HOME" (continued 3)
Reading edition
Sadie Kate heb ik tot mijn particuliere secretaresse benoemd. Zij schrijft de bedankbriefjes voor het heele huis en haar letterkundige stijl veroorzaakt een verbazender lachlust bij onze weldoeners. Ze heeft de vaste gewoonte aangenomen steeds bij haar bedankje om een volgend geschenk te verzoeken. Tot nu toe heb ik aangenomen, dat de Kilcoynes uit het wilde Westen van Ierland stammen, maar nu begin ik er haar voorvaderen van te verdenken, dat zij eerder in Blarney Castle hun oorsprong vinden. Je kunt uit ingesloten copie-brief aan Jimmie zien, welk een overredende kracht in de pen van deze jonge dame schuilt. Ik hoop dat het, in dit geval tenminste, niet de gewenschte uitwerking zal hebben.
Lieve Mijnheer Jimmie,
Wij danke Uw alle heel harteluk voor de liefe aap die Uw ons stuurdde wij noeme hem Java omdat dat een warm ijland is aan de overkant van de oseaan, waar hij net als een vogel in een nest gebooren is al was hij grooter zij de dokter.
De eerste dag dat hij hier was hebbe alle jongens en meisjes hem een hand gegefe en goede morgen Java tegen hem gezegt en is zoo grappig hij hout je hand zoo stijf fast. Ik was eerst bang om hem aan te raake maar nu zit hij op mijn schouder en slaat zijn arme om mij heen als hij dat wil hij maakt een gek geluit en als wij aan zijn staart kome wort hij neidig.
Wij houde heel veel van hem en ook van jou. En als Uw nog wat geeft stuurt Uw ons dan een olifant. Nu hou ik op.
Uw liefhebbende Sadie Kate.

Percy de Forest Witherspoon blijft nog steeds aan zijn kamp getrouw, maar ik ben bang dat hij er op een dag genoeg van zal krijgen en dring er dus telkens op aan, dat hij eens vacantie neemt. Hij heeft veel kennissen in de omstreken en verleden Zaterdag bracht hij twee vrienden mee, aardige jongelui, die om het kampvuur zaten en jachtverhalen van de Koppensnellers in Sarawak, volgens de landkaart een smalle rose streep aan den top van Borneo, ten beste gaven. Mijn dapperen hebben nu het plan naar Sarawak te trekken en daar de Koppensnellers te dooden. Elke encyclopedie in ons huis is al geraadpleegd en er is hier geen jongen of hij kan je een nauwkeurig verslag betreffende geschiedenis, plantengroei, gewoonten en klimaat van Borneo doen. Ik zou alleen maar willen, dat Mijnheer Witherspoon vrienden bij ons wilde brengen die in Engeland, Frankrijk en Duitschland hebben gejaagd. Dat zijn wel streken, die niet heelemaal zoo chique zijn als Sarawak, maar het zou daarentegen nog nuttiger voor onze kinderen zijn.
Wij hebben weer eens een nieuwe kokkin, de vierde gedurende mijn regeering hier. Ik heb je nooit met mijn keukenmeid-ellendes verveeld, maar daaraan ontkomt ons gesticht al net zoo min als gewone huisgezinnen. Deze laatste is een negerin, een groote dikke vette glimlachende chocoladekleurige vrouw uit Zuid Carolina, en sedert zij er is, lijkt het hier wel luilekkerland. En weet je hoe ze heet? Sallie, als je het goed vindt, maar als je het niet goed vindt ook. Ik stelde haar voor, van naam te veranderen.
"Neen juffrouw, ik heet al langer dan u zoo en ik zou nooit weten, dat U het tegen mij had als u mij Mollie of anders noemde. Ik geloof, dat die naam bij mij hoort".
Dus blijft zij "Sallie". Maar we behoeven toch niet bang te zijn, dat onze brieven verwisseld worden, want haar naam is lang niet zoo gewoontjes als de mijne. Hij luidt: Johnston-Washington, met een verbindingsteeken.
Zondag.
Onze geliefkoosde bezigheid is tegenwoordig bijnaampjes voor "Sandy" te bedenken. Zijn ernstige, waardige houding leent zich heel goed voor caricatuur. Wij hebben zoo juist weer een nieuwe uitgevonden. "The Laird o' Cockpen" is Percy's ontdekking.
"The Laird o' Cockpen he's proud and he's great; His mind is ta'en up with things of the state".
Miss Snaith noemt hem vol afschuw "die man" en Betsy noemt hem graag (maar steeds in zijn afwezigheid) Dr. Levertraan. Mijn tegenwoordige lievelingsnaam is "Macphairson Clon Glocketty Angus McClan". Maar wat poëtisch gevoel betreft, spant Sadie Kate de kroon. Zij noemt hem "Mijnheer Op een Goeden Dag". Ik geloof niet, dat onze dokter ooit bezongen is geworden, maar elk kind kent het volgende gedicht uit het hoofd.
"Op een goeden dag zal iets heel aardigs gebeuren. Wees zoo goed, kind, en neem mijn waarschuwing aan. Slik met een glimlach de lekkere levertraan, Je krijgt ook een pepermuntje, dus niet zeuren".
Vanavond zullen Betsy en ik naar ons diner gaan en ik beken je eerlijk, dat wij vol nieuwsgierigheid dat oogenblik afwachten, waarop we eindelijk het interieur van het mistroostig huis te zien zullen krijgen. Hij spreekt nooit over zich zelf of over hetgeen achter hem ligt of over de personen die hij kent. Hij schijnt een geïsoleerde figuur te zijn, die op een piëdestal met het onderschrift "Wetenschap" prijkt, met geen spoor van menschelijkheid of menschelijke zwakheden, met uitzondering van zijn drift. Betsy en ik zijn dol nieuwsgierig om zijn verleden te weten te komen. Laat ons maar in zijn huis binnendringen. We zullen met onze speurneuzen dan een heel eind verder zijn! Zoolang de deur door de wreede MacGurk gesloten gehouden werd, hadden wij alle hoop opgegeven, ooit tot het heiligste der heiligdommen door te dringen. Maar nu, Judy, nu ontsluit die wonderdeur zich plotseling voor ons.
S. McB.
Lieve Judy,
Gisterenavond hadden wij het diner bij den dokter! Betsy en mijnheer Witherspoon en ik. Het was werkelijk heel aardig, hoewel ik moet bekennen dat het onder bezwarende omstandigheden begon.
Zijn huis is van binnen juist, wat het van buiten belooft te zijn! Nooit in mijn leven heb ik zoo iets gezien als de eetkamer van dien man! Het behang en het karpet en de draperieën zijn donkergroen. De zwart marmeren schoorsteenmantel beschut een paar smeulende kolen. De meubels zijn zoo donker als meubels slechts zijn kunnen. De versiering van de kamer bestaat uit twee staalgravures in zwarte lijsten: "Het afscheid van den herder" en "Het hutje aan de rots".
Wij probeerden met inspanning van al onze krachten om vroolijk en gezellig te zijn, maar het leek wel een begrafenismaaltijd. Mrs. MacGurk, in een zwart lusteren japon en zwart zijden schort gestoken, schommelde langs de tafel en reikte ons koude, zwaar te verteren schotels, en zette daarbij haar voetjes met zulk een gewicht neer, dat het zilver in de lade rammelde. Haar neus stak in de hoogte en haar mondhoeken wezen naar beneden en duidelijk gaf ze er aldus blijk van, dat zij haars meesters gastvrijheid ten zeerste misprees en voor eens en altijd den gasten duidelijk wenschte te maken, dat zij dergelijke uitnoodigingen nooit meer mochten aannemen.
Sandy scheen vaag te gevoelen dat er iets in zijn huis niet in orde was; om het een beetje ter eere van zijn gasten op te luisteren, had hij bloemen gekocht, een groote massa bloemen: prachtige Killarney en roode en gele tulpen. Die McGurk had alle bloemen zoo stijf mogelijk op elkaar in een helblauwe jardinière gepropt en die midden op tafel neergeplompt. Het leek wel een boeket van een groenteboer! Betsy en ik konden ons fatsoen haast niet houden toen wij dat middenstuk zagen, maar de dokter scheen zoo naief blij te zijn met die heldere kleuren in zijn sombere kamer, dat wij onze ondeugendheid onderdrukten en hem een warm complimentje maakten.
Zoodra het eten afgeloopen was, haastten wij ons naar zijn eigen afdeeling van het huis, waar Mrs. McGurk's invloed niet doordringt. Niemand durft hier met schoonmaakwoede bezield binnen te treden, noch in zijn bibliotheek noch in zijn zitkamer of laboratorium. De eenige die daar toegang heeft is Llewelyn, een kleine dikke roode man die in zich de kwaliteiten van chauffeur en kamermeid vereenigt.
Ofschoon de bibliotheek nu niet bepaald de mooiste kamer is, die ik ooit te zien heb gekregen, is hij toch, in aanmerking genomen dat het een heerenkamer is, niet zoo kwaad. Van den grond tot de zoldering stapelen zich de boekdeelen op, terwijl er bovendien nog op den schoorsteen boeken rondzwerven. Een half dozijn gemakkelijke leeren armstoelen en een paar dierenvellen voltooien, met een eveneens zwart marmeren schoorsteenmantel, maar dit maal boven een knappend houtvuur, de kamer. Bij wijze van snuisterij pronkt er een opgestopte pelikaan en een bronzen ooievaar met een kikker in zijn bek, ook een kraai op een boomtak gezeten en een bronzen hondje. Een flauwe jodiumlucht zweeft nog in de kamer.
De dokter bereidde zelf de koffie in een Fransche koffiemachine en wij ontsloegen zijn huishoudster. Hij deed werkelijk zijn best een goed gastheer te zijn en ik moet bekennen, dat hij geen enkele keer het woord krankzinnigheid gebruikte. Het schijnt dat Sandy in zijn vrijen tijd veel aan visschen doet. Hij en Percy deden lange verhalen over zalm en baars en tenslotte haalde hij uit zijn kast een verzameling kunstvliegen en verrijkte Betsy en mij galant met een "Waterjuffertje" en een "Glimwormpje" om er hoedenspelden van te maken. Toen helde de conversatie over naar sport in de Schotsche veengronden en hij vertelde ons, dat hij daar eens verdwaald was geraakt en den avond op de heide had doorgebracht. Er is geen twijfel aan: Sandy's hart is niet hier maar in de Schotsche Hooglanden!
Het spijt me dat Betsy en ik hem zoo verkeerd beoordeeld hebben. Hoewel het hard is om interessante dingen op te geven, geloof ik, achteraf beschouwd, toch niet dat hij een misdaad heeft begaan. Eerder gelooven wij nu, dat hij een ongelukkige liefde heeft gehad. Het is werkelijk leelijk van mij dat ik dien armen Sandy zoo voor den gek heb gehouden, want ondanks zijn grooten ernst en somberheid is hij toch een sympathiek man. Denk eens aan, als hij den heelen dag hard geploeterd heeft, komt hij thuis en moet dan alleen in die sombere eetkamer zijn maaltijd verorberen.
Zou je denken dat het hem een beetje op zou vroolijken, als ik hem mijn leger artisten stuurde om een fries van konijntjes op den muur te schilderen?
Veel liefs van Sallie.
Lieve Judy,
Kom je nooit naar New-York terug? Maak toch voort. Ik heb een nieuwen hoed noodig en verlang er dol naar, in de Fifth Avenue te winkelen en niet in Water Street. Mrs. Gruby, onze beste modiste, houdt er niet van, slaafsch de Parijsche mode na te bootsen. Zij houdt er haar eigen stijl op na. Drie jaren geleden heeft zij de groote concessie gedaan om een reis naar New-York te ondernemen en nu teert zij nog steeds op de geziene nouveautés.
Buiten mijn eigen hoed moet ik er ook nog 113 voor mijn kinderen koopen om nog niet van hun schoenen en broeken en schorten en haarlinten en kousen en kousenbanden te gewagen. Het is een heel werk om een kleine familie als de mijne behoorlijk te kleeden.
Heb je dien langen brief ontvangen, dien ik je verleden week heb gestuurd? Je hebt me niet de eer aangedaan, er de ontvangst van te erkennen en hij was toch zeventien zijdjes lang en nam dagen lang mijn vrijen tijd in beslag.
Je S. McBride.
P.S. Waarom schrijf je heelemaal niets over Gordon? Heb je hem gezien en heeft hij niets over mij gezegd? Maakt hij aan een van die aardige zuidelijke meisjes het hof, waarvan Washington zoo vol is? Je weet, dat ik graag iets van hem hoor. Waarom ben je dan zoo afgrijselijk terughoudend?
Dinsdag 4.27 n.m.
Lieve Judy,
Je telegram werd me net twee minuten geleden telefonisch overgebracht.
Ja, dank je. Ik vind het erg prettig om Donderdagmiddag 5.49 over te komen. Houd dien avond alsjeblieft vrij, want ik ben van plant tot middernacht op te zitten, om met jou en den president over niets anders dan het J. G. H. te spreken.
Vrijdag en Zaterdag en Maandag wil ik graag winkelen. Ja, je hebt gelijk, ik heb meer kleeren dan eenige gevangene noodig heeft, maar als het voorjaar aanbreekt, wil ik toch graag met nieuwe veeren prijken. Nu draag ik elken dag een andere avondjapon om ze af te dragen — of neen, niet alleen daarvoor: om mij in den waan te brengen, dat ik een heel gewoon meisje ben, ondanks de buitengewone omstandigheden waarin jij mij hebt geschopt.
De WelEd. Gestr. vond me gisteren in een nijlgroene zijcrêpe (Jane's creatie hoewel het er erg Parijsch uitziet) en leek met het geval verlegen toen hij hoorde, dat ik niet naar een bal moest. Ik noodigde hem uit om te blijven en met mij te dineeren, en hij accepteerde. Wij konden de conversatie vrijwel zoo wat gaande houden. Hij weidde druk over het eten uit, want voedsel schijnt in hooge mate tot zijn doorluchten geest te spreken. Als er op het oogenblik in New-York een stuk van Bernard Shaw gegeven wordt, zal ik zien dat ik een paar uur uitwin om dat bij te wonen. Een B.S. dialoog zou zulk een heerlijk contrast vormen met het gesprek met den WelEd. Gestr.
Het is nu onnoodig om je nog verder te schrijven. Ik zal wachten totdat ik je zie en je dan alles vertellen.
Addio. Sallie.
P.S. O, lieve deugd, juist, nu ik Sandy af en toe een beetje aardig begin te vinden, barst hij weer los en toont zich eerst recht abominabel. Wij hadden ongelukkigerwijs vijf gevallen van mazelen in het gesticht en uit zijn manieren maken wij op, dat hij vermoedt dat Miss Snaith en ik de mazelen onder de kinderen hebben verbreid om hem onaangenaam te zijn. Er zijn heel wat dagen, dat ik dien dokter naar een andere plaats dan het J. G. H. wensch!
Woensdag.
Waarde vijand,
Uw kort en waardig briefje van gisteren kwam in mijn bezit. Ik heb nog niemand gekend, die precies zoo op dezelfde manier spreekt en schrijft als U.
U zou het dus aangenaam vinden als ik die domme manie U met "vijand" aan te spreken, wilde afleggen. Ik zal die absurde spreekwijze, van U "vijand" te noemen, afleggen zoodra U die absurde wijze van optreden aflegt om dadelijk boos en beleedigend te worden, zoodra er maar iets niet goed gaat.
Ik vertrek morgenmiddag, om vier dagen in New-York door te brengen.
Hoogachtend, S. McBride.
Chez de Pendletons, New-York.
Mijn waarde vijand,
Ik vertrouw er op, dat mijn briefje U in een gemoedstoestand vindt, die eenigszins beter is dan die, welke U beheerschte toen ik U de laatste maal zag. Ik herhaal hierbij nogmaals nadrukkelijk, dat deze twee nieuwe gevallen van mazelen niet door de zorgeloosheid van de directrice in het gesticht binnenslopen maar eerder aan den ongelukkigen bouw van ons ouderwetsch gesticht te wijten zijn, welke de algeheele afsluiting van besmettelijke ziekten onmogelijk maakt.
Daar U U niet verwaardigdet ons gisterenmorgen, voordat ik vertrok, op te zoeken, kon ik U niet nog een paar laatste wenken geven. Ik schrijf U daarom thans, met het verzoek Uw critisch oog op Mamie Prout te richten, die geheel en al met ronde vlekjes bedekt is, wat op mazelen kan duiden, hetgeen ik echter niet hoop. Mamie vlekt heel gauw!
A.s. Maandag om 6 uur keer ik naar de gevangenis terug.
Hoogachtend, S. McBride.
P.S. Ik hoop dat U het mij vergeeft, maar ik moet U ruiterlijk bekennen, dat U niet tot die soort dokters behoort, welke ik graag mag lijden. Ik zie ze liever als ze dik en gezellig en glimlachend zijn.
J. G. H. 9 Juni.
Lieve Judy,
Je bent een vreeselijke familie om bezocht te worden door een licht ontvankelijk, jong meisje. Hoe kun je verwachten dat ik, teruggekomen, mij met het gestichtsleven tevreden kan stellen, na een paar dagen getuige te zijn geweest van het heerlijk rustig geluk, dat er bij de Pendletons heerscht!
Op den heelen terugreis in den trein heb ik alle jonge menschen, die ik ken, in mijn geest laten voorbijgaan, om te zien of er geen bij was die op Jervis leek, en de twee novelles, vier magazines en de doos bonbons, die je echtgenoot zorgzaam voor me had gekocht, bleven onaangeroerd naast me liggen. Ik vond hem! Hij is nog een beetje aardiger, geloof ik! Van dezen dag af aan is hij het gemerkte slachtoffer, de voor mij bestemde prooi!
Ik vind het lam dat ik het gestichtsleven zal moeten opgeven nu ik er juist zoo met hart en ziel in opga, maar indien je er niet toe kunt overgaan om het heele gesticht naar de hoofdstad te verplaatsen, zal er toch niets aan te doen zijn.
De trein was afschuwelijk laat. We stonden nog altijd dampend stil terwijl twee goederentreinen voorbij vlogen. Ik vermoed dat er onderweg iets gebeurde, wat niet in orde was en de locomotief nagekeken moest worden. De conducteur stelde ons gerust maar gaf tekst noch uitleg.
Om 7.30 stapte ik uit, als eenige passagier voor ons onbeduidend plaatsje, te midden van een grauwe duisternis en onder een stortregen, zonder parapluis, en met dien kostbaren nieuwen hoed! Geen Turnfeld stond klaar om me af te halen, zelfs geen rijtuig was aanwezig. Het is waar, ik had niet van te voren den juisten tijd van mijn trein aangekondigd, maar toch voelde ik mij gruwelijk verwaarloosd. Vaag had ik in mijn droomen alle 113 kinderen op het station zien paradeeren, bloemen voor mijn voeten strooiend en hartelijke welkomst-liederen zingend. Juist toen ik den stationschef vertelde, dat ik zijn telegrafische installatie wilde bekijken en hij om een rijtuig telefoneerde, kwamen er twee groote lichten recht op mij af en hielden een Meter voor mij stil, zoodat ik gelukkig geen kans liep omvergereden te worden. En ik hoorde Sandy's stem mij vriendelijk tegemoet klinken:
"Wel, wel, Miss Sallie McBride! Ik geloof, dat U een paar uur te laat de teugels weer in handen gaat nemen!"
Die goede man was drie maal aan het station gekomen om te zien of ik er nog niet was. Hij nam mij en mijn nieuwen hoed en tasch en plaid en boeken en chocolade onder zijn veilig dak en weg tuften wij! Werkelijk, ik had het gevoel alsof ik weer naar huis terugkeerde, verdrietig te moede dat ik het ooit had verlaten.
In gedachten, zie je, had ik het gesticht al in den steek gelaten en mijn boel gepakt en was er van door gegaan, maar het enkel idee dat je ergens niet voor je heele leven blijft, geeft je een afschuwelijk onzeker gevoel en dat is het ook, waarom proef-huwelijken zoo dikwijls mislukken. Je moet voelen dat je iets vastbesloten bent, voor eeuwig en altijd, om dan ook alle moeilijkheid te kunnen overwinnen en succes te hebben!
Het is vreemd hoeveel nieuwe dingen er in vier dagen kunnen gebeuren. Sandy kon niet vlug genoeg spreken om me alles, wat ik weten wilde, te vertellen. Zoo zeide hij mij ook, dat Sadie Kate twee dagen op het ziekenzaaltje had doorgebracht. Haar ziekte was echter, volgens diagnose van onzen dokter, het noodzakelijk gevolg van het verorberen van een halven pot frambozenjam met ik weet niet hoeveel pannekoeken. Haar werk had gedurende mijn afwezigheid bestaan in het afwasschen van het vaatwerk en zoo'n overvloed van heerlijkheden bleek te verleidelijk voor haar te zijn!
Verder staan onze zwarte kokkin en onze zwarte gedienstige Noah op voet van oorlog met elkaar. Eigenlijk is de oorzaak een kleinigheid, maar die is gegroeid door de omstandigheid dat Sallie, met een voor een vrouw ongekende zekerheid van mikken, een pan met water uit het raam gooide. Je ziet, wat een raar werk een directrice van een vondelingengesticht soms te verrichten heeft. Ze moet de kwaliteiten van een kinderjuffrouw met die van een politieagent vereenigen.
De dokter had pas de helft verteld, toen we het huis hadden bereikt, en daar hij nog niet had gegeten, in verband met het feit dat hij drie keer aan het station was geweest, verzocht ik hem de gastvrijheid van het John Grier Home te aanvaarden. Ik wilde er ook Betsy en mijnheer Witherspoon bij vragen, om bij deze gelegenheid alle verwaarloosde zaken te bespreken. Sandy nam met een vleiende toeschietelijkheid het aanbod aan. Hij schijnt graag buitenshuis te eten.
Maar Betsy was, zooals ik hoorde, naar huis gegaan om een grootmoeder, die daar op bezoek was, goedendag te zeggen en Percy speelde in het dorp bridge. Het gebeurt maar heel zelden, dat hij er een avond tusschen uit is en ik ben voor hem blij met elke afleiding, die hij heeft.
Zoo hadden de dokter en ik ten slotte een haastig geïmproviseerd tête á tête diner. Het was toen haast acht uur en onze gewone etenstijd is 6.30, maar, hoewel geïmproviseerd, weet ik toch zeker dat hij nog nooit zoo van McGurk te eten heeft gekregen. Sallie, die er mij met alle geweld van wilde overtuigen dat zij onmisbaar is, zette haar beste beentje voor, en na het diner dronken wij in de gezellige bibliotheek, voor het vuur, een kopje mocca terwijl de wind buiten huilde en de jalousieën klepperden.
Wij hadden een heel gezelligen en intiemen avond samen. Voor het eerst, sinds ik den man ken, viel het mij op dat hij werkelijk iets aantrekkelijks heeft, als je hem maar ziet zooals hij werkelijk is. Maar er is tijd en tact noodig om hem goed te leeren kennen. Ik ben nog nooit zoo'n vreemd, onverklaarbaar karakter tegengekomen. Gedurende al den tijd dat ik met hem sprak, had ik het gevoel alsof achter de gesloten lijn van zijn mond en zijn half gesloten oogleden een warm vuur smeult. Ben je er wel zeker van dat hij geen misdaad heeft begaan? Hij geeft je het heerlijk gevoel dat dit wel zoo is.
En ik moet bekennen, dat Sandy nog niet zoo'n kwaad spreker is als je hem laat begaan. Hij schijnt zich de geheele Schotsche letterkunde eigen gemaakt te hebben.
"Little kens the auld as she sets by the fire what the wind is doing on Hurly-Burly-Swire", merkte hij op toen een windvlaag den regen tegen het raam deed kletteren. Dat klinkt Iersch, vind je niet? Toch begrijp ik niet in het minst wat het beteekent. En luister nos eens hiernaar. Tusschen het drinken van kopjes koffie door (hij drinkt veel te veel voor een verstandigen geneesheer) gaf hij terloops te kennen, dat zijn familie de R. L. S. persoonlijk kende en gewoon is in 17 Heriot Row te soupeeren. Ik luisterde dien avond vol belangstelling naar hem.
Toen ik dezen brief begon, had ik niet het minste idee om hem met niets anders dan Dr. Robin MacRae's te vullen. Ik doe het slechts door berouwvol herdenken van vroegere ondeugende uitlatingen. Het was gisteren zoo aardig en gezellig, dat ik den heelen dag er berouw over voel, dat ik vroeger altijd zoo onaardig over hem den gek heb gestoken met jou en met Jervis. Ik meen werkelijk niet alle leelijke dingen, die ik zei. Deze man is steeds eenmaal in de maand aardig en lief en gezellig.
Punch heeft zoo juist een visite afgestoken en gedurende den loop van het gesprek verloor hij drie kleine padden. Sadie Kate heeft er een onder mijn boekenkast ontdekt maar de andere twee huppelden weg en ik ben doodsbang, dat zij mijn bed als toevluchtsoord voor onbehuisden zullen beschouwen. Ik wilde wel, dat muizen en slakken en padden en regenwormen niet zoo gemakkelijk te vervoeren waren. Je weet nooit wat er in zoo'n onschuldig uitzienden kinderzak schuilt.
Ik had een heerlijken tijd in Casa Pendleton. Vergeet niet, dat je me beloofde spoedig een tegenvisite te brengen.
Met stevigen handdruk, Je Sallie.
P.S. Ik liet een paar lichtblauwe pantoffeltjes bij mijn bed staan. Wil je Mary vragen of zij ze me nastuurt en blijf erbij, alsjeblieft, als ze het adres schrijft.
Aan het goederenbureau gaf ze mij als "Macbird" op.

Dinsdag.
Waarde vijand,
Zooals ik U reeds vertelde, vroeg ik het plaatsbureau in New-York mij een volmaakte kindermeid te sturen.
Gevraagd: een kindermeid met een grooten schoot, die berging biedt voor zeventien babies tegelijkertijd!
Ze kwam vanmiddag; hieronder staat de teekening van het lieflijk figuurtje dezer jonge dame.
De baby, die we op haar schoot legden, gleed er langs de ronde helling af, zoodat wij het schaap er op vast moesten spelden.
Geef Sadie Kate alsjeblieft de laatste magazine mee. Ik zal hem vanavond doorlezen en morgenochtend terugsturen.
Was er ooit een meer gedwee meisje dan
S. McBride? Donderdag.
Mijn lieve Judy,
Ik heb deze drie laatste dagen gebruikt om de laatste veranderingen, die wij in New-York hebben besproken, in te voeren: Uw woord zij wet!
De 80 speeldoozen zijn besteld. Het is een prachtig idee, dat elk kind een eigen doos heeft waarin het zijn schatten kan bergen. Het eigendomsrecht zal hem helpen zich tot een verantwoordelijkheidvoelenden burger te ontwikkelen. Ik had er zelf aan moeten denken, maar hoe het ook zij, ik heb het niet gedaan.

Arme Judy! Jij zult altijd beter weten wat voor onze kinderen noodig is, dan ik met den besten wil van de wereld ooit zou kunnen.
Wij doen ons best om voor dit gesticht zoo min mogelijk onaangename regelingen te maken, maar op één punt zal ik onverbiddelijk blijven: de kinderen mogen geen muizen of padden of regenwormen in hun doos doen.
Ik kan je niet zeggen hoeveel genoegen het mij doet, dat Betsy's salaris verhoogd is en dat wij haar nu voor goed zullen houden. Maar de WelEd. Gestr. misprees dezen stap. Hij heeft informaties genomen en gehoord, dat haar familie zeer goed voor haar kan zorgen, ook al krijgt zij heelemaal geen salaris.
"Maar U geeft toch ook geen kostelooze adviezen", zei ik tegen hem, "waarom zou zij dan moeite doen voor niets?"
"Dit is liefdadigheidswerk".
"Dan zou alleen het werk, dat je voor je zelf doet, betaald moeten worden, en het werk, dat je voor het algemeen welzijn doet, niet".
"Nonsens", antwoordde hij kortaf, "zij is een vrouw en haar familie behoort haar te onderhouden".
Dit opende een ruim veld voor debatten, waarop ik echter niet met den WelEd. Gestr. wenschte in te gaan. Dus vroeg ik, of hij het niet aardig zou vinden om een grasveld aan te leggen op den grond, die naar het hek voert. Hij wil graag geraadpleegd worden, en van die wetenschap maak ik bij onbeteekenende dingen zooveel mogelijk gebruik. Zie je, ik volg Sandy's kernachtigen raad op: "Regenten lijken veel op vioolsnaren: je moet ze niet te sterk spannen". O, welk een tact leert dit gesticht mij! Ik word op die wijze nog een prachtvrouw voor een politicus!
Donderdagnacht.
Je zult het wel leuk vinden te hooren, dat ik Punch tijdelijk bij twee allerliefste ongetrouwde dames heb geplaatst, die er altijd naar verlangd hebben een kind bij zich te hebben! Ze kwamen hier eindelijk verleden week aan en zeiden, dat ze er graag een voor een maand bij zich zouden hebben om te zien hoe deze verandering op haar zou inwerken.
Ze wilden natuurlijk een mooi kindje hebben, in wit en rose gekleed, waarmede ze veel succes zouden hebben. Ik bracht haar aan het verstand dat het heel makkelijk is om een mooi kindje groot te brengen, maar dat het oneindig veel aardiger en interessanter is, den zoon van een Italiaanschen orgeldraaier en een Iersche waschvrouw op te voeden. En ik bood Punch aan. Als een verstandige hand het onkruid weet te wieden, kan er uit dezen Napolitaanschen afstammeling een prachtkind groeien.
Ik stelde het haar voor alsof het hier een wedstrijd gold, die zij zouden kunnen winnen en ze waren er vuur en vlam voor. Wij zijn overeengekomen, dat ze hem een maand lang bij zich zullen houden en al hun krachten aan de taak zullen wijden, zoodat hij geschikt zal worden om in een lieve familie als kind aangenomen te worden. Ze hebben beiden gevoel voor humor en voor de opvoeding van een kind, anders had ik het haar nooit durven aanraden. En ik geloof werkelijk, dat zij er in zullen slagen onzen onstuimigen jongen te temmen. Ze zullen hem zooveel liefde en zorg geven als hij tot nu toe nooit heeft gekend.
Ze wonen in een allerliefst ouderwetsch huis met een Italiaanschen tuin en met meubels, die ze bij haar reizen door de wereld hebben saamgebracht. Het lijkt wel een heiligschennis om dit vernielzuchtige kind bij zooveel schatten los te laten, maar hij heeft hier gedurende de laatste maanden niets meer gebroken. Ik geloof dat zijn Italiaansch bloed bij het zien van al dat schoons tot hem zal spreken.
Ik waarschuwde de dames van te voren, dat ze niet moesten schrikken als er wat ruwe woorden uit zijn mond zouden komen.
Hij verliet ons gisteravond, afgehaald door een allerliefste auto. Om de waarheid te zeggen, ik vond het eigenlijk jammer dat hij van ons wegging, dat kind heeft de helft van mijn wilskracht in beslag genomen.
Vrijdag.
Vanmorgen kreeg ik je medaillon. Dank je hartelijk! Maar je hadt me werkelijk geen ander hoeven te geven. Een gastvrouw kan toch niet aansprakelijk gesteld worden voor alles, wat een slordige gast in haar huis verliest. En het is ook veel te mooi voor mijn ketting. Ik denk er hard over, mijn neus te doorboren en het medaillon op Singaleesche wijze aldus te dragen, zoodat iedereen het goed zien en bewonderen kan.
Ik wil je even vertellen dat onze Percy een heel goed idee heeft gehad. Hij heeft de John Grier Bank gesticht en alle bijzonderheden zeer verstandig en businesslike uitgewerkt, maar toch onbegrijpelijk voor mijn niet wiskundig aangelegd brein. Al onze oudere kinderen bezitten netjes gedrukte chèqueboekjes en krijgen $ 5.— per week uitbetaald voor het werk dat ze doen, zooals hun schoolwerk en de bezigheden die ze binnenshuis verrichten. Ze moeten dan het gesticht (ook met een chèque) kost en kleeren betalen, waarmee hun $ 5.— weer heengaan. Het lijkt wel een cirkeltje maar het is toch heel paedagogisch. Zoo zullen ze de waarde van het geld leeren kennen voordat wij hen de handelswereld insturen. Zij, die bijzonder goed hun lessen leeren of hun werk uitstekend verrichten, krijgen een extra-belooning. Mijn hoofd doet pijn als ik aan al die boekingen denk, maar Percy zegt dat het een bagatel is. Onze beste wiskundigen zullen wij aan het werk zetten, zoodat zij prachtig geschikt zullen worden voor een plaats aan een groote bank. Laat Jervis mij maar schrijven als hij van een mooie vacature aan een bankinstelling hoort. Het volgend jaar kan ik een geroutineerden directeur, een kassier en uitstekend onderlegden klerk klaar hebben voor plaatsing op een first class bank.
Zaterdag.
Onze dokter vindt het onaangenaam om "vijand" genoemd te worden. Het wondt zijn gevoel of zijn waardigheid of iets dergelijks, maar sedert ik, ondanks zijn protest, er toch mee doorga, heeft hij ook een bijnaam voor mij bedacht. "Mis Sally Lunn" noemt hij mij en hij is er erg trotsch op, zoo'n mooien naam voor mij te hebben gekozen.
Hij en ik hebben een ander tijdverdrijf gezocht. Hij spreekt Schotsch en ik antwoord Iersch en op deze wijze is onze conversatie zeer amusant.
Je denkt misschien dat dit een niet zoo groote bijzonderheid is, maar ik verzeker je, dat dit voor Sandy een heeleboel is. Sedert ik terug ben, is die man steeds hemelsch gehumeurd, nog geen enkel boos woord heb ik van hem te hooren gekregen. Ik begin te gelooven dat ik hem net zoo goed als Punch ten goede kan veranderen.
Deze brief moet nu lang genoeg zijn — zelfs voor jou. Ik heb er bij stukjes en beetjes drie dagen lang aan geschreven, wanneer ik maar mijn lessenaar voorbij kwam.
Addio! Sallie.
P.S. Ik geloof niet hard aan je veel geroemd haarmiddel of de drogist heeft het niet goed gemengd of Jane heeft niet volgens voorschrift gehandeld. In elk geval bleef ik van morgen aan mijn kussen plakken.
J. G. H. Zaterdag.
Lieve Gordon,
Ik kreeg zoo net je brief van Donderdag en vind dat je niet bepaald wijs doet met me zoo te schrijven. Natuurlijk probeer ik me niet van je af te maken, dat is mijn manier niet. Als ik dat wilde, zou ik het plotseling doen en met een vreeselijken plomp. Maar ik wist werkelijk niet, dat ik je al drie weken lang niet had geschreven. Toe, neem het mij niet kwalijk.
En daarbij, mijn lieve jongen, moet ik je nog wat zeggen. Je was verleden week in New-York en toch kwam je nooit hier om me even op te zoeken. Je dacht zeker dat wij het niet wisten, maar wij merkten het toch en wij zijn erg beleedigd.
Wil je een verslag van mijn werkzaamheden van vandaag hebben? Maandelijksch rapport van de regenten gelezen, rekeningen gecontroleerd, den agent van de State Charities Aid Association gesproken, het menu van de kinderen voor de volgende tien dagen nagekeken, vijf brieven gedicteerd aan families die kinderen van ons verzorgen, onze kleine zwakzinnige Loretta Higgins bezocht (verontschuldig mij, dat ik ook hiervan moet gewagen, ik weet je idiotisme en het aanverwante niet graag hoort bespreken), die bij een lieve familie is uitbesteed, waar zij het huishouden leert doen. Thuisgekomen heb ik getea'd en met den dokter een conversatie gehad over het zenden van een onzer kinderen naar een sanatorium, omdat het arme schaap tuberculeus is. Een artikel gelezen over het laten wonen van kinderen in cottages in vergelijking met het plaatsen van door liefdadigheid gesteunde kinderen in gestichten. (O, ik zou zoo graag cottages willen hebben! Kun je er ons niet een paar met Kerstmis cadeau doen?) En nu, om negen uur, begin ik half slaperig een brief aan jou. Ken je veel jonge meisjes die haar dag zoo nuttig besteden?
O ja, ik vergat nog te vermelden, dat ik tien minuten dezen morgen, tusschen het controleeren van mijn rekeningen door, gebruikte, om de nieuwe keukenmeid te installeeren. Sallie Washington-Johnston, die overheerlijk kookte, had een vreeselijk, vreeselijk humeur en zat onzen armen goeden Noah, den stoker, zoo op zijn kop, dat ik haar wel ontslaan moest. We kunnen Noah niet missen. Hij is veel nuttiger voor het gesticht dan zelfs de directrice en zoo is Sallie Washington-Johnston hier niet meer.
Toen ik de nieuwe keukenmeid naar haar naam vroeg, antwoordde zij: "Ik heet Susanna Estella maar mijn vriendinnen noemen me "Pet"." Pet heeft vanavond het avondeten bereid, maar ik moet erkennen, dat haar kennis niet bij die van Sallie haalt. Ik vind het erg jammer, dat je ons niet hebt bezocht in den tijd dat Sallie hier was. Je zou dan een prachtigen indruk van ons huishouden hebben gekregen!
* * * * *
Op dat oogenblik kreeg de slaap de overhand op mij. Nu is het twee dagen later.
Arme, verwaarloosde Gordon! Het schiet mij juist te binnen, dat ik je ook nooit heb bedankt voor die modelleerklei, die twee weken geleden hier kwam en dat was juist zoo'n heerlijk nuttig cadeau dat ik je telegrafisch mijn dank had moeten laten weten! Toen ik de doos open deed en al die gezellige pakjes zag, was het zoo verleidelijk, dat ik dadelijk aan het werk ging en een beeld van Singapore modelleerde. De kinderen zijn er dol op om er mee te spelen en het is heel goed, dat ze ook met hun handen leeren werken.
Na een zorgvuldige studie van de Amerikaansche geschiedenis heb ik vastgesteld, dat niets zoo waardevol is voor een a.s. President als reeds vroegtijdige verplichte verandering van bezigheid.
Daarom heb ik de dagelijksche werkzaamheden van het gesticht in honderd deelen afgepast en nu moeten de kinderen elke week een andere taak verrichten. Natuurlijk doen ze alles averechts verkeerd, want als ze juist weten, hoe ze het doen moeten, beginnen ze weer aan iets anders. Het zou voor ons oneindig gemakkelijker zijn als wij aan Mrs. Lippett's geliefkoosd systeem vasthielden, die elk kind aan een bepaalde taak bond en die zijn leven lang liet verrichten. Maar als de verleiding me te groot wordt, moe van alle moeite die het kost om de kinderen telkens en telkens weer nieuwe werkzaamheden aan te leeren, komt het beeld van de arme Florence Henty mij voor den geest, die hier zeven jaar lang de koperen deurknoppen en niets dan koperen deurknoppen te poetsen kreeg en dan maan ik mijn kinderen aan hun werk zoo goed mogelijk te doen.
Elke keer als ik aan Mrs. Lippett denk, maak ik me nijdig. Ze heeft dezelfde levensopvattingen als een zekere Tammany politicus die niet het minste verlangen had om den staat te dienen — zoo was ook het eenig belang, dat Mrs. Lippett in John Grier Home stelde, dat zij er haar brood mee kon verdienen.
Woensdag.
Welk nieuw onderwijs denk je dat ik nu in het John Grier Home invoer? Niets minder dan dat in tafelmanieren.
Ik had nooit het minste idee dat het zoo moeilijk is kinderen eten en drinken te leeren. Hun geliefkoosde houding is om hun mond bij hun beker te brengen en zoo de melk, als kleine katjes, op te slurpen. Goede manieren zijn niet alleen een vernisje, zooals Mrs. Lippett scheen te denken, ze beteekenen ook discipline en beleefdheid tegenover anderen en mijn kinderen zullen zich goede manieren moeten eigen maken.
Die vrouw heeft hun ook altijd verboden om onder het eten te spreken en nu doe ik alle moeite om er meer dan een angstig gefluister uit te krijgen. Dus heb ingesteld dat de heele staf, ik incluis, aan tafel mee aanzitten moet en het gesprek op een aardige manier moet weten op te houden. Ook heb ik een stuk van de tafel gereserveerd, waar de kinderen om beurten geplaatst worden, om zoo goed mogelijk toezicht op hun manieren en gesprek-toon te houden. Ons hoogstaand tafelgesprek luidt als volgt:
"Ja Tom, Napoleon Bonaparte was een heel groot man — ellebogen van de tafel — hij bezat een ontzagwekkende macht om zijn geest te kunnen concentreeren waar hij dat slechts op wilde, en dat is de eenige wijze, waarop iets tot stand kan komen.... Hang niet zoo over de tafel om bij het brood te komen, Suze. Vraag er beleefd om en dan zal Corry het je aanreiken.... Maar hij is er ons ook een voorbeeld van, dat wie zelfzuchtige gedachten en wenschen koestert, uitsluitend op eigen welzijn en eerzucht gericht, zonder hierbij het leven van anderen in aanmerking te nemen, tot den val komt en — Tom, hou je mond dicht als je kauwt — na den slag van Waterloo — blijf van Sadie's koekje af — was zijn val des te grooter — Sadie Kate, je kunt van tafel gaan, het komt er niet op aan wat hij deed; in geen geval geeft een dame een heer een klap".
Nu is het weer twee dagen later. Op die treuzelige wijze ben ik gedwongen al mijn brieven te schrijven.
Maar je kunt je nu toch niet beklagen, mijn beste jongen, dat ik deze week niet aan je heb gedacht. Ik weet dat je het vervelend vindt als ik je over het gesticht schrijf, maar heusch, ik kan het niet helpen, ik moet het doen, want dat is het eenige nieuws, dat ik heb. Ik heb zelfs geen vijf minuten overdag vrij om de krant even in te kijken, de groote wereld gaat aan mij voorbij zonder dat ik er iets van afweet. Al mijn kracht is nu geconcentreerd op dit kleine steenen gebouw.
Je vriendin S. McBride, Directrice van het John Grier Home. Donderdag.
Waarde vijand,
"Tijd is slechts de stroom waarin ik ga visschen". Klinkt dat niet zeer philosopisch-eigenaardig, met dien "Heer van het Heelal!" toon? Thoreau heeft het gezegd. Ik lees hem op het oogenblik met zeer veel aandacht. Ziet U, ik kwam tegen Uw letterkundigen smaak in opstand en nam weer de toevlucht tot mijn boeken. De laatste twee avonden heb ik aan "Walden" gewijd, welk boek zooveel mogelijk verwijderd staat van het probleem van het door liefdadigheid verzorgde kind.
Hebt U ooit den ouden Henry David Thoreau gelezen? U moet het toch eens doen. Ik geloof beslist dat U in hem een verwanten geest zoudt vinden. Luister maar eens hiernaar:
"Gezelschap is gewoonlijk waardeloos. Wij ontmoeten elkaar te spoedig na elkaar en hebben dus geen tijd genoeg om telkens weer nieuwe waarde voor elkaar te winnen. Het zou beter zijn als er op elke mijl slechts één mensch woonde".
Wat zal hij een gezellige buurman geweest zijn. Werkelijk, hij lijkt in vele opzichten op Sandy!
Ik schrijf U om U te berichten, dat een van onze uitbestedingsagentessen ons heeft bezocht. Ze heeft over vier kuikentjes beschikt. Een ervan is Thomas Kehoe. Wat denkt U ervan? zouden wij het wagen? De plaats, die zij voor hem bestemd heeft, is een boerderij in Connecticut, waar hij hard voor zijn brood zal moeten werken en bij den boer in zal wonen. Het lijkt mij heel geschikt en wij kunnen hem hier niet eeuwig houden. Op een goeden dag zal hij de wereld-vol-whisky in moeten gaan.
Het spijt mij, dat ik U van dat interessante werk over "Vroegtijdig idiotisme" moet afroepen, maar toch zoudt U mij verplichten als U hier tegen acht uur aankwam om met mij en de agentes over deze kwestie te confereeren.
Als steeds, Hoogachtend, S. McBride. 17 Juni,
Lieve Judy,
Betsy heeft een zeer gewetenlooze truc tegenover een paar pleegouders uitgehaald. Deze pleegouders zijn in hun reisauto van Ohio gekomen met het interessante doel om het land te bezien en een dochtertje op te pikken. Het schijnt dat zij de eerste ingezetenen van hun stad zijn, waarvan ik mij op het oogenblik den naam niet kan herinneren, maar in elk geval is het een zeer belangrijke stad. Er is daar electrisch licht en gas en Mijnheer Eerste van de Stad is bij de installatie geïnteresseerd en met een beweging van zijn hand zou de heele stad in duister gehuld kunnen worden. Maar gelukkig is hij een vriendelijke man en zal niet zooiets doen, zelfs niet als men daar verzuimen zou hem tot burgemeester te benoemen. Hij woont in een groot steenen huis met een leien dak en met twee torentjes, en houdt er een wildpark op na en een fontein en een groote verzameling van zeer fraaie boomen voor het huis (Hij had een foto in zijn zak)! Ze zijn goedgehumeurd en edelmoedig, vriendelijk glimlachende menschen en een beetje dik. Je ziet dus wat een begeerenswaardige pleegouders het zijn.
En nu hadden wij precies het dochtertje, dat zij noodig hebben, alleen was die juist op het oogenblik, dat zij hier kwamen, in een flanellen japonnetje gehuld, en had ze haar gezichtje heelemaal vuil gemaakt. Ze keken dus niet naar Caroline om, maar dankten ons heel beleefd en zeiden dat ze er over zouden denken. Voordat zij wilden beslissen, wenschten zij eerst nog het New-Yorksch vondelingengesticht te bezoeken. Wij wisten zeer goed, dat onze kleine Caroline niet de minste chance meer zou hebben als zij deze superieure kinderen hadden bewonderd.
Toen had Betsy een pracht-idee! Ze bood hun lieftallig aan om hen naar huis te rijden en daar dien middag te teaen.
Mr. en Mrs. Eersten van de Stad kennen hier niet veel menschen en hebben dus niet de talrijke uitnoodigingen gekregen, die hun rechtens toekomen, Dus waren zij naïef blij met de invitatie en het vooruitzicht op een kleine afwisseling. Zoodra zij naar het hotel teruggekeerd waren voor de lunch, liet Betsy haar auto voorkomen, en verdween in vlug tempo met baby Caroline naar huis. Ze kleedde de baby in het mooiste wit en rose geborduurde jurkje van haar nichtje, leende een hoed van Iersche kant, een paar rose sokjes en witte schoentjes en zette haar toen schilderachtig op het grasveld onder een grooten eik met een paar gekleurde ballen neer, terwijl een keurige wit geschorte nurse (eveneens van haar nichtje geleend) het kind met brood en melk voedde. Toen nu de pleegouders in spe kwamen, was Caroline zoo goed doorvoed en zoo blij, dat zij de twee luidjes met welkomstgekraai en verrukte uitroepinkjes begroette. En van het oogenblik af aan, dat die menschen het kind hadden gezien, waren ze verrukt en dol verlangend. Geen tel dachten die twee goede zielen er aan, dat zij hier hetzelfde kind van dien morgen voor zich hadden en nadat dus een paar formaliteiten vervuld waren, leek het werkelijk alsof baby Caroline in de belangrijke stad zou opgroeien tot een van de eerste burgeressen.
Nu moet ik werkelijk aan het werk om nieuwe kleeren voor onze kinderen te koopen.
Met de meeste hoogachting verblijf ik, waarde dame,
Uwe dienstwillige dienaresse Sal. McBride. 19 Juni.
Mijn liefste, beste Judie,
Luister naar de laatste sensatie, die je hart met vreugde zal vervullen:
ER WORDT GEEN BLAUW GERUIT KATOEN MEER GEDRAGEN.
Daar mijn speurneus wel begreep, dat de aristocratische buren, die wij er hier op na houden, zeer goed voor het gesticht te gebruiken zijn, bewoog ik mij den laatsten tijd veel in de goede kringen van de streek en had ik gisteren het geluk bij de lunch een allerliefste mooie weduwe aan te treffen, die prachtige kleeren droeg, welke zij zelf had ontworpen. Zij vertrouwde mij toe dat zij dolgraag costumière had willen worden en het betreurde, dat zij met een gouden lepel inplaats van met een naald in haar mond geboren was. Verder zeide ze nog dat ze steeds, wanneer ze een slecht gekleed jong meisje zag, den prikkel in zich voelde opkomen om het kind in geheel nieuwe kleeren te steken. Heb je ooit zoo iets heerlijks gehoord! Van het oogenblik af, dat ze haar mond opende, was ze gebrandmerkt.
"Ik kan U 59 zeer slecht gekleede meisjes toonen", zei ik tegen haar. "En U moet met me meegaan en nieuwe kleeren voor die kinderen ontwerpen en ze allemaal er mooi laten uitzien".
Ze kwam daartegen in opstand, maar te vergeefs! Ik geleidde haar naar haar auto, stopte haar erin en mompelde "John Grier Home" tegen haar chauffeur. Ons eerste kind waarop ons oog viel, was Sadie Kate, die, naar het scheen, juist de strooppot had uitgelikt. Voor elk aesthetisch aangelegd persoon moet ze een vreeselijken aanblik geboden hebben. Buiten haar kleverigheid had ze, o schande, een afhangende kous, haar schort was scheef dichtgeknoopt en ze had haar haarlint verloren. Maar, als steeds volkomen op haar gemak, verwelkomde zij ons met lieflijken glimlach en bood de dame een kleverig pootje aan.
"Wel Mevrouw", zei ik triomfeerend, "nu ziet U toch hoe erg wij om Uw hulp verlegen zijn! Wat kunt U voor Sadie Kate doen?"
"Wasch haar", was Mrs. Livermore's antwoord. Sadie Kate marcheerde af naar de badkamer. Toen de boenpartij afgeloopen en haar haar netjes gekamd was en haar kousen op de aangegeven hoogte waren opgetrokken, liet ik haar voor een tweede inspectie voorkomen en nu was zij een absoluut normaal vondelingetje.

Mrs. Livermore draaide haar als een tolletje rond en bestudeerde haar lang en zorgvuldig.
Sadie Kate is een ware schoonheid, een wild, donker Zigeunertype. Het lijkt er veel op alsof ze zoo uit een kamp is weggeloopen, maar met onze afschuwelijke uniform hebben we heel wat van haar schoonheid weggemoffeld.
Nadat Mrs. Livermore vijf minuten zich in diepzinnig zwijgen had gehuld, vestigde ze haar blik op mij:
"U hebt gelijk.... U hebt mij inderdaad noodig".
En toen vormden wij ons plan. Mrs. Livermore zal aan het hoofd staan van het Kleedings-comité. Ze zal drie vriendinnen uitzoeken die haar zullen helpen, en samen zullen zij met bijstand van twee dozijn van de beste naaisters onder onze meisjes en van onze handwerkonderwijzeres en onze vijf naaimachines, het gesticht in een ander pakje steken. En daarbij doen wij een zeer nuttig en goed werk, want op deze wijze zal Mrs. Livermore de taak vervullen, waarvan ze altijd heeft gedroomd. Vind je mij niet handig om haar zoo uit te vinden?
Ik heb nog veel meer nieuws en zou nog een heelen brief kunnen vullen, maar Mr. Witherspoon heeft vriendelijk aangeboden om dezen brief te posten en hij staat al, met een zeer hoogen boord aan en in pikzwarte avondkleeren gestoken, gereed om naar een feestje van zijn club te vertrekken. Ik heb hem gezegd, dat hij de allerliefste meisjes met wie hij danst mee moet nemen, om aan onze kinderen verhaaltjes te vertellen.
Ja, het gesticht verandert mij in een vreeselijk schepsel! Als ik iemand zie, denk ik er al over, welk nut ik er uit kan trekken!
Er is groot gevaar, dat de tegenwoordige directrice zóóveel belang in haar werk gaat stellen, dat zij het nooit meer in den steek wil laten. Soms zie ik mezelf als een sneeuwwit oudje, in een rolstoel gezeten, door het gesticht rondrijden, nog steeds het toezicht houdend over de vierde generatie van de gestichtskinderen.
Toe Judy, verlos me voordat die vreeselijke tijd zal aanbreken.
Je Sallie. Vrijdag.
Liefste Judy,
Gistermorgen verscheen, zonder dat wij in het minst van te voren gewaarschuwd waren, een stationsrijtuig voor ons hek, ontlaadde twee mannen, twee kleine jongens, een klein meisje, een hobbelpaard en een teddybeer en reed weer weg.
De twee mannen waren artisten en de kleintjes waren de kinderen van een kunstbroeder, die drie weken geleden gestorven was. Ze hadden die schapen bij ons gebracht, omdat ze vonden, dat John Grier Home heel solide en respectabel klonk en niets heeft, naar den naam te oordeelen, van een liefdadigheidsinstelling. Nooit was in hun artistenbrein de gedachte gerezen, dat er eenige formaliteiten noodig zijn om een kind in een gesticht te plaatsen.
Ik legde hun uit, dat het heele huis stampvol was, maar ze schenen zoo verward en verdrietig, dat ik hen uitnoodigde even te gaan zitten, terwijl ik trachten zou hun een goeden raad te geven. Dus werden de kinderen zoolang naar de speelkamer gestuurd, terwijl ik naar hun verhaal luisterde. Deze artisten hadden een fatale welsprekendheid. Wellicht ook heeft het kleine meisje, met een zeldzaam mooi kinderlachje, het gedaan — in elk geval het eind van het lied was, dat de kinderen bij ons bleven.
Ik heb nog nooit zoo'n zonnig schepseltje gezien als de kleine Allegra. (Wij krijgen hier niet vaak zulke elfenwezentjes te zien en zulke elfennamen te hooren). Ze is drie jaar en spreekt een alleraardigst kindertaaltje, waarbij zij het telkens uitschatert van de pret. De tragedie, die ze zoo pas heeft meegemaakt, heeft haar niet in het minst aangegrepen. Maar Don en Clifford, ernstige, flinke jongens van vijf en zeven, hebben al een vroeg-wijze uitdrukking op hun gezichtjes en zijn gehard in het wreede leven.
Hun moeder was kinderjuffrouw en trouwde met een schilder met een kapitaal aan geestdrift en een paar tubes verf. Zijn vrienden zeggen dat hij talent had, maar natuurlijk kon hij daarmee den melkboer niet betalen. Ze leefden op artistenmanier in een ouderwetsch atelier, kookten achter ezels, terwijl de babies op een paar planken sliepen.
Maar toch schijnt dat leven mooi geweest te zijn, want ze hadden een schat van liefde en heel veel vrienden, allen min of meer arm, maar artistiek en broederlijk en vol hooge idealen. En de kinderen met hun lieve fijne maniertjes, zijn nog het bewijs van de omgeving waarin ze zijn opgegroeid. Ze hebben iets over zich dat vele van mijn kinderen, ondanks alle goede manieren die ik hun aanleer, zich nooit eigen zullen maken.
De moeder stierf een paar dagen na Allegra's geboorte in het ziekenhuis en de vader worstelde nog twee jaar door, zwoegend voor het dagelijksch brood en er maar op los schilderend wat hij opkreeg, advertenties, reclames, alles, wat er maar was, om voor zijn kinderen dak en eten te hebben.
Drie weken geleden stierf hij in het St. Vincent gesticht, overwerkt, ondervoed, doodop. Longontsteking. Zijn vrienden namen de babies tot zich, verkochten de schilderstukken die nog niet beleend waren, betaalden de schulden en keken naar het beste gesticht uit, dat ze konden krijgen. En, hoe toevallig, hun oog viel op het onze!
Welnu, ik hield die twee artisten hier gedurende de lunch. Aardige menschen waren het met slappe hoeden, en zwarte, los gestrikte dassen, aan wien je het moeilijke leven toch kon aanzien. En toen stuurde ik ze naar New-York terug met de belofte, dat ik voor de drie kleintjes met veel liefde en toewijding zou zorgen.
Zoo zijn ze dus hier aangeland! Een in de baby-afdeeling en twee bij de grootere kleintjes. Vier groote kisten vol schilderijen in den kelder, een koffer met de brieven van hun vader en moeder op zolder en een zeker onbeschrijfelijk iets, gekenmerkt door de uitdrukking in hun gezicht, hun woordenkeuze en gedachtengang, dat is hun erfenis.
Ik moet telkens en telkens weer aan hen denken. Den geheelen langen nacht heb ik al over hun toekomst nagedacht. Niet wat de jongens betreft: die gaan later naar de Universiteit met de hulp van Mr. Pendleton en zullen beroemde burgers worden — maar ik weet niet wat er uit Allegra moet groeien. Heusch, ik zou niet weten wat ik voor dit kind zou wenschen. Natuurlijk is de normale wensch voor elk lief meisje, dat twee vriendelijke pleegouders de plaats van de werkelijke ouders, waarvan het noodlot haar heeft beroofd, zullen innemen. Maar in dit geval zou het wreed zijn dat kindje van haar broertjes te scheiden. Hun liefde voor de baby is ontroerend. Zie je, ze hebben haar groot gebracht en de eenige keer, dat ik hen hoorde lachen, was, toen zij iets leuks zeide. Die arme jongens missen hun vader vreeselijk. Gisteren vond ik Don, de kleine van vijf, hartstochtelijke snikkend in zijn bedje liggen "omdat hij vader geen goedennacht kon zeggen".
Maar Allegra doet haar naam eer aan en is werkelijk de vroolijkste jonge dame, die ik ooit heb gezien. Dat ondankbare kindje heeft nu al haar ongelukkigen vader vergeten, die zoo goed voor haar heeft gezorgd.
Wat kan ik met deze drie kleintjes doen? Ik peins en peins en peins maar ik kan de oplossing van het vraagstuk niet vinden en het schijnt mij zoo vreeselijk om die schaapjes hier groot te brengen. Want, hoe goed het er ook bij ons zal uitzien, als wij den heelen boel verbeterd hebben, toch is en blijft het een gesticht en onze kinderen blijven toch het product van een kunstmatig broedsel. Ze krijgen niet die zorgvuldige individueele warmte, die van een oude moederhen uitgaat.
Het kan zijn, dat ik je nog veel interessante nieuwtjes had te vertellen, maar mijn nieuw drietal heeft alle andere gedachten uit mijn hersens verdreven.
Kinderen geven een zekere vreugde maar ook niet weinig zorg.
Als altijd, Je Sallie.
P.S. Vergeet niet, dat je me de volgende week wilde bezoeken.
P.S. 2. De dokter, die gewoonlijk zoo droog-wetenschappelijk is en ongevoelig is op de kleine Allegra dol verliefd. Hij keek niet alleen of ze geen gezwollen amandelen had, neen, hij nam haar in zijn armen, tilde haar hoog op en knuffelde haar. O, het is zoo'n heerlijk diertje! Wat zal er uit die kleine groeien?
22 Juni.
Lieve Judy,
Ik kan je berichten, dat je niet langer bevreesd hoeft te zijn over de weinige hulp, die ons wacht als er hier een brand zou uitbreken. De dokter en Mr. Witherspoon hebben deze zaak hun volledige aandacht geschonken en tot nu toe is hier nog geen spel bedacht, dat zoo insloeg als onze brandweeroefening.
De kinderen gingen allen hun bedjes opzoeken en vielen in lichten sluimer. Plotseling weerklinkt brandalarm! Ze springen op, trekken hun pantoffels aan, nemen een deken van hun bed, wikkelen die om hun imaginaire nachtjaponnen, en gaan dan, netjes op een rij door de gang en de trap af.
Onze zeventien dreumesjes in de babykamer waren allen aan de hoede van een Indiaan toevertrouwd en werden jubelend van plezier weggedragen. De overige Indianen belastten zich met het reddingswerk, zoolang er geen gevaar dreigde, dat het dak zou instorten. Bij onze eerste oefening werd, onder commando van Percy, de inhoud van een twaalftal kleerkasten, in lakens gewikkeld, onder geschreeuw het raam uitgeworpen. Ik zorgde er nog net voor, bijtijds het opperbevel in handen te krijgen, zoodat matrassen en kussens niet denzelfden weg op gingen. Wij hebben nog uren lang die kleeren moeten uitzoeken, terwijl de dokter en Percy, wien het pretje was gaan vervelen, met hun pijp in den mond naar het Indianenkamp opliepen.
Onze toekomstige oefeningen zullen een tintje minder realistisch zijn. Toch ben ik blij, dat ik je het gunstig rapport kan overbrengen, dat onze jongens onder leiding van den chef van den brandweerdienst, den Heer Witherspoon, het gebouw in 6 miniuten en 28 seconden absoluut ledig wisten te maken.
Onze baby Allegra heeft sprookjesbloed in haar aderen en nog nooit heeft ons huis zulk een kind geherbergd, met uitzondering van dat waarvan Jervis en ik iets afweten. Zij heeft den dokter absoluut onder haar macht. Inplaats van zijn inspectiereis door het huis als een stugge wetenschappelijke man af te leggen, doet hij dat nu aan de hand van de kleine Allegra, die hij tenslotte in mijn werkkamer brengt, waar hij een half uur met paardje rijden en stoeien met de kleine doorbrengt.
Twee dagen geleden liep hij even aan om wat met Betsy en mij te babbelen, en werkelijk, hij was frivool. Hij gaf drie grappen ten beste en ging aan de piano zitten, waar hij, zich zelf begeleidende, een paar oude Schotsche liedjes zong. "My love 's like a red, red rose" en "Come under my plaidie" en "Wha's at the window? Wha? Wha?" Wat toch niet in het minst opvoedkundig is. En daarna voerde hij zelfs een paar horlepijppassen uit.
Ik kijk stil naar mijn werk en sta paf, want werkelijk, het is alles door mijn toedoen gebeurd, door het vreeselijk frivole voorbeeld en de boeken, die ik hem te lezen heb gegeven en door het introduceeren van zulke luchthartige gezellen als Jimmy en Percy en Gordon Hallock. Als wij nog een paar maanden verder zijn, is die man werkelijk mensch geworden. Hij heeft zijn purperen das al in een hoek getrapt en zich, op mijn aanraden, in een grijs pak gestoken. Je kunt je niet voorstellen, wat een verandering deze kleinigheid teweeg bracht. Hij zal er heusch gedistingeerd gaan uitzien als ik het er door weet te krijgen, dat hij zijn zakken niet meer vol propt.
Dáág! Denk je er vooral aan, dat we je Vrijdag hier verwachten?
Sallie.
P.S. Hier heb je een kiekje, dat Mr. Witherspoon van Allegra heeft genomen. Is het geen engeltje? Haar tegenwoordige kleeding verhoogt haar schoonheid niet, maar na verloop van enkele weken zullen wij haar in een roze gesmockt jurkje steken.
Woensdag, 24 Juni 10 v.m.
Mevrouw Jervis Pendleton.
Mevrouw,
Ik ontving Uw brief waaruit ik zie, dat U ons niet, zooals afgesproken was, dezen Vrijdag komt opzoeken, omdat Uw echtgenoot door zaken verhinderd is de stad te verlaten. Maar hoe zit dat, mijn lieve dame, is het zoover met je gekomen, dat je hem geen twee dagen alleen kunt laten?
Ik liet mij door geen 113 babies terughouden om jou op te zoeken en ik begrijp werkelijk niet, hoe je je door een enkelen man zoudt kunnen laten weerhouden om je belofte te vervullen. Ik zal a.s. Vrijdag, volgens afspraak, den Berkshire-express bij het station afwachten.
S. McBride. 30 Juni.
Mijn lieve Judy,
Dat was een erg kort bezoek dat je ons bracht! Toch zijn we dankbaar voor elke kleine gunst die ons ten deel valt. Ik was dol in mijn schik, dat jij zoo blij was met den gang van zaken en ik kan Jervis en de architecten haast niet afwachten, om nu eindelijk met de grootste verandering een aanvang te maken.
Je weet niet, ik had toch zoo'n vreemd gevoel al dien tijd, dat je hier was. Ik kan haast niet gelooven dat jij, mijn eenige lieve, buitengewone Judy, vroeger hier in dit gesticht bent grootgebracht en het bittere gemis van die kleine schapen dus zoo door en door meevoelt. Soms vervult de tragedie van je jeugd mij met een wilde drift en in zulk een bui zou ik mijn mouwen willen opstroopen en de heele wereld te lijf willen gaan, om de lui te dwingen een betere plaats voor al die kleine ongelukkige kinderen in te ruimen. Die Schotsch-Iersche stamboom van mij schijnt me een goede dosis vechtlust in mijn bloed gegoten te hebben.
Als je me aan het hoofd had gesteld van een modelinrichting met aardige, heldere woninkjes en waar de heele regeling prachtig liep, dan zou die eentonigheid van dat modelwerk mij heel gauw de keel hebben uitgehangen. Juist het weten dat zooveel dingen om verbetering schreeuwen, geeft mij het gevoel dat ik hier moet blijven. Soms word ik 's morgens wakker en luister naar al die gestichtsgeluiden en snuif de gestichtslucht op en verlang dan dol naar het gelukkige zorgelooze leventje, dat mij door mijn geboorte is toegewezen.
Jij, mijn kleine lieve heks, hebt me betooverd en mij hierheen gebracht, maar dikwijls breekt die ban in den nacht en ik verlang naar den komenden ochtend, met het vaste besluit, dan er van door te gaan. Maar dat vertrek stel ik altijd tot na het ontbijt uit en als ik dan door de gang loop, komt een van die kleine wezentjes op me toe en laat schuchter zijn warm knuistje in mijn hand glijden en kijkt naar me op met zijn groote kinderoogen, schuchter vragend naar een kleine liefkoozing, en ik pak hem en knuffel hem fijn in mijn armen en als ik dan over mijn schouder naar al die andere kleintjes kijk, verlang ik er naar om al die 113 kinderen in mijn armen te kunnen nemen en tegen me aan te drukken, tot hun gezichtjes vroolijk staan, zooals kindergezichtjes moeten zijn. Er gaat iets hypnotiseerends van het werk met kinderen uit, stribbel zooveel tegen als je maar wilt, je legt het er tòch bij af.
Het schijnt dat je bezoek mij in een zeer philosophische stemming heeft gebracht, maar ik heb werkelijk een of twee nieuwtjes, die ik je vertellen moet. De nieuwe jurken schieten al mooi op en o, ze zijn zoo aardig! Mrs. Livermore was dolblij met die balen gekleurd katoen, die je ons zond. Je moest onze werkkamer zien, waar alles in 't rond ligt. En als ik bedenk, hoe heerlijk onze zestig meisjes in het geel en blauw en roze en groen eruit zullen zien, als ze op ons grasveld spelen, dan denk ik er hard over een paar verrekijkers voor onze bezoekers aan te schaffen.
Natuurlijk begrijp je ook wel, dat sommige van onze jurken gauw zullen verkleuren en dus onbruikbaar zullen worden, maar Mrs. Livermore heeft hierover dezelfde slechte principes als wij beiden — ze geeft er geen steek om! Ze zal voor elk kind een tweede en derde pak maken als het noodig is. In elk geval: WEG MET HET BLAUW GERUIT KATOEN!
Ik ben blij dat je onzen dokter graag mag lijden. Natuurlijk behouden we ons het recht voor, om over hem te zeggen, dat we maar willen, maar toch zouden we ons pijnlijk beleedigd voelen als iemand zich in spottende bewoordingen over hem zou uitlaten.
Wij twee houden nog steeds contrôle over elkaars boeken. De vorige week kwam hij met Spencer's "Systeem van Synthetische Philosophie" aanzetten om het door te bladeren en in ruil hiervoor gaf ik hem het "Dagboek van Marie Bashkirtseff". Weet je nog wel, hoe wij op College onze gesprekken met aanhalingen uit Marie's dagboek wisten te doorspekken? Welnu, Sandy nam het boek mee en las het pijnlijk nauwkeurig door.
"Ja", vertelt hij een paar dagen daarna, "het is een getrouwe beschrijving van een koud, egoïstisch slag menschen, dat nu eenmaal op onze aarde rondzwerft.

Maar ik begrijp niet, waarom U het mij hebt aangeraden. Lieve hemel, Sallie Lunn, u en Bash hebben nu letterlijk niets gemeen".
Dat is de liefste opmerking, die hij ooit tegenover mij heeft geuit en ik gevoel mij zeer gevleid. Wat die arme Marie betreft, die noemt hij maar "Bash", omdat hij haar naam toch niet kan uitspreken en haar te verachtelijk vindt om het zelfs maar te probeeren.
Wij hebben hier een kind, het dochtertje van een figurante, een vreeselijk zelfzuchtig, aanstellerig, koud en leugenachtig schepseltje. Maar oogwimpers dat ze heeft, verrukkelijk! Sandy heeft nu eenmaal het land aan dat kind en sinds hij het dagboek van de arme Marie heeft gelezen, heeft hij een nieuwe uitdrukking gevonden om al zijn afschuw tegenover dat kind uit te drukken. Hij noemt haar "bash-achtig" en daarmee is alles gezegd.
Dag Judy! Kom gauw terug. Sallie.
P.S. Mijn kinderen leggen een wanhopende geneigdheid aan den dag, om hun heele vermogen aan kandijklontjes uit te geven.
Dinsdagnacht.
Mijn lieve Judy,
Wat denk je wel dat Sandy nu heeft uitgevoerd? Hij maakt een pleizierreisje naar het zenuwgesticht, waarvan de directeur-geneesheer ons een paar maanden geleden heeft bezocht. Heb je ooit zoo'n man gezien? Hij is gewoonweg dol op krankzinnigen en op idioten en kán die menschen niet met rust laten.
Toen ik hem bij zijn vertrek om eenige raadgevingen vroeg, antwoordde hij:
"Voed de kinderen goed als ze honger hebben en laat ze zonder eten als ze een maagkoliek krijgen en vertrouw nooit op een dokter".
Met dezen wenk en een paar flesschen levertraan zijn wij aan ons zelf overgelaten. Het is nu een heel geschikte tijd om even aan te loopen, want je weet niet hoe vroolijk ik ben, nu ik niet meer onder Sandy's beangstigenden invloed sta.
John Grier Home. Vrijdag.
Waarde vijand,
Hier sta ik aan den mast gebonden, terwijl U er van door gaat en Uw heil bij krankzinnigen zoekt. En ik dacht nog wel, dat ik U zoo netjes had genezen van Uw naargeestige belangstelling in zenuwzieken. Het is vreeselijk ontmoedigend. U leek mij in den laatsten tijd nog wel zoo gewoon.
Mag ik U vragen hoe lang U daar denkt te blijven? U hadt verlof voor twee dagen en nu bent U er al vier weggebleven. Gistermiddag is Charlie Martin uit een kerseboom gevallen, waarbij hij een wond aan zijn hoofd heeft opgedaan. Dus was hij gedwongen om de hulp van een vreemden dokter voor lief te nemen. Vijf steken. Patiënt tamelijk goed. Maar wij houden er hier niet van om op vreemdelingen te zijn aangewezen. Ik zou niet durven kikken als U werkelijk voor een begrijpelijke zaak er van door was, maar U weet ook heel goed, dat U, na een week met Uwe droefgeestigheid te hebben gestreden, in een allerverdrietigste bui terug zult keeren, er vast van overtuigd, dat het menschdom geen knip voor den neus waard is. En mij zal de zware taak te beurt vallen om U weer tot een gemoedelijke bui op te werken.
Kom, Iaat die krankzinnigen aan hun lot over en keer naar het John Grier Home terug! Wij hebben U noodig!
I am most fervent,
Your friend and servant, S. McB.
P.S. Bewondert U dit dichterlijk slot niet? Ik ontleen het aan Robert Burns, wiens werken ik, in gedachtenis aan een Schotschen vriend, met veel liefde lees.
6 Juli.
Lieve Judy,
De dokter is nog altijd weg. Geen woord van hem.
Het lijkt wel of de schoot der aarde hem tot zich heeft genomen zonder een enkel spoor achter te laten. Ik weet niet eens of hij nog ooit terugkomt, maar hier gaat alles uitstekend zonder hem. Ik lunchte gisteren bij de twee lieve dames, die Punch bij zich in huis hebben genomen. De jonge man schijnt zich daar al volkomen thuis te gevoelen. Hij nam mij bij de hand en nam de honneurs van het huis waar, door mij in den tuin alle bezienswaardigheden te toonen. Bij de lunch tilde een Engelsche bottelier hem in een stoel en deed hem zijn servet voor met een eerbied en een gebaar, alsof hij een prins van den bloede bediende. De bottelier is pas van het landgoed van den graaf van Durham gekomen, Punch uit een stoep van de Houston Street. Het was een zeer interessant geval.
Mijn gastvrouwen onderhielden mij naderhand met anecdotes van hun tafelgesprekken gedurende de laatste twee weken (het verwondert mij, dat de bottelier nog niet zijn dienst heeft opgezegd, hij zag er toch zeer respectabel uit). In elk geval heeft Punch er voor gezorgd, dat zij voor de rest van haar leven voorzien zijn van grappige historietjes; de eene denkt er zelfs over om een boek te schrijven. "Nu leven wij tenminste", zei ze ontroerd en veegde een paar traantjes van haar maagdelijke wangen weg.
De WelEd. Gestr. viel gisteravond om 6.30 hier binnen en trof mij in een avondjapon aan, op het punt om naar een diner bij de Livermores te gaan. Hij maakte een milde opmerking, dat Juffrouw Lippett nooit getracht had zich in gezelschapskringen te bewegen maar al haar energie voor haar werk had opgespaard. Je weet dat ik niet kwaadaardig van aard ben, maar ik kijk nooit naar dien man zonder den stillen wensch te koesteren, dat hij zich onder in een schip bevindt, als dat tegen een rots te pletter loopt. (Als hij zich niet onder in het ruim zou bevinden, zou hij er nog uitspringen en op zijn vet blijven drijven).
Sing groet je zeer eerbiedig en is heel blij, dat je niet kunt zien, hoe hij er uitziet. Tengevolge van een zeer slechte daad is het arme dier van zijn schoonheid beroofd. Het een of ander stout kind (ik geloof nooit, dat we hier met een jongen te doen hebben), heeft dat arme beest bij blokjes geschoren, zoodat hij er nu als een armzalige, door de motten verwoeste hond uitziet. Niemand weet wie het gedaan heeft. Sadie Kate gaat heel handig met de schaar om maar o, ze is ook zoo handig in het vinden van een alibi! Op het oogenblik dat het scheren gebeurd moet zijn, zat ze op een stoel in de schoolkamer met haar gezicht naar den muur gekeerd, wat 28 kinderen kunnen getuigen. Niettemin behoort het tot Sadie Kate's dagelijksche bezigheden om die weggeschoren plekjes met zalf in te smeren.
Je Sallie.
P.S. Hierbij het laatste portret van den WelEd. Gestr. Heer, naar het leven genomen. De man is in sommige opzichten een zeer goed spreker. Zoo maakt hij b.v. ook bewegingen met zijn neus!

Donderdagavond.
Lieve Judy,
Sandy is na een afwezigheid van 10 dagen teruggekeerd — geen enkele uitleg! Volslagen stilzwijgen hierover! Hij wijst al onze vriendschappelijke pogingen om hem op te wekken af, en wil met geen van ons iets te doen hebben, met uitzondering van de baby Allegra. Hij nam haar vanmiddag met zich mee naar huis om met hem te eten en bracht haar pas tegen half zeven terug. Een schandalig uur voor een jonge dame van drie! Ik weet niet, wat ik van onzen dokter denken moet: hij wordt werkelijk met iederen dag onbegrijpelijker!
Percy daarentegen is een ronde vertrouwelijke jongen. Hij heeft zoo juist een bedankvisite voor een diner gemaakt (hij is zeer stipt in dergelijke plichten) en nu hebben wij den heelen avond over niets anders dan zijn meisje in Detroit gesproken. Hij voelt zich erg eenzaam en spreekt graag over haar. En o Judy, hij spreekt op zoo'n fijne, teere wijze over haar! Ik hoop dat Juffrouw Detroit die heerlijke liefde waard is, maar ik ben er hard bang voor. Hij haalde uit het binnenste zakje van zijn vest een leeren portefeuille te voorschijn en nadat hij twee vloeitjes had weggeschoven, toonde hij mij het portret van een dom klein meisje — niets dan gekroesd haar en oorbellen en een paar oogen! Ik deed mijn best om hem hartelijk geluk te wenschen, maar mijn hart kromp ineen van medelijden toen ik aan de toekomst van dien armen jongen dacht. Is het niet vreemd, dat de beste mannen dikwijls zulke onbeduidende zelfzuchtig-oppervlakkige vrouwen kiezen, terwijl de kloekste vrouwen zoo vaak met afschrikwekkende mannen trouwen? Het schijnt dat hun eigen mooi karakter hen blind maakt voor de slechte hoedanigheden van den ander.
Je weet dat voor mij een der interessantste dingen van het leven het bestudeeren van vreemde karakters is. Ik geloof dat ik eigenlijk schrijfster had moeten worden! De menschen trekken mij aan totdat ik hen heb doorzien en absoluut ken. Percy en onze dokter vormen een opvallend contrast. Je kunt altijd zien waarover die aardige rondborstige jonge man denkt — zijn karakter is met hoofdletters en eenlettergrepige woorden geschreven. De dokter daarentegen zou wel een karakter kunnen hebben geschreven met Chineesche letters, wat de duidelijkheid betreft. Je hoort wel eens van menschen die er een dubbel karakter op na houden. Welnu, Sandy heeft beslist een drievoudig karakter. Gewoonlijk is hij door en door geleerd en koud als steen, maar soms verdenk ik hem er van, heel gevoelig en teerhartig te zijn, wat hij onder het een of andere mom verborgen houdt. Dagen lang is hij soms heel geduldig en vriendelijk en behulpzaam en dan begin ik echt van hem te houden, maar dan opeens, zonder een enkele waarschuwing, bruischt het in het diepst van zijn ziel en een ontembare wildeman springt te voorschijn en, lieve deugd, dan is er geen huis mee te houden.
Ik denk wel eens dat hij vroeger een vreeselijk verdriet heeft gehad en dat hij nog steeds door de herinnering daaraan geplaagd wordt. Als hij met je spreekt, heb ik soms het onbehagelijke gevoel, dat hij intusschen aan heel iets anders denkt, maar het kan ook wel zijn dat mijn romantische aanleg me parten speelt en ik zijn slecht humeur wil vergoelijken. In elk geval is hij zeer veranderlijk.
* * * * *
Wij hebben al een week lang op een winderigen dag gewacht en nu is die eindelijk gekomen. Mijn kinders laten vliegers op en alle jongens en meisjes, die groot genoeg zijn om er aan mee te doen, zijn over het heuvelachtige landschap, waar de schapen van Mijnheer Knowltop weiden, verspreid, om de vliegers op te laten, die ze weken geleden zelf hebben gemaakt. Ik heb eerst heel veel moeite gehad om den ouden brommerigen heer, wien de grond toebehoort, te bewegen, dat hij voor het vlieger-oplaten zijn permissie gaf.

Hij beweerde dat hij vondelingen niet kon uitstaan en als hij er eens in toestemde om ze op zijn terrein te laten spelen, zou de grond voortaan steeds door hen onveilig gemaakt worden. Als je hem hoorde spreken, zou je denken, dat vondelingen een soort wilde dieren waren. Nadat ik echter een half uur erg kalm en overtuigend had geredeneerd, gaf hij al pruttelend zijn toestemming dat wij ons twee uur lang op het terrein, waar de schapen grazen, mochten vermaken. Evenwel op de strenge conditie, dat wij dien tijd niet zouden overschrijden en ons niet op den grond zouden wagen, waar de koeien weiden, en om nu dat laatste heiligdom voor ons te bewaken, heeft Mr. Knowltop zijn tuinier en chauffeur en twee grooms gestuurd om de grenzen gedurende de vliegerpartij af te loopen. De kinderen zijn dolblij en rennen met hun vliegers rond en geraken met elkaars touwen verward; als zij hijgend en vermoeid terugkomen, zal ik hen met gemberkoekjes en limonade verkwikken.
Als je toch eens denkt aan die arme, kleine schapen met hun oude, vroegwijze gezichtjes! Het is heel moeilijk om hen in jonge levenslustige kinderen te veranderen, maar ik geloof dat ik het toch gedaan zal krijgen, en het is werkelijk aardig het gevoel te hebben dat je iets goeds voor de wereld tot stand brengt. Als je je er niet erg tegen verzet, zul je je doel nog bereiken en me in een werkelijk nuttig persoontje veranderen. De mondaine genoegens van Worcester lijken mij vervelend toe bij het steeds toenemend belang, dat ik in 113 liefdevragende, hartelijke vondelingetjes stel.
In liefde, Sallie.
P.S. Ik wil waarheidslievend blijven en moet dus wel getrouw constateeren, dat ik hedenmiddag slechts 107 kinderen onder mijn hoede heb!
Lieve Judy,
Daar het heden Zondag en een zeer schoone dag was, met een zoel windje, ging ik in het raamkozijn zitten, de "Hygiënische behandeling van het zenuwstelsel" (Sandy draagt steeds zorg voor de verrijking van mijn geest) open in mijn schoot, mijn blik in de verte gericht. "Goddank", zuchtte ik, "het gesticht is tenminste zoo gebouwd, dat je nog over den ijzeren muur kunt heen kijken, die ons van de buitenwereld verwijderd houdt!"
Ik voelde me erg moe en als een gevangene, net alsof ik zelf een vondelingetje was. Ik leidde hieruit af, dat mijn zenuwstelsel naar de buitenlucht en naar eenige verandering snakte. Recht voor mij zag ik de witte lijn van den weg, die in de diepte van de vallei verdwijnt en bij de heuvels weer zichtbaar wordt. Arme Judy, ik weet haast zeker, dat datzelfde gevoel jou dikwijls genoeg in je jeugd gekweld zal hebben! Als ooit een van mijn kuikentjes bij het raam zit en naar de heuvels over de vallei kijkt en vraagt "Wat is dat aan den overkant?" zal ik onmiddellijk om een auto telefoneeren en het kind er heen rijden.
Vandaag waren echter al mijn kinderen zeer vroom in hun zieleheil verdiept en ik was het eenig onrustig wezen in dit huis. Ik wisselde mijn zijden Zondagsjapon met een homespun mantelcostuum en dacht er over na hoe ik de toppen van de heuvels zou kunnen bereiken.
Toen liep ik naar de telefoon en vroeg kort en bondig No. 505 aan. "Goedenmiddag, juffrouw MacGurk", begon ik minzaam, "kan ik Dr. MacRae spreken?"
"Wacht dan aan de telefoon", snauwde de vriendelijke dame me toe. Sandy's stem deed zich hooren. "Goedenmiddag dokter", zeide ik tegen hem, "hebt u misschien een zwaarzieke patient aan de overzij van de heuvels?"
"Neen, die heb ik niet, Juffrouw McBride, Goddank!"
"Dat is jammer", zei ik teleurgesteld. "En wat wilt u vandaag uitvoeren?"
"Ik lees 'De oorsprong van de Sexen'".
"Legt u dan dat boek maar weg want dat is heelemaal geen Zondagslectuur. En vertelt u me eens, is uw auto geolied en klaar voor een rit?"
"Die staat tot uwe beschikking. Wilt u dat ik een paar kinderen mee naar buiten neem?"
"Neen dokter, alleen maar iemand die het met haar zenuwen te kwaad heeft. Ik heb nu eenmaal het idée fixe, dat ik de toppen van de heuvels aan gene zijde wil bereiken".
"O, mijn auto heeft een groote snelheid! In tien minuten...."
"Wacht even", zei ik. "Neem een koekepan mee, die voor twee menschen kan dienen. In mijn keuken heeft de kleinste pan nog de afmetingen van een wagenrad. En vraagt u dan ook of Juffrouw MacGurk erop rekent, dat u met het avondeten wegblijft?"
Dus pakte ik een mand vol met ham en eieren en beschuit en gemberkoekjes en gloeiende koffie in een thermosflesch en wachtte op de trap, totdat Sandy met zijn auto en koekepan voorkwam.
Wij hadden werkelijk een heerlijken dag en hij genoot even hard als ik van ons uitstapje. Geen enkele maal liet ik hem over krankzinnigheid spreken! Ik bewonderde met hem de uitgestrekte weiden en de grillige lijnen, waarmede de knotwilgen tegen de lucht afsteken, en snoof met hem de heerlijk frissche weidegeuren op en luisterde naar de kerkklokken en de koebellen en het kabbelen van de rivier. En wij spraken over een massa dingen, die alle niets met het gesticht te maken hadden. Ik bemerkte, dat hij heel en al vergat dat hij een geleerde was, en dat hij zich als een jongen voelde; je zult het haast niet gelooven maar het is toch heusch waar — hij haalde zelfs een of twee echt ondeugende jongensstreken uit! Sandy is nog altijd in de dertig en dat is werkelijk een te jeugdige leeftijd om je al volwassen te gevoelen!
Wij kampeerden op een hoogte van waar wij alles konden overzien en staken een vuurtje aan en hadden het verrukkelijkste avondeten, dat wij ooit hadden gehad! Een stuk hout viel midden in onze koekepan tusschen de eieren met ham, maar houtskool is zuiverend en heel gezond! Toen Sandy zijn pijp had opgerookt en de zon in het westen was ondergegaan, pakten wij den boel bijeen en reden huiswaarts.
Hij zei dat dat de aardigste dag was geweest, dien hij sinds jaren heeft gehad en ik geloof werkelijk, dat het waar is wat die arme man van de wetenschap verkondigde. Zijn olijfgroene huis is zoo ongezellig en somber en zoo weinig noodend, dat ik heel goed begrijp, dat hij zijn troost bij zijn boeken moet zoeken. Zoo gauw ik maar een aardige lieve dame vind met moederlijke bewegingen, zal ik het op haren en snaren zetten om er die McGurk uit te gooien hoewel ik voorzie, dat zij nog moeilijker dan Sterry haar voeten buiten de deur zal zetten.
Maak nu alsjeblieft niet de gevolgtrekking, dat ik gloeiend veel belang stel in onzen slecht-gehumeurden dokter, want dat is absoluut niet het geval. Het komt alleen doordat hij zoo'n treurig jonggezellen leven leidt, dat ik er af en toe naar verlang hem te vertroetelen en mijn hand op zijn hoofd te leggen en hem te zeggen, dat hij vroolijk moet zijn. De wereld is immers vol zonneschijn en een deel daarvan is ook voor hem bestemd. Ik heb tegenover hem hetzelfde gevoel als tegenover mijn 107 vondelingetjes. Niets meer en niets minder.
Ik was er stellig van overtuigd, dat ik je ook werkelijk nieuws had te berichten maar het wil me nu niet te binnen schieten. De frissche lucht heeft me slaperig gemaakt. Het is net half negen. Goeden nacht!
S.
P.S. Gordon Hallock schijnt niet langer voor mij te bestaan. In drie weken geen enkel woord, geen kandijklontjes en ook geen speelgoedbeestjes! Geen enkel levensteeken! Wat ter wereld mag er met dezen vriendelijken jongen man gebeurd zijn?
13 Juli.
Liefste Judy,
Aanhoort de goede tijding!
Daar dit de 31ste dag van Punch's afwezigheid is, telefoneerde ik zijn twee weldoensters op, om, zooals was afgesproken, over zijn vertrek te confereeren. Maar ik stuitte op een verontwaardigde weigering. Hun lief klein vulkaantje teruggeven, nu hij er juist aan begon te wennen de menschheid niet regelmatig op vulkanische uitbarstingen te vergasten! Ze konden er gewoonweg niet over uit, dat ik zulk een ondankbaar voorstel doen kon. Punch heeft de uitnoodiging al aangenomen om er den heelen zomer door te brengen.
Nog steeds zijn we hier aan het kleeren naaien. Je moest de machines hooren snorren en eens luisteren naar het vroolijk gebabbel in de naaikamer. Ons meest lusteloos, versuft vondelingetje wordt wakker en stelt weer belang in het leven, als ze hoort, dat ze drie jurken zal krijgen, die aan haar en niemand anders zullen toebehooren en elk van een andere kleur zal zijn, die ze zelf mag uitzoeken. En je moest eens zien hoe dat hen bij het naaien aanspoort; zelfs de kleintjes van tien jaar zijn dapper aan het zoomen. Ik wilde wel dat ik net zoo'n goed middel kon bedenken om de belangstelling voor het koken op te wekken, maar onze keuken helpt ons absoluut niet om die opleiding wat aangenaam te maken. Je weet niet welk een domper het is voor iemands geestdrift als hij een H.L. aardappelen moet schillen.
Ik geloof dat ik je al verteld heb, dat ik mijn kinderen in tien aardige kleine families zal verdeelen met een lief huismoedertje, dat aan het hoofd van de tien staat. Als ik nu tien aardige cottage-woninkjes had om hen daarin te stoppen, met bloemen voor het huis en hondjes en katjes en konijntjes, zouden we een werkelijk presentabel gesticht kunnen vormen en behoefden wij ons niet te schamen als deze of gene ons kwam opzoeken.
Donderdag.
Ik begon dezen brief drie dagen geleden maar werd daarbij overvallen door een zeer welwillenden breedsprakerigen philantroop (met dat gevolg, dat ik vijftig kaartjes voor het circus kreeg) en ik had sedert dien geen vrij oogenblik om weer verder te schrijven. Betsy is drie dagen in Philadelphia geweest omdat ze voor het een of ander nichtje bruidsmeisje moest zijn. Ik hoop dat haar overige familie voorloopig niet aan trouwen denkt want zoo'n evenement is zeer storend voor de rust en orde van het John Grier Home.
Tijdens haar afwezigheid bezocht zij een familie die naar een kind had gevraagd. Natuurlijk hadden wij niet bepaald een kuikentje, dat van onder Moeders vleugels uit moest vliegen, maar nu die familie ons zoo toevallig tegen het lijf liep, wilden we toch van de gelegenheid profiteeren. Gewoonlijk werken wij met de State Charities' Aid Association, welke een menigte agenten heeft die het land bereizen en zoo dus voortdurend in aanraking blijft met families, die kinderen wenschen aan te nemen en met gestichten, die die kinderen op deze wijze een goed tehuis willen verschaffen. Sedert deze instelling zich bereid heeft verklaard ook voor ons te werken, kunnen we haast alle kleine babies, die wij hebben, plaatsen. Ik wil er ook zooveel mogelijk op heel jeugdigen leeftijd een eigen thuis bezorgen, want ik geloof zeker dat een eigen thuis het beste is wat een kind zich wenschen kan. Natuurlijk moeten wij eerst heel zeker zijn van het milieu waarin het schaapje terecht komt. Ik verlang geen rijke pleegouders, maar in elk geval vriendelijke liefhebbende en verstandige ouders. Deze keer heeft Betsy naar het schijnt een juweel van een familie aangetroffen. Het kind is nog niet geleverd, de papieren zijn ook nog niet geteekend en dus verkeer ik nog steeds in angst dat plotseling al onze mooie plannen in duigen zullen vallen.
Vraag eens aan Jervis, of hij wel eens gehoord heeft van J. F. Bretland in Philadelphia. Hij schijnt zich veel in financieele kringen te bewegen. Het eerste, wat ik van hem onder mijn oogen kreeg, was een brief aan den "Directeur van het John Grier Home", een kort zakenbriefje in machineschrift, van een afschuwelijk zakelijken advocaat, meldend dat zijn vrouw besloten had een meisje van goede gezondheid en met lief voorkomen tusschen twee en drie jaar aan te nemen. Het kind moest een vondelinge van Amerikaansche afkomst zijn, zonder erfelijke belasting en zonder familieleden, die nog eenig recht kunnen laten gelden. Zou ik hem zulk een kind kunnen verschaffen?
Bij wijze van referentie noemt hij "Bradstreets". Heb je ooit zoo iets grappigs gehoord?
Wij begonnen ons onderzoek door aan een dominee in Germantown, de stad, waarin J. F. Bretland woont, inlichtingen te vragen.
"Is hij bemiddeld?
Betaalt hij zijn rekeningen?
Is hij vriendelijk tegen dieren?
Bezoekt hij de kerk?
Leeft hij in goede verstandhouding met zijn vrouw?" en nog een dozijn andere impertinente vragen.
Wij schenen een dominee met gevoel voor humor te hebben aangetroffen want in plaats van hierop breedvoerig in te gaan, schreef hij met groote letters dwars over het vel papier: "Ik wou dat zij mij wilden aannemen!"
Dit klonk veelbelovend, daarom ging Betsy dadelijk naar Germantown, zoodra de bruiloftsplechtigheid afgeloopen was, Betsy schijnt een geboren detective te zijn. Nadat zij ergens een kort bezoek heeft afgelegd, kan ze ons alleen door het zien van tafels en stoelen op een heel familiedrama vergasten.
En ze keerde vol van enthousiaste bijzonderheden bij ons terug.
Mijnheer J. F. B. is een rijk en zeer invloedrijk burger, die door zijn vrinden hartelijk bemind en door zijn vijanden diep gehaat wordt (ontslagen bedienden, die niet nalaten van hem te vertellen dat hij een hardvochtig man is). Hij bezoekt ook de kerk, niet geregeld, maar zijn vrouw haalt de schade voor hem in en hij geeft er geregeld geld voor.
Zij is een allerliefste zachte vrouw en zeer beschaafd. Nadat zij een jaar zenuwziek in een sanatorium heeft doorgebracht, heeft de dokter gezegd dat zij iets moest hebben wat haar aan het leven bond en hij raadde haar ten zeerste aan om een kind te adopteeren. Zij heeft daarnaar altijd verlangd. Eindelijk, zoo als altijd, heeft ook in dit geval de lieve zachte echtgenoote getriomfeerd en de strenge man is gedwongen om toe te geven.
Terwijl hij nu zijn voorkeur voor een jongen voorbijzag, schreef hij, zooals ik je reeds vertelde, het gewone verzoek van een vrouw, een meisje te willen aannemen.
Mevrouw Bretland heeft, met het steeds levendig verlangen een kind aan te nemen, al jaren lang over niets dan over kinderen gelezen en er bestaat geen kinderziekte of zij is er volkomen van op de hoogte. Zij heeft een heerlijk zonnige kinderkamer en een kast vol poppen, die zij vol liefde heeft uitgezocht. Zij toonde Betsy alles vol trots. Je begrijpt hoe hard die arme vrouw een kindje noodig heeft!
Zij heeft ook juist gehoord van een uitstekende Engelsche nurse, die ze zou kunnen krijgen, maar misschien zou het wel beter zijn om met een Fransche kindermeid te beginnen, zoodat het oor van het kind dadelijk aan die vreemde klanken zou kunnen wennen. En het interesseerde haar ook erg toen zij hoorde, dat Betsy de Universiteit had bezocht. Ze wist nog niet of ze haar baby later daarheen zou sturen, ja of neen. Wat dacht Betsy ervan? Als het kind nu Betsy's eigen dochter was, zou zij haar dan de Universiteit laten bezoeken?
En dit alles zou vermakelijk zijn als het niet tevens zoo aandoenlijk was. Werkelijk, ik kan me niet los maken van het beeld van die arme eenzame vrouw, die daar poppenkleertjes jaren achtereen naaide voor het kleine onbekende meisje, waarvan ze zelfs nog niet eens zeker wist of ze het zou mogen aannemen ja of neen. Ze verloor jaren geleden haar eigen twee babies, of liever gezegd, ze heeft ze nooit gehad, de kindertjes van dat arme moedertje hebben nooit geleefd.
Je ziet dus wat een prachtig thuis dat zou zijn. Een schat van liefde wacht op het kleine meisje en dat is meer waard dan alle weelde, die toch ook niet kwaad is als ze met liefde gaat gepaard.
Maar nu is het groote probleem een kind te kunnen vinden en dat is niet gemakkelijk. De J. F. B.'s zijn zoo afgrijselijk veeleischend. Ik heb juist het baby-jongetje dat voor hen zou passen, maar wat zou er dan met al die poppen moeten gebeuren! Kleine Florence is ook niet goed want haar moeder leeft nog steeds, en dan heb ik een verzameling van buitenlanders met groote, bruine oogen, maar dat is heelemaal niets, want Mevrouw Bretland is blond en heeft blauwe oogen en haar dochter moet op haar lijken. Ik heb ook verschillende kleine snoesjes, die niet het minst van erfelijke belasting te lijden hebben, maar de Bretlands verlangen een afstammeling van een geslacht, waarvan zes generaties minstens de kerk trouw hebben bezocht terwijl aan het hoofd een groote persoonlijkheid moet prijken. Ook heb ik een schat van een kindje met blonde krullen (en krullend haar wordt hoe langer hoe zeldzamer), maar, lieve deugd, het kind is onwettig en dat schijnt een onoverkomelijk bezwaar in het oog van pleegouders, hoewel het aan het kind zelf niet de minste afbreuk doet. Toch zal het niet gaan want de Bretlands eischen een boterbriefje.
Van alle 107 blijft er maar één over, die er voor geschikt zou zijn De vader en moeder van onze kleine Sophie werden bij een spoorwegongeluk van het leven beroofd en alleen doordat hun kindje juist in een hospitaal lag om voor een abces in de keel behandeld te worden, bleef het kind gespaard. Ze is van een goede, Amerikaansche familie en van vervelend-onberispelijk gedrag. Zij heeft ook veel van een uitgewrongen vaatdoek — een dreinerig, vervelend klein ding! De dokter heeft haar met zijn geliefkoosde levertraan en spinazie volgepropt, maar kon er ondanks dat alles toch niet in slagen, om er een beetje aardigheid in te pompen.
Toch kunnen liefde en goede zorg soms wonderen bij gestichtskinderen uitrichten en het kan zijn, dat zelfs zij zich nog eens tot een zeldzame, schoone bloem ontplooit. Dus zond ik een ontroerend verslag over haar familie-geschiedenis aan J. F. Bretland, vergezeld van het aanbod om haar in Germantown uit te leveren.
Vanmorgen kreeg ik echter een telegram van J. F. B. Hij is niet van plan een dochter ongezien te koopen, maar hij zal hierheen komen om het kind persoonlijk den volgenden Woensdag om drie uur in oogenschouw te nemen.
Lieve deugd, als hij haar nu eens niet kan uitstaan! Wij zetten nu ons beste beentje voor om het kind schoonheid bij te brengen, evenals ook een jonge hond geprepareerd wordt alvorens hij naar de tentoonstelling verhuist. Zou je het heel erg vinden, als ik een tikje rouge op haar wangen smeerde? Ze is nog te klein om die gewoonte over te nemen.
Nu, je kunt je niet beklagen, dat ik je weinig schrijf, — ik heb aan een stuk door achter elkaar gepend. Je ziet nu wel waar mijn hart en gedachten zijn. O Judy, ik ben toch zoo bezorgd voor de toekomst van die kleine Sophie! Het lijkt wel of het mijn toekomst betreft of die van mijn bloed-eigen kleine dochter!
Eerbiedige groeten aan onzen President,
Sallie McBride.
Beste Gordon,
Ik vind het heel leelijk en onaardig om me vier weken lang zonder een enkel woord te laten, alleen maar omdat ik in een abnormale herrie en drukte je drie weken lang niet schreef. Ik maakte me al ongerust over de vraag of je nog tot de levenden behoorde en ook mijn kinderen missen Oom Gordon op een vreeselijke wijze, want ze houden dol veel van dien Oom. Denk er alsjeblieft aan, dat je ons beloofd hebt een ezel te sturen en vergeet ook niet, dat ik het zwaarder heb te verantwoorden dan jij. Het is heel wat harder werk om in het John Grier Home te ploeteren dan in het Capitool en daarbij komt nog, dat jij veel betere hulp hebt dan ik.
Dit is geen brief, alleen maar een verontwaardigd protest. Misschien schrijf ik je morgen of op een andere keer.
S.
P.S. Nu ik je brief overlees, verteeder ik wel een beetje, maar toch geloof ik je lieve woordjes geen van alle. Ik weet heel goed dat je me vleit, als je zoo mooi praat, en daarvoor heb je dan een reden, vriendje!
17 Juli.
Lieve Judy,
Ik moet je een heele historie vertellen.
Zooals je weet, zou Woensdag de belangrijke samenkomst tusschen J. F. Bretland en de kleine Sophie plaats vinden; dus werd die kleine om half twee gebaad en geborsteld en in schoone kleertjes gestoken en aan een vertrouwenswaardig vondelingetje afgeleverd met het nadrukkelijk verzoek er voor te waken, dat het kind schoon bleef.
Precies klokslag (nog nooit heb ik iemand ontmoet, die zoo afgrijselijk businesslike is als J. F. B.) hield er een luxueuse auto voor het hek van ons ontzagwekkend chateau stil. Een breedgeschouderde, stevige man met vierkanten beslisten kop en iets over zich, dat je beweegt vooral voort te maken, stapte uit en meldde zich drie minuten later bij mijn werkkamer aan. Hij begroette mij kortaf als "Miss McKosh", wat hij na mijn vriendelijke verbetering in "Miss McKim" wijzigde. Ik wees hem mijn gemakkelijksten armstoel aan en noodigde hem uit, na de gedane reis een verfrissching te gebruiken. Hij vroeg hierop om een glas water (ik vind het prettig als een pleegvader matig is) en gaf daarna met zeker ongeduld te kennen, dat hij tot de zaak wenschte over te gaan. Dus schelde ik even en gaf order om de kleine Sophie naar beneden te brengen.
"Neen, neen, Miss McGee", stribbelde hij tegen, "ik zou haar liever in haar eigen omgeving willen zien. Weest U zoo goed en brengt U mij naar de speelkamer of naar de slaapkamer, waar die kleintjes zijn".
Ik bracht hem naar de speelkamer, waar dertien of veertien kleine dreumesjes, in flanelletjes gestoken, op matrassen op den grond rolden. Sophie, afgescheiden van de anderen, prijkte in haar schoonsten tooi en woog zwaar op den arm van een blauwgeruit katoenen vondelingetje, dat van het geval al meer dan genoeg had. Ze dreinsde en zanikte om ook op den grond te mogen spelen en bood een allesbehalve aanlokkelijker aanblik. Ik nam haar in mijn armen en suste haar en streek haar kleertjes glad en snoot haar neusje en vroeg haar vleiend dien heer eens in de oogen te kijken.
De heele toekomst van dat kind hing van één vriendelijk lachje af, en ze dreinsde!
Mr. Bretland schudde haar handje op een zeer kort aangebonden wijze en nam haar van top tot teen op alsof hij een jongen hond voor zich had. Sophie nam niet de minste notitie van hem, maar draaide hem haar rug toe en verborg haar snuitje in mijn hals. Hij haalde zijn schouders op en zeide, dat hij haar wel op proef wilde nemen, misschien voelde zijn vrouw er iets voor. Hij zelf verlangde in geen enkel opzicht naar dat kind en wij maakte aanstalten om heen te gaan. Maar wie denk je wel, dat ons daar tegemoet liep? Niemand anders dan die kleine zonnige Allegra! Vlak voor hem wankelde zij, zwaaide met haar armen als een windmolen en plofte op alle vier neer. Hij sprong met groote handigheid op zij, om te voorkomen dat hij op haar trapte, en pakte haar beet om haar weer op te helpen, maar dat lieve diertje sloeg haar armpjes vast om zijn hals en keek met een heerlijk vertrouwelijk lachje naar hem op.