← Table of contents
Het "John Grier Home"

HOME" (continued 4)

Reading edition

"Pappie, til baby op, pappie!"

Hij is de eenige man, behalve de dokter, dien het kind sinds weken heeft gezien en waarschijnlijk lijkt hij eenigszins op haar bijna vergeten vader.

J. F. B. pakte haar beet en gooide haar zoo handig de lucht in alsof dat een dagelijksch karweitje voor hem was, terwijl zij schaterde en het uitgierde van de pret. Toen hij vervolgens te kennen gaf, dat hij haar weer op den beganen grond wilde afzetten en haar liet zakken, pakte ze hem bij zijn neus en bij zijn ooren en trommelde met haar beide voetjes een krijgsmarsch op zijn buik. Niemand kan er Allegra van beschuldigen dat zij niet genoeg spirit bezit! J. F. B. wist zich uit haar omhelzing los te werken en zette haar op den grond neer, haar knuistje hield hij echter stevig vast.

"Dàt is het kind, wat ik hebben moet", zei hij. "Ik geloof niet dat het noodig is, dat ik nog verder kijk".

Ik gaf te kennen, dat wij de kleine Allegra niet van haar broertjes konden scheiden, maar hoe meer tegenwerpingen ik maakte, des te vaster werd de lijn om zijn mond. Wij keerden naar mijn werkkamer terug en redeneerden daar samen een half uur lang.

Hij hield van haar familie, hij hield van haar uiterlijk, van haar levendigheid, in één woord: hij hield van haar! Als hij nu eenmaal toch een dochter moest aannemen clan zou het in elk geval eentje met spirit moeten zijn en hij dacht er niet aan, dat andere jankende kind aan te nemen. Dat kon niemand van hem verlangen. Maar als ik Allegra aan hem afstond, zou hij haar als zijn eigen dochter groot brengen en ervoor zorgen dat zij een prachtig leven tegemoet ging. Had ik het recht om dat kind van zulk een groot voorrecht te berooven om de een of andere sentimenteels geschiedenis? De familieband was nu eenmaal toch verbroken, het beste wat ik doen kon was nu om voor elk kind afzonderlijk te zorgen.

"Neemt U ze dan alle drie", stelde ik hem brutaal weg voor.

Maar dat ging onmogelijk. Zijn vrouw was erg zwak en haar krachten waren net toereikend voor één kind maar ook niet meer. Het was erg moeilijk om de oplossing te vinden. Het scheen zulk een prachtig buitenkansje voor het kind, maar toch was het weer aan den anderen kant zoo wreed om haar van haar twee broertjes, die haar aanbidden en verwennen, weg te rukken. Ik begreep heel goed, dat Bretland, als hij haar eenmaal wettig had aangenomen, zijn best zou doen om elken familieband, die haar nog aan het verleden hechtte, door te snijden en het kind is nog zoo jong dat het gauw genoeg haar broertjes zou vergeten.

Toen dacht ik aan jou, Judy, en ik herinnerde me, dat je zoo'n verdriet hebt gehad omdat het gesticht je niet wilde laten gaan toen die familie je wilde aannemen. Je hebt altijd gezegd, dat jij net zoo goed als andere kinderen een tehuis hadt kunnen hebben maar dat Miss Lippett je daarvan heeft beroofd. Was ik nu op het punt om Allegra's tehuis te stelen? Met die twee jongens zou het een heel ander geval zijn, die konden een goede opvoeding krijgen en zouden later voor zichzelf zorgen. Maar voor een meisje moet een tehuis als dit alles beteekenen. Sedert die kleine Allegra bij ons is, heb ik steeds het gevoel, dat zij net zoo'n klein kindje is als kleine Judy vroeger is geweest. Zij is vlug en geestig en wij moeten ervoor zorgen, dat zij in een omgeving komt, waar die twee deugden in het beste daglicht komen. Zij moet kunnen genieten van het goede en schoons, dat het leven biedt en het gesticht kan haar daartoe niet in staat stellen. Ik peinsde en peinsde, terwijl de heer Bretland ongeduldig door de kamer ijsbeerde.

"Laat U die twee jongens hier komen. Ik wil met hen spreken", zei J. F. B. tenslotte. "Als er maar een greintje edelmoedigheid in hen leeft, zullen zij blij zijn met haar goede toekomst".

Ik gaf order de twee jongens te brengen, maar met een loodzwaar hart. De kinderen gaan nog steeds onder het gemis van hun vader gebukt. Was het nu niet onmenschelijk om hun ook dat heerlijke kleine zusje af te nemen?

Zij kwamen, hand in hand, stevige ferme jongens, en stonden daar voor ons met ernstige, wijd opengesperde oogen, verwonderd afwachtend wat die vreemde heer tegen hen zou zeggen.

"Kom eens hier, jongens, ik wil eens iets met jullie bespreken". Hij nam elk bij een hand. "In het huis, waar ik woon, is geen klein kindje en nu hebben mijn vrouw en ik afgesproken, dat ik hierheen zou komen, waar zooveel babies zonder vader en moeder zijn, en er een mee naar huis zou nemen als ons kind. Dat kind krijgt dan een prachtig huis om in te leven en ook een heeleboel speelgoed en ze zal haar heele leven heel gelukkig zijn, veel gelukkiger dan ze ooit hier kan zijn. Ik weet dat jullie heel blij zult zijn als je hoort, dat ik je kleine zusje heb uitgekozen".

"En zullen we haar dan nooit meer zien?" vroeg kleine Clifford.

"O ja, af en toe".

Clifford keek van mij naar Mijnheer Bretland en twee groote tranen biggelden langs zijn wangen. Hij trok zijn hand weg en drukte zich tegen mij aan.

"Geef haar niet aan hem.... Toe, doe het toch niet.... Stuur hem weg".

"Neemt U ze toch alle drie", smeekte ik.

Maar hij is hard.

"Ik kwam hier niet om een heel gesticht mee te nemen", antwoordde hij kortaf.

Intusschen snikte Don aan mijn andere zij en plotseling ging de deur open en Dr. MacRae kwam midden in de ellende binnenvallen met Allegra in zijn armen.

Ik stelde hem voor en legde hem het geval uit. Mr. Bretland strekte zijn armen naar de baby uit maar Dr. MacRae hield haar stevig vast.

"Absoluut onmogelijk", weerde Sandy alles botweg af. "Miss McBride zal U al gezegd hebben dat het een van de regels van het huis is, dat hier geen gezin wordt gescheiden".

"Miss McBride heeft haar beslissing al genomen", weersprak J. F. B. afgemeten. "Wij hebben de zaak al lang en breed besproken".

"U vergist U", antwoordde Sandy op zijn aller-Schotscht en wendde zich tot mij. "U hebt er toch zeker nooit aan gedacht om u tot zulk een wreedheid te leenen?"

En weer wenschte ik Salomo's wijsheid in pacht te hebben om het vraagstuk op te lossen, terwijl de twee koppigste menschen, die er ooit op de aarde hebben rondgewandeld, elkaar de kleine Allegra betwistten.

Ik stuurde de drie kleintjes naar de kinderkamer en kwam weer op de brandende kwestie terug. Wij hadden een luidruchtig en driftig gesprek totdat tenslotte J. F. B. mijn eigen steeds weerkeerende gedachte gedurende de laatste vijf maanden uitte, door de vraag: "Wie is het hoofd van dit gesticht, de directrice of de toezichthoudende geneesheer?"

Ik was woedend op Sandy, dat hij mij in zulk een parket tegenover dien man plaatste, maar ik kon toch moeilijk met hem gaan redetwisten; dus besloot ik Mr. B. beleefd en met veel tact aan het verstand te brengen, dat Allegra absoluut niet in aanmerking kwam en vroeg toen, hoe hij over Sophie dacht.

Maar daar kwam ik goed van pas! Hij dacht er niet aan dat ongelukkige wurm aan te nemen! Allegra of geen, dat stond bij hem vast en hij hoopte dat ik nog eens zou begrijpen, dat ik met mijn sentimenteels nonsens de toekomst van dat kind had verknoeid. Met die afscheidswoorden besloot hij zijn visite. "Dag Miss MacRae, Dr. McBride", twee beleefde buigingen en weg was hij.

Toen hij de deur achter zich had gesloten, vochten Sandy en ik het samen uit. Hij zeide dat iemand met gezond verstand en humane moderne begrippen, die het vraagstuk Kinderopvoeding had bestudeerd, zich moest schamen ook maar even de vraag om zoo'n familie uiteen te rukken, te hebben overwogen. En ik beschuldigde hem er van dat hij het kind uit puur egoïsme hier had gehouden, omdat hij dol op haar was en haar bij zich wilde houden. (Wat volgens mij ook de waarheid is). O, we hadden een geweldige twist met dat gevolg, dat hij met een stijfheid en beleefdheid, welke nog die van J. F. B. overtrof, de deur achter zich sloot.

Nog steeds weifelend, had ik het gevoel alsof met mij de proef met de nieuwe mangelmachine had plaats gehad. En toen Betsy thuis kwam, overlaadde zij mij nog met verwijten omdat ik de prachtigste familie, die wij ooit hebben gehad, zonder kind naar huis liet gaan!

O Judy, Judy, wat moet ik doen! Zou je Sandy niet weg kunnen roepen en daarvoor in de plaats een Duitscher of een Franschman of een Chinees kunnen sturen, als je dat graag wilt? Maar alsjeblieft in geen geval nog eens een Schot!

Je vermoeide Sallie.

P.S. Ik vermoed dat Sandy je ook vragen zal mij van hier weg te roepen en ik zal heusch niet tegenstribbelen als je het me vraagt. Ik ben zoo doodop!

Lieve Gordon,

Je bent een kwaaddenkend, achterdochtig en afschuwelijk man. Waarom mag ik niet in het Schotsch schrijven als ik dat prettig vind? Ik heb toch een "Mc" in mijn naam!

Natuurlijk zal het heele John Grier Home dol blij zijn met je komst, niet alleen omdat je een ezel meebrengt, maar ook omdat wij het zoo prettig vinden je weer hier te zien! Ik had het plan je een ellenlangen brief te sturen, om je over elke toekomstige achterdochtigheid heen te helpen, maar waarvoor zou het dienen? Je komt hier zelf morgenochtend an' unco gude will be the sight o' you for sain een.

Maak je nu niet weer kwaad over dat taaltje, mijn jongen. Ik stam uit de Schotsche Hooglanden, weet je!

McBride.

Illustration from Het "John Grier Home"

Lieve Judy,

Alles gezond en wel in het John Grier — met eenige uitzonderingen, zooals een uitgestooten kies, een verzwikte enkel, een bloedneus en een geval van verkoudheid.

Betsy en ik zijn beleefd maar koel tegen den dokter. Het vervelende van het geval is, dat hij ook nogal koel tegenover ons doet en hij schijnt onder den dwazen indruk te verkeeren, dat hij gelijk heeft ook! Hij doet zijn zaakjes hier op een droge onpersoonlijke wijze af, zeer beleefd maar een beetje terughoudend.

Maar dat gedrag van den dokter hindert ons op het oogenblik niet al te erg: wij verwachten het bezoek van een veel interessanter mensch dan Sandy! Het Capitool rust van zijn werk uit en ook Gordon geniet van zijn vacantie, waarvan hij twee dagen in "Brantwood Inn" zal doorbrengen. Ik ben dolblij met het nieuws dat je nu genoeg van de zee hebt genoten en er over denkt je met onze buurt voor de rest van den zomer tevreden te stellen. Er zijn hier op een paar mijlen afstand van het John Grier een paar heel mooie buitenverblijven en het zal voor Jervis een aardige verandering zijn, alleen aan het eind van de week thuis te komen. Als je beiden de eenzaamheid op goede wijze benut, kun je elkaar telkens met een schat van nieuwe gedachten verblijden.

Ik kan op het oogenblik geen verdere philosophische gedachten over het huwelijksleven ten beste geven, daar ik mijn geheugen over het Monroe-leerstuk en een of twee andere politieke vraagstukken moet opfrisschen.

Ik verlang dol naar Augustus en de drie maanden, die wij samen zullen doorbrengen.

Je liefhebbende Sallie. Vrijdag.

Beste vijand,

Het is verbazend vergevingsgezind van mij om U uit te noodigen bij mij te dineeren, na die vulkanische uitbarsting van verleden week. Maar kom alsjeblieft. Herinnert U U nog onzen philantropischen vriend Mr. Hallock, die ons de apenootjes en de goudvisschen en andere onverteerbare kleinigheden zond? Welnu, deze heer zal vanavond bij ons zijn, zoodat er zich voor U een schoone gelegenheid biedt om zijn goedgeefschheid in meer hygiënische banen te leiden.

Wij dineeren om zeven uur.

Vriendelijk groetend, Sallie McBride.

Beste vijand,

U hadt in die dagen moeten leven toen elk mensch in een aparte kluis op een aparten berg woonde.

S. McBride. Vrijdag, 6.30.

Liefste Judy,

Gordon is hier! Een absoluut veranderd man, wat zijn houding tegenover mijn gesticht betreft. Hij heeft de oeroude waarheid ontdekt, dat de weg naar een moederhart via den lof over haar kinderen gaat en hij heeft niets dan prijzende woorden voor mijn 107 kuikens — zelfs over het geval Loretta Higgins wist hij iets aardigs te zeggen. Hij vond het prettig, dat zij niet scheel keek!

Hij heeft vanmiddag met mij in het dorp boodschappen gedaan en was zeer geschikt bij het uitzoeken van haarlintjes voor een paar dozijn meisjes. Hij verzocht zelfs die voor Sadie Kate te mogen kiezen en zijn keus viel na lang aarzelen op een oranje satijnen tintje voor het eene staartje en een grasgroen voor het andere.

Terwijl wij vol aandacht onze lintjes bekeken, werd ik opeens een mede-inkoopster gewaar, schijnbaar bezig met het knopen van haakjes en oogen maar in werkelijkheid belangstellend naar onze nonsens luisterend.

Zij was getooid met een schilderachtigen hoed, een voile met nopjes, een veeren boa en een parasol nouveau art, zoodat ik nooit had durven droomen, dat deze jonkvrouw een mijner kennissen kon zijn, totdat ik haar blik met zeer kwaadaardigen gloed op mij voelde rusten. Zij boog stijfjes en zeer afgemeten en ik knikte terug.

Illustration from Het "John Grier Home"

Wel, het was Mejuffrouw Maggie McGurk in gezelschapstoilet!

Op mijn teekening heeft zij een aardiger gezichtsuitdrukking dan werkelijk het geval is, dank zij een slippertje van mijn pen.

Die arme Mrs. McGurk kan werkelijk niet begrijpen, hoe je je geestelijk voor een man kunt interesseeren. Zij verdenkt er mij van, dat ik elken vrijgezel, dien ik ontmoet, in mijn netten vangen wil. Eerst dacht zij, dat ik den dokter van haar wilde wegkapen, maar nu zij mij ook met Gordon heeft gezien, beschouwt zij mij als een monster met bigamischen aanleg, dat op beide mannen aanspraak maakt.

Dag! Daar komen een paar bezoekers aan.

11.30 n.m.

Ik heb zoo juist een diner ter eere van Gordon gegeven, met Betsy en Mevrouw Livermore en Mr. Witherspoon als gasten. Ik verzocht ook den dokter om mee tegenwoordig te zijn, maar hij bedankte kortaf voor die eer, daar hij volgens zijn eigen meening niet in een stemming verkeerde om met andere menschen in contact te komen. Onze Sandy stelt de waarheid boven beleefdheid.

Ongetwijfeld is Gordon de respectabelste man, die ooit op de aarde heeft rondgewandeld. Hij ziet er zoo deftig uit en is zoo aardig en hoffelijk in den omgang en daarbij zoo geestig. Zijn manieren zijn zoo onberispelijk — o, hij zal een pracht-echtgenoot zijn! Maar niettemin geloof ik toch, dat je met een man moet leven en hem niet alleen op teas en diners kunt tentoonstellen.

Hij was vanavond buitengewoon aardig, en Betsy en Mevrouw Livermore werden beiden verliefd op hem en ik ook een klein beetje. Hij vermaakte ons met een speech, op zeer goede wijze en wel afgestoken, op het welzijn van Java! Wij hebben langen tijd nagedacht over de vraag, waar de beste slaapplaats voor dezen aap kon zijn en nu heeft Gordon met zeer juiste logica het probleem opgelost. Hij bewees, dat, aangezien de aap hier was gebracht door Jimmie en aangezien Jimmie Percy's vriend is, hij bij niemand anders dan Percy moet slapen. Gordon is van nature een zeer goed spreker en zijn toehoorders werken op hem als champagne. Hij kan met evenveel ernst en overtuiging over een aap redeneeren als over den grootsten held, die voor het vaderland zijn goed en bloed over had.

Ik voelde tranen in mijn oogen opwellen toen hij Java's eenzaamheid beschreef, toen hij er aan herinnerde, hoe deze aap 's nachts in zijn kelder op en neer liep, droefgeestig terugdenkend aan zijn broeders, die op datzelfde uur in tropische gewesten een rondedans uitvoerden.

Een man, die zoo spreekt, heeft een groote toekomst. Ik twijfel er ook niet aan of ik zal binnen twintig jaar op hem voor President stemmen.

Wij hadden een verbazend gezelligen avond, zoodat wij zelfs drie uur lang vergaten dat er 107 vondelingetjes boven ons hoofd sluimerden. Hoewel ik heel veel van onze kinderen houd, ben ik toch blij als ik eens een tijdje aan iets anders kan denken.

Mijn gasten verlieten mij om tien uur en het is nu al middernacht (dit is de achtste dag en mijn klok staat stil — Jane vergeet wel eens dat zij die elken Vrijdag moet opwinden). Toch weet ik dat het laat is en daar ik er zorg voor moet dragen, dat mijn schoonheid niet door te korte nachtrust geschonden wordt, vooral nu er een welsprekend jong minnaar mij wacht, wensch ik je goedennacht.

Zaterdag.

Gordon bracht zijn morgen door met spelen met de kinderen en het bedenken van een paar practische geschenken, welke hij mij later wil sturen. Hij meent dat drie welvoorziene aquariums de attractie van het Indianenkamp zullen verhoogen. Hij wil ons ook twee dozijn poppen voor de kleintjes sturen; onze edelmoedige vriend nam zelfs het denkbeeld van een paar gezadelde ezels en een rood geschilderd karretje in overweging. Is het niet heerlijk dat Gordon's vader er voor gezorgd heeft, dat deze jonge man zulke ruime geldmiddelen heeft en dat de natuur hem zoo'n menschlievend karakter meegaf? Hij luncht op het oogenblik met Percy in het hotel en zint, naar ik vermoed, op nieuwe philantropische denkbeelden.

Misschien twijfel je er aan of ik van deze afwisseling in het eentonig gestichtsleven wel geprofiteerd heb! Je kunt zeggen wat je wilt, mijn lieve Mevrouw Pendleton, en mij complimentjes maken over het goede bestuur van je gesticht, maar toch kun je niet begrijpen hoe zwaar deze eentonigheid soms op mij drukt. Ik moet af en toe een afleiding hebben en daarom heeft Gordon met zijn jongensachtigen geest en zijn heerlijk optimisme, in tegenstelling met den dokter, zoo'n weldadigen invloed op mij.

Zondagmorgen.

Ik moet je nog het eind van Gordon's bezoek berichten. Zijn plan was eigenlijk om hier tot vier uur te blijven, maar op een onzalig oogenblik verzocht ik hem hier tot half tien te blijven en gistermiddag hebben wij een groote wandeling gemaakt, totdat wij de torens van dit gesticht niet meer konden zien en toen hebben wij bij een aardig hotelletje gestopt, waar wij ham met eieren en sla hebben gegeten. Alles was even heerlijk en een goddelijke afwisseling te midden van het eentonige gestichtsleven, dat ik hier leid. Ik zou nog weken lang tevreden en gelukkig zijn gebleven als er niet iets heel vervelends was gebeurd. Wij hadden zoo'n prachtigen zonnigere zorgeloozen zomermiddag en ik vind het zoo doodjammer dat die nu bedorven is. Wij kwamen, zeer onromantisch op een groentekar gezeten, net tegen negen uur bij het John Grier aan, dus had hij nog net den tijd om naar het station te rennen en daar zijn trein te pakken. Ik kreeg hem daarom ook niet, binnen te komen, maar wenschte hem heel vriendelijk een goede reis bij den ingang van ons hek.

Aan den zijkant voor het huis stond een auto. Ik herkende die wel en vermoedde, dat de dokter en Percy, zooals vaak voorkomt, den avond in het laboratorium gemeenschappelijk doorbrachten. Welnu, op het oogenblik dat Gordon afscheid nam, kwam hij op de rampzalige gedachte om mij te verzoeken de leiding van het gesticht aan een ander over te doen en daarvoor in de plaats mijn eigen huishouding te bestieren.

Heb je ooit zoo iets gezien! Nu had hij dien heelen middag uren lang over deze kwestie kunnen redeneeren en inplaats daarvan kiest hij het oogenblik op de vloermat daarvoor uit!

Ik wist niet wat ik zeggen moest. Ik trachtte de zaak vroolijk af te wimpelen en raadde hem aan voort te maken om den trein nog te pakken. Maar daar ging hij niet op in. Hij leunde tegen den deurpost aan en stond er op, er nu over te spreken. Ik wist dat hij op die wijze den trein zou missen en dat alle ramen in het gesticht open stonden. Een man denkt er nooit aan dat er in de buurt luistervinken kunnen zijn, daarop schijnt een vrouw alleen te letten.

En omdat ik nogal zenuwachtig was en hem nog op tijd weg wilde hebben, was ik zeker nogal kort aangebonden en tactloos. Hij begon zich boos te maken en toen viel, door het een of ander ongelukkig toeval, zijn oog op de auto. Hij herkende die eveneens en daar hij in een woest onredelijke bui was, maakte hij den dokter daarvan het slachtoffer. Hij noemde hem "dien kalfskop" en "dien droogstoppel" en hij zei nog veel meer akelige dingen.

Ik verzekerde hem net in vollen ernst, dat ik niets om den dokter gaf en dat ik hem net zoo gek en onmogelijk vond als hij, toen de dokter plotseling uit zijn auto stapte en op ons toekwam.

Ik wenschte op dat oogenblik dat de aarde me kon verzwelgen.

Sandy was erg boos, waarmee hij ook groot gelijk had, maar tevens was hij koel en gereserveerd. Gordon was woedend en voelde zich miskend door al het onrecht, dat in zijn verbeelding hem werd aangedaan. Ik was heelemaal in de war door die vreeselijke en noodelooze herrie, die daar zoo plotseling om niets was ontstaan.

Sandy vroeg heel beleefd excuus dat hij, zonder het te willen, een deel van ons gesprek had opgevangen en wendde zich toen tot Gordon, dien hij zeer beleefd uitnoodigde in zijn auto plaats te nemen om hem naar het station te rijden.

Ik verzocht Gordon dit niet te doen, want ik wilde geen aanleiding tot den een of anderen twist tusschen die twee mannen zijn, maar zonder in het minst notitie van mij te nemen, stapten zij in en reden weg, terwijl zij mij onbewegelijk op de vloermat achterlieten.

Ik ging naar binnen en naar bed, waarin ik uren lang wakker lag, wachtende — op ik weet zelf niet wat, misschien de een of andere explosie. Het is nu elf uur en nog is de dokter niet verschenen. Ik weet werkelijk niet hoe ik me houden moet als ik hem tegenkom. Ik geloof dat ik dan in de kleerenkast zal kruipen.

Heb je ooit iets idioots en absoluut onnoodigs gehoord als deze historie? Ik vermoed dat ik nu met Gordon gekibbeld heb en heusch, ik weet niet waarom, en mijn verhouding tot den dokter lijkt nu heelemaal op niets! Je kent de vreemde wijze, waarop ik over iemand soms kan spreken. Ik wou, dat het gisteren om dezen tijd was. Dan zou ik er wel voor zorgen dat Gordon met den trein van vier uur vertrok!

Sallie. Zondagmiddag.

Waarde Dr. MacRae,

Dat was gistermiddag een allerafschuwelijkste domme idiote geschiedenis! Maar in den tijd dat ik hier ben, hebt U mij genoeg moeten leeren kennen om te weten, dat ik de gekke dingen, die ik zeg, nooit meen. Mijn tong staat niet het minst in verband met mijn hersens. Die slaat zoo vanzelf door! Ik moet U erg ondankbaar voorkomen na alle hulp, die U mij hebt geschonken bij dit ongewone werk en voor het geduld, dat U (soms tenminste) hebt getoond.

Ik erken eerlijk dat ik de leiding van dit gesticht nooit op mij had moeten nemen, indien Uwe geachte tegenwoordigheid niet steeds op den achtergrond was verrezen en ofschoon U weleens — wat U ook bekend zal zijn — nogal ongeduldig en slecht gehumeurd en lastig bent geweest, heb ik U dit toch nooit verweten. Werkelijk, ik meen niets van al de slechtgemanierde dingen, die ik gisteren ten beste heb gegeven. Vergeef me asjeblieft, dat ik zoo ruw uitviel. Ik zou het heel naar vinden om Uw vriendschap te verliezen en wij zijn toch vrienden, is het niet?

S. McB.

Lieve Judy,

Ik weet werkelijk niet, of de dokter en ik weer goede vrienden zijn, ja of neen; ik zond hem een beleefd briefje om hem excuus te vragen, waarop hij totaal niets van zich liet hooren. Hij kwam ons eerst vanmiddag weer opzoeken en liet niet in het minst iets blijken, wat aan dien rampzaligen Zaterdag herinnerde. Hij sprak uitsluitend over een zalf, waarmede de exceem van een van onze babies verwijderd moet worden en daar Sadie Kate aanwezig was, ging de conversatie daarna over katjes. De kat van den dokter heeft pas gejongd en nu heeft Sadie Kate geen rust voordat zij die diertjes heeft gezien. Voordat ik wist wat er gebeurde, had ik al afgesproken om met haar die ellendige katjes morgenmiddag om vier uur te komen bekijken, waarna de dokter met een koel-beleefde buiging afscheid nam. Dat schijnt nu de afloop van die geschiedenis.

Je Zondagbriefje kreeg ik ook al en ik ben dolblij, dat je dat huis hebt genomen. Het zal heerlijk zijn om je zoo lang tot buur te hebben en onze verbeteringen moeten wel met snel tempo voorwaarts gaan, als we jou en den president zoo naast de deur hebben wonen. Maar het lijkt mij toe, dat je hier al voor 7 Augustus moet komen. Weet je wel zeker, dat je nog zoo lang goed tegen de stadslucht kunt, dat je tot dien datum wacht met naar buiten gaan? Ik heb nog nooit zoo'n opofferende echtgenoote gezien.

Mijn hartelijken groeten aan Mijnheer den President.

S. McB. 22 Juli.

Lieve Judy,

Luister eens naar wat ik je nu vertellen moet!

Om vier uur ging ik met Sadie Kate naar het huis van den dokter om er de katjes te zien, maar daar Freddy Howland juist 20 minuten te voren van een trap was gevallen, was de dokter in het huis van de Howlands bezig de ribbekast van dien jongen man na te zien. Hij had voor ons een briefje achtergelaten met het verzoek op hem te wachten.

Mrs. MacGurk stuurde ons naar de werkkamer en om ons daar niet alleen te laten, kwam zij zelf ook mee, onder voorwendsel, dat zij er het koper moest poetsen. Ik weet heusch niet wat zij van ons dacht, misschien ging het door haar hoofd dat ik wel eens met den opgestopten pelikaan er van door kon gaan!

Ik amuseerde mij met een artikel over het Gele Gevaar, in de Century beschreven, terwijl Sadie Kate als een kleine nieuwsgierige aap rondsnuffelde om alles eens goed op te nemen.

Zij begon met den pelikaan en wenschte te weten waarom dat dier zulke glibberige, koude glasoogen had. Toen kwam de ooievaar aan de beurt. At die altijd kikkers en deed zijn eene poot hem pijn? Zij ratelde haar vragen af met de stadige volharding van een wekker, die slechts om de acht dagen opgewonden behoeft te worden.

Ik begroef mijzelf in mijn artikel en liet het aan Juffrouw McGurk over, zich met Sadie Kate bezig te houden. Ten slotte kwam die kleine lastpost, nadat zij al de halve kamer had afgewerkt, bij het portret van een klein meisje in een leeren lijst, dat in een hoekje van het bureau van den dokter prijkte. Het was een kind van sprookjesachtige schoonheid, dat opvallend veel op onze kleine Allegra leek, het had zelfs het portret van Allegra kunnen zijn als die vijf jaar ouder zou wezen. Ik had dit portret al bij den dokter opgemerkt, toen we dien bewusten avond bij hem aten en had hem ook bijna gevraagd, welke kleine patiënte dit was. Gelukkig dat ik dat toen niet deed!

"Wie is dat?" vroeg Sadie Kate, er naar wijzend.

"Dat is het dochtertje van den dokter".

"Waar is ze?"

"Ik denk, dat ze nu ver weg is.... Bij haar grootmoeder".

"Hoe kreeg hij dat meisje?"

"Wel.... Natuurlijk van zijn vrouw!"

Ik liet het boek plotseling vallen.

"Van zijn vrouw???" riep ik uit.

Het volgend oogenblik was ik woedend op mezelf, dat ik me niet beter had beheerscht, maar ik was geheel van streek. Juffrouw McGurk werd plotseling zeer minzaam en welbespraakt.

"Heeft hij u nog nooit over zijn vrouw gesproken? Wel, die werd zes jaar geleden krankzinnig. Op het laatst was het niet meer veilig, haar nog langer in huis te houden en hij moest haar weg brengen. Dat is bijna zijn dood geweest. Ik heb nog nooit zoo'n mooie dame gezien! Ik geloof dat hij toen dat heele jaar niet meer gelachen heeft. Wat gek, dat hij er u nooit over gesproken heeft, en de juffrouw is nog wel zoo bevriend met den dokter!"

"Natuurlijk is dit een onderwerp waarover de dokter liever niet spreekt", antwoordde ik droogjes en vroeg haar welk poetsmiddel zij voor het koper gebruikte.

Sadie Kate en ik gingen naar de garage en zochten de katjes zelf op en gelukkig waren wij weg, voordat de dokter terug was.

Maar kun jij me misschien vertellen, wat dat beteekent? Weet Jervis, dat hij getrouwd is? Het is de vreemdste historie die ik ooit heb gehoord. Ik ben het met die McGurk volkomen eens dat hij weleens zoo terloops had mogen zeggen, dat zijn vrouw in een krankzinnigengesticht was. Maar natuurlijk is het iets vreeselijks en zal hij er niet over kunnen spreken. Nu begrijp ik eindelijk waarom hij zulke grondige studies van erfelijke belasting maakt. Hij is natuurlijk bang voor zijn kindje! Als ik nu terugdenk aan al die grapjes, die ik daarover heb gemaakt, doet het mij pijn dat ik hem zoo dikwijls gewond moet hebben zonder het te weten en ik ben woedend op mezelf maar ook woedend op hem.

Ik heb het gevoel alsof ik dien man nooit weer zou willen zien. Heb je ooit zoo'n samenloop van vreemde omstandigheden meegemaakt!

Sallie.

P.S. Tom McCoomb heeft Mamie Prout in de tobbe kalk geduwd, die de metselaars noodig hebben bij den aanbouw van het nieuwe gedeelte van de tuinierswoning. Zij is heel en al bepleisterd. Ik heb al om den dokter getelefoneerd.

24 Juli.

Lieve Mevrouw Pendleton,

Ik moet je een groot schandaal over de directrice van het J. G. H. berichten. Zet het alsjeblieft niet in de krant, wil je. Het eenig excuus voor haar optreden is, dat zij geen wreedheden kan zien.

Ik zat vanmorgen in het zonnetje bij het open raam een zoet boek over Fröbel-methode bij de opvoeding van het kind te lezen: Blijf altijd bedaard, spreek steeds vriendelijk tegen kleine kinderen. Hoewel ze slecht lijken, zijn ze het toch niet in werkelijkheid; het komt slechts door het feit dat zij nog niet juist voelen, of niets te doen hebben en zich dus vervelen. Straf nooit, weet hen slechts af te leiden.... Ik nam die raadgevingen vol aandacht in mij op, toen ik door het geschreeuw van een paar kleine jongens onder mijn raam werd afgeleid.

"Neen John, doe het niet!"

"Laat hem toch loopen!"

"Dood hem dan gauw!"

En tusschen hun uitroepen door hoorde ik het angstig geschreeuw van een dier, dat pijn lijdt. Ik liet het Fröbel-boek vallen en vlug de trap afloopend, kwam ik vóórdat zij erg erin hadden, plotseling op hen af. Ze zagen me komen en verspreidden zich vlug naar links en rechts terwijl zij Johnnie Cobden, die bezig was een muis te martelen, alleen aan zijn lot overlieten. Ik zal je de griezelige bijzonderheden besparen. Ik riep een van de jongens om dat arme diertje vlug te verdrinken, maar Johnnie pakte ik bij zijn kraag en sleepte hem al schreeuwend en trappend met mij mee naar de keuken. Hij is een stoere, vierkant geschouderde jongen van dertien en hij vocht als een kleine tijger, terwijl hij zich wanhopig aan de deurposten vastklemde als hij er langs ging. Onder gewone omstandigheden geloof ik niet dat ik hem had kunnen meester worden, maar nu kreeg dat zestiende Ierschbloed-gehalte den boventoon en ik vocht als een waanzinnige. Wij vielen de keuken binnen en ik keek haastig rond naar een afstraffingsmiddel. De koekepan was het eerste gereedschap, waarop mijn oog viel. Ik pakte die beet en sloeg het kind met alle kracht, totdat de kleine tijger van vier minuten geleden in een huilend, om genade smeekend wezentje was veranderd.

Natuurlijk moest weer niemand anders dan Dr. MacRae plotseling te midden van die vreeselijke scène te voorschijn komen. Zijn gezicht was een en al verbazing. Hij liep op ons toe, nam mij den koekepan uit mijn handen en zette den jongen op zijn voeten neer. Johnnie verschuilde zich gauw achter hem. Ik was zoo woest, dat ik niet kon spreken; al mijn kracht had ik noodig om niet in tranen uit te barsten.

"Kom, laten we hem mee naar uw werkkamer nemen", was al, wat de dokter zei en daarheen marcheerden wij af, terwijl Johnnie zich zoo ver mogelijk van mij verwijderd hield en jammerlijk jankte. Wij lieten hem op het bureau achter, sloten de deur en gingen naar mijn zitkamer.

"Wat heeft het kind in 's Hemelsnaam gedaan?" vroeg hij.

Tot eenig antwoord legde ik mijn hoofd op de tafel neer en begon te huilen. Ik was zoo uitgeput, lichamelijk zoowel als geestelijk, alle beschikbare kracht had ik noodig gehad voor de koekepanafstraffing.

Onder veel gesnik kon ik eindelijk alle bloederige details ten beste geven en toen gaf hij mij geruststellend in overweging er niet langer over te denken; de muis was nu eenmaal toch dood. Toen haalde hij een glas water en liet me drinken en zei, dat ik maar stil uit moest huilen. Dat zou me goed doen. Ik geloof heusch, dat hij daarbij zijn hand even op mijn hoofd liet rusten. In elk geval was hij op en top geneesheer. Ik zag hem datzelfde wel een dozijnmaal doen bij hysterische vondelingetjes. Dit was voor het eerst sedert een week, dat we iets anders dan "goedenmorgen" tegen elkaar zeiden.

Zoodra de toestand weer zoover hersteld was, dat ik behoorlijk kon zitten en zelfs glimlachen, begon hij Johnnie's geval eens aan de hand van het register ernstig te bestudeeren terwijl ik onophoudelijk mijn oogen bette. De jongen stamt uit een ziekelijk geslacht en is zelf ook eenigszins gedegenereerd, zegt Sandy. Wij moeten het geval van geneeskundig standpunt behandelen, zooals ook ziektegevallen behandeld moeten worden. Zelfs normale jongens zijn dikwijls wreed, het zedelijk gevoel van een kind blijft onontwikkeld tot zijn dertiende jaar.

Toen stelde hij mij voor, mijn oogen met wat lauw water nog eens over te betten en mijn waardigheid weer aan te nemen, wat ik deed. Daarna liet hij Johnnie binnenkomen. Deze verkoos gedurende het verhoor te blijven staan inplaats van te zitten. De dokter sprak met hem heel aardig en gevoelig en menschlievend. Johnnie bracht tot zijn verdediging te berde, dat een muis een schadelijk dier is, dat gedood moet worden. De dokter weerlegde hierop, dat het welzijn van de menschheid de opoffering van veel dieren te zijnen koste eischt, maar dat deze dood met zoo min mogelijk pijn gepaard moet gaan. Hij legde hem ook het zenuwstelsel van de muis uit en zei, dat dit diertje geen enkel verdedigingsmiddel bezit. Hij zeide John, dat hij genoeg verbeeldingskracht moest hebben om een zaak ook van het standpunt van den tegenstander te bezien, ook al is die tegenpartij slechts een muis. Toen ging hij naar de boekenkast en haalde daar een boek van Burns te voorschijn en vertelde den jongen, welk een groot dichter dit geweest is en hoe alle Schotten zijn herinnering nu nog hooghouden.

"En dat schrijft hij over een muis", zei Sandy terwijl hij het "Wee, sleekit, cow'rin, tim'rous beastie" opsloeg, hetwelk hij voorlas en uitlegde, zooals alleen een Schot dat doen kan.

Johnnie trok zich berouwvol terug en nu wendde Sandy zich weer tot mij. Hij zei dat ik vermoeid was en een verandering noodig had. Waarom zou ik niet voor een week naar de Adirondacks gaan? Hij en Betsy en Mr. Witherspoon zouden een bestuur vormen, dat de leiding over het gesticht voor dien tijd overnam.

Je weet, dat dit juist was, wat ik zoo graag wilde. Ik heb behoefte aan tijd om mijn gedachten te rangschikken en ook aan dennenlucht. Mijn familie heeft het kamp net de vorige week opgeslagen en vindt mij een monster, omdat ik niet wilde meekomen. Zij willen maar niet begrijpen, dat, als je een werkkring als de mijne aanvaard hebt, je die niet van tijd tot tijd aan een ander kunt overgeven. Toch kan ik er gemakkelijk voor een paar dagen uit. Mijn gesticht loopt als mijn acht-daagsche wekker en zal in gelijk tempo doordraven tot Maandag vier uur n.m. wanneer mijn trein mij weer hierheen zal brengen. Dan zal ik weer heelemaal op streek zijn als je hier komt, en je niet met verwarde denkbeelden hinderen.

Intusschen verkeert Jongeheer Johnnie in een aangenamen staat van kastijding, zoowel lichamelijk als geestelijk, en ik geloof heusch dat Sandy's preek er veel beter in zal gaan, nu hij door mijn koekepanbestraffing is voorafgegaan. Maar één ding weet ik tevens, Suzanna Estella slaat de schrik om het hart wanneer ik maar de keuken binnenkom. Ik nam onder het gesprek vanmorgen het aardappelmes al spelend op, terwijl ik haar over de verzoute soep van gisteren onderhield en dadelijk verschuilde zij zich achter de deur. Vanmorgen om negen uur begon ik al reisvoorbereidingen te maken, nadat ik eerst vijf telegrammen had verzonden. En heusch, Judy, je kunt je niet voorstellen hoe zeer ik er naar snak me weer als een onbezorgd, levenslustig jong meisje te voelen en op het meer te gaan roeien en in het bosch te draven en uit te rusten en in het clubgebouw te dansen! Ik verkeerde door die goddelijke vooruitzichten den heelen nacht in een verbazenden staat van opwinding. Ik wist werkelijk niet, dat ik zoo meer dan beu van dat gestichtsleven was.

"Wat u noodig hebt", zei Sandy, "is een korten tijd van hier weg zijn en een beetje uitrazen".

En die diagnose is werkelijk uitstekend, want niets ter wereld zou ik op het oogenblik liever doen dan eens echt uit te razen. Ik zou met nieuwe wilskracht terugkomen, volkomen in staat om jou en een drukken zomer met liefde af te wachten.

Als steeds, je Sallie.

P.S. Jimmie en Gordon zullen er ook zijn. O, wat zou ik het eenig vinden als je weer bij ons kon zijn! Getrouwd zijn lijkt me soms heel lastig!

Kamp McBride. 29 Juli.

Lieve Judy,

Dit briefje schrijf ik je alleen om je de belangrijke mededeeling te doen, dat de bergen hooger, de bosschen groener zijn en het meer blauwer is dan ooit te voren.

De menschen schijnen dit jaar veel later naar de kampen te komen.

Het kamp van de Harriman's is het eenige, dat er buiten het onze aan dezen kant van het meer geopend is. De danszaal is zeer schaars van heeren voorzien, maar daar wij een zeer welwillenden jongen staatsman te gast hebben, die dol veel van dansen houdt, lijd ik geen gebrek door dien algemeenen nood.

De staatsbelangen en het bestuur over de vondelingen zijn op den achtergrond getreden terwijl wij op dit heerlijk mooie meertje spelevaren. Ik hoor mijn hart kloppen als ik met angst aan 7.56 a.s. Maandag denk. Het nare van een vacantie is, dat op het oogenblik dat je er juist heerlijk van begint te genieten, je met schrik eraan denkt, dat de zaligheid gauw weer genoten is.

Ik hoor een stem onder de waranda, die vraagt of Sallie binnens- of buitenshuis is.

Addio! Sallie.

3 Augustus.

Lieve Judy,

Terug in het John Grier! Weer drukt de last van het komende geslacht op mijn schouders. En wien denk je dat ik bij mijn entree het eerst ontwaar? Niemand anders dan John Coben van de koekepanbeweging, met een band om zijn arm. Ik draaide hem naar me toe en las S. P. C. A. in gouden letters. De dokter heeft hier gedurende mijn afwezigheid een plaatselijke afdeeling van de Dierenbescherming opgericht en Johnnie tot president benoemd. Ik vernam dat hij zelfs gisteren de werklieden, die hier met den zijvleugel van de tuinierswoning bezig zijn, ernstig heeft vermaand om hun paarden niet meer over den buik te zweepen. Uit zijn mond klonk dit wel heel vermakelijk!

Er is een stapel nieuws maar nu ik je toch over vier dagen hier zie, vind ik het onnoodig om je nog alles eerst te schrijven. Toch wil ik je nog even een prachtig nieuwtje doorgeven. Dus houd je adem in, een siddering moet je doortrillen, want je moest onze Sadie Kate eens hooren jammeren! Jane knipt haar haar af. Inplaats van het in twee stijve staartjes te dragen, zal onze kleine schoone er voortaan zòò uitzien... (zie hieronder).

"Die varkensstaartjes maken me zenuwachtig!" heeft Jane gezegd.

Je ziet wel dat ons nieuw kapsel veel smaakvoller en aardiger is. Ik denk dat er wel menschen zullen zijn, die die lastpost willen aannemen, maar aan den anderen kant is onze Sadie Kate een allerliefst manlijk-zelfstandig schepseltje en uitstekend geschikt om het best alleen af te kunnen. Ik moet de pleegouders voor onze hulpelooze kleintjes bewaren.

En je moest onze nieuwe kleeren eens zien! Ik kan haast het oogenblik niet afwachten, dat al die rozenknopjes op je zullen afstormen. O, je hadt die oogen van de kinderen eens moeten zien schitteren toen ze de nieuwe kleeren ontvingen! Drie jurken voor elk meisje, elk van een andere kleur en alles absoluut persoonlijk eigendom. (De naam van de eigenares met keurige merklettertjes in de kraag aangegeven).

Illustration from Het "John Grier Home"

Dat lamme systeem van juffrouw Lippett, dat elk kind iedere week een jurk uit de wasch kreeg, die maar eenigszins paste, was een beleediging voor de vrouwelijke natuur.

Sadie Kate schreeuwt als een varken dat naar de slachtbank gaat. Ik moet heusch eens even gaan kijken of Jane niet bij vergissing een stuk oor mee heeft afgeknipt.

Jane heeft het niet gedaan! Sadie's mooie oortjes zijn nog steeds intact. Ze piept slechts uit principe, net zooals al onze kinderen doen zoodra ze in den tandartsstoel zitten, omdat ze bang zijn dat er het volgend oogenblik iets vreeselijks gebeuren zal.

Ik kan je niets anders schrijven dan mijn werkelijk nieuwtje — hier heb je het:

IK BEN VERLOOFD!

Ik hoop dat je er mee in je schik bent.

Met hartelijke groeten aan jullie beiden,

Sallie. John Grier Home,

Lieve Judy,

Betsy en ik zijn juist terug van een boodschappentocht in onze nieuwe auto. Dat is een heerlijke afleiding in het gestichtsleven. De auto reed vanzelf den zoo dikwijls afgelegden weg naar Long Ridge Road op en stopte voor het hek van Shadywell. Een zware ketting hield het hek gesloten, de luiken waren voor de vensters en de buitenplaats zag er verlaten en droefgeestig uit, niet het minst gelijkend op het vriendelijke gastvrije huis, waar wij elkaar zoo dikwijls 's middags met veel vreugde hebben begroet.

Het spijt me verschrikkelijk dat onze heerlijke zomer nu al voorbij is. Het lijkt me toe alsof er nu een stuk van mijn leven achter me gesloten is en de onbekende toekomst weegt loodzwaar op me. Eigenlijk zou ik het heerlijk vinden om mijn huwelijk nogeens zes maanden uit te stellen, maar ik ben bang dat die arme Gordon daarover een te grooten boom zou opzetten. Ga nu niet denken dat ik een tobster word, want dat ligt absoluut niet in mijn aard. Ik heb alleen wat meer tijd noodig om kalm te kunnen nadenken en Maart komt elken dag wat dichterbij. Ik weet beslist dat ik iets zeer verstandigs ga beginnen. Voor iedereen, man of vrouw, is het het beste, om een prettig, aangenaam huwelijk aan te gaan. Maar Judy, je weet niet hoe ik het land heb aan groote veranderingen, en dit is een geweldige verandering. Soms, als het dagwerk afgeloopen is en ik dood-moe ben, heb ik zelfs niet den moed en de kracht om er me ook maar even in te verdiepen.

En vooral nu je Shadywell hebt gekocht en van plan bent er elken zomer weer te komen, heb ik berouw dat ik mijn plaatsje hier ga verlaten. Het volgende jaar, als ik mijlen ver van hier ben, zal ik met heimwee aan den heerlijken drukken tijd in het John Grier terugdenken, toen jij en Betsy en Percy en onze brommerige lieve Schot zoo prettig met me samenwerkten. Wat ter wereld kan een moeder ooit het gemis van 107 kinderen vergoeden!

Ik vertrouw dat Judy Junior gedurende de reis haar waardigheid heeft opgehouden. Ik stuur haar vandaag een manteltje, gedeeltelijk door mij en grootendeels door Jane gemaakt. Maar bovendien heeft onze dokter er ook nog twee steekjes aangewaagd. Je kunt slechts bij stukjes en beetjes het karakter van Sandy ontdekken. Na een omgang van tien maanden met dezen man ontdekte ik nu eerst, dat hij zelfs naaien kan, iets wat hij in zijn jongensjaren van een ouden Schotschen herder heeft geleerd.

Drie dagen geleden kwam hij hier binnenvallen en dronk een kopje thee bij me in een bijna ouderwetsche vriendschappelijke bui, maar sedert dien dag is hij weer veranderd in denzelfden vormelijken man, dien wij gedurende dezen zomer hebben gekend. Ik geef het langzamerhand op om hem aan het ontdooien te krijgen. Ik kan me heel goed voorstellen, dat iemand die een vrouw in een krankzinnigengesticht heeft, dikwijls last van droefgeestigheid moet hebben. Ik wou maar dat hij er eens over begon te praten. Het is vreeselijk als een schaduw steeds over je leven zweeft en nooit verdreven kan worden.

Ik weet, dat er in dezen brief geen enkel nieuwtje staat waarnaar je verlangt, maar het is weer zoo'n afschuwelijk schemeruur na een mistigen Novemberdag en ik verkeer vandaag in een gemeen slecht humeur. Ik ben erg bang dat ik langzaam aan in een grillig persoontje verander, en ongelukkigerwijs heeft Gordon temperament genoeg voor een heel weeshuis. Ik weet heusch niet wat er van ons terecht moet komen, als ik mijn gezond verstand en opgeruimd humeur niet blijf behouden.

Ben je werkelijk vast besloten om met Jervis naar het Zuiden te rekken? Ik waardeer het in je (tenminste een klein beetje), dat je niet gescheiden van je man wilt leven, maar aan den anderen kant schijnt het me gevaarlijk, om met zulk een klein kindje als het jouwe naar de tropen te verhuizen.

De kinderen spelen beneden in de gang blindemannetje. Ik denk er sterk over even mee te gaan doen om een beetje beter gehumeurd te zijn als ik verder schrijf.

A bientôt! Sallie.

P.S. In deze Novembernachten is het al aardig koel en ik vermoed, dat onze Indiaantjes spoedig hun kamp zullen moeten verlaten. Op het oogenblik zijn het erg vertroetelde wilden, want ze slapen onder een dubbele vracht dekens en hebben elk een warme kruik. Ik vind het erg jammer dat dat nu ook al weer gedaan is. Dat kampleven heeft uitstekend op onze kinderen ingewerkt. Onze jongens zullen gehard zijn als Canadeesche paardedieven als ze weer bij ons terugkeeren.

20 November.

Lieve Judy,

Je moederlijke bezorgdheid is heerlijk! Heusch, ik spotte laatst maar een beetje. Natuurlijk is het absoluut veilig om Judy junior naar de warme, zuidelijke landen mee te nemen. Ze zal prachtig gedijen zoo lang je haar maar niet op den top van den equator zet, En je bungalow, die beschaduwd wordt door palmen en afgekoeld door de frissche zeelucht, met zijn ijsmachine in het achterhuis en den Engelschen dokter vlak bij de baai, lijkt mij een ideaal huis om er een baby te zien opgroeien.

Al mijn bezwaren ontsproten slechts uit het feit, dat ik en het John Grier er tegen opzien, dezen heelen winter zonder jou te moeten doorbrengen. Het schijnt me werkelijk verrukkelijk toe om een man te hebben, die in zulk eigenaardig werk als de financiering van spoorwegen in de tropen en het aanplanten van rubberboomen en mahoniebosschen geïnteresseerd is. Ik zou wel willen dat Gordon ook in zulke schilderachtige streken werken moest, dan zouden de romantische mogelijkheden van de toekomst mij in elk geval meer bekoren. Washington lijkt mij vreeselijk eentonig in vergelijking met Honduras en Nicaragua en de Caraïbische eilanden.

Ik zal je in elk geval vaarwel toewuiven als je op reis gaat.

Addio! Sallie. 24 November.

Lieve Gordon,

Judy is weer naar de stad vertrokken en zal de volgende week naar Jamaica afreizen, waar ze het hoofdkwartier zal opslaan, terwijl Jervis voor die nieuwe interessante onderneming de nabijliggende stroomen zal doorkruisen. Kun jij je ook niet voor den handel in de Zuidelijke wateren interesseeren? Ik geloof dat ik het prettiger zou kunnen vinden om mijn gesticht op te offeren, als je me daarvoor in de plaats iets romantisch en gewaagds zou kunnen aanbieden. En denk eens aan, wat zou je er niet mooi uitzien in je wit linnen kleeren! Ik geloof werkelijk dat ik mijn heele leven verliefd op een man zou kunnen zijn, als hij zich maar altijd in het wit zou steken.

Je kunt je niet voorstellen hoe erg ik Judy mis. Haar afwezigheid laat een vreeselijke leegte in mijn middagen achter. Kun je niet eens voor het eind van de week overkomen? Ik geloof dat je nabijheid me erg zou opvroolijken en ik gevoel me in den laatsten tijd zoo vreeselijk down. Je weet heel goed, mijn lieve Gordon, dat ik veel meer van je houd als je hier bij me bent dan wanneer je zoo ver van me weg bent. Ik geloof werkelijk dat je een soort hypnotischen invloed op me uitoefent en, als je dan een langen tijd weg bent geweest, wordt de ban hoe langer hoe zwakker. Maar als ik je dan weer terugzie, oefent hij weer nieuwe kracht op me uit. Je bent nu al een heelen tijd van me weg geweest, dus kom alsjeblieft gauw weer hier en betoover me opnieuw.

S. 2 December.

Lieve Judy,

Herinner je je, dat we altijd onze gedachten op het Zuiden richtten, wanneer we op de Universiteit over onze toekomstdroomen spraken? En nu is het voor jou werkelijk waarheid geworden en doe je daar op de tropische eilanden nieuwe ontdekkingen op. Heb je je ooit in je leven zoo ontroerd gevoeld — behalve natuurlijk verschillende keeren in verband met Jervis — toen je daar in den vroegen dagschemer aan dek kwam en ontdekte, dat je de haven van Kingstown binnenvoer, waar het water zoo blauw en het strand zoo wit is en de palmen zoo groen zijn?

Ik herinner me dat oogenblik nog heel goed, toen ik voor het eerst in die haven ontwaakte. Ik voelde me als een heldin in een groote opera, omringd door een onwaarschijnlijk-schoon geschilderd landschap. Niets op mijn vier reizen naar Europa heeft me ooit zoo aangedaan als dit eigenaardige gezicht en den eigenaardigen smaak en de geuren van deze drie warme weken, zeven jaar geleden, en sedert dien tijd heb ik er steeds naar verlangd er weer heen te gaan. Wanneer ik even ophoud daarover na te denken, kan ik er mezelf haast niet toe dwingen onze alledaagsche maaltijden te gebruiken. Ik zou willen leven van kerry en meloenen en vijgen en bananen. Is dat niet grappig? Je zou denken dat ik Creoolsch of Spaansch of minstens Zuidelijk bloed in mijn aderen had, maar ik ben slechts een simpel mengseltje van Engelsch en Iersch en Schotsch. Misschien komt het alleen doordat ik van het Zuiden hoor spreken, je weet wel, Heine zingt ook van den palmboom die naar de den verlangt en de den naar den palmboom.

Nadat je vertrokken was, keerde ik naar New York terug met een haast onweerstaanbaren lust tot reizen. Ik zou ook zoo graag in het Zuiden willen ronddwalen met een nieuwen blauwen hoed op en een nieuwe blauwe japon aan en een groote bos viooltjes in mijn hand. Vijftien minuten lang zou ik graag dien armen Gordon vaarwel gezegd hebben om daarvoor in de plaats de wijde wereld te mogen afreizen. Ik vermoed dat je wel zult denken, dat Gordon en de wijde wereld nu niet bepaald met elkaar te vergelijken zijn, maar het schijnt dat wij het op het punt van echtgenooten niet eens kunnen worden. Ik vind het huwelijk een goede verstandige alledaagsche instelling, maar het is afschuwelijk belemmerend voor iemands vrijheid. Toch schijnt het, dat het leven, nadat je eenmaal getrouwd bent, zijn aantrekkelijke avonturen voor je heeft verloren. Geen enkel romantisch voorval zal je meer verrassen.

De vreeselijke waarheid is, dat één man mij niet genoeg lijkt. Ik houd van de verscheidenheid van gevoelens, die slechts verschillende mannen bij je te weeg kunnen brengen. Ik ben bang dat ik in mijn jeugd te veel geflirt heb en nu is het niet bepaald gemakkelijk voor me, om aan een geregeld leven te wennen. Neem me niet kwalijk dat ik zoo van den hak op den tak spring. Om weer op het begin terug te komen — welnu, ik zag je afvaren en nam de veerboot naar New York terug, met een ellendig leeg gevoel. Na onze allergezelligste drie zigeunermaanden leek het mij een vreeselijke taak je mijn nood zoo hartroerend te beschrijven, dat zelfs het diepste harte-snaartje van je zou trillen en beven. Mijn veerboot gleed recht onder den neus van jouw stoomboot door en ik kon jou en Jervis tegen de verschansing zich aanleunen. Ik wuifde wanhopig maar je zag niets. Je blik was vol heimwee op den top van het Woolworth-gebouw gericht. —

Toen ik in New York teruggekeerd was, ging ik naar een van de groote magazijnen om daar inkoopen te doen, en juist terwijl ik binnentrad, kwam niemand anders dan Helen Brooks er aan den anderen kant uit. Wij deden alle twee veel moeite om bij elkaar te komen, daar ik trachtte er uit te komen en zij trachtte er weer in te gaan. Ik dacht werkelijk dat we zoo eeuwig zouden blijven draaien, maar tenslotte kwamen wij toch samen en drukten elkaar de hand. Zij was zoo vriendelijk om mij te helpen bij het uitzoeken van vijftien dozijn paar kousen en vijftig mutsen en hansoppen en een honderd jassen en mantels en toen liepen we al pratend den weg op naar de 52ste Street, waar we in de Women's University Club lunchten.

Ik hield altijd wel van Helen. Ze is geen toeschouwster in het leven maar staat er flink en onafhankelijk midden in. Weet je nog wel hoe zij zich van dat luxe-comité meester maakte en een voor een er de dingen recht zette? Wat zou je er van denken als zij mijn opvolgster werd? Mijn hart wordt van jaloezie vervuld als ik aan die opvolgster denk, maar ik vermoed toch dat ik me daaraan zal moeten wennen.

"Wanneer zag je Judy Abbott het laatst?" was Helens eerste vraag.

"Vijftien minuten geleden", antwoordde ik. "Ze is juist met een echtgenoot en een dochter en een nurse en een meid en een knecht en een hond naar het Zuiden vertrokken".

"Heeft ze een goeden man?"

"Er bestaat geen betere!"

"En houdt ze nog altijd van hem?"

"Ik heb nog nooit een gelukkiger huwelijk gezien".

Het viel me op dat Helen bleek werd, en plotseling herinnerde ik me al die praatjes, die Martin Keen ons den vorigen zomer deed. Dus veranderde ik dadelijk van onderwerp en bracht het op het zeer veilig terrein van vondelingen.

Maar wat later vertelde zij mij uit zichzelf de heele toedracht op zoo'n afgetrokken en onpersoonlijke wijze, alsof zij de karakters uit het een of ander boek beschreef. Zij had al dien tijd afgezonderd in de stad geleefd zonder iemand te zien en zij scheen erg terneergedrukt en blij, dat zij zich uit kon spreken. Het lijkt me toe dat die arme Helen haar leven jammerlijk verknoeid heeft. Ik ken niemand die zooveel in zoo weinig tijd heeft doorgemaakt. Nadat zij afgestudeerd was, is ze getrouwd en heeft ze een baby gekregen, die ze weer heeft verloren. Ze is van haar man gescheiden, ligt overhoop met haar familie en is naar de stad gekomen om daar in haar eigen onderhoud te voorzien. Ze beoordeelt boeken voor een uitgeversfirma.

Van het gewone standpunt bezien, lijkt het alsof er geen enkele reden tot scheiden bestond. Alleen ging het huwelijk niet op. Ze waren geen kameraden. Als hij een vrouw was geweest zou ze geen half uur aan hem vermorst hebben en als ze een man was, zou hij tegen haar gezegd hebben: "Wel, dat is aardig, dat ik je weer eens zie. Hoe gaat het ermee?" om dan na twee minuten weer door te loopen. Maar nu trouwden ze. Is het niet vreeselijk, dat deze sexegeschiedenis menschen soms zulke parten kan spelen!

Zij was groot gebracht met het idee, dat het eenige geluk voor een vrouw in het huishouden ligt. Toen ze de Universiteit achter zich had, was zij natuurlijk blij dien prachtigen weg in te slaan toen Henry kwam. Haar familie nam hem grondig op en vond hem in elk opzicht volmaakt: van goede familie, met goede moreele begrippen, een goede positie en een knappe man. Helen was verliefd op hem. Ze hadden een prachtige bruiloft en zij kreeg een macht nieuwe kleeren en dozijnen geborduurde tafellakens en alles zag er schitterend en veelbelovend uit.

Maar toen zij elkaar beter leerden kennen, merkten zij, dat zij niet van dezelfde boeken hielden en niet van dezelfde grappen en niet van dezelfde menschen of dezelfde ontspanningen. Hij hield er van, op grooten voet te leven en veel menschen te zien en veel te lachen en zij niet. Eerst verveelde hun dat, toen prikkelde het hen en daarna kibbelden ze. Haar netheid maakte hem zenuwachtig en zijn slordigheid irriteerde haar. Zij kon dagen lang zijn lessenaar en kasten in orde brengen en vijf minuten later wist hij alles weer in de war te schoppen. Hij liet zijn kleeren slingeren, zoodat ze die weg moest hangen en zijn handdoek lag in een slordigen hoop op den grond, als hij de badkamer verliet en hij boende de badkuip ook nooit uit. En zij, van haar kant, was afgrijselijk onhartelijk en koel. Ze wist het zelfs zoo ver te drijven dat zij niet meer om zijn grappen lachte!

Ik geloof dat ouderwetsche orthodoxe lui het vreeselijk zouden vinden om een huwelijk om die onnoozele redenen te verbreken. Dat leek het mij ook eerst toe, maar toen zij de eene kleinigheid na de andere ophoopte, zoodat het een schrikwekkende berg werd, stemde ik toe dat het zoo niet langer had kunnen gaan. Het was ook geen huwelijk — het was een vergissing!

En eens op een morgen toen zij aan het ontbijt zaten en het onderwerp, waar ze den zomer zouden doorbrengen, ter sprake kwam, zeide zij droogweg, dat zij erover dacht naar het Westen te gaan, naar een stad in den een of anderen staat, waar het makkelijk is, om een respectabele reden te scheiden, en voor het eerst sedert maanden was hij het volkomen met haar eens.

Je kunt je de verontwaardigde gevoelens van haar familie voor. stellen! Alle zeven generaties der familie, welke in Amerika verblijf hielden, hadden nog nooit een dergelijk geval in hun familiebijbel moeten aanteekenen. Het zat hem dan ook alleen maar hierin, dat zij haar naar de Universiteit hadden gestuurd en het hadden toegestaan, dat zij zulke moderne boeken als die van Ellen Key en Bernard Shaw had gelezen.

"Alleen maar als hij aan den drank was geraakt en mij bij mijn haren door de kamer had gesleept", kreunde Helen, "zouden zij het gewettigd vinden. Maar omdat wij nu eenmaal geen dingen naar elkaars hoofd slingerden, zag niemand de reden voor een scheiding in".

Het aandoenlijke van deze geschiedenis is, dat zij en Henry prachtig geschikt waren geweest om een ander gelukkig te maken. Ze pasten alleen niet bij elkaar! En wanneer twee menschen niet bij elkaar passen, kan geen ceremonie ter wereld hen aan elkaar binden.

Zaterdagmorgen.

Ik was van plan geweest je dezen brief twee dagen geleden te zenden, maar nog altijd ligt hij hier.

Wij hebben weer een van die ellendige nachten gehad, waarin je verkleumd naar je bed gaat om den volgenden morgen gloeiend en afgemat onder een berg dekens in het duister te ontwaken. Toen ik mijn extra dekens weggelegd had en het mij zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, dacht ik aan onze veertien losjes ingepakte babies in de frissche lucht-afdeeling. De zoogenaamde nachtnurse had den heelen nacht door vast geslapen (haar naam staat als eerste op de lijst die eerstdaags geschrapt worden). Ik deed even de rondte en zoodoende kwam ik over mijn slaperigheid heen. Ik heb niet dikwijls zulke nuits blanches, maar àls ik ze heb kan ik wereldproblemen oplossen. Is het niet vreemd dat je geest zooveel scherper is als je in het donker wakker ligt?

Ik dacht alweer over Helen Brooks na en zag haar heele leven weer langs me heen glijden. Ik begrijp niet waarom haar verhaal me zoo heeft ontroerd. Het is geen geschikt onderwerp voor een verloofd meisje om over te denken. Ik peinsde er maar steeds over, wat er wel zou gebeuren als Gordon en ik, indien we eenmaal getrouwd zouden zijn en elkaar op en top zouden kennen, niet meer van elkaar hielden. De angst maakte zich van mij meester en ik had het wel uit kunnen schreeuwen. Maar ik trouw hem toch alleen omdat ik van hem houd — ik ben niet bijzonder eerzuchtig en noch zijn positie, noch zijn geld heeft me ooit in het minst aantrekkelijk geleken. En zeker doe ik het ook niet om een werkkring te hebben, want juist om dit huwelijk moet ik het werk opgeven, waarvan ik zooveel ben gaan houden. Want ik hou werkelijk veel van mijn werk hier. Ik denk er steeds maar over na, wat ik wel voor de toekomst van onze kinderen kan doen en dan voel ik, dat ik voor het welzijn en voor de maatschappelijke verbetering van de menschen werk. Wat ook later mijn leven zijn zal, toch weet ik zeker, dat ik des te sterker in de branding zal staan nadat ik hier zoo'n rijke ervaring heb opgedaan — want het gestichtsleven, dat zoo midden in het groote leven staat, is een werkelijke bron van rijke ervaringen. Ik leer hier elken dag weer zooveel nieuwe dingen, dat ik vol verwondering elken Zaterdag aan de onwetende Sallie van den vorigen Zaterdag terugdenk.

Zie je, ik ontdek een vreemde eigenschap in mijn karakter: ik heb het land aan veranderingen. Ik houd er niet van mijn leven nu weer zoo heel anders in te richten. Vroeger was ik dol op vulkanische uitbarstingen, maar nu zou ik wel steeds op een bergplateau willen leven. Ik voel me hier absoluut op mijn plaats. Mijn lessenaar en mijn zitkamer zijn juist voor mij geschikt en o, ik heb zoo het land aan de veranderingen, die het volgend jaar met zich zal meebrengen! Geloof nu alsjeblieft niet, dat ik niet zooveel van Gordon houd als een aanstaand echtgenoot aan liefde toekomt. Het ligt hem niet in het feit dat ik te weinig van hem houd maar alleen daarin, dat ik te veel van de kinderen houd!

Ik ontmoette juist een paar dagen geleden onzen toezichthoudenden geneesheer. Hij kwam net uit de kinderkamer; Allegra is het eenige persoontje aan wie hij wat meer attentie wijdt. Hij bleef in het voorbijgaan staan om een beleefde opmerking over het plotseling veranderde weer te maken en verzocht mij zijn groeten aan Mevrouw Pendleton te doen, als ik haar weer eens schreef.

Dit is een afschuwelijke brief met geen enkel feit dat je zal interesseeren. Maar ons eenvoudig vondelingengestichtje is ook erg ver weg van de sinaasappelboomen en palmen en hagedissen en tarantula's, waarvan jij nu geniet.

Zorg maar dat je een prettigen tijd in het Zuiden doorbrengt en vergeet het John Grier Home niet.

Sallie. 11 December.

Lieve Judy,

Je brief uit Jamaica heb ik ontvangen en ik ben blij, dat Judy Junior veel van reizen houdt. Schrijf me elke kleine bijzonderheid van je huis en stuur me wat foto's, zoodat ik zien kan hoe het eruit ziet. Hoe zalig moet het zijn, in je eigen boot op die interessante stroomen te varen! Heb je al je achttien witte japonnen al aan gehad en ben je nu niet blij, dat ik je heb laten wachten met het koopen van een Panama totdat je in Kingstown was?

Ons leventje gaat hier op de gewone wijze door, zonder dat er iets bijzonders gebeurt. Je herinnert je nog zeker wel de kleine Maybelle Fuller? (Het kind van het koormeisje, dat de dokter niet uit kan staan). Ik heb haar kunnen onderbrengen. Eerst heb ik mijn best gedaan om die dame te bewegen er Hattie Heaphy voor in de plaats te nemen, je weet wel, dat kleintje van de avondmaalbeker-historie — maar toen ik zag, dat Maybelle's wimpers het spel toch wonnen, deed ik verder geen moeite. Zooals de arme Marie reeds zei, het is de hoofdzaak in het leven om mooi te zijn, al het andere hangt daarvan af!

Toen ik de vorige week van mijn kort uitstapje naar New-York terugkeerde, hield ik een korte speech tegen de kinderen en vertelde ik hun dat Tante Judy op een groot schip naar het Zuiden was vertrokken. Het spijt me dat ik je eerlijk moet bekennen, dat de belangstelling van de jongens dadelijk van Tante Judy op het groote schip oversloeg. Hoeveel ton steenkolen verstookte dat dagelijks? En was dat schip zoo groot, dat het wel van het wagenhuis tot aan het Indianenkamp zou reiken? Waren er ook kanonnen aan boord en als een kaper het nu aanviel, zouden ze het dan wel kunnen uithouden? En als de matrozen aan het muiten gingen, mocht de kapitein de lui dan zoo maar neerschieten en werd hij dan niet gevangen genomen als ze landden? Ik moest werkelijk een beroep doen op Sandy's verstand om mijn speech te kunnen beëindigen. Werkelijk, ik geloof, dat zelfs de verstandigste vrouw niet alle vragen kan beantwoorden, die in een dertienjarig jongensbrein opkomen.

Het resultaat van de groote belangstelling in schepen was, dat de dokter zeven van de oudste en flinkste jongens uitnoodigde om et hem een dag in New York door te brengen en daar met eigen oogen een oceaan-stoomschip te aanschouwen. Ze stonden vanmorgen om vijf uur op en pakten den trein van half acht en hadden den mooisten dag, die alle zeven ooit gehad hebben. Ze bezochten een groote stoomboot, waarvan Sandy den Schotschen machinist kent en werden van het onderste hoekje van het ruim tot aan het topje van het kraaiennest gevoerd. Daarna mochten ze aan boord lunchen en toen dat afgeloopen was, bezochten ze het aquarium en den top van het Singer-gebouw en namen den ondergrondschen trein, om een uur met de Amerikaansche vogels in hun natuurlijke woonplaatsen door te brengen. Sandy kon ze met groote moeite van den dierentuin wegkrijgen om nog net den trein van 6.15 te pakken. Ze aten in den trein en vroegen met heel veel belangstelling hoeveel dat wel kostte en toen zij hoorden, dat het hetzelfde was of zij veel of weinig aten, haalden zij eens diep adem en gingen toen vastberaden voor hun bord zitten met het kloeke besluit niet toe te laten, dat hun gastheer ook maar voor een halve cent bestolen zou worden. De menschen aan de tafeltjes om hen heen staakten het eten om er van mee te kunnen genieten. Een reiziger vroeg aan onzen dokter of het een kostschool was, die hij mee op reis nam; daaruit kun je opmaken hoe de menschen over de manieren en het gedrag van onze jongens oordeelen. Ik wil niet opsnijden, maar niemand zal toch ooit zulk een vraag hebben gesteld als het de kinderen van Juffrouw Lippett betrof. Komen die kinderen uit een opvoedingsgesticht, zou de natuurlijke vraag geweest zijn, als ze die kinderen aan tafel hadden gezien.

Illustration from Het "John Grier Home"

Mijn kleine bende kwam hier om tien uur 's avonds doodelijk-vermoeid aan, met zeer opgewonden verwarde verhalen over reciproceerend samengestelde machines en waterdichte schotten, dolfijnen, sky-skrapers en paradijsvogels. Ik was bang dat ik er hen nooit onder zou krijgen! O, ze hebben zoo'n heerlijke dag gehad! Ik wou, dat ik hun meer zulke afleidingen kon bezorgen. Het geeft hun een beteren kijk op het leven en doet hen meer op normale kinderen gelijken. Vind je het niet aardig van Sandy, dat hij zoo goed voor hen was? Maar je hadt dien man moeten zien toen ik hem wilde bedanken! Midden in een zin gaf hij me ongeduldig te kennen, dat hij er niets van wilde weten en vroeg brommerig aan Miss Snaith, of zij niet een beetje zuiniger met de carbol kon omgaan. Het huis rook als een hospitaal!

Ik moet je ook vertellen, dat Punch weer bij ons teruggekeerd is met absoluut verbeterde manieren. Ik kijk nu naar een familie voor hem uit, die hem kan aannemen. Eigenlijk had ik gehoopt, dat die twee lieve, oude dames hem voor goed bij zich zouden houden, maar ze wilden weer op reis gaan en vinden, dat hij daarbij haar vrijheid te veel zou belemmeren.

Ik sluit hierbij een schets met kleurkrijt in van je stoomboot, welke Punch me zoojuist gaf. Er heerscht bij mij wel eenigen twijfel welke richting dit schip uit gaat. Het lijkt wel alsof het achteruit vaart en in Brooklyn terecht zal komen. Daar ik geen blauw potlood had, moest onze vlag de Italiaansche kleuren aannemen. De drie poppetjes op de brug zijn jij en Jervis en de baby. Het doet me leed te constateeren, dat jij je kind in haar nek beet hebt alsof het een katje is. Op die manier behandelen wij in het John Grier onze babies niet, lieve dame! Let er alsjeblieft ook op, dat de artist Jervis niet te kort heeft gedaan, wat zijn lange beenen betreft. Toen ik Punch vroeg, waar de kapitein was gebleven, zei hij, dat die in het ruim bezig was kolen op het vuur te gooien. Punch was verbazend onder den indruk toen hij vernam, dat je boot 300 waggonladingen per dag verstookte en natuurlijk vermoedt hij, dat alle man daarvoor in de machinekamer bezig moet zijn.

WOF! WOF!

Dat is Sing, wien ik zei, dat ik aan jou schreef, waarop hij dadelijk antwoord gaf.

Wij beiden groeten je heel hartelijk. Steeds je Sallie. John Grier Home. Zaterdag.

Beste vijand,

U was gisteravond zoo vreeselijk kortaf, toen ik probeerde u te bedanken voor dien heerlijken dag welken u mijn jongens hebt bereid, dat ik geen gelegenheid had u maar half te zeggen hoe ik uwe vriendelijkheid op prijs stel.

Wat ter wereld is er toch aan de hand, meneer Sandy! U was toch zoo'n aardige verdraagzame man bij wijlen, maar in deze laatste drie, vier maanden herken ik u niet meer. U bent alleen aardig tegen anderen maar nooit tegen mij.

Wij hebben van het eerste oogenblik af aan een lange reeks van misverstanden en tegenstribbelingen met elkaar gehad, maar elken keer weer ontdekten we, dat we elkaar daarna veel beter begrepen dan vroeger, tot ik eindelijk dacht dat onze vriendschap zich op vasten grondslag baseerde, die zelfs misstanden van ernstigen aard kon weerstaan.

En toen brak die ongelukkige avond aan in Juni, toen u die dwaze onbeleefdheid van mij te hooren kreeg, die ik niet in het minst meende. En van toen af aan verdween u uit mijn kring. Heusch, ik voelde mij er erg ellendig over en had er behoefte aan U om vergiffenis te vragen, maar uw houding lokte niet bepaald tot vertrouwelijkheid uit. Ik kan mij zelf niet vrijpleiten of een verklaring geven, daarvoor heb ik geen gegronde reden. Maar u weet toch wel hoe dwaas en dol ik soms ben, zoodat de meesten mij voor oppervlakkig en lichtzinnig verslijten, terwijl ik in werkelijkheid toch ernstig ben. De Pendletons weten dat al heel lang, anders hadden zij mij niet hierheen gestuurd en ik heb van harte getracht mijn taak zoo goed mogelijk te vervullen, ten deele omdat ik hen niet in hun verwachtingen wilde teleurstellen en ten deele omdat ik werkelijk met die arme kinderen ging meevoelen en er voor wilde zorgen, dat zij ook hun portie van het geluk zouden kennen. Maar hoofdzakelijk (en dat weet ik nu absoluut zeker) omdat ik u wilde bewijzen dat uw eerste indruk over mij absoluut verkeerd was.

Kom, vergeet die onzalige vijftien minuten bij de deur en roep daarvoor de vijftien lange uren wakker, die ik met de Kallikak-familie doorbracht.

Ik zou graag willen dat we weer vrienden werden zooals vroeger.

Sallie McBride. John Grier Home. Zondag.

Geachte vijand,

Ik ontving uw visitekaartje met een elfwoordig antwoord op den achterkant ervan.

Het spijt me dat ik u heb lastig gevallen. Dat was geenszins mijn bedoeling. Het is mij inderdaad totaal onverschillig wat u denkt en hoe u zich tegenover mij gedraagt. Weest u gerust net zoo onbeleefd als u verkiest te zijn.

S. McB. 14 December.

Lieve Judy,

Och, wees zoo goed en beplak je brieven van binnen en van buiten met zooveel mogelijk postzegels. Er bevinden zich onder mijn familie een dertig verzamelaars! Sedert je op reis bent, staat hier elken dag tegen posttijd een groepje jongens aan het hek, loerend op een brief met buitenlandsch zegel, en wanneer zij een brief voor mij te pakken hebben, rennen zij ermee naar me toe. Zeg ook Jervis dat hij ons nog wat meer van die purperen pijnboomtakken uit Honduras moet sturen en ook een paar groene papegaaien uit Guatemala. Daarvan kan ik massa's gebruiken!

Is het niet heerlijk, dat die kleine lustelooze wezentjes nu zooveel belangstelling in alles toonen! Mijn kinderen gaan nu bijna op echte kinderen lijken. Slaapkamer B. heeft gisternacht een kussengevecht op touw gezet uit eigen initiatief en hoewel het eigenlijk een beetje lastig was met het oog op mijn schaarschen linnenvoorraad, heb ik toch meegedaan en zelf kussens naar hen toe gegooid.

En verleden Zaterdag hebben die twee avontuurlijke vrienden van Percy den heelen middag met onze jongens gespeeld. Ze hebben hen in drie groepen verdeeld en elke man nam de leiding op zich van een Indianenkamp en bracht met zijn getrouwen den middag door in een wanhopigen strijd op leven en dood, met een prijs voor het overwinnend kamp. Ze brachten dien prijs zelfs met zich mee:

Illustration from Het "John Grier Home"

een wreedaardig gezicht van een Indianenopperhoofd op leer geschilderd. Een vreeselijke wansmaak, maar de mannen vonden het aardig, dus heb ik het ook met groote bewoordingen bewonderd.

Toen het gevecht afgeloopen was, heb ik hen met warme chocolademelk en koekjes verkwikt en ik geloof werkelijk, dat de grooten even hard als de kinderen hebben genoten. In elk geval hadden ze er meer plezier van dan ik, want ik kon mijn vrouwelijke angst gedurende het gevecht maar niet meester worden en was telkens bang, dat er hier of daar door te groote wildheid een ongeluk zou gebeuren. Maar aan den anderen kant weet ik ook heel goed, dat 24 dapperen niet aan Moeders rokken zullen blijven hangen en ik heb werkelijk nog nooit iemand gezien, die aardiger met mijn jongens heeft gespeeld dan die drie heeren.

Wat ik nu weer het liefste zou willen is, dat een stuk of acht lieve fijngevoelige jonge vrouwen op een avond in de week geregeld hier zouden komen en, voor het vuur gezeten, sprookjes zouden vertellen aan onze kinderen terwijl die boonen afhaalden of erwtjes zouden doppen of iets anders doen. Ik zou zoo graag willen dat mijn kleintjes ieder op hun beurt eens flink vertroeteld werden. Zie je Judy, ik kan jouw jeugd niet vergeten en ik tracht nu de leegte in het leven van die kindertjes zooveel mogelijk aan te vullen.

De regentendag van verleden Woensdag verliep prachtig. De nieuwe dames zijn erg lief en alleen maar de aardige heeren verschenen.

Ik kan je het prettige nieuws berichten, dat de WelEd. Gestr. Heer Wijkoff op bezoek bij zijn getrouwde dochter in Scranton is en ik hoop maar, dat ze haar vader uitnoodigt voor goed zijn tenten bij haar op te slaan.

Woensdag.

Mijn verhouding tot den dokter is meer dan ergerlijk en werkelijk, daartoe bestaat geen enkele reden. Hij gaat zijn gang in zijn droge, afgezonderde leefwijze zonder ook maar het minst aandacht aan iemand of iets te wijden.

Ik ben gedurende deze laatste maanden meer verwaarloosd geworden dan in mijn heele vroegere leven ooit het geval was en ik spits me erop om wraak te kunnen nemen. Ik breng al mijn vrijen tijd daarmede door, dat ik in mijn fantasie situaties in het leven roep, waarbij hij vreeselijk gewond wordt en mijn hulp absoluut noodig heeft terwijl ik met de grootste boosaardigheid mijn schouders onverschillig ophaal en me van hem afwend.

Werkelijk, je zou het vroolijke onbezorgde en vriendelijke persoontje dat ik vroeger was, niet meer in die oude, kwaadaardige heks herkennen.

's Avonds.

Geloof je werkelijk dat ik een autoriteit ben, wat de zorgen voor door liefdadigheid gesteunde kinderen betreft? Morgen gaan ik en andere autoriteiten een officieel bezoek afleggen bij het "Hebrew Sheltering Guardian Societys Orphan Asylum" te Pleasantville. (Wat een naam)! Het is van hieruit een zeer omslachtige en langdurige reis, waarbij opstaan voor dag en dauw, het gebruik van twee treinen en een auto is vereischt, maar als je werkelijk een autoriteit bent, moet je ook daarnaar leven. Ik vind het prettig andere inrichtingen te zien en zooveel mogelijk plannen tegenover onze vernieuwingsplannen van het volgend jaar te stellen. En dit gesticht te Pleasantville moet zeer goed gebouwd zijn.

Na veel overpeinzingen moet ik eerlijk bekennen, dat het heel verstandig was, dat we de verbouwing tot den volgenden zomer hebben uitgesteld. Natuurlijk was ik teleurgesteld omdat ik nu niet meer het middelpunt van de algemeens afbraak kan zijn en ik houd er zooveel van, zoo'n middelpunt van afbrekingen te zijn! Maar misschien wil je toch mijn raadgevingen aanvaarden hoewel ik dan niet langer het officiëele hoofd zal zijn. De twee verbouwingen, waartoe we dit jaar zijn overgegaan, zijn prachtig en voldoen volkomen aan de gestelde eischen. Ons nieuwe waschhuis wordt hoe langer hoe beter en bevrijdt ons van die vreeselijke lucht, die zoo eigen is aan gestichten. En het huisje van onzen tuinbaas zal waarschijnlijk de volgende week klaar komen. Het eenige wat daar nu nog aan ontbreekt, is een kwast verf en een paar deurknoppen.

Maar och lieve deugd, daar wacht ons een teleurstelling, want Juffrouw Turnfelt heeft ondanks haar gezellige dikte en zonnigen lach er het land aan, dat kinderen om haar heen rumoeren. Ze maken haar zenuwachtig. En Turnfelt zelf, hoewel een uitstekend tuinier, is geestelijk niet zoo ontwikkeld als ik wel gehoopt had. Toen hij pas hier kwam, stelde ik de bibliotheek tot zijn beschikking. Hij begon met het gedeelte, het dichtst bij de deur, hetwelk 37 deelen van Pansy's werken bevat. Toen hij vier maanden over Pansy had gedaan, dacht ik, dat een verandering geen kwaad kon en stuurde ik hem "Huckleberry Finn", maar hoofdschuddend bracht hij dat boek na een paar dagen terug en beweerde, dat na Pansy elk ander boek hem saai toeleek. Ik ben bang dat ik iemand noodig zal hebben die een beetje meer naar afwisseling haakt, maar in elk geval is Turnfelt bij Sterry vergeleken nog een echte geleerde.

O ja, van Sterry gesproken, dat heer bracht ons een paar dagen geleden een bezoek met de houding van een geslagen hond. Het schijnt dat de rijke heer in de stad, wiens landgoed hij heeft beheerd, hem niet langer gebruiken kan en Sterry heeft ons nu vriendelijk voorgesteld om hier terug te komen en zelfs toegestaan, dat de kinderen zich met hun tuintjes zouden vermaken als zij dat zoo graag wilden. Ik heb echter voet bij stuk gehouden en zijn aanbod niet geaccepteerd.

Vrijdag.

Ik kwam gisternacht vol afgunst uit Pleasantville terug. Och mijnheer de President, geef ons hier ook wit gepleisterde cottage-woninkjes met Luca Bella Robbia figuren als versiering aan het front van het huis! Zij hebben daar bijna 700 kinderen, alle van niet al te jeugdigen leeftijd. Natuurlijk maakt dat een groot verschil met ons 107-tal, waaronder zooveel babies. Toch gaf de directrice mij een paar heel goede wenken. Ik verdeel nu mijn kuikens in groote en kleine zusjes en broertjes. Elke groote heeft een kleine, waarvoor bij moet zorgen en die hij moet liefhebben en moet helpen, terwijl hij toe moet zien, dat het haar van het kleintje altijd netjes gekamd is en zijn kousen opgetrokken, en zorg moet dragen dat het kind zijn lessen goed kent. En ook moet het groote kuiken het kleine liefkoozen en streelen en zorgen dat het kindje ook zijn aandeel aan kandijklontjes en ander lekkers krijgt. Zoo zorgt b.v. groote zusje Sadie Kate voor kleine zusje Gladiola en dat is natuurlijk heel prettig voor Gladiola maar het is speciaal goed voor de ontwikkeling van Sadie Kate.

Ook richt ik bij onze oudere kinderen een bond op voor zelfbeheersching, zooals wij die ook op de Universiteit vormden. Dat zal hen helpen als ze hun weg in het leven moeten zoeken en hun eigen heer en meester zijn. Het lijkt me vreeselijk om die kinderen al met hun zestiende jaar de wijde wereld in te sturen. Vijf van hen zijn zoo ver, maar ik kan het toch niet over mij verkrijgen. Ik herinner me mijzelf op dien leeftijd. Ik was nog zoo'n onwetend luchthartig jong ding en wie weet, wat er van mij terecht zou zijn gekomen als ik dan al voor mezelf had moeten zorgen.

Ik moet je nu verlaten want ik heb nog een flinken brief aan een jong politicus in Washington te schrijven en dat is zwaar werk. Wat kan ik aan een staatsman schrijven, waarin hij belang stelt? Ik kan niet anders dan over babies en nog eens babies berichten en hem zou het niets kunnen schelen als alle babies van de wereldoppervlakte plotseling weggevaagd werden. Of neen, dat is niet waar. Ik ben bang dat ik hem verloochen. Babies, tenminste jongens-babies, groeien op tot kiezers!

Dag! Sallie.

Lieve Judy,

Als je vandaag een gezelligen brief van me verwacht, laat die hoop dan maar dadelijk varen. Het is hier vreeselijk ellendig mistig druilerig weer met veel regen en natte sneeuw en akelige natte kou. Dan heb jij op het mooie Jamaica met zijn zonneschijn en oranjebloesem, het toch vrij wat beter dan ik hier.

Er heerscht hier kinkhoest en de menschen kunnen ons zelfs in den trein, hier twee mijlen ver weg, hooren hoesten. Hoe we er aan zijn gekomen, weten we niet. Dat is een van de genoegens van het gestichtsleven! Onze keukenmeid is er stiekum van door gegaan. Ik begrijp niet hoe ze haar koffer heeft weggekregen, maar weg is die! En het keukenvuur schijnt haar vergezeld te hebben — alle pijpen zijn bevroren en nu zijn de loodgieters hier aan het werk en hebben den keukenvloer opengebroken. Een van onze paarden heeft de spat en het mooist van alles: onze arme, lieve Percy is zoo down, zoo down, zoo down! Wij hebben drie dagen lang geen rustig oogenblik gehad omdat wij bang waren, dat hij zelfmoord zou plegen. Dat juffertje in Detroit (ik zag wel dadelijk, dat het een harteloos, oppervlakkig vlindertje was) is, zonder zelfs de moeite te nemen hem zijn ring terug te zenden, er van doorgegaan en heeft zich verkocht aan een man, die behalve haar echtgenoot nog de gelukkige bezitter van een jacht en een stuk of wat auto's is. Het is het beste, wat Percy ooit had kunnen overkomen, maar het zal nog wel heel lang duren eer hij zelf tot dit inzicht komt.

Onze 24 Indianen zijn weer bij ons in huis. Het speet me dat ik hen moest binnenroepen, maar de tenten zijn werkelijk niet geschikt om er in te overwinteren en ik kan hen hier ook heel goed huisvesten, want de groote, ijzeren waranda, die op Jervis' raad met glas is overdekt, biedt een prachtige slaapplaats. En ook dat deel, hetwelk voor de zonnebaadjes van onze kleintjes dient, is een prachtige aanvulling van de nursery. Wij kunnen onze kleintjes zien groeien onder den extra toevoer van zonneschijn en frissche lucht!

Met den terugkeer der Indianen in de geciviliseerde maatschappij eindigt Percy's werkkring hier. Ik dacht dat hij weldra zijn intrek in het hotel zou nemen maar hij gevoelt niet den minsten lust om te verhuizen. Hij is aan de jongens gewend geraakt, zegt hij en hij zou ze erg missen als hij hen niet meer dagelijks zag. Ik denk dat hij in werkelijkheid zich zóó ellendig voelt door zijn verbroken verloving, dat hij bang is voor de eenzaamheid. Hij heeft iemand noodig die elk vrij oogenblik bij hem kan zijn en God weet hoe dolblij wij zijn, dat wij hem nog een tijdje hier kunnen houden. Hij gaat zoo prachtig met onze aankomende jongens om en ze hebben behoefte aan den invloed van een man, maar wat ter wereld moeten wij met hem beginnen? Zooals jij ook verleden zomer ontdekte, bevat dit ontzagwekkend kasteel geen overvloedige logeerkamers. Hij heeft het zich tenslotte in het laboratorium van den dokter gemakkelijk gemaakt en de geneesmiddelen zijn zoo lang naar een kleine kamer bij de hal verhuisd. Hij en de dokter hebben het zoo met elkaar afgesproken en als zij beiden niet tegen wat ongemak opzien, vind ik het ook goed.

Ik kijk daar juist op den kalender en zie dat het nog maar een week voor Kerstmis is. Hoe kunnen wij al onze plannen in die ééne week ten uitvoer brengen! De kinderen geven elkaar cadeautjes en wel een duizend geheimpjes werden in mijn oor gefluisterd.

Gisternacht heeft het gesneeuwd. De jongens zijn 's morgens in het bosch geweest, waar ze klimop hebben geplukt en dennegroen, dat ze op sleden hierheen hebben gebracht. Twintig meisjes zijn nu elken middag in het waschhuis bezig met het binden van groen voor het versieren van de ramen. Ik weet nog niet hoe we de volgende week zullen kunnen wasschen. We waren eigenlijk van plan geweest om den Kerstboom als een verrassing achter te houden, maar wel vijftig kinderen hebben een kijkje door het raam van het waschhuis genomen en ik vrees, dat zij het aan wel vijftig anderen oververteld zullen hebben.

Op je verzoek hebben we de Sinterklaasmythe onder de kinderen verbreid maar mijn verhaal vindt niet veel geloovige toehoorders. "Waarom is hij dan vroeger nooit gekomen?", was Sadie Kate's sceptische vraag. In elk verschijnt St. Nikolaas dus dit jaar bij den Kerstboom. Uit beleefdheid verzocht ik den dokter om hiervoor te spelen en daar ik er haast zeker van was, dat hij zou weigeren, had ik Percy gevraagd in geval van nood ervoor op te treden. Maar je kunt nooit weten hoe een Schot handelen zal. Sandy nam het zeer vriendelijk aan, wat ik Percy meegedeeld heb.

Dinsdag.

Is het niet eigenaardig dat sommige menschen er maar op los praten en net zeggen, wat hun in hun dom brein te binnen schiet? Ze schijnen er absoluut geen conversatie op na te houden — het eenige, waarover ze kunnen spreken, is over het weer en over schandaaltjes.

Dat is alles à propos van een bezoek dat ik vandaag ontving. Een vrouw kwam hier het kind van haar zuster brengen om het schaapje hier te houden totdat de moeder hersteld is, hoewel ik uit hetgeen zij mij zei, moet opmaken, dat daar bitter weinig kans op bestaat. In elk geval echter waren alle voorbereidingen reeds genomen en had de vrouw slechts het meisje af te leveren en zelf te vertrekken. Maar daar zij nog een paar uur op haar trein moest wachten, gaf zij te kennen dat zij het gesticht graag zou zien. Ik liet haar dus de kamer van het kleintje zien en het kribje, waarin kleine Lilly voortaan zal slapen en onze gele eetzaal met zijn fries van konijntjes, zoodat zij zooveel mogelijk vriendelijke indrukken met zich mee kon nemen naar de arme moeder. Daar zij vermoeid scheen, noodigde ik haar uit, in mijn zitkamer een kopje thee te drinken. Dr. MacRae, die er ook juist was en verbazend hongerig scheen te zijn (wat thans uiterst zelden het geval is — hij stemt er nu maar twee keer maandelijks in toe een kopje thee bij de directrice te drinken), kwam ook, zoodat wij een klein gezelschap vormden.

Nu gevoelde de vrouw de verplichting op zich rusten ons af te leiden en bij wijze van conversatie vertelde zij, dat haar man verliefd was geraakt op een meisje aan de kas van een cinema (volgens haar een beschilderd mager nest) met geel haar, dat den heelen godsganschelijken dag niets anders deed dan gom kauwen, en nu al zijn geld voor dat meisje uitgaf om nooit anders dan stomdronken bij zijn vrouw thuis te komen, waar hij dan wel wat erg wild met haar meubeltjes omging. Een ezel met het schilderij van haar moeder, dat ze al voor haar huwelijk had, gooide hij bij een van die gelegenheden om, alleen maar om het plezier te hebben het te hooren kraken. Tenslotte voelde de arme tobster zich te moe om zoo verder door te leven. Dus dronk zij een flesch azijn leeg, omdat iemand haar had gezegd, dat het vergif is als je het achter elkaar opdrinkt. Maar ze ging niet dood, ze werd alleen ziek, en hij kwam terug en zei, dat hij haar dood zou ranselen als ze ooit weer den moed had zoo'n grapje uit te halen. En hieruit maakt zij de gevolgtrekking, dat hij toch nog wel iets voor haar moet voelen.

En dat alles dreunde ze achter elkaar op terwijl ze in haar kopje thee roerde.

Ik dacht er over na, wat ik zou kunnen zeggen, maar werkelijk, ik kon geen woorden vinden. Maar Sandy was bij die gelegenheid weer een echt flink man. Hij sprak haar prachtig toe en zoo kalmeerend en stuurde haar daarna geheel opgelucht weer naar huis. Ja, onze Sandy kan werkelijk verbazend aardig zijn als hij dat wil, vooral tegenover lui, die geen recht op hem hebben. Ik denk dat dat tot zijn doktersroeping hoort en het een deel van zijn werk is om den geest zoowel als het lichaam te genezen. De meeste lui schijnen die weldadige geestelijke rust ook noodig te hebben. Mijn bezoekster leek mij ook in zoo'n rustbehoevenden staat te verkeeren. Ik denk erover na, wat ik wel zou doen als ik met iemand getrouwd was, die mij voor zoo'n gomkauwend meisje in den steek liet en thuis kwam om alles stuk te smijten. Naar de tooneelstukken van dezen winter te oordeelen, is dat iets wat iedereen kan overkomen — zelfs in de beste kringen.

Je behoort den Hemel te danken, dat je Jervis tot man hebt. Er gaat zoo iets zekers van hem uit. Hoe langer ik leef, des te meer kom ik tot de ontdekking, dat een goed karakter toch het eenige is wat waarde heeft. Maar hoe ter wereld kun je achter de waarheid komen! De mannen kunnen over het algemeen zoo handig van zich af praten!

Good-by! Prettige Kerstdagen, Jervis en twee Judies!

S. McB.

P.S. Ik zou het heel prettig vinden als je mijn brieven wat vlugger beantwoordde.

John Grier Home. 29 December.

Lieve Judy,

Sady Kate heeft er de heele week mee zoek gebracht om een Kerstmis-epistel aan jou op te stellen en ik heb er niets meer aan toe te voegen. O, we hebben zoo'n heerlijken tijd hier gehad! Behalve alle cadeaux en spelen en lekkere dingen om te eten, hebben we hier boerendansen uitgevoerd en wedstrijden op schaatsen gehouden en caramels gemaakt. Ik weet niet of deze vertroetelde vondelingetjes ooit weer in normale kinderen zullen veranderen.

Hartelijk dank voor je zes cadeaux. Ik ben met alle zes erg in mijn schik, vooral met het portretje van Judy junior; dat ééne tandje, dat ze met zooveel trots toont, geeft bepaald iets intelligents aan haar snuitje.

Je zult het ook wel prettig vinden, dat ik Hattie Heaphy bij een domineesfamilie heb kunnen plaatsen. Het zijn verbazend lieve menschen. Ze hebben zelfs niet met hun oogen geknipt toen ik hun het verhaal van den avondmaalsbeker deed. Zij hebben het kind als Kerstcadeau aan elkaar gegeven en ze dribbelde toch zoo gelukkig weg aan de hand van haar nieuwen vader!

Ik zal je niets meer schrijven want vijftig kinderen zenden je nog bedankbriefjes en de arme Tante Judy zal onder haar mail begraven worden als de boot dezen keer aankomt.

Veel liefs aan alle Pendletons.

S. McB.

P.S. Singapore zendt veel hartelijke groeten aan Togo. Het spijt hem dat hij je hond indertijd in zijn oor heeft gebeten.

John Grier Home, 30 December.

O, Gordon, beste jongen, ik heb toch zoo'n vreeslijk boek gelezen! Ik probeerde laatst Fransch te spreken en daar het niet al te best van stapel liep, begreep ik, dat ik mijn taalstudie wel eens mocht opfrisschen als ik er niet heelemaal uit wilde raken. Onze Schotsche dokter heeft gelukkig zijn opvoedingsplannen bij mij gestaakt, dus heb ik nog wat vrijen tijd hiervoor. Het een of ander ongelukkig toeval liet mij naar "Numa Roumestan" van Daudet grijpen, maar dat is een slecht boek voor een jong meisje, dat met een staatsman verloofd is. Lees het eens, mijn lieve Gordon, en tracht er dan vooral tegen te waken, dat je karakter op dat van Numa gaat lijken. Het is de geschiedenis van een staatsman, die onrustbarend betooverend is (net als jij) en door iedereen bemind wordt, die hem slechts kent (ook weer evenals jij). Hij heeft een zeer innemende wijze van spreken en steekt prachtige speeches af (ook weer net als jij). Iedereen ligt aan zijn voeten en zegt tegen zijn vrouw: "Wat moet U, die dezen prachtmensch zoo intiem kent, toch een heerlijk leven hebben".

Maar hij was niet zoo lief als hij bij haar thuis kwam, alleen maar wanneer hij een zaal vol toehoorders voor zich had met daverend applaus. Met elken kennis zou hij een glas wijn drinken en vroolijk zijn en vertrouwelijke mededeelingen doen, maar als hij daarna thuis kwam, was hij brommerig. "Joie de rue, douleur de maison", is de strekking van het boek.

Ik heb tot gisternacht twaalf uur aan één stuk doorgelezen en werkelijk, het boek hield me wakker. Ik weet, dat je er boos om zult zijn, maar heusch, lieve Gordon, er is te veel waarheid in, om mij niet te ontroeren. Ik wilde niet meer over het ongelukkige incident Op 20 Augustus spreken (we hebben het toen voor goed afgehandeld) maar je weet heel goed, dat jij iemand noodig hebt, die over je waakt, en ik vind dat geen prettige gedachte. Ik wil het gevoel hebben dat ik absoluut veilig ben en ook gerust kan zijn bij den man, met wien ik trouw. Ik zou nooit in een voortdurend stadium van angst kunnen verkeeren en me ongerust moeten maken totdat je thuis kwam.

Lees "Numa" eens, en dan zal je het vrouwenstandpunt, dat ik hierbij inneem, heel goed begrijpen. Ik ben in geen enkel opzicht geduldig of zacht of met een kwijnende verdraagzame natuur toegerust en ik ben een beetje bang voor wat ik doen zou, als in mijn leven iets dergelijks zou gebeuren. Mijn hart moet absoluut kalm zijn als het goed wil werken en o, Gordon, ik hoop zoo, dat ons huwelijk een mooi huwelijk zal zijn.

Vergeef het me, dat ik zoo schrijf. Ik meen er niet mee dat ik werkelijk geloof, dat je een vreugde op straat en een last in huis zult zijn. Het komt alleen doordat ik gisternacht geen oog heb toegedaan en me nu zoo gedrukt voel.

Laat het nieuwe jaar vreugde en geluk en heerlijke rust over ons beiden brengen.

Je Sallie. 1 Januari.

Lieve Judy,

Er is iets verbazend vreemds gebeurd en nog weet ik niet of het werkelijkheid is of dat het slechts een droombeeld was. Ik zal je alles van A tot Z vertellen, maar ik geloof dat het het beste is, als je dezen brief daarna verbrandt. Hij is niet bepaald voor Jervis' oogen bestemd.

Herinner je je het geval van Thomas Kehoe, dien we in Juni hebben uitbesteed? Hij ging gebukt onder den last van uit aan den drank verslaafde ouders voort te spruiten, wat weer op erfelijke belasting aan weerszijden berustte, en toen hij nog een baby was, schijnt hij met bier inplaats van met melk gevoed te zijn. Hij kwam hier met zijn negende jaar, en uit het zwarte register zien we, dat hij gedurende zijn verblijf hier al twee maal dronken was, één keer door bier, dat hij van werklui had gestolen en een andere keer (en toen heel erg) door het drinken van brandspiritus. Je ziet dus dat het kind onder bezwarende omstandigheden werd uitbesteed, maar wij waarschuwden de familie (vlijtige, nette boerenmenschen) van te voren en hoopten er het beste van.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings