HET STAARTMEESJE.
Reading edition
Er heetten vroeger in ons land twee soorten van staartmeesjes voor te komen; de gewone zwartgevlekte staartmees en de witkopstaartmees, die in de boeken eenvoudig kortweg staartmees genoemd wordt. Beide soorten geleken in leefwijze volkomen op elkander, ik heb tenminste nooit eenig verschil kunnen waarnemen.

Het nest van de Staartmees. (Aegithalos caudatus europaeus.) (Herm.) (L.)
In de Duinen te Zandvoort, 4 Mei 1905.
De witkoppige zou iets grooter zijn dan de gewone gevlekte, deze laatste heeft aan weerszijden van den kop een breede roodbruine streep, bij de eerste is de kop geheel wit. Die wordt daarom ook wel doodskopje of ossekopje genoemd. De jongen zijn niet te onderscheiden, ze hebben bij beide soorten de donkere wangenstreep.
Toen men nu overal telkens broedende paren aantrof, gevormd door witkoppige individu’s, gepaard met zwartgestreepte is men teruggekeerd tot een nog andere meening, n.l. dat we slechts met één soort te doen hebben en dat de witkoppen eenvoudig oude vogels zijn. Ook bij enkele andere vogelsoorten komt het voor, dat exemplaren in ’t jeugdkleed reeds broeden. De troepen der staartmeezen, die ge in ’t winter halfjaar ontmoet, bevatten ook alle vormen door elkander.
Wanneer een troep rondzwerft door het eiken kreupelhout, dan trekken ze in ’t allereerst de aandacht, niet zoozeer door hun sierlijke figuurtjes of den langen staart, dan wel door hun lokroep. Dat is een zeer bijzonder geluid, volmaakt karakteristiek voor de staartmeezen. Geen andere mees, geen andere vogel laat zulk een roep hooren: een trillend, weinig klinkend, vochtig geluid: „srrirrrt, srirrrt.”
Indien ge dit hoort op een windstillen middag in de kerstvacantie, luister dan nog even zonder op te zien. Dan hoort ge ook het kletteren van de kleine klauwtjes tegen de eiketwijgen, het snorren van de kleine vleugeltjes en telkens ook een geritsel in de dorre bladeren, ten teeken, dat deze meesjes ook op den grond rondhuppelen om voedsel.
Eensgezind gaat de troep door het hout. Van leiding of commando geen sprake. Nu eens is de een vooraan, dan de ander. Alleen wanneer er een enkele afgezonderd raakt, dan komt niet de troep tot hem, maar hij moet al roepend en naar antwoord luisterend den troep opzoeken.
’t Is een van de meest aandoenlijke herfst- en wintertooneeltjes: de vogel, die zijn gezelschap is kwijtgeraakt. Hoog in ’t hout gaat hij zitten, al roepend en rondziend, luider en luider worden zijn kreten. Telkens houdt hij even op, om naar antwoord te hooren en als hij dat niet verneemt, dan gaat hij na een laatste wanhoopskreet de lucht in, om een eind verder zijn jeremiade opnieuw te beginnen.
Zoo kan men ’s winters dikwijls een ongelukkig meesje vinden of een goudhaantje en dat kan dan zeer scherpe kreten uitstooten vol angst en verlangen. Vindt hij zijn eigen troep niet terug, dan sluit hij zich aan bij een andere en zoo ontstaan langzamerhand de gemengde gezelschappen van meezen, boomkruipertjes, klevers, goudhaantjes, die gedurende den winter rondzwerven.
Het schijnt, dat de staartmeezen door hun typischen lokroep in staat zijn, om hun gezelschap beter bij elkander te houden, dan de andere meezen, want ze worden niet zoo heel dikwijls in gemengd gezelschap aangetroffen.
Zijn ze eenmaal in een buurt, waar ’t hun naar den zin is, dan blijven ze daar weken lang en dan houden ze altijd vaste ommegangen op bepaalde tijden. Het vorig jaar had ik een paar weken achtereen dag aan dag het genoegen, dat mijn morgenwandeling naar de tram samenviel met een staartmeezen-traject, wat een zeer mooi begin van den dag was.
Ik houd ervan, om ’s avonds met een troep mee te wandelen, want ik ben er altijd benieuwd naar, hoe en waar de dieren den nacht doorbrengen. In negen van de tien gevallen lukt het niet, de troep te vergezellen, want ze leiden je op allerlei onbegaanbaar en verboden terrein. Eens brachten ze me naar een sparrelaantje, waar ze hun nachtkwartier hadden, zoo wat ter halver hoogte tusschen den grond en de toppen, een andermaal naar een houtmijt, maar ik weet nog niet, of ze daar toen wel ingekropen zijn.
Al vroeg in ’t voorjaar wordt na de verzamelkreet ook het klokjesheldere vreugdelied gehoord. ’t Heeft wel wat van den tertsenroep van den koolmees, maar ’t is minder scherp en beslist, voor een mees haast droomerig langzaam. De paren zijn nu gevormd of bestendigd, maar doordat zoo’n staartmeezengezelschap nooit even stilzit, is daar weinig van te zien.
Nog eenige weken en de troep is ontbonden; elk paar heeft zijn lievelingsplekje gevonden. Nu worden de grondslagen gelegd voor een nest en ieder jaar kunt ge u tegelijk verbazen over de geslepenheid, waarmee sommige gebruik weten te maken van verborgen hoekjes en over de verregaande domheid en zorgeloosheid, die andere aan den dag leggen, door hun nest op grijphoogte te bouwen tegen den kalen stam van een boom aan een drukbetreden wandelweg.
Het spreekt van zelf, dat zoo’n openbaar nest al heel spoedig verstoord wordt, zoodat ten slotte alleen de goed verborgen nesten overblijven.
Beide vogels werken den heelen dag. In ’t eerst vergenoegen ze zich met een zoo groot mogelijke hoeveelheid mos bijeen te brengen, groen bladmos, dat ze oppikken van den grond. Beurtelings komen ze aandragen, voor zang of spel schijnt geen tijd te wezen, ze kunnen in deze dagen niet anders doen dan bouwen. Het is ten slotte een mosklomp zoo groot als een vuist.
Nu gaat een van de twee daarop zitten draaien met de borst omlaag, de lange staart omhoog; een echte gymnastische beweging. Ook hierin wisselen ze elkander af, totdat er een duidelijk goed begrensd kuiltje is gevormd. Wanneer ze nu weer nieuw materiaal aanbrengen, dan wordt dat niet gewoon bij den hoop gevoegd, doch de brenger gaat in ’t kuiltje zitten en werkt het nieuwe mos in den rand.
Soms is hij daar nog mee bezig, als nummer twee met zijn vrachtje aankomt. Nu kunnen er drie verschillende dingen gebeuren: de eerste kan plaats maken voor de tweede, of hij kan eenvoudig het mosvrachtje overnemen—en gewoon voortwerken of nommer twee kan naast de eerste gaan zitten en dan werken ze allebei tegelijk.
Ik heb alle drie deze mogelijkheden in vervulling zien gaan en ik verzeker u, dat niets mooier is dan een jeugdig staartmeesjespaar eensgezind te zien bouwen aan hun kunstige woning. De witte kopjes gaan op en neer, het korte gele snaveltje schuift en wringt de plantjes en de twee lange staartjes steken omhoog als een aanwijzing, hoever de muren nog moeten worden opgetrokken.
Toch is deze bekoorlijke samenwerking niet de meest gewenschte, want het nest zou daardoor veel te wijd worden. Al heel spoedig wordt dan ook de tweede werkwijze gevolgd: de eene vogel zit in ’t nest en neemt de aangedragen materialen in ontvangst. Voorloopig is dit nog altijd alleen bladmos.
Nog voordat het nest tot de volle hoogte is opgetrokken, komen ook de stukjes korstmos. Het maakt den indruk, dat de vogel bij het inzamelen van bladmos in het voorbijgaan een prachtig stuk korstmos ontdekte en gedacht heeft: „dat moest ik alvast maar meenemen, later zou ik moeite hebben, om zoo’n mooi brokje te ontdekken.”
De verwerker neemt het in ontvangst en plakt het alvast in aan den buitenrand. Zoo raakt langzamerhand het groen van ’t bladmos met grijs korstmos overdekt en zoo’n heel groote grijze korstmosklomp valt soms gemakkelijk in het oog.
Ten slotte komt het mooiste werk: de binnenbekleeding met veertjes. Honderden en honderden en honderden veertjes worden naar binnen gedragen. ’t Is haast niet te begrijpen, waar die allemaal vandaan komen. Leg bij de materialenpartij in ’t voorjaar eens een assortiment veertjes van allerlei kleur en probeer eens te zien, aan welke ze de voorkeur geven. Ik zou denken aan wit.
Nu gebeurt ook het staartwonder, dat in ’t geheel geen wonder is. Wat moet een staartmees in het nest aanvangen met den énormen langen staart? Ge ziet hem naar binnen vliegen en ge denkt, dat minstens de helft van de staart naar buiten moet blijven steken, maar alles gaat gladjes naar binnen. Dikwijls keert de vogel zich in ’t nest geheel om, en dan kunt ge snavel en staart tegelijk in ’t vlieggat zien. Doch wanneer ge even bedenkt, dat de staartveeren verbonden zijn aan den laatsten staartwervel en dat de staartwervels ten opzichte van elkander zeer gemakkelijk kunnen bewegen, dan ziet ge in, dat ’t een staartmees hoegenaamd geen moeite behoeft te kosten, om zijn staart boven ’t hoofd te houden.
Het broeden gebeurt door beide vogels afwisselend; het mooiste, wat daarbij te pas komt, is wel het ventileeren. Dan staat het vogeltje in de lucht te klapwieken, eigenlijk te bidden als een klein valkje en dan maalt hij de warme lucht uit ’t nest, zoodat het tiental jongen weer frisscher kan ademen. Vleugels en staart zijn dan wijd uitgespreid en ge krijgt dan te zien een allerprachtigst figuur van bruin en zwart, rooskleurig en wit, de kleuren van dekveeren en pennen.