door alle mannen in Senegambië gedragen; aan den Senegal draagt men daarbij nog een hemd en geen broek, terwijl de Naloes de voorkeur geven aan de broek en het hemd achterwege laten. Dat is eene kwestie van smaak, waarover niet te twisten valt. Door een hemd en een broek aan te trekken, maakte Dinah eene uitzondering, waarvoor wij zeer gevoelig waren.

Zijn wonderlijk kostuum daargelaten, had de prins een fijn-besneden, niet onbevallig gelaat, en zeer fraaie handen en voeten; zijne manieren [124] waren die van een gentleman; hij sprak niet dan met moeite een weinig fransch, maar hij kende engelsch, naloe en soesoe. Het soesoe is een taal of een dialekt, dat van de Rio-Nuñez tot Sierra-Leone bijna algemeen gesproken wordt; iemand, die met deze taal onbekend is, ondervindt veel last bij een reis door dit deel van Senegambië: hij moet dan noodzakelijk een franschen tolk, een Oeolof soesoe, tot zijne dienst hebben. Bij de verschillende conferentiën of palabers, die wij in dit land hebben gehad, moesten wij eerst hetgeen wij te zeggen hadden, duidelijk uitleggen aan een Oeolof; deze had soms een uur noodig om aan een derde te doen begrijpen wat wij hem hadden verteld. Die andere vertaalde dat weer in het baga; en in verhouding van de onderscheidene dialekten nam het getal tolken steeds toe, zoodat het soms scheen als zou er nooit een einde aan komen. Men droeg dan ook wel zorg, niets meer dan het volstrekt noodzakelijke te zeggen, want elke onnoodige uitweiding rekte de samenkomst misschien met een paar uren. Inderdaad Dr. Schleyer moest de inboorlingen van de Rio-Nuñez zien te bewegen, volapuk te leeren: hier zou zijne wereldtaal onschatbare diensten kunnen bewijzen!

Met Dinah hadden wij, dank zij zijne geleerde opvoeding, minder moeite. Hij schreef zijne taal met arabische letters, want het soesoe heeft geen letterschrift. Men kan begrijpen hoe lastig het dikwijls was, deze brieven te ontcijferen; zij waren doorgaans geschreven in slecht arabisch schrift, maar de taal was oeolof, soesoe of naloe. Dinah schreef als een Arabier, hoewel hij geen arabisch verstond; met zijne godsdienst stond het ongeveer eveneens geschapen: hij ging door voor een Mohammedaan, hoewel hij, naar ik vrees, bitter weinig van de dogmen en de inzettingen van den Islam wist. Hij droeg om zijn hals een aantal fetishen of gris-gris, en maakte zijne salams met het ernstigste gezicht van de wereld. Maar, zooals ik zeg, hij scheen mij niet toe een zoogenoemde maraboet te zijn.

Een maraboet is iemand, die volkomen in de godsdienst van Mohammed is ingewijd, die al de ritueele voorschriften op zijn duimpje kent en precies weet te zeggen, hoevele kniebuigingen en andere bewegingen men bij iedere gelegenheid verrichten moet en op welke wijze dat moet geschieden. Zulk een man staat in hoog aanzien bij zijne geloofsgenooten, op wie hij een grooten invloed uitoefent, onverschillig welke ook zijne maatschappelijke betrekking zij. Ik had aan boord een smidsgezel van den Senegal, die maraboet was: hij was de levende autoriteit voor al de anderen, zelfs voor de rivierkapiteins, die hem onvoorwaardelijk gehoorzaamden. Toch was hij niet bijzonder geletterd, want niet dan met groote moeite kon hij den Koran spellen.

Over het algemeen zijn de koks en de hofmeesters zeer gewichtige personages, die zelfs vorsten en opperhoofden uit de hoogte behandelen, wanneer deze laatsten niet goed bekend zijn met de godsdienstige gewoonten en gebruiken. Het is echter ook waar, dat deze vrijpostigheid hun somwijlen kwalijk bekomt, en dat zij wel eens zeer gevoelige lessen in de etiquette krijgen. Dinah, de vermoedelijke erfgenaam van Yoera Towel, werd met veel eerbied en ontzag behandeld. Men wist dat met hem niet te gekscheren viel, en herinnerde zich nog hoe hij, in 1884, zijn eigen schoonbroeder Boendoe ter dood had laten brengen; ook had de verwoesting der oproerige dorpen zijn prestige niet weinig verhoogd. Hij hield nu als het ware een zegetocht door die streken, welke voor hem zoo lang gesloten waren gehouden door vijanden, van wie hij nu niets meer te vreezen had.

Terwijl wij te Victoria vertoefden, ontbood hij het opperhoofd van het eiland Boffa, dat ten noorden van de uitmonding van de Rio-Nuñez ligt. Dit opperhoofd heet Baky: den 20 April 1885 kwam hij aan boord van de Goëland, om ons zijne hulde te bewijzen. Hij had twee van zijne zonen medegebracht, om als getuigen te dienen en om te hooren wat men bespreken zou, opdat men, zooals hij niet onverstandig opmerkte, ook na zijn dood zou weten wat hij met ons was overeengekomen. Hoewel Baky een Naloe was en een onderdaan van den koning der Naloes, scheen hij toch slecht op de hoogte van de politiek; althans hij vernam met de grootste verbazing, dat zijn volk, volgens een traktaat van 28 November 1865, sedert twintig jaren onder de opperhoogheid van Frankrijk stond.

Ik stelde hem eene fransche vlag en eenige flesschen rhum ter hand, en noodigde hem uit zich wat beter op de hoogte te houden van hetgeen in zijn land voorviel. Blijkbaar waren de flesschen rhum hem meer waard dan de vlag en ook dan mijne vermaning. Hij teekende alles wat men van hem verlangde en verwijderde zich in zijne prauw, de vlag ontplooiende en ijverig van den rhum proevende.

Dat was mijne eerste diplomatieke bemoeiing; Dinah zelf moest er om lachen. In de oogen van Seymoe, die nooit iets anders dan water dronk, was dit opperhoofd haast nog erger dan een ongeloovige.

Den 21 April 1885, terwijl Dinah en eenige opperhoofden van zijn gevolg nog aan boord waren, voeren wij des morgens vroeg af om een bezoek te gaan brengen aan de Bagas, die nabij de monding der rivier wonen. Ik stoomde langs het Duivelseiland en wierp het anker uit ten noorden van de landpunt Amarante, dicht hij het dorp Petit-Talibonche, bekend door drie groote boomen, die aanstonds in het oog vallen, als men de rivier opvaart. Dit punt is de noordelijke grens van Bagatay of het land der Bagas.

Komst van Dinah aan boord van de Goëland.
Komst van Dinah aan boord van de Goëland.

Komst van Dinah aan boord van de Goëland.

Toen wij voor het eerst hier kwamen, was dit land zoo goed als onbekend bij de Naloes zelven, die toch in de onmiddellijke nabijheid wonen. Ook de Senegaleezen en de Europeanen wisten er bijna niets van. Mij was de streek volkomen onbekend; maar reeds toen ik als knaap kaarten van Afrika bestudeerde, was mijne nieuwsgierigheid en belangstelling geprikkeld door hetgeen bij deze streek stond aangeteekend; ik las daar: Volksstammen [126] met geweren gewapend, zeer vijandig gezind jegens vreemden. Eindelijk zou dit raadsel voor mij worden opgelost.

Te Victoria kon men mij geene andere inlichtingen geven, dan dat ik daar echte wilden zou zien, in de wouden levende met kudden vee en op den laagsten trap van ontwikkeling staande, zoodat zij zelfs geen kleederen droegen. Ik had het opperhoofd van het naloe-dorp Borobof met mij genomen: deze krachtige flinke grijsaard, Tomba-Coeyé genoemd, verstond en sprak de taal der Bagas. Ik zond hem vooruit naar het dorp, om de inwoners van onze komst te verwittigen en omtrent onze bedoelingen gerust te stellen. Wij zelven konden er nog niet heen gaan, omdat met de eb de modderige kust ongenaakbaar was. Tomba-Coeyé, voor wien deze hinderpaal niet bestond, stapte midden in de modder aan land, waadde zoo goed mogelijk door het slijk en kweet zich, zooals ons later bleek, op de meest voldoende wijze van zijne zending. Zoodra de vloed genoeg gerezen was, begaf ik mij met de heeren Beeckman en Roquemaurel—mijn luitenant—op weg naar het dorp. Het kwam ons het gemakkelijkst voor, eene kleine kreek te volgen, die, naar wij onderstelden, bij het dorp uit moest komen.

Weldra hoorden wij dan ook gerucht van stemmen, en dachten wij reeds de plaats onzer bestemming te hebben bereikt; maar wij hadden gerekend buiten de eindelooze kronkelingen van die ellendige kreek, die zich zoo ver van de woningen verwijderde, dat wij niets meer hoorden en begonnen te vreezen, dat wij verdwaald waren. Reeds sedert lang hadden wij de riemen moeten innemen en dreven wij met den stroom af, ons voorttrekkende aan de wortels der boomen; eindelijk verbreedde de kreek zich weer en kregen wij eene prauw in het oog, die met rijststroo was beladen en in een zijtak aan onze linkerhand voer; wij volgden die prauw en kwamen weldra in eene soort van kom, omzoomd door een opgehoogd en met bananen beplant terrein; wij konden er dus zeker van zijn, dat menschelijke woningen niet verre waren. Daar wij op den vollen middag nu ruim een uur gevaren hadden, was de schaduw ons van harte welkom.

Een groot aantal negers, tusschen de bladeren der bananen verborgen, sloegen ons aandachtig gade. Zoodra wij voet aan wal zetten, liepen zij schreeuwende weg. Zonder ons daaraan te storen, sloegen wij het pad in, dat zich voor ons opende.

Maar in plaats van geheel barbaarsche wilden, zooals wij volgens de gegeven inlichtingen verwachtten, vonden wij, tot onze groote verwondering, de kenteekenen eener betrekkelijk vrij ver gevorderde beschaving. Wij kwamen op eene groote open plek, waar de drie boomen stonden, die men uit zee zien kan, en bereikten aanstonds daarna het dorp Petit-Talibonche, aldus genoemd ter onderscheiding van Grand-Talibonche, aan den anderen oever der rivier. Van de met geweren gewapende wilden was geen spoor te ontdekken; in stede daarvan zagen wij niets dan ongewapende lieden, die zeer vriendschappelijk gezind waren. In hun midden stond Tomba-Coeyé, van modder en slijk gezuiverd, te redeneeren.

Een enkele blik op de schare was voldoende om te zien dat men te onzer eere toilet had gemaakt; slechts trof het ons, dat, terwijl de mannen met boeboes, mutsen en andere kleedingstukken waren uitgedost, de vrouwen, met uitzondering van een klein lapje, geheel naakt waren, tot groote ergernis van Seymoe. Al deze lieden stonden voor de deur hunner woningen, die welhaast meer aanspraak mochten maken op den naam van huizen, dan op dien van hutten. Deze woningen hadden eene breedte van ongeveer twintig bij eene diepte van omstreeks tien ellen. Zij waren van leem gebouwd en stonden elk op eene kleine terp, waarschijnlijk uit hoofde van de geweldige regens in den zoogenaamden winter; zij waren allen naar hetzelfde model gebouwd, met een stevig dak van rijststroo, dat echter niet op de muren rustte, maar boven het huis hing, gedragen door palen, op regelmatige afstanden in den grond gestoken. De nok van het dak is ongeveer tien el boven den beganen grond verheven.

Straten in den eigenlijken zin zijn er niet, want elk huis staat op zich zelf: een zeer wijze maatregel, waardoor al vast de lastige processen over gemeene muren worden voorkomen. Men ziet dus niets dan grootere en kleinere pleintjes; er is geen wachthuis en ook geene gewijde hut, zooals bij de Roodhuiden in Amerika.

Om de woning van het opperhoofd te bereiken, volgen wij een soort van breeden boulevard, die bij de reeds meer genoemde drie groote boomen uitkomt, welke de fetishen van het dorp zijn. Al voortwandelende, nemen wij de huizen wat nauwkeuriger op. Elke woning is omringd door een lagen muur of borstwering, waaruit de palen oprijzen, die het hooge dak dragen. Daarachter bevindt zich eene vrij breede vestibule of open veranda, waarvan de bodem naar de eigenlijke woning opklimt. In de borstwering is eene opening aangebracht, die niet gesloten kan worden. De eigenlijke woning heeft twee deuren, die met een klink gesloten kunnen worden, en die op de dusgenoemde veranda uitkomen. Vensters zijn er niet: de vertrekken ontvangen hun licht door de opening tusschen den bovenkant van den muur en het dak; het is in de kamers daardoor wel wat schemerachtig, maar men heeft ook geen last van de muskieten, die onuitstaanbare plaag van deze moerassige streken.

Bij het binnentreden in het voornaamste vertrek wordt de aandacht dadelijk getrokken door reusachtige aarden potten, die eene hoogte hebben van meer dan drie el en dienen voor het bewaren der rijst. Deze zeer regelmatig gevormde potten worden met de handen vervaardigd en in de zon gedroogd.

In zulk een huis bracht ons het opperhoofd van het dorp, Kroeman, de opvolger van Khon. Hij noodigde ons plechtstatig uit om plaats te nemen op waggelende banken, die niet bij elkander pasten, en de palaber begon in tegenwoordigheid van al de mannen van het dorp, die van onze komst verwittigd waren. [127]

Ik wees er reeds op, hoe moeilijk zulk eene conferentie is, waar alles wat gesproken wordt door drie of vier tolken moet worden overgebracht. Wij hadden dan ook al den tijd om onze omgeving nauwkeurig op te nemen: het trof ons, dat de negers er voor het meerendeel zeer verstandig uitzagen. Zij konden ook niet bepaald leelijk worden genoemd; hunne kleur was meer geelachtig bruin dan zwart. Eene eigenaardigheid, die zeer in het oog valt, omdat hun hoofd kaal geschoren is, is dat hun achterhoofd eene rechte lijn vormt met hun nek; hun kin en hun benedenkaak steken sterk vooruit. Hun type verschilt daardoor aanmerkelijk van dien der Naloes en andere negers, die met ons gekomen waren en onder de toehoorders hadden plaats genomen. De vrouwen waren bij de conferentie niet tegenwoordig; zij zijn hier nog te natuurlijk en te eenvoudig om hare eigenlijke roeping te miskennen en aanspraak te maken op politieke rechten.

Onze palaber ging zijn gang, zonder stoornis of afwijking, zich hierin gunstig onderscheidende van de parlementaire palabers in Europa. Toen de zaak afgehandeld was, brachten wij tot aller verwondering papier en inkt te voorschijn, en stelden deftig te boek, dat het baga-dorp Petit-Talibonche het protektoraat van Frankrijk erkende. Er werd wat meer gediscussieerd over het voorstel om het gezag van den koning Yoera Towel te erkennen. Na eene lange redevoering van Dinah, waren echter alle bezwaren opgeheven. Het voorstel werd met algemeene stemmen aangenomen, en het opperhoofd Kroeman was daarover zoo verheugd, dat hij staande de zitting aan Dinah een jong meisje ten geschenke gaf. Onder algemeene uitingen van geestdrift werd de zitting gesloten. Petit-Talibonche werd met eene fransche vlag begiftigd.

De palaber was afgeloopen. Sommigen der diplomaten, die daaraan deel hadden genomen, lieten nu hunne officieele terughouding varen en liepen haastig weg, om spoedig terug te komen, de een met kippen, de ander met bananen, die zij ons te koop aanboden. Wij betaalden met tabaksbladeren, de eenige gangbare munt in dit land.

Petit-Talibonche telt misschien eene bevolking van drie- of vierhonderd personen, die rijst en palmolie verbouwen. De strook bebouwd land is niet breed; aan de eene zijde wordt zij begrensd door de rivier, aan de andere door een moeras van wortelboomen, waardoor zich de kreek slingert, die ons naar het dorp had gebracht. Zooals ik zeide, verbreedt die kreek zich bij het dorp in belangrijke mate. Naar het schijnt, behoudt zij deze breedte tot aan de Casagoea; het beste middel om het dorp Boffa te bereiken zou dus zijn het anker uit te werpen, waar wij stilhielden, en van den vloed gebruik te maken om met eene kleine boot de kreek van Petit-Talibonche op te varen, en van daar met het ebgetij naar Boffa de reis te vervolgen. De toegang tot de Casagoea is aan de zeezijde versperd door zeer gevaarlijke banken.

Na deze inlichtingen ingewonnen te hebben, maakten wij ons gereed om met de eb naar boord terug te keeren, maar het opperhoofd wilde ons de Simons laten kijken. Nu kwam het gansche dorp in opschudding; de jongelieden liepen naar het bosch, terwijl de vrouwen zich haastig uit de voeten maakten. Weldra hoorde men op den hoorn blazen; het was een afschuwelijke muziek, die de vogels op de vlucht dreef; en even daarna verschenen gemaskerden op het plein.

Aan hun hoofd wandelde Penda-Penda, de vrouwelijke Simon, de echtgenoote van den Grooten Geest. Deze figuur had een reusachtig hoofd, ruw uit hout gesneden en vastgehecht aan eene stof, die van onderen in een soort van biezen rok uitliep. De kolossale pop werd gedragen en in beweging gebracht door een neger, wiens voeten onder de jurk uitkwamen en die door een paar gaten ter hoogte van de borst kon zien. Hij liep springende en dansende voort, omstuwd door de jongens van het dorp, die sprongen en schreeuwden en blijkbaar niet bang waren voor de zonderlinge verschijning, welke zij dan ook zeker niet voor het eerst zagen.

Wij hadden evenwel geen tijd meer te verliezen en konden dus den verderen afloop van het feest niet bijwonen. Een anderen keer zouden wij de Simons beter zien. In den namiddag waren wij wij weder aan boord terug. Aanstonds zond ik den getrouwen Tomba-Coeyé naar de dorpen op den linkeroever der rivier, om ook daar onze komst voor te bereiden. Ik stoomde daarop naar het Zandeiland, de hoogste der groote banken, die den ingang van de Rio-Nuñez versperren en zich langs den rechteroever tot de Casagoea uitstrekken. Het eiland is alleen door pelikanen en andere watervogels bewoond: in het midden verheft zich eene groep dwergachtige wortelboomen.—Van hier wilde ik mij met een sloep naar Bagatay begeven en aldus in het hart van het land doordringen: immers Petit-Talibonche, dat ik bezocht had, was slechts een afgelegen stuk van het land der Bagas op den rechteroever.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings