HOME" (continued 5)
Reading edition
Gisteren telegrafeerde dat gezin ons, dat zij hem niet langer konden houden en vroegen mij of ik zoo goed wilde zijn hem van den zesuurtrein te halen. Turnfelt ging naar het station, maar daar was geen Thomas te bekennen. Ik stuurde nog dienzelfden avond een telegram weg, waarin ik hun vertelde, dat de jongen niet was aangekomen en om nadere bijzonderheden verzocht.
Gisternacht bleef ik wat langer dan gewoonlijk op om mijn lessenaar op te ruimen, en ook om met heldere gedachten het nieuwe jaar in te gaan. Tegen twaalf uur merkte ik, dat het al laat geworden was en dat ik erg moe was. Juist was ik van plan naar bed te gaan, toen ik door een geklop op de buitendeur schrok. Ik stak mijn hoofd uit het raam en vroeg, wie daar was. "Tommy Kehoe" antwoordde een heel onvaste stem.
Ik vloog naar beneden en opende de deur, en die jongen, zestien jaar oud, strompelde naar binnen — stomdronken! Gelukkig was Percy niet ver weg, zoodat ik hem kon roepen. Ik wekte hem en samen sleepten wij Thomas naar onze logeerkamer, de eenige afgezonderde plaats van ons gebouw. Daarna telefoneerde ik om den dokter, die, naar ik vrees, een erg vermoeiender dag achter zich had. Hij kwam terstond en wij hadden met ons drieën een afschuwelijken nacht. Naderhand bleek dat de jongen met zijn bagage een flesch haarwater had meegenomen, die aan zijn vroegeren baas toebehoorde. Dat goed bestond voor de helft uit alcohol en hiermee had Thomas zich gedurende zijn reis verkwikt.
Hij verkeerde in zulk een toestand, dat ik vreesde dat wij hem niet meer zouden kunnen redden — vreesde, neen dat hoopte ik zelfs. Als ik een geneesheer was, zou ik in zulke gevallen, in het belang van het komende geslacht, niet trachten redding aan te brengen. Maar je hadt Sandy eens moeten zien werken! Dat vreeselijke instinct dat hier een leven te redden viel, was bij hem ontwaakt en hij vocht met alle kracht en energie die hem eigen is.
Ik zette sterke koffie en hielp zooveel ik kon en liet daarna de twee mannen met den jongen achter. Ik ging naar mijn kamer, maar kon er niet toe overgaan naar bed te gaan, daar ik bang was dat ze me misschien toch nog noodig konden hebben. Tegen vier uur kwam Sandy in mijn zitkamer met de tijding, dat de jongen in slaap was gevallen en dat Percy naar bed was gegaan. Die arme Sandy zag er bleek en vervallen uit en was dood op. Toen ik hem aankeek, dacht ik er aan, hoe wanhopig hij werkt om anderen het leven te redden terwijl hij zichzelf nooit spaart en ik zag dat ellendig huis van hem voor mij, waarin nooit eenige vroolijkheid doordringt en de vreeselijke tragedie, die zijn geheele leven beheerscht, drong zich met geweld aan mij op. Alle beleedigde gevoelens, die ik zoo langen tijd had gekoesterd, verdwenen plotseling. Ik voelde een groote sympathie voor hem en ik strekte mijn hand naar hem uit. Hij reikte mij de zijne en plots, — ik weet nog niet hoe — ging er een electrische schok door ons heen. Het volgend oogenblik lagen wij in elkaars armen. Hij liet mijn hand los en legde mij kalm neer in een grooten armstoel. "Mijn God, Sallie, begrijp je niet dat ik ook van vleesch en bloed ben?" zei hij en ging de kamer uit. Ik viel in den stoel in slaap en toen vanmorgen de zon in mijn gezicht scheen, werd ik wakker en zag Jane over mij gebukt, vol verbazing op mij neerziende.
Vanmorgen om elf uur kwam hij weer hier, keek mij, zonder ook maar in het minst met zijn oogen te knippen, koeltjes aan en zeide mij, dat Thomas elke twee uur wat warme melk moest hebben en dat ook de stippen in Maggie Peters' keel nagegaan moesten worden.
Nu zijn wij weer bij het oude standpunt en alleen de herinnering aan dat ééne minuutje in dien ellendigen nacht is mij gebleven.
Maar het zou toch wel pikant zijn geweest, vind je ook niet, als Sandy en ik zouden ontdekken dat we op elkaar verliefd waren geworden, terwijl hij met een teeder beminde vrouw in een krankzinnigengesticht en ik met een woedenden verloofde in Washington zit. Misschien is het wel het beste voor mij, dat ik mij dadelijk in het Noodlot schik en kalm een paar maanden lang S. McB.'s op mijn tafellakens borduur, zooals elk ander fatsoenlijk verloofd meisje zou doen.
Ik herhaal nog eens met kracht dat deze brief niet voor Jervis' oogen bestemd is. Verscheur hem in kleine stukjes en gooi die in de Caraïbische Zee.
S. 3 Januari.
Lieve Gordon,
Je hebt groot gelijk dat je boos bent. Ik weet heel goed, dat ik, geen aardige lieve minnebrieven schrijf. Ik heb daarvoor alleen maar de brieven van Elisabeth Barrett en Robert Browning in te zien om te constateeren, dat de warmte van mijn stijl nog veel te wenschen overlaat. Maar je weet reeds en dat al heel lang, dat ik een hevig, geëmotioneerd gemoed heb. Ik weet wel dat je verlangt naar zulke zinnetjes als: "Den heelen dag denk ik slechts aan jou"... "Mijn liefste, ik gevoel me alleen gelukkig als jij bij me bent...", maar dat zou niet bepaald waar zijn. Jij vult niet al mijn gedachten, 107 vondelingetjes doen dat, en ik gevoel me werkelijk heel goed, ook als jij niet hier bent. En ik wil natuurlijk zijn. Je zult toch niet wenschen dat ik je vertel, dat ik me verlaten en eenzaam gevoel als dat niet het geval is. Maar toch vind ik het altijd heerlijk als je hier bent. Je weet dat heel goed en het is een groote teleurstelling voor me als je niet kunt komen. Ik waardeer ten volle al je lieve innemende karaktertrekken maar werkelijk, mijn goede jongen, ik kan je geen sentimenteels brieven sturen. Ik denk nog steeds aan die hotelkamermeid, van wie je de brieven op je lessenaar liet slingeren, en nu hoef je me niet dadelijk te vertellen dat je die brieven niet op je hart draagt, want dat weet ik ook wel beter.
Vergeef me als ik je met mijn laatsten brief pijn deed. Sedert ik hier kwam, ben ik erg critisch geworden, wat het onderwerp "drank" betreft. Jij zou net zoo zijn als je gezien hadt, wat ik hier heb gezien. Verschillende van mijn kinderen zijn het treurig resultaat van een paar aan drank verslaafde ouders en hun leven zal nooit volkomen gelijk worden aan dat van een normaal kind. Ik kan de rijen van onze kinderen niet langs kijken of ik moet aan dat vreeselijk kwaad denken.
Ik ben bang dat je werkelijk gelijk hebt als je zegt, dat het een truc van een vrouw is om groots woorden over vergeven te gebruiken en er dan toch nog altijd op terug te komen. Maar zie je, Gordon, ik weet eigenlijk niet wat het woord vergeving beteekent. Het kan niet gelijk staan met vergeten want dat is een physiologisch proces en hangt niet van den wil af. Wij allen hebben een verzameling van gedachten, die wij graag kwijt zouden willen zijn, maar ongelukkigerwijs verlaten juist die ons niet. Als vergeving beteekent dat je ergens nooit meer over spreekt, dan zou ik dat wel kunnen, maar het is niet altijd de verstandigste manier om iets onplezierigs te begraven. Het groeit en groeit dan en stroomt als vergif door je bloed en door je gedachten.
Ach Gordon, werkelijk, ik wilde je dit allemaal niet vertellen. Ik wou lief en vriendelijk tegen je zijn, de zorgelooze, soms wat lichtzinnige Sallie, die jij het liefste ziet. Maar ik heb in dit laatste jaar zóó veel Realiteit meegemaakt, dat ik werkelijk bang ben, dat ik in een heel ander meisje ben veranderd dan het persoontje, waarop jij verliefd werd. Ik ben niet langer het lichtzinnige wezentje, dat met het leven speelt. Ik weet dat voor mezelf heel zeker en dat beteekent ook, dat ik niet altijd kan lachen en gekheid maken.
Ik weet wel dat dit alweer een vreeselijk onhartelijke brief is, even erg als de laatste en misschien nog erger, maar als je eens wist, wat we achter ons hebben: een jongen, zestien jaar oud, erfelijk belast kind van aan drank verslaafde ouders, heeft zich bijna vergiftigd door het opdrinken van een flesch haarwater dat voor de helft uit alcohol bestond. Wij hebben drie dagen lang hard geploeterd en ik weet nu, dat hij genoeg hersteld is om het grapje te herhalen als hij daartoe gelegenheid ziet. "It 's a gude warld, but they 're ill that 's in it".
Verontschuldig die Schotsche uitlating. Het is een slip of the pen. Verontschuldig alles, wil je?
Sallie. 11 Januari.
Lieve Judy,
Ik hoop, dat mijn twee telegrammen je niet al te zeer hebben laten schrikken. Ik had willen wachten om je het nieuws te schrijven zoodat ik je alles duidelijk had kunnen uitleggen, maar aan den anderen kant was ik zoo bang, dat je het intusschen misschien op andere wijze zou kunnen vernemen. De heele zaak is erg genoeg maar er zijn geen levens bij verloren gegaan en alleen één geval is ernstig. Wij sidderen nog als wij er aan denken hoe vreeselijk het had kunnen afloopen met meer dan honderd slapende kinderen in dit gebouw, dat voor brand zoo vatbaar is!

De nieuwe brandtrap was absoluut niet bruikbaar. De wind blies er net tegen aan en de vlammen speelden er om heen en wij redden dus alle kinderen door de gangtrappen. Maar ik zal van voren af aan beginnen.
Het had dien dag aan één stuk door geregend, dank zij een goede Voorzienigheid, en de daken waren doornat. Tegen den avond begon het te vriezen en de regen veranderde in natte sneeuw. Om tien uur, toen ik naar bed ging, bulderde de wind uit het N. W. en alles wat los was aan ons gebouw, klepperde en ratelde. Om twee uur ongeveer in den nacht werd ik wakker, omdat een hel licht in mijn oogen scheen. Ik sprong uit mijn bed en liep naar het venster. Het wagenhuis stond in lichte laaie en een vonkenregen vloog naar onzen Oostelijker gevel. Ik rende naar de badkamer en leunde uit het venster. Daar kon ik zien, dat het dak van de babykamer op een zestal plaatsen al vlam had gevat.
O Judy, ik geloof dat mijn hart een ondeelbaar oogenblik niet meer klopte! Ik dacht aan die zeventien zuigelingen, die daar onder dat brandende dak rustig sliepen, en ik kon niet meer! Eindelijk had ik genoeg wilskracht om mijn knikkende knieën tot loopen te dwingen en ik rende naar de hall, waar ik in het voorbijgaan mijn autojas greep.
Ik trommelde aan de duer van Betsy en van Miss Matthews en van Miss Snaith en van Mr. Witherspoon, die echter al door het helle licht gewekt was en bij drie treden tegelijk de trap op holde, worstelend met zijn overjas.
"Breng alle kinderen naar de eetzaal, eerst de kleinste", hijgde ik. "Ik zal de brandweer waarschuwen".
Hij vloog door naar de derde verdieping terwijl ik naar de telefoon rende en, o, Judy, ik dacht, dat ik nooit antwoord zou krijgen, de telefoonjuffrouw sliep als een os!
"Het John Grier Home staat in brand.... Waarschuw de brandweer en wek het dorp.... Geef u me 505", zei ik.
In een seconde had ik den dokter en o, wat was ik blij toen ik zijn koele kalmeerende stem hoorde!
"Het huis staat in brand", schreeuwde ik. "Kom vlug en breng zooveel mogelijk mee".
"In een kwartier ben ik er. Vul de badkuipen met water en doe er de dekens in". En hij hing de telefoon aan den haak.
Ik holde terug naar de hall. Betsy luidde onze brandklok al en Percy had zijn Indianenbende naar de slaapkamers B en C gebracht.
Onze eerste gedachte was niet het vuur te blusschen, maar eerst de kinderen in veiligheid te brengen. Wij begonnen met G en gingen van krib tot krib, er telkens een baby met een dekentje uithalend, waarmede wij naar de deur holden, waar een Indiaan al op de wacht stond om het kind naar beneden te dragen. G en F stonden beide vol rook en de kinderen waren zoo vast ingeslapen, dat wij ze niet wakker konden krijgen en ze dus ook niet konden loopen.
Gedurende de volgende uren heb ik dikwijls de Voorzienigheid en Percy Witherspoon gedankt voor de uitstekende reddingsoefeningen, die wij wekelijks hebben gehouden. De 24 oudste jongens hebben onder Percy's leiding geen oogenblik hun tegenwoordigheid van geest verloren. Zij waren in vier groepen verdeeld en vervulden hun post als kleine soldaten. Twee groepen hielpen ons om de verschrikte kinderen uit de slaapkamers te halen en hen zoet te houden. Een groep hanteerde de brandspuit uit het groote waterreservoir, in afwachting van meer geoefende hulp, en de rest hielp bij de redding van ons goed. Zij spreidden dekens op den grond, gooiden den inhoud van mijn bureau en van de kasten daarin en wierpen de pakken daarna de trappen af. Alle kleeren zijn gered behalve die welke de kinderen den dag te voren hadden gedragen. Ook zijn de meeste dingen van den staf behouden gebleven, maar alles wat in de kamers G. en F. thuis hoorde, is verloren gegaan, want nadat wij daaruit het laatste kind in veiligheid hadden gebracht, waren die vertrekken zoo vol rook, dat het onveilig werd er weer in te gaan.
Toen de dokter met zijn chauffeur en nog twee buren kwam, gingen wij al met de kinderen van de laatste slaapzaal naar de keuken, het meest veilige hoekje van het gebouw. De arme schapen waren blootsvoets en in dekens gehuld. Bij het wekken hadden wij hun gezegd dat zij hun kleeren mee moesten brengen, maar in hun angst hebben zij er slechts aan gedacht er zoo vlug mogelijk uit te komen.
Op dat oogenblik was de gang zoo vol rook, dat wij bezwaarlijk konden ademen. Het zag eruit alsof het heele gebouw er aan zou gaan, hoewel de wind op den Westvleugel stond.
Een andere auto met hulpvaardige lui uit Knowltop kwam haast onmiddellijk na die van Sandy en opnieuw begon het gevecht tegen het vuur. De brandweer kwam eerst tien minuten later. Zie je, ze hebben alleen maar paarden en wij zijn hier drie mijlen ver weg en dan zijn ook de wegen nogal slecht. Het was een vreeselijke nacht. Koud sneeuwweer en daarbij woei het vreeselijk, zoodat je bijna niet kon blijven staan.
De mannen klommen op het dak en werkten op hun sokken om niet uit te glijden. Ze sloegen de vlammen met natte dekens en vochten als helden.
Intusschen zorgde de dokter voor de kinderen. Wij wilden hen natuurlijk graag naar een veiliger plaats wegbrengen, want als het heele gebouw eraan zou gaan, konden wij hen niet in dat vreeselijke weer buitenshuis laten staan met een dun nachtjaponnetje aan en een deken om. Gelukkig kwamen nu nog verscheidene auto's met heeren, wien wij verzochten ons hun voertuigen zoolang af te staan.
Knowltop was voor een paar dagen geopend, omdat daar de 67ste verjaardag van den ouden heer gevierd werd. Hij was een van de eersten die ons te hulp kwam en stelde ons dadelijk zijn geheele gebouw ter beschikking. Het was de dichtst bijgelegen schuilplaats en wij maakten daarvan dadelijk dankbaar gebruik. Wij stopten onze twintig kleinsten in de auto's en de gasten, die zich in alle haast hadden aangekleed, namen de schapen in ontvangst en brachten hen naar het huis. En stel je eens voor: Mr. Reinier (dat is Mr. Knowltop's eigenlijke naam) heeft juist een groot steenen gebouw laten zetten met een garage en dat was nu prachtig verwarmd en voor onze kinderen bestemd!
Nadat de babies in het huis waren ondergebracht, gingen de vriendelijke gasten opnieuw aan het werk en brachten die schuur in orde om daar de oudere kinderen te slapen te leggen. Zij bedekten den vloer met bossen hooi en spreidden daarover lakens en legden daarop dertig kinderen in rijen te slapen alsof het kleine kalfjes waren. Miss Matthews en een nurse gingen met hen mee en gaven alle kinderen warme melk te drinken, zoodat zij binnen een half uur even vredig sliepen alsof zij in hun eigen kribje lagen.
Maar intusschen verkeerden wij in het John Grier Home in doodsangst. De eerste vraag van den dokter was bij zijne komst geweest:
"Zijn de kinderen geteld? Weet U zeker dat ze er allemaal zijn?"
"Wij hebben ons in elke slaapkamer er van overtuigd dat er niemand meer in was, voordat wij er uitgingen", antwoordde ik.
Waarlijk, ze konden in die verwarring onmogelijk geteld worden. Een twintigtal jongens waren nog in de slaapkamers om onder leiding van Percy Witherspoon de kleeren en meubels te redden, terwijl de oudste meisjes rijen schoenen sorteerden en er de kleintjes van trachtten te voorzien, die blootsvoets rondliepen en jammerlijk huilden.
Nadat wij nu ongeveer zeven auto's met kinderen vol hadden geladen en weggestuurd, vroeg de dokter plotseling:
"Waar is Allegra?"
Hierop ontstond een vreeselijk zwijgen. Niemand had haar gezien. Toen stond plotseling Miss Snaith op en gilde het uit. Betsy pakte haar bij haar schouders beet en schudde haar hevig heen en weer.
Het bleek dat zij meende, dat Allegra verkouden was en daarom had zij haar kribje uit de frissche lucht-nursery naar de voorraadkamer gebracht. En daarna had zij het geval vergeten.
Welnu, je weet waar onze bergplaats is. Wij keken elkaar verslagen met doodsbleeke gezichten aan. Op dat oogenblik stond de heele oostelijke vleugel in lichte laaie en ook de trap naar de derde verdieping brandde. Het scheen onwaarschijnlijk, dat het kind nog in leven was. De dokter was de eerste die zijn tegenwoordigheid van geest herkreeg. Hij pakte een natte deken beet, die als een doorweekte massa op den grond van de hall lag en sprong de trap op. Ik vloog uit huis en riep de brandweerlui op het dak. Het venster van onze voorraadkamer was te klein voor een man om er door te kruipen. De brandweerlieden hadden het ook niet geopend, uit angst, dat daardoor tocht zou ontstaan.
Ik kan niet beschrijven, wat er in de volgende huiveringwekkende oogenblikken gebeurde. De trap van de derde verdieping viel krakend uiteen en werd door een vlammenzee verslonden, ongeveer vijf minuten nadat de dokter erover was gegaan. Wij hadden alle hoop hem ooit weer te zien, al opgegeven, toen plotseling een kreet onder de menigte op het grasveld opging. De dokter verscheen aan een der vensterramen aan de voorzijde van het huis en riep een der brandweerlui toe om een ladder op te stellen. Toen verdween hij weer en het scheen ons toe dat de ladder nooit zou komen, maar ten slotte kwam ze toch en twee mannen beklommen haar. Door het openen van het raam was een windvlaag ontstaan en de lui werden bedwelmd door de groote rookwolken, die uit het huis naar buiten woeien. Na een eeuwigheid verscheen de dokter opnieuw met een wit bundeltje in zijn arm. Hij reikte het den mannen toe. Toen wankelde hij en verdween weer in het huis.
Ik weet niet wat er daarna gebeurde. Ik wendde mij af en sloot mijn oogen. Op de een of andere manier wisten zij hem uit het huis te krijgen en halfweg de ladder af. Toen lieten zij hem glijden. Hij was bewusteloos door de vele rook, die hij had ingeademd en de ladder was erg glibberig door het gesmolten ijs en vreeselijk wankelend. Hoe dan ook, hij lag op den grond toen ik weer bij kwam, terwijl de heele groep menschen aan het heen en weer draven was. Iemand riep, dat zij hem lucht moesten geven.... Eerst dachten zij dat hij dood was. Maar Dr. Metcàlf uit het dorp onderzocht hem en verklaarde, dat hij zijn been en twee ribben had gebroken en overigens geen andere kwetsuren opgedaan had, naar het scheen. Hij was nog steeds bewusteloos toen zij hem naar huis reden, op twee kindermatrassen die de jongens uit de ramen gegooid hadden en waarop men hem op den wagen waarmede de ladder was gekomen, gelegd had.
En de rest van ons, die achter was gebleven, ging met het werk door alsof er niets was gebeurd. Het vreemde van deze schijnbare onverschilligheid is te verklaren als je nagaat, dat er overal zooveel te doen was, dat je geen vrij oogenblik had om na te denken en de heele toedracht van het geval dus ook eerst later begreep.
De dokter had, zonder ook maar één oogenblik te aarzelen, zijn leven gewaagd om Allegra te redden. Het is het dapperste, wat ik ooit heb gezien en toch nam deze heele zaak maar vijftien minuten van dien vreeselijken nacht in beslag en was het toen slechts een klein voorval.
En hij redde Allegra. Zij kwam met verwarde krullen en een glimlach van allerliefste verbazing over dat nieuwe spelletje van kiekeboe uit de deken te voorschijn. Zij schaterde het uit! De redding van dat kind is werkelijk een wonder. Een paar meter van haar bedje verwijderd had de muur al vlam gevat maar dank zij de windrichting was haar kamertje gespaard gebleven. Indien Miss Snaith wat meer met frissche lucht had opgehad en het venster open had gelaten, zou het kind omgekomen zijn, maar gelukkig is Miss Snaith geen liefhebster van buitenlucht en gebeurde er geen ongeluk. Als wij Allegra hadden verloren, weet ik, dat ik er mij eeuwig een verwijt van zou hebben gemaakt dat ik geweigerd had, dat zij door de Bretlands werd aangenomen en ik ben ervan overtuigd, dat ook Sandy daarvan het grootste verdriet gehad zou hebben.
Ondanks al wat wij verloren hebben, ben ik toch dankbaar als ik aan de vreeselijke oogenblikken denk, die wij hebben doorgemaakt. Die afgrijselijke zeven minuten, dat de dokter op de brandende verdieping was, bracht ik in angst en vreeze door, telkens het ergste verwachtend.
Maar ik zal trachten je alles geregeld verder te vertellen. De brandweer en de vrijwilligers (vooral de chauffeur en de stalknechten van Knowltop) werkten dien heelen nacht dapper door en onze nieuwste negerkokkin, die een juweel in haar soort is, kwam op het prachtig idee om een groote ketel koffie te zetten. De noncombattanten schonken dit den brandweerlui in als ze elkaar aflosten om een paar minuten uit te rusten, en het hielp uitstekend.
De rest van de kinderen konden wij in verscheidene gastvrije huizen onderbrengen, met uitzondering van de oudere jongens, die den heelen nacht hard doorploeterden. Het was heusch aardig om te zien hoe de heele buurt aan kwam loopen om ons te helpen. Menschen, van wie wij niet eens dachten, dat hun het gesticht bekend zou zijn, boden nu in het holst van den nacht hun huis ter onzer beschikking aan. Zij namen de kinderen tot zich, gaven hun een warm bad en een warm bord soep te eten en stopten ze in bed. Voor zoover ik kan nagaan, heeft nog geen van mijn 107 pleegkinderen last gehad van hun rondhuppelen op bloote voetjes op den natten grond, zelfs niet de kinkhoestgevallen.
Het was al klaarlichten dag voordat het vuur zoodanig was getemperd, dat we konden nagaan, wat er van het gebouw behouden was gebleven.
Mijn vleugel is absoluut gespaard gebleven, hoewel hij een beetje van den rook heeft geleden en de hoofdingang is ook haast heelemaal behouden tot de middelste trap toe. Maar al het andere is verkoold en heeft door het water te lijden gehad. De oostelijke vleugel is een zwarte, daklooze puinhoop. Je gehate zaal F, lieve Judy, is voor altijd verloren. Ik wou dat jij die kamer even goed uit je geheugen zou kunnen verbannen als ze thans van de aarde is verdwenen. In elk opzicht is het oude John Grier Home nu voor goed verdwenen.
Ik moet je ook iets grappigs vertellen. Ik zag nog nooit zooveel humoristische dingen als in dien ongeluksnacht. Toen iedereen in volslagen négligé werkte (de meesten in pyama's of ulsters en allen zonder boord), kwam daar de WelEd. Gestr. opdagen in onberispelijk tenu, geschikt om naar een afternoon tea te gaan. Hij droeg zelfs een parel in zijn das en witte slopkousen! Maar hij was inderdaad buitengemeen behulpzaam en bood ons zijn heele huis aan. Ik liet hem derhalve Miss Snaith, in uiterst overspannen zenuwtoestand, derwaarts transporteeren, met het gevolg dat haar geschokte zenuwen hem dien heelen nacht zòò in beslag namen, dat hij onmogelijk nogeens bij ons kon komen.
Ik zal je nu geen verdere bijzonderheden meedeelen. Nog nooit in mijn leven heb ik me zoo uitgeput gevoeld, maar heusch, Judy, er bestaat geen enkele reden om je reis af te breken.
Zaterdagmorgen in de vroegte waren hier al vijf regenten tegenwoordig en wij allen werkten ons gek om de dingen op orde te krijgen. Onze kinderen zijn op het oogenblik over het heele stadje verspreid, maar wees niet bang, we weten heel goed, waar ze ondergebracht zijn en geen enkel schaap zal verloren raken. Ik wist niet, dat menschen, die absoluut vreemden voor je zijn, zoo lief kunnen wezen, en mijn eerbied voor het menschelijk ras stijgt met elke minuut.
Den dokter heb ik nog niet gezien. Ze hebben naar New York om een chirurg geseind om zijn been te zetten. De breuk was vrij ernstig en er zal heel wat tijd mee heen gaan voor hij weer de oude is. Ze denken niet dat er nog inwendige verwondingen zijn hoewel hij er leelijk aan toe is. Zoodra ik hem mag bezoeken, zal ik je uitvoerig schrijven, maar nu moet ik werkelijk eindigen, als ik wil dat deze brief nog met de mail van morgenochtend meegaat.
Dag Judy, wees maar niet bezorgd! Alles komt wel op zijn pootjes terecht! En bovendien zijn er nog verschillende gelukjes aan dit ongeluk verbonden. Maar daarover morgen!
Sallie.
P.S. Lieve deugd, daar komt een auto met J. F. Bretland!
John Grier Home, 14 Januari.
Lieve Judy,
Hoe vind je dit?!:
J. F. Bretland heeft een beschrijving over onzen brand in een New Yorksche krant gelezen en is in doodsangst hierheen getuft. Zijn eerste vraag, toen hij over onzen verkoolden drempel schreed, was: "Is Allegra gered?"
"Ja", antwoordde ik.
"Goddank", zuchtte hij en viel in een stoel neer.
"Dit is geen plaats voor kinderen", vervolgde hij ernstig, "en ik ben hierheen gekomen om haar mee te nemen, Ik neem de jongens ook", voegde hij er haastig aan toe, voordat ik tusschen beide kon komen. "Ik heb met mijn vrouw het geval besproken en wij zijn tot de conclusie gekomen, dat wij er net zoo goed drie als één kunnen aannemen, nu wij toch die zorg willen hebben".
Ik bracht hem naar de bibliotheek, waar mijn kleine familie sinds den brand is geïnstalleerd en toen ik tien minuten later voor een conferentie met de regenten werd weggeroepen, liet ik J. F. B. met zijn dochter op zijn knie en de twee jongens tegen hem aangeleund als den gelukkigsten vader op de wereld achter.
Dus zie je dat onze brand ons een groot geluk heeft gebracht, want nu zijn deze drie kinderen voor altijd verzorgd. Het is haast het verlies waard.
Maar ik geloof dat ik je nog niet verteld heb hoe de brand is uitgebroken. Er zijn nog zooveel dingen waarover ik je nog niet heb geschreven, dat ik al bij de simpele gedachte schrijfkramp krijg. Wij hebben nu ontdekt dat Sterry deze week een dag onze gast is geweest. Na een dronkemansgelag in de kroeg keerde hij naar onze wagenschuur terug, klom door het raam en stak een kaars aan. Hij maakte het zich daar gemakkelijk en viel in slaap. Waarschijnlijk heeft hij vergeten de kaars uit te blazen, in elk geval vatte de schuur vlam en kon Sterry er nog net bijtijds uit komen. Hij ligt nu in het ziekenhuis in de stad, badend in zoete olie en vol smart zijn pijnlijk aandeel in het ontstane onheil betreurend.
Ik ben blij dat het huis zoo goed tegen brand was verzekerd, het geldelijk verlies zal dus niet zoo bijster groot zijn en wat het andere betreft, daarover valt in het geheel niet te treuren. Op het oogenblik zie ik slechts winst in de groote verandering, met uitzondering van het ongelukkig voorval met onzen armen dokter. Iedereen is allerliefst voor ons. Heusch Judy, ik wist niet dat menschen zoo welwillend en vriendelijk konden zijn. Heb ik ooit iets slechts van regenten gezegd? Dan trek ik dadelijk elk boos woord terug. Vier van hen kwamen dadelijk den morgen na den brand uit New York over en alle regenten, die hier in de buurt wonen, doen wat zij kunnen. Zelfs de WelEd. Gestr. is zoo verdiept in het bestudeeren van den gedachtengang van de vijf gestichtskinderen, die bij hem inwonen, dat hij het ons tot nu toe geen oogenblik lastig heeft gemaakt.
De brand brak in den nacht tusschen Vrijdag en Zaterdag uit en ten volgenden Zondag moedigden de dominés in alle kerken de gemeente aan, om een of twee kinderen drie weken te gast te vragen tot het gesticht weer op orde zou zijn.
Het was heerlijk om de uitwerking van die woorden te zien. Binnen een half uur waren alle kinderen uit logeeren gevraagd en denk eens aan, wat dat niet voor de toekomst belooft! Van nu af aan stelt elk van die families persoonlijk belang in ons gesticht. En begrijp ook eens, wat dat voor de kinderen wil zeggen! Die zien nu hoe een werkelijke familie leeft en voor het eerst zullen dozijnen van hen den drempel van een particulier huis overschrijden.
Wat de naaste toekomstplannen aangaat, kan ik je nog iets vertellen.
De Societeit heeft hier een gebouw, dat zij 's winters nooit gebruikt en dat zij heel beleefd ons voor dien tijd heeft aangeboden. Het grenst aan het land achter ons huis en wij maken het nu bewoonbaar voor veertien kinderen met Miss Matthews aan het hoofd. Daar onze eetzaal en keuken gespaard zijn gebleven, kunnen zij daar komen om te eten en te leeren en het is uitstekend, dat zij een half uur moeten loopen, voordat zij naar bed gaan.
Dan heeft die aardige moederlijke Juffrouw Wilson, die naast den dokter woont en zoo goed voor Loretta is geweest, erin toegestemd om nog vijf kinderen onder haar hoede te nemen voor $ 4. elk per week. Ik stuur de meest belovende oudere meisjes, die huishoudelijken aanleg hebben getoond en die het prettig zouden vinden om eens in een gewoon gezin te leeren koken, naar haar toe. Juffrouw Wilson en haar man vormen zoo'n prachtig paar in hun spaarzaamheid en eenvoud en liefde, dat ik werkelijk geloof, dat het goed zal zijn voor onze kinderen om met hen eenigen tijd om te gaan. Het is een leerschool voor de plichten en deugden van de huisvrouw.
Ik zei je het al, dat de menschen van Knowltop in dien vreeselijken nacht 47 van de allerkleinsten bij zich in huis hebben genomen en je weet geloof ik eveneens, dat de gasten, inplaats van gezellig te soupeeren, hun handen uit de mouwen staken om ons te helpen. Wij verlosten hen den volgenden dag van 36 kinderen maar nog altijd hebben zij er elf over. Heb ik ooit Mr. Knowltop een ouden brombeer gescholden? Ik neem dat woord terstond terug en ik vraag nederig excuus daarvoor. Hij is zoo zacht als een lammetje. Wat denk je wel dat die gezegende man deed nu wij in de penarie zitten? Hij heeft een leegstaand huis voor onze babies ingericht, heeft zelfs een geroutineerde Engelsche kindermeid aangenomen om de leiding op zich te nemen en geeft ons nog daarbij de prachtige melk uit zijn modelboerderij cadeau! Hij beweert dat hij jaren lang erover heeft gedacht, wat hij toch met die melk moet doen, daar hij ze onmogelijk verkoopen kan, want dan zou hij er een dubbeltje per kwart liter op verliezen.
De twaalf oudere meisjes van slaapkamer A heb ik in de nieuwe tuinierswoning gezet. De arme Turnfelts, die er juist twee dagen van hebben genoten, zijn naar het stadje verwezen. Maar ze zouden toch niet voor de kinderen willen zorgen en ik had die ruimte noodig. Drie of vier van deze meisjes zijn als onbruikbaar door pleegouders teruggestuurd en hebben nu uiterst goede leiding noodig. Wat denk je dus dat ik gedaan heb? Ik telegrafeerde aan Helen Brooks, dat zij die uitgevers moet laten schieten en daarvoor in de plaats de zorg voor deze meisjes op zich moet nemen. Je begrijpt dat zij daar prachtig mee zal omspringen. Zij nam het voorloopig aan. De arme Helen is zoo beu van het contractleven, dat zij alles voortaan op de proef wenscht.
Voor de oudere jongens is iets buitengewoon heerlijks gebeurd. Wij kregen een gift uit dankbaarheid van J. F. Bretland. Hij bezocht den dokter om hem voor de redding van Allegra persoonlijk te bedanken. Zij hadden een lang gesprek over de behoeften van het gesticht en toen J. F. B. terugkwam, overhandigde hij mij eene chèque van $ 3000.— om het Indianenkamp op een degelijke basis bouwen. Hij en Percy en de dorpsarchitect hebben teekeningen gemaakt en naar wij hopen zullen onze dapperen binnen twee weken het winterkwartier betrekken.
Wat kan het mij schelen dat het oude John Grier Home eraan is gegaan nu mijn 107 kinderen in zoo'n vriendelijke wereld belanden!
Vrijdag.
Ik veronderstel dat het je verwondert, dat ik je niets over den toestand van den dokter meedeel. Ik kan je echter geen informaties uit de eerste hand geven, want hij weigert mij te ontvangen. Toch heeft hij al iedereen, behalve mij, bij zich gezien — Betsy, Allegra, Mevrouw Livermore, Mijnheer Bretland, Percy, verschillende regenten.... Allen berichten dat hij zoo goed vooruitgaat als maar verwacht kan worden van iemand met twee gebroken ribben en een fractura fibulae, dat is, geloof ik, de medische uitdrukking voor zijn gebroken been. Hij vindt het niet prettig dat voor hem veel drukte wordt gemaakt en bedankt ervoor, als held te figureeren. Ik, als dankbaar hoofd van dit gesticht riep verschillende gelegenheden te te hulp om hem officieel te bedanken, maar steeds werd ik aan de deur afgescheept met de boodschap, dat hij juist sliep of dat hij niet gestoord wenschte te worden. De eerste twee keeren geloofde ik dat Miss MacGurk dit op eigen houtje deed, maar nu weet ik wel beter. Toen dus onze kleine meid aan de beurt kwam om haar onschuldig "dag, dag" te zeggen tegen den man die haar het leven redde, vroeg vroeg ik Betsy, haar naar den dokter te geleiden.
Ik weet heusch niet wat dien man bezielt. Hij was de laatste weken juist heel aardig tegen mij, maar als ik nu iets van hem weten wil, moet ik Percy er heen sturen om het te hooren. Ik vind dat hij, al wenscht hij me persoonlijk niet te zien, me toch ontvangen moet als directrice van het gesticht. Maar daarover zijn wij het nu al lang eens. Sandy is een Schot!
* * * * *
Later. Het zal een fortuin aan postzegels kosten om dezen brief naar Jamaica te verzenden, maar ik wil graag dat je van alles op de hoogte bent en er is sedert de stichting in 1876 nog nooit zoo iets opzienwekkends gebeurd. Deze brand heeft ons zulk een schok gegeven, dat wij jaren lang er wakker van zullen blijven. Ik geloof dat elk gesticht om de 25 jaar tot den bodem toe af moet branden, om los te raken van al die ouderwetsche instellingen en verouderde begrippen. Ik ben zoo blij dat wij Jervis' geld niet den vorigen zomer voor de verbouwing hebben uitgegeven. Het zou vreeselijk naar zijn als al die verbeteringen nu vernietigd waren geweest. Van het geld van John Grier kan het mij niet zoo erg schelen sedert ik heb gehoord, dat hij dat verdiend heeft met het patent op een medicijn, hetwelk volgens hooren zeggen opium bevatte.
Wat het overschotje van ons betreft, dat door den brand hier werd achtergelaten, wel, wij leven hier heel gezellig in het bewoonbare deel van het huis en wij hebben ruimte genoeg aan de eetzaal en de keuken. En later kunnen wij plannen voor de toekomst maken.
Begrijp je nu wat er met ons is gebeurd? De goede God heeft mijn bede verhoord en het John Grier Home leeft in kleine groepje in aparte huizen.
Je met werk overladen S. McBride. John Grier Home, 16 Januari.
Lieve Gordon,
Hou je nu alsjeblieft kalm en laat de dingen nu niet erger schijnen dan ze zijn. Het is natuurlijk onmogelijk voor mij om het gesticht op dit oogenblik op te geven. Je moest inzien, dat ik mijn kinderen onmogelijk kan achterlaten, nu ze me juist zoo vreeselijk noodig hebben. En ik ben ook niet van plan om die idiote philantropische neigingen eraan te geven. (Je ziet, hoe jouw uitdrukkingen me nu nog beheerschen).
Je hebt heelemaal geen reden om boos te zijn. Ik overwerk me heelemaal niet, integendeel, ik houd van deze drukte. Ik ben nog nooit zoo werkzaam en zoo gelukkig geweest als nu. De dagbladen maken van dien brand een groot voorval, waarmee ze veel kolommen kunnen vullen en die plaat van mij met een baby onder elken arm berust op reine fantasie. Een of twee kinderen hebben keelontsteking en onze arme dokter ligt in gipsverband, maar goddank, wij zijn allen springlevend en van plan dit nog vele jaren te blijven.
Ik kan je nu geen bijzonderheden meedeelen. Ik heb er werkelijk geen tijd voor. En kom alsjeblieft niet. Later, als de dingen op orde zijn, moeten wij een gesprek over ons beiden hebben, maar eerst moet ik tijd hebben om daarover te denken.
S.
21 Januari.
Lieve Judy,
Helen Brooks heeft op een onberispelijke wijze de leiding over onze andere meisjes op zich genomen. Het is het moeilijkste werk dat ik haar had kunnen geven, maar zij doet het graag. Ik geloof dat zij een waardevolle aanvulling van onzen staf zal zijn.
En ik vergat je ook nog over Punch te schrijven. Toen de brand hier was uitgebroken, stonden die twee aardige dames, die hem den zomer bij zich hebben gehad, juist op het punt om den trein naar Californië te pakken. Zij namen hem eenvoudig onder haar arm met haar bagage mee en reden met hem weg; en dus zal Punch den winter in Pasadena doorbrengen. Ik vermoed dat ze hem wel voor goed zullen houden. Begrijp je hoe blij ik met al deze voorvalletjes ben?
Later. — Die arme eenzame Percy heeft juist den avond met mij samen doorgebracht, omdat hij veronderstelt dat ik zijn smart begrijp. Waarom moet ik in staat zijn om een ieders verdriet te begrijpen? Het is erg moeilijk om medegevoel uit een leeg hart te pompen. De arme jongen is op het oogenblik erg terneergeslagen, maar ik geloof dat ik hem, met Betsy's hulp, er wel doorheen zal helpen. Hij is op het punt op Betsy verliefd te raken, maar hij weet dat zelf nog niet. Nu is hij in het stadium aangeland, dat hij in eigen verdriet zwelgt; hij voelt zichzelf als een held in een treurspel, als een man, die door het leven zwaar is beproefd. Maar ik heb opgemerkt dat hij altijd vriendelijk zijn diensten aanbiedt zoodra Betsy maar in de buurt is, onverschillig wat zij te doen heeft.
Gordon seinde mij vandaag, dat hij morgen komt. Ik ben doodsbang voor dat onderhoud en ik weet zeker dat er een uitbarsting zal komen. Hij schreef mij den dag na den brand en vroeg mij "dat gesticht te laten stikken" en dadelijk met hem te trouwen, en nu komt hij hier om dat nader te bespreken. Ik kan hem niet aan het verstand brengen, dat ik er niet toe wil overgaan met allerliefste onnoozelheid de leiding van 107 kinderen in den steek te laten, juist op het oogenblik dat ik het hardst noodig ben. Ik deed mijn best om hem van hier weg te houden, maar helaas, als ieder ander van zijn sexe is hij koppig als een muilezel. O, Judy, ik weet niet wat er nu weer gebeuren moet. Ik wou dat ik, een oogenblikje maar, in de toekomst kon zien.
De dokter ligt nog altijd in het gips en ik hoor dat het hem goed gaat, hoewel hij erg brommerig is. Hij mag nu elken dag wat opzitten en een zorgvuldig uitgezochte schare van bezoekers ontvangen. Mrs. MacGurk sorteert die luidjes aan de deur en stuurt die, welke zij niet genegen is, naar huis terug.
Dag Judy. Ik zal je gauw meer schrijven maar ik ben nu zoo slaperig dat mijn oogen haast dicht vallen. Ik moet nu beslist naar bed om bestand te zijn tegen de 107 moeilijkheden van morgen.
Hartelijke groeten aan alle Pendletons,
S. McB.
22 Januari.
Lieve Judy,
Deze brief heeft niets te te maken met het John Grier Home. Het gaat hierbij alleen om Sallie McBride.
Herinner je je, dat wij het laatste universiteitsjaar de brieven van Huxley hebben gelezen? In dat boek staat een zin, die sedert steeds in mijn geheugen is gebleven: "Er is in ieders leven een Kaap Hoorn, waarbij iemand het gevaar overwint of ondergaat". Dat is afgrijselijk waar en het verdrietige is, dat je je Kaap Hoorn niet altijd kunt herkennen als je haar ziet. Je moet soms in zwaren mist zeilen en vóór je het weet, ga je onder.
Ik heb in de laatste dagen gemerkt, dat ik de Kaap Hoorn van mijn eigen leven had ontdekt. Ik begon mijn verloving met Gordon eerlijk en vol hoop, maar langzamerhand ben ik hoe langer hoe meer wantrouwend geworden, wat het eind van het liedje betrof. Het meisje waarop hij verliefd is, is niet de IK, die ik wil zijn, maar de IK, die ik dit jaar heb trachten te verdrijven en ik weet niet zeker, of ze ooit werkelijk heeft bestaan. Gordon verbeeldt zich dat ze bestaat. In elk geval is ze er nu niet meer en de eenige goede en faire oplossing voor hem en voor mij was, om onze verbintenis te verbreken.
Er bestaat nu niet langer een band tusschen ons tweeën. Wij zijn slechts vrienden. En nog steeds begrijpt hij mij niet. Hij meent dat als ik slechts belang in zijn leven zou stellen, wij beiden gelukkig konden zijn. Natuurlijk stel ik belang in hem als hij bij mij is. Ik spreek over dingen waarover hij graag hoort spreken, en hij vermoedt niet dat een groot deel van mijn wezen (het grootste deel van mijn zijn) hem op geen enkel punt ontmoet. Ik speel een beetje remedie als ik bij hem ben. Ik ben dan niet mijzelf en als ik dagelijks met hem zou moeten omgaan, zou ik altijd moeten blijven comedie spelen. Hij verwacht van mij dat ik zijn gezicht zal bestudeeren en zal lachen wanneer hij lacht en mijn wenkbrauwen fronsen wanneer hij hiervoor het sein geeft en hij begrijpt maar niet, dat ik evengoed als hij een persoonlijkheid ben.
Ik kan mij in de wereld bewegen. Ik kleed mij goed, ik kan goed toehooren en ook goed zelf praten, dus zou ik een ideaal huisvrouw voor een politicus zijn. En daarom houdt hij van mij.
In elk geval zag ik plotseling met afschrikwekkende duidelijkheid, dat ik, als ik zoo doorging, een paar jaar later in hetzelfde geval zou verkeeren als Helen Brooks nu. Zij is voor mij een veel beter voorbeeld van het huwelijksleven dan jij, lieve Judy. Ik geloof dat zulke menschen als jij en Jervis gevaarlijk zijn voor de samenleving. Jullie zien er zoo gelukkig en tevreden uit, dat je er een onschuldige toeschouwster toe brengt om weg te rennen en den eersten den besten man op te pikken, die zich voordoet. En dat is dan altijd de verkeerde man.
Nu hebben Gordon en ik voor het laatst en definitief gekibbeld. Ik zou graag in vrede van hem gescheiden zijn, maar in verband met zijn temperament (en ik moet toegeven, het mijne ook) hadden wij een groote vulkanische uitbarsting. Hij kwam hier gistermiddag nadat ik hem had geschreven niet te komen en wij wandelden over Knowltop drie en een half uur heen en weer over den winderigen moerasgrond en legden daarbij ons wezen tot de diepst verborgen plekjes bloot. Niemand kan ooit zeggen dat die breuk door het elkaar niet kennen ontstond.
Het eindigde met Gordons afscheid. Toen ik hem zag heengaan en achter de heuvels verdwijnen en tot de ontdekking kwam, dat ik vrij en alleen was, mijn eigen meesteres, o Judy toen voelde ik me ook goddelijk verlicht en gelukkig! Ik kan je dat niet zeggen! Ik geloof niet dat een gelukkig getrouwde vrouw ooit zal begrijpen hoe verrukkelijk alleen ik toen was. Ik wilde mijn armen uitbreiden en de heerlijke wijde wereld omhelzen, die mij nu plotseling toebehoorde. O, het is zoo'n heerlijke verlossing, dat dat nu eindelijk geregeld is! Ik ontdekte de waarheid op dien nacht toen de brand uitbrak en toen ik een nieuw John Grier huis zag verrijzen, waarin mijn plaats niet meer zou wezen. Een vreeselijke afgunst knaagde aan mijn hart. Ik kon het niet meester worden. En gedurende die vreeselijke oogenblikken, toen ik dacht dat we onzen dokter hadden verloren, zag ik wat zijn leven beteekende en hoe veel meer waarde dat leven had dan dat van Gordon en ik wist toen, dat ik den dokter niet alleen kon laten. Ik moest hier blijven om alle plannen uit te voeren, die wij samen hadden opgemaakt.
Het lijkt dat ik je niets dan een woordenvloed schrijf, maar ik ben zoo vol van overstelpend enthousiasme! Ik zou willen spreken en spreken, alleen om mijn hart uit te kunnen storten. En ik stond daar alleen in het schemerlicht van dien winterdag en haalde diep adem en voelde me zoo heerlijk, zoo goddelijk vrij, en toen holde ik de heuvels af en liep al zingend door het land. Eigenlijk is het schandelijk, als je bedenkt dat ik met een gebroken hart naar huis behoorde te keeren. Ik dacht geen oogenblik aan dien armen Gordon, die diep bedroefd naar het station stapte.
Toen ik het huis binnentrad, werd ik door de vroolijke stemmetjes van de kinderen begroet, die op hun avondeten wachtten. Dat waren mijn kinderen en in een plotselinge ontroering trek ik de drie, die het dichtst bij mij stonden, naar mij toe en drukte ze aan mijn hart. Plotseling was er zoo'n nieuw leven voor mij open gegaan, alsof ik uit de gevangenis trad en mij vrij wist. Ik had het gevoel alsof... neen, ik zal zwijgen, ik wenschte, dat je de heele waarheid kon weten. Laat Jervis dezen brief vooral niet lezen, maar zeg hem op kalme wijze wat er eigenlijk in staat.
Het is nu middernacht en ik zal trachten in te slapen. Het is heerlijk dat ik nu niet behoef te trouwen met iemand, met wien ik niet wil trouwen. Ik ben blij dat de kinderen me noodig hebben en dat Helen Brooks hier is en ik ben ook blij, dat die brand is uitgebroken. O, ik ben met alles zoo blij en ook met den brand, waardoor ik het gevaar kon inzien. In mijn familie is tot heden nog nooit een scheiding voorgekomen en ze zouden het vreeselijk vinden als daarop een uitzondering werd gemaakt.
Ik weet dat ik afschuwelijk egoïst ben. Ik behoorde nu aan het verdriet van dien armen Gordon te denken, maar heusch, ik moest comedie spelen als ik zou willen voorgeven, dat ik daarover werkelijk treurde. Hij zal wel iemand anders vinden met net zulk eigenaardig haar als het mijne, die net zoo'n geschikte huisvrouw voor een staatsman zou zijn en die niet behebt is met die verdoemde moderne nonsens-ideeën over de politiek en rechten van den mensch en eerlijkheids-begrippen en vrouwenvrijheid en den overigen onzin, waarover de tegenwoordige generatie van vrouwen bij voorkeur gelieft te raaskallen. (Ik haal slechts aan, waarbij ik de uitdrukkingen van den teleurgestelden jongen man wat verzacht).
Nacht, lieve menschen. O, wat zou ik het heerlijk vinden om nu bij je aan de baai te staan en over de blauwe, blauwe zee te staren.
Addio! Sallie. 27 Januari.
Waarde Dr. MacRae,
Zou dit briefje u misschien in wakenden toestand aantreffen?
Wellicht weet u niet dat ik u viermaal heb opgezocht, om u op mijn allerliefste wijze te bedanken en troost aan te bieden voor de opgedane breuken. Het heeft mij waarlijk ontroerd toen ik hoorde, dat Mrs. MacGurk den heelen dag in beslag wordt genomen door het aannemen van bloemen en gelei en soepjes en gebraden duifjes, geschonken door de bewonderende dames van deze streek aan den brommerigen held in het gipsverband. Ik weet dat u een stevigen Zuidwester van meer waarde acht dan een aureool, maar ik dacht werkelijk dat u mij nog een beetje anders beoordeelde dan de bewuste hysterische dametjes. U en ik waren vrienden (wel eens met ruzie-tusschenpoozen) en hoewel er een paar bijzonderheden achter ons liggen, die beter niet in ons leven hadden moeten voorkomen, zie ik niet in, dat wij daarom den heelen omgang met elkaar zouden moeten afbreken. Kunnen wij niet zoo verstandig zijn om het verleden als afgedaan te beschouwen?
De brand heeft te weeg gebracht dat zooveel menschen vriendelijkheid aan den dag legden. Ik wenschte, dat dat ook bij u het geval was. Sandy. Ja, ik ken mijn vriend door en door. Je mag voor de heele wereld als brommerig en hard en onmenschelijk, als een SCHOT, je voordoen, toch kun je mij niet voor den gek houden. Mijn in den laatsten tijd zeer geoefend psychologisch oog heeft je gedurende tien maanden bestudeerd en ik heb tot het diepste binnenkamertje van je hart gekeken. Je bent zacht en vriendelijk en medelijdend en verstandig en vergevingsgezind en groot in je denken en voelen. Dus wees alsjeblieft ook de volgende keer, dat ik je kom opzoeken, te spreken en wij zullen dan een geduchte operatie in den tijd, die achter ons ligt, maken en vijf maanden amputeeren.
Herinner je je nog dien Zondagmiddag toen wij samen autoden en zoo'n pret hadden? Wel, dat is nu gisteren geworden!
Sallie McBride.
P.S. Als ik me verneder om u nog eens op te zoeken, vernedert u u dan dermate, dat u me ontvangen wilt, want ik verzeker u, dat ik het nu voor de laatste maal beproef. Ook kunt u gerust zijn: ik zal niet in tranen uitbarsten of pogingen doen om uw hand te kussen, zooals ik vernam dat een adoreerende dame deed.
John Grier Home, Donderdag.
Waarde vijand,
Nu ziet u dat ik u zeer goed gezind ben. Als ik u met MacRae aanspreek, houd ik niet van u en als ik u als mijn vijand betitel, doe ik het wel.
Sadie Kate bracht mij uw briefje en het is werkelijk zeer goed geschreven, in aanmerking genomen dat het met uw linkerhand geschiedde. Ik dacht op het eerste gezicht, dat het van Punch was!
U kunt me morgen om vier uur verwachten, maar zorg er voor dat u wakker bent. Ik ben blij, dat u ook vindt, dat wij vrienden zijn. Werkelijk, ik heb het gevoel alsof ik iets zeer kostbaars, dat ik eerst door onachtzaamheid heb verloren, heb teruggewonnen.
S. McB.
P.S. Java vatte op den nacht van de brand kou en heeft nu kiespijn. Hij zit met zijn hand onder zijn wang als een klein, ziek kindje, en treurt.
Donderdag 29 Januari.
Lieve Judy,
Dat moeten tien vreeselijk slordige velletjes geweest zijn, die ik je de vorige week zond. Heb je mijn bevel opgevolgd en mijn brief verbrand? Ik zou het niet prettig vinden, die woeste uitingen tusschen mijn correspondentie te houden. Ik weet dat mijn gedachtengang zelfzuchtig, schandalig, ja, zelfs shocking is, maar je kunt niet altijd voor je gevoel instaan. Meestal wordt verloofd-zijn als een aangename emotie beschouwd, maar het haalt niet bij de heerlijk ongedwongen vroolijkheid en vrijheid van het niet-verloofd zijn. Ik verkeerde in de laatste maanden in een verbazend prikkelbare stemming en nu is alles goddank in orde gekomen en niemand was ooit gelukkiger met zijn ongehuwden staat dan ik nu.
Hoe langer hoe meer kom ik tot het inzicht, dat onze brand een goed werk van de voorzienigheid was. Het was de juiste oplossing om een nieuw John Grier Home op te richten. Wij hebben al stapels plannen voor cottage-woningen. Ik houd het meest van grijs pleister, Betsy neigt naar baksteen over en Percy houdt van huizen uit ruwe boomstammen opgetrokken. Ik weet niet waaraan onze arme dokter de voorkeur geeft. Olijfgroen met een pannen dak schijnt zijn geliefkoosde woningstijl te zijn.
En wat zullen onze kinderen met tien afzonderlijke keukens prachtig leeren koken! Ik kijk nu al naar tien lieve huismoedertjes uit, die onze kinderen kookles kunnen geven. Eigenlijk zou ik er elf moeten hebben, want een zal er voor Sandy moeten dienen. Hij heeft het zeker net zoo hard als onze kinderen noodig om een beetje vertroeteld te worden. Het lijkt me vreeselijk om elken dag weer thuis te komen in een huis, waar een MacGurk resideert.
O, ik heb zoo het land aan die vrouw! Ze heeft me al vier keer heel beslist verteld, dat de dokter sliep en niet gestoord wenschte te worden. Ik heb hem nog niet te zien gekregen en ik ben er al toe gekomen, om dat meubel heel beleefd naar den dokter te vragen. Maar nu zal ik morgenmiddag vier uur eens afwachten.

Dan mag ik een half uur lang bij hem zijn. Hij zelf heeft dit uur met mij afgesproken en als zij mij nu weer wil wijsmaken dat hij slaapt, zal ik haar een vriendelijke duw geven en over haar heen stappen (ze is erg dik en staat niet al te vast op haar beenen) en dan zet ik mijn voet vast op haar buik, en zal ik mijn weg kalm vervolgen. Luellen, de ex-chauffeur, kamermeisje en tuinier, is nu ook gediplomeerd verpleegster. Ik ben erg benieuwd om te weten hoe hij er in zijn wit schort, met het kapje op, uit zal zien.
Zoo juist is de mail gekomen, waaronder een brief van Mevrouw Bretland, die erg blij is met de kinderen. Ze sluit hun eerste foto in; alle drie in een alleraardigst wagentje. Clifford houdt heel trotsch de teugels. Een Broom staat bij de poney. Hoe vindt je dat voor drie kinderen uit het John Grier Home? Het is prachtig, als ik aan de toekomst denk, die ze tegemoet gaan, maar toch ook een beetje treurig, als je nagaat, dat die arme vader zich dood gewerkt heeft voor die drie schapen en ze hem nu zoetjes aan vergeten. De Bretlands zullen dit zooveel mogelijk in de hand werken. Ze zijn jaloersch van elken invloed van buiten en willen niets liever dan dat de kinderen absoluut van hen alleen zijn. Eigenlijk schijnt mij de natuurlijke weg de beste. Iedere familie moest zijn eigen kinderen kunnen groot brengen.
Vrijdag.
Vandaag heb ik den dokter gezien en gesproken. Hij geeft een treurigen aanblik en lijkt wel een pakje verbandgoed in windsels. Gelukkig wisten wij bij ons weerzien elk misverstand uit den weg te ruimen. Is het niet wreed als je nagaat, dat twee menschelijke wezens, beiden begaafd met een zeer goede bespraaktheid, het zoo inrichten, dat de een zich voor den ander verstopt? Ik heb van zijn houding absoluut niets begrepen en hij snapte mij niet. Zou die grimmige terughoudendheid, waarin wij Noordelijke volkeren ons zoo graag oefenen, wel de juiste zijn? Achteraf beschouwd voel ik nu meer voor de zich in woorden luchtende gevoelens van Zuidelijke volkstammen.
Maar Judy, nu moet ik je toch zoo iets droevigs vertellen. Herinner je je nog, dat hij in het voorjaar dat zenuwziekengesticht bezocht en daar toen dagen bleef en ik daarover zulke flauwe grapjes maakte? Hoe heb ik dat ooit kunnen doen! Hij ging daarheen om bij de begrafenis van zijn vrouw tegenwoordig te zijn. Zij stierf daar in het gesticht. Miss MacGurk wist dat al lang en had het best bij haar overig geklets kunnen voegen. Maar dat vertikte zij.
Hij vertelde mij veel over haar, op een heel lieve manier. Die arme man heeft jaren en jaren lang veel verdriet geleden en ik vermoed dat haar dood een gezegende verlossing voor hem is. Hij bekende dat hij bij zijn huwelijk wist, dat hij haar eigenlijk niet moest trouwen want hij was op de hoogte van haar ziek zenuwstelsel, maar hij hoopte, dat hij, als dokter, haar daar wel overheen zou kunnen helpen en ze was zoo buitengewoon mooi. Hij gaf zijn stadspraktijk op en vestigde zich voor haar gezondheid buiten. Maar na de geboorte van het kleine meisje werd het hoe langer hoe erger met haar en "hij moest haar wegdoen", zooals Mrs. McGurk zich liefelijk uitdrukte. Het kind is nu zes jaar oud en een allerliefst poppetje om zoo te zien, maar uit zijn woorden kon ik opmaken, dat zij absoluut abnormaal is. Er is altijd een zeer bekwame verpleegster bij haar. Denk eens na over al die beslommeringen en die groote smart, die steeds op onzen geduldigen, armen dokter rustten, want geduldig is hij, ondanks het feit, dat hij de meest ongeduldige man ter wereld is!
Zeg Jervis dank voor zijn brief. Hij is een lieve man en ik ben blij dat hij vruchten oogst van zijn werk. Wat zal het heerlijk zijn als jullie weer terugkomt op Shadywell en wij samen plannen voor een nieuw John Grier Home maken. Ik heb het gevoel alsof het afgeloopen jaar een leerjaar was en ik nu pas rijp ben om te beginnen. We zullen er het aardigste gesticht van maken, dat ooit bestaan heeft. Ik ben zoo dolblij met dat heerlijk vooruitzicht, dat ik 's morgens zingend den dag begin en geen oogenblik mijn goed humeur verlies.
Het John Grier Home stuurt zijn hartelijke groeten aan de twee beste vrienden, die het heeft!
Addio! Sallie. John Grier Home, Zaterdagmorgen, half zeven.
Mijn liefste vijand,
"Op een goeden dag, gauw, zal iets heel aardigs gebeuren...."
Was je niet verrast toen je vanmorgen wakker werd en je je de heele waarheid herinnerde? Ik wel! Eerst moest ik even tot bezinning komen om te weten, waarom ik toch zoo vroolijk was.
Het is nog niet heelemaal licht maar ik ben klaar wakker en zoo blij! En ik verlang er zoo naar om jou te schrijven, mijn lieveling! Ik zal mijn briefje aan het eerste betrouwbare kindje, dat zich laat zien, meegeven en je zult het dus tegelijk met je bord havermout in je kamer zien verschijnen.
En klokslag vier uur ben ik weer bij je. Denk je dat Mrs. McGurk er kwaad van zal spreken als ik twee heele uren blijf en geen vondelingetje als chaperonne meebreng?

Het was geheel te goeder trouw, mijn Sandy, dat ik je beloofde je hand niet te kussen en evenmin in tranen op je peluw uit te barsten, als ik je te zien kreeg. Ik ben bang dat ik het allebei deed, misschien nog wel erger. In elk geval wist ik niet hoeveel ik wel van je hield, totdat ik daar in je kamer kwam en je in je verband, met verschroeid haar tegen die hoop kussens geleund zag zitten. O, ik houd zoo van je. En denk eens aan, wat zal ik niet van je gaan houden als je weer heelemaal jezelf bent — nu een derde van jou uit pleisters en windsels bestaat, ben ik al zoo dol op je!
Maar, mijn liefste eigen Robin, wat ben je toch een gekke man! Hoe kon ik al die maanden op de gedachte zijn gekomen dat je van me hield, als je zoo allerverschrikkelijkst SCHOTSCH tegen me deed. Heusch, je houding wees niet bepaald op verliefdheid! O, ik wou dat ik maar een glimpje van de waarheid te weten was gekomen! Het zou ons beiden heel wat hartepijn hebben bespaard.
Maar we moeten niet achter ons kijken. Wat hebben we niet een prachtige toekomst voor ons! De twee mooiste dingen in het leven vallen ons ten deel: een huwelijk uit liefde en een werkkring, waarin we met hart en ziel opgaan.
Toen ik je gisteren verliet, wandelde ik in een half droomenden toestand naar het gesticht terug. Ik wenschte tot mezelf te komen en te kunnen nadenken, maar inplaats daarvan moest ik met Betsy en Percy en Mrs. Livermore (die ik van te voren voor het diner had uitgenoodigd) eten en vriendelijk, kalm, bedaard met de kinderen praten. Vrijdagavond is de gezelschapsavond van het gesticht. We hadden nieuwe rollen voor den fonograaf, die Mrs. Livermore ons heeft geschonken, en ik moest kalm blijven zitten en beleefd toeluisteren. En liefste, vind je dat niet toevallig: het laatste stukje was "John Anderson, my joe John". Plotseling merkte ik dat de tranen langs mijn wangen biggelden. Ik moest het vondelingetje dat het dichtst bij mij stond, oppakken en knuffelen met mijn hoofd tegen haar schouder aan, om die domme tranen te verbergen.
John Anderson, my joe John, We clamb the hill thegither. And monie a canty day, John, We've had wi' ane anither; New we maun totter down, John, But hand in hand we'll go, And sleep thegither at the foot, John Anderson, my joe.
Zullen wij ook, als wij oud en gebogen en zwak zijn, zonder eenig verwijt op de vele dagen, die achter ons liggen en waarin wij samen door het leven zijn gegaan, terugkijken? Het is zoo heerlijk om aan onze toekomst te denken, nietwaar, mijn man? Wij zullen een rijk leven vol inhoud hebben, veel werk en veel vreugde en vol van die kleine onbeteekenende en toch lieve dagelijksche avontuurtjes, als wij samen voortgaan.
Weet je waarom ik zooveel van de kinderen ging houden? Ze hadden me zoo hard noodig. En dat is de reden — tenminste een van de redenen — waarom ik jou heb lief gekregen. Je bent een aandoenlijke figuur, mijn liefde, en nu je het jezelf in het leven niet makkelijk en gezellig wilt maken, zal iemand anders daarvoor moeten zorgen.
We zullen op den heuvel, juist achter het gesticht, een huis bouwen. Wat denk je van een gele Italiaansche villa? Of hoe je meer van rose? Maar in geen geval zal het een groen huis worden en ook krijgt het geen pannendak! En we zullen een dol gezellige huiskamer hebben met een groote open haard en een schouw en gemakkelijke stoelen en veel ramen! EN GEEN MCGURK! Ja, die arme, oude ziel! Zal ze niet vreeselijk nijdig zijn en je een allerafschuwelijksten maaltijd bereiden als ze het groote nieuws hoort?
Maar we zullen het haar nog lang niet vertellen, hè, mijn jongen? En ook niemand, niemand, niemand anders! Het zou te schandalig vlug op mijn verbroken verloving volgen. Ik schreef Judy gisteravond en met groote zelfbeheersching heb ik er zelfs in het minst niet op geduid. Ik word even als jij een echte Schot!
Ik heb je eigenlijk niet de heele waarheid bekend, Sandy, toen ik zei, dat ik niet had geweten dat ik zooveel van je hield. Ik geloof dat het al tot me doordrong toen de brand uitbrak. Toen jij daar onder dat brandende dak was en wij een half uur lang niet wisten of we je ooit levend weer zouden zien, voelde ik het duidelijk, en, o man, ik kan je niet zeggen, wat een vreeselijk half uur dat was! Het leek me toe, dat ik er mijn heele leven niet overheen had kunnen komen als je hadt moeten sterven en de beste vriend, die ik had ontmoet, met zoo'n afschuwelijke aaneenschakeling van misverstanden van me heen zou moeten gaan. O, het was een marteling! Ik kon het oogenblik niet afwachten, dat ik je weer mocht zien en alles uitspreken, wat ik vijf maanden lang in me had weggesloten. En dan weet je ook, dat je strikte order had gegeven om mij niet toe te laten, en dat wondde mij zoo vreeselijk! Hoe kon ik weten, dat je juist ook zoo vreeselijk naar mij verlangde en dat alleen die afschuwelijke Schotsche moraal je zoo liet handelen! Je bent een uitmuntend acteur, Sandy, maar beloof me dat je voortaan, zelfs bij het minste wolkje van een misverstand, niets in je zult wegsluiten, maar het vrij uit met me zult bespreken.
Toen ze gisteravond gelukkig vroeg weggingen (de kinderen moeten wat eerder heengaan omdat ze hier niet meer slapen) ging ik naar boven en schreef mijn brief aan Judy af en toen keek ik begeerig naar de telefoon en worstelde met mijn verlangen: ik had zoo graag 505 gevraagd en je goedennacht gewenscht! Maar ik durfde niet: ik ben nog altijd zoo bleu! En omdat ik toch dicht bij je wilde zijn, nam ik Burns op en las ik een uur lang. En met al die Schotsche liefdesliederen zingend in mijn hoofd, sliep ik in, en dadelijk bij mijn ontwaken, kom ik weer bij je.
Dag Robin, mijn Alles! Ik hou zoo veel van je!
Sallie.
Transcriber's Notes: Dit boek bevat zetfouten. Deze zijn niet gecorrigeerd. Hieronder staat een lijst van de zetfouten: [en zet er paar theaters,] —> [en zet er een paar theaters,]; [de Pedletons] —> [de Pendletons]; [uw patienten nog] —> [uw patiënten nog]; [patientjes] —> [patiëntjes]; [met kleeren en al ik zou willen gaan]; —> [met kleeren en al in zou willen gaan]; [heerlijke verassingen] —> [heerlijke verrassingen]; [ben ik ontvreden] —> [ben ik ontevreden]; [naief] —> [naïef]; [het familieleveven] —> [het familieleven]; [za ik me nu] —> [zal ik me nu]; [terruggekeerd] —> [teruggekeerd]; [suppelement] —> [supplement]; [antwoorde] —> [antwoordde]; [want ik ben van plant] —> [want ik ben van plan]; [En luister nos eens hiernaar.] —> [En luister nou eens hiernaar.]; [Mis Sally Lunn] —> [Miss Sally Lunn]; [ik weet je idiotisme en] —> [ik weet dat je idiotisme en]; [6 miniuten] —> [6 minuten]; [om et hem] —> [om met hem]; [Ik trommelde aan de duer] —> [[Ik trommelde aan de deur]; [Of hoe je meer van rose?] —> [Of hou je meer van rose?]; [Judy] is correct. Een enkele keer komt [Juddy] of [Judie] voor; [McGurk] wordt niet consequent zo geschreven. Komt ook voor als [MacGurk]; [Turnfeld] komt enkele keren voor, dit moet [Turnfelt] zijn.