← Table of contents
Het kaatsspel

IV.

Reading edition

Uitlegging van het spel.

Het kaatsspel wordt bij voorkeur gespeeld op een vlak kaal grasveld. Ook komt in aanmerking een plein, hetzij geplaveid, hetzij ongeplaveid. Bij een geplaveid plein mogen geen ronde keien het plaveisel vormen, wel klinkersteenen.

Het perk worde op het kaatsveld liefst zoodanig gelegd, dat de bezetting er van den wind in den rug heeft, daarbij rekening houdende met den eisch, dat de zon haar niet hinderlijk in 't gezicht schijne.

Het speelveld: Zie de teekening. Het perk heeft den vorm van een rechthoek, die 4½ M. breed is. De lengte hangt af van de bekwaamheid der spelers. Bij spelers van de 1ste categorie is de lengte 18 M. (Bondsreglement). Evenzoo houden de opslag en de bovenslag verband met de geoefendheid der spelers, en worden deze lijnen gelegd bij gemeen overleg. Bekwame spelers slaan op 30 à 32 M., van de perkvoorlijn gerekend, terwijl de bovenslag gesteld wordt op 40 M. van de perkvoorlijn (Bondsreglement).

HET SPEELVELD.

Illustration from Het kaatsspel handleiding met historische aanteekeningen en kaatszangen

ABCD = perk.

BC en AD = buitenlijnen.

AB = voorlijn.

DC = kwaad (perk)

EF en GH = zijkwaad.

Van vóór tot boven = 40 M.

Vóór tot 1e opslag = 32 M.

Tot 2e opslag = 30 M.

Omheining achter boven nog pl. m. 7 M.

Lengte van het perk = 18 M. (speelveld) te zamen pl. m. 65 M. lang en breed 25 M. à 30 M.

Perkbreedte = 4½ M.

• 1, 2 en 3 zijn de perkspelers.

× 1, 2 en 3 zijn de opslagspelers.

Bij een wedstrijd zijn nog kwaadlijnen ter zijde van 't speelveld, welke loopen van de perkvoorlijn tot de bovenslaglijn. Het geheele speelveld is afgesloten door een omheining, waarachter de toeschouwers zich opstellen.

Zulks geschiedt om vrij spel te houden. Achter de bovenslaglijn is nog ± 7 M. ruimte, opdat de spelers op den opslag gelegenheid hebben den uitgeslagen bal terug te slaan.

Het rechthoekig perk heeft vier lijnen (voorlijn—twee buitenlijnen en de achterkwaadlijn).

Ten einde bij het ontstaan van geschillen over de lengte van den slag (over het àl of niet voorbijslaan der kaatsen) zoo spoedig mogelijk te beslissen, worden op het speelveld twee meetlijnen gelegd, resp. 10 M. afstand van perk en opslag.

Alle lijnen voor het spel noodig moeten op het speelveld liggen.

De kwaadlijnen (perk- en zijkwaad) liggen 1 M. van de omheining, opdat de toeschouwers op behoorlijken afstand van deze lijnen blijven, ter voorkoming van geschillen.

De drie spelers in het perk vormen het perkpartuur; er staan 2 van de drie spelers in het perk, de derde maat staat er buiten.

De drie tegenstanders staan bij opslag en bovenslag; ze heeten dan het opslagpartuur.

Gedurende den strijd wisselen beide parturen bij een bepaalden stand der partij van perk en opslag.

Een samenstelling der speelmakkers heet een partuur; meestal 3 tegen 3.

Algemeen doel van het spel. Het opslagpartuur heeft in de eerste plaats tot taak den bal door opslaan in het perk te drijven en moet zich verder beijveren om den eventueel uitgeslagen bal door terugslaan en keeren achter of zoover mogelijk in de richting van de voorlijn te brengen of te houden.

Het perkpartuur tracht den bal zoover mogelijk in de tegengestelde richting (naar de bovenlijn) te brengen of te houder en wel door uitslaan, terugslaan en keeren.

De spelers van beide parturen mogen elkaar in den kamp niet hinderen. (Strafpunt Bondsreglement).

Slaan. Het slaan geschiedt met de flauw gestrekte hand, de vingers niet gespreid; bij voorkeur bovenhands, daarbij den betrokken arm zooveel mogelijk gestrekt, opdat de slag krachtig zij en de bal daardoor een grooten afstand doorloope.

Ofschoon het slaan van den bal na een enkelen stuit geoorloofd is, verdient het aanbeveling—als men in de gelegenheid is den bal in de vlucht te bereiken—dien stuit niet af te wachten, aangezien men dan niet zeker is van de richting, in welke de bal opspringt.

Niet als slaan wordt aangemerkt als het geschiedt:

a. met beide handen tegelijk.

b. na den tweeden stuit.

c. indien tegelijkertijd de hand den grond aanraakt (of het gras).

d. indien de bal in aanraking is geweest met de kleeding of met een ander lichaamsdeel dan de hand.

e. indien de bal reeds door een der partuurmakkers is geraakt, gedurende dezelfde vlucht.

In al deze gevallen wordt zulks als keeren aangemerkt en wordt de bal beschouwd zich te bevinden op dàt punt, waar de hierboven bedoelde handeling plaats vond.

Opslaan. Nadat de spelers hunne plaatsen hebben ingenomen, wordt het spel geopend met opslaan. Hij, die hiermee is belast, de opslager, plaatst zich, front makende naar het perk, achter de opslaglijn, den kaatsbal in de linkerhand houdende. (De linksche opslager natuurlijk houdt den bal in de rechterhand).

Terwijl de bal wordt losgelaten, wordt hij met de rechterhand (of linker) geslagen (bestemming: perk), zóódat de bal de hand verlaat, als de opslager op de opslaglijn staat. Deze aanloop, snel en kort (b.v. 3 à 6 passen) heeft tot doel den bal een grootere snelheid te geven. Hoofddoel is nl. den bal ver en krachtig voort te drijven, opdat hij zoolang mogelijk zijn levende kracht behoude en het uitslaan bemoeilijkt wordt.

Hoe gestrekter de baan, welke de bal volgt, des te beter de opslager. Het opslaan moet geschieden in de lengteas van het speelveld, aangegeven door twee witte ballen op de opslaglijn.

De opgeslagen bal moet binnen het afgelijnde perk gebracht worden. Is hij er vóór, of over, of buiten (ook op de lijnen), dan is het een foutieve slag.

(De bal is vóór, of kwaad, of buiten.)

Uitslaan. Indien de bal binnen het afgelijnde perk gebracht wordt, moet de perkbezetting hem uitslaan. Zij sla niet, als de bal kwaad, vóór of buiten is of komt (te roepen: „kwaad”, „vóór”, „buiten”!) Ingeval zulks wel geschiedt, wordt de bal beschouwd in te zijn. Slaan de perkmaats den bal niet uit, als hij in is, dan zegt men: „de bal zit”.

Terugslaan. Heeft het perkpartuur den opgeslagen bal uitgeslagen, dan tracht het opslagpartuur hem terug te drijven achter de voorlijn van het perk (EG in de teekening). Gelukt dit, dan zal het perkpartuur op zijn beurt zich beijveren den bal nogmaals terug te slaan, enz.

Triktrakslag. Op deze wijze kan een bal zich herhaaldelijk heen en weer bewegen tusschen perk- en opslagpartuur. Zulke slagen dragen den naam van triktrakslagen en worden door de toeschouwers uitbundig toegejuicht, wegens de wisselende kans van den slag.

(Men trekke hieruit niet het besluit, dat zulks het doel is der spelers; dezen beoogen juist het tegendeel, nl. den bal steeds zooveel mogelijk buiten het bereik der tegenpartij te brengen).

Keeren. Is de kaatser niet in staat den bal door terugslaan een tegengestelde richting te doen volgen, dan tracht men hem althans in zijn gang te stuiten, door hem te keeren, d. i. tegen te houden, hetgeen met elk lichaamsdeel mag geschieden.

Goed keeren is veel waard en behoort tot de bekwaamheden van den speler, even goed als het opslaan en het uitslaan.

Het opvangen van den bal in één of beide handen is intusschen niet geoorloofd, tenzij men hem onmiddellijk op den grond werpt of laat vallen.

Zitten-boven-kaats. De tot rust gekomen bal zal zich ten slotte bevinden:

zitten a. achter de voorlijn van 't perk: hij zit.

boven b. voorbij de bovenlijn: hij is boven.

kaats c. tusschen voor- en bovenlijn: Er is een kaats (tenzij de slag diende om een reeds bestaande kaats te beslissen), welke op bedoeld rustpunt wordt aangeduid door een merkteeken (blokje of steen).

Aanmerken. Aangezien herhaaldelijk twee kaatsen moeten worden aangemerkt, is het wenschelijk twee verschillende merkteekens, resp. voor de 1ste en de 2de kaats beschikbaar te hebben.

(1ste kaats: wit blokje; 2de kaats: rood blokje).

Tellen. Het tellen geschiedt bij 2 punten tegelijk voor elken winstslag en wel ten gunste van:

het perkpartuur: het opslagpartuur:

a. Als de opgeslagen bal is voor, buiten, kwaad. b. Als de uitgeslagen bal is boven. c. Als de uitgeslagen bal is voorbij de kaats. a. Als de opgeslagen bal zit. b. Als de uitgeslagen bal achter of op de perkvoorlijn teruggedreven wordt. c. Als de uitgeslagen bal niet is voorbij de kaats. d. Als de uitgeslagen bal kwaad is. (Dat is, als hij over de zijkwaadlijnen is geslagen of er op).

Vervallen van de punten. Acht punten = (4 × 2 p. of 4 winstslagen) vormen een half spel.

Twee halve spellen maken één spel.

De eenmaal gewonnen halve spellen en spellen blijven bestaan.

Wanneer echter een der parturen een half spel „vol” maakt, vervallen de „losse” punten der tegenpartij.

Het partuur, dat 3 spel heeft, is winnaar. Soms ook wordt 2 spel gespeeld. Bij een wedstrijd steeds 3 spel; in bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken.

Wisselen. Bij den aanvang van het spel wordt door het lot bepaald, welk partuur het eerst den opslag heeft. Daarvoor geldt steeds, dat het laagste nummer den opslag heeft. Bij een vrije partij wordt daarom door beide parturen geraden (met on of even b.v.)

Herhaaldelijk wordt echter van perk en opslag gewisseld. Zulks geschiedt:

a. Als een der parturen (of beide) 6 punten heeft (hebben) en er ontstaat een kaats.

b. Als een der parturen 6 punten krijgt en er is een kaats.

c. Als geen der parturen 6 punten heeft en er ontstaat een tweede kaats.

Beslissing der kaatsen. Bij wisseling dient de eerste bal om over de eerste (c. q. de eenige) kaats te beslissen. Met den tweeden bal moet op gelijke wijze in zake de tweede kaats—zoo deze bestaat—worden beslist.

Het perkpartuur, dat pas in het perk is gekomen, tracht den bal voorbij het merkteeken te slaan. Na de gevallen beslissing der kaatsen wordt onmiddellijk het betrokken merkteeken weggenomen.

Rolverdeeling der spelers. A. Bij het opslagpartuur.

1ste opslager. Hij, die in het opslaan de meeste bedrevenheid bezit, treedt als 1ste opslager op (voor best opslaan) en is dus normaal met bedoelde taak belast. Voor hem geldt de verste opslaglijn.

2de opslager. Een ander partuurmakker is 2de opslager (voor minst opslaan) en bezigt de kortste opslaglijn.

Als zoodanig moet hij werkzaam zijn:

a. Zoodra het perkpartuur een kaats geslagen heeft en nog niet gewisseld wordt.

b. den 1sten opslagbal, direct na de wisseling, indien er nl. 2 kaatsen waren.

De tweede opslager moet dus bij wisseling den bal opslaan bij de beslissing over de 1ste kaats.

Daarna geeft hij den bal over aan den 1sten opslager, bij de beslissing over de 2de kaats. Deze houdt den bal, tot weer een kaats geslagen wordt. Is er bij de wisseling van perk en opslag maar één kaats, dan heeft de 1ste opslager den bal en houdt hem, totdat er weer een kaats geslagen wordt.—Wil het opslaan met een der opslagers niet gelukken, staat hij buiten of voor, dan mag hij den bal aan den derden makker afstaan.

Overigens stellen de leden van dit partuur zich op naar verkiezing, daarbij zorgende zich min of meer over het veld te verdeelen. De praktijk leert welke punten op het speelveld de doelmatigste opstellingsplaatsen zijn. Die plaats der spelers wisselt echter met bijna elken slag. Taktiek en overleg der spelers komen hierbij zeer te stade; het bepaalt mede hun bekwaamheid of betoefdheid in het spel.

B. Bij het perkpartuur.

Bij een partuurformatie van 3 spelers nemen twee hunner plaats in het perk; de een vóór (de voorman), de andere achter in het perk (de achterinsche), daarbij zorgende, dat de voorste den achterste niet het vrije uitzicht op den opslagbal belemmert.

Wanneer zij een bal hebben uitgeslagen, zijn zij niet meer aan het perk gebonden, doch mogen zich vrij over het veld bewegen, ten einde den eventueel teruggeslagen bal te gemoet te loopen, opdat deze nogmaals door hen geslagen en anders gekeerd kan worden. In het bijzonder rust de laatstbedoelde taak op den derden makker van het partuur, die buiten het perk staat en vlugger er bij kan zijn dan zijn perkmakkers. Daarom moet hij eveneens voortdurend den blik gericht houden op de handelingen en bewegingen van het opslagpartuur.

De perkmakkers mogen van plaats verwisselen, als dit voor hun spel beter blijkt; of als het met een dezer spelers niet vlotten wil, kan deze met den derden makker van rol wisselen.

Om den achterman beter slag op den opslagbal te geven, is het wenschelijk, dat de voorman ter zijde wijkt buiten het afgelijnde perk. Blijft hij staan, dan belemmert hij allicht den achterinsche in den slag. Deze voorman moet goed uit zijn oogen zien, of de snelheid en de hoogte van den opslagbal van dien aard zijn, dat hij den bal voor zich moet nemen of dien aan zijn perkmaat moet overlaten.

Een geoefend oog is voor de perkspelers noodzakelijk, om den bal op tijd te slaan. Ze moeten dit juist weten te bepalen. Slaan zij te gauw of te laat, dan mist de slag zijn effect, wat duidelijk te zien is aan het resultaat van den slag en de richting, die de uitgeslagen bal neemt.

Bestaat een partuur uit 2 spelers, dan nemen beiden in het perk plaats; ook moeten ze beiden als opslagers fungeeren.

De sterkste en mooiste partuurformatie is die van 3 tegen 3.—Bij een formatie van 2 tegen 2, kan het speelveld niet goed bezet worden, om de uit- of teruggeslagen ballen te treffen.

Onderscheidingsteeken. Van twee tegen elkaar strijdende parturen wordt het laagste nummer door een roode sjerp om den middel, een rooden band om den arm, of een rood strikje op de borst, als het partuur der Rooden aangeduid.

Het hoogste nummer wordt op dezelfde wijze door wit aangeduid en het partuur der Witten geheeten.

Bij den aanvang van den strijd vangt het roode partuur den kamp aan met den opslag.

De kleuren bij het kaatsspel zijn dus Rood en Wit. Het rood ziet op het vuur van den strijd, den moed, terwijl het wit op het smettelooze, op de reinheid of eerlijkheid van den kamp wijst.

Telegraaf. Ten einde den stand der partij bij elken slag te kunnen aangeven, gebruikt men bij het kaatsspel een werktuig, telegraaf geheeten, in hoofdzaak bestaande uit een verticale, draaibare staak, waaraan horizontale armen, aan welke de halfspellen, de spellen en de punten worden opgehangen, terwijl aan haakjes van den stok bordjes worden bevestigd, welke de gemaakte kaatsen aangeven.

DE TELEGRAAF.

Illustration from Het kaatsspel handleiding met historische aanteekeningen en kaatszangen

(Er zijn dus drie dwarslatten aan den staak)

De eene helft der telegraaf is rood geschilderd, de andere helft wit. Deze kleuren zijn dus in overeenstemming met het onderscheidingsteeken der spelers van beide parturen. Eveneens zijn de bordjes, welke halve spellen en spellen aangeven in deze beide kleuren geverfd, wat mede het geval is met de dubbele ballen, die de punten voorstellen.

Gedurende het spel is de witte helft steeds naar den kant der Witten, de roode helft naar de zijde der Rooden gekeerd. Zoo kunnen de toeschouwers op elk moment den stand der partij overzien, terwijl door directe aanteekening van den „telegrafist” geschillen tusschen de parturen over den stand van de partij worden vermeden.

(Zie de teekening). Aan de haakjes van de onderste lat worden de punten (dubbele ballen) opgehangen; de middelste lat wijst de halve spellen der beide parturen aan, terwijl aan de bovenste de gewonnen spellen worden genoteerd.

De persoon, die de telegraaf bedient, heet telegrafist; hij, die de kaatsen aanmerkt met de blokjes, heet de aanmerker.

Stand: Rood heeft, 2½ spel met 4 punten; insgelijks Wit. Er zijn 2 kaatsen. De stand der partij is dus gelijk.

Benaming der slagen.

Bovenslag: Een slag, waarbij de bal rollende over de bovenlijn komt, heet kortweg een bovenslag.

Victoriaslag: Komt de bal bij eersten uitslag met de vlucht over de bovenlijn, zoo heet de slag een Victoriaslag.

Herculesslag: Een slag, waarbij de bal bij eersten uitslag met de vlucht over het afgesloten speelveld geslagen wordt, heet Herculesslag.

Triktrakslag: Wordt de bal eenige keeren tusschen perk- en opslagpartuur heen en weer geslagen, zoo is het een triktrakslag.

Pripper: Indien de bal laag bij den grond, juist over de voorlijn, of voor de voeten van den voorman of in den hoek geslagen wordt, is het een pripper.

Vosseslag: Komt de bal tusschen voorman en achterman in, zoodat hij niet of slecht te slaan is, zoo heet de slag een Vosseslag.

Bepalingen. Hand. a. De kaatsers mogen alleen spelen met de onbedekte hand. Indien echter een speler bij 't doorslaan van de hand zich van een handbedekking wenscht te voorzien, heeft hij deze te onderwerpen aan de goedkeuring der keurmeesters bij een wedstrijd.

b. De ballen mogen alleen geslagen worden met de hand, die geacht wordt op te houden, waar de pols begint. Raken ze den pols of den arm, zoo is de slag foutief. In het perk is het een verloren slag, op het speelveld wordt de slag als keeren aangemerkt. Hetzelfde is het geval, als de bal bij den slag de kleeding van den speler heeft geraakt, of een ander lichaamsdeel dan de hand.

Kaatscostuum. Bij de wedstrijden van den Ned. Kaatsbond en zijne afdeelingen, is het volgende costuum verplichtend:

Lange of korte bovenbroek met Eng. hemd, sportblouse of tricot.

In het kaatsreglement van den Ned. Kaatsbond zijn opgenomen de regels van het spel, de verplichtingen der spelers, enz. (Het is à 10 cts. verkrijgbaar bij den Bondssecretaris).

Illustration from Het kaatsspel handleiding met historische aanteekeningen en kaatszangen

Het Kaatsterrein te Leeuwarden.—Foto „Revue der Sporten”.

decoratieve illustratie
decoratieve illustratie
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings