← Table of contents
Het kaatsspel

II.

Reading edition

Eenige historische aanteekeningen.

Naar men meent, is het kaatsspel hier te lande door de Romeinen ingevoerd. Deze zouden het overgenomen hebben van de Grieken, door wie onderscheidene balspelen beoefend werden. Bij de Spartanen werd het balspel als een belangrijk onderdeel der gymnastiek beschouwd, terwijl ook de Atheners het met voorliefde beoefenden. Onder die Grieksche balspelen waren er vier spelen met een kleinen bal. Een dier spelen schijnt veel overeenkomst gehad te hebben met ons kaatsspel. Ook de Romeinen speelden met een bal „trigonalis” genoemd, waarmee men vrijwel op dezelfde wijze speelde als tegenwoordig nog met den kleinen kaatsbal. De onaanzienlijken speelden in de open lucht en op de straten en pleinen van het oude Rome, een „fatsoenlijk” Romein in het „sphæristerium”, eene overdekte baan.

Dergelijke kaatsbanen werden in lateren tijd in verschillende Europeesche landen aangetroffen. We herinneren aan de kaatsbaan van Versailles, waar de bekende eed van 1789 werd uitgesproken. In het Jeu de Paume speelden de Bourbons met den Franschen adel en hunne hovelingen en menige vermaarde partij werd daar gespeeld.

Koning Hendrik IV van Frankrijk en zijn minister Sully muntten bijzonder in het kaatsen uit, ofschoon de eerste volgens de overlevering een onpleizierig speler was. Wanneer hij een partij verloor, schold hij zijne medespelers uit. Vóór hem was koning Frans I niet minder groot liefhebber van het kaatsspel. De overlevering vertelt van hem de volgende anecdote: „Op een dag, dat hij in partuur met een monnik kaatste tegen twee voorname heeren, werd de strijd beslist door een meesterlijken bovenslag van den monnik. Uitgelaten van vreugde riep de koning: „Dat is een prachtige monniksslag”. „Met uw verlof,” hernam snedig de monnik, „dat was de slag van een abt”. En de koning schonk hem later de eerst opengevallen abdij.”

Illustration from Het kaatsspel handleiding met historische aanteekeningen en kaatszangen

Het Pelote-Basque.—Foto „Revue der Sporten”.

Nog heden ten dage wordt het kaatsspel, vooral in Noord-Frankrijk, veel beoefend.

Ook in Spanje en in België vooral wordt het kaatsspel nog in onzen tijd druk gespeeld. Ook in die landen trof men in vroeger eeuwen kaatsbanen aan. Opmerkelijk mag het heeten, dat dit aloude balspel zich heeft gehandhaafd in de kustlanden van de Noordzee en den Atlantischen Oceaan.

In den nazomer van 1903 werd door de Spaansche kolonie te Parijs, die zeer talrijk en zeer rijk is, gepropageerd voor het „Pelote Basque”. Het wordt gespeeld op den fronton te Neuilly, even buiten de vestingwerken, met 't gevolg dat de fronton in de rue Borghese een plaats van samenkomst is geworden voor de aanzienlijke Spanjaarden. Bij dit spel wordt de bal door middel van een handnap tegen den muur geslagen en als hij terugkomt, moet hij door de tegenpartij teruggeslagen worden. Het spel moet een groote behendigheid vereischen, maar is niet zonder gevaar. In de Spaansche kustprovinciën langs den Atl. Oceaan wordt dit spel mede nog gespeeld; (de Baskische provinciën; vandaar de naam Pelote Basque.)

In het Fransche kaatsspel zijn twee slagen spreekwoordelijk geworden: de linksche slag van den hertog van Nemours, (deze was linksch en muntte vooral uit in prachtige bovenslagen), genaamd „de slag van Nemours”; mede „de slag van Orleans”, een reuzenslag tot boven aan het dak der kaatsbaan, van Philippe-Egalité.

Ook Karel X speelde als graaf van Artois dikwijls in de kaatsbaan. Thans wordt het kaatsspel in Noord-Frankrijk nog beoefend door de volksklasse en den burgerstand. Het meest wordt daar gespeeld het „Jeu au tamis”, waarbij de opslager den bal laat afstuiten op een trommel, met een vlies overspannen, om den opstuitenden bal met de gehandschoende hand naar het perk te drijven; de perkslagers hebben een napvormigen handschoen en trachten den opgeslagen bal terug te drijven. Meesterlijk wordt de kleine, harde bal dikwijls een verbazend eind hoog in de lucht teruggeslagen.

Dit kaatsspel met de zeef werd ook in ons land vroeger veel gespeeld. In 1780 werd het kaatsspel in dezen vorm veel in Holland beoefend, zooals Franck van Berkhey in zijn „Historie van Holland” ons mededeelt. Bij den opslag gebruikte men toen in Holland een zeef, een rond net van gevlochten snaren, trommelsgewijze gespannen, rustende op drie pootjes en een weinig schuin van den grond verheven. Frank van Berkhey zegt, dat omstreeks 1780 het aloude kaatsspel was gedegradeerd tot een boerenspel, maar erkent, dat het een van de vernuftigste en vermakelijkste spelen van dien tijd was. Het is, zegt hij, een recht manlijk en gezond spel, en vereischt een vlugge gestalte, benevens stevige, vereelte vuisten.

Evenals in ons vaderland reeds langen tijd niet meer aldus beoefend, verdwijnt deze wijze van kaatsen ook meer en meer in Frankrijk en bij onze buren de Belgen, het rijk alleen overlatende aan het „Jeu de Pelote”, dat met uitzondering van eenige afwijkende spelregels en afwijkenden vorm van het perk, vrijwel overeenkomt met het huidige Friesche kaatsspel. Van daar dan ook, dat de Belgen en Friezen elkaar jaarlijks op de Friesche kaatsvelden komen bestrijden, zooals te Sneek en te Leeuwarden.

Zooals wij reeds hiervoor opmerkten is het kaatsspel hier te lande ongetwijfeld door de Romeinen ingevoerd.

Van oudsher althans is het hier bekend, zij het ook in anderen vorm en volgens andere regels. In „Ulrich de Zanger” (Onze Voorouders van Van Lennep) lezen wij anno 1048: „De kaatsbaan was wel is waar op dit oogenblik verlaten, maar des te drukker ging het schieten naar den vogel zijn gang” (in de omstreken van het kasteel te Vlaardingen). In de grafelijke en hertogelijke rekeningen der 14de eeuw vinden we het kaatsspel vermeld. Zoo vinden we opgeteekend, dat Jan van Blois „vercaetste jeghens hertoghe Aelbregt 50 mott”, en met Jan van Heenvliet tegen denzelfden hertog 16 mott. In 1364 vermaakte hij zich te Dreischor en Goes met „caetzen” en liet te Quesnoi „twee foletten, om mede te caetzen”, koopen.

Ook vercaetste hij geld jegens heer Franke van Borssele, Janne van den Oestende en anderen te Haarlem. Willem van Oostervant verspeelde in 1398 „up een kaetsspel tot Staveren”, zijn tuyn, dat is zijn gouden halsketen, die hij met 26 Fransche kronen weer inloste. Deze Willem van Oostervant, later graaf Willem VI, was een hartstochtelijk kaatser.

De weelderige hertogen van Bourgondië vermaakten zich dikwijls met den kaatsbal en ook hertog Karel van Gelre was een groot beminnaar van het kaatsspel. Dat er in den tijd van Karel van Gelre geenszins „om des keizers baard” gespeeld werd, blijkt uit een door Hofdijk meegedeelde aanteekening van des hertogen rentmeester Bar-le-duc, bij gelegenheid, dat de hertog naar Frankrijk reisde: „In den heiligen daigen van Paeschen m.g. Heren gegeven die sijne genaede verkatz hadde VIIJ sonne kronen, maickt XXIIIJ gl. X st.”

De edelen in de middeleeuwen gaven, wanneer ze hunne onderzaten op een feest wilden onthalen, dikwijls een „kaatsbal”, d. w. z. eene kaatspartij, met al wat daarbij behoorde, vrij gelag incluis. Zoo betaalde de rentmeester van Buren in 1469 eene zekere som voor „den kaetsbal, die mijn gen. Here die gesellen gaff, dat si kaetsen solden, dat hij 't aensach om den tijt te verdriven”.

Filips de Schoone was een groot liefhebber van 't kaatsspel, zooals de historie vermeldt. Na op zekeren warmen dag wederom druk gekaatst te hebben, dronk hij, hoewel zeer bezweet, te veel koud water, wat hem het leven kostte (1506).

Te midden der Staatszorgen, in 1566 zelfs, vergaten de leden van den adel het kaatsen niet en toen de Markgraaf van Bergen op 't punt stond met Montigny naar Spanje te vertrekken, werd hij bij 't spelen in de kaatsbaan zoodanig aan den voet gekwetst, dat hij de reis eenige dagen moest uitstellen.

In 1547 was te Arnhem op 's Heeren Hof een kaatsbaan aangelegd en deze werd toen en later door de ridderschap zoo ijverig bezocht, dat men in 1583 den jonkers verweet dat zij in plaats van de Kwartiersvergaderingen bij te wonen en 's Lands belangen te helpen behartigen, hun tijd doorbrachten „in den balspill op 't Hof”.

Prins Maurits hield ook veel van kaatsen en men zou zeker meenen, dat hij, de krijgsman, nog minder dan de Geldersche jonkers om wind en weer gegeven zou hebben en toch beviel 't hem niet, dat de Arnhemsche kaatsbaan open was; op zijn verzoek werd er een dak opgezet. En Hooft vertelt in zijne „Nederlandsche Historiën”: Toen op Vrijdag den 2 October 1587 in Amsterdam vrij onverwacht de tijding kwam, dat men binnen weinige uren een bezoek van Leicester stond te wachten, was alles in de weer om de noodige schikkingen tot ontvangst te maken. De Stadsbode klopte ook aan bij den schepen en burgerhopman Jan Hooft, die echter niet thuis was. Maar des schepens huisvrouw wist wel „waar zijn uithof was” en stuurde den bode naar de kaatsbaan. Als in de 17e eeuw een knecht zijn heer zocht, liep hij „kaetsbaan in, kaetsbaan uit”.

Ook de geleerden van vroeger dagen wisselden dikwijls de studeerkamer met de kaatsbaan af. O. a. was de beroemde professor Van Swieten er een groot liefhebber van en oordeelde hij het voor den mensch een zeer gezonde uitspanning, evenals de Hooggeleerde Adrianus van Rooijen en Erasmus, die het als een gezond nationaal spel in hun Latijnsche dichtmatige redevoeringen voordroegen.

Werd het kaatsen bij de edellieden als een ridderlijk spel beschouwd, niet minder hoog in aanzien stond het bij het volk. Dit kaatste echter niet in de kaatsbanen, maar op de straten en pleinen van dorp en stad. Bij de toenemende bevolking en bebouwing begon men in de steden overlast van het kaatsspel te krijgen, en van de andere toen in gebruik zijnde spelen, zoodat zoogenaamde „keuren” werden uitgevaardigd. In de 14e eeuw o. a. te Amsterdam:

„Nyemant moet kaetsen mit ballen noch mit ballen slaen binnen de vrijhede van der stede”.

Albrecht van Beieren stond aan de Brielenaars het kaatsen toe alleen buiten de veste. In andere plaatsen was men minder streng—misschien wel omdat de liefhebberij zoo groot was, dat een verbod aanleiding zou hebben gegeven tot groote onaangenaamheden. Het volk, dit begreep men—en men begint het in onzen tijd meer en meer in te zien—moest zich in een gezonde lichaamsoefening ontspannen. Maar toch het kaatsspel werd evenals het kolven en het clootschieten beperkt, hier tot enkele straten of pleinen, daar tot zekere uren.

In den jare 1390 bewees graaf Albrecht van Beieren aan de Haarlemmers de bijzondere gunst hun een speelveld ten geschenke te geven, en wel de baan, een ruim veld tusschen den grooten en den kleinen Houtweg, om daarop te gaan „spacieren en balslaan en recreatie te nemen”.

In de Amsterdamsche keuren van de 15e eeuw vindt men vermeld, dat het kaatsen in de Nes verboden werd, tengevolge van de klachten der kloosterlingen, die door het kaatsen, kolven en clootschieten bij hun muren, in hun aandacht gestoord werden.

Ten slotte willen wij hier nog enkele Friesche keuren vermelden. Bij een ordonnantie van den 12 Februari 1566, uitgevaardigd te Leeuwarden, werd aan een iegelijk verboden „wye hy sy, hem te vervorderen met colff ende bal te slaene, noch oick met ballen ofte clooten te schieten, hoedattet sy, binnen deeser steede Leeuwairden, 't sy op kerckhoven, 's Conincx plaetsen of te andere straeten, waer dattet sy, by pene voer d'eerste reyse te verbeuren, die contrarie bevonden wert te doen, veerthien stuvers, die andere reyse een gouden gulden, ende die derde reyse by arbitraele correctie”. In 1580 gaf de regeering van Leeuwarden bij eene publicatie de waarschuwing: „Ende sal neymant so wel olde als jonge personen, op de kerckhoven, noch in de kercken noch kloosters speelen, noch balslaen, by pene van 't ouersten kleet, in te lossen met seuven stuvers.”

Den 21 September 1594 publiceerden Burgemeester en Raden van Franeker o. a.: dat het kaatsen op de stadsplaats onder de predicatie verboden was: „by poene van apprehensie en aan een der palen daartoe verorderd gesteld en zekeren tijd lang gesloten te worden”.

Bij placaat der Staten van Friesland van 20 Juli 1667 werden alle ingezetenen geordonneerd „op de voorschreven dagen, voornamentlijck onder de predicatiën, niet in de herbergen te gaen drincken, noch mit kaerten en andere spelen zich te exerceeren, alsmede van kaetsen, balslaen, clossen en anderen diergelijcke exercitiën en spelen sich te onthouden, op poene van twalef caroli-guldens, 't elckens te verbeuren,” enz. Dit placaat werd nader bevestigd bij een dito van den 20 Juli 1676 en nog later bij een dito van den 29 April 1699.

Nog in de 17de eeuw vond men in vele steden van ons land een kaatsbaan, zooals te Franeker in de Molensteeg, waar de studenten speelden (1632); te Leeuwarden in de Baghijnestraat, te Amsterdam, Dordrecht, Arnhem, Den Briel, enz.

In de 18de eeuw schijnt het aloude spel meer op den achtergrond gedrongen te zijn. De heeren hadden de kolfbaan boven de kaatsbaan gekozen. In Friesland echter is het steeds het geliefde spel, van den boerenstand vooral, gebleven en niet minder van den burgerstand in de dorpen, terwijl het thans ook weder in Leeuwarden, Bolsward, Sneek, Dokkum en Harlingen gespeeld wordt, evenals in Franeker, waar het altijd bestaan heeft.

In een opstel „De frissche lucht” zegt de bekende Friesche schrijver en dichter, Dr. J. H. Halbertsma:

„Het kaatsen is eene oefening, die vlugheid en kracht in de hoogste mate vereenigt. In een open weiland, bij droog weder gespeeld, dus in de vrije lucht, moest dit spel de vlugheid en de kracht van het Nederlandsche ras krachtdadig bevorderen. En wanneer ik dan denk, dat wij voor dit athletenwerk den biljartbal in de plaats hebben gekregen, kan ik mij alweder eene der redenen verklaren, waarom onze handen en krachten zooveel „jufferlijker” zijn geworden dan die onzer vaderen.” En waar moet het met de wereld heen, als we allen juffers worden? vraagt Halbertsma.

We hebben dus gezien, dat het aloude balspel, het kaatsspel, om zich heeft vereenigd vorsten, graven, hertogen, geestelijken zelfs, geleerden, burgers en voorname lieden, ambtenaren en werklieden.

Maar de tijden zijn veranderd en wij met hen. Dat dit aloude spel alleszins waard is weer in zijn oude eer en zijn ouden luister hersteld te worden, is buiten twijfel.

De machtige organisatie, de Ned. Kaatsbond, die ruim 10.000 leden omvat, streeft op loffelijke wijze naar dit doel.

decoratieve illustratie
decoratieve illustratie
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings