DE VLAAMSCHE GAAI.
Reading edition
Het was op een mistigen morgen in Maart; nog al koud, want de krokusjes bleven gesloten. Maar het was toch al lang lente, de hazelaarkatjes hingen lang uit en de katjes van den els waren nog wel niet los, doch de dikke helmknoppen puilden reeds uit tusschen de purperen schubben. Het mos was in volle glorie, sappig en groen en vol urntjes en tonnetjes op roode steeltjes, die soms als een bouquet van vuurwerk met sierlijke bocht ontsprongen uit den top van een enkel plantje.

Nest en eieren van den Vlaamschen Gaai. (Garrulus glandarius glandarius.) (L.)
Buurtschap Oele bij Delden (O.), 29 Mei 1903.
De meezen riepen helder in het hout en het boomkruipertje draaide zijn dun liedje af. Waar was de zanglijster? Die vond het te koud, om uitgelaten in een boomtop te zitten galmen en zocht wormpjes in ’t gras. Maar toch was het lentegevoel hem te machtig, hij moest zingen, zooals hij daar stond in ’t groene mos en uit half geopenden bek klonken pianissimo zijn blijde tiraden.
Dat alleen maakte de morgenwandeling reeds loonend: een zachtjes zingende zanglijster. Maar er zou meer komen. Op een lagen beukentak, die zich lang uitstrekte over het gazon, zat een prachtige vogel en die zong net zoo mooi als de zanglijster.
Zijn borst was zeer mooi zacht wijnrood, deze tint werd sterker in de harig fijne veeren van nek en mantel. Boven het blauwe oog welfde zich de schedel, versierd met een fraai zwart gestreepte kuif. In de vleugels blonken de mooiste kleuren van kobaltblauw, gitzwart, sneeuwwit en kastanjebruin, een lange zwarte staart voltooide den slanken vorm van het prachtige dier.
Houding, vorm en kleuren alles was even mooi en het groote wonder was wel, dat een zoo schitterend gekleurde vogel zoo fijn kon zingen. Ook hij opende den bek niet wijd, evenals die zanglijster en daardoor klonk zijn lied niet ver. ’t Was, of hij alleen voor zichzelf zong. Maar wat er van te hooren viel, was heel mooi, de meest melodieuze gedeelten werden telkens herhaald en telkens kwamen imitaties van andere geluiden te voorschijn, geluiden van wulp, kievit, koolmees en roodborst: juist zooals bij de zanglijster.
Een tuinknecht kwam met een kruiwagen, en met een woeste angstkreet ging de prachtige vogel op de vlucht. Bij ’t vliegen kwam op de uitgespreide vleugels nog meer blauw en wit en bruin te voorschijn en ook ’t einde van den rug blonk in schitterend sneeuwwit. Als een bonte vlinder verdween hij tusschen de donkere dennen.
Den volgenden morgen leerde ik de mysterieuse prachtvogel met den fluisterzang nog van een andere zijde kennen. Ik werd wakker vroeg in den morgen, een uur voor zonsopgang. Buiten was het helder licht, niet door de morgenschemering maar door de maan, die een paar dagen geleden vol was geweest. De roodborstjes en de winterkoning zaten al te zingen.
Opeens vertoont zich in ’t heldere maanlicht de prachtvogel. Met een mooien sprong komt hij neer op een tak van een klein eikje, vlak bij de geopende balkondeuren. Hij zingt zijn fluisterlied. Nu komt een tweede vogel opdagen, een derde, vierde, vijfde en alle gaan ze zitten in het kleine eikje, druk zwatelend met ingehouden stemmen.
Ze zien elkaar niet aan, schijnen elk verdiept in hun zang, huppelen wat op en neer, kijken verschillende kanten uit. Noord, Oost, Zuid, West en gaan dan den hals rekken, kop buigen, kuif opsteken, wiegelen op de pooten en staarten spreiden en vleugelskleppen.
Om nu eens een oud ezeltje van stal te halen: ik wist niet, of ik waakte of droomde, zoo zonderling en vreemd was deze pantomime. Maar ik hoorde toch ook nog de roodborst en den winterkoning en mijn horloge ook, dus ’t was wel degelijk werkelijkheid.
Het tooneel duurde een minuut of drie, altijd met zacht gezang, totdat ze als bij afspraak een allerafgrijselijkst gekrijsch aanhieven en in volle vaart wegstoven.
Later heb ik nog zoo iets gezien, op klaarlichten dag in het bosch en vele malen zullen mijn lezers in ’t voorjaar het eind van de pantomime hebben bijgewoond: een zwerm gaaien, die met elkander krijschend opvliegen uit het hout. Ze hebben dan daar hun bijeenkomst gehad, hun lente-ontmoeting.
Nu weet ik dat pas een jaar en ’t spreekt van zelf, dat deze bijeenkomsten veel moeilijker te bespieden zijn dan de kemphaantjes-tournooien of de wulpenwals. Gij moet u dus niet erover verwonderen, dat ik met groote bezorgdheid de pogingen aanzie, die sommigen uwer in het werk stellen, om dezen prachtigen zangvogel, waarvan wij de natuurlijke historie nog bij lange na niet kennen, van het aardrijk te verdelgen.
Ik heb graag gaaien om mijn huis. Ook houd ik veel van kleine zangvogeltjes; het eene is niet onvereenigbaar met het andere. Eeuwen aan eeuwen hebben de gaaien en de kleine zangvogeltjes zich zij aan zij vermenigvuldigd en ze zijn er geen van beiden minder op geworden.
Ja, in vroeger tijd hadden de kleine zangvogeltjes nog meer vijanden dan thans; toen was het aantal der roofvogels veel grooter. Thans zijn er in den zomer niet veel sperwers, valken of havikken, die ze bedreigen, de raven zijn in ons land haast uitgestorven en ook het klein viervoetig roofgedierte is sterk in aantal verminderd.
Er bestaat dus geen enkele noodzakelijkheid, om nu ineens zoo tegenover de gaaien van leer te trekken, en het zou zeer te betreuren zijn, wanneer men er in mocht slagen, hen uit te roeien, zooals in sommige streken al met den ekster het geval is.
Den heelen winter liggen voor het raam van mijn studeerkamer de eikels voor hem gereed op den grond in een klein boschje. Ik kan juist op de plek kijken, waar ze liggen en als de gaai van zijn werk opziet, dan kan hij mij bespeuren achter mijn werktafel. Het raam is overdag altijd open.
Ze gaan voor mij niet meer op de vlucht en ze krijschen me ook niet tegen, als ze me zien. Een gaai steekt het niet onder stoelen of banken, als hij het land heeft aan iemand. Mijn buurman schiet er wel eens op, omdat ze zijn doperwtjes opeten en hij krijgt dan ook een behoorlijke dosis verwenschingen naar zijn hoofd, als ze hem maar in de verte zien. Van jagers en geweren zijn ze ook voldoende op de hoogte.
Ook wanneer ze geen mensch zien, dan schijnen ze toch eenig besef te hebben van zijn wandaden. Ik wandelde eens in de vallei van de Trommel, een van de voorste valleien van onze duinen. Zij heeft maar één onaangename eigenschap, nl. dat ze juist ligt in het verlengde van de schietbaan van het Haarlemsche garnizoen.
De Trommel ligt nu wel meer dan een halve kilometer buiten de roode vlag, maar dat belet niet, dat de kogels heel vroolijk langs de vlag heen door de vallei komen fluiten en dat maakt ’t wandelen in die vallei altijd tot een eenigszins martiale ontspanning. Onophoudelijk fluiten er kogels over je heen met een heel merkwaardig crescendo en decrescendo, gepaard aan glijdende rijzingen en dalingen van toon.
Ondanks de verzekering van deskundigen, dat die kogels veel te hoog vliegen, om te deren, ondervind ik toch altijd eenige bezorgdheid en ik zoek dan ook heel dapper de hellingen op, die een beetje aan de lijzij van den kogelregen liggen. Toch wil ik die vallei niet opgeven, want ’t is er veel te mooi.
Nu, ik was daar weer eens „en campagne” en toen sloegen de kogels werkelijk in de berkentoppen van een boschje, waar juist een aantal gaaien iets te doen hadden. Dat geschreeuw was toen de moeite waard, duidelijk waren er de hevigste anti-militairistische vitupiraties uit op te maken en zeer zeker brachten de vogels verband tusschen het knallen van de schoten en het afrukken van de takken.
Ja, er is geen enkele vogel, die in zijn stem en gebaren zooveel haat en verachting kan leggen; hij uit zich ook nog wel scherper dan de kat en de slang. Natuurlijk is er negen tienden angst bij, maar dat verandert niets aan de zaak. Ik kan mij heel goed voorstellen, dat iemand, die met recht zoo door de gaaien wordt uitgekreten, wel eenigszins tot weerwraak wordt geprikkeld.
Tegenover mij bewaren ze een beleefd stilzwijgen en ze eten mijn eikels met goeden appetijt.
Ze komen uit een bosch aan de overzijde van den weg, steken den weg over, zitten even op ’t hek, vliegen dan in een hoog eikje en dalen trapsgewijze neer van tak tot tak, steeds rondziende en telkens met de kuif in de hoogte. Eindelijk is de grond bereikt, vinken, heggemuschjes, koolmeezen, winterkoninkjes, die er bezig zijn, gaan nauwelijks voor hem op zij.
Met een paar logge sprongen, ietwat herinnerend aan die van de groote lijsters, maar minder flink, bereikt hij den eikelhoop en pikt er de mooiste uit. Nu vliegt hij op, naar een tak, ongeveer twee meter hoog, neemt den eikel onder beide pooten en gaat hem schillen. Hij pikt een gat in de vruchthuid en trekt die bij enden eraf. Ten slotte wordt de blanke eikel bij stukjes opgepeuzeld.
Dat ziet er heel genoeglijk en eekhoornachtig uit. Nu haalt hij er nog een en daarmee gaat het op dezelfde manier, doch daarna is zijn honger gestild en nu begint de zorg voor den winter.
Weer staat hij bij den eikelhoop, maar nu wat wakkerder dan daareven. Snel achtereen verdwijnen een tiental eikels met schil en al door zijn keelgat, de krop zwelt merkbaar. Eindelijk heeft hij genoeg en topzwaar vliegt hij heen naar ’t boschje, waar hij zijn schuilhoeken heeft, en daar gaat hij zijn eikels begraven, in de hoop, dat hij ze later, als hij honger heeft, zal terugvinden.
Hij begraaft ze niet alle op één plek, maar hier een en daar een. Ik heb er eens een bezig gezien in een dennenbosch en dat leek net alsof er iemand bezig was, om aardappelen te poten. Hij stootte met zijn snavel een gat in den grond, stopte den eikel erin en woelde de dennennaalden er weer over heen. Dat ging zoo zes keer achter elkander.
Een andermaal zag ik boven op Duin en Daal een gaai heel nieuwsgierig doen. Hij was zoo vol belangstelling voor wat er onder hem gebeurde, dat hij mij in ’t geheel niet opmerkte, of hij kende mij, althans hij bleef voortgaan met zijne bezigheden, alsof er geen wolkje aan de lucht was.
Ik kon mijn kijker voor den dag halen en wat was het nu? Een tweede gaai was ook weer tusschen dennetjes bezig met eikels poten en daar zat die eene, wellicht met zelfzuchtige bedoelingen naar te kijken: een en al aandacht.
Met dat begraafinstinct hangt samen dat zij, wanneer ze honger hebben, den grond gaan omwoelen. Ze zijn dan druk bezig op den boschbodem, gooien de stukken blad opzij op de manier van zwarte lijsters en plukken evenals de kraaien heele stukken mos uit den grond.
Zoo’n bosch kan er dan uitzien alsof er een regiment wieders aan den gang is geweest. Onder dat mos vinden ze dan niet alleen begraven vruchten, maar vooral veel insecten, poppen, eieren en volwassen insecten. Denk er om, dat zij op zoo’n oogenblik nuttig zijn. Het mos groeit wel weer aan, zelfs wordt ’t nog weliger dan voorheen en de insecten zijn opgeruimd.
Strijk en zet komen ze hier ook eten aan den voederbak en dan nemen ze bij voorkeur brood. Trouwens brood is een echt universeelvoeder. Alle vogels eten bij mij brood, merels en koolmeezen niet het minst en zoo is het dan volkomen waar, dat ge de vogels gedurende den winter volkomen kunt voeden met de kruimkens van uw tafel.
Merkwaardig is het, dat de vogels in den winter niet den minsten angst voor de gaai aan den dag leggen. Ze zien wel wat tegen hem op om zijn grootte en gaan voor hem uit den weg, als hij meenens met de zaak maakt, maar geen van allen laat de alarmkreten hooren, die het pad van de gaai begeleiden gedurende den broedtijd. Hieruit zou men mogen afleiden, dat hij zich althans ’s winters niet vergrijpt aan volwassen vogels.
Zomer en winter komen ze baden in het heldere water in een groote roodaarden schotel in mijn grasperk. Er zat dezen zomer een nest van bruine mieren onder en dan gingen ze vaak voor of na het bad een klein mierenversnaperingetje gebruiken. Die mieren leveren voedsel aan alle vogels.
Eens, ’t was in Augustus, had een gaai geplast en geplast, alsof er geen eind aan zou komen. Een kauw of een merel zou het hem niet hebben kunnen verbeteren, maar nu was hij dan ook door en door druipnat. Toen huppelde hij naar een open plekje in ’t grasveld, heetgebakken door de zon en ging daar languit op zijn buik liggen met den staart en de vleugels zoo wijd mogelijk uitgespreid.
O, wat was dat mooi! Ik had op dezelfde plek merels ook wel zoo zien doen, en dat was ook de moeite waard, maar het haalde niet bij de pracht en schittering van deze gaai, met al zijn kleuren wijd uitgespreid in de felle zomerzon.
De vleugels waren zoo wijd uitgespreid, dat de bovendekveeren van de slagpennen in hun geheel te zien waren, zoodat bleek, dat de duimvleugelveertjes geheel en al de zwart met blauwe blokteekening vertoonen, terwijl de dekveertjes maar voor de helft zoo mooi zijn, de andere helft is zwart.
Dat blauw met zwart zit nog op andere plaatsen, de kleine slagpennen, die voor het grootste gedeelte wit zijn, hebben aan de buitenvlag ook de zwart met blauwe blokjes, bij sommige gaaien meer, bij andere minder. De mooie kastanjebruine veeren zitten aan den elleboog.
O, het is wel heerlijk, die mooie vogelveertjes te zien, en als ik een dooden vogel in handen kan krijgen, al is het ook een gewone musch, dan kijk ik altijd met veel belangstelling naar de mooie kleuren en lijnen, die het vogelkleed vertoont. Ook heb ik een paar gaaienveeren in een doos met naphtaline van een vogel, wiens dood ik op mijn geweten heb.

Nest en jongen van den Vlaamschen Gaai. (Garrulus glandarius glandarius.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 17 Juni 1905.
Dat is zoo gegaan. Ik had in ’t boschje voor mijn studeerkamer een hoop takkenbossen gelegd als schuilplaats voor de wintervogeltjes. Daar voerde ik ook voornamelijk de winterkoninkjes, roodborstjes en heggemuschjes, die aan den grooten voederbak geen beurt konden krijgen. Ik strooide Sluis’ universeelvoer bij volle handen in ’t binnenste van de takkenbossen en ’t was een lust, hoe den heelen dag de kleine kruip- en sluipvogeltjes door de takken scharrelden.
In ’t voorjaar waren die takken al aardig vermolmd en ik besloot ze te laten liggen, in de hoop er een nest van winterkoning of heggemusch in te krijgen, en dan rekende ik erop, dat er zich in den loop van ’t jaar allerlei ongedierte in zou ontwikkelen, insecten meen ik.
Er kwam ook ongedierte, maar in plaats van insecten, vestigde zich daar een familie van de groote, vieze, moorddadige, bruine rat. Er zat niet anders op, dan de takkenbossen op te ruimen en de ratten dood te slaan, wat dan ook gebeurde, maar er ontsnapten twee kleine ratjes en die hebben ons den heelen zomer veel te doen gegeven.
We hebben ze achtervolgd op allerlei manieren en zoo heb ik dan ook eenige dagen achtereen een rattenval in mijn tuin gehad. Tot mijn zeer grooten spijt hebben we daarin een gaai gevangen. Die gaai was afgekomen op het brood in een tijd dat hij zich volgens de boeken uitsluitend en alleen moet voeden met jonge vogeltjes. Hij was morsdood en ik heb toen van ’t cadaver zooveel mogelijk trachten te profiteeren en de mooie vleugels mee naar Amsterdam genomen, om aan mijn leerlingen te vertoonen.
Onmiddellijk ben ik toen begonnen met zomervoeding op groote schaal. Ik zag opeens in, dat niet alleen de gaai, maar de meeste vogels in den broedtijd misschien meer moeite hebben, om het noodige voedsel te krijgen dan in den winter. In den winter hebben zij alleen voor zichzelf te zorgen, maar ’s zomers zijn de jongen en het broedende wijfje er ook.
Nu is het misschien niet altijd mogelijk om geschikt voedsel voor de jongen te geven, maar wij kunnen in elk geval ervoor zorgen, dat de oude vogels snel en zonder moeite hun honger kunnen stillen. Wij hebben dan ook op groote schaal met brood gevoerd en hadden de voldoening dat gaaien, lijsters, vinken, meezen en roodstaartjes dankbaar van de geboden gelegenheid gebruik maakten.
Mijn gaaien hadden hun nest in laag eikenhout, niet ver van ons huis: een mooi nest van takjes en stengeltjes en van binnen heel mooi bekleed met worteltjes, meest boomworteltjes, die ze uit den grond plukten. Er waren vier grijze heel fijn bruin gespikkelde eieren in en wat een groot wonder is, de vier jongen zijn alle groot geworden. Dat kan niet gezegd worden van het hongerig vijftal van onze foto, want de jager van Jachtlust is verplicht, om iedere gaai te dooden, elk gaaiennest te vernielen.
Ze waren al op het punt, om uit te vliegen, de middelste gaper vertoont al duidelijk de mooie duimvleugel.
Zeer zeker worden de jonge gaaien voornamelijk gevoed met jonge vogeltjes. Iederen morgen strijk en zet kort voor zonsopgang was er groot alarm onder de musschen op mijn dak: de gaai kwam zijn prooi halen. Wanneer hij zich nu maar wilde beperken tot musschen, dan was het nog zoo erg niet, dan zou zijn optreden wellicht met sympathie worden begroet.
Hij vraagt echter niet naar ons voordeel of onze voorkeur, maar neemt wat ’t makkelijkst te bereiken is, zoodat hij het schrikbeeld wordt van elken broedenden vogel. Zoodra hij zich vertoont, gaan allerwegen alarmkreten op en de oude vogels wagen het zelfs, om hem aan te vallen. De groote lijster vreest hem niet en ook de merel, of liever het merelpaar weet haar broedsel te verdedigen.
Maar aandoenlijk is het, om de kleine vogeltjes, de meesjes, roodborstjes, winterkoninkjes in angst en verslagenheid te zien. Nu eens lijken ze te schelden, dan te smeeken en altijd vliegen ze in de grootste opgewondenheid om den roover, die in onze lichte bosschen en goed onderhouden tuinen gemakkelijk zijn slag kan slaan.
Daarin zit het grootste gevaar. De woeste plekjes verdwijnen. Waar vindt men nog ondoordringbaar struweel van bramen en rozen, van dorens en kamperfoelie? De woeste boschranden, de breede hagen, alles wordt weggeruimd en opgeknapt en daardoor missen de kleine vogeltjes hun schuilplaatsen en toevluchtsoorden. In de duinen geeft de nooit volprezen duindoorn nog veiligheid aan duizenden vogels, maar daarbuiten is het treurig gesteld.
Het is te hopen, dat een welbegrepen vogelbescherming leiden moge tot het aanleggen van vogelschuilplaatsen. Die kunnen, uit een aesthetisch oogpunt beschouwd, ook zeer mooi zijn, eigenlijk vind ik een tuin zonder vogels in ’t geheel niet mooi, al groeien er de prachtigste en zeldzaamste gewassen.
Zeer stellig zal in dien vogeltuin ook een plaats toekomen aan de Vlaamsche gaai en dan moeten wij hem er dankbaar voor zijn, wanneer hij naar behooren zijn wreede taak uitvoert: het beperken van de vogelsoorten, die zich te snel vermenigvuldigen.
EINDE.